Start
Omhoog

1 Koningen

 

<< 2 SamuŽl Index Oude Testament 2 Koningen >>

 

1 Koningen

1 Kon. 1,1 Intussen was koning David oud geworden. Hij was hoogbejaard en kon het maar niet warm krijgen, ofschoon men hem goed toedekte.
1 Kon. 1,2 Daarom zeiden zijn hovelingen tot hem: `Er moest voor onze heer de koning maar een jonge maagd gezocht worden; zij zou de koning ten dienste kunnen staan en hem verzorgen; zij zou in uw schoot kunnen slapen, en dan zal onze heer de koning het toch wel warm krijgen.'
1 Kon. 1,3 Dus werd er in het gehele IsraŽlitische gebied naar een mooi meisje gezocht. De keus viel op Abisag de Sunammitische, en men bracht haar bij de koning.
1 Kon. 1,4 Het meisje was zeer mooi en zij verpleegde de koning en bediende hem, maar de koning had geen gemeenschap met haar.
1 Kon. 1,5 Nu wierp Adonia, de zoon van Chaggit, zich op als troonopvolger. Hij schafte zich een wagen met paarden aan en zorgde voor vijftig man die voor hem uit moesten lopen.
1 Kon. 1,6 Zijn vader viel hem geen ogenblik lastig met de vraag, waarom hij zo iets deed. Hij was zeer knap van uiterlijk en volgde in leeftijd op Absalom.
1 Kon. 1,7 Hij hield besprekingen met Joab, de zoon van Seruja, en met de priester Abjatar, en deze zegden Adonia hun steun toe.
1 Kon. 1,8 Maar de priester Sadok en Benaja, de zoon van Jojada, en de profeet Natan en Simi en Rei en ook de helden in Davids dienst waren niet op de hand van Adonia.
1 Kon. 1,9 Toen Adonia dan ook bij de Slangesteen, bij En-rogel, schapen, runderen en mestvee ging slachten, nodigde hij wel al zijn broers, de zonen van de koning, en alle JudeeŽrs in dienst van de koning uit,
1 Kon. 1,10 maar de profeet Natan, Benaja, de leden van de lijf wacht en zijn broer Salomo nodige hij niet uit.
1 Kon. 1,11 Toen ging Natan praten met Batseba, de moeder van Salomo. Hij zei: `Hebt u gehoord dat Adonia, de zoon van Chaggit, koning geworden is, zonder dat onze heer David er iets van weet?
1 Kon. 1,12 Laat ik u een goede raad geven, opdat u uw eigen leven en dat van uw zoon Salomo kunt redden.
1 Kon. 1,13 Ga naar koning David en zeg hem: `Mijn heer de koning, hebt u uw dienares niet onder ede verzekerd dat mijn zoon Salomo u als koning op zou volgen en dat hij zou zetelen op uw troon? Waarom is Adonia dan koning geworden?'
1 Kon. 1,14 Terwijl u dan nog met de koning in gesprek bent ga ook ik naar binnen, om uw woorden kracht bij te zetten.'
1 Kon. 1,15 Batseba ging dus de kamer van de koning binnen. De koning was zeer oud geworden en Abisag de Sunamitische bediende hem.
1 Kon. 1,16 Batseba boog zich voor de koning neer en bracht hem haar hulde. De koning vroeg haar: `Wat wenst u?'
1 Kon. 1,17 Zij antwoordde: `Mijn heer, u hebt toch uw dienares bij Jahwe uw God gezworen dat mijn zoon Salomo u als koning zou opvolgen en dat hij zou zetelen op uw troon?
1 Kon. 1,18 En zie, nu is Adonia koning geworden, zonder dat u er iets van weet.
1 Kon. 1,19 Hij heeft een groot aantal stieren, mestvee en schapen geslacht en al de zonen van de koning uitgenodigd, en ook de priester Abjatar en de legeroverste Joab, maar uw dienaar Salomo heeft hij niet uitgenodigd.
1 Kon. 1,20 Op u echter, mijn heer de koning houdt heel IsraŽl zijn ogen gericht, want het wil van u weten wie er na u op de troon van mijn heer de koning zal zetelen.
1 Kon. 1,21 Wanneer mijn heer de koning bij zijn vaderen te ruste gaat, vallen ik en mijn zoon Salomo in ongenade!'
1 Kon. 1,22 Nog was zij met de koning in gesprek, toen Natan, de profeet, aankwam.
1 Kon. 1,23 Men deelde de koning mee dat de profeet Natan er was. Deze verscheen voor de koning en boog zich diep ter aarde voor hem neer.
1 Kon. 1,24 En Natan zei: `Mijn heer de koning, u hebt dus besloten dat Adonia u als koning zal opvolgen en dat hij zal zetelen op uw troon.
1 Kon. 1,25 Hij is namelijk vandaag een groot aantal stieren, mestvee en schapen gaan slachten en heeft daarbij al de zonen van de koning, de legeroversten en de priester Abjatar uitgenodigd. Nu zijn ze met hem aan het eten en drinken en nu roepen zij: Leve koning Adonia!
1 Kon. 1,26 Maar mij, uw dienaar, de priester Sadok, Benaja, de zoon van Jojada, en uw dienaar Salomo heeft hij niet uitgenodigd.
1 Kon. 1,27 Als dit alles van mijn heer de koning is uitgegaan, waarom hebt u dan uw dienaar niet laten weten wie er na u op de troon van mijn heer de koning zal zetelen?'
1 Kon. 1,28 Koning David antwoordde: `Laat Batseba bij me komen.' Toen zij binnengekomen was en voor de koning stond,
1 Kon. 1,29 legde de koning deze eed af: `Zowaar Jahwe leeft, die mij bevrijd heeft uit alle nood:
1 Kon. 1,30 Vandaag nog zal ik ten uitvoer brengen wat ik u bij Jahwe gezworen heb: uw zoon Salomo zal mij als koning opvolgen en na mij zetelen op mijn troon.'
1 Kon. 1,31 Toen boog Batseba zich voor de koning neer, bracht hem haar hulde en zei: `Mijn heer, koning David, leve in eeuwigheid!'
1 Kon. 1,32 Nu beval koning David: `Laat de priester Sadok, de profeet Natan en Benaja, de zoon van Jojada, bij me komen.' Toen die voor de koning verschenen waren
1 Kon. 1,33 sprak David tot hen: `Verzamel de hofbeambten, zet mijn zoon Salomo op mijn eigen muildier en leid hem naar de Gichon.
1 Kon. 1,34 Daar zullen de priester Sadok en de profeet Natan hem zalven tot koning van IsraŽl. U steekt de bazuin en roept: Leve koning Salomo!
1 Kon. 1,35 Schaart u dan achter hem en laat hem de stad binnen trekken om plaats te nemen op mijn troon, want hij zal mij als koning opvolgen; hem heb ik bestemd tot vorst over IsraŽl en Juda.'
1 Kon. 1,36 Toen nam Benaja, de zoon van Jojada, het woord en zei tot de koning: `Zo zij het! Moge Jahwe, de God van mijn heer de koning, het bekrachtigen.
1 Kon. 1,37 Zoals Jahwe met mijn heer de koning geweest is, zo moge Hij ook zijn met Salomo, en diens troon nog verhevener maken dan die van mijn heer, koning David.'
1 Kon. 1,38 Toen gingen de priester Sadok, de profeet Natan en Benaja, de zoon van Jojada, met de Keretieten en de Peletieten op weg. Zij zetten Salomo op het muildier van koning David en leidden hem naar de Gichon.
1 Kon. 1,39 De priester Sadok liet de horen met olie uit de tent halen en zalfde Salomo. Toen stak men de bazuin en al het volk riep: `Leve koning Salomo!'
1 Kon. 1,40 Daarna trok heel het volk achter hem aan. Ze speelden op fluiten en gaven uitbundig uiting aan hun vreugde, zodat de grond dreunde van het rumoer.
1 Kon. 1,41 Dit hoorde Adonia, met al de genodigden die bij hem waren. Zij hadden juist hun maaltijd beŽindigd. En toen Joab het geschal van de bazuin hoorde zei hij: `Waarom zou er in de stad zoveel rumoer zijn?'
1 Kon. 1,42 Hij was nog niet uitgesproken, of daar diende Jonatan, de zoon van de priester Abjatar, zich aan. Adonia zei: `Kom erbij, u bent een voortreffelijk man en zult zeker goed nieuws brengen.'
1 Kon. 1,43 Maar Jonatan antwoordde: `Integendeel! Onze heer, koning David, heeft Salomo tot koning verheven.
1 Kon. 1,44 De koning heeft hem de priester Sadok, de profeet Natan, Benaja, de zoon van Jojada, en de Keretieten en Peletieten meegegeven. Die hebben hem op het muildier van de koning gezet
1 Kon. 1,45 en de priester Sadok en de profeet Natan hebben hem tot koning gezalfd bij de Gichon. Juichend zijn ze vandaar naar de stad getrokken en die is nu in rep en roer; dat is het rumoer dat u hoort.
1 Kon. 1,46 Vervolgens heeft Salomo plaats genomen op de koninklijke troon.
1 Kon. 1,47 Toen zijn de hovelingen van de koning gekomen om onze heer, koning David, hun gelukwensen aan te bieden. Ze zeiden: Uw God moge de naam van koning Salomo nog beroemder maken dan uw naam, en zijn troon nog verhevener dan de uwe. Toen bracht de koning op zijn rustbed hem zijn hulde.
1 Kon. 1,48 En de koning sprak als volgt: Gezegend zij Jahwe, de God van IsraŽl, die mij heden vergund heeft mijn troonopvolger met eigen ogen te zien.'
1 Kon. 1,49 Toen kregen alle genodigden van Adonia de schrik te pakken; zij stonden op en maakten dat ze wegkwamen.
1 Kon. 1,50 Ook Adonia werd bevreesd voor Salomo; hij begaf zich naar het altaar en greep zich aan de horens vast.
1 Kon. 1,51 Aan Salomo werd medegedeeld: `Adonia is bevreesd voor de koning; hij heeft de horens van het altaar vastgegrepen en zegt: Laat koning Salomo eerst zweren dat hij zijn dienaar niet zal terechtstellen.'
1 Kon. 1,52 Toen verklaarde Salomo: `Als hij zich behoorlijk gedraagt, zal er geen haar van zijn hoofd gekrenkt worden. Maar als blijkt dat hij zich misdraagt, zal hij sterven.'
1 Kon. 1,53 Daarop liet Salomo hem van het altaar weghalen. Adonia kwam binnen en boog zich neer voor koning Salomo. En Salomo zei tot hem: `Je kunt naar huis gaan.'
1 Kon. 2,1 Toen Davids einde naderde, bond hij zijn zoon Salomo het volgende op het hart:
1 Kon. 2,2 `Ik ga de weg van al het aardse. Wees sterk en toon dat je een man bent.
1 Kon. 2,3 Blijf trouw aan de dienst van Jahwe onze God: bewandel zijn wegen en onderhoud zijn wetten, geboden, voorschriften en verordeningen, zoals geschreven staat in de wet van Mozes. Dan zul je slagen in alles wat je doet en onderneemt.
1 Kon. 2,4 Dan zal Jahwe het woord gestand doen dat Hij tot mij gesproken heeft: Als uw zonen trouw, met heel hun hart en heel hun ziel, mijn wegen bewandelen, dan zal het u nooit ontbreken aan afstammelingen op de troon van IsraŽl.
1 Kon. 2,5 Je weet wat Joab, de zoon van Seruja, mij heeft aangedaan: de beide legeroversten van IsraŽl, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jeter, heeft hij vermoord, in vredestijd bloed vergoten alsof het oorlog was en met dit bloed de gordel om zijn middel en de sandalen aan zijn voeten besmeurd.
1 Kon. 2,6 Doe dus met hem zoals je wijsheid je ingeeft en laat zijn grijze haren niet in vrede naar het dodenrijk afdalen.
1 Kon. 2,7 Wees welwillend voor de zonen van Barzillai de Gileadiet en laat ze tot je disgenoten behoren, want zij zijn mij ook behulpzaam geweest toen ik voor je broer Absalom moest vluchten,
1 Kon. 2,8 Dan is er nog de Benjaminiet Simi, de zoon van Gera, uit Bachurim, die mij vreselijk vervloekt heeft toen ik op weg was naar Machanaim. Toen hij mij bij de Jordaan tegemoet kwam, heb ik hem bij Jahwe gezworen dat ik niet het zwaard zou trekken om hem te doden.
1 Kon. 2,9 Maar jij mag hem nu niet onbestraft laten. Je bent een wijs man en weet dus wat je met hem doen moet om zijn grijze haren bebloed in het dodenrijk te laten afdalen.'
1 Kon. 2,10 Toen ging David ter ruste bij zijn voorvader en werd begraven in de Davidstad.
1 Kon. 2,11 Veertig jaar had David over IsraŽl geregeerd; te Hebron had hij zeven jaar geregeerd en te Jeruzalem drieŽndertig jaar.
1 Kon. 2,12 Salomo zetelde op de troon van zijn vader en zijn koningschap werd steeds meer bevestigd.
1 Kon. 2,13 Toen begaf Adonia, de zoon van Chaggit, zich naar Batseba, de moeder van Salomo. Zij vroeg: `Betekent uw komst vrede?' En hij antwoordde: `Ja.'
1 Kon. 2,14 Hij vervolgde: `Ik heb iets met u te bespreken,' en zij antwoordde: `Ga uw gang.'
1 Kon. 2,15 Toen zei hij: `U weet dat het koningschap eigenlijk aan mij toekwam. Het volk had verwacht dat ik koning zou worden, maar de zaken hebben een andere wending genomen en het koningschap is mijn broer ten deel gevallen, omdat God het zo beschikt had.
1 Kon. 2,16 Nu zou ik u een verzoek willen doen; stelt u me niet teleur.' Zij antwoordde: `Ga uw gang.'
1 Kon. 2,17 En hij zei: `Zou u koning Salomo willen vragen - u zal hij niets weigeren - mij Abisag de Sunammitische tot vrouw te geven?'
1 Kon. 2,18 Batseba zei: `Goed, ik zal er met de koning over spreken.'
1 Kon. 2,19 Toen nu Batseba bij koning Salomo binnenkwam om over Adonia's verzoek te spreken, stond de koning op, ging haar tegemoet en boog zich voor haar neer. Daarna ging hij op zijn troon zitten en liet aan zijn rechterhand een zetel plaatsen. De moeder van de koning ging zitten
1 Kon. 2,20 en zei: `Ik heb u een klein verzoek te doen; u moet me niet teleurstellen.' De koning antwoordde: `Vraag maar moeder, ik zal u niet teleurstellen.'
1 Kon. 2,21 Ze zei: `Sta toe dat Abisag de Sunammitische aan uw broer Adonia tot vrouw gegeven wordt.'
1 Kon. 2,22 Salomo antwoordde zijn moeder: `Waarom vraagt u Abisag de Sunammitische voor Adonia? Vraag het koningschap maar voor hem! Hij is tenslotte mijn oudere broer en zowel de priester Abjatar als Joab, de zoon van Seruja, zijn op zijn hand.'
1 Kon. 2,23 En koning Salomo zwoer deze eed: `God mag me dit en dat doen en nog erger, als Adonia dit verzoek niet met de dood bekoopt.
1 Kon. 2,24 Zowaar Jahwe leeft, die mij op de troon van mijn vader David geplaatst heeft en mijn gezag bevestigd, die mij een huis gebouwd heeft zoals Hij beloofd had: vandaag nog wordt Adonia ter dood gebracht.'
1 Kon. 2,25 En koning Salomo liet hem door Benaja, de zoon van Jojada, ter dood brengen. Zo kwam hij aan zijn einde.
1 Kon. 2,26 Tot de priester Abjatar zei de koning: `Ga naar uw akkers bij Anatot. Eigenlijk verdient u de dood. Vandaag nog zou ik u ter dood laten brengen, als u niet in dienst van mijn vader David de ark van Jahwe de Heer had gedragen en niet het lijden van mijn vader gedeeld had.'
1 Kon. 2,27 Zo verbande Salomo Abjatar en zette hij hem af als priester van Jahwe. Daarmee liet hij het woord in vervulling gaan dat Jahwe gesproken had over het huis van Eli te Silo.
1 Kon. 2,28 Zodra het nieuws tot Joab doordrong, vluchtte hij naar de tent van Jahwe en greep zich aan de horens van het altaar vast. Joab had immers partij gekozen voor Adonia, hoewel niet voor Absalom.
1 Kon. 2,29 Toen dan aan koning Salomo werd meegedeeld, dat Joab zijn toevlucht had genomen tot de tent van Jahwe en bij het altaar stond, gaf Salomo aan Benaja, de zoon van Jojada, de opdracht: `Ga, en breng hem ter dood.'
1 Kon. 2,30 Benaja ging dus de tent van Jahwe binnen en zei tot Joab: `De koning beveelt u naar buiten te komen.' Maar Joab antwoordde: `Neen, als ik sterven moet, dan hier.' Benaja bracht dit over aan de koning met de woorden: `Dit heeft Joab gezegd, zo was zijn antwoord.'
1 Kon. 2,31 En de koning zei tot hem: `Doe zoals hij gezegd heeft: dood hem en laat hem begraven. Daarmee zult u mij en het huis van mijn vader zuiveren van het bloed dat Joab nodeloos vergoten heeft
1 Kon. 2,32 en Jahwe zal op Joabs eigen hoofd doen neerkomen het bloed van de twee mannen, rechtschapener en beter dan hijzelf, die hij met het zwaard heeft omgebracht, terwijl mijn vader David er niets van wist: Abner, de zoon van Ner, legeroverste van IsraŽl, en Amasa, de zoon van Jeter, legeroverste van Juda.
1 Kon. 2,33 Hun bloed zal voor altijd neerkomen op het hoofd van Joab en op het hoofd van zijn nakomelingen. Maar op David en zijn nageslacht, zijn huis en zijn troon zal voor eeuwig de zegen van Jahwe rusten.'
1 Kon. 2,34 Benaja, de zoon van Jojada, ging heen en stak Joab dood. En Joab werd in zijn graf in de woestijn bijgezet.
1 Kon. 2,35 In zijn plaats stelde de koning Benaja, de zoon van Jojada, over het leger aan en in de plaats van Abjatar benoemde de koning Sadok.
1 Kon. 2,36 Nu liet de koning Simi roepen en zei tot hem: 'Bouw een huis in Jeruzalem en ga daar wonen. U moogt de stad onder geen voorwaarde verlaten.
1 Kon. 2,37 Weet dat er de dood op staat, als u het toch doet en de beek Kidron oversteekt; dan hebt u uw dood aan uzelf te wijten.'
1 Kon. 2,38 Simi antwoordde de koning: 'Goed; uw dienaar zal zich houden aan wat mijn heer de koning voorschrijft.' En Simi kwam geruime tijd niet buiten Jeruzalem.
1 Kon. 2,39 Maar na verloop van drie jaren liepen twee slaven van Simi weg naar Akis, de zoon van Maaka, de koning van Gat. Toen Simi bericht kreeg dat zijn slaven zich te Gat bevonden,
1 Kon. 2,40 zadelde hij zijn ezel en begaf zich naar Akis in Gat om zijn slaven terug te halen. Daarna keerde Simi terug en bracht zijn slaven uit Gat met zich mee.
1 Kon. 2,41 Toen aan Salomo werd meegedeeld dat Simi uit Jeruzalem naar Gat gegaan was en teruggekeerd,
1 Kon. 2,42 liet de koning hem roepen en zei: 'Heb ik u niet bij Jahwe laten zweren en heb ik u niet uitdrukkelijk gewaarschuwd: Besef goed dat er de dood op staat als u weggaat, waarheen dan ook. Toen hebt u gezegd: Goed, ik houd me eraan.
1 Kon. 2,43 Waarom hebt u zich dan niet gehouden aan de eed bij Jahwe en aan het verbod dat ik u heb opgelegd?'
1 Kon. 2,44 En de koning vervolgde: 'U weet zelf goed genoeg hoeveel kwaad u mijn vader David hebt aangedaan. Jahwe laat het kwaad dat u gedaan hebt op uw eigen hoofd neerkomen,
1 Kon. 2,45 maar koning Salomo zal gezegend zijn en de troon van David zal voor altijd vaststaan voor het aanschijn van Jahwe,'
1 Kon. 2,46 Op last van de koning voerde Benaja, de zoon van Jojada, Simi naar buiten en stak hem dood. Toen had Salomo de koninklijke macht vast in handen.

1 Kon. 3,1 Salomo werd de schoonzoon van Farao, de koning van Egypte. Hij huwde een dochter van Farao en bracht haar onder in de Davidstad, totdat hij de bouw van zijn paleis en van de tempel van Jahwe en van de stadsmuren had voltooid.
1 Kon. 3,2 Omdat er in die tijd nog geen tempel gebouwd was voor de naam van Jahwe, offerde het volk in de heiligdommen op de hoog ten.
1 Kon. 3,3 En ofschoon Salomo zijn liefde voor Jahwe toonde door te leven naar de wetten van zijn vader David, bleef hij toch offeren en wierook branden in de heiligdommen op de hoogten.
1 Kon. 3,4 Zo ging de koning naar Gibeon om daar te offeren, want dat was de voornaamste offerhoogte. Duizend brandoffers droeg Salomo op dit altaar op.
1 Kon. 3,5 In Gibeon verscheen Jahwe 's nachts in een droom aan Salomo en zei: `Wat wilt ge dat Ik u geef?'
1 Kon. 3,6 Salomo antwoordde: `Ge hebt uw dienaar, mijn vader David, een grote gunst bewezen. Daar hij zijn schreden naar U richtte, getrouw, rechtschapen en eerlijk jegens U, hebt Gij hem een zoon gegeven, die nu zetelt op zijn troon.
1 Kon. 3,7 Welnu, Jahwe mijn God, Gij hebt uw dienaar tot koning verheven als opvolger van mijn vader David, hoewel ik maar een jonge man ben en nog niet weet wat ik doen of laten moet.
1 Kon. 3,8 Zo staat uw dienaar temidden van het volk dat Gij uitverkoren hebt, een groot volk, zo groot dat het niet te tellen of te schatten is.
1 Kon. 3,9 Geef dus uw dienaar een opmerkzame geest, om recht te kunnen spreken voor uw volk en onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad. Want wie is in staat recht te spreken voor dit grote volk van U?'
1 Kon. 3,10 Dit verzoek van Salomo behaagde de Heer.
1 Kon. 3,11 En God zei tot hem: `Omdat ge juist dit gevraagd hebt en geen lang leven hebt gevraagd en ook geen rijkdom of de dood van uw vijanden, maar alleen inzicht, om recht te kunnen spreken,
1 Kon. 3,12 daarom voldoe Ik aan uw verzoek en geef Ik u een geest vol wijsheid en inzicht: zoals gij zal er voor u niemand geweest zijn, en na u zal er niemand opstaan zoals gij.
1 Kon. 3,13 En ook wat ge niet gevraagd heb geef Ik u: rijkdom en aanzien, zoveel dat geen koning aan u gelijk zal zijn, zolang ge leeft.
1 Kon. 3,14 En als ge mijn wegen bewandelt, mijn wetten en geboden onderhoudt, zoals uw vader David gedaan heeft, dan zal Ik u ook nog een lang leven schenken.'
1 Kon. 3,15 Toen werd Salomo wakker en hij begreep dat hij een droom had gehad. En toen hij in Jeruzalem terug was, ging hij staan voor de ark van het verbond met de Heer; hij bracht brand offers, droeg slachtoffers op en richtte een feestmaal aan voor al zijn hovelingen.
1 Kon. 3,16 Toentertijd begaven twee publieke vrouwen zich naar de koning en dienden zich bij hem aan.
1 Kon. 3,17 De ene vrouw zei: `Met uw welnemen, mijn heer, deze vrouw en ik wonen in hetzelfde huis. In dat huis kreeg ik in haar bijzijn een kind.
1 Kon. 3,18 Drie dagen na mijn bevalling kreeg ook deze vrouw een kind. Wij waren samen, buiten ons tweeŽn was er niemand anders in huis.
1 Kon. 3,19 Toen is 's nachts het kind van deze vrouw doodgegaan, omdat ze erop was gaan liggen.
1 Kon. 3,20 Maar midden in de nacht, terwijl uw dienares sliep, stond zij op, haalde mijn kind bij mij weg en legde het in haar eigen schoot en haar dode kind legde zij mij in de schoot.
1 Kon. 3,21 Toen ik 's morgens opstond om mijn kind te voeden bleek het dood te zijn, maar toen ik het wat beter bekeek, zag ik dat het niet het kind was dat ik had gebaard.'
1 Kon. 3,22 De andere vrouw zei: `Niet waar! Het levende kind is van mij en het dode van jou.' Maar de eerste hield vol: `Nee, het dode kind is van jou en het levende van mij.' Zo bleven ze maar kijven in tegenwoordigheid van de koning.
1 Kon. 3,23 Toen zei de koning: `De ene zegt: Het levende kind is van mij en het dode van jou, en de andere zegt: Nee, het dode kind is van jou en het levende is van mij.'
1 Kon. 3,24 Daarop zei de koning: `Breng me een zwaard.' Toen men de koning een zwaard gebracht had
1 Kon. 3,25 zei hij: `Hak het levende kind in tweeŽn: geef de ene helft aan de ene vrouw en de andere helft aan de andere vrouw.'
1 Kon. 3,26 Maar de vrouw wier kind nog leefde en wier hart ineen kromp om haar kind zei: `Met uw welnemen, mijn heer, geef het levende kindje maar aan haar en maak het niet dood.' Maar de andere zei: `Krijg ik het niet, dan jij evenmin; hak het door.'
1 Kon. 3,27 Toen nam de koning het woord en zei: `Geef het levende kind aan de eerste vrouw en maak het niet dood: zij is de moe der.'
1 Kon. 3,28 Alle IsraŽlieten hoorden van het vonnis dat de koning geveld had en kregen ontzag voor de koning, want ze merkten dat hij goddelijke wijsheid bezat, zodat hij in staat was recht te spreken.

1 Kon. 4,1 Koning Salomo was koning over geheel IsraŽl.
1 Kon. 4,2 En dit waren zijn hoge ambtenaren: Azarja, de zoon van Sadok, was hogepriester;
1 Kon. 4,3 Elichoref en Achia, de zonen van Sisa, waren schrijvers: Josafat, de zoon van Achilud, was raadsheer.
1 Kon. 4,4 Benaja, de zoon van Jojada, was legeroverste; Sadok en Abjatar waren priesters.
1 Kon. 4,5 Azarja, de zoon van Natan, was opperlandvoogd; de priester Zabud, de zoon van Natan, was persoonlijk raadsman van de koning.
1 Kon. 4,6 Achisachar was hofmaarschalk; Adoniram, de zoon van Abda, was hoofd van de herendiensten.
1 Kon. 4,7 Ook had Salomo twaalf landvoogden over geheel IsraŽl. Zij moesten de koning en zijn hof van levensmiddelen voorzien; ieder moest een maand per jaar daarvoor zorgen.
1 Kon. 4,8 Het waren de volgende personen: Ben-chur, in het berg land van EfraÔm,
1 Kon. 4,9 Ben-deker, in Makas, Saalbim, Bet-semes, Elon en Bet-chanan,
1 Kon. 4,10 Ben-chesed, in Arubbot; onder hem viel Soko en het hele land Chefer;
1 Kon. 4,11 de zoon van Abinadab: het hele heuvelland van Dor; Tafat, een dochter van Salomo, was zijn vrouw.
1 Kon. 4,12 Baana, de zoon van Achilud; onder hem vielen Taabak, Megiddo en heel het gebied van Bet-san tot bij Saretan, onder Jizreel; dus van Bet-san tot Abelmechola en tot voorbij Jokmeam.
1 Kon. 4,13 Ben-geber, in Ramot in Gilead; onder hem vielen de dorpen van Jair, de zoon van Manasse, in Gilead; onder hem viel ook de landstreek Argob in Basan: zestig grote vestigingen met muren en bronzen sluitbomen.
1 Kon. 4,14 Achinadab, de zoon van Iddo, in Machanaim.
1 Kon. 4,15 Achimaas, in Naftali; ook hij had een dochter van Salomo gehuwd, Basemat geheten.
1 Kon. 4,16 Baana, de zoon van Chusai, in Aser en Alot.
1 Kon. 4,17 Josafat, de zoon van Paruach, in Issakar.
1 Kon. 4,18 Simi, de zoon van Ela, in Benjamin.
1 Kon. 4,19 Geber, de zoon van Uri, in Gilead, het land van Sichon, de koning van de Amorieten, en dat van Og, de koning van Basan. En er was een landvoogd in het land.
1 Kon. 4,20 De bevolking van Juda en IsraŽl was talrijk, zo talrijk als de zandkorrels aan het strand van de zee; zij aten en dronken en waren gelukkig.

1 Kon. 5,1 Salomo was heerser over alle koninkrijken vanaf de Rivier tot aan het land van de Filistijnen en de grens van Egypte; zij brachten schatting op en waren aan Salomo onderworpen zolang hij leefde.
1 Kon. 5,2 De mondbehoeften van Salomo bedroegen per dag dertig kor bloem en zestig kor meel,
1 Kon. 5,3 tien gemeste en twintig gewone runderen en honderd schapen, nog afgezien van de herten, gazellen, reebokken en het gemeste pluimvee.
1 Kon. 5,4 Hij heerste over heel het gebied aan deze zijde van de Rivier van Tifsach tot Gaza toe, over alle koningen aan deze zijde van de Rivier, en had vrede met alle gebieden rondom.
1 Kon. 5,5 De JudeeŽrs en de IsraŽlieten zaten onbekommerd onder hun wijnstok en hun vijgenboom, vanaf Dan tot Berseba, zolang Salomo leefde.
1 Kon. 5,6 Salomo bezat veertigduizend kribben voor zijn trekpaar den en nog twaalfduizend rijpaarden.
1 Kon. 5,7 De bovengenoemde landvoogden moesten ieder gedurende een maand koning Salomo en zijn disgenoten van voedsel voorzien en ze lieten het aan niets ontbreken.
1 Kon. 5,8 Gerst en stro voor de paarden en de trekdieren brachten ze naar de aangegeven plaats, ieder op zijn beurt.
1 Kon. 5,9 En God schonk aan Salomo in rijke mate wijsheid, zeer veel inzicht en een verstand zo veelomvattend als het zand aan de oever van de zee,
1 Kon. 5,10 zodat de wijsheid van Salomo groter was dan die van alle Oosterlingen en groter dan alle wijsheid van Egypte.
1 Kon. 5,11 Hij was wijzer dan alle andere mensen, wijzer dan Etan de Ezrachiet en Heman, Kalkol en Darda, de zonen van Machol, zodat hij beroemd was bij alle volken rondom.
1 Kon. 5,12 Hij dichtte drieduizend spreuken, en liederen waren er van hem duizendvijf.
1 Kon. 5,13 Hij sprak met kennis van zaken over allerlei soorten bomen, vanaf de ceder op de Libanon tot de hysop die opschiet uit de muur; ook sprak hij over viervoeters, vogels, kruipende dieren en vissen.
1 Kon. 5,14 Alle volken en koningen der aarde die van Salomo's wijsheid gehoord hadden, kwamen naar hem luisteren.
1 Kon. 5,15 Toen Chiram, de koning van Tyrus, hoorde dat men Salomo als opvolger van zijn vader tot koning had gezalfd, zond hij gezanten naar hem toe; Chiram was namelijk altijd met David bevriend geweest.
1 Kon. 5,16 En Salomo zond aan Chiram deze boodschap:
1 Kon. 5,17 `U weet dat mijn vader David geen tempel heeft kunnen bouwen voor de naam van Jahwe zijn God. Dat kwam door de oorlogen die men van alle kanten tegen David voerde, totdat Jahwe hem zijn vijanden onder de voeten neerlegde.
1 Kon. 5,18 Nu echter heeft Jahwe mijn God gezorgd dat het aan al mijn grenzen rustig is; er is geen tegenstander meer en er dreigt geen gevaar.
1 Kon. 5,19 Daarom heb ik besloten een tempel te bouwen voor de naam van Jahwe mijn God, in overeenstemming met wat Jahwe mijn vader heeft beloofd: Uw zoon, die ik als uw opvolger op uw troon zal zetten, zal voor mijn naam een tempel bouwen.
1 Kon. 5,20 Welnu, geef bevel dat men voor mij ceders van de Libanon kapt en laat mijn werklieden de uwe helpen. Als loon voor uw werklieden zal ik u geven zoveel als u vraagt, want u weet dat er bij ons geen mensen zijn die zo goed bomen kunnen kappen als de Sidoniers.'
1 Kon. 5,21 Toen Chiram de woorden van Salomo vernam, was hij zeer verheugd en zei hij: `Gezegend zij Jahwe, die aan David zo'n wijze zoon geschonken heeft om dit talrijke volk te regeren.'
1 Kon. 5,22 En Chiram liet Salomo weten: `Ik heb uw boodschap ontvangen en zal, wat de ceders en cipressen betreft, geheel aan uw wens voldoen.
1 Kon. 5,23 Mijn werklieden zullen ze van de Libanon naar zee brengen en ik zal ze over zee in vlotten vervoeren naar de plaats die u mij zult opgeven; daar haal ik ze weer uit elkaar en kunt u de bomen in ontvangst nemen. Maar dan moet u ook aan mijn wens voldoen en mijn hof van levensmiddelen voorzien.'
1 Kon. 5,24 Chiram leverde dus aan Salomo zoveel ceders en cipressen als deze wenste
1 Kon. 5,25 en Salomo leverde aan Chiram twintigduizend kor tarwe tot onderhoud van zijn hof en twintigduizend vaten fijne olie. Dit leverde Salomo aan Chiram ieder jaar.
1 Kon. 5,26 Jahwe nu had aan Salomo wijsheid geschonken, zoals Hij hem beloofd had; er heerste vrede tussen Chiram en Salomo en zij sloten een verbond.
1 Kon. 5,27 Koning Salomo riep arbeiders uit heel IsraŽl op voor het verrichten van herendiensten; de lichting bedroeg dertigduizend man.
1 Kon. 5,28 Hij stuurde maandelijks een ploeg van tienduizend man naar de Libanon, zodat ze een maand op de Libanon waren en twee maanden thuis. Die arbeiders stonden onder leiding van Adoniram.
1 Kon. 5,29 Verder had Salomo zeventigduizend lastdragers en tachtigduizend steenhouwers in het gebergte,
1 Kon. 5,30 afgezien van Salomo's hoofdopzichters, die de leiding van het werk hadden, drieendertighonderd man, die toezicht hielden op het werkvolk.
1 Kon. 5,31 De koning gelastte grote blokken kostbare steen te houwen en op maat te kappen voor de fundamenten van de tempel.
1 Kon. 5,32 De bouwlieden van Salomo en van Chiram en de Giblieten hieuwen de blokken en bewerkten het hout en de stenen voor de bouw van de tempel.

1 Kon. 6,1 In het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht van de IsraŽlieten uit Egypte, in het vierde jaar van zijn regering over IsraŽl, in de maand Ziw - dat is de tweede maand - begon Salomo met de bouw van de tempel van Jahwe.
1 Kon. 6,2 De tempel die koning Salomo voor Jahwe liet bouwen was zestig el lang, twintig el breed en dertig el hoog.
1 Kon. 6,3 De hal, gelegen voor het schip van de tempel, was twintig el lang, even lang als de tempel breed was, en stak tien el voor de tempel uit.
1 Kon. 6,4 In de tempel liet hij vensters aanbrengen met raamwerk en tralies.
1 Kon. 6,5 Tegen de muur van de tempel liet hij over de gehele omtrek rond het schip en de achterwand een uitbouw met verdiepingen optrekken waarin hij ruimten liet afschieten.
1 Kon. 6,6 De onderste verdieping van de uitbouw was vijf el breed, de middelste zes el en de bovenste zeven el; men had de tempel aan de buitenkant laten inspringen zodat er geen steunpunten hoefden te zijn in de muren van de tempel.
1 Kon. 6,7 Bij het bouwen van de tempel werd gebruik gemaakt van stenen, die aan de groeve afgewerkt waren: geen hamer of houweel, geen enkel ijzeren werktuig werd bij de bouw van de tempel gehoord.
1 Kon. 6,8 De toegang tot de onderste verdieping bevond zich in de rechtervleugel van de tempel; een wenteltrap leidde naar de middelste verdieping en van de middelste verdieping naar de bovenste.
1 Kon. 6,9 Zo voltooide hij de bouw van de tempel. Hij liet een plafond maken van balken en binten van cederhout.
1 Kon. 6,10 Hij liet de uitbouw rond de gehele tempel optrekken, elke verdieping vijf el hoog; door cederbalken was deze met de tempel verbonden.
1 Kon. 6,11 Toen werd het woord van Jahwe gericht tot Salomo.
1 Kon. 6,12 `Wat deze tempel betreft die gij laat bouwen: als gij u richt naar mijn wetten, mijn voorschriften ten uitvoer brengt, al mijn geboden onderhoudt en ernaar leeft, dan zal Ik voor u het woord gestand doen dat Ik tot uw vader David gesproken heb;
1 Kon. 6,13 dan zal Ik temidden van de IsraŽlieten wonen en mijn volk IsraŽl niet verlaten.'
1 Kon. 6,14 Toen Salomo de bouw van de tempel voltooid had,
1 Kon. 6,15 liet hij de muren van de tempel betimmeren met planken van cederhout, vanaf de vloer van de tempel tot aan de balken van het plafond. Hij liet ze aan de binnenkant met hout betimmeren; de vloer van de tempel liet hij bedekken met planken van cipressenhout.
1 Kon. 6,16 Het achterste gedeelte van de tempel, twintig el diep, liet hij afschieten met een wand van cederhout, van de vloer tot aan de balken, en liet dit van binnen inrichten als achterzaal, als het heilige der heiligen.
1 Kon. 6,17 Daarvoor was er in de tempel een ruimte van veertig el; dat was het schip.
1 Kon. 6,18 Het cederhout binnen in de tempel was versierd met snijwerk van kolokwinten en bloemreliŽfs; alles was van ceder hout; geen steen was er te zien.
1 Kon. 6,19 Binnen in de tempel richtte hij de achterzaal in om er de ark van het verbond met Jahwe in te plaatsen.
1 Kon. 6,20 Deze achterzaal was twintig el lang, twintig el breed en twintig el hoog, en hij liet haar bekleden met zuiver goud; ook het altaar van cederhout bekleedde hij.
1 Kon. 6,21 De binnenzijde van de tempel liet Salomo met zuiver goud bekleden en met gouden kettingen scheidde hij de achterzaal af, die bekleed was met goud.
1 Kon. 6,22 Heel de tempel liet hij over de gehele oppervlakte met goud bekleden. Ook heel het altaar, dat tot de achterzaal behoor de, liet hij met goud bekleden.
1 Kon. 6,23 Voor de achterzaal liet hij van olijfhout twee kerubs maken van tien el hoogte.
1 Kon. 6,24 Elk van de beide vleugels van een kerub was vijf el lang: gerekend van de ene vleugeltip tot de andere was de span wijdte tien el.
1 Kon. 6,25 Elke kerub was tien el hoog; beiden hadden dezelfde afmetingen en dezelfde vorm.
1 Kon. 6,26 De hoogte van de ene kerub was tien el en die van de andere eveneens.
1 Kon. 6,27 De kerubs liet hij plaatsen achter in de tempel. De vleugels van de kerubs stonden uitgespreid; een vleugel van de ene kerub raakte de ene muur en een vleugel van de andere kerub raakte de andere muur; hun andere vleugels raakten elkaar in het midden van de tempel.
1 Kon. 6,28 Ook de kerubs liet hij met goud bekleden.
1 Kon. 6,29 In al de muren van de tempel, zowel in de achterste als in de voorste ruimte, liet hij rondom kerubs, palmbomen en bloemreliŽfs snijden.
1 Kon. 6,30 Ook de vloer van de tempel, zowel van de achterste als van de voorste ruimte, liet hij met goud bedekken.
1 Kon. 6,31 Aan de ingang van de achterzaal liet hij deuren maken van olijfhout; het kozijn was vijfvoudig.
1 Kon. 6,32 De twee deurvleugels waren van olijfhout; hij liet ze versieren met snijwerk van kerubs, palmbomen en bloemreliŽfs en met goud bekleden; ook de kerubs en de palmbomen bedekte hij met goud.
1 Kon. 6,33 Voorts liet hij aan de ingang van het schip een recht hoekig deurkozijn van olijfhout maken
1 Kon. 6,34 met twee deurvleugels van cipressenhout. Elke deurvleugel bestond uit twee draaibare delen.
1 Kon. 6,35 Hij liet er kerubs, palmbomen en bloemreliŽfs in snijden en dit snijwerk met bladgoud bedekken.
1 Kon. 6,36 De binnenhof liet hij ommuren met drie lagen steenblok ken en een laag balken van cederhout.
1 Kon. 6,37 In het vierde jaar, in de maand Ziw, werd van de tempel van Jahwe de eerste steen gelegd
1 Kon. 6,38 en in het elfde jaar, in de maand Bul - dat is de achtste maand - was de tempel in al zijn onderdelen en geheel volgens de plannen voltooid. Salomo had er dus zeven jaar aan gebouwd.

1 Kon. 7,1 Aan zijn paleis heeft Salomo dertien jaar gebouwd voordat het helemaal voltooid was.
1 Kon. 7,2 Zo liet hij het huis `Woud van de Libanon' bouwen. Dit was honderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog, met vier rijen zuilen van cederhout, waarop cederhouten balken rusten.
1 Kon. 7,3 Het had een plafond van cederhout, dat rustte op vijfenveertig dwarsbalken, die op zuilen lagen, vijftien op een rij.
1 Kon. 7,4 In het gebouw waren drie rijen vensters aangebracht en deze vensters lagen recht boven elkaar.
1 Kon. 7,5 Alle ingangen hadden rechthoekige kozijnen; er lagen telkens drie vensters recht boven elkaar.
1 Kon. 7,6 Ook bouwde hij een zuilenhal; deze was vijftig el lang en dertig el breed, met daarvoor een portiek, bestaande uit zuilen en een dak.
1 Kon. 7,7 Verder bouwde hij een troonzaal waar hij recht sprak, de rechtszaal; deze was van de vloer tot het plafond met cederhout betimmerd.
1 Kon. 7,8 Het paleis waar hij zelf woonde had een eigen binnenhof en lag achter de rechtszaal; het vertoonde dezelfde bouwtrant. Tenslotte liet Salomo een paleis bouwen voor de dochter van Farao, met wie hij gehuwd was; het had dezelfde bouwtrant als de rechtszaal.
1 Kon. 7,9 Al deze gebouwen, van het fundament tot de kroonlijst en van de straat tot de grote binnenhof, waren opgetrokken uit kostbare, op maat gehouwen stenen, die zowel aan de voor - als aan de achterzijde gezaagd waren.
1 Kon. 7,10 De gebouwen stonden op een fundering van kostbare, grote stenen, van tien el en van acht el.
1 Kon. 7,11 Daarop stonden muren van kostbare, op maat gehouwen stenen en cederhout.
1 Kon. 7,12 De muur rondom de grote binnenhof bestond uit drie lagen gehouwen steen en een laag balken van cederhout, juist zoals die van de binnenhof van de tempel van Jahwe en die van de zaal van het paleis.
1 Kon. 7,13 Nu ontbood koning Salomo een zekere Chiram, uit Tyrus.
1 Kon. 7,14 Deze was de zoon van een weduwe uit de stam Naftali; zijn vader kwam uit Tyrus. Hij was bronswerker, rijk begiftigd met vaardigheid, kennis en bekwaamheid in het maken van allerlei bronzen voorwerpen. Hij kwam bij koning Salomo en voerde alle opdrachten uit die deze hem gaf.
1 Kon. 7,15 Hij goot twee bronzen zuilen; elke zuil was achttien el hoog en men kon ze met een draad van twaalf el omspannen.
1 Kon. 7,16 Ook maakte hij twee kapitelen, uit brons gegoten, die bovenop de zuilen moesten rusten; beide kapitelen waren vijf el hoog.
1 Kon. 7,17 Verder maakte hij vlechtwerk voor beide kapitelen boven op de zuilen; dit vlechtwerk was gemaakt van snoeren in ketting vorm, zeven voor elk kapiteel.
1 Kon. 7,18 En hij bracht twee rijen granaatappels aan rond het vlechtwerk om beide kapitelen boven op de zuilen.
1 Kon. 7,19 De kapitelen boven op de zuilen bij de voorhal hadden de vorm van een lelie, vier el hoog.
1 Kon. 7,20 De twee kapitelen kwamen uit boven het vlechtwerk rond de verdikking. Tweehonderd granaatappels hingen in rijen om de kapitelen.
1 Kon. 7,21 Hij plaatste de zuilen bij de voorhal van het schip; de zuil aan de rechterkant gaf hij de naam Jakin en de zuil aan de linkerkant de naam Boaz.
1 Kon. 7,22 Op de zuilen stonden dus kapitelen in de vorm van een lelie. Daarmee was het werk aan de zuilen voltooid.
1 Kon. 7,23 Verder goot hij de Zee, tien el in doorsnee, helemaal rond, en vijf el hoog; men kon haar met een koord van dertig el omspannen.
1 Kon. 7,24 Onder de rand waren kolokwinten, tien op een el; ze omkransten de Zee in twee rijen en waren tegelijk met haar gegoten.
1 Kon. 7,25 De Zee stond op twaalf bronzen runderen, waarvan er drie gekeerd stonden naar het noorden, drie naar het westen, drie naar het zuiden en drie naar het oosten; hun achtersten waren naar de binnenkant gekeerd.
1 Kon. 7,26 De wand van de Zee was een handbreed dik; de rand was als die van een beker en had de vorm van een leliekelk; de inhoud van de Zee bedroeg tweeduizend bat.
1 Kon. 7,27 Ook maakte hij tien bronzen onderstellen. Elk onderstel was vier el lang, vier el breed en drie el hoog.
1 Kon. 7,28 Die onderstellen waren als volgt gemaakt. Ze hadden panelen, bevestigd tussen stijlen;
1 Kon. 7,29 op die panelen tussen de stijlen stonden leeuwen, runderen en kerubs afgebeeld, en op de stijlen zelf, en boven en onder de leeuwen en runderen, waren ingedreven guirlandes.
1 Kon. 7,30 Verder had elk onderstel vier bronzen wielen met bronzen assen. Aan de vier hoeken bevonden zich steunen voor het bekken. De steunen waren gegoten en aan de zijden voorzien van guirlandes.
1 Kon. 7,31 Binnen de kroonlijst bevond zich de stoel voor het bekken; deze stak er een el boven uit. De stoel was rond en anderhalve el diep. Op de stoel waren bloemreliŽfs aangebracht. De panelen waren vierkant, niet rond.
1 Kon. 7,32 De vier wielen bevonden zich onder de panelen en zaten met klemmen vast aan het onderstel. Ze waren anderhalve el hoog
1 Kon. 7,33 en hadden de vorm van wagenwielen; klemmen, velgen, spaken en naven waren allemaal gegoten.
1 Kon. 7,34 De vier steunen aan de vier hoeken van elk onderstel maakten een geheel uit met het onderstel.
1 Kon. 7,35 Aan de bovenkant van het onderstel was een rand, geheel rond, van een halve el hoogte, alsmede handvatten en daaronder de panelen.
1 Kon. 7,36 Op de vlakken van de handvatten, evenals op de panelen, graveerde hij kerubs, leeuwen en palmen, met guirlandes omgeven.
1 Kon. 7,37 Aldus maakte hij de tien onderstellen; ze waren alle op dezelfde wijze gegoten en hadden dezelfde afmetingen en dezelfde vorm.
1 Kon. 7,38 Voorts maakte hij tien bronzen bekkens. Elk bekken kon veertig bat bevatten en had een doorsnee van vier el; ze kwamen op de tien onderstellen te staan.
1 Kon. 7,39 Hij zette vijf onderstellen aan de zuidzijde van de tempel en vijf aan de noordzijde. De Zee zette hij bij de zuid oosthoek van de tempel.
1 Kon. 7,40 Daarna vervaardigde Chiram de potten, schoppen en offerschalen. Daarmee voltooide Chiram al het werk dat hij in opdracht van Salomo voor de tempel van Jahwe had moeten uitvoeren:
1 Kon. 7,41 de twee zuilen, de twee bolvormige kapitelen boven op de zuilen, het vlechtwerk ter bekleding van de twee bolvormige kapitelen,
1 Kon. 7,42 de vierhonderd granaatappels voor het vlechtwerk, twee rijen granaatappels om het vlechtwerk van elk der twee bolvormige kapitelen,
1 Kon. 7,43 de tien onderstellen met de tien bekkens,
1 Kon. 7,44 de Zee met de twaalf runderen,
1 Kon. 7,45 de potten, schoppen en offerschalen. Al deze voorwerpen van zuiver brons heeft Chiram in opdracht van Salomo gemaakt voor de tempel van Jahwe.
1 Kon. 7,46 In de Jordaanvallei, tussen Sukkot en Saretan, had de koning ze in lemen vormen laten gieten.
1 Kon. 7,47 Vanwege de zeer grote massa zag koning Salomo ervan af, alles te wegen. Het gewicht van het brons werd niet meegerekend.
1 Kon. 7,48 Salomo liet ook de verdere benodigdheden voor de tempel van Jahwe maken; het gouden altaar, de gouden tafel voor de toonbroden,
1 Kon. 7,49 de luchters van zuiver goud, vijf rechts en vijf links voor de achterzaal, de gouden bloemen, lampen en snuiters,
1 Kon. 7,50 de schotels, messen, offerschalen, pannen en bekkens van zuiver goud, de gouden scharnieren aan de deuren van het achterste gedeelte van de tempel, het heilige der heiligen, en aan de deuren van het schip van de tempel.
1 Kon. 7,51 Toen al het werk dat koning Salomo voor de tempel van Jahwe had laten verrichten gereed was, liet hij de wijgeschenken van zijn vader David overbrengen, het zilver, het goud en het vaatwerk, en plaatste het in de schatkamers van de tempel van Jahwe.

1 Kon. 8,1 Toen riep Salomo de oudsten van IsraŽl, alle stamhoofden en leiders van de families der IsraŽlieten, naar Jeruzalem om de ark van het verbond met Jahwe af te halen uit de Davidstad, ook Sion geheten.
1 Kon. 8,2 Zo kwamen alle mannen van IsraŽl samen bij koning Salomo op het feest in de maand Etanim, dat is de zevende maand.
1 Kon. 8,3 De oudsten van IsraŽl traden naar voren, de priesters tilden de ark op
1 Kon. 8,4 en brachten haar met de tent van de samenkomst en de bijbehorende gewijde voorwerpen over. Dit deden de priesters, samen met de levieten.
1 Kon. 8,5 Koning Salomo en heel de gemeenschap van IsraŽl, die zich rond hem verzameld had, gingen voor de ark uit en ze offer den zoveel schapen en runderen dat ze niet te tellen of te schatten waren.
1 Kon. 8,6 De priesters brachten de ark van het verbond met Jahwe op haar plaats in de achterzaal van de tempel, het heilige der heiligen, onder de vleugels van de kerubs.
1 Kon. 8,7 De kerubs spreidden hun beide vleugels uit over de plaats van de ark en overschaduwden de ark en de draagstokken.
1 Kon. 8,8 Deze draagstokken waren zo lang, dat hun uiteinden wel zichtbaar waren vanuit het heilige vlak voor de achterzaal, maar meer naar buiten niet meer. Ze zijn daar gebleven tot op de huidige dag.
1 Kon. 8,9 Er lag in de ark niets anders dan de twee stenen platen die Mozes erin gelegd had op de Horeb, de platen van het verbond dat Jahwe gesloten had met de IsraŽlieten toen ze uit Egypte trokken.
1 Kon. 8,10 Terwijl de priesters het heilige der heiligen verlieten, vulde de wolk de tempel van Jahwe,
1 Kon. 8,11 zodat ze vanwege die wolk niet ter plaatse konden vertoeven voor het verrichten van hun dienstwerk, want de heerlijkheid van Jahwe vervulde de tempel van Jahwe.
1 Kon. 8,12 Toen sprak Salomo: `Jahwe heeft besloten in het duister te wonen.
1 Kon. 8,13 Ik heb een machtig huis voor u gebouwd, uw woonplaats voor eeuwig.'
1 Kon. 8,14 Daarop keerde de koning zich om en zegende de gehele gemeenschap van IsraŽl. Terwijl heel de gemeente rechtop stond,
1 Kon. 8,15 sprak Salomo: `Gezegend zij Jahwe, de God van IsraŽl, wiens hand volbracht heeft wat zijn mond beloofd had aan mijn vader David:
1 Kon. 8,16 Sinds Ik mijn volk IsraŽl uit Egypte heb geleid, heb Ik in geen enkele stam van IsraŽl een stad uitverkoren om er een tempel te laten bouwen waar mijn naam zou wonen. Maar David heb Ik uitverkoren en aangesteld over mijn volk IsraŽl.
1 Kon. 8,17 Mijn vader David wilde een tempel bouwen voor de naam van Jahwe, de God van IsraŽl,
1 Kon. 8,18 maar Jahwe sprak tot hem: Uw voornemen om een tempel te bouwen voor mijn naam strekt u tot eer.
1 Kon. 8,19 Toch zult niet gij een tempel bouwen, maar de zoon die gij zult verwekken; hij zal een tempel bouwen ter ere van mijn naam.
1 Kon. 8,20 En Jahwe heeft zijn woord gestand gedaan. Want ik ben mijn vader David opgevolgd en zetel op de troon van IsraŽl, zoals Jahwe toegezegd had. En nu heb ik voor de naam van Jahwe, de God van IsraŽl, een tempel gebouwd
1 Kon. 8,21 en er een plaats bereid voor de ark, waarin de akte berust van het verbond dat Jahwe gesloten heeft met onze vaderen, toen Hij ze uit Egypte leidde.'
1 Kon. 8,22 Toen ging Salomo voor het altaar van Jahwe staan, ten aanschouwen van heel de gemeenschap van IsraŽl. Hij strekte zijn handen uit naar de hemel
1 Kon. 8,23 en zei: `Jahwe, God van IsraŽl, buiten U is er geen God in de hemel daarboven en op de aarde hierbeneden, die zo goeder tieren is en zo getrouw aan het verbond met uw dienaren die met heel hun hart hun schreden naar U richten.
1 Kon. 8,24 Gij hebt U jegens uw dienaar David, mijn vader, gehouden aan wat Gij hem beloofd had. Wat uw mond had beloofd, heeft uw hand vandaag volbracht.
1 Kon. 8,25 Welnu, Jahwe, God van IsraŽl, laat dan ook voor uw dienaar David, mijn vader, in vervulling gaan wat Gij hem beloofd hebt: Als uw zonen rechtschapen leven en voor mijn aanschijn wandelen zoals Gij dat gedaan hebt, zal Ik het u nooit aan opvolgers op de troon van IsraŽl laten ontbreken.
1 Kon. 8,26 Nu dan, God van IsraŽl, laat toch deze belofte aan uw dienaar David, mijn vader, in vervulling gaan.
1 Kon. 8,27 Maar zou God werkelijk op aarde wonen? Zelfs de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten! Hoe dan deze tempel die ik gebouwd heb?
1 Kon. 8,28 Geef dan acht op het gebed van uw dienaar en op zijn smeekbede, Jahwe mijn God, en luister naar zijn roepen en naar het gebed dat uw dienaar vandaag tot U richt.
1 Kon. 8,29 Laat uw ogen geopend blijven, dag en nacht, naar dit huis, naar de plaats waarvan Gij gezegd hebt: Mijn naam zal daar wonen, en blijf zo luisteren naar de smeekbede die uw dienaar op deze plaats tot U richt.
1 Kon. 8,30 Luister dan naar de smeekbede van uw dienaar en van uw volk IsraŽl, die zij op deze plaats tot U zullen richten. Ja, Gij zult het horen vanuit de hemel, uw woonstede. Luister dan en schenk vergiffenis.
1 Kon. 8,31 Als iemand tegen zijn naaste een overtreding heeft begaan en deze eist een eed van hem, zodat hij in deze tempel voor uw altaar verschijnt om zijn eed af te leggen,
1 Kon. 8,32 luister dan vanuit de hemel, grijp in en spreek recht over uw dienaren. Veroordeel de schuldige en vergeld hem wat hij gedaan heeft; spreek de onschuldige vrij en geef hem wat hem toekomt.
1 Kon. 8,33 Als uw volk IsraŽl verslagen is door de vijand omdat het tegen U gezondigd heeft, maar zich dan tot U bekeert, uw naam belijdt en in deze tempel tot U biedt en smeekt,
1 Kon. 8,34 luister dan vanuit de hemel, vergeef de zonden van uw volk IsraŽl en voer het terug naar de grond die Gij zijn vaderen geschonken hebt.
1 Kon. 8,35 Als de hemel gesloten blijft en er geen regen valt, omdat ze tegen U gezondigd hebben, maar als ze dan komen bidden op deze plaats, uw naam belijden en zich van hun zonde bekeren, omdat Gij hen vernedert,
1 Kon. 8,36 luister dan vanuit de hemel, vergeef de zonden van uw dienaren en van uw volk IsraŽl, wijs hun de goede weg die ze moeten gaan en laat het weer regenen over uw land dat Gij aan uw volk in eigendom gegeven hebt.
1 Kon. 8,37 Als er hongersnood komt in het land, of pest, of korenbrand en honingdauw, of een plaag van sprinkhanen die alles kaalvreten, als het volk in zijn steden door de vijand belegerd wordt of bezocht wordt door welke plaag of welke ziekte ook,
1 Kon. 8,38 als iemand, of heel uw volk IsraŽl, onder de druk van zijn leed zijn handen uitstrekt naar deze tempel,
1 Kon. 8,39 luister dan vanuit de hemel, uw woonstede, en schenk vergiffenis; grijp in en vergeld eenieder naar zijn gedrag; want Gij kent ieders hart, Gij zijt de enige die het hart van alle mensenkinderen kent.
1 Kon. 8,40 Dan zullen ze U vrezen zolang ze leven op de grond die Gij aan onze vaderen geschonken hebt.
1 Kon. 8,41 Ook als een vreemdeling, die niet tot uw volk IsraŽl behoort, omwille van uw naam uit een ver land komt,
1 Kon. 8,42 omdat hij gehoord heeft van uw grote naam, uw krachtige hand en uw uitgestrekte arm, en hij komt binnen in deze tempel,
1 Kon. 8,43 luister dan vanuit de hemel, uw woonstede, en doe alles waarom de vreemdeling U smeekt. Dan zullen alle volken der aarde uw naam leren kennen en U, evenals uw volk IsraŽl, vrezen; dan zullen zij weten dat uw naam uitgeroepen is over deze tempel die ik gebouwd heb.
1 Kon. 8,44 Als uw volk op uw bevel ten strijde trekt tegen zijn vijand, en ze bidden tot Jahwe in de richting van de stad die Gij hebt uitverkoren, en van de tempel die ik voor uw naam gebouwd heb,
1 Kon. 8,45 luister dan vanuit de hemel naar hun gebed en hun smeekbede en verschaf hun recht.
1 Kon. 8,46 Als ze tegen U zondigen - er is immers geen mens die niet zondigt - en Gij levert hen in uw toorn over aan de vijand die hen gevangen wegvoert naar zijn land, veraf of dichtbij,
1 Kon. 8,47 als ze dan tot nadenken komen in het land waarheen ze weggevoerd zijn en ze bekeren zich en bidden tot U in hun ballingschap: Wij hebben gezondigd, wij hebben verkeerd gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld,
1 Kon. 8,48 en ze keren zich tot U, met heel hun hart en heel hun ziel, in het land van de vijanden door wie ze weggevoerd zijn, en ze bidden tot U in de richting van het land dat Gij aan hun voorvaderen geschonken hebt en van de stad die Gij uitverkoren hebt en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd,
1 Kon. 8,49 luister dan vanuit de hemel, uw woonstede, naar hun gebed en hun smeekbede en verschaf hun recht.
1 Kon. 8,50 Schenk vergiffenis aan uw volk dat tegen U gezondigd heeft, vergeef hun alle overtredingen die ze tegen U begaan hebben, maak dat ze dan erbarming vinden bij hun vijanden die hen hebben weggevoerd en laten dezen zich over hen ontfermen.
1 Kon. 8,51 Want het is uw volk en uw eigendom, dat Gij uit Egypte, die smeltoven, hebt gevoerd.
1 Kon. 8,52 Laat uw ogen geopend blijven naar de smeekbede van uw dienaar en naar de smeekbede van uw volk IsraŽl, en blijf zo naar hen luisteren, alle keren dat zij U aanroepen.
1 Kon. 8,53 Want Gij, Jahwe onze Heer, hebt hen afgezonderd van de andere volken der aarde om uw eigendom te worden, zoals Gij gezegd hebt door uw dienaar Mozes, toen Gij onze vaderen uit Egypte voerde.'
1 Kon. 8,54 Heel dit smeekgebed tot Jahwe verrichtte Salomo geknield voor het altaar van Jahwe, zijn handen uitgestrekt naar de hemel. Toen stond hij op
1 Kon. 8,55 en staande zegende hij met luider stem heel de gemeen schap van IsraŽl met deze woorden:
1 Kon. 8,56 `Gezegend zij Jahwe, die zijn volk IsraŽl rust verleend heeft, zoals Hij had beloofd. Niet een woord is onvervuld gebleven van alle beloften die Hij door zijn dienaar Mozes gedaan heeft.
1 Kon. 8,57 Moge Jahwe onze God met ons zijn, evenals Hij met onze voorvaderen geweest is; moge Hij ons niet verlaten en ons niet verstoten,
1 Kon. 8,58 maar onze harten tot zich neigen. Dan zullen wij zijn wegen bewandelen en de geboden, wetten en voorschriften die Hij onze voorvaderen opgelegd heeft onderhouden.
1 Kon. 8,59 Mogen de gebeden die ik tot Jahwe onze God gericht heb, dag en nacht bij Hem aanwezig zijn en van Hem verkrijgen, dat Hij zijn dienaar en zijn volk IsraŽl dagelijks geeft wat zij behoeven.
1 Kon. 8,60 Dan zullen alle volken der aarde weten dat Jahwe God is, en Jahwe alleen.
1 Kon. 8,61 Mogen uw harten steeds onverdeeld aan Jahwe onze God toebehoren, zodat gij evenals nu, naar zijn wetten leeft en zijn geboden onderhoudt.'
1 Kon. 8,62 Nu droeg de koning met heel IsraŽl een slachtoffer op aan Jahwe.
1 Kon. 8,63 Het offer dat Salomo aan Jahwe opdroeg bestond uit tweeŽntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen. Zo wijdden de koning en de IsraŽlieten de tempel van Jahwe in.
1 Kon. 8,64 Die dag liet de koning het middengedeelte van de voorhof voor de tempel van Jahwe afzetten, om daar het brandoffer, het meeloffer en de vette delen van het slachtoffer op te dragen. Het bronzen altaar in de tempel was namelijk te klein voor het brandoffer, het meeloffer en de vette delen van het slachtoffer.
1 Kon. 8,65 Bij die gelegenheid vierde Salomo, en met hem een grote menigte uit heel IsraŽl, vanaf de weg naar Hamat tot aan de beek van Egypte, het feest in de tempel van Jahwe onze God, zeven dagen lang; met de andere zeven dagen veertien dagen lang.
1 Kon. 8,66 Op de achtste dag liet hij het volk heengaan. Ze spraken over de koning een zegenwens uit en gingen naar huis, verheugd en welgemoed om al het goede dat Jahwe gedaan had voor David, zijn dienaar, en voor IsraŽl, zijn volk.

1 Kon. 9,1 Toen Salomo gereed was met de bouw van de tempel van Jahwe, van het koninklijk paleis en van alles waar hij zijn zinnen op gezet had,
1 Kon. 9,2 verscheen Jahwe hem voor de tweede maal, zoals Hij hem verschenen was te Gibeon.
1 Kon. 9,3 Jahwe zei tot hem: 'Ik heb het smeekgebed dat Gij tot Mij gericht hebt gehoord; Ik heb deze tempel die gij gebouwd hebt geheiligd, opdat mijn naam er voor altijd zal wonen; mijn ogen en mijn hart zullen er steeds verblijven.
1 Kon. 9,4 Wat u betreft: als gij met heel uw hart en oprecht uw schreden naar Mij richt, zoals uw vader David dat deed, en handelt overeenkomstig alles wat Ik u geboden heb, als gij mijn wetten en voorschriften onderhoudt,
1 Kon. 9,5 zal Ik de troon van uw heerschappij over IsraŽl voor altijd bestendigen, zoals Ik uw vader David beloofd heb toen Ik hem zei: Gij zult altijd een nakomeling hebben die zetelt op de troon van IsraŽl.
1 Kon. 9,6 Maar als gij en uw zonen het wagen zich van Mij af te keren, als gij de geboden en wetten die Ik u voorgehouden heb niet onderhoudt, en andere goden gaat dienen en u voor hen neerbuigt,
1 Kon. 9,7 dan zal Ik de IsraŽlieten verjagen van de grond die Ik hun geschonken heb. Dan zal ik de tempel die Ik aan mijn naam heb toegewijd verwerpen; dan zal IsraŽl een mikpunt van schimp en van spot worden bij alle volken,
1 Kon. 9,8 en zal deze tempel een puinhoop worden; elke voorbijganger zal huiveren en sissen. En als men dan vraagt waarom Jahwe zo gehandeld heeft met dit land en deze tempel,
1 Kon. 9,9 dan zal het antwoord zijn: Omdat ze Jahwe, hun God, die hun voorvaderen uit Egypte heeft geleid, de rug hebben toegekeerd, omdat ze hun vertrouwen hebben gesteld in andere goden, zich voor hen hebben neergebogen en hen gediend hebben. Daarom heeft Jahwe hun al dit onheil berokkend.'
1 Kon. 9,10 Na verloop van de twintig jaren waarin Salomo de twee gebouwen, de tempel van Jahwe en het koninklijk paleis, had opgetrokken,
1 Kon. 9,11 schonk hij twintig steden in de Galil aan Chiram, de koning van Tyrus; deze had hem geholpen aan cederhout, cipressenhout en goud, zoveel hij maar wenste.
1 Kon. 9,12 Maar toen Chiram uit Tyrus kwam om de steden die Salomo hem geschonken had te bezichtigen, bevielen ze hem niet
1 Kon. 9,13 en zei hij: 'Mijn broeder, wat zijn dat voor steden die u mij hebt geschonken?' Daarom noemt men ze Kabul-land, tot op de huidige dag.
1 Kon. 9,14 Toch zond Chiram de koning honderdtwintig talenten goud.
1 Kon. 9,15 Dit was de taak van de arbeiders die koning Salomo voor het verrichten van de herendiensten opgeroepen had: Het bouwen van de tempel van Jahwe, van zijn eigen paleis, van het Millo, van de muur van Jeruzalem en van Hasor, Megiddo en Gezer.
1 Kon. 9,16 Farao, de koning van Egypte, was destijds uitgerukt tegen Gezer; hij had de stad ingenomen en in brand gestoken en de Kanašnieten die er woonden gedood; daarna had hij de stad als bruidsschat geschonken aan zijn dochter, de vrouw van Salomo.
1 Kon. 9,17 Salomo bouwde Gezer weer op; verder bouwde hij Bet-choron-laag,
1 Kon. 9,18 Bašlat en Tamar in de woestijn,
1 Kon. 9,19 zijn proviandsteden, zijn wagenparken, de steden voor zijn ruiterij en alles wat hij in Jeruzalem, in de Libanon en in heel zijn koninkrijk had willen bouwen.
1 Kon. 9,20 Alle afstammelingen van de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, mensen die niet tot de IsraŽlieten behoorden
1 Kon. 9,21 en overgebleven waren in het land, omdat de IsraŽlieten niet in staat geweest waren hen met de ban te slaan, hen liet Salomo als slaven voor de arbeidsdienst opkomen, en zo is het gebleven tot op de huidige dag.
1 Kon. 9,22 Maar IsraŽlieten maakte Salomo niet tot slaven; zij dienden hem als krijgslieden, hovelingen, hoge ambtenaren, officieren, wagenmenners en ruiters.
1 Kon. 9,23 De hoofdopzichters, belast met het toezicht op de werken van Salomo, waren vijfhonderdvijftig in getal. Zij hadden de leiding van het volk dat die werken uitvoerde.
1 Kon. 9,24 Nadat de dochter van Farao uit de Davidstad verhuisd was naar het paleis dat Salomo voor haar had laten bouwen, begon hij aan de bouw van het Millo.
1 Kon. 9,25 Salomo bracht driemaal per jaar een brand - en slacht offer op het altaar dat hij voor Jahwe gebouwd had en brandde ook reukwerk voor het aanschijn van Jahwe, nadat hij de tempel voltooid had.
1 Kon. 9,26 Ook bouwde Salomo een vloot, te Esjon-geber, nabij Elot, aan de oever van de Rietzee, in Edom.
1 Kon. 9,27 Chiram plaatste op die vloot onderdanen van hem, ervaren zeelieden, samen met de onderdanen van Salomo.
1 Kon. 9,28 Ze voeren naar Ofir, laadden daar vierhonderdtwintig talenten goud in en brachten die naar koning Salomo.

1 Kon. 10,1 De faam die Jahwe Salomo verleend had was ook doorgedrongen tot de koningin van Seba en zij wilde hem persoonlijk op de proef stellen met raadsels.
1 Kon. 10,2 Zij begaf zich naar Jeruzalem met een zeer grote stoet kamelen, beladen met reukwerken, zeer veel goud en kostbare stenen. Toen zij bij Salomo gekomen was, legde zij hem alles voor wat zij in gedachte had.
1 Kon. 10,3 Maar Salomo wist het antwoord op al haar vragen; niets was voor de koning zo duister dat hij het antwoord schuldig moest blijven.
1 Kon. 10,4 Toen de koningin van Seba zag hoe wijs Salomo was en toen zij het paleis zag dat hij had laten bouwen,
1 Kon. 10,5 de spijzen op zijn tafel, de hovelingen die mee aanzaten, de lakeien in hun uniform, de schenkers, de brandoffers die hij geregeld opdroeg in de tempel van Jahwe, was zij buiten zichzelf van verbazing
1 Kon. 10,6 en zei ze tot de koning: 'Het is dus waar wat ik in mijn land gehoord heb over uw wijsheid en uw ondernemingen.
1 Kon. 10,7 Ik heb het niet kunnen geloven, totdat ik hier kwam en het met eigen ogen zag. Heus, men heeft mij nog niet de helft verteld; u bezit meer wijsheid en rijkdom dan ik gehoord had.
1 Kon. 10,8 Wat een voorrecht voor uw mannen, wat een voorrecht voor uw dienaren, dat zij voortdurend voor u staan en uw woorden van wijsheid mogen horen.
1 Kon. 10,9 Gezegend zij Jahwe uw God, die in u zoveel welgevallen heeft gehad dat Hij u geplaatst heeft op de troon van IsraŽl, en u in zijn aanhoudende liefde voor IsraŽl tot koning aangesteld heeft om recht en gerechtigheid te handhaven.'
1 Kon. 10,10 Zij gaf de koning honderdtwintig talenten goud, zeer veel reukwerk en ook kostbare stenen. Nooit meer is er zoveel reukwerk aangevoerd als de koningin van Seba toen aan koning Salomo heeft geschonken.
1 Kon. 10,11 Chiram, die met zijn vloot uit Ofir goud aanvoerde, bracht vandaar ook zeer veel sandelhout en kostbare stenen mee.
1 Kon. 10,12 Dit sandelhout liet Salomo verwerken tot meubilair voor de tempel van Jahwe en het koninklijk paleis, en verder nog tot citers en harpen voor de zangers. Nog nooit was er zulk sandelhout aangevoerd en men heeft het, tot vandaag toe, ook nooit meer gezien.
1 Kon. 10,13 Van zijn kant gaf Salomo aan de koningin van Seba al wat zij maar wenste, naast wat hij haar uit eigen beweging aanbood. Hierop aanvaardde zij de terugreis en keerde met haar dienaren naar haar land terug.
1 Kon. 10,14 Het inkomen van Salomo bedroeg per jaar zeshonderdzestig talenten aan goud,
1 Kon. 10,15 niet meegerekend de tolgelden der handelaren, de handelsrechten der kooplieden en wat al de koningen van Arabie en de stadhouders van het land opbrachten.
1 Kon. 10,16 Koning Salomo liet tweehonderd grote schilden van geslagen goud maken; zeshonderd sikkels goud waren nodig voor een zo'n schild.
1 Kon. 10,17 Verder driehonderd kleine schilden van geslagen goud; drie minen goud waren nodig voor een klein schild. De koning liet ze ophangen in het huis' Woud van de Libanon'.
1 Kon. 10,18 De koning liet ook een grote troon van ivoor maken en die met fijn goud overtrekken.
1 Kon. 10,19 Zes treden had die troon; op de rugleuning was een stierenkop aangebracht. Aan weerskanten van de zitting bevonden zich armleuningen; ernaast stonden twee leeuwen.
1 Kon. 10,20 Op de treden stonden twaalf leeuwen, aan weerskanten zes. Voor geen koning was ooit zo iets gemaakt.
1 Kon. 10,21 Al het drinkgerei van Koning Salomo was van goud. Ook al het vaatwerk van het huis' Woud van de Libanon' was van zuiver goud. Zilver was er niet; het had in de tijd van Salomo niet zoveel waarde.
1 Kon. 10,22 Want naast de vloot van Chiram had de koning een Tarsisvloot in de vaart en eens in de drie jaar liep deze binnen met een lading goud en zilver, ivoor, apen en pauwen.
1 Kon. 10,23 Zo overtrof koning Salomo alle koningen der aarde in rijkdom en wijsheid,
1 Kon. 10,24 en heel de wereld verlangde Salomo te bezoeken en te luisteren naar de wijsheid waarmee God zijn verstand begiftigd had.
1 Kon. 10,25 Zij brachten allen geschenken mee, zilveren en gouden voorwerpen, jaar in, jaar uit.
1 Kon. 10,26 Ook schafte Salomo wagens aan en richtte hij een ruiterij op; hij bezat veertienhonderd wagens en een ruiterij van twaalfduizend man, die hij bijeenbracht in de wagenparken en bij zijn paleis in Jeruzalem.
1 Kon. 10,27 Dank zij het beleid van de koning was het zilver in Jeruzalem zo gewoon als stenen, en cederhout zag men er als moerbeivijgen in de Sefela.
1 Kon. 10,28 Salomo's paarden werden ingevoerd uit Misraim en Kewe. De handelsagenten van de koning kochten ze tegen een bepaalde prijs in Kewe.
1 Kon. 10,29 Een wagen kon uit Misraim ingevoerd worden voor zeshonderd sikkel, en een paard voor hondervijftig, en door hun bemiddeling werden ze ook uitgevoerd naar al de koningen van de Hethieten en de koningen van Aram.

1 Kon. 11,1 Koning Salomo had behalve de dochter van Farao nog veel buitenlandse vrouwen; Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische en Hethitische,
1 Kon. 11,2 uit de volken waarvan Jahwe tot de IsraŽlieten gezegd had: 'Gij moogt u niet inlaten met hen, en zij mogen zich niet inlaten met u; anders zullen ze u verleiden tot het dienen van hun goden.' Salomo hechtte zich aan deze vrouwen en had ze lief.
1 Kon. 11,3 Hij had ook zevenhonderd prinsessen tot vrouw genomen en daarbij nog driehonderd bijvrouwen, en deze vrouwen maakten hem ontrouw:
1 Kon. 11,4 op zijn oude dag verleidden zij Salomo tot het dienen van andere goden; hij was Jahwe zijn God niet meer zo met hart en ziel toegedaan als zijn vader David.
1 Kon. 11,5 Salomo vereerde Astoret, de godin van de Sidoniers, en Milkom, de gruwel van de Ammonieten;
1 Kon. 11,6 hij deed wat Jahwe mishaagde en diende Hem niet zo trouw als zijn vader David.
1 Kon. 11,7 Zo liet Salomo op de berg ten oosten van Jeruzalem een offerhoogte bouwen voor Kemos, de gruwel van Moab, en voor Moloch, de gruwel van de Ammonieten.
1 Kon. 11,8 Hetzelfde deed hij voor al zijn buitenlandse vrouwen die voor haar goden wierook wilden branden en offers brengen.
1 Kon. 11,9 Toen werd Jahwe, de God van IsraŽl, vertoornd op Salomo, omdat hij zich van Hem had afgekeerd, nadat Hij hem tweemaal verschenen was.
1 Kon. 11,10 Jahwe had hem uitdrukkelijk verboden andere goden te vereren, maar Salomo had zich niet gehouden aan Jahwe's verbod.
1 Kon. 11,11 Daarom zei Jahwe tot hem: 'Omdat het met u zo gesteld is en gij u niet houdt aan mijn verbond of aan de wetten die Ik u heb opgelegd, zal Ik het koninkrijk van u afscheuren en het geven aan een van uw knechten.
1 Kon. 11,12 Maar terwille van uw vader David zal Ik dit niet tijdens uw leven doen; Ik zal het losscheuren uit de hand van uw zoon.
1 Kon. 11,13 Toch zal Ik niet het hele koninkrijk losscheuren: een stam zal Ik aan uw zoon laten, terwille van David, mijn dienaar, en van Jeruzalem, de stad die Ik uitverkoren heb.'
1 Kon. 11,14 Daarom gaf Jahwe Salomo een tegenstander in de persoon van Hadad de Edomiet. Deze behoorde tot het koninklijk huis van Edom.
1 Kon. 11,15 Tijdens Davids verblijf in Edom namelijk, toen Joab, de legeroverste, uitgetrokken was om de gesneuvelden te begraven, sloeg deze al wat mannelijk was in Edom neer.
1 Kon. 11,16 Zes maanden hield Joab zich daar op, met heel IsraŽl, tot hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had.
1 Kon. 11,17 Maar deze Hadad had met enige Edomieten, hovelingen van zijn vader, de wijk genomen naar Egypte; Hadad was toen nog heel jong.
1 Kon. 11,18 Ze waren vertrokken uit Midjan en naar Paran gegaan; uit Paran hadden ze enige mannen meegenomen en waren aangekomen in Egypte, bij Farao, de koning van Egypte. Deze gaf hem een huis, beloofde in zijn levensonderhoud te voorzien en gaf hem ook land.
1 Kon. 11,19 Hadad kwam bij Farao zozeer in de gunst te staan dat deze hem een vrouw gaf, de zuster van zijn eigen vrouw, de zuster van Tachpenes, de gebiedster.
1 Kon. 11,20 De zuster van Tachpenes baarde hem een zoon, Genubat geheten, die door Tachpenes in het paleis van Farao opgevoed werd. Genubat woonde in het paleis van Farao, tezamen met de eigen zonen van Farao.
1 Kon. 11,21 Toen Hadad nu in Egypte vernam dat David bij zijn vaderen te ruste was gegaan en dat ook Joab, de legeroverste, gestorven was, zei hij tot Farao: 'Sta mij toe dat ik naar mijn land terugkeer.'
1 Kon. 11,22 Maar Farao vroeg hem: 'Wat komt u bij mij te kort, dat u zo opeens naar uw land terug wilt?' Hij antwoordde: 'Niets, maar laat mij toch maar gaan.'
1 Kon. 11,23 Nog een andere tegenstander gaf God aan Salomo in de persoon van Rezon, de zoon van Eljada. Deze was zijn heer Hadadezer, de koning van Soba ontvlucht,
1 Kon. 11,24 verzamelde mannen om zich heen en werd leider van een bende. Toen David hem zocht te doden, trok hij naar Damascus, waar hij zich vestigde en waar hij koning werd.
1 Kon. 11,25 Hij was een tegenstander van IsraŽl zolang Salomo leefde, en richtte onheil aan, evenals Hadad, want hij haatte IsraŽl. Hij regeerde over Aram.
1 Kon. 11,26 Ook een dienaar van Salomo, Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efraimiet uit Sereda, wiens moeder Serua heette en een weduwe was, stond tegen de koning op.
1 Kon. 11,27 De aanleiding daartoe was deze: Toen Salomo het Millo bouwde, dat een toegangsweg tot de stad van David, zijn vader, afsloot,
1 Kon. 11,28 toonde Jerobeam zich daarbij een flinke kracht, en toen Salomo zag dat de jonge man zijn werk goed deed, stelde hij hem aan als opzichter over de hele lichting opperlieden van de stam Jozef.
1 Kon. 11,29 In die tijd gebeurde het dat Jerobeam vanuit Jeruzalem op reis was en onderweg de profeet Achia uit Silo ontmoette. Zij waren alleen in het open veld. Achia droeg een nieuwe mantel.
1 Kon. 11,30 Hij pakte die, scheurde hem in twaalf stukken
1 Kon. 11,31 en zei tot Jerobeam: 'Neem tien stukken, wat zo zegt Jahwe, de God van IsraŽl: Tien stammen van Salomo's koninkrijk scheur Ik los uit zijn hand en die geef Ik aan u.
1 Kon. 11,32 Een stam mag hij behouden, omwille van mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad die Ik uit alle stammen van IsraŽl uitverkoren heb.
1 Kon. 11,33 Want hij heeft Mij de rug toegekeerd en zich neergebogen voor Astoret, de godin van de Sidoniers, en voor Kemos, de god van Moab, en voor Milkom, de god van de Ammonieten; hij heeft mijn wegen niet bewandeld en niet gedaan wat Mij behaagt en mijn wetten en voorschriften niet onderhouden, zoals zijn vader David.
1 Kon. 11,34 Hemzelf zal Ik evenwel het koninkrijk niet ontnemen, maar hem heel zijn leven aan de macht laten, terwille van mijn dienaar David, die mijn wetten en geboden onderhield.
1 Kon. 11,35 Ik zal het koninkrijk ontnemen aan zijn zoon; u zal Ik tien stammen geven.
1 Kon. 11,36 Een stam laat Ik echter aan zijn zoon, opdat mijn dienaar David altijd een lamp voor mijn aangezicht zal hebben in Jeruzalem, de stad die Ik Mij uitverkoren heb om er mijn naam te doen wonen.
1 Kon. 11,37 U zal Ik tot koning maken en u zult naar eigen goed dunken heersen als koning over IsraŽl.
1 Kon. 11,38 En als gij luistert naar alles wat Ik u gebied, als ge mijn wegen bewandelt en doet wat Mij behaagt, mijn geboden en wetten onderhoudt, zoals mijn dienaar David gedaan heeft, dan zal Ik u bijstaan, u een duurzaam huis bouwen, zoals Ik gedaan heb voor David, en u IsraŽl geven.
1 Kon. 11,39 Ik zal daartoe het nageslacht van David moeten vernederen, maar niet voor altijd.'
1 Kon. 11,40 Salomo trachtte Jerobeam te doden. Maar deze vluchtte naar Egypte, naar Sisak, de koning van Egypte, en bleef daar tot aan de dood van Salomo.
1 Kon. 11,41 Verdere bijzonderheden over Salomo, over alles wat hij gedaan heeft en over zijn wijsheid, zijn te vinden in de annalen van Salomo.
1 Kon. 11,42 Veertig jaar regeerde Salomo over geheel IsraŽl.
1 Kon. 11,43 Toen ging hij bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in de stad van David, zijn vader. Zijn zoon Rechabeam volgde hem op.

1 Kon. 12,1 Rechabeam begaf zich naar Sichem, waar heel IsraŽl samengekomen was om hem tot koning te verheffen.
1 Kon. 12,2 Jerobeam, de zoon van Nebat, was nog in Egypte, waar heen hij gevlucht was voor koning Salomo en hij woonde daar, toen hij dit vernam.
1 Kon. 12,3 Men liet hem komen. Jerobeam en heel de gemeenschap van IsraŽl kwamen bijeen om te onderhandelen met Rechabeam.
1 Kon. 12,4 Ze zeiden: 'Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd; verlicht derhalve de zware arbeid waartoe uw vader ons verplicht heeft en het harde juk dat hij ons heeft opgelegd; dan zullen wij u onderdanig zijn.'
1 Kon. 12,5 Rechabeam zei tot hen: 'Gaat heen en komt over drie dagen terug.' Toen ging het volk heen.
1 Kon. 12,6 Daarop raadpleegde koning Recabeam de oudsten die in dienst gestaan hadden van zijn vader Salomo, toen deze nog leefde, en vroeg: 'Wat raadt u mij aan, dit volk te antwoorden?'
1 Kon. 12,7 Zij antwoordden hem: 'Als u nu de dienaar van het volk bent en het wilt dienen door een vriendelijk antwoord te geven, dan zullen zij voor altijd uw dienaren zijn.'
1 Kon. 12,8 Maar hij sloeg de raad die de oudsten hem gegeven hadden in de wind en raadpleegde de jongelieden die met hem opgegroeid waren en in zijn dienst stonden.
1 Kon. 12,9 Hij vroeg hun: 'Wat raadt u mij aan? Wat voor antwoord moet ik geven op het verzoek van dat volk: Verlicht het juk dat uw vader ons opgelegd heeft?'
1 Kon. 12,10 De jongelieden die met hem opgegroeid waren antwoord den: 'Dit moet u zeggen op het verzoek van dat volk: Mijn pink is dikker dan het middel van mijn vader:
1 Kon. 12,11 heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog zwaarder maken: heeft mijn vader u gekastijd met zwepen, ik zal het doen met schorpioenen.'
1 Kon. 12,12 Toen Jerobeam met het volk drie dagen later bij Rechabeam terugkwam, overeenkomstig het verzoek van de koning: 'Komt overmorgen terug',
1 Kon. 12,13 gaf Rechabeam een hard antwoord en sloeg hij de raad die de oudsten hem gegeven hadden in de wind.
1 Kon. 12,14 Hij hield zich aan de raad van de jongelieden en zei: 'Heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog zwaar der maken; heeft mijn vader u gekastijd met zwepen, ik zal het doen met schorpioenen.'
1 Kon. 12,15 De koning luisterde dus niet naar het volk; Jahwe had het zo beschikt om zijn woord gestand te doen dat Hij door Achia uit Silo gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
1 Kon. 12,16 Daarmee was het voor de IsraŽlieten duidelijk dat de koning niet bereid was, aan hun verzoek te voldoen. Zij gaven de koning ten antwoord: 'Wat hebben wij te maken met David? Wat hebben wij uit te staan met de zoon van Isai? IsraŽl, terug naar uw tenten; David, zorg maar voor uw eigen huis'. De IsraŽlieten gingen dus naar huis.
1 Kon. 12,17 Alleen over de IsraŽlieten die in de steden van Juda woonden werd Rechabeam koning.
1 Kon. 12,18 Koning Rechabeam poogde nog iets te bereiken door Adoram, het hoofd van de herendiensten, maar het volk van IsraŽl stenigde hem dood, en koning Rechabeam kon ternauwernood in zijn wagen stappen en naar Jeruzalem vluchten.
1 Kon. 12,19 Zo braken de IsraŽlieten met het huis van David; dit is zo gebleven tot de huidige dag.
1 Kon. 12,20 Zodra het volk van IsraŽl vernomen had dat Jerobeam teruggekeerd was, ontboden zij hem naar de volksvergadering en verhieven zij hem tot koning over geheel IsraŽl. Niemand bleef het huis van David trouw dan alleen de stam Juda.
1 Kon. 12,21 Toen Rechabeam in Jeruzalem gekomen was, riep hij het hele huis van Juda en de stam Benjamin bijeen; honderdtachtigduizend strijdbare mannen om de strijd aan te binden met het volk van IsraŽl en het koninkrijk te herwinnen voor de Rechabeam, de zoon van Salomo.
1 Kon. 12,22 Maar het woord van God werd gericht tot Semaja, een man Gods:
1 Kon. 12,23 `Zeg tot Rechabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, tot het volk van Juda en Benjamin en het overige volk:
1 Kon. 12,24 Zo spreekt Jahwe: Trekt niet op en voer geen oorlog met uw broeders, de IsraŽlieten, want dit alles is door Mij beschikt. Gaat terug naar huis!' Zij luisterden naar het woord van Jahwe en gingen naar huis, zoals Jahwe had bevolen.
1 Kon. 12,25 Jerobeam versterkte Sichem in het bergland van Efraim en vestigde zich daar; later trok hij daar weg en versterkte PenuŽl.
1 Kon. 12,26 Intussen dacht hij bij zichzelf: `Tenslotte zal mijn koninkrijk toch weer aan het huis van David komen.
1 Kon. 12,27 Als dit volk naar Jeruzalem blijft trekken om offers op te dragen in de tempel van Jahwe, zullen ze zich weer gaan hechten aan Rechabeam, de koning van Juda, hun heer.'
1 Kon. 12,28 Na rijp beraad liet de koning twee gouden sterrenbeelden maken en zei hij tot het volk: `U bent nu lang genoeg opgegaan naar Jeruzalem: dit, IsraŽlieten, zijn de goden die u uit Egypte hebben geleid.'
1 Kon. 12,29 Het ene beeld stelde hij op te Betel en het andere plaatste hij in Dan.
1 Kon. 12,30 Dit bracht de IsraŽlieten tot zonde. Het volk geleidde het beeld naar Dan.
1 Kon. 12,31 Ook bouwde hij offerhoogten en stelde hij priesters aan uit het gewone volk, die niet tot de stam Levi behoorden.
1 Kon. 12,32 Verder voerde Jerobeam op de vijftiende dag van de achtste maand een feest in dat geleek op het feest dat in Juda bestond. Bij die gelegenheid besteeg hij het altaar dat hij in Betel had laten maken om te offeren aan de sterrenbeelden die hij vervaardigd had. En in Betel installeerde hij de priesters van de offerhoogten die hij gebouwd had.
1 Kon. 12,33 Op de vijftiende dag van de achtste maand, een dag die hij op eigen gezag bepaald had, besteeg Jerobeam het altaar dat hij had laten maken. Hij liet de IsraŽlieten feest vieren en besteeg het altaar om wierook te branden.

1 Kon. 13,1 En juist toen Jerobeam op het altaar stond om de wierook te branden, kwam er in Betel een man Gods uit Juda, door Jahwe gezonden.
1 Kon. 13,2 Op Jahwe's bevel riep hij tegen het altaar: `Altaar, altaar, zo spreekt Jahwe: In het huis van David zal een zoon geboren worden, Josia geheten; hij zal de priesters der offer hoogten die wierook op u branden op u ten offer brengen en mensenbeenderen op u verbranden.'
1 Kon. 13,3 Tevens kondigde hij een wonder aan met de woorden: `Dit is het wonder, ten teken dat Jahwe gesproken heeft: het altaar zal scheuren en de as die erop ligt zal eraf storten.'
1 Kon. 13,4 Toen de koning hoorde wat de man Gods tegen het altaar van Betel riep, stak hij, staande op het altaar, zijn hand uit en beval: Grijpt die man!' Maar de hand die hij tegen de man Gods had uitgestoken verstijfde en hij kon haar niet meer terugtrek ken.
1 Kon. 13,5 En het altaar scheurde en de as stortte ervan af; het was het wonder dat de man Gods op Jahwe's bevel had aangekondigd.
1 Kon. 13,6 Nu sprak de koning tot de man Gods: `Wees zo goed en tracht Jahwe uw God gunstig te stemmen; bid voor mij dat ik mijn hand weer kan terugtrekken.' De man Gods wist Jahwe gunstig te stemmen; de koning kon zijn hand terugtrekken en deze werd weer als voorheen.
1 Kon. 13,7 Toen sprak de koning tot de man Gods: `Kom met mij naar huis; dan kunt u zich verkwikken en zal ik u een geschenk geven.'
1 Kon. 13,8 Maar de man Gods antwoordde: `Al zoudt u mij de helft van uw bezit geven, ik ga niet met u mee; hier zal ik geen brood eten of water drinken.
1 Kon. 13,9 Want aldus heeft Jahwe mij bevolen: Gij moogt er geen brood eten of water drinken en gij moogt niet langs dezelfde weg terugkeren als gij gekomen zijt.'
1 Kon. 13,10 En hij vertrok langs een andere weg en keerde niet terug over de weg waarlangs hij naar Betel gekomen was.
1 Kon. 13,11 Nu woonde er in Betel een bejaarde profeet. Zijn zonen kwamen hem vertellen wat de man Gods die dag te Betel allemaal gedaan had en wat hij tot de koning had gezegd.
1 Kon. 13,12 Toen zij uitverteld waren vroeg hun vader: `In welke richting is hij vertrokken?' En zijn zonen wezen hem, in welke richting de man Gods uit Juda vertrokken was.
1 Kon. 13,13 Nu zei hij tot zijn zonen: `Zadelt mijn ezel.' Toen zij de ezel gezadeld hadden, zette hij zich erop,
1 Kon. 13,14 ging de man Gods achterna en trof hem zittende onder een terebint. Hij vroeg hem: `Bent u de man Gods uit Juda?' En hij antwoordde: `Ja.'
1 Kon. 13,15 Daarop zei hij tot hem: `Ga met mij mee naar huis; dan kunt u iets eten.'
1 Kon. 13,16 Maar hij antwoordde: `Ik kan niet met u teruggaan naar uw woonplaats: ik kan daar met u geen brood eten of water drinken,
1 Kon. 13,17 want Jahwe heeft mij bevolen: Gij moogt daar geen brood eten of water drinken en ge moogt ook niet terugkeren langs dezelfde weg als ge gekomen zijt.'
1 Kon. 13,18 Maar de ander hield aan: `Ook ik ben een profeet, net als u, en een engel heeft tot mij gesproken op Jahwe's bevel: Haal hem terug naar uw huis; dan kan hij brood en water drinken.' Dit loog hij hem voor.
1 Kon. 13,19 Toen keerde de man Gods met de profeet terug en hij at brood en dronk water in diens huis.
1 Kon. 13,20 Terwijl zij aan tafel zaten, werd het woord van Jahwe gericht tot de profeet die hem naar Betel teruggehaald had.
1 Kon. 13,21 Deze riep tot de man Gods uit Juda: `Zo spreekt Jahwe: Omdat gij u verzet hebt tegen het bevel van Jahwe en u niet gehouden hebt aan het verbod dat Jahwe uw God u gaf,
1 Kon. 13,22 maar naar Betel teruggekeerd zijt om brood te eten en water te drinken, daar waar Hij u dit verboden had, daarom zal uw lijk niet bijgezet worden in het graf van uw vaderen.'
1 Kon. 13,23 Nadat de man Gods gegeten en gedronken had, liet de profeet die hem teruggehaald had zijn ezel zadelen.
1 Kon. 13,24 De man Gods vertrok, maar hij werd onderweg aangevallen door een leeuw. Deze doodde hem en zijn lijk kwam op de weg te liggen. De ezel bleef naast het lijk staan en ook de leeuw.
1 Kon. 13,25 Mensen die voorbijkwamen zagen het lijk op de weg liggen en de leeuw ernaast staan, en bij hun aankomst in de stad waar de bejaarde profeet woonde, vertelden zij wat ze gezien hadden.
1 Kon. 13,26 Toen de profeet die de man Gods had overgehaald om terug te keren dit vernam, zei hij: `Dat is de man Gods die zich verzet heeft tegen de wil van Jahwe. Jahwe heeft hem door een leeuw laten verscheuren, overeenkomstig het woord dat Jahwe tot hem gesproken had.'
1 Kon. 13,27 Hij zei tot zijn zonen: `Zadelt mijn ezel.' Toen zij dit gedaan hadden,
1 Kon. 13,28 ging hij op weg en vond het lijk op de weg liggen met de ezel en de leeuw die ernaast stonden. De leeuw had het lijk niet verslonden en evenmin de ezel verscheurd.
1 Kon. 13,29 Nu legde de profeet het lijk van de man Gods op de ezel en bracht het terug naar de stad om het met de gebruikelijke rouw te begraven.
1 Kon. 13,30 Hij legde het lijk in het graf dat voor hemzelf bestemd was en men hief over de man Gods de klaagzang `Ach mijn broeder' aan.
1 Kon. 13,31 Toen hij de man Gods begraven had, zei hij tot zijn zonen: `Als ik dood ben moeten jullie mij begraven in het graf waar de man Gods ligt; jullie moeten mijn gebeente naast zijn gebeente leggen,
1 Kon. 13,32 want vast en zeker zal vervuld worden wat hij op bevel van Jahwe geroepen heeft tegen het altaar van Betel en tegen alle offerhoogten van de steden van Samaria.'
1 Kon. 13,33 Ondanks dit gebeuren bekeerde Jerobeam zich niet van zijn wangedrag. Integendeel, hij stelde uit het gewone volk priesters voor de offerhoogten aan; al wie maar wilde wijdde hij tot priester van een offerhoogte.
1 Kon. 13,34 Hierin bestond de zonde van het huis van Jerobeam en dit was de reden waarom zijn koninkrijk vernietigd en van de aardbodem verdelgd zou worden.

1 Kon. 14,1 In die tijd werd Abia, de zoon van Jerobeam ziek.
1 Kon. 14,2 Jerobeam zei tot zijn vrouw: `Verkleed je zo dat niemand merkt dat je de vrouw van Jerobeam bent en ga dan naar Silo; daar woont immers de profeet Achia, die mij voorspeld heeft dat ik koning zou worden over dit volk.
1 Kon. 14,3 Neem tien broden mee, een paar rozijnenkoeken en een kruik honing, en ga naar hem toe; hij zal je zeggen hoe het met de jongen zal aflopen.'
1 Kon. 14,4 De vrouw van Jerobeam deed dit: ze begaf zich op weg naar Silo en kwam aan bij het huis van Achia. Deze nu kon niet meer zien, omdat zijn ogen star stonden van ouderdom,
1 Kon. 14,5 maar Jahwe had tot hem gezegd: `De vrouw van Jerobeam komt u raadplegen over haar zoon, want die is ziek. Zo en zo moet ge haar antwoorden. Ze zal zich vermomd bij u aandienen.'
1 Kon. 14,6 Toen ze door de deur binnentrad en Achia het geluid van haar voetstappen hoorde, zei hij: `Kom binnen, vrouw van Jerobeam. Waarom hebt u zich vermomd? Ik heb een onheilsboodschap voor u!
1 Kon. 14,7 Ga aan Jerobeam zeggen: Zo spreek Jahwe, de God van IsraŽl; Ik heb u boven het volk verheven en u aangesteld als leider van mijn volk IsraŽl.
1 Kon. 14,8 Ik heb het koninkrijk losgescheurd van het huis van David en het gegeven aan u. Maar gij zijt niet geweest als mijn dienaar David, die mijn geboden onderhield, Mij van ganser harte diende en alleen deed van Mij behaagt.
1 Kon. 14,9 Gij hebt het erger gemaakt dan al uw voorgangers, u andere goden gemaakt, beelden gegoten, om Mij te tergen; Mij hebt ge verworpen, Mij de rug toegekeerd.
1 Kon. 14,10 Daarom ga Ik onheil brengen over het huis van Jerobeam. Al wat man is in het huis van Jerobeam, van slaaf tot vrijgelatene, zal Ik uit IsraŽl verdelgen en Ik zal het huis van Jerobeam wegvegen als drek, tot er niets meer van over is.
1 Kon. 14,11 Wie van het huis van Jerobeam in de stad sterft, hem zullen de honden verslinden, en wie op het land sterft, hem zullen de vogels van de hemel verslinden, want Jahwe heeft gesproken.
1 Kon. 14,12 Wat u betreft, sta op en ga naar huis. Op het ogenblik dat uw voeten de stad betreden zal de jongen sterven.
1 Kon. 14,13 Heel IsraŽl zal over hem rouwen en hem begraven, want hij is de enige van zijn huis in wie Jahwe, de God van IsraŽl, iets goeds gevonden heeft.
1 Kon. 14,14 En de man die het huis van Jerobeam zal uitroeien zal door Jahwe worden verheven tot koning over IsraŽl. Dit wat het heden betreft, maar er komt nog meer.
1 Kon. 14,15 Jahwe zal IsraŽl slaan alsof het een riet was dat in het water op en neer gezwiept wordt. Hij zal de IsraŽlieten uitroeien en ze wegrukken van deze goede grond, die Hij hun voorvaderen geschonken heeft, en Hij zal ze verstrooien aan de overkant van de Rivier, omdat ze heilige palen gemaakt hebben en Jahwe daarmee hebben getergd.
1 Kon. 14,16 Ja, Hij zal IsraŽl prijsgeven vanwege de zonden die Jerobeam bedreven heeft en waartoe hij de IsraŽlieten heeft verleid.'
1 Kon. 14,17 Toen stond de vrouw van Jerobeam op en ging heen. Toen zij in Tirsa aankwam en de drempel van het huis betrad, stierf haar zoon.
1 Kon. 14,18 Heel IsraŽl was bij zijn begrafenis tegenwoordig en rouwde over hem, naar het woord dat Jahwe gesproken had door zijn dienaar Achia, de profeet.
1 Kon. 14,19 Verdere bijzonderheden over Jerobeam, over zijn oorlogen en zijn bestuur, staan opgetekend in de annalen van de koningen van IsraŽl.
1 Kon. 14,20 Jerobeam heeft tweeŽntwintig jaar geregeerd. Hij ging bij zijn vaderen te ruste en werd opgevolgd door zijn zoon Nadab.
1 Kon. 14,21 Rechabeam, de zoon van Salomo, werd koning in Juda. Hij was eenenveertig jaar toen hij koning werd en regeerde zeventien jaar te Jeruzalem, de stad die Jahwe uit alle stammen van IsraŽl had uitverkoren om er zijn naam te doen wonen. Zijn moeder heette Naama en zij was een Ammonitische.
1 Kon. 14,22 De JudeeŽrs deden wat Jahwe mishaagt; zij prikkelden Hem tot naijver, meer nog dan hun voorvaderen, door de zonden die ze bedreven.
1 Kon. 14,23 Op elke hoge heuvel en onder elke groene boom richtten zij offerplaatsen in met wijstenen en heilige palen.
1 Kon. 14,24 Zelfs waren er in het land mannen die zich op de offerplaatsen aan ontucht wijdden. Zo bedreef men dezelfde gruwelen als de volken die Jahwe voor de IsraŽlieten verdreven had.
1 Kon. 14,25 In het vijfde regeringsjaar van Rechabeam rukte Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem op.
1 Kon. 14,26 Hij roofde de schatten van de tempel van Jahwe en van het koninklijk paleis. Alles nam hij mee; ook de gouden schilden die Salomo had laten maken.
1 Kon. 14,27 In plaats daarvan liet koning Rechabeam bronzen schil den maken en vertrouwde ze toe aan de oversten van de lijfwacht die de ingang van het koninklijk paleis bewaakten.
1 Kon. 14,28 Zo dikwijls de koning naar de tempel van Jahwe ging, droeg de lijfwacht ze mee en bracht ze na afloop weer terug naar het wachtlokaal.
1 Kon. 14,29 Verder bijzonderheden over Rechabeam en over zijn daden zijn te vinden in de annalen van de koningen van Juda.
1 Kon. 14,30 Rechabeam en Jerobeam leefden voortdurend op voet van oorlog.
1 Kon. 14,31 Rechabeam ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven bij zijn vaderen in de Davidstad. Zijn moeder heette Naama en was een Ammonitische. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Abia.

1 Kon. 15,1 In het achttiende regeringsjaar van koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd Abia koning van Juda.
1 Kon. 15,2 Zijn moeder heette Maaka; zij was de dochter van Abisalom. Hij regeerde drie jaar te Jeruzalem.
1 Kon. 15,3 Hij bedreef alle zonden die zijn vader voor hem had bedreven; hij was Jahwe zijn God niet zo volkomen toegedaan als zijn vader David dat was geweest.
1 Kon. 15,4 Maar terwille van David liet Jahwe, zijn God, voor hem een lamp branden in Jeruzalem: Hij gaf hem in zijn zoon een opvolger en liet Jeruzalem voortbestaan.
1 Kon. 15,5 Want David had gedaan wat Jahwe behaagt en was zijn leven lang niet afgeweken van de geboden die Jahwe hem had gegeven, behalve met betrekking tot Uria de Hethiet.
1 Kon. 15,6 Rechabeam en Jerobeam leefden voortdurend op voet van oorlog.
1 Kon. 15,7 Verdere bijzonderheden over Abia en over zijn daden zijn te vinden in de annalen van de koningen van Juda. Abia en Jerobeam leefden voortdurend op voet van oorlog.
1 Kon. 15,8 Abia ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in de Davidstad. Zijn zoon Asa volgde hem op.
1 Kon. 15,9 In het twintigste regeringsjaar van Jerobeam van IsraŽl werd Asa koning van Juda.
1 Kon. 15,10 Hij regeerde eenenveertig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Maaka en was een dochter van Abisalom.
1 Kon. 15,11 Asa deed wat Jahwe behaagt, juist zoals zijn vader David.
1 Kon. 15,12 De mannen die zich op de offerplaatsen aan ontucht wijdden verdreef hij uit het land en hij verwijderde alle afgodsbeelden die zijn vaderen gemaakt hadden.
1 Kon. 15,13 Zelfs heeft hij zijn moeder Maaka haar titel van gebiedster ontnomen; zij had namelijk voor Asjera een ergernis wekkend beeld gemaakt. Asa liet dit beeld stukslaan en in het Kidrondal verbranden.
1 Kon. 15,14 Wel liet men de offerhoogten voortbestaan, maar toch bleef Asa, zolang hij leefde, Jahwe geheel toegedaan.
1 Kon. 15,15 Hij liet de wijgeschenken van zijn vader en zijn eigen wijgeschenken naar de tempel van Jahwe overbrengen: het zilver, het goud en de andere voorwerpen.
1 Kon. 15,16 Asa en koning BaŽsa van IsraŽl leefden voortdurend op voet van oorlog.
1 Kon. 15,17 Eens rukte koning BaŽsa van IsraŽl tegen Juda op en versterkte Rama om alle verkeer van en naar Asa, de koning van Juda, te verhinderen.
1 Kon. 15,18 Toen nam Asa al het zilver en het goud dat nog overgebleven was in de schatkamers van de tempel van Jahwe en de schatten van het koninklijk paleis en liet dat door zijn hovelingen brengen naar de koning van Aram, Benhadad, de zoon van Tabrimmon, de zoon van Chezjon, die in Damascus resideerde. Zij moesten hem zeggen:
1 Kon. 15,19 Er bestaat een verbond tussen u en mij, tussen uw vader en mijn vader. Hierbij zend ik u een geschenk in zilver en goud. Verbreek uw verbond met koning BaŽsa van IsraŽl; dan zal hij mijn land met rust laten.'
1 Kon. 15,20 Benhadad gaf gehoor aan het verzoek van koning Asa: hij beval zijn legeroversten met hun manschappen op te rukken tegen de steden van IsraŽl. Zij plunderden Ijjon, Dan, Abel-bet-maaka en heel Kinarot, alsook heel het land van Naftali.
1 Kon. 15,21 Toen BaŽsa dit vernam, hield hij op met Rama te ver sterken en vestigde zich in Tirsa.
1 Kon. 15,22 Nu liet koning Asa alle JudeeŽrs oproepen; niemand werd vrijgesteld. Zij namen de steden en het hout mee die BaŽsa voor de versterking van Rama had gebruikt, en versterkten daarmee Geba in Benjamin en Mispa.
1 Kon. 15,23 Verdere bijzonderheden over Asa, over zijn krijgsver richtingen en overige daden, met name over de steden die hij gebouwd heeft, staan opgetekend in de annalen van de koningen van Juda. Alleen dit nog: op zijn oude dag kreeg hij een voetkwaal.
1 Kon. 15,24 Asa ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in de stad van David, zijn vader. Zijn zoon Josafat volgde hem op.
1 Kon. 15,25 Nadab, de zoon van Jerobeam, werd koning van IsraŽl in het tweede regeringsjaar van koning Asa van Juda en regeerde twee jaar over IsraŽl.
1 Kon. 15,26 Hij deed wat Jahwe mishaagt; hij volgde het voorbeeld van zijn vader en volhardde in de zonde waartoe deze IsraŽl verleid had.
1 Kon. 15,27 BaŽsa, de zoon van Achia, uit het huis Issakar, smeedde een komplot tegen hem en sloeg Nadab neer toen deze met heel het leger van IsraŽl Gibbeton belegerde, dat aan de Filistijnen behoorde.
1 Kon. 15,28 BaŽsa doodde hem in het derde regeringsjaar van koning Asa van Juda en nam zijn plaats als koning in.
1 Kon. 15,29 Zodra hij aan de regering gekomen was, bracht hij alle leden van het huis van Jerobeam ter dood, zonder ook maar iemand te sparen. Hij moordde heel het geslacht van Jerobeam uit, volgens het woord dat Jahwe gesproken had door zijn dienaar Achia uit Silo,
1 Kon. 15,30 vanwege de zonden die Jerobeam had bedreven, en waartoe hij de IsraŽlieten had verleid om Jahwe, de God van IsraŽl te tergen.
1 Kon. 15,31 Verdere bijzonderheden over Nadab en over zijn daden zijn te vinden in de annalen van de koningen van IsraŽl.
1 Kon. 15,32 Asa en BaŽsa leefden voortdurend op voet van oorlog.
1 Kon. 15,33 In het derde regeringsjaar van koning Asa van Juda werd BaŽsa, de zoon van Achia, koning over heel IsraŽl. Hij regeerde vierentwintig jaar in Tirsa.
1 Kon. 15,34 Hij deed wat Jahwe mishaagt; hij volgde het voorbeeld van Jerobeam en volhardde in de zonde waartoe deze de IsraŽlieten verleid had.

1 Kon. 16,1 Daarom kwam het woord van Jahwe tot Jehu, de zoon van Chanani: `Zeg tegen BaŽsa:
1 Kon. 16,2 Ik heb u uit het stof opgeraapt en u aangesteld tot leider over mijn volk IsraŽl. Maar gij hebt het voorbeeld van Jerobeam gevolgd en mijn volk IsraŽl tot zonden verleid om Mij te tergen.
1 Kon. 16,3 Welnu, Ik ga BaŽsa en zijn huis wegvagen. Ik doe met uw huis wat Ik gedaan heb met dat van Jerobeam, de zoon van Nebat
1 Kon. 16,4 Wie van BaŽsa's huis in de stand sterft, hem zullen de honden verslinden, en wie op het land sterft, hem zullen de vogels van de hemel verslinden.'
1 Kon. 16,5 Verdere bijzonderheden over BaŽsa, over zijn krijgsver richtingen en overige daden, zijn te vinden in de annalen van de koningen van IsraŽl.
1 Kon. 16,6 BaŽsa ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in Tirsa. Zijn zoon Ela volgde hem op.
1 Kon. 16,7 Door de profeet Jehu, de zoon van Chanani, is dus het woord van Jahwe gekomen tot BaŽsa en zijn huis, omdat hij gedaan had wat Jahwe mishaagt; hij had immers, evenals het huis van Jerobeam, Jahwe door zijn daden getergd en Jerobeams huis uitgemoord.
1 Kon. 16,8 In het zesentwintigste regeringsjaar van koning Asa van Juda werd Ela, de zoon van BaŽsa, koning van IsraŽl. Hij regeerde twee jaar.
1 Kon. 16,9 Zijn dienaar Zimri, bevelhebber over de helft van de strijdwagens, smeedde een komplot tegen hem. Op zekere dag, toen Ela in Tirsa in het huis van Arsa, de hofmaarschalk van het paleis in Tirsa, zich een roes dronk.
1 Kon. 16,10 kwam Zimri binnen, sloeg hem dood en nam zijn plaats als koning in. Dit gebeurde in het zevenentwintigste regeringsjaar van Asa, de koning van Juda.
1 Kon. 16,11 Zodra Zimri aan de regering gekomen was en de troon bestegen had, liet hij heel het huis van BaŽsa uitroeien; alle mannelijke leden van het huis zelf en ook alle naastbestaanden en vrienden.
1 Kon. 16,12 Hij moordde heel het huis van BaŽsa uit, volgens het woord dat Jahwe door de profeet Jehu over BaŽsa gesproken had,
1 Kon. 16,13 vanwege alle zonden van BaŽsa en die van zijn zoon Ela en vanwege de zonden waartoe zij de IsraŽlieten verleid hadden om Jahwe, de God van IsraŽl, met hun waangoden te tergen.
1 Kon. 16,14 Verder bijzonderheden over Ela en over zijn daden zijn te vinden in de annalen van de koningen van IsraŽl.
1 Kon. 16,15 In het zevenentwintigste regeringsjaar van koning Asa van Juda werd Zimri koning. Hij regeerde zeven dagen in Tirsa. In die tijd lag het leger bij Gibbeton, dat aan de Filistijnen behoorde.
1 Kon. 16,16 Toen de belegeraars hoorden dat Zimri een komplot gesmeed had en de koning had gedood, riepen alle IsraŽlieten in de legerplaats de legeroverste Omri tot koning van IsraŽl uit.
1 Kon. 16,17 Hierop trok Omri met alle IsraŽlieten van Gibbeton weg en sloeg het beleg voor Tirsa.
1 Kon. 16,18 Zodra Zimri zag dat de stad ingenomen was, trok hij zich in de slottoren van het koninklijk paleis terug en stak het paleis boven zijn hoofd in brand. Zo kwam hij om het leven.
1 Kon. 16,19 Dit gebeurde vanwege zijn zonden, omdat hij gedaan had wat Jahwe mishaagt, in navolging van Jerobeam, en volhard had in de zonde waartoe deze de IsraŽlieten verleid had.
1 Kon. 16,20 Verdere bijzonderheden over Zimri en over het komplot dat hij gesmeed heeft zijn te vinden in de annalen van de koningen van IsraŽl.
1 Kon. 16,21 Toen ontstond er verdeeldheid onder het volk IsraŽl. De ene helft van het volk wilde Tibni, de zoon van Ginat, tot koning uitroepen; de andere helft stond achter Omri.
1 Kon. 16,22 De aanhangers van Omri kregen de overhand over die van Tibni. Tibni kwam om het leven en Omri werd koning.
1 Kon. 16,23 In het eenendertigste regeringsjaar van koning Asa van Juda werd Omri koning van IsraŽl. Hij regeerde twaalf jaar, waarvan zes jaar in Tirsa.
1 Kon. 16,24 Hij kocht van Semer voor twee talenten zilver de berg Someron, bouwde op die berg een stad en noemde deze Samaria, naar Semer, de eigenaar van de berg.
1 Kon. 16,25 Omri deed wat Jahwe mishaagt; hij maakte het nog erger dan al zijn voorgangers.
1 Kon. 16,26 In alles volgde hij het voorbeeld van Jerobeam, de zoon van Nebat, en volhardde in de zonde waartoe deze de IsraŽlieten verleid had om Jahwe, de God van IsraŽl, met hun waangoden te tergen.
1 Kon. 16,27 Verdere bijzonderheden over Omri, over zijn krijgsver richtingen en overige daden, zijn te vinden in de annalen van de koningen van IsraŽl.
1 Kon. 16,28 Omri ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven te Samaria. Zijn zoon Achab volgde hem op.
1 Kon. 16,29 Achab, de zoon van Omri, werd koning van IsraŽl in het achtendertigste regeringsjaar van koning Asa van Juda en regeerde in Samaria tweeŽntwintig jaar over IsraŽl.
1 Kon. 16,30 Hij deed wat Jahwe mishaagt, erger nog dan al zijn voorgangers.
1 Kon. 16,31 Alsof hij het nog niet genoeg vond de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, na te volgen, nam hij Izebel, een dochter van Etbaal, de koning van de Sidoniers, tot vrouw en ging hij Bašl dienen en aanbidden.
1 Kon. 16,32 Hij richtte voor Bašl een altaar op in de Bašltempel die hij in Samaria had laten bouwen.
1 Kon. 16,33 Ook liet Achab een heilige paal maken en deed hij nog andere dingen, zodat hij Jahwe, de God van IsraŽl, nog meer tergde dan al de koningen van IsraŽl voor hem.
1 Kon. 16,34 In zijn tijd heeft Chiel uit Betel Jericho weer opgebouwd. Ten koste van Abiram, zijn eerstgeborene, legde hij de fundamenten; ten koste van Segub, zijn jongste zoon, richtte hij de poorten op, naar het woord dat Jahwe gesproken had door Jozua, de zoon van Nun.

1 Kon. 17,1 In die dagen zei Elia de Tisbiet uit Tisbi in Gilead tot Achab: `Zowaar Jahwe leeft, de God van IsraŽl, in wiens dienst ik sta: er zal in de volgende jaren geen dauw of regen komen tenzij op mijn woord.'
1 Kon. 17,2 En het woord van Jahwe kwam tot hem:
1 Kon. 17,3 `Vertrek van hier en ga naar het oosten en houd u verborgen in het dal van de Kerit, die in de Jordaan uitmondt.
1 Kon. 17,4 Uit de beek kunt ge drinken en aan de raven heb Ik bevolen u daar van voedsel te voorzien.'
1 Kon. 17,5 Hij deed wat Jahwe gezegd had en ging wonen in het dal van de Kerit, die in de Jordaan uitmondt.
1 Kon. 17,6 De raven brachten hem 's morgens en 's avonds brood en vlees en hij dronk uit de beek.
1 Kon. 17,7 Maar na verloop van tijd droogde de beek uit, want het had op de aarde niet geregend.
1 Kon. 17,8 Toen kwam het woord van Jahwe tot hem:
1 Kon. 17,9 `Vertrek naar Sarefat, dat onder Sidon valt, en ga daar wonen; Ik heb daar een weduwe bevolen voor u te zorgen.'
1 Kon. 17,10 Hij vertrok dus naar Sarefat. Toen hij bij de stads poort kwam, was daar een weduwe hout aan het sprokkelen. Hij riep tot haar: `Wees zo goed en haal voor mij in deze kruik een beetje water; ik zou graag wat drinken.'
1 Kon. 17,11 Toen zij het ging halen riep hij haar na: `Wees zo goed en breng ook een stuk brood mee.'
1 Kon. 17,12 Zij antwoordde: `Zowaar Jahwe uw God leeft, ik heb geen brood meer; alleen nog maar een handvol meel in de pot en nog een beetje olie in de kruik. Ik sprokkel nu wat hout en ga dadelijk naar huis om voor mij en mijn zoon voor het laatst eten klaar te maken; daarna wacht ons de dood.'
1 Kon. 17,13 Elia antwoordde: `Vrees niet, ga naar huis en doe wat u van plan bent, maar maak van het meel en de olie eerst een broodje voor mij en breng mij dat; voor uzelf en uw zoon kunt u daarna zorgen.
1 Kon. 17,14 Want zo zegt Jahwe, de God van IsraŽl: De pot met meel raakt niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput totdat Jahwe het weer laat regenen.'
1 Kon. 17,15 Toen ging zij heen en deed wat Elia gezegd had, en dag aan dag hadden zij te eten, hij, zij en haar gezin.
1 Kon. 17,16 De pot met meel raakte niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput, volgens het woord dat Jahwe gesproken had door Elia.
1 Kon. 17,17 Enige tijd later werd de zoon van de vrouw des huizes ziek en zijn ziekte werd steeds erger, totdat alle leven uit hem geweken was. Toen zei de vrouw tot Elia:
1 Kon. 17,18 `Man Gods, hoe heb ik het nu met u? Hebt u bij mij uw intrek genomen om mijn zonden openbaar te maken door mijn zoon te doen sterven?'
1 Kon. 17,19 Hij antwoordde: `Geef uw zoon aan mij.' Hij nam het kind uit haar armen, bracht het naar de bovenkamer waar hij logeerde en legde het kind op zijn bed.
1 Kon. 17,20 Daarop riep hij Jahwe aan en zei: `Jahwe mijn God, brengt Gij zelfs over de weduwe bij wie ik te gast ben onheil door haar zoon te laten sterven?'
1 Kon. 17,21 Toen ging hij driemaal languit op het kind liggen. Daarbij riep hij Jahwe en zei: `Jahwe mijn God, laat toch de ziel in dit kind terugkeren.'
1 Kon. 17,22 En Jahwe gaf gehoor aan de bede van Elia: de ziel keerde terug in het kind en het leefde weer.
1 Kon. 17,23 Toen nam Elia het kind op, ging van de bovenkamer naar beneden, trad het huis binnen en gaf het kind aan de moeder. En Elia zei: `Zie, uw zoon leeft.'
1 Kon. 17,24 Daarop zei de vrouw tot Elia: `Nu weet ik zeker dat u een man Gods bent en dat Jahwe werkelijk door uw mond spreekt.'

1 Kon. 18,1 Geruime tijd later, in het derde jaar, kwam het woord van Jahwe tot Elia: `Ga en verschijn voor Achab. Ik wil het op de aardbodem weer laten regenen.'
1 Kon. 18,2 Elia ging dus op weg om voor Achab te verschijnen. De hongersnood in Samaria was intussen zeer hevig geworden.
1 Kon. 18,3 Daarom had Achab zijn hofmaarschalk Obadja ontboden. Obadja was een zeer godvruchtig man.
1 Kon. 18,4 Zo had hij, toen Izebel de profeten van Jahwe wilde uitroeien, honderd profeten onder zijn hoede genomen, ze in twee groepen van vijftig in grotten verborgen en ze van eten en drinken voorzien.
1 Kon. 18,5 Tot deze Obadja had Achab gezegd: `Laten wij alle bronnen en beken in het land afgaan; misschien vinden we voldoen de gras om de paarden en muildieren in het leven te houden en hoeven we de dieren niet af te maken.'
1 Kon. 18,6 Ze namen ieder een deel van het land voor hun rekening en doorkruisten het. Achab ging de ene kant uit en Obadja de andere kant.
1 Kon. 18,7 Terwijl Obadja onderweg was, kwam hij opeens Elia tegen. Hij herkende hem, wierp zich voor hem neer en zei: `Bent u het, heer Elia?'
1 Kon. 18,8 Elia antwoordde: `Ja, ga uw heer zeggen dat Elia er is.'
1 Kon. 18,9 Maar Obadja vroeg: `Wat heb ik u misdaan, dat u uw dienaar aan Achab wilt uitleveren op het gevaar af dat hij me doodt?
1 Kon. 18,10 Zowaar Jahwe leeft, er is geen volk of koninkrijk waar mijn heer Achab niet naar u heeft laten zoeken. Als men zei dat u er niet was, liet hij dat volk of koninkrijk zweren dat men u niet kon vinden.
1 Kon. 18,11 En nu zegt u: Ga uw heer zeggen dat Elia er is.
1 Kon. 18,12 Als ik van u wegga om het Achab te melden, dan kan de geest van Jahwe u wel opnemen, wie weet waarheen. Als Achab u dan niet kan vinden, vermoordt hij mij, terwijl uw dienaar nog wel van zijn jeugd af Jahwe vereerd heeft.
1 Kon. 18,13 Heeft men mijn heer soms niet verteld wat ik gedaan heb toen Izebel de profeten van Jahwe wilde vermoorden? Dat ik honderd profeten van Jahwe in twee groepen van vijftig in grotten verborgen heb gehouden en van eten en drinken heb voorzien?
1 Kon. 18,14 En nu zegt u: Ga uw heer zeggen dat Elia er is. Hij zal mij vermoorden.'
1 Kon. 18,15 Maar Elia verzekerde: `Zowaar Jahwe van de machten leeft, in wiens dienst ik sta: ik verschijn vandaag nog voor Achab.'
1 Kon. 18,16 Nu begaf Obadja zich naar Achab en bracht de boodschap over. En Achab ging Elia tegemoet.
1 Kon. 18,17 Zodra Achab Elia zag, riep hij: `Bent u dat, u die IsraŽl in het ongeluk stort?'
1 Kon. 18,18 Elia antwoordde: `Niet ik stort IsraŽl in het ongeluk, maar u en het huis van uw vader, want u hebt de geboden van Jahwe overtreden en de Bašls nagelopen.
1 Kon. 18,19 Laat heel IsraŽl bij mij op de berg Karmel bijeenroepen, met de vierhonderdvijftig profeten van Bašl en de vierhonderd profeten van Asjera, die van Izebels tafel eten.'
1 Kon. 18,20 Nu zond Achab een boodschap aan alle IsraŽlieten en liet alle profeten op de berg Karmel bijeenkomen.
1 Kon. 18,21 Elia verscheen voor heel het volk en vroeg: `Hoe lang blijft u nog op twee gedachten hinken? Als Jahwe God is, volgt Hem dan; is het Bašl, volgt dan Bašl.' Maar de mensen gaven hem geen antwoord.
1 Kon. 18,22 Toen zei Elia tot het volk: `Ik ben de enige profeet van Jahwe die overgebleven is; de profeten van Bašl zijn vierhonderdvijftig man sterk.
1 Kon. 18,23 Geeft ons twee stieren. Laten zij een van beide stieren uitkiezen, hem aan stukken houwen en op het hout leggen, maar ze mogen het hout niet aansteken. Dan zal ik de andere stier klaarmaken en op het hout leggen, en ook het hout niet aansteken.
1 Kon. 18,24 Roept dan de naam van uw god aan; ik zal de naam van Jahwe aanroepen; de God die door vuur antwoordt is de ware God!' En heel het volk riep: `Dat is goed.'
1 Kon. 18,25 Toen zei Elia tot de profeten van Bašl: `Begint u maar met het uitkiezen en klaarmaken van de stier, want u bent met velen. Roept dan de naam van uw god aan, maar u moogt geen vuur aansteken.'
1 Kon. 18,26 Zij namen dus de stier die hun gegeven werd, maakten hem klaar en riepen van de ochtend tot de middag de naam van Bašl aan: `Bašl, geef ons antwoord!' Maar er klonk geen geluid en er kwam geen antwoord, hoe zij ook sprongen rond het altaar dat zij gebouwd hadden.
1 Kon. 18,27 Toen het middag geworden was, riep Elia hun spottend toe: `Roept toch wat harder; hij is immers een god? Hij is zeker in gedachten verzonken of hij heeft zich afgezonderd of is op reis; misschien slaapt hij wel en moet hij gewekt worden.'
1 Kon. 18,28 Toen riepen ze nog harder en kerfden ze zich naar hun gewoonte met zwaarden en speren, tot het bloed langs hun lijf droop.
1 Kon. 18,29 Het middaguur verstreek, maar zij gingen er als razen den mee door tot de tijd van het avondoffer; maar er klonk geen antwoord; zij vonden geen gehoor.
1 Kon. 18,30 Nu zei Elia tot het volk: `Komt dichterbij.' En allen kwamen dichter bij hem staan. Toen richtte hij het altaar van Jahwe, dat omvergehaald was, weer op.
1 Kon. 18,31 Hij nam twaalf stenen, overeenkomstig het aantal stammen van de zonen van Jakob, tot wie Jahwe gezegd heeft: `IsraŽl zult gij heten.'
1 Kon. 18,32 Van die stenen bouwde hij een altaar voor Jahwe, maakte rondom het altaar een geul met een inhoud van twee schepel zaaikoren,
1 Kon. 18,33 stapelde de houtblokken op elkaar, hakte de stier in stukken en legde die op het hout.
1 Kon. 18,34 Toen zei hij: `Vult vier kruiken met water en giet die uit over het brandoffer en het hout.' Daarna zei hij: `Doet het nogmaals.' En toen ze het nogmaals gedaan hadden, zei hij: `Nu voor de derde keer.' Toen ze het voor de derde keer gedaan hadden,
1 Kon. 18,35 stroomde het water langs alle kanten van het altaar af; ook de geul liet hij met water vullen.
1 Kon. 18,36 Toen het uur van het avondoffer gekomen was, trad de profeet Elia naar voren en zei: `Jahwe, God van Abraham, Isaak en IsraŽl, toon heden dat Gij God zijt in IsraŽl en dat ik, uw dienaar, dit alles op uw bevel gedaan heb.
1 Kon. 18,37 Geef antwoord Jahwe, geef antwoord, opdat dit volk erkent dat Gij, Jahwe, de ware God zijt, en keer zo hun hart weer tot U.'
1 Kon. 18,38 Toen sloeg het vuur van Jahwe neer, verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en het stof; het likte zelfs het water in de geul op.
1 Kon. 18,39 Toen de mensen dit zagen, wierpen ze zich voorover op de grond en riepen: `Jahwe is de ware God! Jahwe is de ware God!'
1 Kon. 18,40 Daarop gaf Elia bevel: `Grijpt de profeten van Bašl; laat niemand van hen ontkomen.' Zij grepen hen en Elia liet ze naar de beek, de Kison brengen. Daar liet hij ze afslachten.
1 Kon. 18,41 Toen zei Elia tot Achab: `Ga nu eten en drinken, want ik hoor reeds het kletteren van de stortregen.'
1 Kon. 18,42 Terwijl Achab vertrok om te eten en te drinken, klom Elia naar de top van de Karmel, boog zich ter aarde en legde zijn hoofd tussen zijn knieŽn.
1 Kon. 18,43 Daarop zei hij tot zijn dienaar: `Ga nog wat hoger en kijk in de richting van de zee.' De dienaar ging naar boven en keek en zei: `Ik zie niets.' Daarop zei Elia: `Ga nog eens en nog eens, tot zevenmaal toe.'
1 Kon. 18,44 En bij de zevende maal zei de dienaar: `Ja, ik zie een kleine wolk uit zee opstijgen, zo groot als de palm van een hand.' Toen zei Elia: `Ga Achab zeggen dat hij inspant en weg rijdt, anders zal de stortregen het hem nog onmogelijk maken.'
1 Kon. 18,45 En geleidelijk aan werd de lucht zwart, de wind stak op en er viel een zwart stortregen. Achab steeg in zijn wagen en reed naar Jizreel.
1 Kon. 18,46 De hand van Jahwe kwam op Elia; deze trok zijn gordel strak om zijn lenden en snelde voor Achab uit tot Jizreel toe.

1 Kon. 19,1 Toen Achab aan Izebel meedeelde wat Elia allemaal gedaan had en hoe alle profeten met het zwaard had gedood,
1 Kon. 19,2 zond Izebel een bode naar Elia met de boodschap: `De goden mogen mij dit doen en nog erger als ik u niet binnen vierentwintig uur het lot van de profeten heb doen delen.'
1 Kon. 19,3 Toen hij dat vernomen had, trachtte hij zijn leven in veiligheid te stellen en vertrok naar Berseba, dat tot Juda behoort. Daar aangekomen liet hij zijn dienaar achter.
1 Kon. 19,4 Na een tocht van een dag in de woestijn kwam hij bij een bremstruik. Hij zette zich eronder neer. Hij verlangde te sterven en zei: `Het wordt mij te veel, Jahwe; laat mij sterven want ik ben niet beter dan mijn vaderen.'
1 Kon. 19,5 Daarop ging hij onder de bremstruik liggen en sliep in. Maar opeens stiet een engel hem aan en zei tot hem: `Sta op en eet.'
1 Kon. 19,6 Hij keek op en daar zag hij aan zijn hoofdeinde een koek, op gloeiende stenen gebakken, en een kruik water. Hij at en dronk en legde zich weer te ruste.
1 Kon. 19,7 Maar opnieuw, voor de tweede maal, stiet de engel van Jahwe hem aan en zei: `Sta op en eet; anders gaat de reis uw krachten te boven.'
1 Kon. 19,8 Toen stond hij op, at en dronk, en gesterkt door dat voedsel liep hij veertig dagen en nachten, tot hij de berg van God, de Horeb, bereikte.
1 Kon. 19,9 Daar ging hij een grot binnen en overnachtte er. Toen kwam het woord van Jahwe tot hem: `Wat doet gij hier, Elia?'
1 Kon. 19,10 Hij antwoordde: `Ik heb vurig geijverd voor Jahwe, de God van de legerscharen. De IsraŽlieten hebben uw verbond met voeten getreden, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood; ik alleen ben overgebleven en nu staan ze ook mij naar het leven.'
1 Kon. 19,11 Maar Jahwe zei: `Ga naar buiten en treed voor Jahwe op de berg.' Toen trok Jahwe voorbij. Voor Jahwe uit ging een zeer zware storm, die bergen deed splijten en rotsen verbrijzelde. Maar Jahwe was niet in de storm. Op de storm volgde een aardbeving. Maar ook in de aardbeving was Jahwe niet.
1 Kon. 19,12 Op de aardbeving volgde vuur. Maar ook in het vuur was Jahwe niet. Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries.
1 Kon. 19,13 Zodra Elia dit hoorde, bedekte hij zijn gezicht met zijn mantel, ging naar buiten en bleef staan aan de ingang van de grot. En toen klonk er een stem die hem vroeg: `Wat doet gij hier, Elia?'
1 Kon. 19,14 Hij antwoordde: `Ik heb vurig geijverd voor Jahwe, de God van uw verbond met voeten getreden, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood; ik alleen ben overgebleven en nu staan ze ook mij naar het leven.'
1 Kon. 19,15 Toen zei Jahwe tot hem: `Keer terug op uw schreden en ga door de woestijn naar Damascus; als ge daar gekomen zijt, moet ge HazaŽl zalven tot koning van Aram.
1 Kon. 19,16 Jehu, de zoon van Nimsi, moet ge zalven tot koning van IsraŽl, en Elisa, de zoon van Safat uit Abel-mechola, moet ge zalven tot uw opvolger als profeet.
1 Kon. 19,17 Wie dan ontkomt aan het zwaard van HazaŽl zal gedood worden door Jehu en wie ontkomt aan het zwaard van Jehu zal gedood worden door Elisa.
1 Kon. 19,18 Maar Ik behoud mij in IsraŽl een rest voor: zevenduizend man die hun knie niet gebogen hebben voor Bašl en wier mond niet heeft gekust.'
1 Kon. 19,19 Elia vertrok vandaar en trof Elisa, de zoon van Safat, terwijl die aan het ploegen was. Twaalf koppels ossen gingen voor hem uit; hijzelf bevond zich bij het twaalfde. Toen Elia langs kwam, wierp hij hem zijn mantel toe.
1 Kon. 19,20 Elisa liet de ossen in de steek, liep Elia achterna en zei: `Laat mij eerst afscheid nemen van mijn vader en moeder; dan zal ik u volgen.' Hij antwoordde hem: `Ga maar weer terug; heb ik u soms tot iets verplicht?'
1 Kon. 19,21 Hierop ging Elisa naar de ossen terug, nam zijn koppel, slachtte het, kookte het vlees op het hout van de jukken en gaf het aan het werkvolk te eten. Daarna vertrok hij, volgde Elia en werd zijn dienaar.

1 Kon. 20,1 Benhadad, de koning van Aram, had heel zijn legermacht op de been gebracht en was met tweeŽndertig koningen met paarden en wagens opgerukt om Samaria te belegeren. Tijdens het beleg
1 Kon. 20,2 zond hij boden naar de stad, naar Achab, de koning van IsraŽl,
1 Kon. 20,3 en liet hem zeggen: `Zo spreekt Benhadad: Uw zilver en uw goud, uw mooiste vrouwen en flinkste zonen behoren mij toe.'
1 Kon. 20,4 De koning van IsraŽl liet antwoorden: `Zoals u zegt, mijn heer de koning: ik en al het mijne behoren u toe.'
1 Kon. 20,5 Maar de boden kwamen terug en zeiden: `Zo spreekt Benhadad: Ik heb wel van u geŽist dat u mij uw zilver en uw goud, uw vrouwen en uw zonen zoudt geven,
1 Kon. 20,6 maar morgen om deze tijd zal ik mijn dienaren tot u zenden om uw huis en de huizen van uw dienaren te doorzoeken en alles wat u dierbaar is zullen zij zich toe-eigenen en meenemen.'
1 Kon. 20,7 Toen riep de koning van IsraŽl al de oudsten van het land bijeen en zei: `Nu kunt u duidelijk zien dat hij onze ondergang wil. Want toen hij mij liet weten dat hij mijn vrouwen en mijn zonen, mijn zilver en mijn goud eiste, heb ik dat niet geweigerd.'
1 Kon. 20,8 De oudsten met heel het volk zeiden tot hem: `Geef geen gehoor aan zijn eisen en willig ze niet in.'
1 Kon. 20,9 Daarom zei hij tot de boden van Benhadad: `Zeg tot mijn heer en koning: Alles wat u de eerste keer van uw dienaar geŽist hebt zal ik doen, maar dit kan ik niet doen.' Toen gingen de boden heen en brachten het antwoord over.
1 Kon. 20,10 Nu liet Benhadad hem zeggen: `De goden mogen mij dit doen en nog erger, als het stof van Samaria voldoende zal zijn om de holle hand te vullen van al het volk dat mij volgt.'
1 Kon. 20,11 Maar de koning van IsraŽl antwoordde: `Het spreekwoord zegt: men moet niet juichen voor men de strijdgordel afdoet.'
1 Kon. 20,12 Zodra Benhadad, die juist met de koningen onder een loofdak zat te drinken, dit antwoord vernam, gaf hij zijn dienaren bevel: `Neemt uw stellingen in.' En zij namen hun stellingen in tegenover de stad.
1 Kon. 20,13 Toen kwam er een profeet bij koning Achab van IsraŽl en zei: `Zo spreekt Jahwe: Ziet gij die geweldige menigte daar? Welnu, die lever Ik vandaag nog aan u over; dan zult gij weten dat Ik Jahwe ben.'
1 Kon. 20,14 Achab vroeg: `Door wie zal dit gebeuren?' De profeet antwoordde: `Zo spreekt Jahwe: Door de manschappen van de land voogden.' Toen vroeg Achab: `Wie moet de strijd openen?' En de profeet antwoordde: `U.'
1 Kon. 20,15 Nu inspecteerde Achab de manschappen van de landvoogden; het waren er tweehonderdtweeŽndertig. Daarna inspecteerde hij het gehele volk, al de IsraŽlieten; het waren er zevenduizend.
1 Kon. 20,16 Ze trokken de stad uit rond het middaguur, terwijl Benhadad zich onder een loofdak een roes dronk met de tweeŽndertig koningen die hem troepen leverden.
1 Kon. 20,17 Toen de manschappen van de landvoogden als eersten de stad uittrokken, meldden de wachtposten die Benhadad uitgezet had, dat een aantal mannen Samaria verlaten hadden.
1 Kon. 20,18 Hij zei: `Neemt ze levend gevangen onverschillig of ze komen om vrede te vragen of om te strijden.'
1 Kon. 20,19 Intussen waren de manschappen van de landvoogden de stad uitgetrokken, maar achter hen volgde het leger.
1 Kon. 20,20 Zij versloegen hun tegenstanders; de ArameeŽrs gingen op de vlucht en de IsraŽlieten zetten de achtervolging in. Maar Benhadad, de koning van Aram, ontkwam te paard met enkele ruiters.
1 Kon. 20,21 Toen trok de koning van IsraŽl de stad uit, vernietig de paarden en wagens en bracht Aram een grote nederlaag toe.
1 Kon. 20,22 Nu verscheen de profeet weer voor de koning van IsraŽl en zei: `Zorg voor versterkingen en overleg wat u te doen staat, want in het begin van het volgend jaar zal de koning van Aram weer tegen u oprukken.'
1 Kon. 20,23 De hovelingen van de koning van Aram zeiden tot hem: `De God van de IsraŽlieten is een berggod; daarom waren ze sterker dan wij. Als we evenwel de strijd met hen aanbinden in de vlakte, zullen wij zeker sterker zijn dan zij.
1 Kon. 20,24 Dit moet u doen: zet de koningen af en vervang ze door stadhouders.
1 Kon. 20,25 Verder moet u een leger aanwerven dat even groot is als dat wat u verloren hebt, met evenveel paarden en strijdwagens. Als we dan de strijd met de IsraŽlieten aanbinden in de vlakte, zullen wij zeker sterker zijn dan zij.' Hij luisterde naar hun raad en voerde die uit.
1 Kon. 20,26 Het jaar daarop inspecteerde Benhadad de ArameeŽrs en rukte op naar Afek om de strijd aan te binden met de IsraŽlieten.
1 Kon. 20,27 Ook de IsraŽlieten werden geÔnspecteerd en van levens middelen voorzien en ze trokken Benhadad tegemoet. Tegenover de ArameeŽrs, die wijd en zijd over het land gelegerd waren, leken de IsraŽlieten in hun kampementen wel een paar troepjes geiten.
1 Kon. 20,28 Toen verscheen de man Gods voor de koning van IsraŽl en zei: `Zo spreekt Jahwe: Omdat de ArameeŽrs gezegd hebben dat Jahwe een berggod is en niet een god van de vlakte, daarom lever Ik heel deze geweldige menigte aan u over; dan zult gij weten dat Ik Jahwe ben.'
1 Kon. 20,29 Zeven dagen lang lagen zij tegenover elkaar. Maar op de zevende dag kwam het tot een gevecht en versloegen de IsraŽlieten de ArameeŽrs, honderdduizend man voetvolk, op een dag.
1 Kon. 20,30 Wat overbleef vluchtte de stad Afek binnen, maar de stadsmuur stortte in en bedolf de zevenentwintigduizend man die overgebleven waren. Ook Benhadad was naar die stad gevlucht en liep van de ene schuilplaats naar de andere.
1 Kon. 20,31 Toen zeiden zijn hovelingen tot hem: 'Luister eens; wij hebben gehoord dat de koningen van IsraŽl genadige koningen zijn. Laten we dus een zak om de lenden doen en een touw om de hals en zo naar de koning van IsraŽl gaan; misschien zal hij uw leven sparen.'
1 Kon. 20,32 Ze bonden een zak om de lenden en deden een touw om de hals, begaven zich naar de koning van IsraŽl en zeiden: `Uw dienaar Benhadad vraagt: Spaar toch mijn leven!' De koning antwoordde: `Leeft hij nog? Hij is mijn broeder.'
1 Kon. 20,33 De mannen beschouwden dit als een gunstig teken; ze gingen op dit antwoord in en zeiden: `Ja, Benhadad is uw broeder.' Hij antwoordde: `Ga hem halen.' En toen Benhadad bij hem gekomen was, liet hij hem in zijn eigen wagen stappen.
1 Kon. 20,34 Benhadad zei toen tegen hem: `De steden die mijn vader van uw vader ontnomen heeft, geef ik terug; ook moogt u in Damascus een eigen markt vestigen, zoals mijn vader in Samaria gedaan heeft.' `Als u dit door een verbond wilt bevestigen, zei Achab, zal ik u laten gaan.' Hij sloot dus een verbond met hem en liet hem gaan.
1 Kon. 20,35 Maar nu zei iemand uit het profetengilde op bevel van Jahwe tot een medebroeder: `Geef me een klap.' Toen de man weigerde hem te slaan,
1 Kon. 20,36 zei hij tot hem: `Omdat u niet geluisterd hebt naar het bevel van Jahwe zult u, zodra u hier vandaan bent, door een leeuw geslagen worden.' En inderdaad, toen hij vertrokken was, kwam er een leeuw op hem af en sloeg hem neer.
1 Kon. 20,37 Daarna trof de profeet een andere man en zei: `Geef mij een klap.' En de man gaf hem zo'n hevige klap dat hij gewond werd.
1 Kon. 20,38 Toen ging de profeet heen en wachtte de koning langs de weg op; hij had zich onherkenbaar gemaakt door een band om zijn voorhoofd.
1 Kon. 20,39 Toen de koning langs kwam, riep hij hem jammerend toe: `Toen uw dienaar zich in het strijdgewoel begeven had, kwam er iemand op mij af met een gevangene en zei: Bewaak deze man; als hij ontsnapt kost het u uw leven of u betaalt een talent zilver.
1 Kon. 20,40 Maar uw dienaar liet zich afleiden door wat er rondom gebeurde en toen was de man opeens verdwenen.' De koning van IsraŽl zei tot hem: `U hebt zelf uw vonnis geveld.
1 Kon. 20,41 Nu deed hij vlug de band van zijn hoofd en herkende de koning hem als een profeet.
1 Kon. 20,42 En hij zei tot de koning: `Zo spreekt Jahwe: Omdat gij de man die onder mijn banvloek stond hebt vrijgelaten, zult gij er met uw leven en met uw volk voor boeten.'
1 Kon. 20,43 Toen ging de koning van IsraŽl naar huis, somber gestemd en toornig, en zo kwam hij in Samaria aan.

1 Kon. 21,1 Een tijd later gebeurde het volgende: Nabot de Jizreeliet bezat een wijngaard, gelegen te Jizreel, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria.
1 Kon. 21,2 Op een dag richtte Achab tot Nabot het verzoek: `Sta mij uw wijngaard af; dan maak ik er een moestuin van, want hij ligt vlak naast mijn paleis. Ik zal u er een betere wijngaard voor in de plaats geven, of als u dat liever hebt, zal ik hem voor geld kopen.'
1 Kon. 21,3 Maar Nabot zei tot Achab: `Jahwe beware mij ervoor dat ik het erfdeel van mijn vaderen aan u zou afstaan.'
1 Kon. 21,4 Toen ging Achab naar huis, somber gestemd en toornig vanwege het antwoord dat Nabot de Jizreeliet hem gegeven had: `Ik sta u het erfdeel van mijn vaderen niet af.' Hij ging op bed liggen, wendde zijn gezicht af en wilde niets eten.
1 Kon. 21,5 Daarop kwam zijn vrouw Izebel bij hem en vroeg: `Waarom ben je toch zo somber gestemd en wil je niets eten?'
1 Kon. 21,6 Hij antwoordde: `Ik heb Nabot de Jizreeliet verzocht mij zijn wijngaard te verkopen, of als hij dat liever had, tegen een andere te ruilen. Maar hij heeft mij geantwoord: Ik sta u mijn wijngaard niet af.'
1 Kon. 21,7 Toen zei zijn vrouw Izebel tot hem: `Ben jij nu de man die in IsraŽl de koningsmacht uitoefent? Sta op, eet wat, dan knap je weer op; ik zal zorgen dat je de wijngaard van Nabot de Jizreeliet krijgt.'
1 Kon. 21,8 Ze schreef een brief in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel en zond hem aan de oudsten en notabelen die in dezelfde stad woonden als Nabot.
1 Kon. 21,9 In die brief had ze geschreven: `Kondigt een vasten af en zet Nabot bij de vergadering van het volk vooraan.
1 Kon. 21,10 Laat dan een paar gemene kerels tegenover hem plaats nemen en hem beschuldigen van godslastering en majesteitsschennis. Voert hem dan buiten de stad en stenigt hem dood.'
1 Kon. 21,11 De medeburgers van Nabot, de oudsten en notabelen die in dezelfde stad woonden als hij, deden alles wat Izebel hun opgedragen had en wat geschreven stond in de brief die zij hun had gestuurd.
1 Kon. 21,12 Ze kondigden een vasten af en lieten Nabot bij de volksvergadering vooraan plaats nemen.
1 Kon. 21,13 Toen kwamen er twee gemene kerels, die tegenover Nabot gingen zitten en ten aanhoren van al het volk verklaarden: `Nabot heeft God en de koning vervloekt.' Zij voerden Nabot buiten de stad en stenigden hem dood.
1 Kon. 21,14 Toen berichtten ze Izebel: `Nabot is gestenigd; hij is dood.'
1 Kon. 21,15 Zodra Izebel vernam dat Nabot doodgestenigd was, zei ze tot Achab: `Sta op, neem bezit van de wijngaard van Nabot de Jizreeliet, die hij je niet wilde verkopen, want Nabot is niet meer in leven; hij is dood.'
1 Kon. 21,16 Zodra Achab hoorde dat Nabot dood was, begaf hij zich op weg om de wijngaard van Nabot de Jizreeliet in bezit te nemen.
1 Kon. 21,17 Maar nu kwam het woord van Jahwe tot Elia de Tisbiet:
1 Kon. 21,18 `Ga naar Achab, de koning van IsraŽl, die in Samaria woont; hij is naar de wijngaard van Nabot gegaan om hem in bezit te nemen.
1 Kon. 21,19 Zeg hem: Zo spreekt Jahwe: Komt gij na een moord het erfgoed in bezit nemen? Zeg hem dan: Zo spreekt Jahwe: Op de plaats waar de honden het bloed van Nabot opgelikt hebben zullen ze ook het uwe oplikken.'
1 Kon. 21,20 Toen zei Achab tot Elia: `Heeft mijn vijand mij weer gevonden?' Hij antwoordde: `Ja, dat heb ik, omdat u zich hebt laten gebruiken voor dat wat Jahwe mishaagt.
1 Kon. 21,21 Daarom ga Ik onheil over u brengen en vaag ik u weg. Al wat man is in het huis van Achab zal Ik van hoog tot laag uit IsraŽl verdelgen.
1 Kon. 21,22 Ik zal met uw huis hetzelfde doen als Ik gedaan heb met het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en met dat van BaŽsa, de zoon van Achia, omdat gij Mij getergd hebt en de IsraŽlieten tot zonden verleid.
1 Kon. 21,23 En over Izebel zegt Jahwe: De honden zullen Izebel verslinden bij de stadsmuur van Jizreel.
1 Kon. 21,24 Wie van het huis van Achab in de stad sterft, hem zullen de honden verslinden en wie op het land sterft, hem zullen de vogels van de hemel verslinden.'
1 Kon. 21,25 Nog nooit heeft iemand zich zo laten gebruiken om te doen wat Jahwe mishaagt als Achab, daar toe verleid door zijn vrouw Izebel.
1 Kon. 21,26 Hij heeft zich schandelijk gedragen door de afgoden te dienen, juist zoals de Amorieten dat gedaan hadden, die Jahwe voor de IsraŽlieten verjaagd heeft.
1 Kon. 21,27 Toen Achab deze woorden hoorde, scheurde hij zijn kleren, trok een boetekleed aan over zijn blote lijf en vastte; hij liep terneergeslagen rond en legde zich in het boetekleed te ruste.
1 Kon. 21,28 Daarom kwam het woord van Jahwe tot Elia de Tisbiet:
1 Kon. 21,29 `Hebt gij gezien hoe Achab zich voor Mij vernederde heeft? Omdat hij zich voor Mij vernederd heeft, zal Ik het onheil niet tijdens zijn leven op zijn huis doen neerkomen, maar tijdens het leven van zijn zoon.'

1 Kon. 22,1 Drie jaar lang bleef het rustig en was er geen oorlog tussen Aram en IsraŽl.
1 Kon. 22,2 In het derde jaar nu kwam koning Josafat van Juda op bezoek bij de koning van IsraŽl.
1 Kon. 22,3 De koning van IsraŽl zei tot zijn hovelingen: `U weet toch dat Ramot in Gilead van ons is? En wij doen maar niets om het op de koning van Aram te heroveren.'
1 Kon. 22,4 En hij stelde Josafat voor: `Wilt u met mij ten strijde trekken naar Ramot in Gilead?' Josafat antwoordde de koning van IsraŽl: `Een lot verbindt u en mij, uw volk en mijn volk, uw paarden en mijn paarden.'
1 Kon. 22,5 Maar hij vervolgde: `U moet toch eerst Jahwe raadplegen!'
1 Kon. 22,6 Toen riep de koning van IsraŽl de profeten bijeen, ongeveer vierhonderd man, en vroeg hun: `Moet ik gaan vechten om Ramot in Gilead, of moet ik ervan afzien?' Ze antwoordden: `Ga! De Heer levert het aan de koning over.'
1 Kon. 22,7 Maar Josafat vroeg: `Is hier geen profeet van Jahwe, door wie wij Jahwe kunnen raadplegen?'
1 Kon. 22,8 De koning van IsraŽl antwoordde Josafat: `Er is nog een man door wie we Jahwe kunnen raadplegen, maar ik heb een hekel aan hem, omdat hij me nooit iets goeds voorspelt, alleen maar onheil. Het is Michajehu, de zoon van Jimla.' Maar Josafat zei: `De koning moet zo niet spreken.'
1 Kon. 22,9 Toen riep de koning van IsraŽl een dienaar en zei: `Ga dadelijk Michajehu, de zoon van Jimla, halen.'
1 Kon. 22,10 Nu zaten de koning van IsraŽl en Josafat, de koning van Juda, in vol ornaat ieder op een troon op de dorsvloer bij de ingang van de poort van Samaria, terwijl alle profeten voor hen stonden te profeteren.
1 Kon. 22,11 Sidkia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren horens gemaakt en hij zei: `Zo spreekt Jahwe: Hiermee zult gij de ArameeŽrs neerstoten en verdelgen.'
1 Kon. 22,12 Alle andere profeten profeteerden in dezelfde geest en zeiden. `U moet naar Ramot in Gilead optrekken; uw veldtocht zal slagen, want Jahwe levert het aan de koning over.'
1 Kon. 22,13 De bode nu die Michajehu moest gaan halen zei tegen hem: `De profeten hebben de koning eenstemmig een gunstige voorspelling gedaan; laat uw woord overeenkomsten met het hunne en voorspel iets goeds.'
1 Kon. 22,14 Maar Michajehu antwoordde: `Zowaar Jahwe leeft: Ik zal slechts zeggen wat Jahwe mij opdraagt.'
1 Kon. 22,15 Toen hij bij de koning gekomen was, zei de koning tot hem: `Michajehu, moeten we gaan vechten om Ramot in Gilead of moeten wij ervan afzien?' Hij antwoordde: `Ruk op; uw veldtocht zal slagen; Jahwe levert het aan de koning over.'
1 Kon. 22,16 Maar de koning viel tegen hem uit: `Hoe vaak moet ik u bezweren me in de naam van Jahwe niets te zeggen dan de waarheid?'
1 Kon. 22,17 Toen zei Michajehu: `Ik zag heel IsraŽl verstrooid over de bergen als schapen zonder herder. En Jahwe sprak: Zij hebben geen heer; laat ieder in vrede naar huis terugkeren.'
1 Kon. 22,18 Toen zei de koning van IsraŽl tot Josafat: `Heb ik het u niet gezegd? Hij profeteert over mij nooit iets goeds, altijd maar onheil.'
1 Kon. 22,19 Michajehu antwoordde: `Luister dan naar het woord van Jahwe. Ik zag Jahwe, gezeten op zijn troon, en heel het heer des hemels links en rechts om Hem heen.
1 Kon. 22,20 Jahwe vroeg: Wie wil Achab misleiden, zodat hij oprukt naar Ramot in Gilead en daar sneuvelt? De een zei dit, de ander dat.
1 Kon. 22,21 Toen kwam er een geest voor Jahwe staan en zei: Ik zal hem misleiden. Jahwe vroeg hem: Hoe?
1 Kon. 22,22 Hij antwoordde: Ik ga erop uit en word een leugengeest in de mond van al zijn profeten. Toen zei Jahwe: Door hem te misleiden zult gij over hem zegevieren. Ga en doet het.
1 Kon. 22,23 Welnu, Jahwe heeft een leugengeest gelegd in de mond van al uw profeten, want Jahwe heeft tot uw ondergang besloten.'
1 Kon. 22,24 Toen kwam Sidkia, de zoon van Kenaana, naderbij. Hij gaf Michajehu een klap in het gezicht en zei: `Wat? Zou de geest van Jahwe mij verlaten hebben om te spreken tot u?'
1 Kon. 22,25 Michajehu antwoordde: `Dat zult u wel merken op de dag dat u van de ene schuilplaats naar de andere moet vluchten om u te verbergen.'
1 Kon. 22,26 Nu zei de koning van IsraŽl: `Neem Michajehu gevangen en stel hem onder toezicht van Amon, de stadscommandant, en van Joas, de zoon van de koning.
1 Kon. 22,27 U moet zeggen: De koning beveelt deze man in de gevangenis te zetten, op een karig rantsoen van brood en water, tot ik behouden ben teruggekeerd.'
1 Kon. 22,28 Toen zei Michajehu: `Als u behouden terugkeert, heeft Jahwe niet door mij gesproken.' Hij is de profeet die gezegd heeft: `Luistert, alle volken.'
1 Kon. 22,29 De koning van IsraŽl rukte dus met Josafat, de koning van Juda, op naar Ramot in Gilead.
1 Kon. 22,30 Maar de koning van IsraŽl zei tot Josafat: `Ik wil niet als koning gekleed de strijd ingaan; doet u het wel.' Hierop verkleedde zich de koning van IsraŽl en begaf zich in de strijd.
1 Kon. 22,31 Nu had de koning van Aram de tweeŽndertig bevelhebbers van zijn strijdwagens gelast: `Valt niemand anders aan dan alleen de koning van IsraŽl.'
1 Kon. 22,32 Toen de bevelhebbers van de wagens Josafat zagen, dachten ze: `Dat is zeker de koning van IsraŽl.' Ze gingen op hem af om hem aan te vallen. Maar Josafat hief zijn strijdkreet aan
1 Kon. 22,33 en toen de bevelhebbers van de wagens bemerkten dat hij de koning van IsraŽl niet was, zagen ze van de aanval af.
1 Kon. 22,34 Intussen richtte iemand op goed geluk zijn boog en trof de koning van IsraŽl tussen de voegen van zijn pantser. Toen zei de koning tot zijn wagenmenner: `Wend de teugel en breng mij van het slagveld, want ik ben gewond.'
1 Kon. 22,35 Maar juist op dat ogenblik laaide de strijd op en daarom hield men de koning tegenover de ArameeŽrs in zijn wagen overeind. 's avonds stierf hij. Het bloed uit de wonde was in de bak van de wagen gelopen.
1 Kon. 22,36 Terwijl de zon onderging klonk over het slagveld de kreet: `Ieder naar zijn stad, ieder naar zijn woonplaats.'
1 Kon. 22,37 De koning was dus gestorven en men keerde terug naar Samaria en begroef hem aldaar.
1 Kon. 22,38 Toen men de wagen schoon spoelde bij de vijver van Samaria, waar de hoeren zich wasten, likten honden het bloed op, naar het woord dat Jahwe gesproken had.
1 Kon. 22,39 Verdere bijzonderheden over Achab en over zijn daden, over het ivoren paleis dat hij liet bouwen en al de steden die hij versterkt heeft, staan opgetekend in de annalen van de koningen van IsraŽl.
1 Kon. 22,40 Achab ging bij zijn vader en te ruste en zijn zoon Achia volgde hem op.
1 Kon. 22,41 Josafat, de zoon van Asa, werd koning van Juda in het vierde regeringsjaar van Achab, de koning van IsraŽl.
1 Kon. 22,42 Josafat was vijfendertig jaar toen hij koning werd en regeerde vijfentwintig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Azuba en was een dochter van Silchi.
1 Kon. 22,43 Hij volgde in alles het voorbeeld van zijn vader Asa, zonder daarvan af te wijken, en deed wat Jahwe behaagt.
1 Kon. 22,44 Alleen liet hij de heiligdommen op de offerhoogten voortbestaan; het volk bleef nog altijd offeren en wierook branden op de offerhoogten.
1 Kon. 22,45 Josafat stond op goede voet met de koning van IsraŽl.
1 Kon. 22,46 Verdere bijzonderheden over Josafat, zijn krijgsver richtingen en oorlogen, staan opgetekend in de annalen van de koningen van Juda.
1 Kon. 22,47 De mannen die zich, ook na de tijd van zijn vader Asa, nog aan ontucht wijdden op de offerhoogten, verdreef hij uit het land.
1 Kon. 22,48 in Edom was er geen koning; de stadhouder van koning
1 Kon. 22,49 Josafat bouwde tien Tarsis-schepen die op Ofir moesten varen om goud te halen. Maar de schepen voeren niet uit; ze leden schipbreuk bij Esjon-geber.
1 Kon. 22,50 Toen stelde Achazja, de zoon van Achab, Josafat voor: `Laat onderdanen van mij samen niet de uwe de schepen bemannen.' Maar Josafat weigerde.
1 Kon. 22,51 Maar Josafat ging bij zijn vader te ruste en werd begraven in de stad van David, zijn vader. Zijn zoon Joram volgde hem op.
1 Kon. 22,52 Achazja, de zoon van Achab, werd koning van IsraŽl te Samaria in het zeventiende regeringsjaar van Josafat, de koning van Juda, en regeerde twee jaar over IsraŽl.
1 Kon. 22,53 Hij deed wat Jahwe mishaagt; hij volgde het voorbeeld van zijn vader en moeder en dat van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de IsraŽlieten tot zonde verleid had.
1 Kon. 22,54 Hij diende Bašl, boog zich voor hem neer en tergde Jahwe, de God van IsraŽl, juist zoals zijn vader het gedaan had.

<< 2 SamuŽl Index Oude Testament 2 Koningen >>