Start
Omhoog

1 MakkabeeŽn

 

<< Ester Index Oude Testament 2 MakkabeeŽn >>

 

1 MakkabeeŽn

1 Makk. 1,1 In die tijd ondernam de MacedoniŽr Alexander, de zoon van Filippus, vanuit het land van de KittiŽrs een veldtocht tegen Darius, de koning van de Perzen en de Meden. Hij ver sloeg hem en werd koning in zijn plaats, na eerst alleen over Griekenland te hebben geregeerd.
1 Makk. 1,2 Hij voerde tal van oorlogen, veroverde vestingen en doodde de koningen van de aarde;
1 Makk. 1,3 hij drong door tot aan de uiteinden der aarde en brandschatte vele volken: de aarde durfde zich tegen hem niet meer te verzetten. Hij werd overmoedig en in zijn trots
1 Makk. 1,4 bracht hij een buitengewoon sterk leger op de been; hij maakte zich meester van landen, volken en vorsten en ze werden hem schatplichtig.
1 Makk. 1,5 Daarna werd hij ziek. Toen hij zijn einde voelde naderen,
1 Makk. 1,6 ontbood hij zijn dienaren, de edelen die van jongsaf met hem waren opgevoed, en verdeelde nog bij zijn leven zijn rijk onder hen.
1 Makk. 1,7 Alexander stierf na twaalf jaar te hebben geregeerd.
1 Makk. 1,8 Na zijn dood namen zijn dienaren het bestuur van het gebied dat hun was toegewezen, in handen,
1 Makk. 1,9 en bonden zich de diadeem om het hoofd en hun zonen volgden hen op. Gedurende de vele jaren dat hun bewind duurde, brachten zij veel ellende over de aarde.
1 Makk. 1,10 Uit hun geslacht kwam een slecht mens voort, Antiochus Epifanes, de zoon van koning Antiochus, die in Rome gijzelaar geweest was. Hij werd koning in het honderdzevenendertigste jaar van de heerschappij van de Grieken.
1 Makk. 1,11 In die tijd kwam in IsraŽl een geslacht op, dat zich om de wet niet bekommerde en velen wist te winnen voor de gedachte een verbond te sluiten met de volken rondom.' Want,' zeiden ze,' sinds we ons van hen hebben afgescheiden, hebben ons vele rampen getroffen.'
1 Makk. 1,12 Overtuigd van de juistheid van deze redenering
1 Makk. 1,13 verklaarden enige mannen uit het volk zich bereid om naar de koning te gaan. Deze verleende hun volmacht om de levenswijze van de heidenen in te voeren.
1 Makk. 1,14 Zij richtten in Jeruzalem een atletiekschool op, zoals bij de heidenen gebruik was;
1 Makk. 1,15 zij lieten zich weer een voorhuid maken en braken met het heilig verbond; zij bukten zich onder het juk van de volken en boden zich aan om kwaad te doen.
1 Makk. 1,16 Toen Antiochus zijn heerschappij gevestigd zag, kwam in hem het verlangen op koning te worden van Egypte; dan zou hij de twee rijken regeren. 17 Hij trok dus met een talrijk leger, met strijdwagens en olifanten en met een grote vloot naar Egypte
1 Makk. 1,18 en viel Ptolemeus, de koning van Egypte, aan. PtolemeŁs werd door vrees bevangen en nam de vlucht, terwijl velen van zijn mannen sneuvelden.
1 Makk. 1,19 Antiochus veroverde de versterkte steden in Egypte en plunderde dat land.
1 Makk. 1,20 Na zijn overwinning op Egypte aanvaardde hij in het jaar honderddrieŽnveertig de terugtocht. Met een talrijk leger trok hij naar IsraŽl en ging naar Jeruzalem.
1 Makk. 1,21 Daar drong hij in overmoed het heiligdom binnen, legde beslag op het gouden reukofferaltaar, de luchter met alles wat er bij hoort, 22 de tafel van de toonbroden, de plengschalen, de bekers, de gouden wierookschalen, het voorhangsel, de kransen en de gouden versierselen aan de voorgevel van de tempel en haalde overal de goudlaag af.
1 Makk. 1,23 Hij nam het goud, het zilver, het kostbare vaatwerk en de verborgen schatten die hij kon vinden in beslag
1 Makk. 1,24 en nam alles mee naar zijn land. Voor hij vertrok richtte hij een bloedbad aan en braakte schaamteloze taal uit.
1 Makk. 1,25 In stad en land van IsraŽl heerste een grote verslagenheid: 26 Vorsten en oudsten zuchtten, maagden en jonge mannen kwijnden weg, de schoonheid der vrouwen verwelkte.
1 Makk. 1,27 De bruidegom hief een treurlied aan, de bruid rouwde in haar bruidsvertrek.
1 Makk. 1,28 Het land schokte van het verdriet van zijn bewoners, heel het huis van Jakob was met schaamte overdekt.
1 Makk. 1,29 Twee jaar later zond de koning de hoofdambtenaar, belast met het innen van de belastingen naar de steden van Juda. Met een sterk leger verscheen hij voor Jeruzalem
1 Makk. 1,30 en op sluwe wijze wist hij door vreedzame onderhandelingen het vertrouwen van de inwoners te winnen. Maar onverhoeds deed hij een aanval op de stad, trof haar zwaar en bracht veel IsraŽlieten om het leven.
1 Makk. 1,31 Hij plunderde de stad, stak haar in brand en liet de huizen en de stadsmuur omverhalen;
1 Makk. 1,32 vrouwen en kinderen werden gevangen weggevoerd en het vee werd in beslag genomen.
1 Makk. 1,33 De stad van David werd versterkt en voorzien van een grote, sterke muur met zware torens; ze werd een burcht
1 Makk. 1,34 waarin goddeloze soldaten en afvalligen zich verschansten.
1 Makk. 1,35 Zij sloegen er wapens en levensmiddelen op en brachten er in veiligheid wat ze in Jeruzalem buit maakten. Het was een geduchte valstrik, 36 een hinderlaag voor het heiligdom, een kwaadaardige belager, die IsraŽl steeds in het oog hield.
1 Makk. 1,37 Onschuldig bloed vergoten zij rond de tempel en zij ontwijdden de heilige plaats.
1 Makk. 1,38 Uit vrees voor hen namen de bewoners van Jeruzalem de vlucht en werd de stad een woonplaats van vreemdelingen; zo vervreemdde Jeruzalem van haar eigen kroost en lieten haar kinderen haar aan haar lot over.
1 Makk. 1,39 Haar tempel lag verlaten als de woestijn, haar feesten waren dagen van rouw geworden, met de sabbat werd de spot gedreven; vroeger vereerd, werd nu de tempel veracht.
1 Makk. 1,40 Haar ontluistering evenaarde haar oude glorie, haar heerlijkheid was in ellende verkeerd.
1 Makk. 1,41 Daarna vaardigde de koning voor heel zijn rijk het bevel uit dat allen een volk moesten worden
1 Makk. 1,42 en dat ieder zijn eigen gebruiken moest opgeven. Alle volken voegden zich naar het woord van de koning.
1 Makk. 1,43 Zelfs onder de IsraŽlieten waren er velen die gaarne de godsdienst van de koning aannamen, aan de afgoden offerden en de sabbat niet meer hielden. 44 Ook naar Jeruzalem en de steden van Juda zond de koning boden met het schriftelijk bevel dat de IsraŽlieten de uitheemse gebruiken moesten overnemen
1 Makk. 1,45 en ophouden met de brand -, slacht - en plengoffers in de tempel; dat ze sabbat en feestdagen moesten afschaffen
1 Makk. 1,46 en de tempel en de heilige personen ontwijden,
1 Makk. 1,47 dat ze altaren, tempels en kapellen moesten oprichten voor afgoden en varkens en andere onreine dieren offeren;
1 Makk. 1,48 dat ze hun zonen niet meer mochten besnijden, en zich moesten bezoedelen door allerlei onreine en onheilige praktijken,
1 Makk. 1,49 om aldus de wet te vergeten en haar voorschriften te ontkrachten.
1 Makk. 1,50 Alwie niet zou gehoorzamen aan het bevel van de koning, zou gedood worden.
1 Makk. 1,51 Soortgelijke bepalingen liet hij in heel zijn rijk afkondigen. Tegelijkertijd stelde hij over het volk beambten aan die erop moesten toezien dat er in elke stad van Juda offers werden opgedragen.
1 Makk. 1,52 Velen uit het volk richtten zich naar hun voor schriften en stoorden zich niet aan de wet. Zij stichtten zoveel kwaad in het land
1 Makk. 1,53 dat de goede IsraŽlieten gedwongen waren zich te gaan verbergen in alle mogelijke schuilplaatsen.
1 Makk. 1,54 De vijftiende Kislew van het honderdvijfenveertigste jaar liet de koning de gruwel der verwoesting bouwen op het brandofferaltaar; in de steden van Juda werden afgodsaltaren opgericht en
1 Makk. 1,55 voor de ingang der huizen en op de pleinen brandde men wierook.
1 Makk. 1,56 Alle schriftrollen die men kon opsporen, werden verscheurd en verbrand
1 Makk. 1,57 en degene bij wie men een boek van het verbond aantrof, of die de wet nog onderhield, werd volgens koninklijk besluit ter dood gebracht.
1 Makk. 1,58 De beambten deden de IsraŽlieten hun macht gevoelen door maandelijks in hun steden degenen terecht te stellen die op overtreding betrapt waren.
1 Makk. 1,59 De vijfentwintigste van de maand werd er een offer opgedragen op het afgodsaltaar dat op het brandofferaltaar stond.
1 Makk. 1,60 De vrouwen die hun kinderen hadden laten besnijden, werden volgens het voorschrift van de koning ter dood ge bracht,
1 Makk. 1,61 met de zuigelingen, vastgebonden aan de hals van hun moeder. Ook doodde men de familieleden en degenen die de besnijdenis hadden voltrokken. 62 Toch bleven vele IsraŽlieten standvastig en waren zij vastbesloten geen onreine spijzen te eten;
1 Makk. 1,63 zij wilden liever sterven dan zich met verboden spijzen te besmetten en het heilig verbond te schenden. Ze werden dan ook ter dood gebracht. 64 Zeer zwaar drukte Gods toorn op IsraŽl.

1 Makk. 2,1 In die tijd trok Mattatias, een zoon van Johannes en kleinzoon van Simeon, een priester uit het geslacht van Jojarib, weg uit Jeruzalem en vestigde zich in Modein.
1 Makk. 2,2 Hij had vijf zonen: Johannes, bijgenaamd Gaddi,
1 Makk. 2,3 Simeon, die Tassi genoemd werd,
1 Makk. 2,4 Judas, die Makkabai genoemd werd,
1 Makk. 2,5 Eleazar, die Avaran genoemd werd, en Jonatan die Affus genoemd werd.
1 Makk. 2,6 Bij het zien van de godslasterlijke dingen die in Juda en met name in Jeruzalem gebeurden,
1 Makk. 2,7 riep hij uit: 'Wee mij! Ben ik geboren om getuige te zijn van de vernietiging van mijn volk en de verwoesting van de heilige stad en machteloos te moeten toezien hoe de stad aan de vijanden is uitgeleverd en de tempel in de macht van vreemdelingen is?
1 Makk. 2,8 Jeruzalems tempel is als een man zonder aanzien,
1 Makk. 2,9 zijn prachtig vaatwerk is als buit weggevoerd. Jeruzalems kinderen zijn omgebracht op haar pleinen, haar jonge mannen door het zwaard van de vijand gedood.
1 Makk. 2,10 Is er een volk dat geen deel van haar koninkrijk heeft gekregen en dat zich niet aan haar bezit verrijkt heeft?
1 Makk. 2,11 Al haar sieraden zijn haar ontnomen, van vrije vrouw is zij slavin geworden.
1 Makk. 2,12 Zie eens hoe ons heiligdom, ons pronkjuweel, onze roem verlaten ligt, want de volken hebben het ontwijd.
1 Makk. 2,13 Waartoe leven we nog?'
1 Makk. 2,14 Mattatias en zijn zonen scheurden hun kleren stuk, hulden zich in zakken en gaven zich over aan bittere weeklach ten.
1 Makk. 2,15 Op zekere dag kwamen de koninklijke beambten die de bevolking tot afval van de wet moesten dwingen, ook in de stad Modein om er offers op te dragen.
1 Makk. 2,16 Veel IsraŽlieten gingen naar hen toe, maar Mattatias en zijn zonen hielden zich afzijdig.
1 Makk. 2,17 De koninklijke beambten richtten zich daarom tot Mattatias met deze woorden: 'U bent een man van gezag in deze stad; u geniet eer en aanzien en hebt de steun van zonen en broers.
1 Makk. 2,18 Treed dus als eerste naar voren om het bevel van de koning te volbrengen. Alle volken hebben er reeds gevolg aan gegeven en ook de JudeeŽrs, met name degenen die nog in Jeruzalem wonen. Doet u wat de koning vraagt, dan zullen u en uw zonen worden opgenomen onder de vrienden van de koning, dan zullen u en uw zonen geŽerd worden met goud, zilver en aller lei andere geschenken.'
1 Makk. 2,19 Hierop antwoordde Mattatias met luider stem: 'Al gehoorzamen ook alle volken in het rijk aan de koning, al valt iedereen van de godsdienst van zijn voorvaders af om zich te voegen naar zijn bevelen,
1 Makk. 2,20 ik, mijn zonen en mijn broers blijven trouw aan het voorvaderlijk verbond.
1 Makk. 2,21 Moge God ons ervoor behoeden de wet en haar geboden te verloochenen.
1 Makk. 2,22 Wij geven geen gehoor aan het bevel van de koning en zullen in geen enkel opzicht afwijken van hetgeen onze godsdienst ons gebiedt.'
1 Makk. 2,23 Nauwelijks had hij dat gezegd of voor aller ogen trad een jood naar voren om volgens het bevel van de koning op het afgodenaltaar van Modein te offeren.
1 Makk. 2,24 Toen Mattatias dat zag, ontstak hij in hevige woede en hij trilde van verontwaardiging; hij gaf de vrije loop aan zijn rechtmatige toorn, sprong vooruit en sneed de jood op het afgodsaltaar de keel af;
1 Makk. 2,25 daarna doodde hij ook de koninklijke beambte, die gekomen was om het volk tot offeren te dwingen, en vernielde het afgodsaltaar.
1 Makk. 2,26 Zo toonde hij zijn ijver voor de wet evenals Pinechas dat gedaan had met betrekking tot Zimri, de zoon van Sallum.
1 Makk. 2,27 Onmiddellijk trok Mattatias door de stad en riep met luider stem: 'Alwie zijn ijver voor de wet wil tonen en het opneemt voor het verbond, volge mij!'
1 Makk. 2,28 Hijzelf en zijn zonen lieten have en goed in de stad achter en vluchtten het gebergte in.
1 Makk. 2,29 In die tijd waren velen die rechtvaardig en volgens de wet wilden leven, uitgeweken naar de woestijn en daar hadden ze zich gevestigd
1 Makk. 2,30 met hun zonen, hun vrouwen en hun vee; de toestand was hun ondraaglijk geworden.
1 Makk. 2,31 Toen aan de koninklijke beambten en het garnizoen dat in Jeruzalem in de Davidstad lag, gemeld werd, dat lieden die zich van het bevel van de koning niets hadden aangetrokken naar de schuilplaatsen in de woestijn waren uitgeweken,
1 Makk. 2,32 trokken zij met een groot leger op hen af. Zij slaagden erin hun schuilplaats te bereiken en sloegen hun kamp tegenover hen op. Op de sabbat ging het leger van de koning tot de aanval over
1 Makk. 2,33 al roepend: 'Nu is het genoeg! Kom tevoorschijn en doe wat de koning beveelt, dan zullen jullie in leven blijven.'
1 Makk. 2,34 Maar de joden antwoordden: 'Wij komen niet tevoorschijn: wij zijn niet van plan om op bevel van de koning de sabbat te schenden.'
1 Makk. 2,35 Onmiddellijk ging men tot de aanval over.
1 Makk. 2,36 Maar de joden verweerden zich niet, slingerden geen stenen naar hen en sloten de toegang tot hun schuilplaats zelfs niet af.
1 Makk. 2,37 Zij riepen: 'Wij willen allen met een rein geweten de dood ingaan; hemel en aarde zijn onze getuigen dat jullie ons wederrechtelijk doden.'
1 Makk. 2,38 Het leger van de koning viel hen op de sabbat aan en ongeveer duizend personen, mannen, vrouwen en kinderen vonden met hun vee de dood.
1 Makk. 2,39 Toen Mattatias en zijn vrienden daarvan hoorden, bedreven zij luidkeels rouw over hen.
1 Makk. 2,40 Daarop zeiden ze tegen elkaar: 'Als wij allemaal doen zoals onze broeders en niet voor het behoud van ons leven en onze geboden de wapens opnemen tegen de heidenen, zullen ze ons al heel gauw van de aarde verdelgd hebben.'
1 Makk. 2,41 Nog diezelfde dag namen ze dit besluit: 'Als men ons op sabbat aanvalt, zullen wij ons weren om niet te sterven zoals onze broeders, die in hun eigen schuilplaatsen zijn omgekomen.'
1 Makk. 2,42 In die tijd sloot de partij van de ChasideeŽn zich bij hen aan; het waren strijdvaardige IsraŽlieten die met hart en ziel voor de wet opkwamen.
1 Makk. 2,43 Ook al degenen die ten gevolge van de ellendige toestand de vlucht namen, kwamen hun gelederen versterken.
1 Makk. 2,44 Zij vormden nu een leger en in hun toorn sloegen ze de zondaars neer en in hun woede degenen die zich om de wet niet bekommerden; de overigen wisten zich te redden door naar de heidenen te vluchten.
1 Makk. 2,45 Mattatias en zijn vrienden trokken door het land, vernielden de afgodsaltaren,
1 Makk. 2,46 lieten onbesneden kinderen, die ze in het gebied van IsraŽl aantroffen, desnoods met geweld besnijden,
1 Makk. 2,47 en verjoegen degenen die in hun grote overmoed een eind wilden maken aan de wet. Onder hun leiding kwam het verzet op gang;
1 Makk. 2,48 zij redden de wet uit de greep van de heidenen en hun koningen en ontnamen de zondaars hun macht.
1 Makk. 2,49 Toen de laatste dagen van Mattatias gekomen waren, zei hij tegen zijn zonen: 'Wij leven in een tijd waarin men de wet vermetel veracht, maar ook in een tijd van bestraffing, in een tijd van rampspoed en hevige toorn.
1 Makk. 2,50 Nu is het de tijd, mijn zonen, om uw ijver voor de wet te tonen en uw leven te geven voor het verbond van onze voorvaderen.
1 Makk. 2,51 Denk aan wat onze voorvaderen geslacht na geslacht hebben gedaan, dan zullen ook jullie grote roem verwerven en een onsterfelijke naam.
1 Makk. 2,52 Is Abrahams trouw niet gebleken toen hij beproefd werd en rekende God hem dat niet als gerechtigheid aan?
1 Makk. 2,53 Jozef hield zich aan zijn opdracht, ook toen hij in het nauw gebracht werd en hij werd heer van Egypte.
1 Makk. 2,54 Pinechas, onze vader, heeft zijn ijver getoond voor de wet en daarom werd hem het priesterschap voor eeuwig toegewezen.
1 Makk. 2,55 Jozua vervulde zijn opdracht en daarom werd hij rechter over IsraŽl.
1 Makk. 2,56 Kaleb heeft moedig getuigd voor het vergaderde volk en daarom kreeg hij bezit in het land.
1 Makk. 2,57 Om zijn godvrezendheid verkreeg David voor altijd het koningstroon.
1 Makk. 2,58 Elia heeft zijn ijver getoond voor de wet en daarom werd hij opgenomen in de hemel.
1 Makk. 2,59 Chananja, Azarja en MisaŽl stelden hun vertrouwen op God en daarom zijn ze voor de vuurdood behoed.
1 Makk. 2,60 DaniŽl werd om zijn rein geweten gered uit de muil van de leeuwen.
1 Makk. 2,61 Zo kunnen jullie nagaan van geslacht tot geslacht dat allen die op God vertrouwen niet bezwijken.
1 Makk. 2,62 Weest dus niet bang voor het dreigen van de zondaar, zijn glorie gaat immers naar de mesthoop en de wormen;
1 Makk. 2,63 is hij vandaag nog hoog verheven, morgen is hij verdwenen; teruggekeerd tot het stof waaruit hij voortgekomen is en met zijn plannen is het gedaan.
1 Makk. 2,64 Kinderen, weest mannen en staat pal voor de wet, want daardoor zullen jullie glorie verwerven.
1 Makk. 2,65 Van jullie broer Simeon weet ik dat hij een goed raadsman is: luistert steeds naar hem, hij zal jullie vader zijn.
1 Makk. 2,66 Judas de MakkabeeŽr is van jongsaf een dapper krijger geweest: hij zal jullie legeraanvoerder zijn en de oorlog tegen de heidenen leiden.
1 Makk. 2,67 Jullie moeten al degenen die de wet onderhouden rond jullie verzamelen, dan kunnen jullie ons volk wreken
1 Makk. 2,68 en de heidenen vergelden wat ze ons hebben aangedaan. Houdt je aan de voorschriften van de wet.'
1 Makk. 2,69 Na zijn zonen gezegend te hebben werd Mattatias met zijn voorvaderen verenigd.
1 Makk. 2,70 Hij stierf in het honderdzevenenveertigste jaar en werd begraven in het familiegraf in Modein. Heel IsraŽl treurde in diepe rouw over zijn dood.

1 Makk. 3,1 Judas die Makkabai genoemd wordt, nam de plaats van zijn vader in;
1 Makk. 3,2 al zijn broers en al degenen die zich bij zijn vader hadden aangesloten, boden hem hulp en geestdriftig streden ze voor IsraŽl.
1 Makk. 3,3 Hij heeft zijn volk alom beroemd gemaakt. Als een reus bekleed met het borstpantser, omgord met zijn wapens, wierp hij zich in de strijd en verdedigde het kamp met zijn zwaard.
1 Makk. 3,4 Hij vocht als een leeuw, als een leeuwenwelp die zich brullend op zijn prooi stort.
1 Makk. 3,5 Die zich om de wet niet bekommerden spoorde hij op en joeg hij na, die zijn volk in verwarring brachten gaf hij aan de vlammen prijs;
1 Makk. 3,6 voor hem krompen ze van schrik ineen en de bewerkers van het kwaad werden met ontzetting geslagen. Onder zijn leiding werd de weg gebaand naar de bevrijding.
1 Makk. 3,7 Door zijn krijgsverrichtingen bezorgde hij tal van koningen bittere teleurstellingen, maar voor Jakob was hij een bron van vreugde. Zijn gedachtenis blijft eeuwig in ere.
1 Makk. 3,8 Hij trok door de steden van Juda om er de goddelozen te verdelgen; zo wendde hij Gods toorn van IsraŽl af.
1 Makk. 3,9 Beroemd werd zijn naam tot de grenzen der aarde; die verloren dreigden te gaan heeft hij weer bijeen gebracht.
1 Makk. 3,10 Apollonius had uit de omliggende volken een leger bijeengebracht, waaronder een aanzienlijk contingent uit Samaria, om met IsraŽl de strijd aan te binden.
1 Makk. 3,11 Toen Judas dat hoorde, trok hij hem tegemoet, versloeg hem en doodde hem. Velen van Apollonius' soldaten sneuvelden, de rest nam de vlucht.
1 Makk. 3,12 De joden maakten hun wapens buit; Judas nam het zwaard van Apollonius; voortaan streed hij met dat zwaard.
1 Makk. 3,13 Toen Seron, de bevelhebber van het leger van SyriŽ, vernam dat Judas een massa lieden om zich had verzameld, waaronder een groep wetsgetrouwen alsook strijdbare mannen,
1 Makk. 3,14 zei hij bij zichzelf: 'Dit is mijn kans om naam te maken en beroemd te worden in het koninkrijk: ik ga strijden tegen Judas en zijn aanhang, die het bevel van de koning naast zich neerleggen.'
1 Makk. 3,15 Zo rukte ook hij op met een sterk leger van goddelozen, die hem wilden helpen om de IsraŽlieten af te straffen.
1 Makk. 3,16 Op het ogenblik dat hij bij de steile weg naar Bet-choron was gekomen, trok Judas hem met een kleine groep tegemoet.
1 Makk. 3,17 Bij het zien van het leger dat op hen afkwam, zeiden Judas' soldaten tegen hem: 'Hoe kunnen wij met ons kleine aantal de strijd aanbinden met zo'n groot en sterk leger? Daar komt nog bij dat wij ons slap voelen omdat we vandaag nog niet gegeten hebben.'
1 Makk. 3,18 Judas antwoordde daarop: 'Een groot leger kan gemakkelijk in handen vallen van een klein leger: voor de hemel maakt het geen verschil of Hij redding moet brengen door velen of door weinigen.
1 Makk. 3,19 In de oorlog hangt de overwinning niet af van de grootte van het leger, maar van de hulp van boven.
1 Makk. 3,20 Vol overmoed en haat tegen de wet komen zij op ons af om ons en onze vrouwen en kinderen om te brengen en ons uit te plunderen;
1 Makk. 3,21 maar wij, wij strijden voor ons leven en onze heilige gebruiken.
1 Makk. 3,22 Hij zal ze voor onze ogen verpletteren. Weest dus niet bang voor hen.'
1 Makk. 3,23 Nauwelijks had hij dat gezegd of plotseling stormde hij op de vijand los. Seron werd met zijn leger onder hun slagen verpletterd.
1 Makk. 3,24 Zij achtervolgden hem over de steile weg van Bet-choron tot aan de vlakte; van de vijand sneuvelden er ongeveer achthonderd man, de rest vluchtte naar het land der Filistijnen.
1 Makk. 3,25 Van nu af begon men de kracht van Judas en zijn broers te duchten en angst voor hen maakte zich meester van de volken rondom.
1 Makk. 3,26 Zelfs de koning hoorde van hem en de hele wereld sprak over zijn gevechten.
1 Makk. 3,27 Bij het horen van deze gebeurtenissen ontstak koning Antiochus in toorn en gaf bevel al de legers van zijn rijk te verenigen in een ontzettend groot leger.
1 Makk. 3,28 Hij opende zijn schatkist, betaalde zijn troepen een jaar soldij vooruit en wees ze erop dat ze op alles voorbereid moesten zijn.
1 Makk. 3,29 Toen hij merkte dat het geld in de schatkist opraak te en de inkomsten uit de belasting in zijn gebied geslonken waren, als gevolg van de rampzalige opstanden die hij had uitgelokt door in het land de eeuwenoude gewoonten af te schaffen,
1 Makk. 3,30 vreesde hij, zoals reeds meer dan eens was voorgekomen, niet in staat te zijn zijn uitgaven te bestrijden, laat staan schenkingen te doen, wat hij tot dan toe met kwistige hand en rijkelijker dan de vroegere koningen gedaan had.
1 Makk. 3,31 Ten einde raad besloot hij naar PerziŽ te gaan om de belastingen van die gebieden te innen en veel geld bijeen te brengen.
1 Makk. 3,32 De behartiging van 's konings aangelegenheden en in de landen gelegen tussen de Eufraat en de grens van Egypte liet hij over aan Lysias, een man van aanzien en van koninklijke bloede.
1 Makk. 3,33 Hij belastte hem tot zijn terugkeer ook met de opvoeding van zijn zoon Antiochus.
1 Makk. 3,34 Hij vertrouwde hem de helft van zijn legers toe alsmede de olifanten. Hij droeg hem op ervoor te zorgen dat al wat hij wilde uitgevoerd werd; met name moest hij naar Judea en Jeruzalem
1 Makk. 3,35 een leger sturen om de weerstand van IsraŽl te breken en wat er aan joden in Jeruzalem nog woonde uit te roeien, de herinnering aan hen in die stad uit te wissen,
1 Makk. 3,36 hun gebied met vreemdelingen te bevolken en hun land onder dezen te verdelen.
1 Makk. 3,37 In het jaar honderdzevenenveertig vertrok de koning met de andere helft van zijn legers vanuit zijn residentie AntiochiŽ, stak de Eufraat over en trok door de hoger gelegen gebieden.
1 Makk. 3,38 Onder de vrienden van de koning wees Lysias enkele dappere mannen aan, Ptolemeus, de zoon van Dorymenes, Nikanor en Gorgias,
1 Makk. 3,39 en zond hen met veertigduizend man voetvolk en zevenduizend ruiters naar het land van Juda om het volgens het bevel van de koning te verwoesten.
1 Makk. 3,40 Met heel die legermacht gingen ze dus op weg en in Judea aangekomen sloegen ze hun kamp op in de vlakte bij EmmaŁs.
1 Makk. 3,41 Toen de kooplui uit de streek het nieuws ter ore kwam, begaven zij zich met zeer veel zilver en goud alsmede boeien naar het kamp om de IsraŽlieten als slaven op te kopen. Bij het Syrische leger sloten zich ook troepen uit Idumea en uit het land der Filistijnen aan.
1 Makk. 3,42 Judas en zijn broers beseften dat de toestand zeer verslechterd was, nu de legers reeds in hun gebied lagen en, naar zij te weten waren gekomen, de koning bevel had gegeven hun volk geheel en al uit te roeien.
1 Makk. 3,43 Daarom zeiden ze tegen elkaar: 'Wij moeten ons verzetten tegen de vernietiging van ons volk en strijden voor ons volk en de tempel.'
1 Makk. 3,44 Het volk werd bijeengeroepen om zich klaar te maken voor de strijd en om te bidden en een beroep te doen op Gods medelijden en barmhartigheid.
1 Makk. 3,45 Jeruzalem lag verlaten als een woestijn: geen van haar kinderen ging er in of uit; de tempel was geschonden, vreemdelingen lagen in haar burcht, ze was een herberg geworden voor de heidenen. De vreugde was uit Jakob verdwenen, fluit en citer waren verstomd.
1 Makk. 3,46 Het volk kwam bijeen in Mispa, tegenover Jeruzalem gelegen, omdat er vroeger in Mispa een bedeplaats voor IsraŽl was geweest.
1 Makk. 3,47 Zij vastten die dag, hulden zich in zakken, strooi den as op hun hoofd en scheurden hun kleren.
1 Makk. 3,48 Daarna rolden ze het boek van de wet open met hetzelfde doel als waarom de heidenen hun afgodsbeeld en ondervragen.
1 Makk. 3,49 Zij hadden de priesterlijke gewaden, de eerstelingen en de tienden meegebracht en de NazireeŽrs opgeroepen wier tijd verstreken was.
1 Makk. 3,50 Zij riepen met luider stem naar de hemel: 'Wat moeten wij hiermee doen, waar moeten wij ze heenbrengen?
1 Makk. 3,51 Uw tempel is geschonden en ontwijd, uw priesters zijn vernederd en treuren.
1 Makk. 3,52 En nu hebben de heidenen zich aaneengesloten om ons te verdelgen. Gij weet wat ze tegen ons in het schild voeren.
1 Makk. 3,53 Hoe kunnen wij tegen hen stand houden, als Gij ons niet helpt?'
1 Makk. 3,54 Toen bliezen ze op de trompetten en stieten luide kreten uit.
1 Makk. 3,55 Daarna stelde Judas aanvoerders aan over het volk, aanvoerders over duizend man, over honderd, vijftig en tien man.
1 Makk. 3,56 In overeenstemming met de bepalingen van de wet gaf Judas aan degenen die een huis bouwden, of pas gehuwd waren, of een wijngaard hadden geplant, en aan degenen die bang waren, verlof om naar huis terug te keren.
1 Makk. 3,57 Daarna brak het leger op en sloeg het kamp op ten zuiden van EmmaŁs.
1 Makk. 3,58 Toen zei Judas: 'Rust u toe voor de strijd en weest dapper. Morgenvroeg moeten jullie klaar staan om de strijd aan te binden met deze heidenen, die zich aaneengesloten hebben om ons uit te roeien en onze tempel te verwoesten.
1 Makk. 3,59 Het is beter voor ons op het slagveld te sterven dan getuigen te moeten zijn van de ellende van ons volk en van de tempel.
1 Makk. 3,60 Maar wat in de hemel besloten is, dat zal geschieden.'

1 Makk. 4,1 's Nachts brak Gorgias met vijfduizend man voetvolk en duizend uitgelezen ruiters op
1 Makk. 4,2 om het kamp van de joden te overvallen en ze onverhoeds neer te slaan. Mannen uit de burcht dienden hun tot gids.
1 Makk. 4,3 Zodra Judas dat vernam, brak ook hij met zijn dappere mannen op om het leger van de koning, dat in EmmaŁs lag, te verslaan
1 Makk. 4,4 nog voordat het in slagorde opgesteld was.
1 Makk. 4,5 Toen Gorgias's nachts bij het kamp van Judas kwam, trof hij er niemand aan. Overtuigd dat de joden voor hem gevlucht waren, ging hij naar hen op zoek in de bergen.
1 Makk. 4,6 Bij het aanbreken van de dag verscheen Judas met drieduizend man in de vlakte. Terwijl ze zelf niet beschikten over de verdedigingswapens en zwaarden die ze wensten,
1 Makk. 4,7 zagen ze dat het kamp van de heidenen zwaar verschanst was, en omringd door de ruiterij, bestaande uit geschoolde soldaten.
1 Makk. 4,8 Daarom zei Judas tot zijn mannen: 'Weest niet bang voor hun aantal en laat je niet uit het veld slaan als ze de aanval inzetten.
1 Makk. 4,9 Denkt eraan hoe onze vaderen bij de Rode Zee werden gered, toen Farao hen met een leger achtervolgde.
1 Makk. 4,10 Laten we nu de hemel aanroepen, opdat Hij ons gunstig gezind zij, het verbond met onze vaderen gedenkt en dit leger vandaag nog voor onze ogen verplettert.
1 Makk. 4,11 Dan zullen alle volken weten, dat er iemand is die IsraŽl verlost en bevrijdt.'
1 Makk. 4,12 Toen de vreemdelingen de joden op hen zagen afkomen
1 Makk. 4,13 trokken zij het kamp uit om de strijd aan te binden. De mannen van Judas bliezen op de trompetten
1 Makk. 4,14 en vielen aan. De heidenen werden verslagen en namen de vlucht naar de vlakte;
1 Makk. 4,15 maar degenen die niet zo snel konden wegkomen, vielen allen onder het zwaard van de joden, die hen achter volgden tot Gezer en de vlakten van Idumea, Azotus en Jamnia. Van de heidenen sneuvelden ongeveer drieduizend man.
1 Makk. 4,16 Toen Judas met zijn leger van de achtervolging terugkeerde,
1 Makk. 4,17 zei hij tot het volk: 'Werp je niet op de buit, want er staat nog een strijd te wachten:
1 Makk. 4,18 Gorgias bevindt zich met zijn leger niet ver van ons in de bergen. Bied nu het hoofd aan onze vijanden en strijd tegen hen, daarna kunnen jullie je in alle gerustheid van de buit meester maken.'
1 Makk. 4,19 Judas had dit nog niet gezegd of daar verscheen een legerafdeling, die vanuit het gebergte het terrein verkende.
1 Makk. 4,20 Dezen ontdekten dat hun makkers op de vlucht waren gedreven en dat het kamp in brand gestoken was, want uit de rook die men waarnam bleek duidelijk wat er was voorgevallen.
1 Makk. 4,21 Bij deze ontdekking ontstelden ze hevig en toen ze bovendien bemerkten, dat het leger van Judas in de vlakte klaar stond voor de aanval,
1 Makk. 4,22 namen ze allen de vlucht naar het land van de Filistijnen.
1 Makk. 4,23 Daarop ging Judas over tot de plundering van het kamp; men maakte veel goud en zilver buit, paars - en echt roodpurperen stoffen en andere zeer kostbare dingen.
1 Makk. 4,24 Op hun terugtocht zongen ze de hemel het lof - en danklied toe: 'Hij is goed en eeuwig duurt zijn barmhartigheid.'
1 Makk. 4,25 Die dag is IsraŽl op een grootse wijze gered.
1 Makk. 4,26 De vreemdelingen die ontkomen waren, gingen Lysias al het gebeurde melden.
1 Makk. 4,27 Bij het horen hiervan raakte hij van zijn stuk en werd hij moedeloos, omdat het met IsraŽl niet gegaan was, zoals hij het had gewild en er niets was terechtgekomen van wat de koning hem had opgedragen.
1 Makk. 4,28 Het jaar daarop wierf hij een leger aan van zestig duizend uitgelezen infanteristen en vijfduizend ruiters om met de joden voor goed af te rekenen.
1 Makk. 4,29 Dat leger trok naar Idumea en sloeg het kamp op bij Bet-sur. Judas trok hun met tienduizend man tegemoet.
1 Makk. 4,30 Toen hij zag hoe sterk het leger was, bad hij: 'Geloofd zijt Gij, redder van IsraŽl, Gij die door uw dienaar David de aanval van de reus hebt gebroken en het leger van de Filistijnen hebt overgeleverd aan Jonatan, de zoon van Saul, en aan zijn wapendrager.
1 Makk. 4,31 Laat ook dit leger in handen vallen van uw volk IsraŽl en laat ze beschaamd staan over hun voetvolk en ruiters.
1 Makk. 4,32 Zaai paniek onder hen, schok het vertrouwen dat zij in hun kracht stellen en laat ze de nederlaag lijden zo dat ze de moed opgeven.
1 Makk. 4,33 Vel ze neer met het zwaard van hen die U liefhebben. Dan zullen allen die uw naam kennen, U met lofzangen prijzen.'
1 Makk. 4,34 Daarop raakten de legers slaags; in het handgemeen vielen er aan de kant van Lysias ongeveer vijfduizend man.
1 Makk. 4,35 Toen Lysias zag dat zijn troepen in slagorde het dreigden te begeven, terwijl die van Judas zelfvertrouwen hadden gekregen en vastbesloten waren te leven of eervol te sterven, trok hij af en ging naar AntiochiŽ terug. Hij wierf troepen aan om met een nog sterker leger opnieuw Judea binnen te vallen.
1 Makk. 4,36 Nu zeiden Judas en zijn broers: 'Onze vijanden zijn verslagen: laten we dus optrekken om de tempel te zuiveren en wederom in te wijden.'
1 Makk. 4,37 Heel het leger verzamelde zich en trok op naar de berg Sion.
1 Makk. 4,38 Toen ze de verlatenheid van de tempel zagen met het ontwijde brandofferaltaar, met de door brand verwoeste poorten, met het struikgewas in de voorhoven even dicht als in een bos of op een berg, met de vernielde zalen,
1 Makk. 4,39 scheurden ze hun kleren, hieven een luide weeklacht aan, bestrooiden zich met as
1 Makk. 4,40 en wierpen zich plat ter aarde; en op het signaal van de trompetten riepen ze luide ten hemel.
1 Makk. 4,41 Vervolgens wees Judas mannen aan, die de bezetting van de burcht in bedwang moesten houden zolang de reiniging van de tempel duurde.
1 Makk. 4,42 Verder koos hij priesters uit van onbesproken gedrag, die trouw waren aan de wet,
1 Makk. 4,43 om het heiligdom te zuiveren en de stenen die het ontwijd hadden, naar een onreine plaats af te voeren.
1 Makk. 4,44 Overleggend wat ze met het ontwijde brandofferaltaar moesten doen,
1 Makk. 4,45 kwamen ze op de goede gedachte het af te breken; dan zou dat altaar dat door de heidenen was ontwijd, nooit een reden kunnen zijn om met de joden de spot te drijven. Ze braken het dus af,
1 Makk. 4,46 maar legden de stenen op een passende plaats op de tempelberg in afwachting van het optreden van een profeet die daarover een uitspraak zou doen.
1 Makk. 4,47 Daarna bouwden ze van ongehouwen stenen, zoals de wet dat voorschrijft, een nieuw altaar naar het model van het vorige.
1 Makk. 4,48 Zij herstelden de tempel en het inwendige van het tempelhuis en zuiverden de voorhoven.
1 Makk. 4,49 Zij vervaardigden nieuwe heilige vaten en plaatsten de luchter, het reukofferaltaar en de tafel voor de toonbroden in de tempel.
1 Makk. 4,50 Daarna brandden ze wierook op het reukofferaltaar en ontstaken de lampen op de luchter om de tempel te verlichten,
1 Makk. 4,51 plaatsten de broden op de tafel en hingen de gordijnen op; daarmee was het werk dat ze ondernomen hadden, voltooid.
1 Makk. 4,52 In de vroege morgen van de vijfentwintigste van de negende maand, dus de maand Kislew, van het jaar honderdachtenveertig
1 Makk. 4,53 droegen ze volgens de voorschriften van de wet op het nieuwe brandofferaltaar dat ze hadden gebouwd, een offer op.
1 Makk. 4,54 Op dezelfde tijd en op dezelfde dag waarop de volken het altaar hadden ontwijd, werd het onder het zingen van lofliederen, begeleid met citers, lieren en cimbalen, weer ingewijd.
1 Makk. 4,55 Al het volk wierp zich in aanbidding ter aarde neer en loofde de hemel die hun ondernemingen had doen slagen.
1 Makk. 4,56 Acht dagen lang vierden zij het feest van de altaar wijding, waarbij ze vol vreugde brandoffers opdroegen, alsmede lof - en dankoffers.
1 Makk. 4,57 Zij versierden de voorgevel van de tempel het gouden kransen en schilden, herstelden de poorten en de zalen en plaatsten nieuwe deuren.
1 Makk. 4,58 Er heerste een zeer grote vreugde onder het volk omdat de smaad, hun door de heidenen aangedaan, was weggenomen.
1 Makk. 4,59 In overleg met zijn broers en geheel de volksvergadering van IsraŽl bepaalden Judas, dat ze, zolang ze leefden, het feest van de altaarwijding jaarlijks acht dagen lang, te beginnen op de vijfentwintingste van de maand Kislew, in vreugde en blijdschap zouden vieren.
1 Makk. 4,60 In diezelfde tijd versterkten ze ook de berg Sion met een hoge ringmuur en zware torens, om te verhinderen dat de heidenen de heilige plaats nog eens zouden onteren;
1 Makk. 4,61 ter bewaking plaatste Judas er een garnizoen. Bovendien versterkte hij Bet-sur, opdat het volk een vesting zou hebben aan de grens van Idumea.

1 Makk. 5,1 Toen de heidenen rondom hoorden, dat het brandoffer altaar herbouwd en de tempel in zijn vroegere staat hersteld was, ontstaken ze in hevige toorn en
1 Makk. 5,2 besloten de nakomelingen van Jakob die onder hen woonden uit te roeien; reeds sloegen ze de hand aan hen om hen te vernietigen.
1 Makk. 5,3 Daarom trok Judas ten strijde tegen de zonen van Esau in Idumea, die de IsraŽlieten in Akrabattene belaagden. Hij bracht hen een zware nederlaag toe, beknotte hun macht en plunderde hen uit.
1 Makk. 5,4 Vervolgens keerde hij zich tegen de zonen van Bajan, die in hun laagheid een valstrik en een struikelblok voor het volk waren en vanuit hinderlagen langs de wegen de joden overvielen.
1 Makk. 5,5 Zij moesten zich voor Judas in hun torens terugtrek ken; hij sloeg er het beleg om, sprak de banvloek over hen uit en stak de torens, met allen die erin waren, in brand.
1 Makk. 5,6 Daarna trok hij naar de Ammonieten, waar hij op een sterk en talrijk leger stiet, aangevoerd door TimoteŁs.
1 Makk. 5,7 Na tal van gevechten weken ze voor Judas en hij versloeg hen.
1 Makk. 5,8 Na Jazer met de onderhorige plaatsen veroverd te hebben, keerde hij naar Judea terug.
1 Makk. 5,9 Toen de heidenen in Gilead samenspanden om de IsraŽlieten in hun gebied uit te roeien, vluchtten die naar de vesting Datema.
1 Makk. 5,10 Vandaar zonden ze naar Judas en zijn broers een brief met de volgende inhoud: De volken rondom ons spannen tegen ons samen om ons uit te roeien.
1 Makk. 5,11 Zij bereiden zich voor om onder aanvoering van TimoteŁs de vesting waarin wij gevlucht zijn, te veroveren.
1 Makk. 5,12 Kom dus en red ons uit hun handen. Velen van ons zijn reeds gevallen.
1 Makk. 5,13 Al onze broeders in het gebied van Tobia zijn ter dood gebracht, hun vrouwen, kinderen en bezittingen buit gemaakt; ongeveer duizend man heeft men daar omgebracht.
1 Makk. 5,14 Men was nog niet klaar met het lezen van die brief, toen er ook uit Galilea boden in gescheurde kleren aankwamen met eenzelfde tijding:
1 Makk. 5,15 Ptolemais, Tyris, Sidon en heel het niet-joodse Galilea spannen samen om ons uit te roeien.
1 Makk. 5,16 Toen Judas en het volk dat hoorden, belegden ze een grote vergadering, om te beraadslagen wat ze konden doen voor hun broeders, die door de volken werden aangevallen en in nood verkeerden.
1 Makk. 5,17 Judas zei tot zijn broer Simon: 'Kies mannen uit en ga je broeders in Galilea bevrijden, ik zelf zal met mijn broer Jonatan naar Gilead gaan.'
1 Makk. 5,18 Jozef, de zoon van Zekarja, en Azarja, leider van het volk, liet hij met de rest van het leger in Judea om het land te beschermen.
1 Makk. 5,19 Hij gaf hun dit bevel: 'U staat aan het hoofd van deze troepen, maar u mag niet de strijd aanbinden met de heidenen, zolang wij niet terug zijn.'
1 Makk. 5,20 Simon kreeg drieduizend man voor de veldtocht naar Galilea, Judas achtduizend voor die naar Gilead.
1 Makk. 5,21 Simon rukte dus op naar Galilea. Na een reeks van gevechten weken de heidenen voor hem
1 Makk. 5,22 en hij achtervolgde ze tot aan de poort van Ptoleais. Van de heidenen sneuvelden ongeveer drieduizend man; hun uitrusting maakte hij buit.
1 Makk. 5,23 De joden van Galilea en Arbakte nam hij met vrouwen, kinderen en al hun bezittingen mee en onder grote vreugde bracht hij ze naar Judea.
1 Makk. 5,24 Judas Makkabai en zijn broer Jonatan staken de Jordaan over. Na een mars van drie dagen door de woestijn
1 Makk. 5,25 ontmoetten zij NabateeŽrs, die hen vriendelijk ontvingen en hun alles verhaalden wat hun broeders in Gilead was overkomen.
1 Makk. 5,26 'Veel joden zitten ingesloten in Bosora en Bozor, in Alema, Chasfo, Maked en Karnain, stuk voor stuk sterke en grote steden;
1 Makk. 5,27 ook in de overige steden van Gilead zijn er ingesloten. En er worden maatregelen getroffen om morgen de vestingen aan te vallen, in te nemen en alle joden op een en dezelfde dag om te brengen.'
1 Makk. 5,28 Hierop veranderden Judas en zijn leger meteen hun plan en sloegen de weg naar de woestijn van Bosora in. Zij veroverden die stad, joegen alle mannen over de kling, maakten hun bezittingen buit en staken de stad in brand.
1 Makk. 5,29 's Nachts vertrokken zij vandaar en rukten op naar de vesting.
1 Makk. 5,30 Toen het licht werd zagen zij een ontelbare menigte die ladders en stormtuig aansjouwden om zich van de vesting meester te maken, terwijl ze vanuit de vesting bestookt werden.
1 Makk. 5,31 Judas begreep dat de strijd reeds ontbrand was. Terwijl uit de stad luid geschreeuw en trompetgeschal ten hemel steeg,
1 Makk. 5,32 zei Judas tot zijn manschappen: 'Strijdt vandaag voor uw broeders!'
1 Makk. 5,33 In drie groepen vielen zij, onder trompetgeschal en het uitroepen van gebeden, de belegeraars van achteren aan.
1 Makk. 5,34 Toen het leger van TimoteŁs bemerkte, dat het Makkabai was, sloeg het op de vlucht. Judas bracht hun zware verliezen toe: die dag sneuvelden er van hen ongeveer achtduizend man.
1 Makk. 5,35 Vandaar ging Judas naar Alema, viel het aan en veroverde het; hij doodde alle mannen, plunderde de stad en stak haar in brand.
1 Makk. 5,36 Daarna trok hij verder en veroverde Chasfo, Makked, Bozor en de overige steden van Gilead.
1 Makk. 5,37 Na deze gebeurtenissen bracht TimoteŁs een nieuw leger op de been en sloeg zijn kamp op tegenover Rafon aan de overzijde van de beek.
1 Makk. 5,38 Judas zond spionnen om het kamp te verkennen. Deze meldden hem: 'Alle volken rondom ons hebben zich bij hem aangesloten, zodat hij over een zeer groot leger beschikt;
1 Makk. 5,39 ook Arabieren heeft hij als hulptroepen gehuurd. Ze hebben hun kamp opgeslagen aan de overzijde van de beek en staan klaar om tegen u op te trekken.' Judas trok ze tegemoet.
1 Makk. 5,40 Toen Judas met zijn leger de beek, die vol water stond, naderde, zei TimoteŁs tot zijn legeroversten: 'Als hij voor ons de beek oversteekt, zijn wij niet in staat hem het hoofd te bieden, dan is hij ons zeker de baas;
1 Makk. 5,41 maar is hij bang en slaat hij aan de overzijde van de beek zijn kamp op, dan steken wij over en zijn we hem de baas.'
1 Makk. 5,42 Toen Judas bij de beek gekomen was, liet hij de legerschrijvers aan de beek postvatten met dit bevel: 'Zorgt ervoor dat niemand zijn tent opslaat, maar dat allen ten strijde trekken.'
1 Makk. 5,43 Judas stak als eerste naar de vijand over, gevolgd door heel het leger. De heidenen moesten voor hen wijken, wierpen hun wapens weg en vluchtten naar de tempel van Kar nain.
1 Makk. 5,44 Maar de joden veroverden de stad en staken de tempel met allen die erin waren in brand. Karnain werd onderworpen en was niet meer in staat zich tegen Judas te verzetten.
1 Makk. 5,45 Judas bracht alle IsraŽlieten die in Gilead woonden, van hoog tot laag, met hun vrouwen, kinderen en bezittingen bijeen en trok met heel die menigte naar het land van Juda.
1 Makk. 5,46 Zo bereikten ze Efron, een grote en zwaar versterkte stad; de weg liep door de stad heen en het was niet mogelijk om er links of rechts langs te trekken.
1 Makk. 5,47 De inwoners van de stad sloten hen buiten en blok keerden de poorten met stenen.
1 Makk. 5,48 Judas maakte hun zijn vreedzame bedoelingen kenbaar: 'Wij willen door uw gebied trekken om naar ons land te gaan; niemand zal u enig kwaad doen, wij willen alleen maar vrije doortocht.' Maar men weigerde de poorten voor hem te openen.
1 Makk. 5,49 Toen liet Judas in zijn leger afkondigen dat ieder halt moest houden op de plaats waar hij zich bevond.
1 Makk. 5,50 Daarna ging zijn leer tot de aanval over en bestook te de stad heel die dag en heel die nacht, waarna ze zich overgaf.
1 Makk. 5,51 Alle mannen joeg Judas over de kling, hij maakte de stad met de grond gelijk en trok met de buit over de lijken door de stad heen.
1 Makk. 5,52 Daarna staken ze de Jordaan over naar de grote vlakte van Bet-san.
1 Makk. 5,53 Intussen zorgde Judas ervoor, dat de achterblijvers weer bij de groep kwamen en gedurende de hele tocht moedigde hij het volk aan. Na hun aankomst in het land van Juda
1 Makk. 5,54 bestegen ze vol vreugde en blijdschap de berg Sion en droegen er brandoffers op, omdat er niemand van hen was gesneuveld, maar allen behouden waren teruggekeerd.
1 Makk. 5,55 In de tijd dat Judas en Jonatan in Gilead waren en zijn broer Simon in Galilea was ter hoogte van Ptolemais,
1 Makk. 5,56 hoorden de legeroversten Jozef, de zoon van Zekarja, en Azarja, van hun heldendaden en gevechten.
1 Makk. 5,57 Ze zeiden tegen elkaar: 'Laten ook wij ons roem verwerven door te gaan strijden tegen de heidenen rondom ons.'
1 Makk. 5,58 Zij riepen hun leger op en trokken naar Jamnia.
1 Makk. 5,59 Gorgias deed met zijn mannen een uitval uit de stad en bond de strijd met hen aan.
1 Makk. 5,60 Jozef en Azarja werden verslagen en achtervolgd tot aan de grens van Judea. Die dag sneuvelden er van de IsraŽlieten ongeveer tweeduizend man.
1 Makk. 5,61 Deze zware nederlaag trof het volk, omdat ze niet naar Judas en zijn broers hadden geluisterd, maar van helden daden hadden gedroomd.
1 Makk. 5,62 Zij behoorden nu eenmaal niet tot het geslacht van die mannen, aan wie het gegeven was de bevrijding van IsraŽl te bewerken.
1 Makk. 5,63 Judas, een kerel uit een stuk, en zijn broers stonden in zeer hoog aanzien bij heel IsraŽl en zelfs bij alle volken waar hun naam maar bekend was;
1 Makk. 5,64 van alle kanten kwam men ze gelukwensen.
1 Makk. 5,65 Judas trok met zijn broers naar het zuiden om tegen de zonen van Esau te strijden; hij veroverde Hebron en de onderhorige plaatsen, slechtte de vestingwerken en stak de torens rondom de stad in brand.
1 Makk. 5,66 Hij brak op en trok door Marisa naar het land der Filistijnen.
1 Makk. 5,67 Die dag sneuvelden er in een gevecht enige priesters, die zich door heldendaden wilden onderscheiden en daarom ondoordacht ten strijde waren getrokken.
1 Makk. 5,68 Vervolgens boog Judas af naar Azotus in het land der Filistijnen, vernielde er de altaren, verbrandde er de afgodsbeelden, plunderde de steden en keerde naar het land van Juda terug.

1 Makk. 6,1 Op zijn tocht door de hoger gelegen gebieden hoorde koning Antiochus van een stad Elymes in PerziŽ, die beroemd was om haar rijkdom, haar zilver en goud.
1 Makk. 6,2 Haar tempel moest zeer rijk zijn en in het bezit van de gouden schilden, helmen, borstpantsers en wapens die de Macedonische koning Alexander, de zoon van Filippus, de eerste koning der Grieken, daar had achtergelaten.
1 Makk. 6,3 Hij trok er dus heen en trachtte de stad in te nemen en te plunderen, maar hij slaagde er niet in, omdat zijn voornemen aan de inwoners bekend was geworden.
1 Makk. 6,4 Gewapenderhand verzetten zij zich tegen hem en hij moest de vlucht nemen. Diep teleurgesteld vertrok Antiochus vandaar om naar Babel terug te keren.
1 Makk. 6,5 Hij bevond zich nog in PerziŽ, toen men hem kwam melden, dat de legers die naar het land van Juda waren getrokken, verslagen waren;
1 Makk. 6,6 ook Lysias, die aan het hoofd van een sterk leger was opgerukt, had voor de joden de wijk moeten nemen. Dezen waren door hun wapens, hun troepenmacht en de grote buit, op de verslagen legers behaald, een geduchte macht geworden.
1 Makk. 6,7 De gruwel die hij op het brandofferaltaar in Jeruzalem had laten oprichten, hadden ze afgebroken en de hoge muren rondom de tempel hersteld; ook zijn stad Bet-sur hadden ze ommuurd.
1 Makk. 6,8 Toen de koning dat hoorde, stond hij verbijsterd; hevig geschokt wierp hij zich op zijn bed en werd ziek van verdriet, omdat het hem niet was gegaan, zoals hij had ver langd.
1 Makk. 6,9 Zo lag hij daar vele dagen lang ten prooi aan her haalde aanvallen van grote zwaarmoedigheid. Toen hij dacht dat hij ging sterven,
1 Makk. 6,10 ontbood hij al zijn vrienden en zei tot hen: 'De slaap is van mijn ogen geweken en mijn hart is van kommer gebroken.
1 Makk. 6,11 Ik heb tot mezelf gezegd: wat een kwelling is mijn bestaan geworden en wat een vloed van leed is over mij gekomen, terwijl ik toch zo mild was en bemind ondanks mijn macht.
1 Makk. 6,12 Maar nu herinner ik mij al het kwaad dat ik Jeruzalem heb berokkend door beslag te leggen op al het zilveren en gouden vaatwerk en door zonder reden de bewoners van Juda te laten uitroeien.
1 Makk. 6,13 Dat moet de reden zijn waarom deze rampen mij treffen en ik van verdriet en ellende omkom op vreemde bodem.'
1 Makk. 6,14 Hij liet Filippus, een van zijn vrienden, komen en belastte hem met het bestuur van heel zijn rijk.
1 Makk. 6,15 Hij gaf hem zijn diadeem, zijn mantel en zijn ring en droeg hem de opvoeding van zijn zoon Antiochus op, die hij moest voorbereiden op het koningschap.
1 Makk. 6,16 Koning Antiochus stierf daar in het jaar honderdnegenenveertig.
1 Makk. 6,17 Toen Lysias de dood van de koning vernam, riep hij diens minderjarige zoon Antiochus, voor wiens opvoeding hij zorg had gedragen, tot koning uit en gaf hem de naam Eupator.
1 Makk. 6,18 De bezetting van de burcht maakte het de IsraŽlieten in de omgeving van de tempel voortdurend lastig, trachtte hun op alle mogelijke manieren schade toe te brengen en vormde een steunpunt voor de heidenen.
1 Makk. 6,19 Daarom besloot Judas ze uit de weg te ruimen en riep hij heel het volk op om de burcht te gaan belegeren.
1 Makk. 6,20 Het volk kwam bijeen en begon de belegering in het jaar honderdvijftig. Men bouwde geschutstellingen en maakte belegeringswerktuigen.
1 Makk. 6,21 Uit de burcht wisten enkele mannen door de blokkade heen te breken en tezamen met enige afvallige IsraŽlieten, die zich bij hen aansloten,
1 Makk. 6,22 reisden ze naar de koning en zeiden tot hem: 'Wan neer zult u ons eindelijk recht verschaffen en onze broeders wreken?
1 Makk. 6,23 Wij hebben uw vader gaarne gediend; we hebben ons aan zijn voorschriften gehouden en zijn bevelen opgevolgd.
1 Makk. 6,24 Maar daarom hebben onze volksgenoten zich van ons afgekeerd; meer nog: al wie van ons in hun handen viel, werd ter dood gebracht en onze bezittingen hebben ze in beslag genomen.
1 Makk. 6,25 Niet alleen naar ons hebben ze de hand uitgestoken, maar ook naar al uw gebieden.
1 Makk. 6,26 En nu hebben ze het beleg geslagen voor de burcht in Jeruzalem om er zich meester van te maken. De tempel en Bet-sur hebben ze reeds versterkt.
1 Makk. 6,27 Als u niet onmiddellijk ingrijpt, zullen ze nog erger dingen doen zonder dat u het hun kunt beletten.'
1 Makk. 6,28 Toen de koning dat hoorde, ontstak hij in toorn en riep hij al zijn vrienden, de bevelhebbers van het voetvolk en van de ruiterij bijeen;
1 Makk. 6,29 ook uit de andere rijken en van de eilanden in de zee boden huurtroepen hem hun diensten aan.
1 Makk. 6,30 Zo telde zijn leger honderdduizend man voetvolk, twintigduizend ruiters en tweeŽndertig olifanten, die voor de oorlog waren afgericht.
1 Makk. 6,31 Dat leger trok door Idumea en sloeg het beleg voor Bet-sur. Maar de strijd om de stad duurde dagen lang, daar de joden de belegeringswerktuigen van de vijand in brand staken, telkens als ze dapper vechtend een uitval deden.
1 Makk. 6,32 Tenslotte brak Judas het beleg voor de burcht af en sloeg zijn kamp op bij Bet-Zacharia tegenover het kamp van de koning.
1 Makk. 6,33 Vroeg in de morgen liet de koning zijn leger in allerijl naar Bet-zacharia oprukken, waar de legers zich onder trompetgeschal in slagorde schaarden.
1 Makk. 6,34 De olifanten hield men sap van druiven en moerbeien voor om ze strijdlustig te maken.
1 Makk. 6,35 Daarna werden de dieren over de falanxen verdeeld: bij elke olifant stelde men duizend man voetvolk op, in maliŽnkolders gestoken en met bronzen helmen op het hoofd, alsmede vijfhonderd uitstekende ruiters,
1 Makk. 6,36 die de vaste begeleiders van zo'n olifant waren en het dier steeds vergezelden waar het ook ging, zonder er zich ooit van te scheiden.
1 Makk. 6,37 Op elke olifant was achter de kornak op een speciale wijze een sterke, goed afgedekte houten toren vastgegord, waarin een drietal soldaten zat, die vandaaruit aan de strijd deelnamen.
1 Makk. 6,38 De rest van de ruiterij stelde de koning links en rechts op aan de beide flanken van het leger, om aldus de vijand te kunnen bestoken en tevens een dekking te hebben voor de falanxen.
1 Makk. 6,39 Toen de zon op de gouden en bronzen schilden scheen, begonnen de bergen te schitteren en te glanzen als brandende fakkels.
1 Makk. 6,40 Het koninklijk leger zette zich in beweging: een deel trok vastberaden en in volmaakte orde boven over de berg, een ander deel door de vlakte.
1 Makk. 6,41 Allen die het geschreeuw van die drommen, het gedreun van hun massale opmars en het gekletter van hun wapens hoorden, sloeg de schrik om het hart; het leger was inderdaad buitengewoon groot en sterk.
1 Makk. 6,42 Judas ging met zijn leger tot de aanval over en van het leger van de koning vielen zeshonderd man.
1 Makk. 6,43 Eleazar Avaran merkte dat een van de olifanten, die groter was dan alle andere, met een koninklijke pantserbedekking was uitgerust. In de mening dat de koning zich op dat dier bevond
1 Makk. 6,44 besloot hij zichzelf te offeren om zijn volk te redden en zich zo een onsterfelijke naam te verwerven.
1 Makk. 6,45 Onverschrokken stormde hij op het dier af midden door de falanx heen, terwijl hij links en rechts dodelijke slagen toebracht zodat men aan weerszijde voor hem terugweek
1 Makk. 6,46 Hij dook onder de olifant, doorstak hem van onder en doodde hem. Het dier zakte ineen en verpletterde hem. Zo stierf Eleazar.
1 Makk. 6,47 Toen de joden zich bewust werden welk een legermacht het koninkrijk op de been kon brengen en hoe groot de stoot kracht was van zijn troepen, trokken ze terug.
1 Makk. 6,48 De koninklijke troepen rukten nu op tegen de joden in Jeruzalem; de koning koos de plaats voor zijn kamp zo, dat hij zowel tegen Judea als tegen de berg Sion kon opereren.
1 Makk. 6,49 Daar de inwoners van Bet-sur vanwege het sabbatjaar geen voedsel meer hadden om het beleg nog langer te kunnen doorstaan, gaven zij de stad over, waarop de koning vrede met hen sloot.
1 Makk. 6,50 Hij maakte zich meester van Bet-sur en plaatste er een bezetting.
1 Makk. 6,51 Dagen lang belegerde de koning de tempel; hij richtte er geschutstellingen tegen op en belegeringswerktuigen, vlammenwerpers, blijden, schorpioentjes om pijlen af te schieten en slingers.
1 Makk. 6,52 Maar ook de joden vervaardigden oorlogstuig en stelden het op tegen dat van de koning; zo streden ze dagen lang.
1 Makk. 6,53 Daar het evenwel het zevende jaar was, waren er geen levensmiddelen in de opslagplaatsen; bovendien hadden de joden die vanuit niet-joodse gebieden in Judea in veiligheid waren gebracht, wat aan voorraad nog restte opgegeten.
1 Makk. 6,54 De hongersnood die onder de verdedigers van de tempel heerste, dwong de een na de ander naar huis terug te keren. Daardoor waren er maar weinig over gebleven.
1 Makk. 6,55 Op dat ogenblik hoorde Lysias dat Filippus, aan wie koning Antiochus nog bij zijn leven opgedragen had zijn zoon Antiochus voor het koningschap op te leiden,
1 Makk. 6,56 uit PerziŽ en MediŽ was teruggekeerd met de troepen die de koning waren gevolgd, en dat hij ernaar streefde het bestuur van het rijk in handen te krijgen.
1 Makk. 6,57 Daarom wilde Lysias zo spoedig mogelijk het teken tot de aftocht geven. Hij zei tot de koning, de legeraanvoerders en de manschappen: 'We worden met de dag zwakker en hebben maar weinig te eten; de plaats die we belegeren is sterk en bovendien vragen de belangen van het rijk onze aandacht.
1 Makk. 6,58 Laat ons daarom deze mensen de hand reiken en vrede sluiten met hen en met heel hun volk.
1 Makk. 6,59 Laten we het recht toekennen om zoals vroeger volgens eigen gebruiken te leven; juist omdat we die gebruiken hebben willen afschaffen, zijn ze in toorn ontstoken en in opstand gekomen.'
1 Makk. 6,60 Dat voorstel vond bijval bij de koning en de leger oversten. Hij deed de joden een vredesaanbod, dat door hen werd aanvaard
1 Makk. 6,61 en door de koning en de legeroversten met een eed bekrachtigd. Daarop gaven de joden de vesting over.
1 Makk. 6,62 Toen de koning zijn intocht hield op de berg Sion en zag hoe zwaar die plaats versterkt was, schond hij de eed die hij had gezworen en gaf hij bevel de ringmuur te slechten.
1 Makk. 6,63 Daarna brak hij in alle haast op en keerde terug naar AntiochiŽ. Daar stuitte hij op Filippus, die de stad in handen had. Hij nam de wapens tegen hem op en maakte zich met geweld meester van de stad.

1 Makk. 7,1 In het jaar honderdeenenvijftig verliet Demetrius, de zoon van Seleukus, Rome, landde met een klein gevolg in een kustplaats en liet er zich tot koning uitroepen.
1 Makk. 7,2 Toen hij de koninklijke residentie van zijn voorvaderen binnentrok, nam het leger Antiochus en Lysias gevangen om ze voor hem te brengen.
1 Makk. 7,3 Maar toen hij dat vernam zei hij: 'Laat me hun gezicht niet zien!'
1 Makk. 7,4 Daarop bracht het leger hen ter dood en besteeg Demetrius zijn koningstroon.
1 Makk. 7,5 Nu wendden alle goddeloze en afvallige IsraŽlieten zich tot Demetrius. Aan hun hoofd stond Alkimus, die hoge priester wilde worden.
1 Makk. 7,6 Ze klaagden het volk bij de koning aan, zeggend: 'Judas en zijn broers hebben al uw vrienden omgebracht en ons uit ons land verjaagd.
1 Makk. 7,7 Zend daarom iemand in wie u vertrouwen hebt, om de schade op te nemen die Judas ons en het gebied van de koning heeft berokkend en om hem en al degenen die hem geholpen hebben te straffen.'
1 Makk. 7,8 De koning liet zijn keus vallen op Bakchides, een van de vrienden van de koning, die stad houder was in het gebied westelijk van de Eufraat en grote invloed had in het rijk en de koning toegedaan was.
1 Makk. 7,9 Hem zond hij samen met de goddeloze Alkimus, die hij als hogepriester aanstelde, naar IsraŽl met de opdracht de IsraŽlieten te straffen.
1 Makk. 7,10 Zij vertrokken en kwamen met een groot leger in het land van Juda aan. Bakchides zond boden naar Judas en zijn broers om vreedzame onderhandelingen met hen te voeren en ze zo te misleiden.
1 Makk. 7,11 Maar die gingen er niet op in; het was hun immers niet ontgaan dat hij met een groot leger was gekomen.
1 Makk. 7,12 Een groep schriftgeleerden daarentegen begaf zich naar Alkimus en Bakchides om billijke aanspraken te bepleiten.
1 Makk. 7,13 De ChasideeŽn waren onder de IsraŽlieten de eersten die hun om vrede verzochten.
1 Makk. 7,14 Ze zeiden: 'Met dit leger is een priester uit het geslacht van Ašron meegekomen: die zal ons geen kwaad doen.'
1 Makk. 7,15 Hij was vriendelijk voor hen en zwoer: 'Wij hebben geen kwade bedoelingen jegens u noch jegens uw vrienden.'
1 Makk. 7,16 En zij geloofden hem. Maar hij liet er zestig van hen gevangen nemen en op een dag ter dood brengen, naar het woord dat geschreven staat:
1 Makk. 7,17 Het vlees van uw heiligen en hun bloed hebben ze rond Jeruzalem geworpen en er was niemand die ze begroef.
1 Makk. 7,18 Heel het volk werd door angst en schrik voor hen bevangen en men zei: 'Zij zijn onbetrouwbaar en kennen geen rechtvaardigheid, want zij hebben hun belofte, met een eed bevestigd, geschonden.'
1 Makk. 7,19 Bakchides trok van Jeruzalem weg en sloeg zijn kamp op bij Bet-zait. Vandaar liet hij veel strijders die naar hem waren overgelopen en ook enigen uit de burgerbevolking gevangen nemen; hij liet ze ter dood brengen en in de grote put werpen.
1 Makk. 7,20 Vervolgens droeg hij het bestuur van het land aan Alkimus over, stelde een leger tot zijn beschikking en keerde naar de koning terug.
1 Makk. 7,21 Alkimus spande al zijn krachten in om zijn hoge priesterschap erkend te zien.
1 Makk. 7,22 Alle onruststokers onder het volk sloten zich bij hem aan; zij kregen in het land van Juda de macht in handen en berokkenden IsraŽl veel kwaad.
1 Makk. 7,23 Toen Judas zag dat Alkimus en zijn aanhang nog meer ellende over de IsraŽlieten brachten dan de heidenen hadden gedaan,
1 Makk. 7,24 trok hij heel Judea door, nam wraak op de overlopers en maakte het hun onmogelijk zich nog langer in het land te bewegen.
1 Makk. 7,25 Al gauw bemerkte Alkimus dat Judas en zijn aanhang zo sterk waren geworden, dat hij niet in staat was hun het hoofd te bieden; daarom keerde hij naar de koning terug en bracht zware beschuldigingen tegen hen in.
1 Makk. 7,26 Hierop zond de koning een van zijn beroemdste veldheren, Nikanor, die een bittere haat koesterde jegens IsraŽl, en gaf hem opdracht het volk te vernietigen.
1 Makk. 7,27 Met een groot leger in Jeruzalem aangekomen, zond hij boden naar Judas en zijn broers om hen met verzoenende voorstellen te misleiden:
1 Makk. 7,28 'Laat het niet tot een oorlog komen tussen mij en u; ik kom met een klein gevolg naar u toe om vriendschappelijk met u te onderhandelen.'
1 Makk. 7,29 Hij kwam dus bij Judas en zij begroetten elkaar op vriendschappelijke wijze; maar de vijanden stonden al klaar, om Judas te ontvoeren.
1 Makk. 7,30 Toen Judas merkte dat Nikanor met verraderlijke bedoelingen naar hem toe was gekomen, werd hij bang voor hem en wilde hij hem niet meer zien.
1 Makk. 7,31 Nikanor begreep dat zijn toeleg ontdekt was; hij rukte uit en raakte met Judas slaags ter hoogte van Kafarsalama.
1 Makk. 7,32 Van Nikanors soldaten vielen er ongeveer vijfhonderd, de overigen namen de vlucht naar de stad van David.
1 Makk. 7,33 Na deze gebeurtenissen begaf Nikanor zich naar de berg Sion. Enige priesters en oudsten van het volk kwamen hem uit de tempel tegemoet om hem op vriendschappelijke wijze te begroeten en om zijn aandacht te vestigen op het brandoffer dat voor de koning werd opgedragen.
1 Makk. 7,34 Maar hij dreef de spot met hen en lachte hen uit, hij spuwde op hen en braakte overmoedige taal uit.
1 Makk. 7,35 In zijn woede zwoer hij: 'Als Judas en zijn leger deze keer mij niet in handen vallen, dan steek ik na mijn behouden terugkeer deze tempel in brand.' Hevig vertoornd ging hij heen.
1 Makk. 7,36 De priesters gingen weer naar binnen en staande voor het altaar en het heiligdom baden ze onder tranen:
1 Makk. 7,37 'Gijzelf hebt dit huis uitverkoren om uw naam te dragen en de plaats te zijn waar uw volk zijn gebeden en smekingen tot U kan richten.
1 Makk. 7,38 Neem dus wraak op deze man en zijn leger en laat ze vallen door het zwaard; gedenk hun godslasteringen en laat ze niet langer in leven.'
1 Makk. 7,39 Nikanor verliet Jeruzalem en sloeg zijn kamp op bij Bet-choron, waar een leger uit SyriŽ zich bij hem aansloot.
1 Makk. 7,40 Judas lag met drieduizend man bij Adasa. Daar sprak hij dit gebed uit:
1 Makk. 7,41 'Toen de boden van de koning U lasterden, kwam uw engel en sloeg honderdvijfentachtigduizend mannen neer.
1 Makk. 7,42 Verpletter op dezelfde wijze nu ook dit leger hier voor onze ogen, dan zullen de overlevenden weten, dat hij uw tempel gelasterd heeft; straf hem overeenkomstig zijn boosheid.'
1 Makk. 7,43 De dertiende Adar werden de legers handgemeen. Het leger van Nikanor werd verslagen; hijzelf was de eerste die sneuvelde.
1 Makk. 7,44 Toen de soldaten van Nikanor zagen dat hij gevallen was, wierpen ze hun wapens weg en namen de vlucht.
1 Makk. 7,45 De joden achtervolgden hen een dagmars ver, van Adasa tot Gezer, terwijl ze op de signaaltrompetten bliezen.
1 Makk. 7,46 Uit alle joodse dorpen in de omgeving snelde men toe om de vluchtelingen de pas af te snijden; die keerden om, maar stieten op hun kameraden; zo werden allen de prooi van het zwaard, niemand ontkwam.
1 Makk. 7,47 De joden plunderden hen en legden beslag op hun buit; ze hieuwen Nikanor het hoofd af en de rechterhand, die hij in zijn overmoed had opgeheven, en stelden die vlak bij Jeruzalem ten toon.
1 Makk. 7,48 Het volk was uitbundig van blijdschap en vierde die dag als een grote feestdag.
1 Makk. 7,49 Men besloot deze gebeurtenis jaarlijks op de der tiende Adar te vieren.
1 Makk. 7,50 Het land van Juda genoot gedurende korte tijd enige rust.

1 Makk. 8,1 Judas had van de Romeinen horen zeggen, dat ze machtig waren en welwillend jegens allen die toenadering zochten en dat ze vriendschap sloten met allen die zich tot hen wendden.
1 Makk. 8,2 Dat ze machtig waren bleek uit wat men hem verhaalde over hun oorlogen en heldendaden in het gebied van de Gal liŽrs; hoe ze hen hadden overwonnen en schatplichtig gemaakt;
1 Makk. 8,3 over hun verrichtingen in Spanje om zich meester te maken van de goud - en zilvermijnen in dat land;
1 Makk. 8,4 hoe zij heel dat gebied, ondanks de zeer grote afstand, door hun beleid en volharding in hun macht hadden gekregen. Koningen die van het einde der aarde tegen de Romeinen waren opgetrokken, hadden ze verslagen en hun zware verliezen toegebracht, terwijl de overigen hun jaarlijks schatting moesten betalen.
1 Makk. 8,5 Ze hadden Filippus, Perseus, de koning van de KittiŽrs, en anderen die tegen hen waren opgestaan, in een oorlog verslagen en onderworpen.
1 Makk. 8,6 Zelfs Antiochus de Grote, de koning van AziŽ, die met honderdtwintig olifanten en met ruiters, strijdwagens en zeer veel voetvolk tegen hen ten strijde waren getrokken, was door hen verslagen.
1 Makk. 8,7 Zij hadden hem levend gevangen genomen en hem en zijn troonopvolgers verplicht een hoge schatting te betalen, gijzelaars te geven en enige van zijn beste provincies af te staan,
1 Makk. 8,8 met name IndiŽ, MediŽ, LydiŽ; zij hadden die gebieden weer overgedragen aan koning Eumenes.
1 Makk. 8,9 Toen het plan van de Grieken om de Romeinen uit te roeien,
1 Makk. 8,10 hun ter ore was gekomen, hadden ze een enkele veldheer op de Grieken afgestuurd om met hen de strijd aan te binden: veel Grieken sneuvelden, hun vrouwen en kinderen werden gevangen weggevoerd, hun bezittingen geplunderd, hun land in bezit genomen, hun vestingen ontmanteld en het volk werd onderworpen; het is onderworpen gebleven tot op de dag van vandaag.
1 Makk. 8,11 Ook de overige koninkrijken en eilanden, die zich ooit tegen de Romeinen hadden verzet, hadden ze vernietigd en onderworpen.
1 Makk. 8,12 Maar met hun vrienden en met degenen die zich op hen verlieten, onderhielden ze vriendschappelijke betrekkingen. Ze heersten over koningen dichtbij en veraf; alleen al het horen van hun naam boezemde ontzag in.
1 Makk. 8,13 Degenen die zij willen helpen om koning te worden, worden koning, maar ook naar believen zetten zij koningen af. Hoewel ze dus zeer machtig waren geworden,
1 Makk. 8,14 had toch niemand van hen zich de diadeem opgezet of in purper gestoken om daardoor in aanzien te stijgen.
1 Makk. 8,15 Zij hadden een raadhuis gebouwd en daar vergaderden dagelijks driehonderdtwintig man, steeds bezig met de vraag hoe zij het welzijn van het volk konden bevorderen.
1 Makk. 8,16 Elk jaar vertrouwden zij het bestuur en beheer van heel hun gebied toe aan een man, aan wie allen gehoorzaamden zonder nijd of afgunst.
1 Makk. 8,17 Judas koos nu Eupolemus uit, de zoon van Johannes uit het geslacht van Hakkos, en Jason, de zoon van Eleazar, en zond hen naar Rome om met de Romeinen vriendschap te sluiten en een bondgenootschap aan te gaan,
1 Makk. 8,18 en zodoende te bereiken, dat zij de joden het juk van de Grieken van de schouders zouden nemen, want het moest de Romeinen duidelijk zijn dat die IsraŽl knechtten.
1 Makk. 8,19 Zij vertrokken dus en kwamen na een zeer lange reis in Rome aan. Daar legden ze voor de senaat de volgende verkla ring af:
1 Makk. 8,20 'Judas, ook Makkabai genoemd, zijn broers en het volk der joden hebben ons tot u gezonden, om met u een verbond te sluiten en vriendschapsbetrekkingen aan te knopen, om opgenomen te worden onder uw bondgenoten en vrienden.'
1 Makk. 8,21 Dat verzoek werd welwillend ontvangen.
1 Makk. 8,22 Hier volgt een afschrift van de brief, die ze op bronzen platen lieten graveren en naar Jeruzalem zonden als een gedenkteken van de vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap:
1 Makk. 8,23 'Aan de Romeinen en het volk van de joden te land en ter zee in eeuwigheid heil! Mogen zwaard en vijand ver van hen blijven!
1 Makk. 8,24 Als Rome of een van zijn bondgenoten, waar ook binnen zijn machtssfeer, het eerst in oorlog geraakt,
1 Makk. 8,25 dan zal het volk der joden naarmate de omstandigheden zulks van hen vorderen, vastbesloten aan de zijde van Rome strijden.
1 Makk. 8,26 Aan de vijanden zal het geen voedsel, wapens, geld of schepen geven of ter beschikking stellen. Aldus heeft Rome besloten. Het zal zijn verplichtingen nakomen zonder tegen prestatie.
1 Makk. 8,27 Van hun kant zullen de Romeinen, als het volk der joden het eerst in oorlog geraakt, bereidwillig aan hun zijde strijden naarmate de omstandigheden dat van hen vorderen.
1 Makk. 8,28 Aan de vijanden zullen zij geen voedsel, wapens, geld of schepen verstrekken. Aldus heeft Rome besloten. Het zal deze verplichting zonder bedrog nakomen.
1 Makk. 8,29 Volgens deze termen hebben de Romeinen met het volk van de joden een verbond gesloten.
1 Makk. 8,30 Zou in de toekomst een van beide partijen iets willen toevoegen of weglaten, dan zal, als zulks met goedvin den van de andere partij geschiedt, de toevoeging of de weglating kracht van wet bezitten.
1 Makk. 8,31 Wij hebben koning Demetrius, naar aanleiding van het onrecht dat hij de joden aandoet, het volgende geschreven: Waarom legt u de joden, die onze vrienden en bondgenoten zijn, zulk een zwaar juk op?
1 Makk. 8,32 Als zij opnieuw klachten tegen u inbrengen, zullen wij hun recht verschaffen en u te land en ter zee bestrijden.'

1 Makk. 9,1 Toen Demetrius vernomen had dat Nikanor gesneuveld was en zijn troepen verslagen waren, zond hij opnieuw Bakchi des en Alkimus met de rechter vleugel van zijn leger naar het land van Juda.
1 Makk. 9,2 Zij namen de weg door Galilea, belegerden Mesalot in het gebied van Arbela, veroverden het en doodden een groot aantal mensen.
1 Makk. 9,3 In de eerste maand van het honderd tweeŽnvijftigste jaar sloegen zij hun kamp op in de omgeving van Jeruzalem.
1 Makk. 9,4 Van daar braken ze weer op en trokken met twintigduizend man voetvolk en tweeduizend ruiters naar Berea.
1 Makk. 9,5 Judas lag met drieduizend uitgelezen soldaten bij Elasa.
1 Makk. 9,6 Bij het zien van de geweldige troepenmacht werden de joden zeer bang en velen deserteerden, zodat er slechts achthonderd man overbleven.
1 Makk. 9,7 Toen Judas, op het ogenblik dat hij de strijd niet kon ontwijken, merkte dat zijn leger uiteenviel, greep ver twijfeling hem aan, omdat de gelegenheid hem ontbrak zijn soldaten weer bijeen te brengen.
1 Makk. 9,8 In zijn verslagenheid riep hij degenen die bij hem gebleven waren toe: 'Vooruit, we trekken tegen onze vijanden op; misschien kunnen wij ze toch nog het hoofd bieden.'
1 Makk. 9,9 Maar zij poogden hem te weerhouden en zeiden: 'Voor het ogenblik kunnen we volstrekt niets anders doen dan ons leven in veiligheid brengen. Daarna komen wij met onze broeders terug om de strijd met de vijand aan te binden. Nu zijn we met te weinig man.'
1 Makk. 9,10 Hierop antwoordde Judas: 'Dat nooit! In geen geval ga ik voor hen op de vlucht. Als onze tijd gekomen is, moeten wij moedig de dood ingaan voor onze broeders en geen smet werpen op onze naam.'
1 Makk. 9,11 Toen het leger het kamp uittrok, stelden de joden zich er tegen op. De ruiterij was in twee afdelingen ge splitst; de slingeraars en boogschutters gingen voor het leger uit; die in de voorste linies streden waren allen geduchte krijgers.
1 Makk. 9,12 Bakchides bevond zich op de rechtervleugel. Het zwaargewapende voetvolk kwam tussen twee afdelingen onder trompetgeschal aanrukken. Ook de mannen van Judas bliezen op de trompetten,
1 Makk. 9,13 en de aarde dreunde van het krijgsgeschreeuw van de beide legers. Men werd handgemeen en de strijd woedde van de morgen tot de avond.
1 Makk. 9,14 Toen Judas zag dat Bakchides zich met de beste troepen aan de rechterzijde bevond, ging hij er met zijn dapperste soldaten op af.
1 Makk. 9,15 Zij versloegen de rechtervleugel en vervolgden haar tot aan het Hasorgebergte.
1 Makk. 9,16 Maar toen de soldaten van de linkervleugel zagen dat de rechtervleugel bezweken was, wendden zij zich om en zetten Judas en de zijnen achterna.
1 Makk. 9,17 Het werd een zware strijd en van beide zijden sneuvelden velen.
1 Makk. 9,18 Toen ook Judas viel, sloeg de rest op de vlucht.
1 Makk. 9,19 Jonatan en Simon namen hun broer Judas op en begroeven hem in het graf van zijn voorvaderen in Modein.
1 Makk. 9,20 Heel IsraŽl beweende hem en treurde in diepe rouw over zijn dood; dagen lang klaagden ze:
1 Makk. 9,21 'Hoe kon de held vallen, de bevrijder van IsraŽl!'
1 Makk. 9,22 Verdere bijzonderheden over Judas, zijn oorlogen, de heldendaden die hij verricht heeft en over alles wat van zijn grootheid getuigt, zijn niet opgetekend; het was teveel om alles op te noemen.
1 Makk. 9,23 Na de dood van Judas doken overal in het gebied van IsraŽl de afvalligen weer op en begonnen de boosdoeners zich weer te roeren.
1 Makk. 9,24 En daar in die tijd een zeer zware hongersnood uitbrak, scheen zelfs de aarde hun zijde te kiezen.
1 Makk. 9,25 Bakchides koos de goddelozen uit om ze met het bestuur van het land te belasten.
1 Makk. 9,26 Die gingen op zoek naar de vrienden van Judas en brachten ze voor Bakchides, die ze bestrafte en hoonde.
1 Makk. 9,27 IsraŽl werd heviger verdrukt dan ooit sinds het optreden van de laatste profeet het geval was geweest.
1 Makk. 9,28 Daarom kwamen alle vrienden van Judas bijeen en zeiden tot Jonatan:
1 Makk. 9,29 'Sinds de dood van uw broer Judas hebben wij niemand die zoals hij te velde kan trekken tegen de vijanden, tegen Bakchides en allen die ons volk haten.
1 Makk. 9,30 Daarom hebben wij heden onze keuze op u laten vallen, om in zijn plaats onze leider en aanvoerder te zijn in de strijd die wij te voeren hebben.'
1 Makk. 9,31 Zo volgde Jonatan zijn broer Judas op en nam hij de leiding in handen.
1 Makk. 9,32 Bakchides vernam dat en zocht hem te doden.
1 Makk. 9,33 Toen dat Jonatan ter ore kwam, vluchtte hij met zijn broer Simon en zijn aanhang naar de woestijn van Tekoa en sloeg zijn kamp op bij de put van Asfar.
1 Makk. 9,34 Op een sabbat kreeg Bakchides hiervan kennis en hij stak met heel zijn leger de Jordaan over.
1 Makk. 9,35 Jonatan zond zijn broer Johannes, aan het hoofd van de tros, naar zijn vrienden, de NabateeŽn, om ze te vragen hun omvangrijke bagage bij hen in veiligheid te mogen brengen.
1 Makk. 9,36 Maar de zonen van Jambri rukten uit Medeba op, overmanden Johannes, namen al wat hij bij zich had in beslag en gingen ermee vandoor.
1 Makk. 9,37 Enige tijd later berichtte men Jonatan en zijn broer Simon, dat de zonen van Jambri een grote bruiloft gingen vieren en dat ze de bruid, de dochter van een van de aanzienlijkste personen in Kanašn, met groot gevolg van Nadabat zouden afhalen.
1 Makk. 9,38 Het bloed van hun broer Johannes indachtig trokken ze op en verscholen zich in een bergspleet.
1 Makk. 9,39 Vandaaruit namen ze op een gegeven ogenblik een rumoerige stoet waar; de bruidegom kwam met zijn vrienden en familieleden onder het slaan van pauken en het zingen van liederen, rijk uitgedost, hun richting uit.
1 Makk. 9,40 De joden sprongen uit hun hinderlaag te voorschijn en sloegen ze neer; velen vielen onder hun slagen, de overigen vluchtten het gebergte in; hun bezittingen maakten ze buit.
1 Makk. 9,41 Zo verkeerde de bruiloft in ruw en hun feestliederen in weeklachten.
1 Makk. 9,42 Het bloed van hun broer was gewroken. Jonatan en zijn aanhang begaven zich naar het moerasgebied bij de Jordaan.
1 Makk. 9,43 Toen Bakchides dat vernam, trok hij uit en verscheen op sabbat met een groot leger aan de oever van de Jordaan.
1 Makk. 9,44 Hierop zei Jonatan tot zijn mannen: 'Vooruit! We moeten strijden voor het behoud van ons leven, want het ziet er nu slechter voor ons uit dan ooit:
1 Makk. 9,45 van voren zowel als van achteren worden we aangevallen, links en rechts van ons is het water van de Jordaan, moerassen en kreupelhout: er is geen ontkomen meer aan!
1 Makk. 9,46 Roep nu dus luid de hemel aan, opdat jullie gered worden uit de macht van onze vijanden.'
1 Makk. 9,47 De strijd ontbrandde. Reeds strekte Jonatan zijn hand uit om Bakchides neer te slaan, toen deze hem door een achterwaartse beweging wist te ontwijken.
1 Makk. 9,48 Daarop sprongen Jonatan en zijn mannen in de Jordaan en zwommen naar de overkant. Maar de vijanden staken de Jordaan over om ze te achtervolgen.
1 Makk. 9,49 Aan de kant van Bakchides waren er die dag ongeveer duizend man gesneuveld.
1 Makk. 9,50 Teruggekeerd in Jeruzalem begon Bakchides een aantal steden in Judea te versterken: de vesting bij Jericho, EmmaŁs, Bet-choron, Betel, Timnata, Faraton en Tefon kregen hoge muren en poorten met grendels.
1 Makk. 9,51 Hij plaatste er garnizoenen die IsraŽl in bedwang moesten houden.
1 Makk. 9,52 Ook de stad Bet-sur versterkte hij, alsmede Gezer en de burcht, die hij van troepen en proviand voor zag.
1 Makk. 9,53 Tenslotte nam hij de zonen van de leidende persoon lijkheden van het land als gijzelaars en liet ze in de burcht van Jeruzalem in verzekerde bewaring houden.
1 Makk. 9,54 In de tweede maand van het jaar honderddrieŽnvijftig gaf Alkimus bevel de muur van de binnenste voorhof van de tempel af te breken. Zo wilde hij het werk van de profeten vernietigen. Reeds was men met de afbraak begonnen,
1 Makk. 9,55 toen Alkimus door een ziekte werd getroffen. Daar door kon hij geen werk meer verrichten en verloor hij ook de spraak. Hij was verlamd en kon geen woord meer uiten en zijn huis niet meer beheren.
1 Makk. 9,56 Onder die omstandigheden vond Alkimus, ten prooi aan hevige pijnen, de dood.
1 Makk. 9,57 Toen Bakchides zag, dat Alkimus dood was, keerde hij naar de koning terug. Het land van Juda beleefde nu twee rustige jaren.
1 Makk. 9,58 Toen smeedden de afvalligen het volgende plan: 'Jonatan en zijn aanhang leven nu rustig en zijn op geen gevaar bedacht; als we Bakchides laten komen, kan hij ze allen in en nacht gevangen nemen.'
1 Makk. 9,59 Met dat voorstel gingen ze naar hem toe.
1 Makk. 9,60 Hij rukte op met een sterk leger en zond heimelijk brieven aan al zijn bondgenoten in Judea met het bevel om Jonatan en zijn aanhang gevangen te nemen. Daar slaagden ze evenwel niet in, omdat hun plan was uitgelekt.
1 Makk. 9,61 Jonatan wist zelfs ongeveer vijftig van de vooraan staande mannen van het land, die dat boze plan op touw hadden gezet, gevangen te nemen en te doden.
1 Makk. 9,62 Hierop nam hij met Simon en zijn aanhang de wijk naar Bet-bassi in de woestijn; zij bouwden het verwoeste deel van de stad weer op en versterkten haar.
1 Makk. 9,63 Toen Bakchides dat vernam, verzamelde hij zijn leger en riep ook zijn aanhang in Judea onder de wapens.
1 Makk. 9,64 Hij trok op en sloeg het beleg om Bet-bassi; dagen lang deed hij aanvallen op de stad, waarbij hij gebruik maakte van belegeringswerktuigen.
1 Makk. 9,65 Jonatan liet zijn broer Simon in de stad en ging zelf met een kleine bende het land doorkruisen.
1 Makk. 9,66 Hij versloeg Odomera met diens broers en de zonen van Fasiron in hun tentenkamp. Door deze successen nam zijn leger in aantal toe.
1 Makk. 9,67 Simon van zijn kant deed met zijn mannen een uitval uit de stad en stak de belegeringswerktuigen in brand.
1 Makk. 9,68 Nu bonden ze de strijd aan met Bakchides en versloegen hem. Deze nederlaag was een hevige kwelling voor hem, omdat met de veldtocht ook zijn politiek gestrand was.
1 Makk. 9,69 Hij was woedend op de afvalligen die hem hadden aangeraden naar Judea te komen, liet velen van hen ter dood brengen en besloot naar zijn land terug te keren.
1 Makk. 9,70 Toen Jonatan dat hoorde, zond hij gezanten naar hem toe om vrede met hem te sluiten en de uitlevering van de krijgsgevangenen te verkrijgen.
1 Makk. 9,71 Bakchides stemde toe en hield zich aan zijn woord. Hij gaf Jonatan onder ede de verzekering, dat hij hem zijn leven lang geen kwaad meer zou doen.
1 Makk. 9,72 Ook gaf hij hem de personen terug die hij vroeger in het land van Juda had gevangen genomen. Daarop vertrok hij naar zijn land en is nooit meer in het gebied van de joden teruggekomen.
1 Makk. 9,73 Het zwaard was in de schede gestoken en liet IsraŽl met rust. Jonatan vestigde zich in Mikmas. Daar begon hij het volk te besturen en hij zorgde ervoor dat de goddelozen uit IsraŽl verdwenen.

1 Makk. 10,1 In het jaar honderdzestig trok Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, naar Ptolemais en maakte zich meester van de stad. Hij wierp er zich op als koning en men erkende hem.
1 Makk. 10,2 Toen koning Demetrius dat hoorde, bracht hij zeer veel troepen bijeen en trok tegen hem ten strijde.
1 Makk. 10,3 Tevens zond Demetrius Jonatan een zeer vriendelijke brief waarin hij hem beloofde zijn bevoegdheden uit te brei den.
1 Makk. 10,4 Want, dacht hij,' wij moeten hem aan ons verbinden, voordat hij zich verbindt met Alexander tegen ons;
1 Makk. 10,5 het kwaad dat wij hem, zijn broers en zijn volk hebben berokkend is hij zeker niet vergeten.'
1 Makk. 10,6 Hij machtigde Jonatan troepen te werven en wapens te vervaardigen en verklaarde hem tot zijn bondgenoot. Bovendien gaf hij bevel de gijzelaars die in de burcht waren aan hem terug te geven.
1 Makk. 10,7 Jonatan begaf zich met de brief naar Jeruzalem en las die ten aanhoren van heel het volk en van de bezetting van de burcht voor.
1 Makk. 10,8 De soldaten van de bezetting schrokken hevig, toen ze hoorden dat de koning Jonatan machtigde troepen te werven;
1 Makk. 10,9 ze gaven hem de gijzelaars terug en hij gaf ze weer aan hun ouders.
1 Makk. 10,10 Jonatan vestigde zich nu in Jeruzalem en maakte niet alleen een begin met de wederopbouw van de stad, maar gaf haar tegelijk een nieuw aanzien.
1 Makk. 10,11 Hij gaf de werklieden bevel de stadsmuur weer op te bouwen en de berg Sion als een vesting te omgeven met een muur van gehouwen stenen. Zo geschiedde.
1 Makk. 10,12 De vreemdelingen die in de vestingen lagen die Bakchides gebouwd had, namen de vlucht;
1 Makk. 10,13 zij verlieten hun post en keerden naar hun land terug.
1 Makk. 10,14 Alleen in Bet-sur bevond zich nog een aantal van degenen, die de wet en zijn geboden overboord hadden geworpen; die stad was een toevluchtsoord voor hen geworden.
1 Makk. 10,15 Koning Alexander hoorde van de beloften die Demetrius aan Jonatan had gedaan. En toen men verhaalde van de oorlogen die hij en zijn broers gevoerd hadden, van de helden daden die ze hadden verricht en van de moeilijkheden die ze hadden doorstaan,
1 Makk. 10,16 zei hij: 'Zo vind je er geen tweede! We moeten hem onmiddellijk tot onze vriend en bondgenoot zien te maken.'
1 Makk. 10,17 Hij schreef hem dus een brief van de volgende inhoud:
1 Makk. 10,18 'Koning Alexander aan zijn broeder Jonatan. Heil u!
1 Makk. 10,19 Naar wij hebben vernomen bent u een machtig man, waard om onze vriend te zijn.
1 Makk. 10,20 Bij dezen stellen wij u heden aan tot hogepriester van uw volk en verlenen u de titel van vriend des konings.' Hij deed hem tevens een purperen mantel en een gouden krans toekomen. Behartig dus onze belangen en betoon ons trouwe vriendschap.'
1 Makk. 10,21 Op het loofhuttenfeest in de zevende maand van het jaar honderdzestig bekleedde Jonatan zich met de heilige gewaden. Hij wierf troepen aan en liet veel wapens vervaardigen.
1 Makk. 10,22 Toen Demetrius dat hoorde, was hij pijnlijk getroffen en zei:
1 Makk. 10,23 'Hoe hebben wij het toch zover laten komen! Alexan der is ons voor geweest en heeft zich, om zijn positie te versterken, de vriendschap van de joden verworven.
1 Makk. 10,24 Ook ik zal een beroep op hen doen onder toezegging van voorrechten en schenkingen, om mij van hun hulp te verzekeren.'
1 Makk. 10,25 Hij schreef hun als volgt: 'Koning Demetrius aan het volk der joden. Heil u!
1 Makk. 10,26 Wij hebben met vreugde vernomen dat u de met ons gesloten verdragen bent nagekomen, de vriendschap met ons bent trouw gebleven en u niet hebt aangesloten bij onze vijanden.
1 Makk. 10,27 Blijf ook nu in uw trouw jegens ons volharden; wij zullen alles wat u voor ons doet met weldaden vergelden,
1 Makk. 10,28 u veel vrijstellingen verlenen en u met schenkingen begunstigen.
1 Makk. 10,29 Hierbij ontsla en onthef ik u en alle joden van schatting, de heffing op zout en de kroongelden;
1 Makk. 10,30 van het land van Juda en van de drie districten van Samaria en Galilea die met ingang van heden voor goed bij Juda worden ingelijfd, zal ik van nu af aan niet meer de afdracht in baar geld eisen van het derde deel van de veldoogst en van de helft van de boomvruchten, die mij rechtens toekomen.
1 Makk. 10,31 Jeruzalem zal heilig zijn en onbelast, alsook zijn grondgebied, tienden en tollen.
1 Makk. 10,32 Ook doe ik afstand van mijn gezag over de burcht in Jeruzalem en draag dat over aan de hogepriester, die er als bezetting de mannen kan plaatsen die hij wenst.
1 Makk. 10,33 Aan alle joden die uit het land van Juda naar welk deel ook van mijn rijk zijn weggevoerd, geef ik zonder enige losprijs de vrijheid terug en niemand mag nog enige aanspraak op hun vee laten gelden.
1 Makk. 10,34 Alle joden in mijn rijk zullen op de feesten, sabbat, nieuwe maan, op wettelijk vastgestelde dagen, op de drie dagen voor de feesten en op de drie dagen erna vrij zijn van tol en belasting.
1 Makk. 10,35 Op die dagen heeft ook niemand het recht joden aan te houden of lastig te vallen om onverschillig welke zaak.
1 Makk. 10,36 Ongeveer dertigduizend joden zullen in het leger van de koning worden ingelijfd; zij ontvangen de soldij die vastgesteld is voor de troepen van de koning.
1 Makk. 10,37 Een deel van hen zal gelegerd worden in de grote vestingen van de koning, anderen zullen zich vertrouwensposten in het rijk zien toegewezen; hun bevelhebbers en oversten zullen uit hun eigen rangen worden gekozen; zij mogen volgens hun eigen wetten leven zoals de koning dat heeft vastgesteld voor het land Juda.
1 Makk. 10,38 De drie districten van de provincie Samaria die bij Judea zijn ingelijfd, zullen met Judea zodanig verenigd zijn, dat zij aan geen ander gezag gehoorzaamheid verschuldigd zijn dan aan dat van de hogepriester.
1 Makk. 10,39 Ptolemais met zijn grondgebied schenk ik aan de tempel van Jeruzalem, om aldus de kosten van de eredienst te bestrijden.
1 Makk. 10,40 Zelf zal ik jaarlijks vijftienduizend sikkels zilver geven ten laste van' s konings inkomsten uit draag krachtige steden.
1 Makk. 10,41 Bovendien zullen de toelagen voor de tempeldienst, die vroeger gebruikelijk waren, maar de laatste jaren door de ambtenaren niet zijn uitbetaald, van nu af aan weer worden verstrekt.
1 Makk. 10,42 Verder worden de vijfduizend sikkels die jaarlijks als belasting op de tempeldienst uit de inkomsten ervan voldaan moeten worden, kwijtgescholden op grond van het feit, dat dit geld aan de dienstdoende priesters toekomt.
1 Makk. 10,43 Alwie vanwege schulden jegens de koning of anders zins zijn toevlucht gezocht heeft in de tempel van Jeruzalem of binnen het tempelgebied zal onschendbaar zijn met alle have en goed die hij in mijn rijk bezit.
1 Makk. 10,44 De kosten van verbouwing en restauratie van de tempel komen voor rekening van de koning;
1 Makk. 10,45 de kosten van de bouw van de muren van Jeruzalem en de verdedigingswerken komen voor rekening van de koning; hetzelfde geldt voor de bouw van de muren van de steden in Judea.'
1 Makk. 10,46 Toen Jonatan en het volk deze beloften hoorden, hechtten zij er geen geloof aan en gingen er niet op in. Ze herinnerden zich maar al te goed hoeveel kwaad Demetrius aan IsraŽl berokkend had en hoe zwaar hij hen verdrukt had.
1 Makk. 10,47 Hun voorkeur ging uit naar Alexander, omdat in hun ogen zijn aanbod de beste waarborgen bood voor een vreedzame verhouding. Heel zijn regering bleven de joden zijn bondgenoten.
1 Makk. 10,48 Koning Alexander bracht een groot leger op de been en trok tegen Demetrius op.
1 Makk. 10,49 De twee koningen bonden de strijd aan en het leger van Alexander sloeg op de vlucht; Demetrius achtervolgde het, kreeg de overhand
1 Makk. 10,50 en zette de strijd hardnekkig voort tot zonsondergang. Maar diezelfde dag sneuvelde Demetrius.
1 Makk. 10,51 Daarop zond Alexander gezanten naar Ptolemeus, de koning van Egypte, met het volgende verzoek:
1 Makk. 10,52 'Ik ben in mijn koninkrijk teruggekeerd, heb de troon van mijn voorvaderen bestegen en het bestuur in handen genomen; ik heb Demetrius overwonnen en mij meester gemaakt van ons land;
1 Makk. 10,53 ik heb de strijd met hem aangebonden; hij is met zijn leger door ons verslagen en wij hebben bezit genomen van zijn koningstroon.
1 Makk. 10,54 Laten we dus vriendschap met elkaar sluiten. Geef mij uw dochter tot vrouw en laat mij uw schoonzoon zijn. Ik zal aan u zowel als aan haar geschenken geven die u waardig zijn.'
1 Makk. 10,55 Hierop antwoordde koning Ptolemeus als volgt: 'Gelukkig de dag waarop u naar het land van uw voorvaderen bent teruggekeerd en op hun koninklijke troon hebt plaatsgenomen.
1 Makk. 10,56 Welnu, ik ben bereid aan uw verzoek te voldoen, maar laten we eerst in Ptolemais een ontmoeting hebben om elkaar beter te leren kennen; dan zal ik u overeenkomstig uw wens tot mijn schoonzoon maken.'
1 Makk. 10,57 Vergezeld van zijn dochter Kleopatra vertrok Ptolemeus uit Egypte en kwam in het jaar honderdtweeŽnzestig in Ptolemais aan,
1 Makk. 10,58 waar de ontmoeting met koning Alexander plaatsvond. Ptolemeus gaf hem zijn dochter Kleopatra tot vrouw en vierde in Ptolemais met koninklijke luister haar bruiloft.
1 Makk. 10,59 Bij die gelegenheid schreef koning Alexander Jonatan een brief met het verzoek bij hem te komen.
1 Makk. 10,60 Met pracht en praal reisde Jonatan naar Ptolemais, waar hij een ontmoeting met beide koningen had. Hij bood hun en hun vrienden goud, zilver en allerlei andere geschenken aan en wist daardoor hun gunst te winnen.
1 Makk. 10,61 Wel kwamen gemene kerels uit IsraŽl, mensen die zich om de wet niet bekommerden, een aanklacht tegen hem indienen, maar de koning schonk hun geen gehoor.
1 Makk. 10,62 Hij gaf integendeel bevel, dat men Jonatan van zijn gewaad zou ontdoen om hem met purper te bekleden. Toen dat geschied was,
1 Makk. 10,63 liet de koning hem naast zich plaats nemen. Hij gaf zijn adjudanten het bevel: 'Trekt met hem door de stad en maakt bekend, dat niemand het moet wagen enige beschuldiging tegen hem in te brengen of hem lastig te vallen om onverschil lig welke zaak.'
1 Makk. 10,64 Toen de aanklagers de heraut hoorden en zagen hoe Jonatan, met purper bekleed, gehuldigd werd, namen ze allen de vlucht.
1 Makk. 10,65 De koning bewees hem grote eer door hem op te nemen onder zijn beste vrienden en hem te benoemen tot veldheer en stadhouder.
1 Makk. 10,66 Daarna keerde Jonatan in vrede en vreugde naar Jeruzalem terug.
1 Makk. 10,67 In het jaar honderdvijfenzestig kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van Kreta naar het land van zijn voorvadeen.
1 Makk. 10,68 Hierdoor hevig vertoornd keerde koning Alexander naar AntiochiŽ terug.
1 Makk. 10,69 Demetrius bevestigde Apollonius, de stadhouder van Cele-syriŽ, in zijn functie. Deze bracht een groot leger op de been en sloeg zijn kamp op bij Jamnia. Vandaar zond hij de hogepriester Jonatan deze boodschap:
1 Makk. 10,70 'U bent de enige die zich tegen ons verzet en vanwege uw verzet word ik uitgelachen en bespot. Met welk recht maakt u in het bergland tegen ons gebruik van uw macht?
1 Makk. 10,71 Als u denkt u te kunnen verlaten op uw troepen, daal dan af naar de vlakte, dan zullen we ons daar met elkaar meten. Aan mijn kant staan de troepen uit de steden.
1 Makk. 10,72 Als u navraag doet en te weten tracht te komen wie ik ben en wie mijn helpers zijn, dan zal men u zeggen dat u tegen ons onmogelijk stand kunt houden. Uw voorvaderen zijn immers tot tweemaal toe in hun eigen land verslagen;
1 Makk. 10,73 nog veel minder kunt u thans het hoofd bieden aan zo'n sterke ruiterij en aan zo'n sterk leger in een vlakte zonder steen en kiezen en zonder schuilplaats.'
1 Makk. 10,74 Gegriefd door deze woorden van Apollonius koos Jonatan tienduizend soldaten uit en vertrok vanuit Jeruzalem; onderweg sloot zijn broer Simon met hulptroepen zich bij hem aan.
1 Makk. 10,75 Hij trok op tegen Joppe, waar een garnizoen van Apollonius lag. Toen de burgers de stadspoort voor Jonatan sloten, deed hij een aanval op de stad.
1 Makk. 10,76 Bang geworden openden de burgers de poort en Jonatan maakte zich meester van Joppe.
1 Makk. 10,77 Zodra Apollonius dit hoorde, trok hij met drieduizend ruiters en veel voetvolk in de richting van Azotus, ogen schijnlijk om daarheen te gaan; in feite wilde hij dieper de vlakte in, omdat hij zijn vertrouwen gesteld had op zijn grote ruiterij.
1 Makk. 10,78 Jonatan zette hem achterna en haalde hem bij Azotus in, waar de legers slaags raakten.
1 Makk. 10,79 Apollonius had heimelijk duizend ruiters achterge laten die Jonatans leger in de rug moesten aanvallen.
1 Makk. 10,80 Maar Jonatan kwam te weten dat de vijand zich achter hem in hinderlaag gelegd had. Toen de ruiters zijn leger dan ook omsingelden en er hun pijlen op afschoten van de morgen tot de avond,
1 Makk. 10,81 hield het stand, zoals Jonatan bevolen had. Toen de paarden uitgeput waren,
1 Makk. 10,82 trok Simon met zijn leger vooruit en bond de strijd aan met het voetvolk. Daar de ruiterij uitgeschakeld was, werd het voetvolk door hem verslagen en nam de vlucht,
1 Makk. 10,83 terwijl de ruiterij zich over de vlakte verspreid de. De soldaten vluchtten naar Azotus en zochten hun toevlucht in Bet-dagon, de tempel van hun god.
1 Makk. 10,84 Maar Jonatan stak Azotus en de omliggende plaatsen in brand en plunderde ze; ook de tempel van Dagon gaf hij, met al degenen die er hun toevlucht hadden gezocht, aan de vlammen prijs.
1 Makk. 10,85 Door het zwaard en door het vuur waren ongeveer achtduizend man omgekomen.
1 Makk. 10,86 Jonatan vertrok vandaar en sloeg zijn kamp op voor Askelon. De burgers gingen naar hem toe en betuigden hem hun hulde.
1 Makk. 10,87 Daarna keerden Jonatan en zijn mannen met veel buit naar Jeruzalem terug.
1 Makk. 10,88 Toen koning Alexander van deze wapenfeiten hoorde, verleende hij Jonatan nog hogere eerbewijzen:
1 Makk. 10,89 hij zond hem een gouden gesp, waarmee anders slechts personen van koninklijken bloede werden begiftigd. Verder gaf hij hem Akkaron met het onderhorige gebied in bezit.

1 Makk. 11,1 De koning van Egypte bracht een leger op de been zo talrijk als de zandkorrels aan het strand van de zee en rustte een grote vloot uit. Hij was van plan zich op listige wijze meester te maken van het rijk van Alexander en het in te lijven bij zijn rijk.
1 Makk. 11,2 Vreedzame bedoelingen voorgevend trok hij SyriŽ binnen. De bewoners van de steden openden voor hem de poorten en verwelkomden hem, omdat koning Alexander bevolen had dat voor zijn schoonvader te doen.
1 Makk. 11,3 Maar telkens als Ptolemeus een stad binnentrok, legde hij er troepen in garnizoen.
1 Makk. 11,4 Toen hij bij Azotus kwam, vestigde men zijn aandacht op de platgebrande tempel van Dagon, op de verwoesting van Asdod en omgeving, op de lijken die rondom verspreid lagen en op de verkoolde resten van degenen die Jonatan in de oorlog verbrand had en die nu langs de route die de koning volgde lagen opgestapeld.
1 Makk. 11,5 Om Jonatan verdacht te maken vertelde men de koning wat hij gedaan had, maar de koning zweeg.
1 Makk. 11,6 Jonatan ging naar Joppe om de koning luisterrijk te verwelkomen. Ze begroetten elkaar en brachten daar de nacht door.
1 Makk. 11,7 Daarna vergezelde Jonatan de koning tot aan de rivier de Eleuterus en keerde toen naar Jeruzalem terug.
1 Makk. 11,8 Maar koning Ptolemeus voerde tegen Alexander boze plannen in het schild en maakte zich meester van de kuststeden tot aan SeleukiŽ aan zee.
1 Makk. 11,9 Vandaar zond hij gezanten naar koning Demetrius met het voorstel: 'Laten wij met elkaar een verbond sluiten dan zal ik u mijn dochter geven, die met Alexander is getrouwd, en zult u koning worden over het rijk van uw vader.
1 Makk. 11,10 Want het spijt me dat ik hem mijn dochter heb gegeven, daar hij gepoogd heeft mij te doden.'
1 Makk. 11,11 Omdat hij zijn rijk wilde hebben, schrok hij er niet voor terug Alexander verdacht te maken.
1 Makk. 11,12 Hij ontnam hem zijn dochter en gaf haar aan Demetrius. Zo brak hij met Alexander en werden ze openlijk vijanden.
1 Makk. 11,13 Ptolemeus trok AntiochiŽ binnen en zette zich de diadeem van AziŽ op het hoofd. Twee diademen sierden nu zijn hoofd, namelijk die van Egypte en die van AziŽ.
1 Makk. 11,14 Op dat ogenblik bevond koning Alexander zich in CiliciŽ, omdat de bewoners van die streken in opstand waren gekomen.
1 Makk. 11,15 Maar toen hij van het gebeurde hoorde, trok hij tegen Ptolemeus ten strijde. Ook Ptolemeus rukte uit, ging hem met een sterk leger tegemoet en versloeg hem.
1 Makk. 11,16 Alexander vluchtte naar ArabiŽ om er bescherming te zoeken, en zo werd koning Ptolemeus heer en meester.
1 Makk. 11,17 De Arabier ZabdiŽl sloeg Alexander het hoofd af en zond het aan Ptolemeus.
1 Makk. 11,18 Maar drie dagen later stierf koning Ptolemeus zelf en de soldaten die hij in de versterkte steden gelegerd had, werden door de inwoners gedood.
1 Makk. 11,19 Zo werd Demetrius in het jaar honderdzevenenzestig koning.
1 Makk. 11,20 In die tijd had Jonatan zijn strijdkrachten uit Judea opgeroepen om de burcht in Jeruzalem te veroveren. Zij hadden reeds veel belegeringswerktuigen opgesteld,
1 Makk. 11,21 toen enkele lieden, die hun eigen volk haatten en zich om de wet niet bekommerden, naar de koning gingen om hem mee te delen dat Jonatan de burcht belegerde.
1 Makk. 11,22 Op dat bericht ontstak de koning in toorn en vertrok onmiddellijk naar Ptolemais. Vandaar schreef hij Jonatan de belegering te staken en zo spoedig mogelijk naar Ptolemais te komen voor een onderhoud met hem.
1 Makk. 11,23 Jonatan legde dit bevel naast zich neer en liet de belegering voortzetten. Hij koos enkele oudsten van IsraŽl en enkele priesters uit om hem te vergezellen en besloot zijn leven in de waagschaal te stellen.
1 Makk. 11,24 Met zilver, goud, gewaden en allerlei andere ge schenken begaf Jonatan zich naar de koning in Ptolemais en wist diens gunst te winnen.
1 Makk. 11,25 Wel brachten enkele afvallige joden beschuldigingen tegen hem in,
1 Makk. 11,26 maar de koning behandelde hem zoals zijn voorgangers hadden gedaan en overlaadde hem in tegenwoordigheid van zijn vrienden met eerbewijzen.
1 Makk. 11,27 Hij bekrachtigde zijn aanstelling als hogepriester en al de andere waardigheden die hij vroeger had ontvangen, en nam hem op onder zijn beste vrienden.
1 Makk. 11,28 Jonatan verzocht de koning om Judea en de drie districten van Samaria te ontheffen van schatting en beloofde hem daarvoor driehonderd talenten te geven.
1 Makk. 11,29 De koning willigde dat verzoek in en richtte over al die aangelegenheden tot Jonatan het volgende schrijven:
1 Makk. 11,30 'Koning Demetrius aan zijn broeder Jonatan en aan het volk van de joden. Heil u!
1 Makk. 11,31 Om u op de hoogte te stellen van onze beschikkingen aangaande u, zenden wij u een afschrift van de brief die wij hebben geschreven aan onze verwant Lastenes.
1 Makk. 11,32 Koning Demetrius aan zijn vader Lastenes. Heil u!
1 Makk. 11,33 Wij hebben besloten het volk van de joden, dat met ons bevriend is en zijn verplichtingen jegens ons nakomt, te belonen voor de welwillendheid die ze ons betonen.
1 Makk. 11,34 Wij bevestigen hen in het bezit van Judea zowel als van de drie districten EfraÔm, Lydda en Ramataim, die van Samaria zijn afgesplitst en in hun volle omvang bij Judea ingelijfd. Al degenen die in Jeruzalem offeren ontslaan wij van de betaling van het koninklijk aandeel in de veld - en boomvruchten, dat de koning vroeger jaarlijks van hen ontving;
1 Makk. 11,35 ook ontslaan wij hen met ingang van heden van het deel van de tienden en tollen waarop wij recht hebben, van de belasting op de zoutwinning en de kroongelden.
1 Makk. 11,36 Met ingang van heden zijn deze beschikkingen van kracht en nooit zal een ervan worden ingetrokken.
1 Makk. 11,37 Zorg er dus voor dat hiervan een afschrift wordt gemaakt en aan Jonatan ter hand gesteld. Het moet worden aangeslagen op een goed zichtbare plaats op de heilige berg.'
1 Makk. 11,38 Toen koning Demetrius zag dat zijn land tot rust gekomen was en er nergens meer verzet tegen hem heerste, zond hij al zijn troepen naar huis, behalve de vreemde troepen die hij op de eilanden van de heidenen had aangeworven. Maar daardoor haalde hij zich de vijandschap op de hals van al de soldaten die al vanaf de tijd van zijn vader en grootvader in dienst waren.
1 Makk. 11,39 Tryfon, een vroegere aanhanger van Alexander, merkte dat alle troepen morden tegen Demetrius. Hij ging naar de Arabier ImalkuŽ, die Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde,
1 Makk. 11,40 en verzocht hem dringend hem het kind te geven, opdat hij ervoor kon zorgen dat het koning zou worden en zo de plaats van zijn vader innemen. Hij vertelde hem van de maatre gelen die Demetrius had getroffen en van de vijandschap van zijn troepen die hij zich daardoor op de hals had gehaald. Tryfon bleef daar geruime tijd.
1 Makk. 11,41 Jonatan richtte tot koning Demetrius het verzoek zijn troepen terug te trekken uit de burcht in Jeruzalem en uit de andere vestingsteden, omdat ze IsraŽl voortdurend lastig vielen.
1 Makk. 11,42 Demetrius zond Jonatan het volgende antwoord: 'Niet alleen wil ik door het inwilligen van uw verzoek u en uw volk terwille zijn, maar bovendien zal ik u en uw volk met eer overladen, zodra ik daartoe gelegenheid vind.
1 Makk. 11,43 Voor het ogenblik zou ik het op prijs stellen als u mij soldaten stuurt om voor mij te strijden, want al mijn troepen hebben mij in de steek gelaten.'
1 Makk. 11,44 Jonatan zond drieduizend dappere soldaten naar AntiochiŽ. Zij dienden zich bij de koning aan en hij was zeer verheugd over hun komst.
1 Makk. 11,45 Het kwam in de stad tot een opstand: ongeveer honderdtwintigduizend inwoners stroomden naar het centrum en wilden de koning doden.
1 Makk. 11,46 De koning vluchtte naar het paleis, maar de inwoners van de stad bezetten de toegangswegen en gingen tot de aanval over.
1 Makk. 11,47 Daarop riep de koning de joden te hulp. Dezen groepeerden zich allen tezamen rond de koning, joegen de opstandelingen in de stad uiteen en doodden er die dag onge veer honderdduizend.
1 Makk. 11,48 Diezelfde dag nog staken ze de stad in brand en maakten veel buit. Zo redden ze de koning.
1 Makk. 11,49 Toen de inwoners van de stad zagen, dat de joden er heer en meester waren, verloren ze de moed en smeekten ze de koning:
1 Makk. 11,50 'Reik ons de hand en laat de joden de strijd tegen ons en tegen de stad staken.'
1 Makk. 11,51 Zij legden de wapens neer en sloten vrede. De joden werden in tegenwoordigheid van de koning en van al de rijksgroten met eer overladen; ze hadden zich in het koninkrijk een naam verworven. Met veel buit keerden ze naar Jeruzalem terug.
1 Makk. 11,52 Koning Demetrius zat weer op zijn koningstroon en de rust was in zijn land teruggekeerd.
1 Makk. 11,53 Maar hij hield zich niet aan zijn beloften. Hij nam zelfs een vijandige houding aan tegenover Jonatan en in plaats van hem te belonen voor de bewezen diensten, maakte hij het hem zeer lastig.
1 Makk. 11,54 Na deze gebeurtenissen kwam Tryfon terug met Antiochus, die nog een kleine jongen was. Hij riep hem tot koning uit en zette hem de diadeem op.
1 Makk. 11,55 Alle troepen die Demetrius afgedankt had, kozen zijn partij en namen de wapens op tegen Demetrius, die versla gen werd en de vlucht nam.
1 Makk. 11,56 Tryfon kwam in het bezit van de olifanten en maakte zich meester van AntiochiŽ.
1 Makk. 11,57 Toen richtte de jonge Antiochus het volgende schrijven tot Jonatan: 'Ik bekrachtig uw aanstelling als hogepriester en bevestig u als stadhouder over de vier districten en neem u op onder de vrienden van de koning.'
1 Makk. 11,58 Hij zond hem een gouden tafelservies en verleende hem het recht om uit een gouden beker te drinken, zich in purper te kleden en een gouden gesp te dragen.
1 Makk. 11,59 Simon, de broer van Jonatan, benoemde hij tot veldheer over het gebied tussen de Trap van Tyrus en de Egyptische grens.
1 Makk. 11,60 Daarop rukte Jonatan uit, doorkruiste het gebied westelijk van de Eufraat en bezocht de steden. Heel het leger van SyriŽ schaarde zich aan zijn zijde, bereid om met hem ten strijde te trekken. Toen hij in Askelon kwam, verwelkomden de burgers hem luisterrijk.
1 Makk. 11,61 Vandaar ging hij naar Gaza, maar de inwoners van Gaza sloten hun poorten. Hij belegerde de stad, brandde de omgeving plat en plunderde die uit.
1 Makk. 11,62 Toen verzochten de burgers van Gaza Jonatan om vrede. Hij reikte hun de hand; hij nam de zonen van de magistraten van de stad als gijzelaars en zond ze naar Jeruzalem. Daarna trok hij verder door het land tot aan Damascus.
1 Makk. 11,63 Toen Jonatan hoorde dat de veldheren van Demetrius, met een groot leger bij Kedes in Galilea lagen met de bedoeling hem te dwingen zijn onderneming op te geven,
1 Makk. 11,64 trok hij hun tegemoet, maar liet zijn broer Simon in het land achter.
1 Makk. 11,65 Simon sloeg het beleg om Bet-sur; dagen lang be stookte hij de stad en sloot haar tenslotte in,
1 Makk. 11,66 waarop de burgers hem om vrede vroegen. Hij reikte hun de hand, maar dwong ze de stad te verlaten. Hij nam bezit van de stad en plaatste er een garnizoen.
1 Makk. 11,67 Jonatan had zijn kamp opgeslagen aan het meer van Gennesaret en was 's morgens vroeg naar de vlakte van Hasor getrokken.
1 Makk. 11,68 Daar trokken de huurtroepen van Demetrius hem tegemoet na een afdeling in de bergen in hinderlaag te hebben gelegd. Terwijl het leger recht op de joden aanrukte,
1 Makk. 11,69 kwamen de soldaten, die zich in hinderlaag hadden gelegd, te voorschijn en vielen aan.
1 Makk. 11,70 Alle soldaten van Jonatan weken terug, niemand bleef, behalve de legeraanvoerder Mattatias, de zoon van Absalom, en Judas, de zoon van Chalfi.
1 Makk. 11,71 Toen scheurde Jonatan zijn kleren, strooide stof op zijn hoofd en bad.
1 Makk. 11,72 Daarna ging hij weer tot de aanval over en bracht de vijand zulke slagen toe dat die terugweek.
1 Makk. 11,73 Toen zijn eigen vluchtende soldaten dit zagen, keerden ze naar Jonatan terug en samen met hem achtervolgden ze de vijand tot Kedes, waar zijn kamp was. Daar sloegen zij hun legerplaats op.
1 Makk. 11,74 Die dag sneuvelden van de huurtroepen van Demetrius ongeveer drieduizend man. Jonatan keerde naar Jeruzalem terug.

1 Makk. 12,1 Toen Jonatan zag dat de omstandigheden gunstig voor hem waren, koos hij enkele mannen uit en zond die naar Rome om de vriendschapsbetrekkingen met de Romeinen te vernieuwen.
1 Makk. 12,2 Naar Sparta en andere staten zond hij brieven van gelijke strekking.
1 Makk. 12,3 De gezanten vertrokken naar Rome. Daar traden ze de senaat binnen en spraken als volgt: 'De hogepriester Jonatan en het volk van de joden, hebben ons gezonden om de vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap van vroeger te laten vernieuwen.'
1 Makk. 12,4 De Romeinen gaven hun brieven mee voor de verschil lende plaatselijke overheden met het doel hun een vrijgeleide naar het land Juda te verstrekken.
1 Makk. 12,5 Hier volgt een afschrift van de brief die Jonatan aan de Spartanen schreef:
1 Makk. 12,6 'De hogepriester Jonatan, de raad der oudsten van het volk, de priesters en het overige volk der joden aan hun broeders de Spartanen: Heil u!
1 Makk. 12,7 In vroeger tijd heeft reeds uw koning Areios een brief gezonden aan onze hogepriester Onias, waarin gezegd wordt dat u onze broeders bent, zoals blijkt uit het bijge voegde afschrift.
1 Makk. 12,8 Onias heeft de gezant eervol ontvangen en de brief aanvaard, waarin het bondgenootschap en de vriendschapsbetrekkingen duidelijk omschreven worden.
1 Makk. 12,9 Daar wij onze troost putten uit de heilige boeken die wij bezitten, hebben we dergelijke betrekkingen niet nodig,
1 Makk. 12,10 maar om niet van u te vervreemden, doen wij een poging om door middel van een gezantschap de banden van een broederlijke vriendschap te vernieuwen. Want het is reeds lang geleden dat u iets van u hebt laten horen.
1 Makk. 12,11 Van onze kant laten we nooit een gelegenheid voorbij gaan, om op feesten en andere plechtige dagen bij onze offers en gebeden aan u te denken; want het past en betaamt dat broeders elkander indachtig zijn.
1 Makk. 12,12 Wij verheugen ons over het aanzien dat u geniet.
1 Makk. 12,13 Daarentegen zijn wij getroffen door veel rampen en oorlogen en hebben de koningen van de landen rondom ons de wapens tegen ons opgenomen.
1 Makk. 12,14 Desondanks hebben wij u noch onze andere bondgenoten en vrienden lastig willen vallen,
1 Makk. 12,15 wij hebben immers de hulp van de hemel die ons bij staat. Daardoor zijn we van onze vijanden vernederd.
1 Makk. 12,16 Wij hebben Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, uitgekozen en hen naar de Romeinen gezonden om met hen de oude vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap te vernieuwen.
1 Makk. 12,17 Tevens hebben wij hun opgedragen ook naar u te reizen, onze groeten aan u over te brengen en u onze brief te overhandigen over de vernieuwing van onze broederlijke betrek kingen.
1 Makk. 12,18 U zult ons ten zeerste verplichten, als wij daaromtrent antwoord van u mogen ontvangen.'
1 Makk. 12,19 En hier volgt het afschrift van de brief die de Spartanen aan Onias hadden gezonden:
1 Makk. 12,20 'Arius, de koning van de Spartanen, aan de hoge priester Onias. Heil u!
1 Makk. 12,21 Uit een geschrift over de Spartanen en de joden is gebleken dat ze broeders zijn en beiden van Abraham afstammen.
1 Makk. 12,22 Nu we dit weten, zoudt u ons zeer verplichten met ons te schrijven, hoe het u gaat.
1 Makk. 12,23 Wij van onze kant schrijven u reeds: Uw kudden en goederen zijn de onze, en de onze zijn de uwe. Wij hebben opdracht gegeven u van deze dingen op de hoogte te brengen.'
1 Makk. 12,24 Toen Jonatan hoorde, dat de aanvoerders van Demetrius waren teruggekomen met een leger dat groter was dan het vorige, om met hem de strijd aan te binden,
1 Makk. 12,25 brak hij op uit Jeruzalem en trok hun tot in het gebied van Hamat tegemoet; want hij wilde hun de kans niet geven zijn land binnen te rukken.
1 Makk. 12,26 Hij zond verkenners naar hun kamp; teruggekeerd deelden dezen mee dat de vijand voorbereidingen trof om hen in de komende nacht te overvallen.
1 Makk. 12,27 Na zonsondergang gaf Jonatan zijn troepen bevel te waken en gewapend te blijven om zodoende op ieder ogenblik van de nacht klaar te staan voor de strijd; verder zette hij rondom het kamp wachtposten uit.
1 Makk. 12,28 Maar toen de vijand hoorde dat Jonatan en zijn troepen klaar stonden voor de strijd, kregen ze schrik en verloren de moed. Ze ontstaken wachtvuren in hun kamp en trokken af.
1 Makk. 12,29 Omdat Jonatan en zijn leger de vuren zagen branden bemerkten ze niets van die aftocht voor de volgende morgen.
1 Makk. 12,30 Toen zette hij de achtervolging in, maar kon ze niet meer inhalen, omdat ze de rivier de Eleuterus reeds waren overgetrokken.
1 Makk. 12,31 Daarom staakte Jonatan de achtervolging en keerde zich tegen de Arabieren, die men ZabadeeŽn noemt; hij versloeg ze en maakte zich van hun bezittingen meester.
1 Makk. 12,32 Vervolgens brak hij op en ging naar Damascus; vandaar doorkruiste hij het hele gebied.
1 Makk. 12,33 Ook Simon was uitgerukt en had het gebied door kruist tot Askelon en de naburige vestingen. Vervolgens had hij rechtsomkeert gemaakt, was naar Joppe getrokken en had de stad bezet.
1 Makk. 12,34 Want hij had vernomen dat de inwoners de vesting wilden overleveren aan de aanhangers van Demetrius. Simon plaatste er een garnizoen om de stad te bewaken.
1 Makk. 12,35 Na zijn terugkeer riep Jonatan de oudsten van het volk bijeen en nam in overleg met hen het besluit om in Judea vestingen te bouwen,
1 Makk. 12,36 de muren van Jeruzalem te verhogen, en tussen de burcht en de stad een hoge muur op te trekken om de burcht zodanig van de stad af te sluiten dat er geen handelsverkeer meer mogelijk was.
1 Makk. 12,37 Arbeiders werden bijeengebracht voor de bouw van de stadsmuur: een deel van de muur langs de beek aan de oostzijde van de stad was ingestort. De wijk die Chafenata wordt genoemd herstelde men.
1 Makk. 12,38 Simon versterkte Hadida in de Sefelavlakte en voorzag het van poorten met grendels.
1 Makk. 12,39 Tryfon streefde ernaar koning van AziŽ te worden, zich de diadeem op het hoofd te zetten en koning Antiochus uit de weg te ruimen.
1 Makk. 12,40 Hij was echter bang dat Jonatan hem niet zou laten begaan, maar de wapens tegen hem zou opnemen. Daarom zocht hij naar een middel om zich van Jonatan meester te maken en hem te doden. Hij rukte dus uit en kwam in Bet-san.
1 Makk. 12,41 Jonatan trok hem tegemoet met een slagvaardig leger van veertigduizend man en kwam ook in Bet-san.
1 Makk. 12,42 Toen Tryfon zag dat hij met een sterk leger gekomen was, schrok hij ervoor terug hem aan te vallen.
1 Makk. 12,43 Tryfon ontving hem met luister, stelde hem voor aan al zijn vrienden, bood hem geschenken aan en beval zijn vrienden en zijn troepen Jonatan te gehoorzamen als hem zelf.
1 Makk. 12,44 Daarna vroeg hij Jonatan: 'Waarom hebt u al dit volk deze overlast aangedaan? Er is toch geen oorlog die ons bedreigt?
1 Makk. 12,45 Kies enige mannen uit om u te begeleiden en stuur de rest naar huis. En ga dan met mij mee naar Ptolemais. Ik wil die stad met de overige vestingen, troepen en ambtenaren aan u overdragen. Daarna vertrek ik weer want dat is het doel van mijn komst.'
1 Makk. 12,46 Jonatan vertrouwde hem en deed wat hij had gevraagd: hij zond de troepen weg en deze keerden naar het land van Juda terug.
1 Makk. 12,47 Hij hield drieduizend man bij zich; daarvan zond hij er tweeduizend naar Galilea en gingen er duizend met hem mee.
1 Makk. 12,48 Maar nauwelijks was Jonatan in Ptolemais aangekomen, of de inwoners sloten de poorten; zij namen hem gevangen en allen die met hem waren meegekomen doodden ze met het zwaard.
1 Makk. 12,49 Daarop zond Tryfon voetvolk en ruiters naar Galilea en de grote vlakte om alle manschappen van Jonatan te doden.
1 Makk. 12,50 Die hadden echter reeds vernomen dat Jonatan gevangen genomen was en met zijn mannen de dood had gevonden; daarom spraken ze elkaar moed in en rukten ze in gesloten gelederen op, gereed om te vechten.
1 Makk. 12,51 Toen de achtervolgers zagen dat het een gevecht zou worden op leven of dood, keerden ze terug.
1 Makk. 12,52 Zo kwamen allen behouden in het land van Juda aan. Zij treurden over Jonatan en zijn mannen en waren zeer bevreesd. Heel IsraŽl treurde in diepe rouw.
1 Makk. 12,53 De volken rondom deden weer pogingen om de IsraŽlieten uit te roeien; ze zeiden immers: 'De IsraŽlieten hebben geen aanvoerder meer en niemand die hen helpt; laten we daarom nu de strijd met hen aanbinden en hun aandenken bij de mensen uitwissen.'

1 Makk. 13,1 Simon hoorde dat Tryfon een groot leger op de been had gebracht en het land van Juda wilde binnenvallen en het verwoesten.
1 Makk. 13,2 Tevens zag hij dat het volk beefde van angst. Daarom ging hij naar Jeruzalem, riep het volk bijeen
1 Makk. 13,3 en sprak het moed in met deze woorden: 'U weet wat ik, mijn broers en mijn familie hebben gedaan voor de wet en de tempel, en hoeveel oorlogen en ellende we hebben doorstaan.
1 Makk. 13,4 Voor die zaak, de zaak van IsraŽl, zijn al mijn broers omgekomen; ik alleen ben nog over.
1 Makk. 13,5 Maar zolang de omstandigheden zo benard zijn, denk ik er niet aan mijn leven te sparen; want ik ben niet beter dan mijn broers.
1 Makk. 13,6 Integendeel, ik wil mijn volk wreken en de tempel, uw vrouwen en kinderen, want uit haat tegen ons spannen de volken samen om ons uit te roeien.'
1 Makk. 13,7 Toen het volk deze woorden hoorde, herleefde de moed
1 Makk. 13,8 en luid riepen ze: 'U bent onze aanvoerder in plaats van Judas en van uw broer Jonatan;
1 Makk. 13,9 u neemt de leiding in de strijd die wij te voeren hebben: wat u beveelt, doen we.'
1 Makk. 13,10 Simon riep alle strijdbare mannen op, liet de muren van Jeruzalem zo snel mogelijk voltooien en bracht rondom de stad versterkingen aan.
1 Makk. 13,11 Hij zond Jonatan, de zoon van Absalom, met een groot leger naar Joppe, deze verdreef de inwoners en hield de stad bezet.
1 Makk. 13,12 Tryfon was met een groot leger van Ptolemais opge rukt om het land van Juda binnen te vallen; hij voerde Jonatan gevankelijk met zich mee.
1 Makk. 13,13 Simon sloeg zijn kamp op bij Hadida aan de rand van de vlakte.
1 Makk. 13,14 Toen Tryfon hoorde dat Simon de plaats van zijn broer Jonatan had ingenomen en op het punt stond om de strijd met hem aan te binden, liet hij hem door gezanten zeggen:
1 Makk. 13,15 'Omdat uw broer nog geld schuldig was aan' s konings schatkist, uit hoofde van het ambt dat hij bekleedde, hebben we hem in hechtenis genomen.
1 Makk. 13,16 We zullen hem vrij laten, als u honderd talenten zilver stuurt en twee van zijn zonen als gijzelaars, om te voorkomen dat hij na zijn vrijlating ons afvalt.'
1 Makk. 13,17 Ofschoon Simon begreep dat hij bedrogen werd, liet hij toch het geld en de kinderen halen, om zich niet de haat van het volk op de hals te halen.
1 Makk. 13,18 Want dat zou kunnen zeggen: 'Jonatan is omgekomen, omdat Simon hem het geld en de kinderen niet heeft gestuurd.'
1 Makk. 13,19 Hij zond dus de kinderen en de honderd talenten, maar Tryfon hield zijn woord niet en liet Jonatan niet vrij.
1 Makk. 13,20 Daarna brak Tryfon op om het land binnen te vallen en het te verwoesten. Daarvoor maakte hij een omweg over Adora. Maar Simon trok met zijn leger tegelijk met hem op en versperde de passen waarlangs hij wilde binnenrukken.
1 Makk. 13,21 De bezetting van de burcht zond boden naar Tryfon om er bij hem op aan te dringen met spoed door de woestijn naar hen toe te komen en hun levensmiddelen te sturen.
1 Makk. 13,22 Tryfon liet geheel zijn ruiterij in staat van paraatheid brengen om erheen te trekken; maar 's nachts viel er zoveel sneeuw, dat die niet vooruit kon. Daarop trok Tryfon af en ging naar Gilead.
1 Makk. 13,23 Toen hij in de buurt van Baskama gekomen was, doodde hij Jonatan. Deze werd daar begraven.
1 Makk. 13,24 Tryfon aanvaardde de terugtocht en vertrok naar zijn land.
1 Makk. 13,25 Simon liet het stoffelijk overschot van zijn broer Jonatan halen en begroef het in Modein, de stad van zijn voorvaderen.
1 Makk. 13,26 Heel IsraŽl treurde in diepe rouw over zijn dood en dagen lang klonken er rouwklachten over hem.
1 Makk. 13,27 Op het graf van zijn vader en van zijn broers liet Simon een monument oprichten zo hoog dat het van verre te zien was; het was opgebouwd van stenen die zowel aan de achterzijde als de voorzijde gepolijst waren.
1 Makk. 13,28 Het bestond uit zeven piramiden; die voor zijn vader en moeder en zijn vier broers stonden tegenover elkaar.
1 Makk. 13,29 tot een eeuwig aandenken richtte hij rondom die piramiden in kunstvolle schikking zuilen op, afwisselend bekroond met wapenrustingen en gebeeldhouwde schepen, die zo groot waren dat ze door de zeevarenden gezien konden worden.
1 Makk. 13,30 Zo zag het grafmonument eruit dat Simon in Modein liet bouwen. Het staat er nu nog.
1 Makk. 13,31 Tryfon liet de jonge koning Antiochus op sluwe wijze ter dood brengen,
1 Makk. 13,32 wierp zich als zijn opvolger op en zette zich de diadeem van AziŽ op het hoofd. Daardoor bracht hij veel onheil over het land.
1 Makk. 13,33 Simon versterkte de vestingsteden van Judea, voorzag ze van hoge torens, zware muren en poorten met grendels, en liet in de vestingen levensmiddelen opslaan.
1 Makk. 13,34 Verder koos Simon enkele mannen uit die hij naar koning Demetrius zond met het verzoek, dat hij het land vrijstelling van belasting zou verlenen, aangezien het bewind van Tryfon een roverij was geweest.
1 Makk. 13,35 Koning Demetrius willigde zijn verzoek in en zond hem een schriftelijk antwoord van de volgende inhoud:
1 Makk. 13,36 'Koning Demetrius aan Simon, de hogepriester en vriend van de koningen, aan de oudsten en aan het volk der joden. Heil u!
1 Makk. 13,37 De gouden kroon en de palmtak die u gezonden hebt, hebben wij in ontvangst genomen. Wij zijn bereid een duurzame vrede met u te sluiten en zullen onze ambtenaren schrijven dat ze u moeten vrijstellen van belasting.
1 Makk. 13,38 Alwat wij bij dezen met betrekking tot u bepalen, is van kracht. De vestingen, door u gebouwd, behoren aan u.
1 Makk. 13,39 Wij verlenen u vergiffenis van al uw tekortkomingen en misslagen tot op de huidige dag, alsmede kwijtschelding van de kroongelden, die gij ons verschuldigd zijt; en mocht er nog een andere belasting in Jeruzalem worden geheven, dan wordt die in het vervolg niet meer gevorderd.
1 Makk. 13,40 Als er onder u mannen zijn die zich geschikt achten voor onze lijfwacht, dat ze zich dan laten inschrijven. Voortaan zij er vrede tussen ons.'
1 Makk. 13,41 In het jaar honderdenzeventig werd het juk van de volken van IsraŽl afgenomen
1 Makk. 13,42 en begon het volk oorkonden en overeenkomsten te dateren met de formule: In het eerste jaar van Simon, hoge priester, veldheer en vorst der joden.
1 Makk. 13,43 In die tijd sloeg Simon het beleg om Gezer en sloot het met zijn leger in. Hij bouwde een stormtoren, reed die naar de stadsmuur, sloeg een bres in een van de torens en bezette die.
1 Makk. 13,44 De soldaten sprongen uit de stormtoren de stad in, en deze raakte in heftige beroering.
1 Makk. 13,45 De inwoners kwamen met vrouwen en kinderen de stadsmuur op, scheurden hun kleren en smeekten Simon luidkeels dat hij hun de hand zou reiken.
1 Makk. 13,46 Ze riepen: 'Behandel ons niet naar onze misdaden, maar toon ons uw barmhartigheid.'
1 Makk. 13,47 Simon gaf hieraan gevolg en staakte de strijd. Hij zette ze uit de stad, zuiverde de huizen van afgodsbeelden en hield toen zijn intocht onder het zingen van lof - en danklie deren.
1 Makk. 13,48 Al wat onrein was ruimde hij op en hij liet er mensen wonen die de wet onderhielden. Hij versterkte de stad en liet er voor zichzelf een huis bouwen.
1 Makk. 13,49 Voor de bezetting van de burcht in Jeruzalem was alle verkeer met de buitenwereld onmogelijk gemaakt. Nu ze geen inkopen meer konden doen, begonnen ze ernstig gebrek te lijden en velen stierven van honger.
1 Makk. 13,50 Daarom smeekten ze Simon hun de hand te reiken. Hij deed dat en zette hen uit de burcht en zuiverde die van al wat aan afgoderij herinnerde.
1 Makk. 13,51 En op de drieŽntwintigste dag van de tweede maand van het jaar honderdeenenzeventig hielden de joden er hun intocht onder gejuich en het wuiven met palmtakken, onder het spelen van citers, cimbalen en lieren, en onder het zingen van lof - en dankliederen, want een grote vijand was uit IsraŽl verdreven.
1 Makk. 13,52 Simon bepaalde dat men deze dag jaarlijks met vreugde zou vieren. De vesting die op de tempelberg aan de kant van de burcht ligt, versterkte hij en ging daar met de zijnen wonen.
1 Makk. 13,53 Omdat Simon had ervaren dat zijn zoon Johannes een kerel uit een stuk was, stelde hij hem aan tot aanvoerder van geheel het leger. Johannes vestigde zich in Gezer.

1 Makk. 14,1 In het jaar honderdtweeŽnzeventig riep koning Demetrius zijn troepen bijeen en trok naar MediŽ om daar hulp te zoeken voor zijn strijd tegen Tryfon.
1 Makk. 14,2 Toen Arsakes, de koning van PerziŽ en MediŽ, hoorde dat Demetrius zijn gebied was binnengetrokken, zond hij een van zijn veldheren om hem levend gevangen te nemen.
1 Makk. 14,3 Deze rukte uit, versloeg het leger van Demetrius, nam deze gevangen en bracht hem voor Arsakes, die hem in de gevangenis liet werpen.
1 Makk. 14,4 Tijdens Simons bewind genoot het land van Judas rust. Hij behartigde het welzijn van zijn volk, dat zolang hij leefde gelukkig was met zijn macht en roem.
1 Makk. 14,5 Groter roem verwierf hij zich nog, toen hij het volk een haven gaf door de verovering van Joppe, en zo de toegang opende tot het Middellandse-zee-gebied.
1 Makk. 14,6 Hij breidde het grondgebied van zijn volk uit door zich meester te maken van het land.
1 Makk. 14,7 Tal van vijanden maakte hij krijgsgevangen. Hij bedwong Gezer, Bet-sur en de burcht en zuiverde die van alle sporen van afgodendienst, zonder dat iemand hem weerstand bood.
1 Makk. 14,8 Ongestoord bebouwde ieder zijn akker en de aarde bracht haar gewassen voort en de bomen in de vlakte hun vruchten.
1 Makk. 14,9 De bejaarden zakten samen langs de straten en spraken over de welvaart, de jonge mannen gingen gekleed in een schitterend krijgsgewaad.
1 Makk. 14,10 Hij voorzag de steden van levensmiddelen en rustte ze uit met verdedigingstuig. Zo werd zijn naam beroemd tot aan het einde der aarde.
1 Makk. 14,11 Vrede bracht hij over het land en in IsraŽl heerste een uitbundige vreugde.
1 Makk. 14,12 Iedereen zat onbekommerd onder zijn wijnstok en vijgenboom.
1 Makk. 14,13 Want de vijanden waren in die tijd machteloos.
1 Makk. 14,14 Hij was een steun voor de geringen onder zijn volk, hij was vol ijver voor de wet en roeide goddelozen en boosdoners uit.
1 Makk. 14,15 Hij verhoogde de luister van de tempel en vergroot te het aantal heilige vaten.
1 Makk. 14,16 Toen Rome en zelfs Sparta hoorden dat Jonatan overleden was, waren zij daarover diep bedroefd.
1 Makk. 14,17 Maar toen ze vernamen dat zijn broer Simon hem als hogepriester was opgevolgd en stad en land regeerde,
1 Makk. 14,18 vernieuwden ze met hem de vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap dat zij met zijn broers Judas en Jonatan gesloten hadden, legden dit schriftelijk vast op bronzen platen en stuurden die naar Simon.
1 Makk. 14,19 Lezing ervan geschiedde in de volksvergadering in Jeruzalem.
1 Makk. 14,20 Hier volgt een afschrift van de brief die de Spartanen zonden: 'De magistraten en de stad van de Spartanen aan Simon, de hogepriester, aan de oudsten, de priesters en het overige volk der joden, hun broeders. Heil u!
1 Makk. 14,21 De gezanten die u naar ons volk hebt afgevaardigd, hebben ons ingelicht over het aanzien en het gezag dat u geniet. We waren zeer verheugd over hun komst.
1 Makk. 14,22 Hun verklaringen hebben wij als volgt onder de staatsoorkonden opgenomen: Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, beiden gezanten van de joden, zijn tot ons gekomen om hun vriendschapsbetrekkingen met ons te vernieuwen.
1 Makk. 14,23 Het volk heeft besloten deze mannen eervol te ontvangen en een afschrift van hun verklaringen op te nemen in de staatsarchieven, opdat het volk der Spartanen de herinnering eraan bewaart. Een afschrift hiervan hebben ze aan de hogepriester Simon gezonden.'
1 Makk. 14,24 Daarna zond Simon Numenius met een groot gouden schild ter waarde van duizend minen naar Rome om het bondgenootschap te bevestigen.
1 Makk. 14,25 Vanwege al deze verdiensten vroeg het joodse volk zich af: 'Hoe kunnen we Simon en zijn zonen onze dankbaarheid betuigen?
1 Makk. 14,26 Want hijzelf, zowel als zijn broers en zijn familie zijn onwrikbaar geweest in de strijd tegen de vijanden van IsraŽl; ze hebben de vijanden teruggeslagen en voor IsraŽl de vrijheid verworven.' Daarom lieten ze op bronzen platen een oorkonde opmaken en bevestigen aan zuilen op de berg Sion.
1 Makk. 14,27 Hier volgt een afschrift van de oorkonde: 'Op de achttiende Elul van het jaar honderdtweeŽnzeventig, in het derde jaar van het hogepriesterschap van Simon, heeft men in het Asaramel,
1 Makk. 14,28 tijdens een grote vergadering van de priesters en het volk, van de leiders van het volk en de oudsten van het land, onze aandacht gevestigd op de volgende feiten:
1 Makk. 14,29 Tijdens de vele oorlogen die in ons land hebben gewoed, hebben Simon, de zoon van Mattatias, uit het geslacht van Jojarib, en zijn broers hun leven op het spel gezet en weerstand geboden aan de vijanden van hun volk voor het behoud van hun tempel en de wet. Daardoor hebben zij hun volk beroemd gemaakt.
1 Makk. 14,30 Nadat Jonatan, die zijn volk om zich verenigd had en hogepriester was geworden, bij zijn voorvaderen was bijgezet,
1 Makk. 14,31 besloten hun vijanden het land binnen te vallen om het te verwoesten en zich van de tempel meester te maken.
1 Makk. 14,32 Toen greep Simon naar de wapens en streed voor zijn volk. Hij besteedde een groot gedeelte van zijn persoonlijk vermogen om het leger van zijn volk te bewapenen en het soldij uit te betalen.
1 Makk. 14,33 Hij versterkte de steden van Judea en de grens plaats Betsur, dat een wapenplaats van de vijand was, en legerde daar een joods garnizoen;
1 Makk. 14,34 verder versterkte hij Joppe aan zee en het eertijds door de vijand bewoonde Gezer aan de grens van Azotus, dat hij met joden bevolkte; beide steden voorzag hij van alles wat nodig was voor hun onderhoud.
1 Makk. 14,35 Omdat Simon dat alles gedaan had in onkreukbare trouw jegens zijn volk, heeft dat volk, overtuigd van die trouw en van zijn toewijding voor de roem van zijn volk, hem aangesteld tot hun leider en hogepriester. Op alle mogelijke wijzen heeft hij ernaar gestreefd zijn volk te verheffen.
1 Makk. 14,36 Onder zijn bewind en door zijn toedoen is het gelukt de heidenen uit het land te verdrijven, waaronder ook de bezetting van de stad van David in Jeruzalem. Deze laatsten hadden daar een burcht gebouwd, van waar zij uitvallen deden, de omgeving van de tempel ontwijdden en de heiligheid ervan uitermate ernstig schonden.
1 Makk. 14,37 Simon legerde een joodse bezetting in de burcht, die hij nog sterker maakte ter beveiliging van stad en land; bovendien trok hij de muren van Jeruzalem hoger op.
1 Makk. 14,38 Koning Demetrius bevestigde hem in de hogepriesterlijke waardigheid zoals hieronder omschreven is.
1 Makk. 14,39 Hij nam hem onder zijn vrienden en bewees hem grote eer.
1 Makk. 14,40 De koning had immers vernomen dat de Romeinen de joden tot vrienden, bondgenoten en broeders hadden verklaard en dat ze de gezanten van Simon eervol hadden ontvangen.
1 Makk. 14,41 Ook was hij ervan in kennis gesteld, dat de joden en hun priesters besloten hadden dat Simon voor altijd hun leider en hogepriester zou zijn, tenzij er een betrouwbaar profeet mocht komen die anders zou beslissen,
1 Makk. 14,42 alsook hun legeraanvoerder. Hij was belast met de zorg voor de tempel en hem kwam het toe beambten aan te stellen over de openbare werken, mannen te benoemen om het land te besturen, de wapendepots te beheren en het bevel te voeren over de vestingen.
1 Makk. 14,43 Hij was belast met de zorg voor de tempel; allen moesten zijn bevelen gehoorzamen, alle officiŽle stukken in het land moesten onder zijn naam opgesteld worden; hij zou zich in purper kleden en de gouden gesp dragen.
1 Makk. 14,44 Niemand uit het volk of uit de priesters is het geoorloofd iets aan deze bepalingen af te doen of aan zijn bevelen te weerstaan, zonder zijn toestemming een vergadering in het land te beleggen, zich in purper te kleden of de gouden gesp te dragen.
1 Makk. 14,45 Degene die in strijd met deze beslissingen handelt of een ervan niet doet, zal strafbaar zijn.
1 Makk. 14,46 Heel het volk heeft besloten de genoemde volmachten aan Simon te verlenen.
1 Makk. 14,47 En Simon heeft ze aanvaard en zich bereid verklaard hogepriester, veldheer en leider van het joodse volk en zijn priesters te zijn en over allen het bewind te voeren.'
1 Makk. 14,48 Deze oorkonde lieten ze op bronzen tafels beitelen en die op een duidelijk zichtbare plaats binnen de ommuring van de tempel aanbrengen.
1 Makk. 14,49 Een afschrift ervan moest in de schatkamer worden gelegd ter beschikking van Simon en zijn zonen.

1 Makk. 15,1 Antiochus, de zoon van koning Demetrius, zond van de eilanden in de zee een brief aan Simon, de hogepriester en leider van de joden, en aan heel het volk.
1 Makk. 15,2 De inhoud luidde als volgt: 'Koning Antiochus aan Simon, de hogepriester en leider van het volk en aan het volk van de joden. Heil u!
1 Makk. 15,3 Aangezien enige booswichten het rijk van mijn voorvaderen hebben overweldigd en ik dat rijk weer wil terug winnen, om het in zijn vroegere toestand te herstellen, heb ik veel troepen aangeworven en oorlogsschepen uitgerust.
1 Makk. 15,4 Daarmee wil ik aan land komen om wraak te nemen op degenen die ons land te gronde gericht en vele steden in mijn rijk ontvolkt hebben.
1 Makk. 15,5 Ik bekrachtig hiermee dan ook alle ontheffingen, u door mijn voorgangers geschonken, alsmede alle andere kwijt scheldingen die ze u hebben verleend.
1 Makk. 15,6 Ik sta u tevens toe voor uw land geld te munten.
1 Makk. 15,7 Jeruzalem en de tempel zullen vrij en onbelast zijn. Alle wapens, die u hebt laten maken, en de vestingen die u gebouwd hebt en die in uw bezit zijn, blijven van u.
1 Makk. 15,8 Alles wat u heden aan' s konings schatkist verschuldigd bent of in de toekomst zult zijn, is u vanaf heden en voor altijd kwijtgescholden.
1 Makk. 15,9 Zodra wij ons rijk weer hebben hersteld, zullen we u, uw volk en de tempel zo grote eer bewijzen, dat uw roem over heel de aarde bekend wordt.'
1 Makk. 15,10 In het jaar honderdvierenzeventig trok Antiochus naar het land van zijn voorvaderen. Bijna alle troepen kozen zijn zijde, zodat Tryfon slechts een klein leger overhield.
1 Makk. 15,11 Deze nam de vlucht en terwijl Antiochus hem achter volgde, week hij uit naar Dor aan zee;
1 Makk. 15,12 nu zijn leger hem in de steek had gelaten, wist hij dat de ene ramp na de andere hem bedreigde.
1 Makk. 15,13 Antiochus sloeg met honderdtwintigduizend man voetvolk en achtduizend ruiters het beleg voor Dor.
1 Makk. 15,14 Hij sloot de stad van alle kanten in, waarbij de schepen vanuit zee aan de omsingeling deelnamen. Zo bracht hij de stad zowel aan de land - als aan de zeezijde in het nauw en liet er niemand in - of uitgaan.
1 Makk. 15,15 Intussen kwam Numenius met zijn gezellen uit Rome terug met brieven voor de koningen en de staten van de volgen de inhoud:
1 Makk. 15,16 'Lucius, Romeins consul, aan koning PtolomeŁs. Heil u!
1 Makk. 15,17 De gezanten van de joden zijn tot ons gekomen als onze vrienden en bondgenoten om de vroegere vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap te vernieuwen. Ze waren gezonden door de hogepriester Simon en door het joodse volk,
1 Makk. 15,18 en brachten een gouden schild mee ter waarde van duizend minen.
1 Makk. 15,19 Wij hebben daarom besloten aan de koningen en de staten te schrijven, hun geen schade te berokkenen, hen niet aan te vallen, noch hun steden of grondgebied, en geen hulp te verlenen aan degenen die oorlog tegen hen voeren.
1 Makk. 15,20 Wij hebben besloten het schild van hen in ontvangst te nemen.
1 Makk. 15,21 Mochten booswichten uit hun land naar u gevlucht zijn, lever ze dan uit aan de hogepriester Simon, opdat hij ze volgens hun wet bestraffen kan.'
1 Makk. 15,22 Hetzelfde had de consul geschreven aan koning Demetrius, Attalus, Ariarates en Arsakes,
1 Makk. 15,23 alsmede aan alle staten: aan Sampsane, Sparta, Delos, Myndus, Sikyon, KariŽ, Samos, PamfyliŽ, LyciŽ, Halikar nassus, Rhodos, Faselis, Kos, Side, Aradus, Gortyna, Knidus, Cyprus en Cyrene.
1 Makk. 15,24 Van die brieven werd een afschrift gezonden aan de hogepriester Simon.
1 Makk. 15,25 Koning Antiochus belegerde, zoals gezegd, Dor. Hij liet zijn troepen voortdurend aanvallen doen op de stad, maakte belegeringswerktuigen en sloot Tryfon zo in, dat elk verkeer met de buitenwereld voor hem onmogelijk was.
1 Makk. 15,26 Simon zond tweeduizend man keurtroepen naar Antiochus om hem te helpen, alsmede zilver en goud en veel andere geschenken.
1 Makk. 15,27 Maar deze wilde het niet aannemen, erger nog: hij maakte ongedaan wat hij vroeger met Simon had afgesproken en nam een vijandige houding tegenover hem aan.
1 Makk. 15,28 Hij zond Atenobius, een van zijn vrienden, voor een onderhoud naar Simon. Die moest hem zeggen: 'U houdt Jafo, Gezer en de burcht in Jeruzalem bezet, terwijl die steden in mijn rijk behoren.
1 Makk. 15,29 U hebt hun gebied verwoest, het land ernstige schade berokkend en u meester gemaakt van vele districten in mijn rijk.
1 Makk. 15,30 Geef de steden, die u bezet hebt, nu terug en betaal de schatting van de districten waarvan u zich buiten de grenzen van Judea meester hebt gemaakt.
1 Makk. 15,31 Doet u dat niet, dan moet u in plaats daarvan vijfhonderd talenten zilver geven en voor de verwoestingen die u hebt aangericht en voor de schatting van de steden nog eens vijfhonderd talenten zilver. Voldoet u ook hier niet aan, dan nemen we de wapens tegen u op.'
1 Makk. 15,32 Toen Atenobius, de vriend van de koning, in Jeruzalem kwam en daar de praal van Simon zag, de schenktafel met het gouden en zilveren vaatwerk en de grote staatsie die hij voerde, stond hij verbaasd. Maar toen hij Simon de boodschap van de koning had overgebracht
1 Makk. 15,33 gaf deze hem ten antwoord: 'Wij hebben ons geenszins meester gemaakt van het land van een ander of van de goederen van een ander, maar van ons voorvaderlijk erfdeel, dat gedurende enige tijd onrechtmatig in handen is geweest van onze vijanden.
1 Makk. 15,34 Nu de omstandigheden zich in ons voordeel gewijzigd hebben, houden wij vast aan ons voorvaderlijk erfdeel.
1 Makk. 15,35 Wat uw eisen aangaande Joppe en Gezer betreft: deze steden hebben ons volk en ons land zware slagen toegebracht; we zijn echter bereid u voor deze steden talenten te geven.' Zonder een woord te zeggen
1 Makk. 15,36 keerde Atenobius verontwaardigd naar de koning terug, deelde hem mee wat Simon gezegd had en lichtte hem in over de weelde en al het andere dat hij bij Simon gezien had. Toen de koning dat hoorde werd hij woedend.
1 Makk. 15,37 Intussen was Tryfon erin geslaagd in een schip naar Ortosia te ontvluchten.
1 Makk. 15,38 De koning stelde Kendebeus aan tot opperbevelhebber over het kustgebied, gaf hem voetvolk en ruiters,
1 Makk. 15,39 en beval hem aan de grens van Judea zijn kamp op te slaan, Kedron te versterken en van zware poorten te voorzien om dan de strijd aan te binden met het joodse volk. Daarop vertrok de koning om Tryfon te achtervolgen.
1 Makk. 15,40 Kendebeus trok naar Jamnia en begon het volk te prikkelen door invallen in Judea te doen, waarbij hij mensen gevangen nam en doodde.
1 Makk. 15,41 Hij versterkte Kedron en legerde er ruiterij en voetvolk om vandaaruit volgens het bevel van de koning Judea binnen te trekken.
1 Makk. 16,1 Johannes vertrok uit Gezer om zijn vader Simon te melden wat Kendebeus deed.
1 Makk. 16,2 En Simon sprak tot zijn twee oudste zoons, Judas en Johannes: 'Ik, mijn broers en de familie van mijn vader hebben van onze jeugd af tot nu toe de vijanden van IsraŽl bestreden en herhaalde malen is het ons gelukt IsraŽl te bevrijden.
1 Makk. 16,3 Nu ben ik oud geworden, maar jullie zijn, dank zij Gods barmhartigheid in de kracht van je jaren. Neem daarom mijn plaats en die van mijn broer in, trek ten strijde voor ons volk en moge de hulp van de hemel met jullie zijn!'
1 Makk. 16,4 Simon riep uit het land twintigduizend man voetvolk en ruiters op. Die trokken tegen Kendebeus op en brachten de nacht door in Modein.
1 Makk. 16,5 Toen ze 's morgens de vlakte in trokken kwam hun een groot leger van voetvolk en ruiters tegemoet. Tussen beide legers liep een beek.
1 Makk. 16,6 Johannes stelde zich met zijn leger tegenover de vijand op; toen hij bemerkte dat zijn mannen bang waren om de beek over te steken, ging hij zelf het eerst, waarop zijn leger hem volgde.
1 Makk. 16,7 Omdat de vijandelijke ruiterij zeer talrijk was, verdeelde hij zijn leger en plaatste hij zijn ruiterij tussen het voetvolk.
1 Makk. 16,8 Toen staken ze de trompet en Kendebeus werd met zijn leger terug gedreven; velen sneuvelden, de overigen trachtten naar de vesting te vluchten.
1 Makk. 16,9 In de strijd werd Judas, de broer van Johannes gewond. Johannes achtervolgde de vijand tot Kedron, dat Kendebeus versterkt had.
1 Makk. 16,10 Daar anderen een toevlucht gezocht hadden in de torens in het gebied van Asdod, stak hij die in brand. Zo kwamen er van de vijand ongeveer tweeduizend man om. Daarna keerde hij behouden naar Judea terug. verraderlijk vermoord
1 Makk. 16,11 Ptolemeus, de zoon van Abubus, was bevelhebber in de vlakte van Jericho. Hij bezat veel zilver en goud,
1 Makk. 16,12 want hij was de schoonzoon van de hogepriester.
1 Makk. 16,13 Hierdoor hoogmoedig geworden wilde hij zich meester maken van het land. Daartoe besloot hij Simon en zijn zonen op listige wijze uit de weg te ruimen.
1 Makk. 16,14 Simon was gewoon de steden in het land af te reizen, bekommerd om de behartiging van hun belangen. Zo kwam hij, vergezeld van zijn zonen Mattias en Judas, ook in Jericho. Het was in de elfde maand, de maand Sebat, van het jaar honderdzevenenzeventig.
1 Makk. 16,15 De zoon van Abubus nodigde hem op arglistige wijze uit naar de kleine vesting Dok, die hij had gebouwd. Daar richtte hij een groot drinkgelag voor hen aan, terwijl hij er zijn handlangers verborgen hield.
1 Makk. 16,16 Toen Simon en zijn zonen goed gedronken hadden, kwam Ptolemeus met zijn handlangers te voorschijn; ze grepen hun wapens, gingen de feestzaal binnen, wierpen zich op Simon en doodden hem en zijn twee zonen en enigen van zijn gevolg.
1 Makk. 16,17 Daardoor pleegde hij zwaar verraad en vergold hij goed met kwaad.
1 Makk. 16,18 Ptolemeus zond hiervan schriftelijk bericht aan de koning met het verzoek hem hulptroepen te sturen en het bestuur over de steden en het land aan hem over te dragen.
1 Makk. 16,19 Ook naar Gezer zond hij handlangers die Johannes uit de weg moesten ruimen. De legeroversten nodigde hij per brief uit bij hem te komen, dan zou hij hun zilver, goud en andere geschenken geven.
1 Makk. 16,20 Tenslotte stuurde hij nog handlangers om Jeruzalem en de tempelberg te bezetten.
1 Makk. 16,21 Maar iemand was hem voor geweest en had Johannes in Gezer reeds gemeld, dat zijn vader en zijn broers vermoord waren, en hem gewaarschuwd dat Ptolemeus handlangers uitgestuurd had om hem te doden.
1 Makk. 16,22 Bij dit bericht schrok hij hevig. De mannen die hem kwamen doden, liet hij grijpen en ter dood brengen; want hij kende hun bedoelingen.
1 Makk. 16,23 Verdere bijzonderheden over Johannes, over zijn krijgsverrichtingen en heldendaden, over de bouw van de stadsmuren die hij optrok en zijn overige daden
1 Makk. 16,24 zijn, te beginnen met de dag dat hij zijn vader opvolgde als hogepriester, te vinden in de annalen van zijn hogepriesterschap.

<< Ester Index Oude Testament 2 MakkabeeŽn >>