Start
Omhoog

Kolosse

 

<< Filippi Index Nieuwe Testament 1 Tessalonica >>

 

Kolosse

Kol. 1,1 Van Paulus, door Gods wil apostel van Christus Jezus, en onze broeder TimoteŁs,
Kol. 1,2 aan de gemeente van Kolosse, onze broeders in het geloof en in Christus. Genade voor u en vrede vanwege God onze Vader!
Kol. 1,3 Wij zeggen God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, dank, telkens als wij u in onze gebeden gedenken.
Kol. 1,4 Wij hebben immers gehoord van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde die gij alle heiligen toedraagt,
Kol. 1,5 omwille van de hoop die voor u in de hemel is weggelegd. Gij hebt daarvan vernomen, toen het evangelie, het woord van de waarheid,
Kol. 1,6 tot u kwam. In heel de wereld is het bezig vrucht te dragen en te gedijen, evenals bij u, sinds de dag dat gij gehoord hebt van Gods genade en haar in waarheid hebt erkend.
Kol. 1,7 Zo hebt gij het geleerd van Epafras, onze dierbare medewerker, een trouwe dienaar van Christus in onze plaats.
Kol. 1,8 Van hem hebben wij vernomen welke liefde door de Geest in u gewekt is.
Kol. 1,9 Vanaf het ogenblik dat wij dit hebben gehoord, houden wij dan ook niet op voor u te bidden. Wij smeken God u alle wijsheid en geestelijk inzicht te schenken, zodat gij zijn wil volledig verstaat
Kol. 1,10 en een leven leidt dat de Heer waardig is en Hem in alles behaagt. Moogt gij vruchten voortbrengen van actieve goedheid op allerlei gebied en tevens toenemen in de waarachtige kennis van God.
Kol. 1,11 Moge Hij u in zijn heerlijke kracht machtig sterken om alles uit te houden en alles te verdragen.
Kol. 1,12 Zegt met blijdschap dank aan de Vader, die u in staat stelde te delen in de erfenis van de heiligen in het licht.
Kol. 1,13 Hij heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon,
Kol. 1,14 in wie onze bevrijding verzekerd is en onze zonden vergeven zijn.
Kol. 1,15 Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping.
Kol. 1,16 Want in Hem is alles geschapen, in de hemelen en op de aarde, het zichtbare en het onzichtbare, tronen en hoogheden, heerschappijen en machten. Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem.
Kol. 1,17 Hij bestaat voor alles en alles bestaat in Hem.
Kol. 1,18 Hij is ook het hoofd van het lichaam dat de kerk is. Hij is de oorsprong, de eerste die van de dood is opgestaan, om in alles de eerste te zijn, Hij alleen.
Kol. 1,19 Want in Hem heeft God willen wonen in heel zijn volheid,
Kol. 1,20 om door Hem het heelal met zich te verzoenen. en vrede te stichten door het bloed aan het kruis vergoten, om alles in de hemelen en op de aarde te verzoenen, door Hem alleen.
Kol. 1,21 Ook gij waart eertijds van God vervreemd en Hem vijandig gezind en uw daden waren slecht.
Kol. 1,22 Maar thans heeft God u met zich verzoend in Christus' sterfelijk lichaam, door zijn dood, want Hij wil dat gij als heilige mensen voor Hem zult verschijnen, zonder smet of blaam.
Kol. 1,23 Maar dan moet gij ook vast en onwrikbaar blijven in het geloof en u niet laten afbrengen van de hoop die u in het evangelie is aangezegd. Dit is de boodschap die aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is en waarvan ik, Paulus, de dienaar ben geworden.
Kol. 1,24 Op het ogenblik verheug ik mij dat ik voor u mag lijden en in mijn lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van zijn lichaam, dat is de kerk.
Kol. 1,25 Haar dienaar ben ik geworden krachtens het goddelijk ambt, dat mij met het oog op u is verleend, om namelijk het woord van God te brengen in heel zijn volheid:
Kol. 1,26 om het geheim te verkondigen dat verborgen was voor alle eeuwen en alle generaties, maar dat nu is geopenbaard aan zijn heiligen.
Kol. 1,27 Hun heeft God bekend willen maken hoe machtig en hoe wonderbaar dit geheim is onder de heidenvolken. En het luidt: Christus is in u', en ook: `de hoop op een eeuwige heerlijkheid.'
Kol. 1,28 Hem verkondigen wij, wanneer wij allen zonder onder scheid vermanen en onderrichten met alle wijsheid die ons gegeven is, om ook allen zonder onderscheid in Christus tot volmaaktheid te brengen.
Kol. 1,29 Daarvoor span ik mij in, zwoegend met zijn kracht, die machtig in mij werkt.

Kol. 2,1 Want gij moet weten welk een zware strijd ik te voeren heb voor u en voor de gelovigen in Laodicea en voor zovelen. die mij nooit hebben gezien.
Kol. 2,2 Al mijn moeite is erop gericht dat zij goede moed houden en innig in liefde verbonden blijven, en zo komen tot de volle rijkdom van het inzicht in Gods geheim, Christus namelijk,
Kol. 2,3 in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen.
Kol. 2,4 Ik zeg u dit om te voorkomen dat men u met schijnschone redeneringen van de wijs brengt.
Kol. 2,5 Al ben ik naar het lichaam afwezig, in de geest ben ik bij u, en ik zie met vreugde dat gij eendrachtig steunt op uw geloof in Christus.
Kol. 2,6 Daar gij Christus Jezus hebt aanvaard als uw Heer, moet gij ook leven in gemeenschap met Hem,
Kol. 2,7 in Hem geworteld, op Hem gebouwd, steunend op het geloof dat men u geleerd heeft, terwijl uw hart overvloeit van dankbaarheid.
Kol. 2,8 Weest op uw hoede, zorgt dat ge u niet laat meeslepen door waardeloze, bedrieglijke theorieŽn, puur menselijke bedenksels, die de machten van de kosmos verheerlijken maar Christus bestrijden.
Kol. 2,9 Want in Christus is de Godheid in heel haar volheid lijfelijk aanwezig,
Kol. 2,10 en in Hem hebt gij deel aan die volheid. Hij is het hoofd waaraan alle heerschappijen en machten onderworpen zijn.
Kol. 2,11 In Hem zijt gij ook besneden, niet in een fysieke zin, door een lichamelijke ingreep, maar met de Christus-besnijdenis:
Kol. 2,12 de doop. In de doop zijt gij met Hem begraven, maar ook met Hem verrezen, door uw geloof in de kracht van God die Hem uit de dood deed opstaan.
Kol. 2,13 Ook u die dood waart ten gevolge van uw zonden en uw morele onbehouwenheid heeft God weer levend gemaakt met Hem. Hij heeft ons al onze zonden vergeven.
Kol. 2,14 Hij heeft de oorkonde met haar bezwarende bepalingen, die tegen ons getuigde, verscheurd. Hij heeft haar vernietigd en aan het kruis genageld.
Kol. 2,15 Hij heeft de heerschappijen en de machten ontwapend en publiek ten toon gesteld. Hij heeft over hen getriomfeerd door het kruis.
Kol. 2,16 Duldt dus niet dat iemand aanmerkingen op u maakt in zake eten en drinken of het vieren van feestdagen, nieuwe maan of sabbat.
Kol. 2,17 Dit alles is slechts een schaduw van de werkelijkheid die nog moest komen; de werkelijkheid zelf wordt gevonden in Christus.
Kol. 2,18 Laat u niet de prijs ontnemen door mensen die voldoening vinden in zelfkastijding en engelenverering en het doorvorsen van hun visioenen, waarbij zij zich in hun ongeestelijke gezindheid van alles inbeelden.
Kol. 2,19 Zo iemand houdt zich niet aan Christus, die het hoofd is van wie het hele lichaam, door gewrichten en banden gesteund en bijeengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangt.
Kol. 2,20 Als gij door uw sterven met Christus bevrijd zijt van de machten van de kosmos, waarom laat gij u dan verordeningen opleggen, louter menselijke voorschriften en leringen, als zoudt gij nog in die wereld leven?
Kol. 2,21 Raak niet aan, proef niet, blijf eraf!
Kol. 2,22 En dit alles betreft dingen die uit hun aard bestemd zijn om gebruikt te worden en te vergaan.
Kol. 2,23 Ofschoon zulk een geforceerde godsvrucht met haar zelfkastijding en lichamelijke hardheid voor wijsheid moet doorgaan, verdient zij even weinig waardering als zinnelijke bevrediging.

Kol. 3,1 Als gij dan met Christus ten leven zijt gewekt, zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods.
Kol. 3,2 Zint op het hemelse, niet op het aardse.
Kol. 3,3 Gij zijt immers gestorven en uw leven is nu met Christus verborgen in God.
Kol. 3,4 Christus is uw leven, en wanneer Hij verschijnt zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.
Kol. 3,5 Maakt dus radicaal een einde aan immorele praktijken, ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, begeerlijkheid en de heb zucht die gelijk staat met afgoderij.
Kol. 3,6 Deze dingen roepen Gods toorn af.
Kol. 3,7 Ook gij hebt u indertijd hieraan overgegeven en in deze zonden geleefd.
Kol. 3,8 Maar nu moet ge dit alles vaarwelzeggen. Weg met de toorn, gramschap, kwaadaardigheid, laster en beschimping!
Kol. 3,9 En beliegt elkaar niet meer. Legt de oude mens met zijn gedragingen af,
Kol. 3,10 bekleedt u met de nieuwe mens, die op weg is naar het ware inzicht, zich vernieuwend naar het beeld van zijn schepper.
Kol. 3,11 Dan is er geen sprake meer van heiden of Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar en onbeschaafde, van slaaf of vrije mens. Daar is alleen Christus, alles in allen.
Kol. 3,12 Doet dat aan, als Gods heilige en geliefde uitverkorenen, tedere ontferming, goedheid, deemoed, zachtheid en geduld.
Kol. 3,13 Verdraagt elkander en vergeeft elkander, als de een tegen de ander een groef heeft. Zoals de Heer u vergeven heeft, zo moet ook gij vergeven.
Kol. 3,14 Voegt bij dit alles de liefde als de band der volmaaktheid.
Kol. 3,15 En laat de vrede van Christus heersen in uw hart; daartoe zijt gij immers geroepen als leden van een lichaam. En weest dankbaar.
Kol. 3,16 Het woord van Christus moge in volle rijkdom onder u wonen. Leert en vermaant elkander met alle wijsheid.' Zingt voor God met een dankbaar hart psalmen hymnen en liederen, ingegeven door de Geest.
Kol. 3,17 En al wat gij doet in woord of werk, doet alles in de naam van Jezus de Heer, God de Vader dankend door Hem.
Kol. 3,18 Vrouwen, weest uw man onderdanig, zoals het christenen betaamt.
Kol. 3,19 Mannen, hebt uw vrouw lief en weest niet humeurig tegen haar.
Kol. 3,20 Kinderen, gehoorzaamt uw ouders in alles, want dit is de Heer welgevallig.
Kol. 3,21 Vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij de moed niet verliezen.
Kol. 3,22 Slaven, gehoorzaamt uw aardse meesters in alles, niet als ogendienaars, uit zucht om te behagen, maar in eenvoud van hart, met ontzag voor de Heer.
Kol. 3,23 Verricht uw werk welgemoed voor de Heer, niet voor de mensen,
Kol. 3,24 in de overtuiging dat gij van de Heer als beloning het erfdeel zult ontvangen. De Heer die gij dient is Christus.
Kol. 3,25 Wie onrecht doet, krijgt zijn onrecht terug; Hij kent geen gunstelingen.

Kol. 4,1 Meesters, betracht jegens uw slaven recht en billijkheid, in het besef dat ook gij een meester hebt: in de hemel.
Kol. 4,2 Volhardt in het gebed en de dankzegging en blijft waakzaam.
Kol. 4,3 Bidt tevens voor ons, dat God een deur moge openen voor onze prediking, om het geheim van Christus, waarvoor ik de boeien draag, te verkondigen;
Kol. 4,4 moge ik het juiste woord vinden om het kenbaar te maken.
Kol. 4,5 Gedraagt u verstandig jegens de buitenstaanders. Benut de gunstige gelegenheid.
Kol. 4,6 Uw spreken zij steeds innemend, met een vleugje zout erbij, zodat gij iedereen het juiste antwoord weet te geven.
Kol. 4,7 Tychikus, onze geliefde broeder, mijn trouwe helper en gezel in de dienst des Heren, zal u volledig inlichten over mijn omstandigheden.
Kol. 4,8 Juist daarom zend ik hem naar u toe, dat gij zoudt vernemen hoe het ons gaat en hij uw hart moge vertroosten.
Kol. 4,9 Met hem zend ik Onesimus, onze trouwe en geliefde broeder, die een der uwen is. Zij zullen u op de hoogte brengen van al wat hier gebeurd is.
Kol. 4,10 De groeten van Aristarchus, mijn medegevangene, en Marcus, de neef van Barnabas, over wie gij reeds aanwijzingen hebt gekregen; ontvangt hem goed, als hij bij u komt.
Kol. 4,11 Eveneens groet u Jezus, ook Justus genaamd. Van de Joodse christenen zijn zij de enigen die met mij werken voor het koninkrijk van God; ze zijn voor mij dan ook een grote troost geweest.
Kol. 4,12 U groet Epafras, uw stadgenoot, een dienstknecht van Christus Jezus, die steeds vurig voor u bidt, opdat gij moogt volharden in de volmaakte vervulling van al wat God wil.
Kol. 4,13 Ik kan van hem getuigen, dat hij zich veel moeite geeft voor u, en ook voor de gelovigen in Laodicea en HiŽrapolis.
Kol. 4,14 U groet mijn vriend Lucas, de arts, en Demas.
Kol. 4,15 Groet de broeders te Laodicea, en Nymfa en de gemeente die in haar huis samenkomt.
Kol. 4,16 En wanneer deze brief bij u is voorgelezen, zorgt dan dat hij ook in de gemeente van Laodicea wordt voorgelezen, en dat gij de brief uit Laodicea te lezen krijgt.
Kol. 4,17 Zegt aan Archippus: `Denk eraan de taak die gij om de Heer op u genomen hebt, goed te vervullen.
Kol. 4,18 Eigenhandige groet van mij, Paulus. Gedenkt mijn boeien! De genade zij met u.

<< Filippi Index Nieuwe Testament 1 Tessalonica >>