Start
Omhoog

1 SamuŽl

 

<< Ruth Index Oude Testament 2 SamuŽl >>

 

1 SamuŽl

1 Sam. 1,1 Er was eens een man uit het bergland van EfraÔm, een Sufiet uit RamataÔm, die Elkana heette. Hij was een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, de Efratiet.
1 Sam. 1,2 Elkana had twee vrouwen; de ene heette Hanna, de andere Peninna. Peninna had kinderen, Hanna niet.
1 Sam. 1,3 Elkana ging elk jaar uit zijn stam naar Silo om zich neer te buigen voor Jahwe van de machten en Hem offers te brengen. De priesters van Jahwe in Silo waren toen Chofni en Pinechas, twee zonen van Eli.
1 Sam. 1,4 Wanneer Elkana dan zijn offer opdroeg, gaf hij zijn vrouw Peninna en haar zonen en dochters ieder een deel,
1 Sam. 1,5 maar aan Hanna gaf hij nog een extra-deel, want Hanna was zijn lievelingsvrouw, hoewel Jahwe haar schoot gesloten hield.
1 Sam. 1,6 Haar mededingster echter krenkte haar telkens weer en hoonde haar, omdat Jahwe haar schoot gesloten hield.
1 Sam. 1,7 Ieder jaar opnieuw, als Hanna naar de tempel van Jahwe opging, deed Peninna dat en krenkte zij Hanna; dan schreide Hanna en wilde zij niet meer eten.
1 Sam. 1,8 En Elkana vroeg haar dan: `Hanna, waarom schrei je? Waarom eet je niet en ben je zo bedroefd? Ben ik voor jou niet meer waard dan tien zonen?'
1 Sam. 1,9 Op een keer ging Hanna, nadat ze in Silo gegeten en gedronken hadden, naar het heiligdom van Jahwe. De priester Eli zat daar op een zetel tegen de deurpost.
1 Sam. 1,10 Bitter bedroefd bad zij onder een stroom van tranen tot Jahwe
1 Sam. 1,11 en zij legde deze gelofte af: `Jahwe van de machten, als Gij omziet naar de ellende van uw dienares en mij indachtig wilt zijn, als Gij uw dienares niet vergeet en haar een zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn gehele leven aan Jahwe afstaan: geen scheermes zal over zijn hoofd gaan.'
1 Sam. 1,12 Toen Hanna zo lang tot Jahwe bleef bidden, begon Eli op haar mond te letten.
1 Sam. 1,13 en omdat Hanna in haar binnenste sprak en haar lippen wel bewogen, maar haar stem niet hoorbaar werd, dacht Eli dat zij dronken was.
1 Sam. 1,14 Hij zei tot haar: `Gedraag u toch niet langer als een beschonkene! Zorg liever dat u weer nuchter wordt.'
1 Sam. 1,15 Maar Hanna antwoordde: `U vergist u, mijn heer, ik ben een vrouw die diep bedroefd is. Ik heb geen wijn of sterke drank gedronken, maar ik stort mijn hart uit voor Jahwe.
1 Sam. 1,16 U moet uw dienares niet als een minderwaardige vrouw beschouwen; alleen uit overgrote zorg en droefheid heb ik zo lang gebeden.'
1 Sam. 1,17 Toen antwoordde Eli: `Ga dan in vrede, en de God van IsraŽl moge u geven wat u van Hem hebt afgesmeekt.'
1 Sam. 1,18 Zij antwoordde: `Moge uw dienares genade in uw ogen vinden.' Toen ging de vrouw weg; zij at en haar gezicht klaarde op.
1 Sam. 1,19 De volgende morgen bogen zij zich voor Jahwe neer en gingen terug naar Rama. Toen Elkana gemeenschap had met Hanna, was Jahwe haar indachtig;
1 Sam. 1,20 in de loop van het jaar werd Hanna zwanger en bracht zij een zoon ter wereld. Zij noemde hem SamuŽl, `want,' zei ze, ik heb hem van Jahwe afgesmeekt.'
1 Sam. 1,21 Toen Elkana weer met zijn hele gezin op reis ging om het jaarlijks offer op te dragen en zijn gelofte in te lossen,
1 Sam. 1,22 ging Hanna niet mee, want - zei ze tot haar man - `ik ga de jongen pas brengen als hij aan je borst ontwend is; dan zal hij voor Jahwe treden en altijd bij Hem blijven.'
1 Sam. 1,23 Haar man Elkana antwoordde: `Doe wat je het beste lijkt; blijf hier tot je hem de borst ontwend hebt. En moge Jahwe zijn woord gestand doen.' De vrouw bleef dus thuis en voedde haar zoon, tot zij hem de borst ontwende.
1 Sam. 1,24 Zodra hij van de borst was, nam zij de jongen mee, met een driejarige stier, een efa meel en een zak wijn. Zij bracht de jongen, zo klein als hij was, naar de tempel van Jahwe in Silo.
1 Sam. 1,25 Zij slacht ten de stier en brachten de jongen naar Eli.
1 Sam. 1,26 Daarbij zei Hanna: `Met uw verlof, mijn heer, zo waar u leeft, mijn heer, ik ben de vrouw die hier gestaan heeft om tot Jahwe te bidden, in uw tegenwoordigheid.
1 Sam. 1,27 Om deze jongen heb ik gebeden en Jahwe heeft mij gegeven wat ik van Hem heb afgesmeekt.
1 Sam. 1,28 Daarom sta ik hem aan Jahwe af. Zolang hij leeft, blijft hij aan Jahwe afgestaan.' En zij bogen zich daar voor Jahwe neer.

1 Sam. 2,1 Toen bad Hanna: `Om Jahwe juicht mijn hart; om Jahwe wordt mijn hoorn verheven, Ik doe mijn mond open tegen mijn vijanden, want ik verheug mij in Uw hulp.
1 Sam. 2,2 Er is geen heilige als Jahwe; buiten U is er niemand, geen rots is er als onze God.
1 Sam. 2,3 Praat toch niet steeds zo verwaand; laat uit uw mond geen vermetelheid komen. want Jahwe is een alwetende God: Hij weegt onze daden.
1 Sam. 2,4 De boog van de sterken is stukgebroken; zij die wankel den zijn met kracht omgord.
1 Sam. 2,5 Die overvloed hadden verhuren zich voor brood; die honger leden eten zich dik. De onvruchtbare baart, tot zevenmaal toe, de kinderrijke verwelkt.
1 Sam. 2,6 Jahwe doodt en doet leven, Hij voert naar de onderwereld en Hij haalt er weer uit.
1 Sam. 2,7 Jahwe maakt arm en maakt rijk, Hij vernedert en Hij verheft.
1 Sam. 2,8 Hij beurt de zwakke op uit het stof; Hij haalt de arme weg van de asbelt en geeft hem een plaats bij de groten; een erezetel wijst Hij hem toe. Van Jahwe zijn de zuilen der aarde: daarop heeft Hij de wereld gezet.
1 Sam. 2,9 Hij behoedt de voeten van zijn vromen, maar de bozen komen in duisternis om, want niet door zijn eigen kracht is de mens sterk.
1 Sam. 2,10 Die zich met Jahwe meten worden gebroken; uit de hemel laat Hij zijn donder over hen rollen. Jahwe oordeelt de aarde, tot aan haar grenzen. Hij geeft kracht aan zijn koning en verheft de hoorn van zijn gezalfde.
1 Sam. 2,11 Daarop keerde Elkana terug naar zijn huis in Rama, terwijl de jongen, onder het toezicht van de priester Eli, in dienst bleef van Jahwe.
1 Sam. 2,12 Nu waren de zonen van Eli echte booswichten; zij hadden geen eerbied voor Jahwe en hielden zich niet aan wat de priesters rechtens van het volk konden vragen.
1 Sam. 2,13 Liet namelijk iemand een offerdier slachten, dan kwam, als het vlees kookte, een knecht van de priester
1 Sam. 2,14 en prikte met een drietand in de pot, de pan, de ketel of de kookpot, en alles wat dan aan de vork bleef zitten eigende de priester zich toe. Dat deden ze bij alle IsraŽlieten die daar, te Silo, kwamen.
1 Sam. 2,15 Zelfs nog voor men het vet in rook had doen opgaan, kwam er al een knecht van de priester en zei tot degene die het offer opdroeg: `Geef de priester vlees om te braden! Maar hij wil alleen rauw vlees, geen gekookt.'
1 Sam. 2,16 En als de man dan zei: `Eerst behoort men toch het vet in rook te doen opgaan! Daarna kunt u zoveel nemen als u begeert' - dan zei de knecht: `Neen, u moet het nu geven; anders neem ik het met geweld.'
1 Sam. 2,17 Deze handelwijze van de knechten was in de ogen van Jahwe een zeer ernstige zonde: de mensen verloren hun eerbied voor het offer van Jahwe.
1 Sam. 2,18 Intussen deed SamuŽl dienst in het heiligdom van Jahwe; de jongen droeg om zijn middel een linnen efod.
1 Sam. 2,19 Zijn moeder maakte elk jaar een manteltje voor hem en bracht dat voor hem mee, als zij met haar man het jaarlijkse offer kwam opdragen.
1 Sam. 2,20 Dan zegende Eli Elkana en zijn vrouw en zei hij: `Moge Jahwe u uit deze vrouw nog nakomelingen geven in plaats van de afgesmeekte die u aan Jahwe hebt afgestaan.' Daarna gingen zij terug naar hun woonplaats.
1 Sam. 2,21 Jahwe zag inderdaad naar Hanna om; zij werd zwanger en zij bracht nog drie zonen en twee dochters ter wereld. Intussen groeide de jonge SamuŽl op bij Jahwe.
1 Sam. 2,22 Toen Eli, die reeds hoogbejaard was, hoorde wat zijn zonen de IsraŽlieten allemaal aandeden, en dat zij sliepen met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent van de samen komst,
1 Sam. 2,23 zei hij tot hen: `Waarom doen jullie dergelijke dingen, die wandaden waarover het hele volk bij mij komt klagen?
1 Sam. 2,24 Neen, mijn zonen, de verhalen die ik hoor zijn niet fraai! Jullie maken dat het volk van Jahwe zondigt.
1 Sam. 2,25 Als een mens tegen een ander mens misdoet komt God tussenbeide, maar als een mens tegen Jahwe misdoet, wie komt er dan tussenbeide?' Maar zij luisterden niet naar hun vader, want Jahwe wilde hen doden.
1 Sam. 2,26 De jonge SamuŽl groeide echter op en werd steeds meer geliefd, zowel bij Jahwe als bij de mensen.
1 Sam. 2,27 Op een dag kwam een man Gods bij Eli en zei tot hem: `Zo spreekt Jahwe: Ik heb Mij duidelijk geopenbaard aan het huis van uw vader, toen het in Egypte tot het hof van Farao behoorde.
1 Sam. 2,28 Ik heb het boven alle stammen van IsraŽl uitverkoren om mijn priesters te zijn, om mijn altaar te bestijgen, wierook te branden en in mijn dienst de efod te dragen. Aan het huis van uw vader heb Ik alle offergaven van de IsraŽlieten toevertrouwd.
1 Sam. 2,29 Waarom aast u dan op de slacht - en meeloffers die Ik heb voorgeschreven, en waarom ontziet u uw zonen meer dan Mij, dat jullie je vetmest met het beste deel van de meeloffers van mijn volk IsraŽl?
1 Sam. 2,30 Daarom zegt Jahwe, de God van IsraŽl: Ik heb uw wel plechtig beloofd dat uw huis en het huis van uw vader voor altijd in mijn dienst zou staan, maar nu zegt Jahwe: Dat nooit! Ik eer wie Mij eren, maar wie Mij verachten worden vervloekt.
1 Sam. 2,31 Voorwaar, de dagen komen dat Ik uw kracht en de kracht van uw familie zal breken, zodat er in uw huis nooit meer iemand oud zal worden.
1 Sam. 2,32 In uw nood zult gij met lede ogen naar alle weldaden zien die Jahwe de IsraŽlieten bewijst; in uw huis zal niemand oud worden.
1 Sam. 2,33 Een van u zal Ik niet van mijn altaar verwijderen, om uw ogen te laten verkwijnen en uw ziel te laten versmachten, maar de anderen, heel de aanwas van uw huis, zullen sterven in de kracht van hun leven.
1 Sam. 2,34 En datgene wat uw twee zonen, Chofni en Pinechas, zal overkomen, zal voor u een teken zijn: op dezelfde dag zullen beiden sterven.
1 Sam. 2,35 Dan zal Ik een betrouwbaar priester aanstellen, die naar mijn hart en in mijn geest zal handelen. Ik zal een duurzaam huis voor hem bouwen, zodat hij heel zijn leven in dienst kan staan van mijn gezalfde.
1 Sam. 2,36 Wie er dan in uw huis nog over is gebleven, zal zich voor hem komen neerbuigen om een stukje zilver of een snee brood, en hij zal zeggen: Neem mij toch in de een of andere priester klasse op; dan heb ik tenminste een stuk brood om te eten.'

1 Sam. 3,1 De jonge SamuŽl deed dienst in het heiligdom van Jahwe, onder het toezicht van Eli. In die dagen was een woord van Jahwe een zeldzaamheid en kwam een visioen niet dikwijls voor.
1 Sam. 3,2 Op zekere dag had Eli zich te slapen gelegd op zijn gewone plaats; zijn ogen begonnen zwak te worden en hij kon niet meer zien.
1 Sam. 3,3 De lamp van God was nog niet gedoofd en SamuŽl lag te slapen in het heiligdom van Jahwe, waar de ark van God stond.
1 Sam. 3,4 Toen riep Jahwe: `SamuŽl!' SamuŽl antwoordde: `Hier ben ik.'
1 Sam. 3,5 Hij liep haastig naar Eli en zei: `Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?' Maar Eli antwoordde: `Ik heb niet geroepen; ga maar weer slapen.' En hij ging en legde zich te slapen.
1 Sam. 3,6 Toen riep Jahwe opnieuw: `SamuŽl!' SamuŽl stond op, ging naar Eli en zei: `Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?' Eli antwoordde: `Ik heb niet geroepen, mijn jongen; ga maar weer slapen.'
1 Sam. 3,7 SamuŽl kende Jahwe nog niet: een woord van Jahwe was hem nog nooit geopenbaard.
1 Sam. 3,8 En weer riep Jahwe SamuŽl; nu voor de derde maal. SamuŽl stond op, ging naar Eli en zei: `Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?' Toen begreep Eli dat het Jahwe was die de jongen riep.
1 Sam. 3,9 En hij zei tot SamuŽl: `Ga slapen, en mocht Hij je roepen dan moet je zeggen: Spreek, Jahwe, uw dienaar luistert.' SamuŽl ging dus weer op zijn gewone plaats slapen.
1 Sam. 3,10 Toen kwam Jahwe bij hem staan en riep, evenals de vorige malen: `SamuŽl, SamuŽl!' En SamuŽl antwoordde: `Spreek, uw dienaar luistert.'
1 Sam. 3,11 Toen zei Jahwe tot SamuŽl: `Let op! Wat Ik in IsraŽl ga verrichten zal allebei de oren doen tuiten van ieder die het hoort.
1 Sam. 3,12 Die dag zal Ik aan het huis van Eli alles voltrekken wat Ik over dat huis gezegd heb, van het begin tot het einde.
1 Sam. 3,13 Ik heb hem reeds medegedeeld dat Ik een onherroepelijk vonnis ga voltrekken over zijn huis, vanwege de wandaden die hem bekend waren: zijn zonen hebben God geminacht en hij is niet tegen hen opgetreden.
1 Sam. 3,14 Daarom heb Ik het huis van Eli gezworen: Nooit in der eeuwigheid zal de schuld van het huis van Eli door slacht - of meeloffers verzoend worden.'
1 Sam. 3,15 SamuŽl sliep nu door tot de ochtend en deed toen de deuren van de tempel van Jahwe open. Hij zag er tegen op, het visioen aan Eli mee te delen.
1 Sam. 3,16 Maar Eli riep hem en zei: `SamuŽl, mijn zoon!' Hij antwoordde: `Hier ben ik.'
1 Sam. 3,17 En Eli vroeg: `Wat is het voor een woord dat Hij tot jou heeft gesproken? Verberg het niet voor mij. God mag je dit aandoen en nog erger, als je iets verzwijgt van alles wat Hij je gezegd heeft.'
1 Sam. 3,18 Toen vertelde SamuŽl hem alles, zonder hem iets te verzwijgen. En Eli antwoordde: `Het is Jahwe. Hij moge doen wat Hem goeddunkt.'
1 Sam. 3,19 SamuŽl groeide op; Jahwe was met hem en liet niet een van zijn woorden onvervuld.
1 Sam. 3,20 En heel IsraŽl, van Dan tot Berseba, kwam te weten dat SamuŽl inderdaad als profeet van Jahwe was aangesteld.
1 Sam. 3,21 Ook daarna bleef Jahwe in Silo verschijnen, want daar openbaarde Hij zich aan SamuŽl door tot hem te spreken.

1 Sam. 4,1 Het woord van SamuŽl drong door tot heel IsraŽl. De IsraŽlieten trokken ten strijde tegen de Filistijnen; zij sloegen hun kamp op bij Eben-haŽzer, terwijl de Filistijnen bij Afek gelegerd waren.
1 Sam. 4,2 De Filistijnen stelden zich in slagorde tegenover de IsraŽlieten. Het kwam tot een gevecht over de gehele linie. De IsraŽlieten werden verslagen en de Filistijnen doodden langs het front in het open veld ongeveer vierduizend man.
1 Sam. 4,3 Toen het volk in het kamp terugkeerde, zeiden de oudsten van IsraŽl: `Waarom heeft Jahwe ons vandaag door de Filistijnen geslagen? Wij gaan uit Silo de ark van het verbond van Jahwe halen. Zij moet in ons midden komen om ons uit de handen van onze vijanden te verlossen.'
1 Sam. 4,4 Het volk liet de ark uit Silo halen, de ark van het verbond van Jahwe van de machten, die op de kerubs troont. De twee zonen van Eli, Chofni en Pinechas, begeleidden de ark van het verbond van God.
1 Sam. 4,5 Zodra de ark van het verbond van Jahwe in het kamp was aangekomen, hieven de IsraŽlieten zo'n gejuich aan dat de grond ervan dreunde.
1 Sam. 4,6 De Filistijnen hoorden dat gejuich en vroegen: `Wat moet toch dat luide gejuich in het kamp van de HebreeŽn?' Toen zij vernamen dat de ark van Jahwe in het kamp was gekomen, werden ze bang.
1 Sam. 4,7 Ze zeiden: `God is in het kamp gekomen! Wee ons, dat is nog nooit gebeurd.
1 Sam. 4,8 Wee ons, wie redt ons uit de handen van die geweldige God? Dit is immers dezelfde God die de Egyptenaren in de woestijn met allerlei plagen geslagen heeft?
1 Sam. 4,9 Weest moedig, Filistijnen, en gedraagt u als mannen. Anders worden jullie de slaven van de HebreeŽn, zoals zij het van jullie zijn geweest. Weest mannen en weert u.'
1 Sam. 4,10 De Filistijnen gingen tot de aanval over. De IsraŽlieten werden verslagen en vluchtten, ieder naar zijn eigen tent. Het was een zware nederlaag: dertigduizend man voetvolk van IsraŽl sneuvelden;
1 Sam. 4,11 de ark van God werd buitgemaakt en de twee zonen van Eli, Chofni en Pinechas, kwamen om.
1 Sam. 4,12 Een Benjaminiet snelde weg van het front en kwam nog diezelfde dag in Silo aan; zijn kleren waren gescheurd en zijn hoofd was met aarde bedekt.
1 Sam. 4,13 Bij zijn aankomst zat Eli op een zetel aan de kant van de weg, wachtend op bericht, want hij was ongerust over de ark van God. Toen de Benjaminiet, in de stad aangekomen, het nieuws verteld had, ging er een gejammer door de hele stad.
1 Sam. 4,14 Eli hoorde het en vroeg: `Wat is dat voor een gejammer?' De man ging haastig naar Eli en vertelde hem het nieuws.
1 Sam. 4,15 Eli was achtennegentig jaar; zijn ogen stonden star en hij kon niet meer zien.
1 Sam. 4,16 De man zei tot Eli: `Ik kom van het front; ik ben vandaag van het front weggevlucht.' Toen vroeg Eli: `Wat is er dan gebeurd, mijn zoon?'
1 Sam. 4,17 De boodschapper antwoordde: `De IsraŽlieten zijn voor de Filistijnen op de vlucht geslagen; het volk heeft een zware nederlaag geleden; ook uw twee zonen, Chofni en Pinechas, zijn gesneuveld, en de ark van God is buitgemaakt.'
1 Sam. 4,18 Nauwelijks had hij de ark van God genoemd, of Eli viel achterover van zijn zetel bij de poort; oud en zwaar als hij was, brak hij zijn nek en stierf. Veertig jaar was hij rechter over IsraŽl geweest.
1 Sam. 4,19 Zijn schoondochter, de vrouw van Pinechas, was zwanger en kon elk ogenblik bevallen. Toen zij hoorde dat de ark van God was buitgemaakt en dat haar schoonvader en haar man waren gestorven, zetten de weeŽn in; zij kromp ineen en bracht haar kind ter wereld.
1 Sam. 4,20 Toen zij stervende was, zeiden de vrouwen die om haar heen stonden: `Wees gerust, want je hebt het leven geschonken aan een zoon.' Maar zij antwoordde niet en sloeg er zelfs geen acht op.
1 Sam. 4,21 Zij noemde het kind Ikabod, want zei ze: `Weggehaald is de Heerlijkheid uit IsraŽl.' Daarbij doelde zij op de ark van God die buitgemaakt was en op haar schoonvader en haar man.
1 Sam. 4,22 Ze zei: `Weggehaald is de Heerlijkheid uit IsraŽl, want de ark van God is buitgemaakt.'

1 Sam. 5,1 De Filistijnen hadden de ark van God buitgemaakt en van Eben-haŽzer overgebracht naar Asdod.
1 Sam. 5,2 Zij voerden de ark van God de tempel van Dagon binnen en zetten haar naast Dagon neer.
1 Sam. 5,3 De volgende ochtend zagen de Asdodieten Dagon voorover gevallen op de vloer liggen, voor de ark van Jahwe. Zij tilden Dagon op en zetten hem weer op zijn plaats.
1 Sam. 5,4 Maar de ochtend daarna lag Dagon weer voorovergevallen op de vloer, voor de ark van Jahwe. Zijn hoofd en zijn beide handen waren afgebroken en lagen op de drempel; Dagon was alleen nog een romp.
1 Sam. 5,5 Daarom zetten in Asdod de priesters van Dagon en allen die de tempel van Dagon binnengaan hun voet niet op de drempel tot op de huidige dag.
1 Sam. 5,6 De hand van Jahwe drukte zwaar op de Asdodieten; Hij bracht hen in paniek en teisterde hen met gezwellen, in Asdod en omgeving.
1 Sam. 5,7 Toen de mannen van Asdod zagen dat het zo ging, zeiden ze: `De ark van de God van IsraŽl mag hier niet blijven, want zijn hand drukt zwaar op ons en op onze god Dagon.'
1 Sam. 5,8 Zij riepen dus alle stadsvorsten van de Filistijnen bijeen en vroegen: `Wat moeten wij doen met de ark van de God van IsraŽl?' Ze antwoordden: `De ark van de God van IsraŽl moet overgebracht worden naar Gat.' Zij brachten dus de ark van de God van IsraŽl daarheen.
1 Sam. 5,9 Nadat zij haar naar Gat hadden overgebracht, veroorzaakte Jahwe een paniek in die stad en teisterde Hij de inwoners met een plaag: van groot tot klein kregen zij gezwellen.
1 Sam. 5,10 Dus stuurden zij de ark van God naar Ekron. Maar toen de ark van God daar aankwam, jammerden de Ekronieten: `Nu hebben ze de ark van de God van IsraŽl bij ons gebracht! Dat wordt de dood van ons en van ons volk!'
1 Sam. 5,11 Zij riepen dus alle stadsvorsten van de Filistijnen bijeen en zeiden: `Laat de ark van de God van IsraŽl wegbrengen. Ze moet terug naar de plaats waar ze thuishoort; anders wordt ze de dood van ons en van ons volk.' In de hele stad heerste inderdaad een dodelijke ontzetting; zwaar drukte de hand van God op de stad.
1 Sam. 5,12 De inwoners die niet stierven kregen gezwellen en uit de stad stegen de noodkreten ten hemel.

1 Sam. 6,1 Zeven maanden was de ark van Jahwe op Filistijns gebied.
1 Sam. 6,2 Toen wendden de Filistijnen zich tot de priesters en waarzeggers en zeiden: `Wij weten geen raad met de ark van Jahwe; zeg ons, hoe wij haar terug kunnen sturen naar de plaats waar ze thuishoort.'
1 Sam. 6,3 Zij antwoordden: `Als u de ark van de God van IsraŽl wilt terugsturen, kunt u dat maar niet zonder meer doen: u moet Hem beslist ook een genoegdoening geven. Pas dan zult u met rust gelaten worden en begrijpen, waarom zijn hand niet van u wijkt.'
1 Sam. 6,4 De Filistijnen vroegen: `Wat voor genoegdoening moeten wij Hem geven?' Zij antwoordden: `De Filistijnen hebben vijf stadsvorsten; geeft dus vijf gouden gezwellen en vijf gouden muizen, want allen, zowel u als uw stadsvorsten, lijden onder dezelfde plaag.
1 Sam. 6,5 U moet dus afbeeldingen maken van uw gezwellen en van de muizen die uw land teisteren. Zo moet u hulde brengen aan de God van IsraŽl. Misschien laat zijn hand dan u, uw goden en uw land met rust.
1 Sam. 6,6 Waarom zoudt u ook halsstarrig zijn, zoals de Egyptenaren en Farao? Zodra Jahwe zijn spel met hen begon te spelen, moesten zij de IsraŽlieten toch laten gaan, niet waar?
1 Sam. 6,7 Welnu, zorgt voor een nieuwe wagen en voor twee zogende koeien, die nog geen juk gedragen hebben. Spant die voor de wagen, maar zet haar kalveren op stal.
1 Sam. 6,8 Plaatst de ark van Jahwe op de wagen en legt de gouden voorwerpen, die u Hem als genoegdoening geeft, in een kistje ernaast. Laat dan de ark maar gaan.
1 Sam. 6,9 En let goed op: Als ze de weg inslaat naar haar eigen grondgebied, naar Bet-semes, dan is het Jahwe die ons dit grote onheil berokkend heeft; gebeurt dat niet, dan weten wij dat het niet zijn hand was die ons heeft getroffen, maar dat het ons bij toeval is overkomen.'
1 Sam. 6,10 De mannen deden dat. Zij haalden twee zogende koeien, spanden die voor de wagen en zetten de kalveren op stal.
1 Sam. 6,11 Zij plaatsten de ark van Jahwe op de wagen en ook het kistje met de gouden muizen en de afbeeldingen van hun gezwellen.
1 Sam. 6,12 De koeien gingen regelrecht de weg naar Bet-semes op en hielden hetzelfde spoor; loeiend liepen zij door, zonder naar rechts of links af te wijken; de stadsvorsten van de Filistijnen gingen erachter aan, tot aan het gebied van Bet-semes.
1 Sam. 6,13 De mannen van Bet-semes waren in de vallei bezig met het oogsten van de tarwe. Toen zij opkeken, zagen zij de ark en waren verheugd haar te zien.
1 Sam. 6,14 Op het veld van Jehosua uit Bet-semes gekomen, bleef de wagen staan. Daar lag een grote steen. De mannen hakten het hout van de wagen in stukken en droegen de koeien als brandoffer aan Jahwe op.
1 Sam. 6,15 Levieten hadden de ark van Jahwe en het bijbehorend kistje met de gouden voorwerpen afgeladen en op de grote steen geplaatst, en de mannen van Bet-semes offerden die dag brandoffers en slachtoffers ter ere van Jahwe.
1 Sam. 6,16 Toen de vijf stadsvorsten van de Filistijnen dit gezien hadden, keerden zij nog dezelfde dag naar Ekron terug.
1 Sam. 6,17 Dit zijn de gouden gezwellen die de Filistijnen als genoegdoening aan Jahwe gegeven hebben: een voor Asdod, een voor Gaza, een voor Askelon, een voor Gat en een voor Ekron.
1 Sam. 6,18 Het aantal gouden muizen beantwoordde aan dat van de Filistijnse steden, de gebieden van de vijf stadsvorsten met vestingen en open dorpen. Tot op de huidige dag getuigt hiervan de grote steen, waarop ze de ark van Jahwe neergezet hebben, in het veld van Jehosua uit Bet-semes.
1 Sam. 6,19 Maar Jahwe richtte een slachting aan onder de mannen van Bet-semes, omdat zij naar de ark van Jahwe gekeken hadden; Hij doodde zeventig man, vijftig op de duizend. Het volk rouwde, nu Jahwe zo'n grote slachting aanrichtte,
1 Sam. 6,20 en de mannen van Bet-semes zeiden: `Wie kan staande blijven in tegenwoordigheid van Jahwe, die heilige God? De ark moet bij ons vandaan, maar naar wie?'
1 Sam. 6,21 Zij zonden boden naar de inwoners van Kirjat-jearim en lieten zeggen: `De Filistijnen hebben de ark van Jahwe teruggebracht; Komt hierheen en neemt haar mee.'

1 Sam. 7,1 Toen kwamen de mannen van Kirjat-jearim; zij haalden de ark en plaatsten haar in het huis van Abinadab, op de heuvel. Zijn zoon Elazar stelden ze aan om zorg te dragen voor de ark van Jahwe.
1 Sam. 7,2 Sinds de ark in Kirjat-jearim een standplaats had gekregen, was er geruime tijd verlopen, wel twintig jaar. Toen heel het huis van IsraŽl klagend om Jahwe riep,
1 Sam. 7,3 sprak SamuŽl: `Als u met heel uw hart tot Jahwe terug keert, als u de vreemde goden en de Astarten wegdoet, als u op Jahwe uw hart richt en Hem alleen dient, dan zal Hij u bevrijden uit de macht van de Filistijnen.'
1 Sam. 7,4 De IsraŽlieten deden daarop de Bašls en Astarten weg en dienden uitsluitend Jahwe.
1 Sam. 7,5 Toen zei SamuŽl: `Laat heel IsraŽl te Mispa bijeenkomen; dan zal ik voor u bidden tot Jahwe.'
1 Sam. 7,6 Zij kwamen te Mispa bijeen, putten water, goten het uit voor Jahwe en hielden een vastendag; ze zeiden: `Wij hebben tegen Jahwe gezondigd.' Zo trad SamuŽl te Mispa als rechter over IsraŽl op.
1 Sam. 7,7 De stadsvorsten van de Filistijnen hoorden dat de IsraŽlieten dit vernamen, werden ze bang voor de Filistijnen
1 Sam. 7,8 en zeiden tot SamuŽl: `Laat ons niet in de steek en roep tot Jahwe onze God: dan zal Hij ons uit de macht van de Filistijnen verlossen.'
1 Sam. 7,9 SamuŽl nam toen een zooglammetje en offerde het in zijn geheel als brandoffer aan Jahwe. SamuŽl riep tot Jahwe ten gunste van IsraŽl. En Jahwe verhoorde hem.
1 Sam. 7,10 Terwijl SamuŽl het brandoffer opdroeg, naderden de Filistijnen om de IsraŽlieten aan te vallen. Maar Jahwe liet die dag met machtig geluid de donder rollen over de Filistijnen en Hij bracht hen in paniek, zodat zij tegen de IsraŽlieten de nederlaag leden.
1 Sam. 7,11 De IsraŽlieten gingen uit Mispa de Filistijnen achterna en dreven hen onder zware verliezen tot beneden Bet-kar terug.
1 Sam. 7,12 Toen richtte SamuŽl tussen Mispa en Sen een steen op, gaf die de naam Eben-haŽzer en verklaarde: `De hulp van Jahwe heeft ons tot hier gebracht.'
1 Sam. 7,13 De macht van de Filistijnen was gebroken; zij vielen het grondgebied van IsraŽl niet meer aan. En zolang SamuŽl leefde, bleef de hand van Jahwe op de Filistijnen drukken.
1 Sam. 7,14 Van Ekron tot Gat kwamen alle steden die de Filistijnen aan IsraŽl ontnomen hadden, aan IsraŽl terug, en de IsraŽlieten bevrijdden het gebied van die steden uit de macht van de Filistijnen. Er was ook vrede tussen de IsraŽlieten en de Amorieten.
1 Sam. 7,15 SamuŽl bleef rechter over IsraŽl zolang hij leefde.
1 Sam. 7,16 Elk jaar maakte hij een rondreis langs Betel, Gilgal en Mispa en trad in al deze plaatsen op als rechter over IsraŽl.
1 Sam. 7,17 Dan keerde hij terug naar Rama, waar zijn huis stond en waar hij optrad als rechter over IsraŽl. Hij bouwde er een altaar voor Jahwe.

1 Sam. 8,1 Toen SamuŽl oud geworden was, stelde hij zijn zonen als rechters over IsraŽl aan.
1 Sam. 8,2 Zijn eerstgeboren zoon heette Joel, de tweede heette Abia; beiden waren rechter te Berseba.
1 Sam. 8,3 Maar de zonen bewandelden niet de wegen van hun vader; zij waren op eigen voordeel uit, namen geschenken aan en verkrachtten het recht.
1 Sam. 8,4 Daarom kwamen de oudsten van IsraŽl bijeen, begaven zich naar SamuŽl in Rama
1 Sam. 8,5 en zeiden tot hem: `U bent oud geworden en uw zonen bewandelden uw wegen niet. Stel daarom een koning aan om rechter over ons te zijn, een koning zoals alle andere volken die hebben.
1 Sam. 8,6 Maar SamuŽl vond het ongepast dat ze voorstelden: `Geef ons een koning om rechter over ons te zijn.' Daarom bad hij tot Jahwe.
1 Sam. 8,7 Maar Jahwe zei tot SamuŽl: `Geef gehoor aan het volk, wat zij u ook vragen, want ze verwerpen niet u, maar Mij; Mij willen ze niet langer als koning.
1 Sam. 8,8 Wat ze u aandoen hebben ze altijd gedaan: vanaf de dag dat Ik hen uit Egypte geleid heb tot heden toe hebben ze Mij verlaten en andere goden gediend.
1 Sam. 8,9 Ga in op hun verzoek, maar waarschuw hen terdege en houd hun voor, welke rechten de koning, die over hen heerst, zal doen gelden.'
1 Sam. 8,10 SamuŽl bracht het volk dat hem om een koning gevraagd had, op de hoogte van wat Jahwe had gezegd.
1 Sam. 8,11 Hij zei: `De koning die over u heerst zal de volgende rechten doen gelden: Uw zonen zal hij opeisen voor zijn wagens, voor zijn paarden en om zijn wagen te escorteren, om ze aan te stellen als leider van duizend en leider van vijftig,
1 Sam. 8,12 om zijn akkers te ploegen, zijn oogst binnen te halen, wapens te maken voor de oorlog en zijn wagens uit te rusten.
1 Sam. 8,13 Uw dochters zal hij opeisen om zalf te bereiden, te koken en te bakken.
1 Sam. 8,14 Uw beste akkers, wijngaarden en olijftuinen zal hij van u afnemen en ze aan zijn dienaren geven.
1 Sam. 8,15 Van uw oogsten en de opbrengst van uw wijngaarden zal hij tienden heffen en die aan zijn hovelingen en dienaren geven.
1 Sam. 8,16 Uw slaven en slavinnen, uw sterkste jongemannen en uw ezels zal hij voor zichzelf laten werken.
1 Sam. 8,17 Van uw schapen en geiten zal hij tienden heffen en die aan zijn hovelingen en dienaren geven.
1 Sam. 8,18 Als het zover is, zult u bij Jahwe uw nood klagen over de koning die u zelf gewild hebt, maar dan zal Jahwe niet antwoorden.
1 Sam. 8,19 Maar het volk wilde niet naar SamuŽl luisteren en zei: `Toch moeten wij een koning hebben!
1 Sam. 8,20 Dan zijn wij gelijk aan alle andere volken. Onze koning zal rechter over ons zijn en voor ons uittrekken om onze oorlogen te voeren.'
1 Sam. 8,21 SamuŽl hoorde de verlangens van het volk aan en bracht ze over aan Jahwe.
1 Sam. 8,22 Jahwe zei tot SamuŽl: `Ga in op hun verzoek en stel een koning over hen aan.' Toen zei SamuŽl tot de mannen van IsraŽl: `Laat ieder naar zijn eigen stad terugkeren.'

1 Sam. 9,1 In Benjamin leefde een man: zijn naam was Kis, de zoon van AbiŽl, de zoon van Seror, de zoon van Bekorat, de zoon van Afiach, een Benjaminiet; hij was een vermogend man.
1 Sam. 9,2 Die man had een zoon, Saul geheten, jeugdig en mooi; geen IsraŽliet kon met hem vergeleken worden: met kop en schouders stak hij boven allen uit.
1 Sam. 9,3 Eens, toen de ezelinnen van Kis, de vader van Saul, waren weggelopen, zei Kis tot zijn zoon Saul: `Ga niet met een knecht de ezelinnen zoeken.'
1 Sam. 9,4 Saul trok door het bergland van EfraÔm en door het land van Salisa zonder de ezelinnen te vinden. Vervolgens trokken zij door het land van Saalim, waar ze ook niet waren, en door dat van Benjamin, maar ook daar vonden zij de dieren niet.
1 Sam. 9,5 Toen zij tenslotte in het land van Suf gekomen waren, zei Saul tegen de knecht die hem vergezelde: `Laten we maar teruggaan' anders maakt mijn vader zich meer zorgen over ons dan over de ezelinnen.'
1 Sam. 9,6 Maar de knecht zei tegen Saul: `Ginds in die stad is een man Gods: hij staat hoog in aanzien; alles wat hij zegt komt precies uit. Laten we er meteen naar toe gaan; misschien kan hij ons inlichtingen geven over datgene waarvoor wij op weg zijn gegaan.'
1 Sam. 9,7 Saul zei tegen de knecht: `Wat kunnen wij die man aanbieden als wij erheen gaan? Het brood in onze reiszakken is op en wij hebben niets anders bij ons dat wij de man Gods kunnen aanbieden.'
1 Sam. 9,8 Maar de knecht drong nog eens bij Saul aan en zei: `Ik heb nog een kwart sikkel zilver bij me; als ik die de man Gods aanbied, zal hij ons wel inlichtingen geven over de weg die we moeten gaan.'
1 Sam. 9,9 - Vroeger zei men in IsraŽl, als men God ging raadplegen: Kom, laten wij naar de ziener gaan; de profeet van tegenwoordig werd vroeger namelijk ziener genoemd.
1 Sam. 9,10 Toen zei Saul tegen de knecht: `Dat is een goed voor stel! Kom, laten we naar de ziener gaan.' Zij gingen dus naar de stad waar de man Gods was.
1 Sam. 9,11 Toen zij de oplopende weg naar de stad insloegen, kwamen zij meisjes tegen die water gingen putten en vroegen hen: `Is de ziener hier?'
1 Sam. 9,12 De meisjes antwoordden: `Ja, hij was net voor u hier; als u zich haast, treft u hem nog; hij is zojuist in de stad gekomen, omdat het volk vandaag op de hoogte een offermaal houdt.
1 Sam. 9,13 Als u de stad binnengaat, treft u hem nog voordat hij de hoogte opgaat om te eten, want het volk eet niet, voor hij gekomen is. Hij moet het offer zegenen, en daarna eten de genodigden. Gaat dus maar verder; dan zult u hem spoedig vinden.'
1 Sam. 9,14 Zij gingen dus naar de stad en toen zij de stad binnen gingen kwam SamuŽl juist naar buiten, hun tegemoet, om zich naar de hoogte te begeven.
1 Sam. 9,15 Nu had Jahwe SamuŽl daags voor de komst van Saul meegedeeld:
1 Sam. 9,16 `Morgen om deze tijd stuur Ik een man uit Benjamin naar u toe, die gij moet zalven tot vorst van mijn volk IsraŽl. Hij zal mijn volk verlossen uit de macht van de Filistijnen, want Ik heb op mijn volk neergezien, omdat zijn hulpgeroep tot Mij is doorgedrongen.
1 Sam. 9,17 Toen SamuŽl Saul zag, gaf Jahwe hem te kennen: `Dit is de man, over wie Ik u gesproken heb. Hij zal heersen over mijn volk.'
1 Sam. 9,18 In de poort trad Saul op SamuŽl toe en zei: `Wilt u zo vriendelijk zijn, mij het huis van de ziener te wijzen?'
1 Sam. 9,19 SamuŽl gaf Saul ten antwoord: `Ik ben de ziener. Ga voor mij uit naar de hoogte; vandaag gaat u met mij eten en morgenvroeg zal ik u uitgeleide doen. Ik zal u vertellen wat u op het hart ligt:
1 Sam. 9,20 wat de ezelinnen betreft die al drie dagen zoek zijn, maak u daarover niet bezorgd; ze zijn terecht. Maar wat IsraŽl zich wenst, aan wie valt dat ten deel? Aan niemand anders dan aan u en uw gehele familie.'
1 Sam. 9,21 Saul antwoordde: `Ik ben maar een Benjaminiet en kom dus uit een van de kleinste stammen van IsraŽl; mijn geslacht is het onbeduidendste van alle geslachten van de stam Benjamin. Hoe kunt u dan zoiets tegen mij zeggen?'
1 Sam. 9,22 Toen nam SamuŽl Saul en diens knecht met zich mee. Hij leidde hen de zaal binnen, gaf hun een plaats aan het hoofd van de genodigden, ongeveer dertig man,
1 Sam. 9,23 en zei tegen de kok: `Dien het stuk op dat ik u gegeven heb met de opdracht het apart te houden.'
1 Sam. 9,24 Toen diende de kok het schenkelstuk op en zette dat voor aan Saul. SamuŽl zei: `Wat men u heeft voorgezet is het uitgelezen stuk; eet ervan, want voor u werd het bewaard en dat was mijn bedoeling reeds, toen ik het volk uitnodigde voor dit feest.' Zo at Saul die dag met SamuŽl.
1 Sam. 9,25 Daarna daalden zij van de hoogte af naar de stad, en SamuŽl onderhield zich met Saul op het dakterras. `
1 Sam. 9,26 Zij stonden vroeg op, en zodra de dag aangebroken was riep SamuŽl tot Saul op het dakterras: `Kom, dan zal ik u uitgeleide doen.' Saul kwam en samen gingen zij naar buiten, hij en SamuŽl.
1 Sam. 9,27 Toen ze aan het eind van de stad waren gekomen, zei SamuŽl tot Saul: `Zeg tegen de knecht dat hij vooruit moet gaan de knecht deed dat - en blijf zelf een ogenblik staan: dan zal ik u mededelen wat God gezegd heeft.'

1 Sam. 10,1 Toen nam SamuŽl een kruikje olie en goot dat uit over het hoofd van Saul. Hij kuste hem en zei: `U heeft Jahwe gezalfd tot vorst over zijn eigen volk. U zult heersen over het volk van Jahwe; u moet het verlossen uit de handen van zijn vijanden rondom. En dit is het teken, dat Jahwe u tot vorst over zijn erfdeel gezalfd heeft:
1 Sam. 10,2 als u zo aanstonds van mij bent weggegaan, zult u dicht bij het graf van Rachel, in het gebied van Benjamin, te Selsach, twee mannen ontmoeten. Zij zullen u zeggen: De ezelinnen die u bent gaan zoeken zijn terecht. Uw vader heeft nu geen zorg meer over de ezelinnen, maar over u, en hij vraagt zich af, wat hij voor zijn zoon moet doen.
1 Sam. 10,3 Als u daarna verder trekt en bij de eik van Tabor komt, zult u er drie mannen ontmoeten die opgaan naar God te Betel; de een heeft drie bokjes bij zich, de andere drie ronde broden en de derde een zak wijn.
1 Sam. 10,4 Zij zullen u groeten en u twee broden aanbieden, die u van hen moet aannemen.
1 Sam. 10,5 Daarna komt u in Gibea van God waar de Filistijnen een post hebben. Zodra u de stad ingaat, ziet u een groep profeten van de offerhoogte komen, in vervoering, met harpen, tamboerijnen, fluiten en citers voorop.
1 Sam. 10,6 Dan zal de geest van Jahwe u aangrijpen: ook u zult in vervoering geraken en een ander mens worden.
1 Sam. 10,7 Als deze tekenen geschieden, doe dan verder wat voor de hand ligt, want God is met u.
1 Sam. 10,8 U moet mij voorgaan naar Gilgal; ik kom daar bij u om brand - en slachtoffers op te dragen. Zeven dagen moet u wachten: dan kom ik bij u en laat ik u weten wat u moet doen.'
1 Sam. 10,9 En inderdaad, nadat Saul zich had omgekeerd en van SamuŽl was heengegaan, gaf God hem een ander hart; al die tekenen geschiedden nog diezelfde dag.
1 Sam. 10,10 Toen zij in Gibea kwamen, kwam hem een groep profeten tegemoet. De geest van God greep Saul aan; hij raakte in vervoering en voegde zich bij hen.
1 Sam. 10,11 En allen die hem sinds jaar en dag kenden, zagen hem daar met de profeten in vervoering. En de mensen zeiden tot elkaar: `Wat is er met de zoon van Kis gebeurd? Is Saul ook al bij de profeten?'
1 Sam. 10,12 Iemand antwoordde: `Wie is hun vader?' Zo is het spotwoord ontstaan: Is Saul ook al bij de profeten?
1 Sam. 10,13 Toen zijn vervoering voorbij was, begaf Saul zich naar de offerhoogte.
1 Sam. 10,14 En de oom van Saul zei tot hem en zijn knecht: `Waar zijn jullie geweest?' Hij antwoordde: `Wij waren op zoek naar de ezelinnen, en toen wij ze nergens konden vinden, zijn we naar SamuŽl gegaan.'
1 Sam. 10,15 Daarop zei de oom van Saul: `Vertel me eens: Wat heeft SamuŽl je gezegd?'
1 Sam. 10,16 Saul antwoordde: `Hij heeft ons verteld dat de ezelinnen terecht waren.' Dat SamuŽl over het koningschap gesproken had vertelde hij hem niet.
1 Sam. 10,17 Daarna riep SamuŽl het volk op naar Jahwe in Mispa
1 Sam. 10,18 en hij zei tot de IsraŽlieten: `Zo spreekt Jahwe, de God van IsraŽl: Ik ben het die de IsraŽlieten heb weggevoerd uit Egypte en die u bevrijd heb uit de macht van Egypte en uit de macht van alle koninkrijken die u verdrukten.
1 Sam. 10,19 Maar nu verwerpt gij uw God. Degene die u uit al uw rampen en noden verlost heeft; nu zegt gij: Neen, stel een koning over ons aan! Welnu, stel u op voor het aanschijn van Jahwe, volgens stam en geslacht.'
1 Sam. 10,20 SamuŽl liet vervolgens alle stammen van IsraŽl aantreden, en de stam Benjamin werd aangewezen.
1 Sam. 10,21 Toen liet hij de geslachten van de stam Benjamin aantreden, en het geslacht Matri werd aangewezen. Tenslotte werd Saul, de zoon van Kis, aangewezen. Maar toen men hem zocht, was hij niet te vinden.
1 Sam. 10,22 Daarop stelde men Jahwe nogmaals een vraag: `Is hij hier wel gekomen?' En Jahwe antwoordde: `Ja, maar hij houdt zich schuil tussen de bagage.'
1 Sam. 10,23 Zij renden erheen en haalden hem te voorschijn. Toen hij tussen het volk stond, stak hij er met kop en schouders bovenuit.
1 Sam. 10,24 Daarop zei SamuŽl tot het volk: `Het zal u wel duidelijk zijn, wie Jahwe uitverkoren heeft. Onder het hele volk is er geen tweede zoals hij.' En heel het volk juichte en riep: `Leve de koning!'
1 Sam. 10,25 Daarna kondigde SamuŽl ten overstaan van het volk het koninklijke recht af; hij tekende dit in een oorkonde op en legde die voor het aanschijn van Jahwe neer. Toen liet SamuŽl het volk vertrekken en ieder ging naar huis.
1 Sam. 10,26 Ook Saul ging huiswaarts, naar Gibea, en met hem gingen de dapperen die God daartoe aandreef.
1 Sam. 10,27 Maar er was ook gespuis dat zei: `Zou die ons bevrijden?' Zo toonden zij hun minachting voor hem en ze brachten hem ook geen geschenk. Maar hij deed alsof hij het niet merkte.

1 Sam. 11,1 Toen Nachas, de Ammoniet, oprukte en het beleg sloeg voor Jabes in Gilead, deden de burgers van Jabes hem eensgezind het volgend voorstel: `Als u een verbond met ons sluit, zullen wij ons aan u onderwerpen.'
1 Sam. 11,2 Maar Nachas, de Ammoniet, antwoordde hun: `Ik wil wel een verbond met u sluiten, maar op voorwaarde dat u allen het rechteroog wordt uitgestoken. Dat is de smaad die ik heel IsraŽl wil aandoen.'
1 Sam. 11,3 Toen zeiden de oudsten van Jabes tot hem: `Geef ons zeven dagen respijt, dat wij boden kunnen zenden door heel het gebied van IsraŽl. Als niemand ons te hulp komt, zullen wij ons aan u overgeven.'
1 Sam. 11,4 Toen de boden te Gibea van Saul kwamen en het volk hiervan in kennis stelden, begon heel het volk luidkeels te weeklagen.
1 Sam. 11,5 Maar op dat ogenblik kwam Saul van het veld, achter zijn runderen aan, en hij vroeg: `Wat is er aan de hand dat het volk zo weeklaagt?' Ze vertelden hem het verhaal van de mannen van Jabes.
1 Sam. 11,6 Toen Saul dat verhaal hoorde, werd hij aangegrepen door de geest van God en hij ontstak in hevige toorn.
1 Sam. 11,7 Hij nam een koppel runderen, hakte ze in stukken en liet die door boden in heel IsraŽl rondbrengen met de boodschap: `Wie niet uittrekt achter Saul en achter SamuŽl, met diens runderen zal het net zo gaan!' Toen werd het volk met schrik voor Jahwe geslagen: als een man kwamen zij op.
1 Sam. 11,8 Saul inspecteerde hen in Bezek: er waren driehonderd duizend IsraŽlieten en dertigduizend JudeeŽrs.
1 Sam. 11,9 Ze zeiden tot de boden die gekomen waren: `Dit moet u de mannen van Jabes in Gilead zeggen: Morgen, tegen de tijd dat de zon heet wordt, zal er redding voor u zijn!' Toen de boden thuis kwamen en dit aan de mannen van Jabes berichtten, waren zij verheugd.
1 Sam. 11,10 En de mannen van Jabes zeiden tot Nachas: `Morgen zullen wij ons aan u overgeven; dan doet u met ons maar alles wat u goeddunkt.'
1 Sam. 11,11 De volgende dag verdeelde Saul het volk in drie groepen. Tijdens de laatste nachtwake drongen die het kamp van de Ammonieten binnen en sloegen op hen in, tot op het heetst van de dag. De overlevenden werden zo uiteengejaagd dat er geen twee bij elkaar bleven.
1 Sam. 11,12 Nu zei het volk tot SamuŽl: `Wie durfde er ook weer vragen of die Saul onze koning moest zijn? Lever ons die mannen uit; dan doden wij ze.'
1 Sam. 11,13 Maar Saul zei: `Op deze dag zal niemand ter dood gebracht worden, want vandaag heeft Jahwe de overwinning gegeven aan IsraŽl.'
1 Sam. 11,14 En SamuŽl sprak tot het volk: `Kom, laten wij naar Gilgal gaan en daar het koningschap hernieuwen.'
1 Sam. 11,15 Toen ging het volk naar Gilgal en voor het aanschijn van Jahwe riepen zij Saul tot koning uit. Ze brachten dankoffers aan Jahwe, en Saul en alle mannen van IsraŽl vierden daar een groot feest.

1 Sam. 12,1 SamuŽl sprak tot de IsraŽlieten: `U ziet dat ik naar u geluisterd heb, naar alles wat u mij hebt gezegd, en dat ik een koning over u heb aangesteld.
1 Sam. 12,2 Daar staat nu de koning die u voorgaat. Ik ben nu oud en grijs geworden en mijn zonen hebben hun plaats onder u. Vanaf mijn jonge jaren tot de dag van heden ben ik u voorgegaan.
1 Sam. 12,3 Hier sta ik: leg nu over mij uw verklaring af ten overstaan van Jahwe en van zijn gezalfde. Heb ik ooit van iemand een rund afgenomen? Heb ik ooit van iemand een ezel afgenomen? Heb ik ooit iemand benadeeld of iemand verdrukt? Heb ik ooit van iemand een geschenk aangenomen om van hem iets door de vingers te zien? Dan zal ik het teruggeven.'
1 Sam. 12,4 Maar de IsraŽlieten zeiden: `Neen, u hebt ons niet benadeeld, u hebt ons niet verdrukt en van niemand hebt u wat dan ook aangenomen.'
1 Sam. 12,5 Toen sprak SamuŽl tot hen: `Jahwe is dus getuige en heden is ook zijn gezalfde getuige dat u niets van mij te vorderen hebt!' En zij antwoordden: `Zo is het!'
1 Sam. 12,6 Nu zei SamuŽl tot het volk: `Jahwe is het die Mozes en Ašron heeft doen optreden en uw vaderen uit Egypte heeft geleid.
1 Sam. 12,7 Welnu, stelt u op, dan zal ik, ten overstaan van Jahwe, u als uw rechter alle weldaden voorhouden die Jahwe u en uw vaderen heeft bewezen.
1 Sam. 12,8 Toen Jakob in Egypte gekomen was en uw vaderen tot Jahwe riepen, zond Jahwe Mozes en Ašron, die uw vaderen uit Egypte leidden en hun hier een woonplaats gaven.
1 Sam. 12,9 Maar uw vaderen vergaten Jahwe, hun God; daarom leverde Hij hen over aan Sisera, de legeraanvoerder van Hasor, aan de Filistijnen en aan de koning van Moab, die de strijd met hen aanbonden.
1 Sam. 12,10 Toen riepen zij weer tot Jahwe en zeiden: Wij hebben gezondigd, want wij hebben Jahwe verlaten en de Bašls en Astarten gediend; bevrijd ons toch uit de macht van onze vijanden, en wij zullen U dienen.
1 Sam. 12,11 Daarop zond Jahwe Jerubbaal, Bedan, Jefta en SamuŽl, en bevrijdde u uit de macht van uw vijanden rondom, zodat u veilig kon wonen.
1 Sam. 12,12 Maar toen u Nachas, de koning van de Ammonieten, op u af zag komen, hebt u, terwijl Jahwe uw God toch uw koning is, tot mij gezegd: Een koning moet over ons heersen!
1 Sam. 12,13 Welnu, daar staat dan de koning, die u gewild hebt, om wie u gevraagd hebt. Jahwe heeft hem u gegeven.
1 Sam. 12,14 Als u, zowel uzelf als de koning die over u heerst, Jahwe nu maar vreest, Hem dient, naar Hem luistert, zijn gebod niet veracht en Hem volgt!
1 Sam. 12,15 Maar als u niet naar Jahwe luistert en als u zijn gebod veracht, dan zal zijn hand op u neerkomen, net als op uw vaderen.
1 Sam. 12,16 Gaat nu staan en let op, want Jahwe zal voor uw ogen iets groots gaan doen.
1 Sam. 12,17 Het is nu de tijd van de tarweoogst. Welnu, ik zal Jahwe aanroepen en Hij zal het laten donderen en regenen. Dan zult u zien en begrijpen, hoe verkeerd u tegenover Jahwe hebt gehandeld door een koning te vragen.'
1 Sam. 12,18 Toen riep SamuŽl Jahwe aan en Jahwe liet het donderen en regenen, die dag,
1 Sam. 12,19 zodat het volk diep ontzag kreeg voor Jahwe en ook voor SamuŽl. En het volk zei tot SamuŽl: `Bid voor uw dienaren tot Jahwe uw God dat het niet onze dood wordt, nu wij bij al onze zonden ook nog misdaan hebben door een koning te vragen.'
1 Sam. 12,20 Maar SamuŽl zei tot het volk: `Ook al hebt u dit kwaad gedaan, u hoeft niet bevreesd te zijn, zolang u Jahwe niet verlaat en Hem dient met heel uw hart.
1 Sam. 12,21 Verlaat Hem niet om achter nietswaardigheden aan te lopen: zij kunnen niet helpen en niet bevrijden, want ze zijn niets waard.
1 Sam. 12,22 Jahwe zal zijn volk niet verwerpen, omwille van zijn grote naam, want Hij heeft besloten van u zijn volk te maken.
1 Sam. 12,23 Er is ook geen sprake van dat ik tegen Jahwe zal zondigen door niet langer voor u te bidden. Ik zal u de goede en rechte weg blijven wijzen.
1 Sam. 12,24 Maar u moet Jahwe vrezen en Hem trouw en met heel uw hart dienen; u ziet toch de grote dingen die Hij voor u gedaan heeft!
1 Sam. 12,25 Volhardt u echter in uw boosheid, dan wordt u weggevaagd, u en uw koning!'

1 Sam. 13,1 Saul was zoveel jaar oud toen hij koning werd en hij heeft twee jaar over IsraŽl geregeerd.
1 Sam. 13,2 Saul koos uit IsraŽl drieduizend mannen uit, waarvan er tweeduizend onder bevel van Saul zelf te Mikmas en op de berg bij Betel kwamen te liggen, en duizend onder Jonatan te Gibea in Benjamin. De rest van het volk liet hij naar huis gaan, een ieder naar zijn eigen tent.
1 Sam. 13,3 Jonatan vernietigde de Filistijnse post in Geba en de Filistijnen vernamen dat. Intussen had Saul overal in het land de bazuin laten steken, want hij dacht: `De HebreeŽn moeten het horen!'
1 Sam. 13,4 Zo vernam heel IsraŽl de boodschap: `Saul heeft de Filistijnse post vernietigd en daardoor hebben de IsraŽlieten het bij de Filistijnen verbruid.' Het volk werd opgeroepen om Saul te volgen naar Gilgal.
1 Sam. 13,5 De Filistijnen verzamelden zich voor de strijd tegen de IsraŽlieten. Zij hadden drieduizend strijdwagens en zesduizend wagenstrijders; hun voetvolk was zo talrijk als de zandkorrels op het strand van de zee. Zij rukten op en legerden zich bij Mikmas, ten oosten van het Betawen.
1 Sam. 13,6 De IsraŽlieten zagen dat ze in het nauw raakten, de bevolking liep gevaar en verborg zich in spelonken en spleten, in grotten, graven en putten.
1 Sam. 13,7 Ook waren er HebreeŽn die de Jordaan overstaken naar het land van Gad en Gilead. Saul daarentegen bevond zich nog in Gilgal en er was grote angst onder de mannen die hem volgden.
1 Sam. 13,8 Hij wachtte zeven dagen, tot het ogenblik dat SamuŽl had vastgelegd, maar SamuŽl kwam niet naar Gilgal. Toen begon het volk Saul in de steek te laten.
1 Sam. 13,9 Daarom zei Saul: `Breng mij het brandoffer en de drankoffers.' Toen droeg hij zelf het brandoffer op.
1 Sam. 13,10 Nauwelijks had hij het brandoffer opgedragen, of SamuŽl kwam aan. Saul trad hem tegemoet om hem te begroeten,
1 Sam. 13,11 maar SamuŽl vroeg: `Wat hebt u gedaan?' Saul antwoordde: `Ik merkte dat het volk mij in de steek liet, en omdat u niet op de vastgestelde tijd hier was en de Filistijnen zich in Mikmas verzameld hadden,
1 Sam. 13,12 dacht ik: Nu zullen de Filistijnen op mij afkomen, maar Gilgal, nog voor ik Jahwe gunstig gestemd heb. Dus heb ik mij veroorloofd zelf het brandoffer op te dragen.'
1 Sam. 13,13 Toen sprak SamuŽl tot Saul: `U hebt dwaas gehandeld! U hebt het bevel niet opgevolgd dat Jahwe uw God u had gegeven! Anders zou Hij thans uw koningschap over IsraŽl voor altijd bevestigen.
1 Sam. 13,14 Nu echter zal uw koningschap niet bestendig zijn. Jahwe heeft al iemand anders uitgezocht, een man naar zijn hart, en hem aangesteld tot vorst over zijn volk, omdat u niet hebt onderhouden wat Jahwe u had bevolen.'
1 Sam. 13,15 SamuŽl vertrok en ging van Gilgal naar Gibea in Benjamin. Saul telde de mannen die nog bij hem waren; het waren er ongeveer zeshonderd.
1 Sam. 13,16 Saul lag met zijn zoon Jonatan met het volk dat bij hem was te Geba in Benjamin, terwijl de Filistijnen bij Mikmas gelegerd waren.
1 Sam. 13,17 Uit het kamp van de Filistijnen trokken drie groepen uit om het land plat te branden: de eerste groep nam de weg naar Ofra, naar het land Sual,
1 Sam. 13,18 de tweede nam de weg naar Bet-choron, de derde nam de weg langs de grens, die boven langs het Hyenadal de woestijn in loopt.
1 Sam. 13,19 Nu was er in heel IsraŽl geen smid te vinden, want de Filistijnen hadden verordend dat de HebreeŽn geen zwaarden of lansen mochten smeden.
1 Sam. 13,20 De IsraŽlieten moesten zich ook tot de Filistijnen wenden om hun ploegschaar, hun zeis, hun bijl of hun sikkel te laten slijpen.
1 Sam. 13,21 Dit kostte twee derde sikkel voor een ploegschaar of zes en een derde sikkel voor een hak, een bijl of voor het herstellen van een osseprikkel.
1 Sam. 13,22 Zo kwam het dat er op de dag van de veldslag in heel het leger van Saul en Jonatan geen zwaard of lans te vinden was, behalve die van Saul en Jonatan, zijn zoon.
1 Sam. 13,23 De Filistijnen hadden een post uitgezet in de bergpas van Mikmas.

1 Sam. 14,1 Op een dag zei Jonatan, de zoon van Saul, tot zijn wapendrager: `Kom, we gaan op de post van de Filistijnen af, daar aan de overkant.' Hij zei er niets van tegen zijn vader.
1 Sam. 14,2 Saul bevond zich toen in het grensgebied van Gibea, onder de granaatappelboom in Migron. Een groep van ongeveer zeshonderd man was bij hem
1 Sam. 14,3 en Achia, de zoon van Achitub, de broer van Ikabod, de zoon van Pinechas, de zoon van Eli, die priester van Jahwe was geweest in Silo, droeg de efod. Niemand wist dat Jonatan was weggegaan.
1 Sam. 14,4 De bergpas waarlangs Jonatan de pas van de Filistijnen wilde bereiken, wordt beheerst door twee rotspieken; de ene heet Boses, de andere Senne;
1 Sam. 14,5 de ene staat aan de noordkant tegenover Mikmas, de andere aan de zuidkant tegenover Geba.
1 Sam. 14,6 Jonatan zei nu tot zijn wapendrager: `Kom, we gaan op de post van die onbesnedenen af. Misschien treedt Jahwe voor ons op; voor Jahwe maakt het geen verschil hoe Hij overwint, met velen of met weinigen.'
1 Sam. 14,7 De wapendrager antwoordde: `Doe maar wat u van plan bent en ga uw gang; ik sta tot uw beschikking.'
1 Sam. 14,8 Toen zei Jonatan: `Wij gaan in de richting van die mannen en we zorgen dat ze ons zien.
1 Sam. 14,9 Als ze tegen ons zeggen: Blijft staan tot we bij jullie zijn, dan blijven we waar we zijn en klimmen niet naar hen toe.
1 Sam. 14,10 Maar als ze zeggen: Komt maar naar boven, dan klimmen we naar boven want dat is het teken dat Jahwe hen aan ons heeft overgeleverd.'
1 Sam. 14,11 Toen de twee binnen het gezichtsveld van de wachtpost van de Filistijnen waren gekomen, zeiden de Filistijnen: `Kijk eens, de HebreeŽn komen uit de holen waar ze zich verborgen hadden.'
1 Sam. 14,12 De mannen van de wachtpost riepen Jonatan en zijn wapendrager toe: `Komt maar naar boven, dan zullen we jullie eens wat vertellen!' Daarop zei Jonatan tegen zijn wapendrager: `Klim achter mij aan, want Jahwe heeft ze aan IsraŽl overgeleverd.'
1 Sam. 14,13 Jonatan klom op handen en voeten naar boven en zijn wapendrager kwam achter hem aan. Bij het zien van Jonatan vielen de Filistijnen neer en zijn wapendrager die achter hem aankwam maakte hen af.
1 Sam. 14,14 Deze eerste slag die Jonatan hun toebracht, samen met zijn wapendrager, kostte hun ongeveer twintig man, binnen het bestek van een halve vore van een morgen land.
1 Sam. 14,15 Toen ontstond er paniek in het kamp, op het veld en onder heel het volk; ook de posten en de troepen die het land platbrandden raakten in paniek. De aarde beefde en er ontstond een vreselijke verwarring.
1 Sam. 14,16 Toen de uitkijkposten van Saul in Gibea in Benjamin bemerkten dat het rumoer in het kamp hoe langer hoe erger werd,
1 Sam. 14,17 zei Saul tot de mannen die bij hem waren: `Zoekt eens uit, wie er bij ons weg is.' Zij stelden een onderzoek in, en het bleek dat Jonatan en zijn wapendrager ontbraken.
1 Sam. 14,18 Toen zei Saul tot Achia: `Breng de ark van God hier!' De ark van God was toen namelijk bij de IsraŽlieten.
1 Sam. 14,19 Maar terwijl Saul tot de priester sprak, werd het rumoer in het kamp van de Filistijnen steeds erger. Daarom zei Saul tot de priester: `Laat maar.'
1 Sam. 14,20 Saul en de mannen die bij hem waren verzamelden zich en begaven zich naar de plaats waar gevochten werd; bij hun aankomst zagen zij dat de Filistijnen op elkaar insloegen; er was een geweldige verwarring ontstaan.
1 Sam. 14,21 Ook die HebreeŽn die het sinds lang met de Filistijnen gehouden hadden en met hen te velde waren getrokken, kozen nu de partij van de IsraŽlieten die Saul en Jonatan volgden.
1 Sam. 14,22 Toen de IsraŽlieten die zich in het bergland van EfraÔm schuilhielden vernamen, dat de Filistijnen op de vlucht waren, liepen ook zij te wapen om hen te achtervolgen.
1 Sam. 14,23 Zo verloste Jahwe toen de IsraŽlieten. De strijd werd tot voorbij Bet-awen voortgezet.
1 Sam. 14,24 Van de IsraŽlieten werd die dag het uiterste gevergd, doordat Saul het volk tot deze eed verplicht had: `Vervloekt de man die voor vanavond, voordat ik mij op mijn vijanden heb gewroken, het waagt om iets te eten.' Daarom gebruikte niemand enig voedsel.
1 Sam. 14,25 Ze kwamen in een bos, waar de honing zo maar op de grond lag,
1 Sam. 14,26 maar ook in dat bos, waar zo'n vloed van honing was, stak niemand er een hand naar uit; zoveel ontzag had het volk voor de eed.
1 Sam. 14,27 Jonatan echter had niet gehoord van de eed die zijn vader het volk had laten afleggen. Hij doopte de punt van zijn stok in een honingraat en bracht die aan zijn mond. Er kwam weer glans in zijn ogen.
1 Sam. 14,28 Maar een van de mannen zei tot hem: `Uw vader heeft het volk vandaag deze eed laten afleggen: Vervloekt de man die het waagt om vandaag iets te eten. Daarom is het volk ook zo uitgeput.'
1 Sam. 14,29 Jonatan antwoordde: `Dan heeft mijn vader het land een slechte dienst bewezen. Zie maar eens hoe mijn ogen weer glanzen nu ik een beetje honing geproefd heb.
1 Sam. 14,30 Als het volk vandaag maar had kunnen eten van de buit die het op zijn vijanden behaald heeft, was de nederlaag van de Filistijnen heel wat groter geweest.'
1 Sam. 14,31 Die dag sloeg het volk de Filistijnen terug van Mikmas tot Ajjalon. De mannen waren zeer vermoeid;
1 Sam. 14,32 zij stortten zich op de buit en slachtten schapen, runderen en kalveren, zo maar op de grond, en aten ze met het bloed erin.
1 Sam. 14,33 Aan Saul werd gemeld: `Het volk zondigt tegen Jahwe door vlees met het bloed er nog in te eten!' Hij sprak: `Daarmee doet u verkeerd. Rolt ogenblikkelijk een grote steen aan.'
1 Sam. 14,34 Saul zei: `Verspreidt u onder het volk en zegt hun: Iedereen moet zijn rund of schaap hier komen slachten; dan kunt u eten en zondigt u niet tegen Jahwe door vlees met bloed erin te eten.'
1 Sam. 14,35 Toen kwamen alle mensen nog diezelfde nacht met het rund dat ze bemachtigd hadden en slachtten het daar. Saul bouwde een altaar voor Jahwe; dit was het eerste altaar dat hij voor Jahwe bouwde.
1 Sam. 14,36 Toen zei Saul: `We gaan vannacht de Filistijnen achterna en plunderen ze uit tot de ochtend aanbreekt, zonder een man in leven te laten.' Zij antwoordden: `Doe maar wat u goed dunkt.' Maar de priester zei: `We moeten ons toch eerst tot God wenden!'
1 Sam. 14,37 Saul vroeg dus aan God: `Zal ik de Filistijnen achter volgen? Zult Gij ze aan de IsraŽlieten overleveren?' Maar God gaf hem die dag geen antwoord.
1 Sam. 14,38 Daarom zei Saul: `Aanvoerders van het volk, komt allen hierheen en brengt aan het licht, welke zonde er vandaag bedreven is.
1 Sam. 14,39 Zowaar Jahwe leeft die IsraŽl verlost, de schuldige zal sterven, al was het mijn eigen zoon Jonathan!' Maar niemand van het volk zei iets.
1 Sam. 14,40 Daarop zei Saul tot de IsraŽlieten: `U gaat aan de ene kant staan, ik ga met mijn zoon Jonathan aan de andere kant staan.' Het volk gaf Saul ten antwoord: `Doe wat u goed lijkt.'
1 Sam. 14,41 Nu zei Saul tot Jahwe: `God van IsraŽl, breng de waarheid aan het licht.' Toen werden Saul en Jonathan aangewezen en het volk ging vrijuit.
1 Sam. 14,42 Toen zei Saul: `Werp nu het lot tussen mij en mijn zoon Jonatan.' Jonatan werd aangewezen.
1 Sam. 14,43 Nu zei Saul tot Jonatan: `Vertel me wat je gedaan hebt.' Jonatan vertelde het hem en zei: `Ja, ik heb met de punt van mijn stok een beetje honing genomen en ervan geproefd. Ik ben bereid te sterven.'
1 Sam. 14,44 Daarop zei Saul: `God moge dit en dat met mij doen en nog erger: je zult inderdaad sterven!'
1 Sam. 14,45 Maar het volk zei tot Saul: `Moet Jonatan sterven? Hij die zo'n grote overwinning voor IsraŽl bewerkt heeft? Geen denken aan! Zowaar Jahwe leeft, geen haar op zijn hoofd zal worden gekrenkt, want met Gods hulp heeft hij vandaag de overwinning behaald.' Zo werd Jonatan door het volk gered en stierf hij niet.
1 Sam. 14,46 Toen staakte Saul de achtervolging van de Filistijnen en dezen trokken zich terug op hun eigen gebied.
1 Sam. 14,47 Nadat Saul het koningschap over IsraŽl aanvaard had, streed hij tegen al zijn vijanden rondom: tegen de Moabieten, tegen de Ammonieten, tegen de Edomieten, tegen de koningen van Soba en tegen de Filistijnen, en hij behaalde de overwinning op ieder volk waartegen hij zich keerde.
1 Sam. 14,48 Hij verrichtte dappere daden, versloeg de Amalekieten en bevrijdde de IsraŽlieten van plunderende benden.
1 Sam. 14,49 De zonen van Saul waren Jonatan, Jiswi en Malkisua; van zijn twee dochters heette de oudste Merab, de jongste Mikal.
1 Sam. 14,50 De vrouw van Saul heette Achinoam; zij was een dochter van Achimaas. Zijn legeroverste heette Abner, de zoon van Ner, de oom van Saul.
1 Sam. 14,51 Kis, de vader van Saul, en Ner, de vader van Abner, waren namelijk zonen van AbiŽl.
1 Sam. 14,52 Tijdens heel de regering van Saul moest er hevig gevochten worden tegen de Filistijnen; daarom keek hij steeds uit naar flinke en dappere mannen, om die in zijn dienst te nemen.

1 Sam. 15,1 SamuŽl sprak tot Saul: `Mij heeft Jahwe gezonden om u te zalven tot koning over zijn volk, over IsraŽl; luister dus naar het woord van Jahwe.
1 Sam. 15,2 Dit zegt Jahwe van de machten: Ik ga de Amalekieten straffen, want zij hebben IsraŽl de weg versperd, toen het optrok uit Egypte.
1 Sam. 15,3 Rukt dus uit en slaat de Amalekieten neer en voltrekt de ban aan alles wat hun toebehoort; spaart hen niet, maar brengt allen ter dood, mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen en schapen, kamelen en ezels.'
1 Sam. 15,4 Saul riep het volk op naar Telam en telde het: twee honderdduizend man voetvolk en tienduizend JudeeŽrs.
1 Sam. 15,5 Toen Saul de stad van de Amalekieten bereikt had, legde hij troepen in hinderlaag in de bedding van een beek.
1 Sam. 15,6 Hij zei tot de Kenieten: `Verwijdert u en trekt weg van de Amalekieten; anders zou ik u tegelijk met hen vernietigen, terwijl u IsraŽl toch trouw hebt bewezen, toen het optrok uit Egypte.' Daarop trokken de Kenieten zich uit Amalek terug.
1 Sam. 15,7 En Saul versloeg de Amalekieten in het gebied tussen Chawila en Sur, dat ten oosten van Egypte ligt.
1 Sam. 15,8 Agag, de koning van de Amalekieten, kreeg hij levend in handen. Aan het volk voltrok Saul de ban met het zwaard,
1 Sam. 15,9 maar hij en zijn mannen spaarden Agag en de beste en vetste schapen, runderen en lammeren, alles wat waardevol was. Daaraan wilden zij de ban niet voltrekken, maar aan het ondeugdelijke of waardeloze voltrokken zij de ban wel.
1 Sam. 15,10 Toen werd het woord van Jahwe gericht tot SamuŽl:
1 Sam. 15,11 `Ik heb spijt dat Ik Saul tot koning heb aangesteld, want hij heeft zich van Mij afgekeerd en mijn bevelen niet uitgevoerd.' SamuŽl was daar diep bedroefd om en riep heel de nacht tot Jahwe.
1 Sam. 15,12 's Morgens vroeg trachtte SamuŽl Saul te ontmoeten, maar men vertelde hem: `Saul is naar Karmel gegaan en heeft daar een gedenkteken opgericht; toen is hij verder getrokken en afgedaald naar Gilgal.'
1 Sam. 15,13 SamuŽl ging naar Saul toe en Saul zei tot hem: `Wees gezegend door Jahwe; ik heb het bevel van Jahwe uitgevoerd.'
1 Sam. 15,14 Maar SamuŽl vroeg: `Wat betekent dan dat geblaat van schapen en dat geloei van koeien dat ik hoor?'
1 Sam. 15,15 Saul antwoordde: `Die heeft men van Amalek meegebracht. Het volk heeft de beste schapen en runderen gespaard om offers te brengen ter ere van Jahwe uw God. Aan de rest hebben wij de ban voltrokken.'
1 Sam. 15,16 Nu zei SamuŽl tot Saul: `Houd maar op; ik zal u verkondigen wat Jahwe mij deze nacht gezegd heeft.' Saul antwoordde: `Spreek.'
1 Sam. 15,17 SamuŽl zei: `U kunt u zelf wel onbelangrijk achten, maar toch bent u het hoofd van de stammen van IsraŽl, want Jahwe heeft u tot koning over IsraŽl gezalfd.
1 Sam. 15,18 Jahwe heeft u uitgezonden met de opdracht: Trek op tegen de Amalekieten, voltrek de ban aan die zondaars en strijd tegen hen tot gij ze hebt uitgeroeid.
1 Sam. 15,19 Waarom heb u dan niet naar Jahwe geluisterd, maar u op de buit geworpen en gedaan wat Jahwe mishaagt?'
1 Sam. 15,20 Toen zei Saul tot SamuŽl: `Maar ik heb toch naar Jahwe geluisterd en ik ben toch gegaan waar Jahwe mij zond; ik heb Agag, de koning van Amalek, meegebracht aan de Amalekieten de ban voltrokken.
1 Sam. 15,21 Het volk heeft uit de buit schapen en runderen genomen, het beste van wat onder de banvloek lag, om in Gilgal offers te brengen aan Jahwe uw God.'
1 Sam. 15,22 Maar SamuŽl sprak: `Zouden brand - en slachtoffers Jahwe even lief zijn als gehoorzaamheid aan zijn woord?' Neen, gehoorzamen is beter dan offeren, volgzaamheid meer waard dan het vet van bokken.
1 Sam. 15,23 Weerspannigheid staat gelijk met de zonde van toverij, ongezeglijkheid met afgodendienst. Omdat u het woord van Jahwe verworpen hebt, heeft Jahwe u verworpen en zult u geen koning meer zijn.'
1 Sam. 15,24 Toen zei Saul tot SamuŽl: `Ik heb gezondigd, want ik heb het woord van Jahwe, uw opdracht, overtreden; ik was bang voor het volk en heb naar hen geluisterd.
1 Sam. 15,25 Vergeef mij mijn zonde en ga met mij mee; dan zal ik mij voor Jahwe neerbuigen.'
1 Sam. 15,26 Maar SamuŽl zei tot Saul: `Ik ga niet met u mee, want u hebt het woord van Jahwe verworpen en nu heeft Hij u verworpen; u zult geen koning meer zijn over IsraŽl.'
1 Sam. 15,27 Toen SamuŽl zich omdraaide om heen te gaan, greep Saul hem vast aan een slip van zijn mantel, maar die scheurde af.
1 Sam. 15,28 Nu zei SamuŽl tot hem: `Heden heeft Jahwe het koning schap van u losgescheurd en Hij geeft het aan een ander, die beter is dan u.
1 Sam. 15,29 En bedenk wel: de Heerlijkheid van IsraŽl liegt niet en kent geen berouw; Hij is immers geen mens dat hij terug zou komen op een besluit!'
1 Sam. 15,30 Toen zei Saul: `Ik heb gezondigd, maar bewijs mij niettemin de eer, met mij mee te komen ten aanschouwen van de oudsten van mijn volk en ten aanschouwen van IsraŽl, wanneer ik mij ga neerbuigen voor Jahwe uw God.'
1 Sam. 15,31 Daarom begeleidde SamuŽl Saul, toen deze zich voor Jahwe ging neerbuigen.
1 Sam. 15,32 Vervolgens zei SamuŽl: `Breng Agag, de koning van Amalek, bij me.' Welgemoed kwam Agag op hem toe en zei: `De bittere dood is dus geweken!'
1 Sam. 15,33 Maar SamuŽl zei: `Uw zwaard heeft vrouwen hun kinderen ontnomen. Nu wordt ook uw moeder een vrouw zonder zoon.' En SamuŽl hakte Agag in stukken, voor het aanschijn van Jahwe te Gilgal.
1 Sam. 15,34 Daarna ging SamuŽl naar Rama en Saul keerde terug naar zijn huis te Gibea van Saul.
1 Sam. 15,35 Daarna zag SamuŽl Saul niet meer terug, tot de dag van zijn dood toe. SamuŽl bleef om Saul treuren, omdat het Jahwe berouwd had dat Hij Saul tot koning over IsraŽl had aangesteld.

1 Sam. 16,1 Daarom sprak Jahwe tot SamuŽl: `Hoe lang zult gij nog treuren over Saul, terwijl Ik hem heb verworpen en hij geen koning meer zal zijn over IsraŽl? Vul een hoorn met olie: Ik zend u naar IsaÔ de Betlehemiet, want een van diens zonen heb Ik voor het koningschap bestemd.'
1 Sam. 16,2 Maar SamuŽl zei: `Hoe kan ik dat doen? Als Saul het hoort, vermoordt hij mij.' Jahwe antwoordde: `Gij neemt een kalf mee en gij zegt dat ge komt om aan Jahwe te offeren.
1 Sam. 16,3 Gij moet IsaÔ bij het offer uitnodigen en Ik zal u dan wel te kennen geven wat ge moet doen: degene die Ik aanwijs moet gij zalven.'
1 Sam. 16,4 SamuŽl deed wat Jahwe bevolen had. Toen hij in Betlehem kwam, liepen de oudsten van de stad hem ontsteld tegemoet en vroegen: `Uw komst betekent toch niets kwaads?'
1 Sam. 16,5 Hij antwoordde: `Niets dan goeds. Ik ben gekomen om aan Jahwe te offeren: zorgt dat u heilig bent en komt dan met mij ten offer.' Hij droeg er zorg voor dat IsaÔ en zijn zonen zich heiligden en riep hen bijeen voor het offer.
1 Sam. 16,6 Toen zij aankwamen, viel zijn blik op Eliab en hij dacht: `Die daar voor Jahwe staat is ongetwijfeld zijn gezalfde!'
1 Sam. 16,7 Maar Jahwe zei tot SamuŽl: `Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte; hem wil ik niet. Want God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar Jahwe naar het hart.'
1 Sam. 16,8 Toen riep IsaÔ Abinadab en stelde hem aan SamuŽl voor, maar SamuŽl zei: `Ook hem heeft Jahwe niet uitverkoren.'
1 Sam. 16,9 Toen stelde IsaÔ Samma voor, maar SamuŽl zei: `Ook hem heeft Jahwe niet uitverkoren.'
1 Sam. 16,10 Zo stelde IsaÔ zeven van zijn zonen aan SamuŽl voor, maar SamuŽl zei tot IsaÔ: `Geen van hen heeft Jahwe uitverkoren.'
1 Sam. 16,11 Daarop vroeg hij aan IsaÔ: `Zijn dat al uw jongens?' Hij antwoordde: `Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen.' Toen zei SamuŽl tot IsaÔ: `Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel voordat hij hier is.'
1 Sam. 16,12 IsaÔ liet hem dus halen. De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen. Nu zei Jahwe: `Hem moet gij zalven: hij is het.'
1 Sam. 16,13 SamuŽl nam dus de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Sedert die dag was de geest van Jahwe vaardig over David. Daarna vertrok SamuŽl en ging naar Rama.
1 Sam. 16,14 Van Saul was de geest van Jahwe geweken en een boze geest, door Jahwe gezonden, kwelde hem.
1 Sam. 16,15 Zijn hovelingen zeiden tot hem: `Een demon kwelt u,
1 Sam. 16,16 maar uw dienaren staan voor u gereed om op het woord van onze heer iemand te zoeken die citer speelt. Die moet dan spelen, als de demon u overvalt, en dan zult u zich beter voelen.'
1 Sam. 16,17 Daarop zei Saul tot zijn hovelingen: `Ja, zie maar uit naar iemand die goed kan spelen en breng hem bij me.'
1 Sam. 16,18 Een van de knechten nam het woord en zei: `Ik ken iemand die kan spelen, een zoon van IsaÔ uit Betlehem. Het is een dappere held, een krijgsman, welbespraakt en goed van voorkomen; Jahwe is met hem.'
1 Sam. 16,19 Toen zond Saul boden naar IsaÔ met het verzoek: `Stuur mij uw zoon David, die bij de schapen is.'
1 Sam. 16,20 Daarop nam IsaÔ zoveel brood als een ezel kan dragen, een zak wijn en een bokje, en liet dat alles door zijn zoon David meenemen voor Saul.
1 Sam. 16,21 Zo kwam David bij Saul en werd hij zijn dienaar. Saul ging veel van hem houden en David werd zijn wapendrager.
1 Sam. 16,22 Saul liet aan IsaÔ zeggen: `Laat David bij mij in dienst blijven: hij heeft mijn genegenheid gewonnen.'
1 Sam. 16,23 En telkens als de demon Saul lastig viel, nam David de citer en speelde hij erop: dan kalmeer de Saul en voelde hij zich beter en de boze geest week van hem.

1 Sam. 17,1 De Filistijnen verzamelden hun troepen voor de strijd; zij verzamelden zich te Soko dat bij Juda hoort en sloegen hun kamp op tussen Soko en Azeka, te Efes-dammim.
1 Sam. 17,2 Ook Saul en de IsraŽlieten verzamelden zich; zij sloegen hun kamp op in het Dal van de terebint en stelden zich in slagorde tegenover de Filistijnen.
1 Sam. 17,3 De Filistijnen stonden op de berghelling aan de ene kant, de IsraŽlieten op de berghelling aan de andere kant; tussen hen in lag het dal.
1 Sam. 17,4 Toen trad er uit de gelederen van de Filistijnen een kampvechter, Goliat geheten, afkomstig uit Gat. Hij was zes el en een span lang;
1 Sam. 17,5 hij had een bronzen helm op het hoofd en droeg een schubbenpantser, gemaakt van vijfduizend sikkel brons.
1 Sam. 17,6 Aan zijn benen had hij bronzen scheenplaten en tussen zijn schouders droeg hij een bronzen kromzwaard.
1 Sam. 17,7 De schacht van zijn lans leek wel een weversboom en de ijzeren spits woog zeshonderd sikkel. Zijn schilddrager ging voor hem uit.
1 Sam. 17,8 Hij stelde zich in postuur en riep de gelederen van de IsraŽlieten toe: `Waarom zijn jullie eigenlijk uitgetrokken? Om oorlog te voeren? Welnu dan, ik ben een Filistijnen jullie zijn de dienaren van Saul. Wijst maar iemand aan en laat die komen.
1 Sam. 17,9 Als hij de strijd met mij aankan en mij verslaat, dan zullen wij jullie dienaren zijn, maar als ik sterker ben en hem versla, dan zullen jullie onze slaven zijn en ons dienen.
1 Sam. 17,10 Ik tart vandaag de gelederen van IsraŽl,' zei de Filistijn, `iemand te sturen die met mij kan strijden.'
1 Sam. 17,11 Saul en de IsraŽlieten hoorden die woorden van de Filistijn met verbijstering aan en waren zeer bevreesd.
1 Sam. 17,12 David was de zoon van een Efratiet uit Betlehem in Juda, die IsaÔ heette en acht zonen had. In de tijd van Saul was IsaÔ reeds oud en hoogbejaard.
1 Sam. 17,13 De drie oudste zonen van IsaÔ waren met Saul ten strijde getrokken. Het waren Eliab, de eerstgeborene, Abinadab, de tweede, en Samma, de derde zoon.
1 Sam. 17,14 David was de jongste; de drie oudsten waren meegetrokken met Saul.
1 Sam. 17,15 David ging van Saul telkens naar Betlehem om de schapen van zijn vader te hoeden.
1 Sam. 17,16 Veertig dagen achtereen trad de Filistijn iedere morgen en avond naar voren en stelde hij zich in postuur.
1 Sam. 17,17 IsaÔ zei tot zijn zoon David: `Breng eens met spoed een efa geroosterd graan en deze tien broden naar je broers in het legerkamp;
1 Sam. 17,18 deze tien kazen moet je bij de hoofdman van duizend bezorgen. Kijk eens hoe je broers het maken en vraag hun om een ontvangstbewijs.
1 Sam. 17,19 Ze zijn met Saul en alle manschappen van IsraŽl in het Dal van de terebint en strijden daar met de Filistijnen.'
1 Sam. 17,20 De volgende ochtend vertrouwde David de schapen aan een veehoeder toe en begaf zich met de proviand op weg, zoals IsaÔ hem had bevolen. Hij kwam bij het wagenkamp op het ogenblik dat de legermacht naar het front trok en de strijdkreet werd aangeheven.
1 Sam. 17,21 De IsraŽlieten en de Filistijnen stelden zich tegen over elkaar in slagorde op.
1 Sam. 17,22 David vertrouwde zijn vracht toe aan de bewaker van de legertros en spoedde zich naar het front; daar aangekomen, vroeg hij zijn broers hoe zij het maakten.
1 Sam. 17,23 Hij stond nog met hen te praten, toen de kampvechter van de Filistijnen uit hun gelederen naar voren trad. Hij heette Goliat en was een Filistijn uit Gat. Hij sprak weer dezelfde woorden en David hoorde die.
1 Sam. 17,24 Bij het zien van de man gingen alle IsraŽlieten op de vlucht en waren zeer bevreesd.
1 Sam. 17,25 Een IsraŽliet zei: `Zien jullie die man daar? Hij komt naar voren om de IsraŽlieten te tarten. Degene die hem verslaat zal door de koning begiftigd worden; de koning zal hem zijn eigen dochter geven en zijn familie vrijstellen van lasten in IsraŽl.'
1 Sam. 17,26 Toen vroeg David de mannen die bij hem stonden: `Wat zal er gebeuren met de man die deze Filistijn wegneemt? Wie is die onbesneden Filistijn wel dat hij de gelederen van de levende God durft tarten?'
1 Sam. 17,27 En de soldaten gaven hem hetzelfde antwoord: `Dat en dat zal er gebeuren met de man die hem verslaat.'
1 Sam. 17,28 Toen Eliab, de oudste broer van David, hem zo met de mannen hoorde spreken, werd hij kwaad en zei: `Waarom ben je eigenlijk hier gekomen en bij wie heb je die paar schapen in de woestijn achtergelaten? Ik weet hoe aanmatigend en onbetrouwbaar je bent: je bent hier gekomen om naar het vechten te kijken!'
1 Sam. 17,29 David antwoordde: `Ik doe toch niets verkeerds! Het is toch iets belangrijks!'
1 Sam. 17,30 Daarop wendde David zich van hem af en stelde aan een ander dezelfde vraag, en de soldaten gaven hem hetzelfde antwoord als de eerste keer.
1 Sam. 17,31 Men hoorde wat David zei en het werd aan Saul verteld; deze liet hem halen.
1 Sam. 17,32 David zei tot Saul: `Laat vanwege die Filistijn niemand de moed verliezen; uw dienaar zal met hem gaan vechten.'
1 Sam. 17,33 Saul zei tot David: `Jij kunt toch niet met die Filistijn gaan vechten! Je bent nog maar een knaap en hij is een vechtersbaas, vanaf zijn jonge jaren.'
1 Sam. 17,34 Maar David zei tot Saul: `Toen uw dienaar de schapen van zijn vader hoedde, kwam er soms een leeuw of een beer, die een schaap uit de kudde roofde;
1 Sam. 17,35 dan ging ik achter dat dier aan, sloeg het neer en redde het schaap uit zijn muil. En viel het dier mij aan, dan greep ik het bij zijn baard en sloeg ik het dood.
1 Sam. 17,36 Leeuwen en beren heeft uw dienaar neergeslagen. Die onbesneden Filistijn zal hetzelfde lot ondergaan, omdat hij de gelederen van de levende God durft tarten.
1 Sam. 17,37 Jahwe, die mij gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren,' zei David, `Hij zal mij ook redden uit de handen van die Filistijn.' Daarop zei Saul tot David: `Ga dan, en moge Jahwe met je zijn.'
1 Sam. 17,38 Saul bekleedde David met zijn eigen gewaad, zette hem een bronzen helm op het hoofd, deed hem een pantser aan
1 Sam. 17,39 en omgordde hem met zijn zwaard, over zijn gewaad heen. David was echter niet in staat, zich in die ongewone uitrusting te bewegen. David zei daarom tot Saul: `In die ongewone uitrusting kan ik me niet bewegen.' Hij werd er dus weer uitgeholpen.
1 Sam. 17,40 Hij nam zijn stok in de hand, zocht in de beek vijf gladde stenen uit, deed ze in zijn herderstas, de tas voor de slingerstenen, en ging met zijn slinger in de hand op de Filistijn af.
1 Sam. 17,41 De Filistijn kwam er al aan, voorafgegaan door zijn schildknaap, steeds dichter bij David.
1 Sam. 17,42 Maar toen hij David in het oog had gekregen en hem goed had bekeken, begon hij hem te honen, omdat hij nog maar een jongen was, rossig en prettig van voorkomen.
1 Sam. 17,43 Hij riep David toe: `Ben ik soms een hond, dat je met een stok op me afkomt?' En hij begon David bij zijn goden te vervloeken.
1 Sam. 17,44 `Kom maar eens hier,' riep hij hem toe, `Dan zal ik je vlees te vreten geven aan de vogels in de lucht en de dieren op het veld.'
1 Sam. 17,45 Maar David zei tot de Filistijn: `U komt op mij af met zwaard, werpspies en sabel, maar ik kom op u af met de naam van Jahwe van de machten, de God van IsraŽls gelederen, die u getart heb.
1 Sam. 17,46 Vandaag zal Jahwe u aan mij overleveren; ik zal u neervellen, uw hoofd van uw romp scheiden en ik zal vandaag nog de lijken van de Filistijnen te vreten geven aan de vogels in de lucht en de dieren op het veld. Heel de aarde zal weten dat IsraŽl een God heeft.
1 Sam. 17,47 Heel deze menigte zal weten dat Jahwe geen redding brengt door het zwaard of de lans. Want Jahwe beslist over de strijd en Hij zal u aan ons overleveren.'
1 Sam. 17,48 Toen de Filistijn tot de aanval overging en David al naderde, rende David op de gelederen af, de Filistijn tegemoet.
1 Sam. 17,49 Hij deed een greep in zijn tas, nam er een steen uit, slingerde die naar de Filistijn en trof hem tegen het voorhoofd. De steen drong in het hoofd en de man viel voorover op de grond.
1 Sam. 17,50 Zo was David met zijn slinger en steen sterker dan de Filistijn; hij trof hem dodelijk zonder een zwaard te gebruiken.
1 Sam. 17,51 Nu rende David op de Filistijn toe; hij ging bij hem staan, trok het zwaard van de Filistijn uit de schede, hieuw hem met hoofd van de rompen doodde hem. Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, sloegen ze op de vlucht.
1 Sam. 17,52 Maar nu sprongen de mannen van IsraŽl en Juda op, hieven de strijdkreet aan en achtervolgden de Filistijnen in de richting van Gat en tot de poorten van Ekron' van Saaraim af tot Gat en tot Ekron lagen de gesneuvelde Filistijnen langs de weg.
1 Sam. 17,53 Toen keerden de IsraŽlieten van de heftige vervolging der Filistijnen terug en plunderden hun legerplaats.
1 Sam. 17,54 David nam het hoofd van de Filistijn mee en hij bracht het naar Jeruzalem, maar de wapens legde hij in zijn tent.
1 Sam. 17,55 Toen Saul David tegen de Filistijn had zien uittrek ken, had hij aan Abner, de legeroverste, gevraagd: `Van wie is die jongen een zoon, Abner?' Abner had geantwoord: `Zowaar u leeft, koning, ik weet het niet.'
1 Sam. 17,56 Daarop had de koning gezegd: `Doe dan eens navraag, van wie die jongen een zoon is.'
1 Sam. 17,57 Toen David dus van zijn overwinning op de Filistijn terugkeerde, nam Abner hem mee, en bracht hem, met het hoofd van de Filistijn in de hand, bij Saul.
1 Sam. 17,58 Saul vroeg hem: `Van wie ben jij de zoon, mijn jon gen?' David antwoordde: `Ik ben een zoon van uw dienaar IsaÔ uit Betlehem.'

1 Sam. 18,1 Onmiddellijk na het gesprek van David met Saul vatte Jonatan genegenheid op voor David en ging Jonatan van hem houden als van zichzelf.
1 Sam. 18,2 Saul nam David die dag in zijn dienst en liet hem niet meer naar het ouderlijk huis teruggaan.
1 Sam. 18,3 Jonatan sloot met David een verbond, omdat hij evenveel van hem hield als van zichzelf.
1 Sam. 18,4 Hij trok de mantel uit die hij zelf droeg en gaf hem aan David; ook gaf hij hem zijn kleed, zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel.
1 Sam. 18,5 Al de tochten waarop Saul David uitstuurde, werden door David tot een goed einde gebracht. Saul plaatste hem dan ook aan het hoofd van het leger. Dit vond bijval bij heel het volk, ook bij de hovelingen van Saul.
1 Sam. 18,6 En het gebeurde bij hun thuiskomst, toen David terug keerde van zijn overwinning op de Filistijn, dat de vrouwen uit alle steden van IsraŽl koning Saul zingend en dansend tegemoet trokken, met tamboerijnen, vreugdeliederen en triangels.
1 Sam. 18,7 De dansende vrouwen hieven een beurtzang aan en zongen: `Bij duizenden sloeg Saul ze neer, maar David bij tienduizenden!'
1 Sam. 18,8 Saul was zeer ontstemd en ergerde zich hevig aan die woorden; hij zei: `Aan David geven zij tienduizenden, aan mij duizenden; alleen het koningschap ontbreekt hem nog maar!'
1 Sam. 18,9 Vanaf dat ogenblik bekeek Saul David met afgunst.
1 Sam. 18,10 De volgende dag maakte een boze demon zich van Saul meester in zijn huis, en hij raakte buiten zichzelf. Terwijl David, zoals gewoonlijk, op de citer speelde,
1 Sam. 18,11 wierp Saul de lans die hij in zijn hand had naar David om hem aan de muur te steken. Maar David wist hem te ontwijken, tot tweemaal toe.
1 Sam. 18,12 Nu begon Saul David te vrezen, want Jahwe was met hem, terwijl Hij van Saul was geweken.
1 Sam. 18,13 Daarom verwijderde Saul David uit zijn omgeving en stelde hem aan als hoofdman van duizend. Aan het hoofd van krijgsvolk rukte hij uit en keerde hij terug.
1 Sam. 18,14 Alles wat David ondernam bracht hij tot een goed einde, want Jahwe was met hem.
1 Sam. 18,15 Toen Saul de successen van David zag, werd hij bang voor hem,
1 Sam. 18,16 maar heel IsraŽl en Juda hadden David lief, omdat hij aan het hoofd van het krijgsvolk uittrok en terugkeerde.
1 Sam. 18,17 Eens zei Saul tot David: `Hier is Merab, mijn oudste dochter; haar zal ik u tot vrouw geven, op voorwaarde dat u in mijn dienst een dapper man bent en de oorlogen van Jahwe voert.' Saul dacht: `Niet mijn hand moet zich tegen hem keren, maar de hand van de Filistijnen.'
1 Sam. 18,18 Maar David zei tot Saul: `Wie ben ik, en wat betekenen in IsraŽl mijn verwanten, het geslacht van mijn vader, dat ik de schoonzoon van de koning zou worden?'
1 Sam. 18,19 Toen dan ook de tijd gekomen was dat Merab, de dochter van Saul, aan David gegeven kon worden, werd zij als vrouw gegeven aan AdriŽl, de Mecholatiet.
1 Sam. 18,20 Maar Mikal, een andere dochter van Saul, werd verliefd op David. Toen dit aan Saul verteld werd, was hij niet ontevreden.
1 Sam. 18,21 Hij dacht namelijk: `Ik zal hem Mikal beloven; dan wordt zij een valstrik voor hem, zodat de Filistijnen de hand aan hem kunnen slaan.' Saul zei opnieuw tot David: `U kunt vandaag nog mijn schoonzoon worden.'
1 Sam. 18,22 Hij gaf zijn hovelingen de opdracht: `Praat eens vertrouwelijk met David en zegt hem: De koning is op u gesteld en al zijn hovelingen mogen u graag; u moet de schoonzoon van de koning worden.'
1 Sam. 18,23 De hovelingen gaven hem dit te verstaan. Maar David zei: `Denkt u dat het zo gemakkelijk is de schoonzoon van de koning te worden? Ik ben maar een arme man van onaanzienlijke afkomst!'
1 Sam. 18,24 En de hovelingen vertelden Saul wat David gezegd had.
1 Sam. 18,25 Toen zei Saul: `Dit moet u tegen David zeggen: `De koning verlangt van u geen andere bruidsprijs dan honderd voor huiden van Filistijnen, als bewijs dat wraak genomen is op de vijanden van de koning.' Saul rekende er namelijk op dat David zo in de handen van de Filistijnen zou vallen.
1 Sam. 18,26 Toen Sauls hovelingen dit voorstel aan David mede deelden, leek het hem mogelijk, zo de schoonzoon van de koning te worden. Voor de tijd verstreken was,
1 Sam. 18,27 trok David met zijn mannen uit, doodde tweehonderd Filistijnen en bracht hun voorhuiden mee; daarmee voldeden zij aan de eis van de koning, zodat David de schoonzoon van de koning kon worden. En Saul gaf hem zijn dochter Mikal als vrouw.
1 Sam. 18,28 Saul zag steeds meer dat Jahwe met David was. Mikal, de dochter van Saul, had David lief.
1 Sam. 18,29 Saul werd nog bevreesder voor David en hij bleef David vijandig gezind altijddoor.
1 Sam. 18,30 Telkens als de vorsten van de Filistijnen uitrukten en de dienaren van Saul met hen streden, had David meer succes dan de anderen. Zo werd zijn naam zeer beroemd.

1 Sam. 19,1 Saul deelde zijn zoon Jonatan en al zijn hovelingen mee dat hij David wilde doden. Jonatan, de zoon van Saul, die David bijzonder genegen was,
1 Sam. 19,2 liet David weten: `Mijn vader Saul wil je doden. Wees morgenochtend op je hoede; zoek een schuilplaats en houd je verborgen.
1 Sam. 19,3 Ik ga dan de stad uit en kom met mijn vader in jouw nabijheid staan. Dan spreek ik met mijn vader over jou en wat ik te horen krijg laat ik je weten.'
1 Sam. 19,4 Jonatan pleitte dus voor David bij zijn vader Saul en zei tot hem: `Laat de koning zich niet vergrijpen aan zijn dienaar David. Hij heeft niets tegen u misdaan. Integendeel, wat hij gedaan heeft is u zeer voordelig geweest.
1 Sam. 19,5 Hij heeft zijn leven op het spel gezet; hij heeft de Filistijnen verslagen en Jahwe heeft heel IsraŽl op grootse wijze bevrijd. U hebt het gezien en u hebt u erover verheugd. Waarom zoudt u zich dan vergrijpen aan onschuldig bloed en David zonder enige reden doden?'
1 Sam. 19,6 Saul luisterde naar Jonatan en zwoer: `Zowaar Jahwe leeft, David wordt niet gedood!'
1 Sam. 19,7 Toen riep Jonatan David en vertelde hem alles wat er gezegd was. Hij bracht David bij Saul en David diende hem weer zoals voorheen.
1 Sam. 19,8 Maar opnieuw brak de oorlog uit en David trok op om tegen de Filistijnen te strijden. Hij bracht hun een zware nederlaag toe en zij namen de vlucht.
1 Sam. 19,9 Toen maakte er een boze geest, door Jahwe gezonden, zich van Saul meester, terwijl die in zijn huis zat. Toen David op de citer speelde,
1 Sam. 19,10 probeerde Saul hem met de lans die hij in zijn hand had aan de wand te steken, maar David ontweek hem, zodat de lans in de wand drong. Daarop nam David de vlucht en stelde zich die nacht in veiligheid.
1 Sam. 19,11 Maar Saul zond boden om het huis van David te bewaken en hem 's morgens te doden. Mikal, de vrouw van David, waar schuwde hem echter en zei: `Als je vannacht niet weet te ontkomen, word je morgen gedood.'
1 Sam. 19,12 Mikal liet David dus door het venster naar beneden; hij vluchtte weg en stelde zich in veiligheid.
1 Sam. 19,13 Daarop pakte Mikal de huisgoden en legde die op het bed; zij legde een vlechtsel van geitenhaar op de plaats van het hoofd en spreidde er een deken over uit.
1 Sam. 19,14 Toen Saul dan boden zond om David gevangen te nemen, verklaarde zij: `Hij is ziek.'
1 Sam. 19,15 Maar Saul gaf de boden de opdracht David te zoeken en zei: `Breng hem met bed en al bij me; dan dood ik hem.'
1 Sam. 19,16 De boden gingen naar binnen, maar vonden de huisgoden in het bed en het vlechtsel van geitenhaar op de plaats van het hoofd.
1 Sam. 19,17 Toen zei Saul tot Mikal: `Waarom heb je me zo bedrogen en mijn vijand laten ontsnappen?' Mikal gaf Saul ten antwoord: `Hij heeft tegen mij gezegd; Laat me gaan, of ik sla je dood.'
1 Sam. 19,18 David was intussen gevlucht en had zich in veiligheid gesteld. Hij kwam bij SamuŽl in Rama en vertelde hem alles wat Saul hem aangedaan had. Daarop ging hij met SamuŽl heen en zij verbleven in Najot.
1 Sam. 19,19 Toen men Saul meldde dat David in Najot bij Rama was,
1 Sam. 19,20 zond Saul boden om David gevangen te nemen. Dezen zagen daar de groep profeten in vervoering, met SamuŽl aan het hoofd, en de geest van God werd vaardig over de boden van Saul, zodat ook zij in vervoering raakten.
1 Sam. 19,21 Toen men dit aan Saul meldde, zond hij andere boden, maar ook dezen raakten in vervoering. En toen hij weer andere boden zond, een derde groep, raakten ook dezen in vervoering.
1 Sam. 19,22 Daarom ging hij zelf naar Rama. Toen hij bij de grote put in Seku gekomen was, vroeg hij: `Waar zijn SamuŽl en David?' Men antwoordde hem: `In Najot bij Rama.'
1 Sam. 19,23 Hij ging dus naar Najot bij Rama. Maar toen werd ook over hem de geest van God vaardig; in vervoering vervolgde hij zijn weg, tot hij in Najot bij Rama aankwam.
1 Sam. 19,24 Ook hij rukte zich de kleren van het lijf; ook hij was in vervoering, in het bijzijn van SamuŽl. Tenslotte zakte hij in elkaar en bleef heel die dag en heel die nacht naakt liggen. Daarom zegt men: `Is Saul ook al bij de profeten?'

1 Sam. 20,1 David vluchtte weg uit Najot bij Rama. Hij kwam bij Jonatan en vroeg: `Wat heb ik toch gedaan?' Wat is mijn misdaad? Wat heb ik tegenover je vader misdreven dat hij mij naar het leven staat?'
1 Sam. 20,2 Hij antwoordde hem: `Geen sprake van dat jij zou moeten sterven! Je weet dat mijn vader hoegenaamd niets doet of hij vertrouwt het mij toe. Waarom zou mijn vader dan dit voornemen voor mij verborgen houden? Geen sprake van!'
1 Sam. 20,3 Maar David hield vol en zei: `Je vader weet heel goed dat ik je genegenheid gewonnen heb en heeft dus gedacht: Jonatan mag dit niet weten; het zou hem pijn doen. Neen, zowaar Jahwe leeft en zowaar jij leeft: ik ben maar een stap van de dood verwijderd.'
1 Sam. 20,4 Jonatan vroeg David: `Wat wil je dat ik voor je doen zal?'
1 Sam. 20,5 Toen zei David tot Jonatan: `Morgen is het nieuwe maan en zou ik beslist met de koning moeten eten. Maar als je me verlof geeft, kan ik me tot overmorgen buiten de stad schuilhouden.
1 Sam. 20,6 Als je vader mij mist, moet je hem zeggen: David heeft mij dringend verlof gevraagd om naar Betlehem, zijn woonplaats, te gaan, omdat heel zijn familie daar het jaarlijks offer viert.
1 Sam. 20,7 Zegt hij dan dat het goed is, dan is je dienaar veilig, maar wordt hij kwaad, dan kun je er zeker van zijn dat mijn ondergang voor hem een uitgemaakte zaak is.
1 Sam. 20,8 Blijf je dienaar trouw, want met een verbond in de naam van Jahwe heb je mij aan jezelf verbonden. Heb ik echter schuld, dan moet jij me doden. Maar lever mij niet uit aan je vader!'
1 Sam. 20,9 Jonatan antwoordde: `Geen denken aan! Als ik er zeker van was dat mijn vader je ondergang besloten had, dan zou ik het je beslist laten weten.'
1 Sam. 20,10 Toen vroeg David aan Jonatan: `Maar door wie en hoe laat je me weten of je vader harde woorden tegen je gesproken heeft?'
1 Sam. 20,11 Daarop zei Jonatan tot David: `Kom, laten we de stad uitgaan.' En samen gingen zij de stad uit.
1 Sam. 20,12 Nu zei Jonatan tot David: `Jahwe, de God van IsraŽl, is getuige dat ik morgen of overmorgen mijn vader zal uithoren. Staat het goed voor David en stuur ik je geen boodschap om jou ervan in kennis te stellen,
1 Sam. 20,13 dan mogen Jahwe dit me Jonatan doen en nog erger. Is mijn vader van plan je kwaad te doen, dan stel ik je daarvan in kennis en geef ik je verlof, een veilig heenkomen te zoeken. Moge Jahwe met je zijn, zoals Hij met mijn vader is geweest.
1 Sam. 20,14 Ben ik dan nog in leven, wees dan even trouw aan mij als Jahwe en laat mij niet sterven.
1 Sam. 20,15 Blijf ook aan mijn huis altijd je trouw tonen, ook wanneer Jahwe de vijanden van David van de aardbodem verdelgt.'
1 Sam. 20,16 Toen sloot Jonatan een verbond met het huis van David, ook voor het geval dat Jahwe Davids vijanden zou straffen.
1 Sam. 20,17 En in zijn liefde voor David verklaarde Jonatan nogmaals onder ede dat hij David liefhad als zichzelf.
1 Sam. 20,18 Nu zei Jonatan tot hem: `Morgen is het nieuwe maan en als jouw stoel leeg blijft zal dat opvallen.
1 Sam. 20,19 Kom dan overmorgen naar de plek waar je op die bewuste dag een schuilplaats hebt gevonden. Blijf in de buurt van de steen van het vertrek.
1 Sam. 20,20 Dan zal ik doen alsof ik op een doel mik en er drie pijlen langs schieten.
1 Sam. 20,21 Vervolgens stuur ik de jongen om ze op te rapen. Zeg ik tegen hem: De pijlen liggen vlak bij je, raap ze maar op, dan kun je voor de dag komen, want dan ben je veilig en is er, zowaar Jahwe leeft, geen gevaar.
1 Sam. 20,22 Maar zeg ik tegen de jongen: De pijlen liggen verder op, dan moet je vertrekken, want dan heeft Jahwe je weggezonden.
1 Sam. 20,23 En wat onze overeenkomst betreft: Jahwe is voor altijd getuige tussen jou en mij.'
1 Sam. 20,24 David hield zich dus buiten de stad schuil. Het werd nieuwe maan en de koning ging aan tafel voor de maaltijd.
1 Sam. 20,25 Hij zat op zijn gewone plaats, de plaats tegen de wand. Jonatan zat tegenover Saul en Abner naast hem, maar de plaats van David bleef leeg.
1 Sam. 20,26 Die dag zei Saul er niets van; hij dacht: `Er zal hem iets overkomen zijn waardoor hij niet rein is; hij zal wel onrein zijn.'
1 Sam. 20,27 Maar toen de volgende dag, daags na de nieuwe maan, de plaats van David weer leeg bleef, vroeg Saul aan zijn zoon Jonatan: `Waarom is de zoon van IsaÔ gisteren en vandaag niet aan tafel gekomen?'
1 Sam. 20,28 Jonatan antwoordde: `David heeft mij dringend verlof gevraagd om naar Betlehem te gaan.
1 Sam. 20,29 Hij zei: Wees zo goed mij te laten vertrekken, want wij vieren een familieoffer in de stad en mijn broer heeft mij ontboden. Bewijs mij een gunst en laat mij gaan; dan kan ik mijn broers bezoeken. Daarom is hij niet aan de tafel van de koning verschenen.'
1 Sam. 20,30 Toen werd Saul woedend op Jonatan en hij zei tot hem: `Jij hoerenkind! Ik weet best dat jij het met de zoon van IsaÔ houdt, tot je eigen schande en tot schande van de schaamte van je moeder,
1 Sam. 20,31 want zolang de zoon van IsaÔ levend op de aarde rondloopt, ben jij niet veilig en je koningschap evenmin. Vooruit, stuur hem bij me. Hij is ten dode opgeschreven.'
1 Sam. 20,32 Jonatan antwoordde zijn vader: `Waarom moet hij sterven? Wat heeft hij gedaan?'
1 Sam. 20,33 Maar Saul wierp zijn lans naar Jonatan om hem te doden. Toen wist Jonatan dat zijn vader vastbesloten was David te doden.
1 Sam. 20,34 Verontwaardigd stond hij van tafel op, en die tweede dag na de nieuwe maan at hij niet, omdat hij bedroefd was over David die door zijn vader beledigd was.
1 Sam. 20,35 De volgende morgen ging Jonatan de stad uit om David te ontmoeten; een kleine jongen ging met hem mee.
1 Sam. 20,36 Hij zei tegen de jongen: `Vlug, raap de pijlen op die ik afschiet.' Terwijl de jongen vooruitliep, schoot Jonatan een pijl af, over hem heen.
1 Sam. 20,37 Toen de jongen bij de plek kwam waar de afgeschoten pijl moest liggen, riep Jonatan hem achterna.' De pijl ligt verderop.'
1 Sam. 20,38 Jonatan riep ook: `Vlug, schiet op, niet blijven staan!' Het knechtje van Jonatan raapte de pijl op en kwam ermee naar zijn meester.
1 Sam. 20,39 De jongen wist van niets; alleen Jonatan en David wisten waarom het ging.
1 Sam. 20,40 Nu gaf Jonatan zijn wapens aan zijn knechtje en zei hem: `Vooruit, breng die naar de stad!'
1 Sam. 20,41 Toen de jongen weg was, kwam David voor de dag uit zijn schuilplaats bij de steen, wierp zich voorover op de grond en boog zich driemaal neer. Zij kusten elkaar en schreiden om elkaar, totdat David zich vermande.
1 Sam. 20,42 En Jonatan zei tot David: `Ga in vrede, want bij de naam van Jahwe hebben wij elkaar gezworen: Jahwe zal voor altijd getuige zijn van het verbond tussen jou en mij, tussen mijn nageslacht en het jouwe.'

1 Sam. 21,1 Toen vertrok David en Jonatan keerde naar de stad terug.
1 Sam. 21,2 David ging naar Nob, naar de priester Achimelek. Ontsteld kwam Achimelek David tegemoet en vroeg: `Waarom bent u alleen en is er niemand bij u?'
1 Sam. 21,3 David antwoordde: `Ik heb een opdracht van de koning en hij heeft mij gezegd dat niemand ook maar iets mag weten van de zending waarmee hij mij belast heeft. Mijn knechten heb ik overigens daar en daar besteld.
1 Sam. 21,4 Maar zeg eens: Hebt u hier iets bij de hand? Geef mij dan vijf broden mee of wat er is.'
1 Sam. 21,5 De priester antwoordde: `Gewoon brood heb ik niet bij de hand, wel heilig brood. Als uw knechten maar niet bij vrouwen geweest zijn!'
1 Sam. 21,6 David antwoordde de priester: `Al is dit een profane tocht, op dit punt is hij toch heilig, want de omgang met vrouwen is ons onmogelijk geweest, zowel gisteren als eergisteren, toen ik uittrok, zodat de knechten heilig zijn in hun leden.'
1 Sam. 21,7 Toen gaf de priester hem het heilige brood, want er was geen ander brood dan het toonbrood, dat op bepaalde dagen uit Jahwe's tegenwoordigheid wordt weggenomen en door vers brood wordt vervangen.
1 Sam. 21,8 Op diezelfde dag was daar ook een van Sauls hovelingen, die zich in Jahwe's tegenwoordigheid had afgezonderd. Het was de Edomiet Doeg en hij was opzichter over de herders van Saul.
1 Sam. 21,9 David zei tot Achimelek: `Hebt u hier niet een lans of zwaard bij de hand? Ik heb niet eens mijn zwaard en mijn andere wapens mee kunnen nemen; zo dringend was de opdracht van de koning.'
1 Sam. 21,10 De priester antwoordde: `Ja, het zwaard van Goliat de Filistijn, die u in het Dal van de terebint verslagen hebt. Het staat daar achter de efod, in een doek gewikkeld. Dat kunt u meenemen als u wilt; een ander is er niet.' En David zei: `Er is ook geen beter; geef het maar.'
1 Sam. 21,11 David ging toen voor Saul op de vlucht en hij kwam bij Akis, de koning van Gat.
1 Sam. 21,12 De hovelingen zeiden tot Akis: `Maar dat is David, de koning van het land! Dat is de man van wie ze in reidansen gezongen hebben: Bij duizenden sloeg Saul ze neer, maar David bij tienduizenden!'
1 Sam. 21,13 Deze woorden ontgingen David niet en hij werd zeer bevreesd voor Akis, de koning van Gat.
1 Sam. 21,14 Daarom veinsde hij krankzinnigheid en stelde zich, toen ze hem grepen, als een gek aan. Hij maakte krassen op de stadspoort en kwijlde in zijn baard.
1 Sam. 21,15 Toen zei Akis tot zijn hovelingen: `Jullie zien toch wel dat dit een waanzinnige is? Waarom brengen jullie hem bij me? Kom ik soms gekken te kort, dat jullie me die kerel gebracht hebben om bij mij te keer te gaan? Moet die in mijn huis?'

1 Sam. 22,1 David ging daar weg en vond een veilig onderkomen in de grot van Adullam. Toen zijn broers en andere familieleden dit hoorden, kwamen zij naar hem toe.
1 Sam. 22,2 Ook sloten zich allerlei lieden bij hem aan die in het nauw zaten of schulden hadden of verbitterd waren. David werd hun aanvoerder. Zo kwamen er ongeveer vierhonderd man bij hem.
1 Sam. 22,3 Vandaag ging David naar Mispe in Moab en hij vroeg de koning van Moab: `Kunnen mijn vader en moeder een onderkomen bij u krijgen, totdat ik weet wat God met mij voorheeft?'
1 Sam. 22,4 Zo bracht hij ze onder bij de koning van Moab en zij bleven bij hem, zolang David zich in zijn schuilplaats verschanst hield.
1 Sam. 22,5 Maar de profeet Gad zei tot David: `Blijf niet in die schuilplaats, maar ga naar Juda.' Toen vertrok David naar het bos van Cheret.
1 Sam. 22,6 Het kwam Saul ter ore dat David en zijn mannen gezien waren. Saul zat toen onder de tamarisk op de heuvel in Rama, met zijn speer in de hand, en al zijn hovelingen stonden bij hem.
1 Sam. 22,7 Saul sprak tot hen: `Luistert eens, Benjaminieten! Gaat de zoon van IsaÔ soms ook aan jullie landerijen en wijngaarden geven, en gaat hij ook jullie aanstellen tot bevelhebbers over duizend en over honderd,
1 Sam. 22,8 dat jullie met zijn allen tegen mij samenzweren? Niemand heeft mij gewaarschuwd dat mijn zoon een verbond sloot met de zoon van IsaÔ; niemand van jullie heeft zich om mij bekommerd en mij gewaarschuwd dat mijn zoon mijn knecht opstookte om mij te belagen, zoals nu wel duidelijk is.'
1 Sam. 22,9 Toen nam Doeg de Edomiet die bij de hovelingen van Saul stond, het woord en zei: `Ik heb gezien dat de zoon van IsaÔ in Nob kwam, bij Achimelek, de zoon van Achitub.
1 Sam. 22,10 Die heeft Jahwe voor hem geraadpleegd; die heeft hem proviand gegeven en die heeft hem ook het zwaard van Goliat de Filistijn gegeven.'
1 Sam. 22,11 De koning ontbood toen de priester Achimelek, de zoon van Achitub, met al zijn familieleden die priester waren in Nob; gezamenlijk kwamen zij bij de koning.
1 Sam. 22,12 Saul zei: `Zoon van Achitub, luister!' Deze antwoord de: `Spreek, heer!'
1 Sam. 22,13 Toen zei Saul: `Waarom hebt u met de zoon van IsaÔ tegen mij samengespannen? U hebt hem brood gegeven en een zwaard en u hebt God voor hem geraadpleegd. Daardoor kon hij tegen mij in opstand komen, zoals nu wel duidelijk is.'
1 Sam. 22,14 Achimelek antwoordde: 'Als iemand van uw hovelingen betrouwbaar is, dan is het toch David, de schoonzoon van de koning, het hoofd van uw lijfwacht, hoog geŽerd in uw huis!
1 Sam. 22,15 En het was toch niet de eerste keer dat ik God voor hem raadpleegde. Integendeel! Daar om moet de koning zijn dienaar niets ten laste leggen, en mijn familie evenmin, want uw dienaar wist niet het minste of geringste van dat alles af.'
1 Sam. 22,16 Maar de koning zei: `U zult sterven, Achimelek, u en uw hele familie!'
1 Sam. 22,17 En de koning beval de soldaten van de lijfwacht die bij hem stonden: `Vooruit, doodt de priesters van Jahwe, want ook zij heulen met David; zij wisten dat hij op de vlucht was en ze hebben mij niet gewaarschuwd.' Maar de dienaren van de koning weigerden een hand uit te steken om de priesters van Jahwe neer te slaan.
1 Sam. 22,18 Daarom zei de koning tot Doeg de Edomiet: `Vooruit, dan jij; sla de priesters neer.' En Doeg de Edomiet trad naar voren en sloeg de priesters neer; hij doodde die dag vijfentachtig man, dragers van de linnen efod.
1 Sam. 22,19 Ook keerde hij zijn zwaard tegen Nob, de stad van de priesters; mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen, ezels en schapen joeg hij over de kling.
1 Sam. 22,20 Een zoon van Achimelek, de zoon van Achitub, wist echter te ontkomen en vluchtte naar David. Hij heette Abjatar.
1 Sam. 22,21 Toen Abjatar David vertelde dat Saul de priesters van Nob vermoord had,
1 Sam. 22,22 zei David tot hem: `Toen ik merkte dat Doeg de Edomiet daar in Nob was, wist ik al dat hij het bij Saul zou aanbrengen. Ik ben dus aansprakelijk voor de dood van uw hele familie.
1 Sam. 22,23 Blijf bij mij en wees niet bevreesd, want dezelfde die u naar het leven staat, staat ook mij naar het leven. U staat onder mijn bescherming.'

1 Sam. 23,1 Er werd aan David bericht dat de Filistijnen Keila aanvielen en er de dorsvloeren leegroofden.
1 Sam. 23,2 Toen raadpleegde David Jahwe en vroeg: `Zal ik oprukken en die Filistijnen verslaan?' En Jahwe sprak tot David: `Ja, ruk op, versla de Filistijnen en ontzet Keila.'
1 Sam. 23,3 Maar de mannen van David zeiden tot hem: `Hier in Juda zitten we al in angst! Wat moet het dan worden als we naar Keila oprukken, waar de Filistijnen in slagorde staan?'
1 Sam. 23,4 Daarop raadpleegde David Jahwe opnieuw en Jahwe antwoordde hem: `Trek naar Keila: Ik lever de Filistijnen aan u over.'
1 Sam. 23,5 Nu rukte David met zijn mannen op naar Keila; hij bond de strijd aan met de Filistijnen, voerde hun vee weg en richtte een grote slachting onder hen aan. Zo bevrijdde David de inwoners van Keila.
1 Sam. 23,6 Abjatar, de zoon van Achimelek, die naar David gevlucht was, kwam naar Keila met de efod bij zich.
1 Sam. 23,7 Toen men Saul mededeelde dat David Keila binnengetrokken was, dacht hij: `God heeft hem aan mij overgeleverd, want door een stad met poorten en grendels binnen te trekken heeft hij zichzelf opgesloten.'
1 Sam. 23,8 Saul riep dus heel het volk ten strijde om naar Keila te trekken en David met zijn mannen te belegeren.
1 Sam. 23,9 Zodra David te weten kwam, welke boze plannen Saul tegen hem smeedde, zei hij tot de priester Abjatar: `Breng de efod hier.'
1 Sam. 23,10 En David zei: `Jahwe, God van IsraŽl, uw dienaar heeft vernomen dat Saul naar Keila wil komen en om mij te treffen de stad wil verwoesten.
1 Sam. 23,11 Zal Saul oprukken, zoals uw dienaar vernomen heeft? Jahwe, God van IsraŽl, geef uw dienaar toch antwoord!' En Jahwe antwoordde: `Ja, hij zal oprukken.'
1 Sam. 23,12 Daarna vroeg David: `Zullen de burgers van Keila mij en mijn mannen aan Saul uitleveren?' En Jahwe antwoordde: `Ja, dat zullen ze doen.'
1 Sam. 23,13 David en zijn mannen, ongeveer zeshonderd, verlieten toen Keila en trokken van de ene plaats naar de andere. Toen aan Saul gemeld werd dat David uit Keila ontsnapt was, zag hij van de veldtocht af.
1 Sam. 23,14 David verbleef in de woestijn, op moeilijk toegankelijke plaatsen. Hij hield zich op in het bergland in de woestijn van Zif. Saul zocht hem voortdurend, maar God liet David niet in zijn handen vallen.
1 Sam. 23,15 David vernam dat Saul was uitgetrokken en het op zijn leven gemunt had; David was toen in de woestijn van Zif in de Choresa.
1 Sam. 23,16 Jonatan, de zoon van Saul, begaf zich toen naar David in de Choresa en met een beroep op God sprak hij hem moed in.
1 Sam. 23,17 Hij zei tot hem: `Wees niet bang; je zult mijn vader Saul niet in handen vallen. Jij zult koning worden over IsraŽl en ik word de tweede man; ook mijn vader Saul weet dat maar al te goed.'
1 Sam. 23,18 Zij sloten samen een verbond ten overstaan van Jahwe. David bleef in de Choresa en Jonatan ging naar huis.
1 Sam. 23,19 Toen gingen de Zifieten naar Saul in Gibea en zeiden: `Weet u dat David zich bij ons schuilhoudt op ontoegankelijke plaatsen in de Choresa, op de heuvel Chakila ten zuiden van de steppe?
1 Sam. 23,20 Welnu, als het de koning behaagt erheen te gaan, zullen wij zorgen dat David aan u wordt uitgeleverd.'
1 Sam. 23,21 Saul zei: `Weest gezegend door Jahwe, omdat u zo met mij meevoelt.
1 Sam. 23,22 Doet nog eens navraag en probeert precies te achter halen waar hij zich ophoudt en wie hem gezien heeft, want ze zeggen mij dat hij zeer listig te werk gaat.
1 Sam. 23,23 Probeert vast te stellen, op welke schuilplaatsen hij zich verbergt en komt met betrouwbare gegevens bij mij terug. Dan ga ik met u mee. Als hij in het land is zal ik hem, onder alle geslachten van IsraŽl proberen te vinden.'
1 Sam. 23,24 Zij vertrokken dus en gingen Saul voor naar Zif. David bevond zich toen met zijn mannen in de woestijn van Maon, in de Araba ten zuiden van de steppe.
1 Sam. 23,25 Toen aan David verteld werd dat Saul en zijn mannen hem zochten, trok hij weg naar de Rots en hield zich op in de woestijn van Maon. Saul vernam dit en hij ging op David af, in de woestijn van Maon.
1 Sam. 23,26 Saul trok voort aan de ene kant van de berg, terwijl David zich met zijn mannen aan de andere kant bevond. David trachtte in allerijl aan Saul te ontkomen, maar reeds stonden Saul en zijn mannen op het punt, David en de zijnen te omsingelen en te grijpen.
1 Sam. 23,27 Op dat ogenblik kwam er bij Saul een bode die hem zei: `Kom onmiddellijk! De Filistijnen zijn het land binnengevallen!'
1 Sam. 23,28 Saul staakte toen de achtervolging van David en trok op de Filistijnen af. Daarom heet deze plaats de Rots van de scheiding.

1 Sam. 24,1 David trok vandaar weg en verbleef op moeilijk toegankelijke plaatsen bij Engedi.
1 Sam. 24,2 Toen Saul van zijn veldtocht tegen de Filistijnen terugkeerde, werd hem verteld: `David zit in de woestijn van Engedi.'
1 Sam. 24,3 Nu koos Saul drieduizend uitgelezen manschappen uit heel IsraŽl en hij ging op zoek naar David en zijn mannen, ten oosten van de Steenbokrotsen.
1 Sam. 24,4 Op zijn weg kwam hij bij de schaapskooien. Daar is een spelonk en Saul ging die binnen om zijn behoefte te doen. Maar achter in die spelonk zat David met zijn mannen!
1 Sam. 24,5 De mannen zeiden tot David: `Dit is het ogenblik dat Jahwe bedoelde toen hij u zei: `Ik lever uw vijand aan u over. Doe met hem wat u wilt.' Toen stond David op en zonder dat Saul iets merkte sneed hij een slip van diens mantel af.
1 Sam. 24,6 Daarna zei David, wiens hart al bonsde omdat hij de slip van Sauls mantel had afgesneden,
1 Sam. 24,7 tot zijn mannen: `Jahwe beware mij ervoor dat ik mij zou vergrijpen aan mijn heer, de gezalfde van Jahwe, dat ik de hand zou slaan aan hem die de gezalfde van Jahwe is.'
1 Sam. 24,8 Met deze woorden hield David zijn mannen in bedwang en liet niet toe dat zij zich op Saul wierpen. Intussen was Saul opgestaan; hij verliet de spelonk om zijn weg te vervolgen.
1 Sam. 24,9 Toen ging ook David de spelonk uit en riep Saul na: `Mijn heer en koning!' Saul keek om en David boog zich neer tot op de grond om hem zijn hulde te betuigen.
1 Sam. 24,10 Hij zei tot Saul: `Waarom luistert u toch naar de praatjes van de mensen als zou David uw ongeluk willen? U ziet nu met uw eigen ogen dat Jahwe u in de spelonk aan mij had overgeleverd.
1 Sam. 24,11 Ze wilden u doden, maar ik heb u gespaard en gezegd: Ik vergrijp mij niet aan mijn heer, want hij is de gezalfde van Jahwe.
1 Sam. 24,12 Kijk, mijn vader, kijk naar de slip van uw mantel die ik in mijn hand heb. Dat ik de slip van uw mantel heb kunnen afsnijden en u niet heb gedood moet voor u toch een duidelijk bewijs zijn dat ik geen boze of opstandige bedoelingen heb. Ik heb niets tegen u misdaan en toch hebt u het op mijn leven gemunt.
1 Sam. 24,13 Jahwe moge oordelen, wie van ons beiden in zijn recht staat, en Jahwe moge mij wreken op u; ik zal de hand niet aan u slaan.
1 Sam. 24,14 Het oude spreekwoord zegt: Van boosheid gaat boosheid uit. Ik zal niet de hand aan u slaan.
1 Sam. 24,15 Tegen wie trekt de koning van IsraŽl eigenlijk uit? Achter wie zit u eigenlijk aan? Het gaat toch maar om een dode hond, om een vlo! Jahwe zal rechter zijn en oordelen, wie van ons beiden in zijn recht staat;
1 Sam. 24,16 Hij moge toezien, mijn zaak verdedigen en mij recht verschaffen tegen u.'
1 Sam. 24,17 Toen David dit gezegd had, riep Saul: `Is dat jouw stem, mijn zoon David?' En Saul begon luid te schreien.
1 Sam. 24,18 En hij zei tot David: `Jij bent rechtschapen, ik niet, want terwijl ik jou kwaad doe, behandel jij mij goed.
1 Sam. 24,19 Vandaag heb je getoond dat je het goed met me voor hebt. Jahwe had mij aan jou overgeleverd en toch heb je me niet gedood.
1 Sam. 24,20 Wie laat ooit zijn vijand ongedeerd heengaan, als hij hem in handen krijgt? Jahwe zal je belonen om hetgeen je vandaag voor mij gedaan hebt.
1 Sam. 24,21 Nu weet ik dat jij koning wordt en dat de koninklijke macht over IsraŽl in jouw handel zal blijven.
1 Sam. 24,22 Welnu, zweer mij dan bij Jahwe dat je mijn nageslacht niet zult uitroeien en mijn naam niet zult doen verdwijnen uit het huis van mijn vader.'
1 Sam. 24,23 David zwoer de eed die Saul van hem vroeg. Toen ging Saul naar huis; David en zijn mannen trokken naar hun schuil plaats.

1 Sam. 25,1 SamuŽl stierf. Alle IsraŽlieten kwamen bijeen voor de rouwklacht en begroeven hem in zijn huis in Rama. David daalde af naar de woestijn van Paran.
1 Sam. 25,2 In Maon woonde iemand die in Karmel zijn bedrijf had. Hij was een zeer vermogend man: hij bezat drieduizend schapen en duizend geiten. Bij gelegenheid van het scheren van de schapen bevond hij zich in Karmel.
1 Sam. 25,3 De man heette Nabal; zijn vrouw Abigail. De vrouw was schrander en mooi, maar de man, een Kalebiet, was een hardvochtige schurk.
1 Sam. 25,4 David vernam in de woestijn dat Nabal zijn schapen aan het scheren was.
1 Sam. 25,5 Hij gaf zijn mannen de opdracht: `Ga naar Karmel, naar Nabal, groet hem namens mij
1 Sam. 25,6 en zeg: Zo spreekt David tot zijn broeder: Hoe gaat het met u, met uw gezin en met alles wat u toebehoort?
1 Sam. 25,7 Ik hoorde dat ze bij u aan het scheren zijn. U weet dat uw herders bij ons in de buurt zijn geweest; wij hebben hen niet gehinderd en nooit hebben zij ook maar iets vermist, zolang ze in Karmel waren;
1 Sam. 25,8 vraag het uw knechten en zij zullen het u bevestigen. Laat daarom mijn mannen een goed onthaal bij u vinden, nu wij op zo'n gunstig ogenblik komen, en geef uw dienaren en uw zoon David wat u bij de hand hebt.'
1 Sam. 25,9 Toen de mannen bij Nabal gekomen waren, spraken zij hem namens David toe zoals hun gezegd was, en wachtten af.
1 Sam. 25,10 Maar Nabal antwoordde de dienaren van David: `Wie is die David? Wie is die zoon van IsaÔ? Het wemelt tegenwoordig van knechten die bij hun meester weggelopen zijn.
1 Sam. 25,11 Moet ik soms mijn brood en mijn water en de beesten die ik voor mijn scheerders geslacht heb, weggeven aan lieden, van wie ik niet eens weet waar ze vandaan komen?'
1 Sam. 25,12 De mannen van David maakten dus rechtsomkeert; zij kwamen bij David terug en vertelden hoe ze ontvangen waren.
1 Sam. 25,13 Toen zei David tot zijn mannen: `Laat iedereen zijn zwaard aangorden.' En iedereen gordde zijn zwaard aan. Ook David gordde zijn zwaard aan. Vierhonderd man trokken met David op, tweehonderd bleven er bij de legertros.
1 Sam. 25,14 Intussen had een van de knechten aan Abigail, de vrouw van Nabal, verteld: `David heeft uit de woestijn boden gezonden om onze heer te begroeten, maar die is tegen hem uitgevaren.
1 Sam. 25,15 Toch zijn die mannen bijzonder goed voor ons geweest. Zolang wij daarbuiten in hun buurt waren en op en neer trokken, hebben wij geen hinder van hen ondervonden en nooit iets vermist.
1 Sam. 25,16 Zij waren als een muur om ons heen, dag en nacht, al de tijd dat wij in hun nabijheid de schapen hoedden.
1 Sam. 25,17 Denk eens na en zie wat u doen kunt: een zekere ondergang wacht onze heer en heel zijn huis! Hij zelf is een onverlaat en met hem valt niet te praten.'
1 Sam. 25,18 Toen liet Abigail in aller ijl tweehonderd broden, twee zakken wijn, vijf toebereide schapen, vijf schepel geroosterde graankorrels, honderd rozijnkoeken en tweehonderd klompen vijgen
1 Sam. 25,19 op ezels laden en zei tot haar knechten: `Gaat voor mij uit: ik kom zelf achter u aan.' Aan haar man Nabal vertelde zij niets.
1 Sam. 25,20 Toen zij, gezeten op haar ezel, door een bergkloof reed, zag zij David en zijn mannen in haar richting naar beneden komen; zo ontmoetten zij elkaar.
1 Sam. 25,21 David had gezegd: `Heb ik daarvoor op het bezit van die kerel in de woestijn gepast? Van al wat hem toebehoort is er nooit iets vermist, en nu vergeldt hij mij goed met kwaad.
1 Sam. 25,22 God mag dit en dat doen met de vijanden van David, en nog erger, als ik morgenvroeg van al de zijnen ook maar een manspersoon in leven heb gelaten.'
1 Sam. 25,23 Toen Abigail David zag, liet zij zich haastig van haar ezel glijden, boog zich voor David tot op de grond en bracht hem haar hulde.
1 Sam. 25,24 Zij viel hem te voet en zei: `Het is mijn schuld, heer. Vergun uw dienares tot u te spreken en luister naar wat zij u te zeggen heeft.
1 Sam. 25,25 Laat mijn heer zich toch niet storen aan die onverlaat van een Nabal, want hij is zoals hij heet: Nabal is zijn naam en een dwaas is hij. Maar ik, uw dienares, ik heb de knechten die mijn heer gestuurd heeft niet gezien.
1 Sam. 25,26 Welnu, mijn heer, zowaar u leeft en zowaar Jahwe leeft, Hij die verhoed heeft dat u bloedschuld op u laadt door het recht in eigen hand te nemen: moge het lot van Nabal uw vijanden treffen en allen die mijn heer kwaad willen.
1 Sam. 25,27 Laat deze goede gaven, die uw dienaren voor mijn heer heeft meegebracht, overhandigen aan de mannen die mijn heer op zijn tochten vergezellen.
1 Sam. 25,28 Vergeef toch de nalatigheid van uw dienares. Jahwe zal voor mijn heer een duurzaam huis bouwen en in stand houden, want mijn heer voert de oorlogen van Jahwe, en er zal bij u geen spoor van kwaad te vinden zijn, zolang u leeft.
1 Sam. 25,29 Mocht er ooit iemand zijn die u vervolgt en naar het leven staat, dan zal mijn heer geborgen zijn in de beurs van het leven, en Jahwe uw God zal uw vijanden wegslingeren als een steen uit de holte van de slinger.
1 Sam. 25,30 En als Jahwe al het goede dat Hij aan mijn heer beloofd heeft gaat voltrekken, en u aanstelt als vorst van IsraŽl,
1 Sam. 25,31 dan mag mijn heer nooit reden hebben tot zelfverwijt of wroeging, omdat hij nodeloos bloed heeft vergoten en het recht in eigen hand heeft genomen. En wanneer Jahwe mijn heer eenmaal voorgoed heeft geschonken, wees dan uw dienares indachtig.'
1 Sam. 25,32 Toen zei David tot Abigail: `Gezegend zij Jahwe, de God van IsraŽl, die u vandaag op mijn weg heeft gezonden.
1 Sam. 25,33 Gezegend uw schranderheid en gezegend uzelf, omdat u mij belet hebt, bloedschuld op mij te laden door het recht in eigen hand te nemen.
1 Sam. 25,34 Maar weet wel: zowaar Jahwe leeft, de God van IsraŽl, die mij ervoor behoed heeft u kwaad te doen: was u niet zo vlug naar mij toegekomen, dan was er morgenochtend bij Nabal geen manspersoon meer in leven geweest.'
1 Sam. 25,35 Toen nam David haar gaven in ontvangst en zei tot haar: `Ga in vrede naar huis; ik voldoe aan uw verzoek en ik ben u terwille.'
1 Sam. 25,36 Bij haar thuiskomst zag Abigail dat Nabal een vorste lijk feestmaal had aangericht. Daar Nabal vrolijk en zwaar beschonken was, repte zij met geen woord over het gebeurde en wachtte tot de volgende morgen aanbrak.
1 Sam. 25,37 De volgende morgen, toen Nabal zijn roes had uitgeslapen, vertelde zijn vrouw hem wat zij gedaan had. Zijn hart stokte en hij werd als een steen.
1 Sam. 25,38 Een dag of tien later sloeg Jahwe Nabal en hij stierf.
1 Sam. 25,39 Toen David vernam dat Nabal dood was, zei hij: `Gezegend zij Jahwe, die het voor mij heeft opgenomen en de smaad mij door Nabal aangedaan, op hem gewroken heeft! Jahwe heeft zijn dienaar van een misstap weerhouden en Hij heeft Nabals wandaad op zijn eigen hoofd doen neerkomen.' David zond boden naar Abigail om haar mee te delen dat hij haar tot vrouw wilde nemen.
1 Sam. 25,40 De dienaren van David gingen dus naar Abigail in Karmel en zeiden haar: `David heeft ons naar u toe gezonden, want hij wil u tot vrouw nemen.'
1 Sam. 25,41 Zij stond op, boog zich neer tot op de grond en antwoordde: `Zie, uw dienares wil de slavin zijn die de dienaren van mijn meester de voeten wast.'
1 Sam. 25,42 Abigail maakte zich aanstonds gereed, ging op haar ezel zitten en volgde, vergezeld voor haar vijf dienaressen, de boden van David. Zo werd Abigail zijn vrouw.
1 Sam. 25,43 David was al gehuwd met Achinoam uit JizreŽl; zij waren beiden Davids vrouw.
1 Sam. 25,44 Saul had zijn dochter Mikal, de vrouw van David, aan Palti gegeven, de zoon van Lais uit Gallim.

1 Sam. 26,1 De Zifieten begaven zich naar Saul in Gibea en zeiden: `Weet u dat David zich schuilhoudt op de heuvel Chakila ten oosten van de wildernis?'
1 Sam. 26,2 Toen begaf Saul zich met drieduizend uitgelezen IsraŽlieten op weg naar de woestijn van Zif om David daar te zoeken.
1 Sam. 26,3 Boven op de heuvel Chakila die oostelijk van de wilder nis ligt, aan de weg, sloeg Saul zijn kamp op. David, die zich daar in de woestijn ophield, bemerkte dat Saul hem tot in de woestijn gevolgd was.
1 Sam. 26,4 Toen zond David verspieders uit en kwam precies te weten, waar Saul was aangekomen.
1 Sam. 26,5 David begaf zich op weg en kwam bij de plaats waar Saul gelegerd was. David wist te achterhalen, waar Saul met Abner, de zoon van Ner, de legeroverste van Saul, gelegerd was: hij lag in het wagenkamp, terwijl het volk er in een kring omheen was gelegerd.
1 Sam. 26,6 David zei tot Achimelek, de Hethiet, en Abisai, de zoon van Seruja en broer van Joab: `Wie gaat er met mij mee naar Saul in de legerplaats?' Abisai antwoordde: `Ik ga mee.'
1 Sam. 26,7 David en Abisai kwamen in de nacht bij het leger aan en daar lag Saul in het wagenkamp te slapen. Zijn lans stond bij zijn hoofdeinde in de grond gestoken; Abner en zijn mannen lagen in een kring om hem heen.
1 Sam. 26,8 Toen zei Abisai tot David: `Nu levert God uw vijand aan u over. Laat mij hem met zijn eigen lans aan de grond priemen! Een stoot! Meer is niet nodig!'
1 Sam. 26,9 Maar David zei tot Abisai: `Neen, dood hem niet! Wie slaat ongestraft de hand aan de gezalfde van Jahwe?'
1 Sam. 26,10 David zei: `Zowaar Jahwe leeft: Jahwe zal hem slaan, hetzij dat zijn dag komt en hij sterft, hetzij dat hij ten strijde trekt en weggerukt wordt.
1 Sam. 26,11 Jahwe behoede mij ervoor, dat ik de hand zou slaan aan de gezalfde van Jahwe! Maar pak de lans die aan zijn hoofdeinde staat en de waterkruik, en laten we ons dan terugtrekken.'
1 Sam. 26,12 David nam de lans en de waterkruik van het hoofdeinde van Saul weg en zij trokken zich terug. Niemand zag het, niemand merkte iets, niemand werd wakker; iedereen sliep door, want Jahwe had hen in een diepe slaap gedompeld.
1 Sam. 26,13 Toen David aan de overkant gekomen was, ging hij ver weg op de top van een berg staan, zodat er een grote afstand tussen hen was.
1 Sam. 26,14 Vandaar riep David tot het leger en tot Abner, de zoon van Ner: `Geef eens antwoord, Abner!' Abner riep terug: `Wie ben jij daar die de koning roept?'
1 Sam. 26,15 Daarop riep David tot Abner: `Jij bent toch een kerel die in IsraŽl zijns gelijke niet heeft? Waarom heb jij dan je heer en koning niet bewaakt? Er is iemand geweest om je heer en koning te doden.
1 Sam. 26,16 Je hebt je niet gedragen zoals het behoort. Zowaar Jahwe leeft: jullie verdienen de dood, omdat jullie je heer, de gezalfde van Jahwe niet bewaakt hebt. Kijk maar eens waar de lans van de koning is, en de waterkruik, die aan zijn hoofdeind stonden.'
1 Sam. 26,17 Saul herkende de stem van David en zei: `Ben jij dat, mijn zoon?' David antwoordde: `Ja, heer koning.'
1 Sam. 26,18 David zei: `Waarom vervolgt mijn heer zijn dienaar? Wat heb ik toch gedaan en wat voor kwaad heb ik bedreven?
1 Sam. 26,19 Laat mijn heer en koning toch luisteren naar zijn dienaar. Als het Jahwe is die u tegen mij opzet: Hij laat zich verzoenen door de geur van een offer. Maar als het mensen zijn, dan moge Jahwe hen vervloeken, omdat ze mij verjaagd hebben, mij nu buiten Jahwe's land houden en zeggen: Ga meer andere goden dienen.
1 Sam. 26,20 Neen, laat mijn bloed niet ongestraft vergoten worden, ver van het aanschijn van Jahwe, nu de koning van IsraŽl is uitgetrokken om een vlo te zoeken, nu hij op een patrijs jaagt in de bergen.'
1 Sam. 26,21 Toen zei Saul: `Ik heb verkeerd gedaan. Kom terug, mijn zoon David: ik zal je geen kwaad meer doen, omdat je vandaag zoveel eerbied voor mijn leven hebt getoond. Ja, ik heb als een dwaas gehandeld en mij zwaar misdragen.'
1 Sam. 26,22 David antwoordde: `Hier is uw lans, koning, laat een van uw mannen hem maar komen halen.
1 Sam. 26,23 Jahwe zal ieders rechtschapenheid en trouw vergelden. Jahwe had u vandaag aan mij overgeleverd, maar ik heb de hand niet willen slaan aan zijn gezalfde.
1 Sam. 26,24 Zoals ik vandaag uw leven kostbaar geacht heb, zo moge Jahwe mijn leven kostbaar achten en moge Hij mij bevrijde n uit alle gevaar.'
1 Sam. 26,25 En Saul zei tot David: `Gezegend ben je, mijn zoon David; veel zul je doen en tot veel in staat zijn.' Toen ging David weg en Saul keerde terug naar zijn woonplaats.

1 Sam. 27,1 David echter dacht bij zichzelf: `Vandaag of morgen val ik toch nog in de handen van Saul. Er zit voor mij niets anders op dan mijn toevlucht te zoeken in het land van de Filistijnen. Dan geeft Saul het wel op, nog langer heel het gebied van IsraŽl naar mij af te zoeken; dan ben ik aan zijn greep ontkomen.'
1 Sam. 27,2 David trok dus met zijn zeshonderd mannen naar Akis, de zoon van Maok en koning van Gat.
1 Sam. 27,3 Zo vestigde David zich met zijn mannen bij Akis in Gat, ieder met zijn gezin, en David met zijn twee vrouwen: Achinoam uit JizreŽl en Abigail, de vrouw van Nabal uit Karmel.
1 Sam. 27,4 Toen men Saul vertelde dat David naar Gat gevlucht was, zocht hij niet langer naar hem.
1 Sam. 27,5 Nu zei David tot Akis: `Wees zo goed ervoor te zorgen dat men mij een woonplaats aanwijst in een van de steden in de provincie. Waarom zou uw dienaar bij u in de koningsstad wonen?'
1 Sam. 27,6 Akis gaf hem toen Siklag; daarom is Siklag tot op de huidige dag in het bezit van de koningen van Juda.
1 Sam. 27,7 David verbleef op Filistijnse bodem gedurende een jaar en vier maanden.
1 Sam. 27,8 Hij trok er met zijn mannen op uit en zij deden over vallen op de Gesurieten, de Gizrieten en de Amalekieten; het waren immers deze stammen die van oudsher het gebied bewoonden dat zich uitstrekt in de richting van Sur tot aan Egypte toe.
1 Sam. 27,9 Als David in die streek ergens toesloeg, liet hij geen man of vrouw in leven, maar de schapen, runderen, ezels, kamelen en kledingstukken maakte hij buit, keerde daarmee terug en meldde zich bij Akis.
1 Sam. 27,10 Als Akis dan vroeg, waar ze dit maal een overval gedaan hadden, zei David: `In de Negeb van Juda,' of: `In de Negeb van de Jerachmeelieten,' of: `In de Negeb van de Kenieten'.
1 Sam. 27,11 David liet geen man of vrouw in leven, want hij wilde ze niet naar Gat brengen omdat hij vreesde dat ze hem zouden verraden en zouden vertellen wat hij gedaan had. Zo ging David te werk, zolang hij op Filistijnse bodem verbleef.
1 Sam. 27,12 Daarom kreeg Akis vertrouwen in David; hij dacht namelijk: `Bij zijn eigen volk in IsraŽl heeft hij het nu ver bruid; hij blijft voortaan mijn dienaar.'

1 Sam. 28,1 Toen de Filistijnen in die dagen hun troepen op de been brachten om oorlog te voeren tegen de IsraŽlieten, zei Akis tot David: `Weet wel dat u en uw mannen met mij te velde moeten trekken.'
1 Sam. 28,2 David antwoordde: `Goed, u zult eens zien wat uw dienaar gaat doen.' En Akis zei tot David: `Uitstekend! Dan stel ik u voor altijd als mijn lijfwacht aan.'
1 Sam. 28,3 SamuŽl was gestorven en de IsraŽlieten hadden over hem de rouwklacht gehouden en hem begraven in zijn vaderstad Rama. Saul had de dodenbezweerders en waarzeggers uit het land verdreven.
1 Sam. 28,4 De Filistijnen brachten dus hun troepen op de been, trokken het land binnen en sloegen hun kamp op bij Sunem. Saul bracht de IsraŽlieten op de been en zij legerden zich op de Gilboa.
1 Sam. 28,5 Toen Saul het leger van de Filistijnen zag, sloeg de schrik hem om het hart.
1 Sam. 28,6 Hij raadpleegde Jahwe, maar Jahwe gaf hem geen antwoord, noch door dromen, noch door de oerim, noch door de profeten.
1 Sam. 28,7 Toen zei Saul tot zijn hovelingen: `Zoekt mij een vrouw die macht heeft over de schimmen van de doden; dan ga ik haar raadplegen.' De hovelingen antwoordden: `In Endor woont een vrouw die macht heeft over de schimmen.'
1 Sam. 28,8 Saul maakte zich onherkenbaar door andere kleren aan de trekken en ging zo met twee mannen op weg. In de nacht kwamen zij bij de vrouw aan en hij zei: `U moet voor mij een schim raadplegen; roep de geest op van degene die ik u zal noemen.'
1 Sam. 28,9 De vrouw antwoordde: `U weet toch wel wat Saul gedaan heeft? Hij heeft immers het land van dodenbezweerders en waarzeggers gezuiverd. Waarom probeert u mij in de val te lokken en mij zo de dood in te jagen?'
1 Sam. 28,10 Toen zwoer Saul haar bij Jahwe en zei: `Zowaar Jahwe leeft: u zult hier niet voor gestraft worden.'
1 Sam. 28,11 Daarop vroeg de vrouw: `Wie moet ik voor u oproepen?' Saul antwoordde: `Roep SamuŽl voor mij op.'
1 Sam. 28,12 Toen de vrouw SamuŽl zag, begon ze luid te gillen en zei tot Saul: `Waarom hebt u mij bedrogen? U bent Saul zelf!'
1 Sam. 28,13 De koning antwoordde: `Wees maar niet bang; wat ziet u?' Ze antwoordde: `Ik zie een goddelijk wezen uit de aarde oprijzen.'
1 Sam. 28,14 Saul vroeg haar: `Hoe ziet het er uit?' Zij antwoord de: `Het is een oude man, in een mantel gehuld.' Toen wist Saul zeker dat het SamuŽl was; hij maakte een diepe buiging tot op de grond.
1 Sam. 28,15 SamuŽl sprak tot Saul: `Waarom stoort u mij door mij op te roepen?' Saul antwoordde: `Ik ben ten einde raad; de Filistijnen voeren oorlog tegen mij en God heeft zich van mij afgewend; Hij antwoordt mij niet meer, noch door profeten, noch door dromen. Daarom heb ik u opgeroepen om mij kenbaar te maken wat ik doen moet.'
1 Sam. 28,16 Toen zei SamuŽl: `Maar waarom ondervraagt u mij, als Jahwe zich van u heeft afgewend en uw vijand is geworden?
1 Sam. 28,17 Jahwe brengt nu ten uitvoer wat Hij door mij voorzegd heeft: Hij ontrukt u het koningschap en geeft het aan die ander, aan David.
1 Sam. 28,18 U hebt niet geluisterd naar het bevel van Jahwe, en zijn gloeiende toorn niet op Amalek doen neerkomen; daarom laat Jahwe nu dit alles op u neerkomen.
1 Sam. 28,19 Jahwe zal met u ook IsraŽl aan de Filistijnen overleveren. Morgen zult u samen met uw zonen bij mij zijn en Jahwe zal ook het legerkamp van IsraŽl aan de Filistijnen overleveren.'
1 Sam. 28,20 Saul schrok zo van de woorden van SamuŽl dat hij languit tegen de grond sloeg. Hij was ook aan het einde van zijn krachten, want de hele dag en de hele nacht had hij niets gegeten.
1 Sam. 28,21 De vrouw kwam naar Saul toe en zag dat hij volkomen overstuur was. Ze zei tot hem: `Kom, uw dienares heeft naar u geluisterd; ik heb mijn leven op het spel gezet en geluisterd naar wat u mij zei:
1 Sam. 28,22 Luister nu zelf ook naar uw dienares. Laat mij u een stuk brood voorzetten. Eet dat op; dan bent u weer in staat, uw weg te vervolgen.'
1 Sam. 28,23 Maar hij weigerde en zei: `Neen, ik eet niet.' Pas toen de hovelingen en ook de vrouw bij hem aandrongen, gaf hij toe; hij kwam overeind en ging op de rustbank zitten.
1 Sam. 28,24 De vrouw had een mestkalf op stal staan en haastte zich dat te slachten. Zij haalde meel, maakte deeg en bakte er ongezuurde broden van.
1 Sam. 28,25 Dat alles zette zij Saul en zijn hovelingen voor. Toen ze gegeten hadden, stonden ze op en gingen nog dezelfde nacht heen.

1 Sam. 29,1 De Filistijnen brachten al hun troepen op de been te Afek, terwijl de IsraŽlieten gelegerd waren bij de bron te JizreŽl.
1 Sam. 29,2 Tijdens het defilť van de stadsvorsten van de Filistijnen, aan het hoofd van hun afdelingen van honderd en duizend, liepen David en zijn mannen met Akis achteraan.
1 Sam. 29,3 De aanvoerders van de Filistijnen vroegen: `Wat doen die HebreeŽrs hier?' Akis antwoordde hun: `Dat is toch David, de hoveling van koning Saul van IsraŽl, die al sinds jaar en dag bij mij is! Vanaf de dag dat hij overgelopen is tot op heden heb ik niets op hem aan te merken gehad.'
1 Sam. 29,4 Maar de aanvoerders van de Filistijnen beten hem woedend toe: `Stuur die man terug naar de woonplaats die u hem aangewezen hebt. Geen sprake van dat hij met ons ten strijde trekt! Hij zou zich in het gevecht tegen ons kunnen keren. Waarmee zou die kerel bij zijn meester beter in de gunst kunnen komen dan met onze hoofden?
1 Sam. 29,5 Het is toch diezelfde David, over wie ze in reidansen gezongen hebben: Bij duizenden sloeg Saul ze neer, maar David bij tienduizenden?'
1 Sam. 29,6 Toen riep Akis David bij zich en zei tot hem: `Zowaar Jahwe leeft, u bent een eerlijk man en ik stel er prijs op dat u in alles met mijn leger meedoet, want vanaf de dag dat u bij me gekomen bent tot op heden heb ik niets op u aan te merken gehad. Maar de stadsvorsten mogen u niet.
1 Sam. 29,7 Ga dus in vrede naar huis terug; dan geeft u de stads vorsten van de Filistijnen geen aanstoot.'
1 Sam. 29,8 Maar David zei tot Akis: `Wat heb ik misdaan? Wat hebt u, sinds ik in uw dienst kwam, tot op heden toe aan te merken gehad op uw dienaar, dat ik niet mee ten strijde mag trekken tegen de vijanden van mijn heer en koning?'
1 Sam. 29,9 Akis antwoordde: `Ik weet wel dat ik u zeer waardeer, als wat u een engel van God. Maar de aanvoerders van de Filistijnen hebben nu eenmaal gezegd dat u niet met ons ten strijde mag trekken.
1 Sam. 29,10 Maak u morgen vroeg gereed, met de dienaren van uw heer die met u gekomen zijn; morgenvroeg moet u zich klaarmaken en met het daglicht vertrekken.'
1 Sam. 29,11 David maakte zich dus vroeg in de ochtend met zijn manschappen gereed om naar het land van de Filistijnen terug te keren. De Filistijnen rukten op naar JizreŽl.

1 Sam. 30,1 Drie dagen later kwamen David en zijn manschappen in Siklag aan. Inmiddels hadden de Amalekieten een tocht ondernomen tegen de Negeb en tegen Siklag. Ze hadden Siklag overvallen en in brand gestoken;
1 Sam. 30,2 Ze hadden er alle vrouwen, jong en oud, gevangen genomen. Ze hadden niemand gedood, maar toen ze wegtrokken alles meegevoerd.
1 Sam. 30,3 Toen David en zijn mannen bij Siklag kwamen, lag de stad platgebrand en waren hun vrouwen met hun zonen en dochters als gevangenen weggevoerd.
1 Sam. 30,4 David en zijn mannen barstten in tranen uit en schrei den tot ze geen kracht om te schreien meer over hadden.
1 Sam. 30,5 Ook de twee vrouwen van David waren gevangen genomen: Achinoam uit JizreŽl, en Abigail, de vrouw van Nabal uit Karmel.
1 Sam. 30,6 David was ten einde raad; de mannen waren zo verbitterd om het verlies van hun zonen en dochters dat ze hem wilden stenigen. Maar David vermande zich in vertrouwen op Jahwe zijn God
1 Sam. 30,7 en zei tot de priester Abjatar, de zoon van Achimelek; `Breng mij de efod.' En Abjatar bracht de efod bij David.
1 Sam. 30,8 Daarop vroeg David aan Jahwe: `Zal ik achter die bende aangaan? Haal ik ze nog in?' Jahwe antwoordde: `Ga hen achterna; ge zult ze inhalen en alles weer terugkrijgen.'
1 Sam. 30,9 Dus ging David op weg, met zijn zeshonderd man. De rest bleef achter. Toen ze bij de beek Besor gekomen waren,
1 Sam. 30,10 zette David met vierhonderd man de achtervolging voort; tweehonderd man waren te vermoeid om de beek Besor over te steken en zij bleven achter.
1 Sam. 30,11 Onderweg troffen ze ergens een Egyptenaar aan en brachten hem bij David. Ze gaven hem brood te eten en lieten hem water drinken.
1 Sam. 30,12 Ook geven ze hem een plak samengeperste vijgen en twee rozijnenkoeken. Toen hij gegeten had, keerden zijn krachten terug; hij had drie dagen en drie nachten niets gegeten of gedronken.
1 Sam. 30,13 Daarop vroeg David hem: `Van wie bent u en waar komt u vandaan?' Hij antwoordde: `Ik ben een Egyptenaar, slaaf van een Amalekiet; mijn meester heeft mij drie dagen geleden aan mijn lot overgelaten, omdat ik ziek werd.
1 Sam. 30,14 Wij hadden een inval gedaan in de Negeb van de Keretieten, in het gebied van Juda en in de Negeb van Kaleb en daarbij Siklag in brand gestoken.'
1 Sam. 30,15 David vroeg hem: `Wil je ons de weg wijzen naar die bende?' De slaaf antwoordde: `Als u mij bij God zweert dat u mij niet zult doden of uitleveren aan mijn meester, dan zal ik u de weg wijzen naar die bende.'
1 Sam. 30,16 Hij bracht hem bij de Amalekieten. Die lagen her en der verspreid te eten en te drinken en deden zich te goed aan de geweldige buit die ze uit het land van de Filistijnen en uit Juda hadden meegenomen.
1 Sam. 30,17 Van de schemering tot de avond van de volgende dag bleef David op hen inslaan. Geen Amalekiet ontkwam, behalve vierhonderd jonge mannen die op hun kamelen sprongen en ontsnap ten.
1 Sam. 30,18 Alles wat de Amalekieten meegenomen hadden kreeg David weer in handen; ook zijn beide vrouwen bevrijdde hij:
1 Sam. 30,19 geen mens, jong of oud, geen zoon of dochter werd hun gelaten; de hele buit, alles wat ze geroofd hadden, bracht David terug.
1 Sam. 30,20 Hij legde beslag op al de schapen en runderen; ze dreven die voor de tros uit en zeiden: `Dit is de buit van David!'
1 Sam. 30,21 Toen David weer terugkwam bij de tweehonderd mannen die te vermoeid waren geweest om mee te gaan en die hij bij de beek Besor had achtergelaten, liepen die hem en zijn mannen tegemoet. David trad op hen toe en vroeg hoe zij het maakten.
1 Sam. 30,22 Maar de boeven en booswichten onder de mannen die met David waren meegegaan begonnen te mopperen: `Die zijn toch niet met ons mee geweest! Ze krijgen niets van de buit die wij bemachtigd hebben! Alleen hun vrouwen en kinderen!'
1 Sam. 30,23 Maar David zei: `Neen broeders, dat kan niet. Het gaat hier om een gave van Jahwe. Hij heeft ons beschermd en Hij heeft de bende die ons had aangevallen aan ons overgeleverd.
1 Sam. 30,24 Dacht u dat iemand het met zo iets eens kon zijn? Het deel van wie bij de tros blijft. Ze moeten samen delen.'
1 Sam. 30,25 Zo is het sindsdien gebleven; David maakte het toen tot wet en recht in IsraŽl en het geldt tot op de huidige dag.
1 Sam. 30,26 Toen David in Siklag teruggekomen was, zond hij aan de oudsten van Juda, die zijn vrienden waren, een gedeelte van de buit, met de boodschap: `Hier is voor u een geschenk; het is buitgemaakt op de vijanden van Jahwe.'
1 Sam. 30,27 Het waren de oudsten van BetuŽl, van Ramot in de Negeb, van Jattir,
1 Sam. 30,28 van Aroer, van Sifmot, van Estemoa,
1 Sam. 30,29 van Rakal, van de steden der Jerachmeelieten, van de steden der Kenieten,
1 Sam. 30,30 van Chorma, van Bor-asan, van Atak,
1 Sam. 30,31 van Hebron en van alle plaatsen waar David en zijn mannen rondgezworven hadden.

1 Sam. 31,1 De Filistijnen streden tegen IsraŽl. De IsraŽlieten sloegen voor de Filistijnen op de vlucht en velen sneuvelden op het gebergte van Gilboa.
1 Sam. 31,2 De Filistijnen drongen door tot bij Saul en zijn zonen en doodden Jonatan, Abinadab en Malkisua, zonen van Saul.
1 Sam. 31,3 Nu kreeg Saul het zwaar te verduren. De boogschutters kregen hem onder schot en Saul was zo bevreesd voor hen
1 Sam. 31,4 dat hij tot zijn wapendrager zei: `Trek je zwaard en doorsteek mij; anders gaan die onbesnedenen mij doorboren en de spot met mij drijven!' Maar zijn wapendrager wilde dat niet doen. Daarop nam Saul zelf het zwaard en stortte zich erin.
1 Sam. 31,5 Toen de wapendrager zag dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard en stierf met hem.
1 Sam. 31,6 Zo stierven op een en dezelfde dag Saul, zijn drie zonen, zijn wapendrager en ook al zijn mannen.
1 Sam. 31,7 Toen de IsraŽlieten aan de overzijde van de vlakte en aan de overzijde van de Jordaan zagen dat het leger van IsraŽl op de vlucht was geslagen en dat Saul en zijn zonen gestorven waren, verlieten ze de steden en namen de vlucht. Daarop kwamen de Filistijnen en gingen in die steden wonen.
1 Sam. 31,8 Toen de Filistijnen de volgende dag de lijken kwamen plunderen; ze lagen in het bergland van Gilboa.
1 Sam. 31,9 Ze sloegen hem het hoofd af, trokken hem zijn wapen rusting uit en zonden in het land van de Filistijnen boden rond om in de tempels van hun afgoden en onder het volk het blijde nieuws te melden.
1 Sam. 31,10 Zijn wapenrusting legden ze neer in de tempel van Astarte en zijn lijk hingen ze aan de muur van Bet-san.
1 Sam. 31,11 Toen de inwoners van Jabes in Gilead vernamen wat de Filistijnen met Saul gedaan hadden,
1 Sam. 31,12 trokken alle weerbare mannen uit; ze liepen de hele nacht door en haalden de lijken van Saul en zijn zonen van de muur van Bet-san weg. In Jabes teruggekomen,
1 Sam. 31,13 verbrandden ze daar de lijken. Ze verzamelden de beenderen en begroeven die onder de tamarisk in Jabes. Daarna vastten ze gedurende zeven dagen.

<< Ruth Index Oude Testament 2 SamuŽl >>