Start
Omhoog

Exodus

 

<< Genesis Index Oude Testament Leviticus >>

 

Ex. 1,1 Dit zijn de namen van de zonen van IsraŽl die naar Egypte getrokken waren, - zij waren allen, met hun familie, meegekomen met Jakob -:
Ex. 1,2 Ruben, Simeon, Levi, Juda,
Ex. 1,3 Issakar, Zebulon, Benjamin,
Ex. 1,4 Dan, Naftali, Gad en Aser.
Ex. 1,5 Het aantal afstammelingen van Jakob bedroeg in totaal zeventig. Jozef was reeds tevoren in Egypte gekomen.
Ex. 1,6 Jozef en al zijn broeders en alle mensen van dat geslacht stierven.
Ex. 1,7 Maar de IsraŽlieten waren vruchtbaar en breidden zich uit, zij werden uitermate talrijk en sterk zodat het land vol van hen raakte.
Ex. 1,8 Toen kwam er in Egypte een nieuwe koning aan het bewind, die van Jozef niet meer afwist.
Ex. 1,9 Hij sprak tot zijn volk: 'Luister eens, die IsraŽlieten worden ons te talrijk en te sterk.
Ex. 1,10 Wij dienen dus verstandige maatregelen tegen hen te nemen om te voorkomen dat zij nog talrijker worden. Als wij in oorlog raken sluiten zij zich bij onze tegenstanders aan, voeren strijd tegen ons en trekken uit het land weg.'
Ex. 1,11 Toen stelden ze werkbazen over het volk aan om hen door dwangarbeid te onderdrukken. De IsraŽlieten moesten voor Farao de proviandsteden Pitom en Ramses bouwen.
Ex. 1,12 Maar hoe men hen ook onderdrukte, ze bleven groeien in aantal en zich steeds meer vermenigvuldigen, zodat de Egyptenaren er bang van werden,
Ex. 1,13 en de IsraŽlieten dwongen om zware arbeid te verrichten.
Ex. 1,14 Ze maakten hun leven zuur door hen hard te laten werken in steenbakkerijen en op het land. Dat was het zware werk waar zij hen toe dwongen.
Ex. 1,15 Ook richtte de koning van Egypte zich tot de Hebreeuwse vroedvrouwen, - de een heette Sifra, de andere Pua -,
Ex. 1,16 en sprak: `Wanneer jullie de Hebreeuwse vrouwen helpen bij de bevalling, let dan goed op het geslacht van het kind; is het een jongen dan moet je hem doden, is het een meisje dan moet je het laten leven.'
Ex. 1,17 Maar de vroedvrouwen vreesden God en gaven geen gehoor aan het bevel van de koning; ze lieten de jongens in leven.
Ex. 1,18 Toen liet de koning van Egypte de vroedvrouwen bij zich komen en ondervroeg hen: `Wat moet dat, waarom laten jullie die jongens in leven?'
Ex. 1,19 De vroedvrouwen gaven Farao ten antwoord: `De Hebreeuwse vrouwen zijn nu eenmaal niet zoals de Egyptische: ze baren zo vlug dat ze hun kind ter wereld brengen nog voordat de vroedvrouw er bij is.'
Ex. 1,20 God zegende de vroedvrouwen; en het volk bleef zich maar uitbreiden en werd zeer talrijk.
Ex. 1,21 Omdat de vroedvrouwen God vreesden, schonk Hij hun een nageslacht.
Ex. 1,22 Toen gelastte Farao aan al zijn onderdanen: `Iedere jongen die geboren wordt moet ge in de Nijl gooien; de meisjes kunt ge in leven laten.'

Ex 2,1 Een man uit de stam Levi nam een meisje uit die stam tot vrouw.
Ex 2,2 De vrouw werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. Toen zij zag hoe mooi het kind was, hield zij het drie maanden lang verborgen.
Ex 2,3 Maar toen zij geen kans meer zag hem nog langer verborgen te houden, nam zij een mandje van riet, streek het dicht met asfalt en pek en legde het kind erin. Toen zette zij het tussen het riet aan de oever van de Nijl.
Ex 2,4 Op enige afstand stelde de zuster van het kind zich verdekt op, om te zien wat er zou gebeuren.
Ex 2,5 Nu begaf de dochter van Farao zich naar de Nijl om te baden, terwijl haar dienaressen op en neer bleven lopen langs de oever van de rivier. Ineens zag zij het mandje tussen het riet en stuurde haar slavin om het te halen.
Ex 2,6 Zij maakte het open, keek en daar lag een schreiend jongetje. Vol medelijden riep zij: `Natuurlijk een Hebreeuws kind!'
Ex 2,7 Toen kwam de zuster van het kind aan de dochter van Farao vragen: `Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan zoeken, om het kind voor u te voeden?'
Ex 2,8 De dochter van Farao antwoordde: `Ja, doe dat.' Het meisje snelde weg en haalde de moeder van het kind.
Ex 2,9 De dochter van Farao beval haar: `Neem dit kind mee en voed het voor mij; ik zal u er persoonlijk voor belonen.' Toen nam de vrouw het kind mee en voedde het.
Ex 2,10 En toen het kind opgegroeid was, bracht zij het terug naar de dochter van Farao. Deze nam hem als haar eigen zoon aan. Zij noemde hem Mozes, want zo zei ze, `ik heb hem uit het water getrokken.'
Ex 2,11 Toen Mozes opgegroeid was ging hij eens naar zijn broeders en was getuige van hun dwangarbeid. Hij zag hoe een Egypte naar een HebreeŽr neersloeg, een van zijn broeders.
Ex 2,12 Hij keek naar alle kanten en toen hij zag dat er niemand in de buurt was sloeg hij de Egyptenaar neer en verborg hem onder het zand.
Ex 2,13 De dag daarop ging hij weer uit en zag twee Hebreeuwse mannen met elkaar vechten. Hij vroeg aan degene die ongelijk had: `Waarom sla jij je kameraad?'
Ex 2,14 De man antwoordde: `Wie heeft jou als heer en rechter over ons aangesteld? Ben je soms van plan mij ook te doden, net als die Egyptenaar?' Toen werd Mozes bang en dacht: `Het is dus toch bekend geworden.'
Ex 2,15 Ook Farao hoorde van het gebeurde en was er sindsdien op uit, Mozes te doden. Maar Mozes wist aan Farao te ontkomen en week uit naar Midjan. Eens zat hij bij de put.
Ex 2,16 Nu had de priester van Midjan zeven dochters. Deze kwamen water putten en de drinkbakken vullen om de kudde van hun vader te drinken te geven.
Ex 2,17 Maar er kwamen herders die de meisjes weg wilden dringen. Toen sprong Mozes op, kwam de meisjes te hulp en gaf de dieren te drinken.
Ex 2,18 Toen zij thuiskwamen vroeg hun vader DeuŽl: `Wat zijn jullie vroeg terug vandaag?'
Ex 2,19 Zij antwoordden: `Een Egyptenaar heeft ons in bescherming genomen tegen de herders; ook heeft hij water voor ons geput en het vee te drinken gegeven.'
Ex 2,20 Hij vroeg zijn dochters toen: `Waar is die man? Waarom hebben jullie hem daar laten staan? Ga hem uitnodigen om te komen eten.'
Ex 2,21 Toen Mozes besloten had bij die man te blijven, gaf deze hem zijn dochter Sippora tot vrouw.
Ex 2,22 Zij baarde een zoon die hij de naam Gersom gaf, want, zo zei hij, `ik ben gast in een vreemd land.'
Ex 2,23 In de loop van deze vele jaren was de koning van Egypte gestorven. Maar de IsraŽlieten zuchtten nog steeds onder hun dwangarbeid en zij klaagden luid. Vanuit hun slavenbestaan drong hun gejammer door tot God,
Ex 2,24 en God luisterde naar hun klagen; Hij was zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob indachtig.
Ex 2,25 God zag goedgunstig neer op de IsraŽlieten en Hij was met hen begaan.

Ex 3,1 Mozes hoedde de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan. Eens dreef hij de kudde tot ver in de woestijn en kwam hij bij de berg van God, de Horeb.
Ex 3,2 Toen verscheen hem de engel van Jahwe, in een vuur dat opvlamde uit een doornstruik. Mozes keek toe en zag dat de doornstruik in lichter laaie stond en toch niet verbrandde.
Ex 3,3 Hij dacht: `Ik ga er op af om dat vreemde verschijnsel te onderzoeken. Hoe komt het dat die doornstruik niet verbrandt?'
Ex 3,4 Jahwe zag hem naderbij komen om te kijken. En vanuit de doornstruik riep God hem toe: `Mozes, Mozes.' `Hier ben ik,' antwoordde hij.
Ex 3,5 Toen sprak Jahwe: `Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond.'
Ex 3,6 En Hij vervolgde: `Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.' Toen bedekte Mozes zijn gezicht want hij durfde niet naar God op te zien.
Ex 3,7 Jahwe sprak: `Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord; ja, Ik ken zijn lijden.
Ex 3,8 Ik daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte, om het weg te leiden uit dit land naar een land dat goed en ruim is, een land van melk en honing, het gebied van de Kanašnieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.
Ex 3,9 Het geweeklaag van de IsraŽlieten is nu tot Mij doorgedrongen en Ik heb ook gezien hoezeer de Egyptenaren hen onder drukken.
Ex 3,10 Ga er dus heen, Ik zend u naar Farao. Gij moet mijn volk, de IsraŽlieten, uit Egypte leiden.'
Ex 3,11 Maar Mozes sprak tot God: `Wie ben ik dat ik naar Farao zou gaan en dat ik de IsraŽlieten uit Egypte zou leiden?'
Ex 3,12 God antwoordde hem: `Ik zal u bijstaan, en dit is het teken dat Ik het ben die u zendt: als gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult ge mij vereren op deze berg.'
Ex 3,13 Maar Mozes sprak opnieuw tot God: `Als ik nu bij de IsraŽlieten kom en hun zeg: De God van uw vaderen zendt mij tot u, en zij vragen: Hoe is zijn naam? wat moet ik dan antwoorden?'
Ex 3,14 Toen sprak God tot Mozes: `Ik ben die is.' En ook: `Dit moet gij de IsraŽlieten zeggen: Hij-is zendt mij tot u.'
Ex 3,15 Bovendien zei God tot Mozes: `Dit moet ge de IsraŽlieten zeggen: Jahwe, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, zendt mij tot u. Dit is mijn naam voor altijd. Zo moet men Mij aanspreken, alle geslachten door.
Ex 3,16 Ga nu op weg, roep de oudsten van IsraŽl bijeen en zeg hun: Jahwe, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Isaak en Jakob, met deze boodschap: Ik draag zorg voor u, want Ik zie wat men u in Egypte aandoet.
Ex 3,17 Daarom heb Ik besloten: Ik zal u uit de ellende van Egypte wegvoeren naar het land van de Kanašnieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, een land van melk en honing.
Ex 3,18 Zij zullen luisteren naar wat gij zegt. Dan moet ge met de oudsten van IsraŽl naar de koning van Egypte gaan en hem zeggen: Jahwe, de God van de HebreeŽn, is tot ons gekomen. Laat ons daarom drie dagreizen ver de woestijn ingaan om offers op te dragen aan Jahwe onze God.
Ex 3,19 Ik weet dat de koning van Egypte u niet zal laten ver trekken, als geen sterke hand hem dwingt.
Ex 3,20 Daarom zal Ik mijn hand opheffen en Egypte treffen met allerlei wondertekenen die Ik er zal verrichten. Dan zal hij u wel laten gaan.
Ex 3,21 En Ik zal de Egyptenaren gunstig stemmen tegenover dit volk; als ge dan wegtrekt gaat ge niet met lege handen.
Ex 3,22 Laten alle vrouwen hun buren en huisgenoten vragen om gouden en zilveren sieraden en om kleding. Die moet ge uw zonen en dochters aandoen en er Egypte van beroven.'

Ex 4,1 Mozes gaf hierop ten antwoord: `Maar ze geloven me niet, ze zullen aan mijn woorden geen gehoor schenken; ze zullen zeggen dat Jahwe mij niet is verschenen.'
Ex 4,2 Toen vroeg Jahwe hem: `Wat hebt ge daar in uw hand?' Een staf,' antwoordde hij.
Ex 4,3 Toen beval Jahwe: `Laat hem op de grond vallen.' Mozes liet hem op de grond vallen en de staf werd een slang. Mozes sprong achteruit.
Ex 4,4 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Strek uw hand uit en grijp ze bij de staart.' Hij strekte zijn hand uit, pakte de slang vast en in zijn greep werd het weer een staf.
Ex 4,5 `Zo zullen ze geloven dat Jahwe u inderdaad verschenen is, de God van hun vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.'
Ex 4,6 Ook beval Jahwe hem nog: `Steek uw hand tussen uw kleed.' Hij stak zijn hand tussen zijn kleed. En toen hij ze er uittrok zat ze ineens vol witte uitslag, het leek wel sneeuw.
Ex 4,7 Jahwe sprak opnieuw: `Steek uw hand tussen uw kleed.' En toen hij ze er uittrok was ze weer als de rest van zijn huid.
Ex 4,8 `Als ze u niet vertrouwen en aan het eerste teken geen geloof hechten, dan zal het tweede hen overtuigen.
Ex 4,9 Laten zij zich door deze beide tekenen niet overtuigen en luisteren ze niet naar u, neem dan water uit de Nijl en giet dat uit op het land. Het water dat ge uit de Nijl genomen hebt, zal op het land bloed worden.'
Ex 4,10 Maar Mozes sprak tot Jahwe: `Neem mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen redenaar. Ik ben dat nooit geweest, en ik ben het ook nu niet, al hebt Gij dan ook tot uw dienaar gesproken. Ik spreek moeilijk en traag.'
Ex 4,11 Jahwe gaf hem ten antwoord: `Wie geeft de mens een mond? Wie maakt stom of doof, ziende of blind? Doe Ik, Jahwe, dat niet?
Ex 4,12 Ga nu maar, Ik zal u bijstaan als ge spreekt en u ingeven wat ge moet zeggen.'
Ex 4,13 Maar Mozes bracht hier tegen in: `Neem mij niet kwalijk, Heer, zend liever iemand anders.'
Ex 4,14 Toen ontbrandde Jahwe's toorn tegen Mozes en Hij sprak: `Uw broer Ašron de leviet is er toch ook nog? Ik weet dat hij een goed spreker is! Hij gaat juist naar u op weg en zal blij zijn als hij u ziet.
Ex 4,15 Spreek met hem, leg hem uw woorden in de mond. Ik zal u beiden bijstaan als ge moet spreken en u ingeven wat ge moet doen.
Ex 4,16 Laat hem in uw plaats spreken tot het volk; hij zal uw mond zijn, gij zijn god.
Ex 4,17 Neem deze staf mee, daar moet ge de tekenen mee verrichten.'
Ex 4,18 Nu ging Mozes terug naar Jeter, zijn schoonvader, en zei hem: `Ik zou willen terugkeren naar mijn broeders in Egypte om te zien hoe zij het maken.' Jetro antwoordde hem: `Ga in vrede.'
Ex 4,19 Want Jahwe had in Midjan tot Mozes gezegd: `Ga terug naar Egypte, want allen die u naar het leven stonden zijn gestorven.'
Ex 4,20 Mozes liet zijn vrouw en zijn zoon plaatsnemen op de ezel en begaf zich op weg naar Egypte, met de staf van God in zijn hand.
Ex 4,21 Jahwe sprak tot Mozes: `Nu gij teruggaat naar Egypte, moet ge zorgen dat ge voor Farao al de wonderen verricht waartoe Ik u de macht gegeven heb. Ik zal hem dan halsstarrig maken, zodat hij het volk niet laat gaan.
Ex 4,22 En dan moet gij tot Farao zeggen: Zo spreekt Jahwe: IsraŽl is mijn eerstgeboren zoon.
Ex 4,23 Ik had u bevolen mijn zoon vrij te laten vertrekken om Mij te vereren, maar gij hebt dat geweigerd. Daarom zal ik uw eerstgeborene doden.'
Ex 4,24 Toen Mozes onderweg ergens de nacht doorbracht kwam Jahwe op hem af en wilde hem doden.
Ex 4,25 Maar Sippora nam een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon af en raakte daarmee zijn benen aan. Zij sprak: `Jij bent mijn bloedige bruidegom.'
Ex 4,26 Toen liet Jahwe hem met rust. Zij had gezegd: `Mijn bloedige bruidegom,' in verband met de besnijdenis.
Ex 4,27 En Jahwe sprak tot Aaron: `Ga Mozes in de woestijn tegemoet.' Hij ging op weg en trof hem bij de berg van God, en hij omhelsde hem.
Ex 4,28 Mozes bracht Ašron op de hoogte van al de woorden die Jahwe tot hem gesproken had en van al de tekenen die Hij hem had opgedragen.
Ex 4,29 Toen ging Mozes met Ašron mee en zij riepen al de oudsten van IsraŽl bijeen.
Ex 4,30 Ašron bracht verslag uit van al de woorden die Jahwe tot Mozes gesproken had en voor de ogen van het volk verrichtte hij de tekenen.
Ex 4,31 En het volk geloofde. Toen zij vernamen dat Jahwe zich het lot van de IsraŽlieten had aangetrokken en hun ellende gezien had, knielden zij neer en bogen zij zich ter aarde.

Ex 5,1 Daarna gingen Mozes en Ašron naar Farao en zeiden: `Zo spreekt Jahwe, de God van IsraŽl: Laat mijn volk vertrekken om ter ere van Mij een pelgrimsfeest te vieren in de woestijn.'
Ex 5,2 Maar Farao antwoordde: `Wie is Jahwe dat ik naar Hem zou luisteren en IsraŽl zou laten gaan? Ik ken geen Jahwe en ik laat IsraŽl niet gaan.'
Ex 5,3 Toen zeiden zij: `De God van de HebreeŽn is tot ons gekomen. Laat ons drie dagreizen ver de woestijn ingaan om offers op te dragen aan Jahwe, onze God. Anders slaat Hij ons met de pest of het zwaard.'
Ex 5,4 Maar de koning van Egypte voer tegen hen uit: `Waarom, Mozes en Aaron, waarom houden jullie de mensen van het werk? Vooruit, aan het werk!'
Ex 5,5 Farao voegde er aan toe: `Ze zijn nu al talrijker dan de bevolking van het land, en dan zouden jullie nog willen dat ze het werk neerleggen?'
Ex 5,6 Diezelfde dag nog gaf Farao aan de opzichters en beambten het volgende bevel:
Ex 5,7 `Voortaan moet u het volk geen stro meer geven voor de stenen, zoals tot nu toe; laat ze zelf maar op stro uitgaan.
Ex 5,8 Maar u moet wel dezelfde hoeveelheid stenen blijven eisen die zij tot nu toe maakten. Doe er niets af, want ze zijn lui en daarom schreeuwen ze: Laat ons gaan om offers op te dragen aan onze God.
Ex 5,9 Deze lieden moeten harder werken, dan hebben ze hun handen vol en luisteren niet naar leugenpraat.'
Ex 5,10 De opzichters en beambten gingen weg en maakten aan het volk bekend: `Zo spreekt Farao: Ik geef jullie geen stro meer,
Ex 5,11 jullie gaan het zelf maar zoeken. Maar je moet wel evenveel blijven afleveren.'
Ex 5,12 Toen liep het volk heel Egypte af om stoppels te verzamelen.
Ex 5,13 De opzichters joegen hen op met de eis: `Jullie moeten elke dag hetzelfde werk leveren als toen er nog stro werd ge bracht.'
Ex 5,14 De IsraŽlitische voormannen, die de opzichters van Farao over hen hadden aangesteld, werden mishandeld. Men verweet hun: `Waarom hebben jullie vandaag en gisteren niet dezelfde hoeveelheid stenen afgeleverd als tevoren?'
Ex 5,15 Toen gingen de IsraŽlitische voormannen zich beklagen bij Farao en zeiden: `Waarom treedt u zo op tegen uw dienaren?
Ex 5,16 Uw dienaren krijgen geen stro meer, maar men blijft eisen: Levert stenen! Uw dienaren worden zelfs mishandeld. Zo misdoet u tegen het volk.'
Ex 5,17 Hij voer uit: `Luiaards zijn jullie, luiaards. Daarom zeggen jullie: Laat ons gaan om offers te brengen aan Jahwe.
Ex 5,18 En nu vooruit, aan het werk! Er wordt geen stro gebracht, maar het vastgestelde aantal stenen moeten jullie leveren.'
Ex 5,19 De IsraŽlitische voormannen begrepen dat ze er slecht aan toe waren, nu hij bevolen had: `Jullie moeten iedere dag evenveel stenen blijven afleveren.'
Ex 5,20 Toen de voormannen van Farao terugkwamen troffen ze Mozes en Ašron die hen stonden op te wachten.
Ex 5,21 Ze zeiden tot hen: `Moge Jahwe verschijnen om u te vonnissen, want u hebt het voor ons bedorven bij Farao en zijn hovelingen. U hebt hem het zwaard in de hand gegeven om ons te doden.'
Ex 5,22 Nu wendde Mozes zich weer tot Jahwe en sprak: `Mijn Heer, waarom behandelt Gij dit volk zo slecht? Waarom hebt Ge mij dan gezonden?
Ex 5,23 Sinds ik naar Farao gegaan ben om in uw naam tot hem te spreken behandelt hij dit volk nog slechter; en Gij doet maar niets om uw volk te redden.'

Ex 6,1 Maar Jahwe sprak tot Mozes: `Nu zult ge zien wat ik met Farao ga doen: door overmacht gedwongen zal hij het volk wegsturen, ja door overmacht gedwongen zal hij hen uit zijn land verjagen.'
Ex 6,2 Wederom richtte God het woord tot Mozes en sprak tot hem: `Ik ben Jahwe.
Ex 6,3 Aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob ben Ik verschenen als God Almachtig; mijn naam Jahwe heb Ik hun niet geopenbaard.
Ex 6,4 Met hen heb Ik mijn verbond gesloten: dat Ik hun Kanašn zou geven, het land waar zij als vreemdeling woonden.
Ex 6,5 Nu heb Ik het weeklagen gehoord van de IsraŽlieten die door de Egyptenaren tot slaven gemaakt zijn, en ben Ik mijn verbond indachtig.
Ex 6,6 Zeg daarom tot de IsraŽlieten: Ik ben Jahwe; Ik zal u wegvoeren uit de dwangarbeid van Egypte; Ik zal u bevrijden van hun overheersing; met uitgestrekte arm en onder toediening van zware straffen zal Ik u verlossen.
Ex 6,7 Ik zal u aannemen als mijn volk en Ik zal uw God zijn. Dan zult gij beseffen dat Ik het ben, Jahwe uw God, die u bevrijdt van de dwangarbeid van Egypte.
Ex 6,8 Ik zal u brengen naar het land dat Ik met opgestoken hand beloofd heb aan Abraham, Isaak en Jakob. Ik zal het u in bezit geven, Ik, Jahwe.'
Ex 6,9 Mozes bracht deze woorden aan de IsraŽlieten over. Maar zij luisterden niet naar hem omdat zij door de harde slavendienst de moed verloren hadden.
Ex 6,10 En Jahwe sprak tot Mozes:
Ex 6,11 `Ga aan Farao, de koning van Egypte, zeggen dat hij de IsraŽlieten uit zijn land moet laten vertrekken.'
Ex 6,12 Maar Mozes gaf Jahwe ten antwoord: `De IsraŽlieten luisteren nog niet eens naar mij. Zou Farao dan wel naar mij luisteren, onbesneden van lippen als ik ben?'
Ex 6,13 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron en zond hen naar de IsraŽlieten en naar Farao, de koning van Egypte, met de eis dat hij de IsraŽlieten uit Egypte zou laten vertrekken.
Ex 6,14 Hier volgen de hoofden van de verschillende families. Zonen van Ruben, IsraŽls eerstgeborene: Chanok en Pallu, Chesron en Karmi. Dit zijn de geslachten van Ruben.
Ex 6,15 Zonen van Simeon: JemuŽl, Jamin, Ohad, Sochar en Saul, de zoon van een Kanašnitische vrouw. Dit zijn de geslachten van Simeon.
Ex 6,16 De namen van de zonen van Levi, met hun afstammelingen: Gerson, Kehat en Merari. Levi werd honderdzevenendertig jaar oud.
Ex 6,17 Zonen van Gerson: Libni en Simi en hun families.
Ex 6,18 Zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en UzziŽl. Kehat werd honderddrieŽndertig jaar oud.
Ex 6,19 Zonen van Merari: Machli en Musi. Dit zijn dus de ge slachten van Levi en hun afstammelingen.
Ex 6,20 Amram huwde met Jokebed, zijn tante, en zij baarde hem Mozes en Aaron. Amram werd honderdzevenendertig jaar oud.
Ex 6,21 zonen van Jishar: Korach, Nefeg en Zikri.
Ex 6,22 Zonen van UzziŽl: MisaŽl, Elsafan en Sitri.
Ex 6,23 Ašron huwde met Eliseba, dochter van Amminadab en zuster van Nachson; zij baarde hem Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar.
Ex 6,24 Zonen van Korach: Assir, Elkana en Abiasaf. Dit zijn de geslachten van de Korachieten.
Ex 6,25 Eleazar, zoon van Aaron, huwde met een dochter van PutiŽl en zij baarde hem Pinechas. Dit zijn de familiehoofden van de stam Levi, met hun geslachten.
Ex 6,26 Aan deze Mozes en Ašron had Jahwe de opdracht gegeven: `Leid de IsraŽlieten, in legers geordend, uit Egypte.'
Ex 6,27 Zij waren het ook die het woord voerden bij Farao, de koning van Egypte, en van hem eisten dat hij de IsraŽlieten zou laten wegtrekken uit Egypte, zij, Mozes en Aaron.
Ex 6,28 Toen Jahwe in Egypte het woord richtte tot Mozes,
Ex 6,29 sprak Hij: `Ik ben Jahwe. Deel Farao, de koning van Egypte, alles mee wat Ik tot u gesproken heb.'
Ex 6,30 Maar Mozes zei tot Jahwe: `Ik, onbesneden van lippen als ik ben? Farao luistert immers toch niet naar mij!'

Ex 7,1 Maar Jahwe sprak tot Mozes: `U breng Ik voor Farao als de god, en uw broer Ašron zal uw profeet zijn.
Ex 7,2 Hem moet ge alles zeggen wat Ik u opdraag; dan zal uw broer Ašron het woord voeren bij Farao om van hem gedaan te krijgen dat hij de IsraŽlieten uit zijn land laat wegtrekken.
Ex 7,3 Dan zal Ik Farao's gemoed verharden en in Egypte talrijke tekenen en wonderen doen.
Ex 7,4 Farao zal niet naar u luisteren, maar dan zal Ik Egypte mijn kracht laten voelen, en mijn legers, het volk van de IsraŽlieten, wegleiden uit Egypte, dat Ik zwaar zal straffen.
Ex 7,5 De Egyptenaren zullen weten dat Ik Jahwe ben; zij zullen het beseffen als Ik mijn hand tegen hen uitstrek en de IsraŽlieten uit hun midden wegleid.'
Ex 7,6 Mozes en Ašron deden wat Jahwe hun bevolen had.
Ex 7,7 Ten tijde van de onderhandelingen met Farao was Mozes tachtig en Ašron drieŽntachtig jaar oud.
Ex 7,8 Jahwe richtte het woord tot Mozes en Ašron en sprak:
Ex 7,9 `Als Farao u uitdaagt: Laat eerst maar eens een wonder zien, dan moet ge tot Ašron zeggen: Neem uw staf en laat hem voor Farao op de grond vallen. Het zal een slang worden!'
Ex 7,10 Mozes en Ašron gingen naar Farao en deden wat Jahwe hun had opgedragen. Ašron liet voor de ogen van Farao en van al zijn hovelingen zijn staf vallen en het werd een slang.
Ex 7,11 Maar Farao riep op zijn beurt de wijzen en tovenaars erbij, en ook zij, de magiers van Egypte, deden met hun toverkunsten hetzelfde.
Ex 7,12 Zij lieten allen hun staf vallen en het werden slangen. Maar de staf van Ašron verslond die van hen.
Ex 7,13 Toch bleef Farao halsstarrig en hij luisterde niet naar hen zoals Jahwe tevoren had gezegd.
Ex 7,14 Jahwe sprak tot Mozes; `Het hart van Farao is niet te vermurwen, hij laat het volk niet gaan.
Ex 7,15 Morgenvroeg moet ge naar hem toegaan, tegen de tijd dat hij zich naar de rivier begeeft. Treed hem dan tegemoet aan de oever van de Nijl, met de staf die in een slang verandert bij u.
Ex 7,16 Zeg hem dan het volgende: Jahwe, de God van de HebreeŽrs, had mij tot u gezonden met het bevel: Laat mijn volk gaan om Mij in de woestijn te vereren. Tot nu toe hebt u daar geen gehoor aan gegeven.
Ex 7,17 Zo spreekt Jahwe: Hieraan zult gij weten, dat ik Jahwe ben: Met deze staf hier zal ik op het water van de Nijl slaan en het water zal bloed worden.
Ex 7,18 De vissen in de Nijl zullen sterven; de Nijl zal gaan stinken en de Egyptenaren zullen geen water uit de Nijl meer kunnen drinken.'
Ex 7,19 Vervolgens sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aaron: Neem uw staf en strek uw hand uit over de wateren van Egypte: over zijn rivieren en stromen, over zijn moerassen en alle waterplassen; alles zal bloed worden. Bloed zal er zijn in heel Egypte, tot in de bomen en de bronnen toe.'
Ex 7,20 Mozes en Ašron deden wat Jahwe hun bevolen had. Voor de ogen van Farao en al zijn hovelingen hief hij zijn staf op, sloeg op het water van de Nijl en al het water van de Nijl werd als bloed.
Ex 7,21 De vissen in de Nijl stierven, de Nijl begon te stinken en de Egyptenaren konden het water uit de Nijl niet meer drinken. Bloed was er, overal in Egypte.
Ex 7,22 Maar omdat de Egyptische magiers door hun toverkunsten hetzelfde deden, bleef Farao halsstarrig; hij luisterde niet naar hen zoals Jahwe tevoren had gezegd.
Ex 7,23 Farao keerde hun de rug toe en ging naar zijn paleis; hij was ook deze keer niet gezwicht.
Ex 7,24 Alle Egyptenaren gingen nu overal in de buurt van de Nijl naar drinkwater graven, want het water uit de Nijl was niet meer te drinken.
Ex 7,25 Zeven dagen verliepen nadat Jahwe de Nijl geslagen had.
Ex 7,26 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren.
Ex 7,27 Als ge weigert hen te laten gaan zal Ik heel uw grondgebied teisteren door kikkers te sturen.
Ex 7,28 De Nijl zal wemelen van kikkers; ze zullen er uit komen en binnendringen in uw paleis, in uw slaapvertrek en in uw bed; in de huizen van uw hovelingen en uw onderdanen, in de ovens en de bakkerstroggen.
Ex 7,29 Ook zullen de kikkers opspringen tegen u, tegen uw onderdanen en uw hovelingen.'

Ex 8,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aaron: Strek uw staf uit over de rivieren, stromen en moerassen en laat de kikkers over Egypte komen.'
Ex 8,2 Ašron stak zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen kikkers uit, die heel Egypte overstroomden.
Ex 8,3 Maar door hun toverkunsten deden de magiers hetzelfde en ook zij lieten kikkers komen over Egypte.
Ex 8,4 Toen ontbood Farao Mozes en Ašron en sprak: `Smeek Jahwe toch dat Hij de kikkers wegneemt van mij en van mijn onderdanen; dan zal ik het volk laten gaan om offers op te dragen aan Jahwe.'
Ex 8,5 Mozes antwoordde Farao: `Zegt u het maar; ik ga bidden voor u, uw hovelingen en uw onderdanen: Wanneer moeten de kikkers uit uw omgeving en uit uw huizen verdwijnen zodat er alleen in de Nijl nog overblijven?'
Ex 8,6 `Morgen', antwoordde Farao. En Mozes verzekerde hem: `Het zal gebeuren zoals u zegt. Dat zal u doen beseffen dat Jahwe onze God zijn gelijke niet heeft.
Ex 8,7 De kikkers zullen verdwijnen uit uw omgeving en uit uw huizen, uit die van uw hovelingen en uw onderdanen zodat er alleen in de Nijl nog overblijven.'
Ex 8,8 Mozes en Ašron gingen bij Farao weg en Mozes bad luid tot Jahwe en vroeg hem de kikkers weg te nemen, waarmee hij Farao getroffen had.
Ex 8,9 En Jahwe verhoorde Mozes' gebed. De kikkers stierven, in de huizen, op de binnenplaatsen, buiten op het land.
Ex 8,10 Men veegde ze bijeen, de ene hoop na de andere, zodat het land er van stonk.
Ex 8,11 Maar toen Farao zag dat er uitkomst gekomen was, werd hij weer onwillig. Hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren gezegd had.
Ex 8,12 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aaron: Neem uw staf in de hand en sla in het stof op de grond: het zal in heel Egypte in muggen veranderen.'
Ex 8,13 Dat deden zij; Ašron nam zijn staf in de hand en sloeg in het stof op de grond. Meteen kwamen mensen en dieren onder de muggen te zitten: al het stof van de grond in heel Egypte was in muggen veranderd.
Ex 8,14 Met hun toverkunsten probeerden ook de magiers muggen te voorschijn te brengen, maar zij slaagden daar niet in. Mensen en dieren zaten onder de muggen.
Ex 8,15 Toen zeiden de magiers tot Farao: `Dit is de vinger van God!' Maar Farao bleef halsstarrig, hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren gezegd had.
Ex 8,16 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Begeef u morgenvroeg naar Farao, als hij naar de rivier gaat, en zeg hem: Zo spreekt Jahwe: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren.
Ex 8,17 Want als gij mijn volk niet laat gaan, laat Ik steek vliegen komen over u, over uw hovelingen en uw onderdanen. Uw huizen, de huizen van alle Egyptenaren en de grond onder hun voeten zullen van de vliegen vergeven zijn.
Ex 8,18 Maar voor het land van Gosen, waar mijn volk woont, zal Ik op die dag een uitzondering maken; daar zullen geen vliegen zijn. Zo zult gij weten dat Ik, Jahwe, in uw land aanwezig ben,
Ex 8,19 want Ik zal onderscheid maken tussen mijn volk en uw volk. Morgen zal dit teken zich voltrekken.'
Ex 8,20 Zo deed Jahwe ook. Zwermen steekvliegen drongen het paleis van Farao binnen, de huizen van zijn hovelingen en heel Egypte. Het land was van de vliegen vergeven.
Ex 8,21 Toen ontbood Farao Mozes en Ašron en sprak: `Ga dan maar offers opdragen aan uw God; maar doe het hier in het land.'
Ex 8,22 Maar Mozes antwoordde: `Dat zou onmogelijk zijn. De offers die wij aan Jahwe onze God opdragen zijn voor de Egyptenaren een gruwel. Als wij onder de ogen van de Egyptenaren offers brengen die voor hen een gruwel zijn, zullen zij ons zeker stenigen.
Ex 8,23 Dan kunnen wij toch beter drie dagreizen de woestijn in gaan en daar aan Jahwe onze God de offers brengen die Hij van ons vraagt!'
Ex 8,24 Toen sprak Farao: `Dan laat ik u gaan om in de woestijn offers op te dragen aan Jahwe uw God; als u maar niet te ver wegtrekt. En u moet wel voor mij bidden.'
Ex 8,25 Mozes antwoordde: `Zodra ik van u weggegaan ben zal ik voor u bidden tot Jahwe. Morgen zullen de steekvliegen wijken van Farao, van zijn hovelingen en van zijn volk. Maar dan moet Farao geen bedrog meer plegen door het volk toch weer niet te laten gaan om offers te brengen aan Jahwe.'
Ex 8,26 Mozes ging van Farao heen en bad voor hem tot Jahwe.
Ex 8,27 En Jahwe deed wat Mozes vroeg: de steekvliegen weken van Farao, van zijn hovelingen en van zijn volk. Niet een bleef er over.
Ex 8,28 Maar ook deze keer werd Farao weer onwillig. Hij liet het volk niet gaan.

Ex 9,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe, de God der HebreeŽn: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren.
Ex 9,2 Want als ge weigert hen te laten gaan en hen nog langer tegenhoudt,
Ex 9,3 dan slaat de hand van Jahwe uw vee dat buiten graast met een verschrikkelijke pest, de paarden en de ezels, de kamelen en de runderen, de schapen en de geiten.
Ex 9,4 Daarbij zal Jahwe onderscheid maken tussen het vee van IsraŽl en het vee van Egypte. Van de kudden der IsraŽlieten zal geen dier verloren gaan.
Ex 9,5 Jahwe heeft ook het tijdstip vastgesteld: morgen zal Jahwe dit alles aan het land voltrekken.'
Ex 9,6 De volgende dag deed Jahwe zijn woord gestand: al het vee van de Egyptenaren kwam om, maar bij de IsraŽlieten stierf geen enkel dier.
Ex 9,7 Farao liet navraag doen, en inderdaad was er bij de IsraŽlieten geen enkel dier gestorven. Toch bleef Farao onwillig en hij liet het volk niet vertrekken.
Ex 9,8 Toen sprak Jahwe tot Mozes en Aaron: `Neem een handvol roet uit een smeltoven. Mozes moet dat voor de ogen van Farao in de lucht werpen.
Ex 9,9 Het zal over heel Egypte stuiven en overal bij mens en dier builen veroorzaken die openbarsten en gaan etteren.'
Ex 9,10 Zij namen dus roet uit een smeltoven en verschenen daarmee voor Farao. Mozes wierp het roet in de lucht, en mensen en dieren kregen builen die openbarstten en gingen etteren.
Ex 9,11 Door de builen konden zelfs de magiers het niet meer bij Mozes uithouden; want ook zij zaten vol builen net als de andere Egyptenaren.
Ex 9,12 Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig; hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren aan Mozes gezegd had.
Ex 9,13 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga morgenvroeg naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe, de God der HebreeŽn: Laat mijn volk vertrekken om Mij te vereren.
Ex 9,14 Want deze keer zal Ik mijn zwaarste plaag loslaten op u zelf, op uw hovelingen en uw onderdanen. Dan zult gij weten dat er op de hele wereld niemand aan Mij gelijk is.
Ex 9,15 Ik had al eerder mijn hand kunnen uitsteken en uw onderdanen kunnen slaan met de pest; dan zoudt ge van de aarde verdwenen zijn.
Ex 9,16 Maar Ik heb u in leven gelaten om u mijn kracht te laten zien en om mijn naam bekend te laten worden over heel de aarde.
Ex 9,17 Nog altijd vernedert gij mijn volk en laat het niet gaan.
Ex 9,18 Morgen om deze tijd zal Ik een zware hagelbui doen vallen, zo zwaar als er in Egypte nog nooit is geweest vanaf zijn ontstaan tot heden toe.
Ex 9,19 Haal uw kudden en alles wat gij buiten hebt binnen. Op alle mensen en dieren die buiten zijn en niet onderdak zijn gebracht, zal de hagel neerslaan en zij zullen omkomen.'
Ex 9,20 De hovelingen van Farao die Jahwe's woord vreesden brachten hun knechten en hun vee onderdak,
Ex 9,21 maar degenen die Jahwe's woord niet ter harte namen lieten hun knechten en hun vee buiten.
Ex 9,22 En Jahwe sprak tot Mozes: `Hef uw hand naar de hemel, en de hagel zal neerkomen over heel Egypte op mensen en dieren, op het veldgewas in heel Egypte.'
Ex 9,23 Mozes hief zijn hand naar de hemel en Jahwe liet het donderen en hagelen, bliksemstralen schoten naar de aarde. Jahwe liet de hagel neerkletteren op de Egyptische bodem.
Ex 9,24 Het hagelde, en bliksemstralen schoten tussen de hagel door. Zo'n zware hagelbui was er in heel Egypte nog nooit ge weest, zolang het volk bestond.
Ex 9,25 Overal in Egypte sloeg de hagel neer op alles wat zich buiten bevond, op mensen en dieren. De hagel sloeg alle veldgewassen stuk en vernielde alle bomen van het land.
Ex 9,26 Maar er viel geen hagel in het land Gosen, waar de IsraŽlieten woonden.
Ex 9,27 Toen ontbood Farao Mozes en Ašron en sprak tot hen: `Deze keer beken ik mijn schuld. Jahwe staat in zijn recht, en ik en mijn volk zijn schuldig.
Ex 9,28 Bid voor mij tot Jahwe. Deze verschrikkelijke donder en hagel zijn al te erg. Ik laat u gaan, u hoeft niet langer te blijven.
Ex 9,29 En Mozes gaf hem ten antwoord: `Zodra ik buiten de stad ben hef ik mijn handen op naar Jahwe; dan zal de donder zwijgen en de hagel ophouden; dan weet u dat heel de aarde Jahwe toebehoort.
Ex 9,30 En toch ben ik er van overtuigd dat u en uw hovelingen Jahwe God nog niet vreest.'
Ex 9,31 Het vlas en de gerst waren verhageld, want de gerst stond al in de aar en het vlas bloeide.
Ex 9,32 De tarwe en de spelt waren niet verhageld, want die zijn later in het seizoen.
Ex 9,33 Mozes ging van Farao weg en begaf zich buiten de stad. Hij hief zijn handen op naar Jahwe, en de donder en de hagel hielden op, er stortte geen regen meer op de aarde.
Ex 9,34 Toen Farao bemerkte dat regen, hagel en donder opgehouden waren, herviel hij in zijn zonde; hij werd zeer onwillig, hij en zijn hovelingen.
Ex 9,35 Farao werd weer halsstarrig en liet de IsraŽlieten niet vertrekken, zoals Jahwe tevoren door Mozes gezegd had.

Ex. 10,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao, want hem en zijn hovelingen maak Ik onwillig om mijn tekenen voor hen te kunnen verrichten.
Ex. 10,2 Dan kunt gij later aan uw kinderen en kleinkinderen verhalen hoe Ik tegen de Egyptenaren ben opgetreden en welke tekenen Ik daar verricht heb. Zo zult gij weten dat Ik Jahwe ben.'
Ex. 10,3 Mozes en Ašron begaven zich naar Farao en zeiden tot hem: `Zo spreekt Jahwe, de God der HebreeŽn: Hoe lang nog blijft gij weigeren u voor Mij te buigen? Laat mijn volk om Mij te vereren.
Ex. 10,4 Als ge weigert mijn volk te laten gaan, zal Ik morgen over uw grondgebied sprinkhanen laten omen.
Ex. 10,5 Ze zullen de oppervlakte van het land zo dicht bedekken dat er geen land meer te zien is. Wat de hagel u heeft overgelaten, zullen zij verslinden; alle bomen buiten op het land zullen ze kaalvreten.
Ex. 10,6 Uw huizen, de huizen van al uw hovelingen en de huizen van heel Egypte zullen er vol van zijn. Uw vaders en uw verre voorvaderen hebben, zolang zij in het land wonen, nog nooit zo iets gezien, tot op heden toe.' Mozes keerde zich om en ging van Farao weg.
Ex. 10,7 Nu zeiden de hovelingen van Farao tot hem: `Hoe lang moet die man nu nog een struikelblok voor ons zijn? Laat die mensen toch gaan om Jahwe hun God te vereren. Of wilt u Egypte helemaal ten onder zien gaan?'
Ex. 10,8 Hierop werden Mozes en Ašron opnieuw bij Farao ontboden en deze sprak tot hen: `U kunt vertrekken en Jahwe uw God gaan vereren. Maar wie gaan er mee?'
Ex. 10,9 Mozes antwoordde: `Wij gaan met onze kinderen en grijs aards, met onze zonen en dochters, met ons kleinvee en onze runderen. Want wij vieren een pelgrimsfeest ter ere van Jahwe.'
Ex. 10,10 Maar Farao antwoordde: `Moge Jahwe dan evenzeer met u zijn als ik bereid ben u met uw kinderen te laten vertrekken! Wees gewaarschuwd, u gaat uw ondergang tegemoet.
Ex. 10,11 Er komt niets van in! Alleen de mannen mogen Jahwe gaan vereren. Daar is het u toch om begonnen.' Daarop werden ze uit Farao's tegenwoordigheid verwijderd.
Ex. 10,12 En Jahwe sprak tot Mozes: `Strek uw hand uit over Egypte, dan zullen de sprinkhanen er op neerstrijken. Alle veldgewassen, alles wat de hagel heeft overgelaten, zullen zij verslinden.'
Ex. 10,13 Mozes strekte zijn staf uit over Egypte en Jahwe liet een oostenwind over het land waaien, heel die dag en heel die nacht. Toen de morgen aanbrak had de oostenwind sprinkhanen aangevoerd.
Ex. 10,14 Overal in Egypte streken zij neer. Zoveel sprinkhanen waren er nooit geweest en zullen er nooit meer komen.
Ex. 10,15 Ze bedekten heel de oppervlakte, zodat het land er zwart van zag. Ze vraten alle veldgewassen op en alle boomvruchten die de hagel had overgelaten. Aan bomen of veldgewas bleef in heel Egypte geen groen meer over.
Ex. 10,16 Haastig liet Farao Mozes en Ašron ontbieden en sprak: `Ik heb gezondigd tegen Jahwe uw God en tegen u.
Ex. 10,17 Ik smeek u, vergeef mij ook deze keer mijn zonde; bid voor mij tot Jahwe uw God, dat Hij deze vreselijke plaag van mij wegneemt.'
Ex. 10,18 Mozes ging van Farao weg en bad smekend tot Jahwe.
Ex. 10,19 Toen liet Jahwe een krachtige zeewind waaien; deze voerde de sprinkhanen mee en dreef ze de Rietzee in. In heel het grondgebied van Egypte bleef niet een sprinkhaan over.
Ex. 10,20 Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig: Hij liet de IsraŽlieten niet gaan.
Ex. 10,21 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Hef uw hand naar de hemel, dan zal over heel Egypte duisternis komen, zo dicht dat men ze kan tasten.'
Ex. 10,22 Mozes hief zijn hand naar de hemel en een zware duister nis viel over Egypte, drie dagen lang.
Ex. 10,23 De mensen konden elkaar niet zien en drie dagen lang kon niemand een voet verzetten. Maar waar de IsraŽlieten woonden bleef het licht.
Ex. 10,24 Farao ontbood Mozes en Ašron en sprak: `Trek weg om Jahwe te gaan vereren. Alleen uw kleinvee en uw runderen moet u hier laten; de kinderen moogt ge meenemen.'
Ex. 10,25 Maar toen zei Mozes: `Wilt u ons dan zelf brand - en slachtoffers ter beschikking stellen die wij aan Jahwe, onze God, kunnen opdragen?
Ex. 10,26 Ook ons vee moet mee: geen hoef mag hier blijven. Wat wij Jahwe, onze God gaan aanbieden, moet uit ons eigen bezit komen. En voor wij ter plaatse zijn weten wij nog niet wat wij Jahwe moeten aanbieden.'
Ex. 10,27 Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig: hij wilde hen niet laten gaan.
Ex. 10,28 En Farao zei tegen Mozes: `Verdwijn, en zorg dat u nooit meer onder mijn ogen komt. Als u nog een keer onder mijn ogen komt, betekent dat uw dood.'
Ex. 10,29 Mozes antwoordde: `Met eigen mond hebt u het gezegd! Ik zal nooit meer onder uw ogen komen.'

Ex. 11,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Nog een plaag zal Ik over Farao en Egypte laten komen. Daarna zal hij u laten vertrekken. Als hij u tenslotte laat gaan zal hij u zelfs met geweld van hier wegjagen.
Ex. 11,2 Dring er bij het volk op aan dat iedere man van zijn buurman en iedere vrouw van haar buurvrouw gouden en zilveren sieraden vraagt.'
Ex. 11,3 Want Jahwe had de Egyptenaren gunstig gestemd tegenover het volk. Ook Mozes zelf stond in Egypte hoog in aanzien bij de hovelingen van Farao en bij zijn onderdanen.
Ex. 11,4 En Mozes zei: `Zo spreekt Jahwe: Tegen middernacht zal Ik rondgaan door Egypte.
Ex. 11,5 Iedere eerstgeborene in Egypte zal sterven, van de eerstgeborene van Farao, die hem op de troon zal opvolgen, tot de eerstgeborene van de slavin die de handmolen draait; ook al de eerstgeborenen van het vee.
Ex. 11,6 Dan zal er in heel Egypte luid gejammer opgaan, zo luid als er nog nooit is geweest en nooit meer zal zijn.
Ex. 11,7 Maar bij de IsraŽlieten zal zelfs geen hond zijn tong durven roeren tegen mens of dier. Zo zult gij weten dat Jahwe onderscheid maakt tussen Egypte en IsraŽl.
Ex. 11,8 Dan zullen al uw hovelingen naar mij toekomen, zich voor mij neerbuigen en vragen: Vertrek toch, u en het volk dat u achterna loopt. En nu ga ik!' Ziedend van woede ging hij bij Farao weg.
Ex. 11,9 Maar Jahwe sprak tot Mozes: `Farao zal niet naar u luisteren. Zo zullen mijn wonderen in Egypte nog talrijker worden.'
Ex. 11,10 Mozes en Ašron verrichten al deze wonderen voor Farao, maar Jahwe maakte Farao halsstarrig; Hij liet de IsraŽlieten niet uit zijn land vertrekken.

Ex. 12,1 Jahwe richtte het woord tot Mozes en Ašron in Egypte, en sprak:
Ex. 12,2 `Deze maand moet gij beschouwen als de beginmaand, als de eerste maand van het jaar.
Ex. 12,3 Maak aan heel de gemeenschap van IsraŽl het volgende bekend. Op de tiende van deze maand moet ieder gezin een lam uitkiezen, ieder huis een lam.
Ex. 12,4 Als een gezin te klein is voor een lam, dan moeten ze, rekening houdend met het aantal personen, samen doen met hun naaste buurman. Bij het verdelen van het lam moet er rekening gehouden worden met ieders eetlust.
Ex. 12,5 Het lam moet gaaf zijn, van het mannelijk geslacht en eenjarig. Ge kunt er een schaap of een geit voor nemen.
Ex. 12,6 Ge moet de dieren vasthouden tot aan de veertiende van de maand. Dan moet heel de verzamelde gemeenschap van IsraŽl ze slachten in de avondschemering.
Ex. 12,7 Vervolgens moet gij wat bloed nemen en dat uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten wordt.
Ex. 12,8 In dezelfde nacht moet het vlees gegeten worden, op het vuur gebraden. Het moet gegeten worden met ongezuurd brood en bittere kruiden.
Ex. 12,9 Ge moogt het niet rauw eten of gekookt in water, maar alleen gebraden op het vuur, met kop, poten en ingewanden.
Ex. 12,10 Zorg dat er niets van over is, als de zon opgaat. Wat bij zonsopgang nog over zou zijn moet ge verbranden.
Ex. 12,11 En dit is de wijze waarop gij het lam moet eten: uw lendenen omgord, uw voeten geschoeid, en uw stok in de hand. Haastig moet ge het eten, want het is pasen voor Jahwe.
Ex. 12,12 Deze nacht zal Ik door Egypte gaan en alle eerstgeborenen van Egypte, zowel mensen als dieren, zal Ik slaan. Aan alle goden van Egypte zal Ik het vonnis voltrekken.
Ex. 12,13 Maar het bloed aan de huizen zal een teken zijn dat gij daar woont. Als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal Ik u voorbij gaan. Geen vernietigende plaag zal u treffen als Ik Egypte sla.
Ex. 12,14 Deze dag moet gij tot een gedenkdag maken, ge moet hem vieren als een feest ter ere van Jahwe. Van geslacht tot geslacht moet ge hem als een eeuwige instelling vieren.
Ex. 12,15 Gedurende zeven dagen moet ge ongezuurd brood eten. Op de eerste dag moet ge het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want als iemand een van die zeven dagen iets eet dat gezuurd is, dan zal die mens van IsraŽl worden afgesneden.
Ex. 12,16 De eerste en de zevende dag moet ge tot een heilige dag uitroepen. Op deze dagen moogt ge niet werken, behalve dan dat ieder de spijzen die hij nodig heeft mag toebereiden.
Ex. 12,17 Houd het feest der ongezuurde broden in ere, want dit is de dag waarop Ik uw legerscharen heb weggevoerd uit Egypte. Als een eeuwige instelling moet ge deze dag van geslacht tot geslacht in ere houden.
Ex. 12,18 In de eerste maand moet gij, vanaf de avond van de veertiende dag van de maand tot de avond van de eenentwintigste dag, ongezuurd brood eten.
Ex. 12,19 Gedurende zeven dagen mag in uw huizen geen zuurdeeg gevonden worden, want als iemand gezuurd brood eet zal hij van de gemeenschap van IsraŽl worden afgesneden, of hij nu een vreemdeling of een ingezetene is.
Ex. 12,20 Niets wat gezuurd is moogt ge eten; waar ge ook ver blijft, gij moet ongezuurd brood eten.
Ex. 12,21 Toen riep Mozes al de oudsten van IsraŽl bijeen en sprak tot hen: `Ga voor uw families de dieren halen en slacht het paaslam.
Ex. 12,22 U moet ook een bundel hysop nemen en deze dopen in het bloed dat ge in een schaal hebt opgevangen. Dan moet u het bloed uit de schaal uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur. Tot aan de morgen mag niemand buiten de deur van zijn huis komen,
Ex. 12,23 want als Jahwe rondgaat om Egypte te slaan en het bloed ziet aan de beide posten van de deur, dan zal Jahwe uw deur voorbijgaan en Hij zal de verderver niet toestaan naderbij te komen om uw huis te slaan.
Ex. 12,24 U moet dit voorschrift blijven onderhouden als een eeuwige wet voor uzelf en voor uw kinderen.
Ex. 12,25 Ook als u aangekomen is in het land dat Jahwe u, naar zijn woord, gaat schenken, moet u deze plechtigheid blijven vieren.
Ex. 12,26 En als uw kinderen u de vraag stellen: Wat betekent deze plechtigheid?
Ex. 12,27 dan moet u hun antwoorden: Dit is een paasoffer voor Jahwe, omdat Hij in Egypte de huizen van de IsraŽlieten voorbij is gegaan; terwijl Hij de Egyptenaren sloeg, heeft Hij onze huizen gespaard.' Toen knielde het volk neer en boog zich ter aarde.
Ex. 12,28 De IsraŽlieten gingen uiteen en deden alles wat Jahwe aan Mozes en Ašron had voorgeschreven.
Ex. 12,29 En het was midden in de nacht toen Jahwe al de eerstgeborenen van Egypte sloeg, vanaf de eerstgeborene van Farao die hem op de troon zou opvolgen, tot aan de eerstgeborene in de gevangenis; en ook al de eerstgeborenen van het vee.
Ex. 12,30 Die nacht kwamen Farao en al zijn hovelingen en alle Egyptenaren overeind, en een luid geschreeuw klonk over Egypte, want er was geen huis zonder dode.
Ex. 12,31 Die nacht nog liet hij Mozes en Ašron ontbieden en sprak: `Maak dat u bij mijn volk wegkomt, u en de IsraŽlieten. Ga Jahwe vereren zoals u gevraagd hebt.
Ex. 12,32 Neem ook al uw kleinvee en runderen mee, zoals u gevraagd hebt. Ga weg en smeek ook voor mij zijn zegen af.'
Ex. 12,33 De Egyptenaren drongen er bij het volk op aan zo spoedig mogelijk te vertrekken. `Anders sterven we allemaal,' zeiden ze.
Ex. 12,34 Het volk nam het deeg mee nog voor het gezuurd was; ze wikkelden de troggen in hun mantels en namen ze op hun schouders.
Ex. 12,35 De IsraŽlieten deden wat Mozes hun gezegd had en vroegen van de Egyptenaren gouden en zilveren sieraden en kleding.
Ex. 12,36 Jahwe stemde de Egyptenaren gunstig ten opzichte van het volk zodat zij deze dingen afstonden. Zo beroofden de IsraŽlieten Egypte.
Ex. 12,37 De IsraŽlieten vertrokken vanuit Ramses in de richting Sukkot, en het aantal mannen die zelf liepen - de kinderen dus niet meegerekend - bedroeg ongeveer zeshonderdduizend.
Ex. 12,38 Ook vele anderen trokken met hen mee en dan nog grote kudden kleinvee en runderen.
Ex. 12,39 Zij bakten ongezuurde koeken van het deeg dat ze meegenomen hadden uit Egypte; dit was nog niet gezuurd. Zij waren immers uit Egypte weggejaagd zonder dat hun respijt werd gelaten en zelfs zonder dat ze voor proviand hadden kunnen zorgen.
Ex. 12,40 Het verblijf van de IsraŽlieten in Egypte had vierhonderddertig jaar geduurd.
Ex. 12,41 Juist op de dag dat deze vierhonderddertig jaar verstreken waren trokken al de legerscharen van Jahwe weg uit Egypte.
Ex. 12,42 Jahwe waakte die nacht om hen uit Egypte weg te voeren. Daarom waken alle IsraŽlieten deze nacht voor Jahwe, al hun geslachten door.
Ex. 12,43 Jahwe sprak tot Mozes en Aaron: `Voor het paasmaal gelden de volgende regels. Geen buitenlander mag er aan deelnemen.
Ex. 12,44 Maar een slaaf die gij gekocht en besneden hebt, mag wel van het paasmaal eten.
Ex. 12,45 Vreemdelingen en dagloners mogen echter niet deelnemen.
Ex. 12,46 Het moet in een en hetzelfde huis gegeten worden, niets van het vlees moogt ge buitenshuis brengen en geen been van het lam moogt ge breken.
Ex. 12,47 Heel de gemeenschap van IsraŽl moet het vieren.
Ex. 12,48 Wil een vreemdeling die bij u woont voor Jahwe het paasmaal vieren, dan moet hij eerst alle mannelijke leden van zijn gezin laten besnijden. Dan mag hij het gaan vieren, omdat hij geldt als een geboren IsraŽliet. Maar geen onbesnedene mag er van meeŽten.
Ex. 12,49 Voor de geboren IsraŽlieten en voor de vreemdelingen die bij u verblijven, gelden dezelfde voorschriften.'
Ex. 12,50 De IsraŽlieten voerden alles uit wat Jahwe aan Mozes en Ašron had voorgeschreven.
Ex. 12,51 En diezelfde dag nog leidde Jahwe de IsraŽlieten, in groepen geordend, weg uit Egypte.

Ex. 13,1 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron aldus:
Ex. 13,2 `Wijd Mij alle eerstgeborenen toe; alles wat bij de IsraŽlieten de moederschoot opent, mens of dier, behoort Mij toe.'
Ex. 13,3 Mozes sprak tot het volk: `Blijf deze dag gedenken, de dag waarop u weggetrokken bent uit Egypte, het slavenhuis. Want met krachtige hand heeft Jahwe u weggeleid. Gezuurd brood mag niet gegeten worden.
Ex. 13,4 Vandaag, op deze dag van de maand Abib, trekt u weg.
Ex. 13,5 Als Jahwe u dan weggebracht heeft naar het land van de Kanašnieten, Hethieten, Amorieten, Chiwwieten en Jebusieten, een land van melk en honing, het land dat Hij u geven zal zoals Hij aan uw vaderen onder ede beloofd heeft, dan moet u steeds in deze maand deze plechtigheid blijven vieren.
Ex. 13,6 Zeven dagen lang moet u ongezuurd brood eten, en op de zevende dag is het feest voor Jahwe.
Ex. 13,7 Ongezuurd brood moet men eten, zeven dagen lang; iets wat gezuurd is mag bij u niet gevonden worden.
Ex. 13,8 Op die dag moet u aan uw zoon deze uitleg geven: Dit staat in verband met wat Jahwe voor mij gedaan heeft toen ik wegtrok uit Egypte.
Ex. 13,9 Het moet voor u een merk op de hand zijn en een gedachtenisteken tussen uw ogen, zodat Jahwe's wet altijd op uw lippen is. Want met sterke hand heeft Hij u weggeleid uit Egypte.
Ex. 13,10 U moet dit voorschrift ieder jaar op de vastgestelde tijd onderhouden.
Ex. 13,11 Als Jahwe u geleid heeft naar het land van de Kanašnieten, dat Hij u en uw vaderen onder ede beloofd heeft, en u dat land in bezit heeft gegeven,
Ex. 13,12 dan moet u alles wat de moederschoot opent afstaan aan Jahwe. Elke mannelijke eerstgeborene van het vee behoort toe aan Jahwe.
Ex. 13,13 Elk eerstgeboren jong van een ezel moet u loskopen met een lam. Wilt u het niet loskopen dan moet u het de nek breken. Iedere mannelijke eerstgeborene van uw kinderen moet u vrijkopen.
Ex. 13,14 Als uw zoon u later vraagt wat dit betekent, dan moet u hem antwoorden: Met krachtige hand heeft Jahwe ons weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.
Ex. 13,15 Toen Farao hardnekkig weigerde ons te laten gaan, heeft Jahwe alle eerstgeborenen van Egypte gedood, zowel de eerstgeborenen van de mensen als die van het vee. Daarom offer ik al het mannelijke dat de moederschoot opent aan Jahwe en koop ik elke eerstgeboren zoon vrij.
Ex. 13,16 Dit moet voor u een merk op de hand zijn en een gedachtenisteken tussen uw ogen; want met krachtige hand heeft Jahwe ons weggeleid uit Egypte.'
Ex. 13,17 Toen Farao het volk had laten vertrekken liet God hen niet door het gebied van de Filistijnen gaan, hoewel deze weg korter is. Want als het volk aangevallen zou worden, dacht God, zou het spijt kunnen krijgen en terugkeren naar Egypte.
Ex. 13,18 God liet het volk dus de omweg door de Rietzeewoestijn maken. Geheel tot de strijd uitgerust trokken de IsraŽlieten weg uit Egypte.
Ex. 13,19 Mozes nam het gebeente van Jozef mee. Deze had de IsraŽlieten immers plechtig laten beloven dat te doen, toen hij zei: `Jahwe zal zeker eens genadig op u neerzien; neem dan mijn gebeente met u mee.'
Ex. 13,20 De IsraŽlieten vertrokken van Sukkot en sloegen hun kamp op te Etam, aan de rand van de woestijn.
Ex. 13,21 Jahwe ging voor hen uit; overdag in een wolkkolom,'s nachts in een vuurzuil om hun licht te zijn. Zo konden zij dag en nacht doortrekken.
Ex. 13,22 Nooit week de wolkkolom overdag en de vuurzuil's nachts van de spits van het volk.

Ex. 14,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Ex. 14,2 `Zeg aan de IsraŽlieten dat zij moeten omkeren en hun kamp opslaan voor Pi-hachirot, tussen Migdol en de zee. Voor Bašl-sefon moet gij aan de zee uw kamp opslaan.
Ex. 14,3 Dan zal Farao denken: De IsraŽlieten zijn de weg kwijtgeraakt en nu zijn ze door de woestijn ingesloten.
Ex. 14,4 En Ik zal Farao weer halsstarrig maken zodat hij hen gaat achtervolgen. Ik zal Mij verheerlijken ten koste van Farao en heel zijn legermacht. Dan zullen de Egyptenaren weten dat Ik Jahwe ben.' De IsraŽlieten deden naar dit bevel.
Ex. 14,5 toen aan de koning van Egypte gemeld werd dat het volk gevlucht was, veranderden Farao en zijn hovelingen van gedachten en ze riepen uit: `Hoe konden we de IsraŽlieten toch uit onze dienst laten vertrekken?'
Ex. 14,6 Hij liet dus zijn strijdwagen aanspannen en nam zijn manschappen met zich mee:
Ex. 14,7 zeshonderd van de beste wagens en alle voertuigen van Egypte, alle met drie man bezet.
Ex. 14,8 Want Jahwe had Farao, de koning van Egypte, weer halsstarrig gemaakt, zodat hij de IsraŽlieten ging achtervolgen die onder Jahwe's machtige bescherming vertrokken waren.
Ex. 14,9 Met alle paarden en wagens van Farao, met zijn wagenmenners en zijn legermacht, zetten de Egyptenaren de achtervolging in. Zij haalden de IsraŽlieten in terwijl zij gelegerd waren aan zee, bij Pi-hachirot, voor Bašl-sefon.
Ex. 14,10 Toen Farao naderde, zagen de IsraŽlieten ineens dat de Egyptenaren hen achterna gekomen waren. Hevige angst maakte zich van hen meester en zij riepen luid tot Jahwe.
Ex. 14,11 Maar tegen Mozes zeiden ze: `Waren er in Egypte geen graven dat je ons naar de woestijn gebracht hebt om te sterven? Hoe heb je het toch in je hoofd gehaald om ons weg te voeren uit Egypte?
Ex. 14,12 Hebben wij je in Egypte al niet gewaarschuwd: Bemoei je niet met ons, laat ons maar in dienst blijven van de Egyptenaren? Het is beter hen te dienen dan te sterven in de woestijn.'
Ex. 14,13 Mozes gaf het volk ten antwoord: `Vrees niet en blijf volhouden: dan zult u zien hoe Jahwe u vandaag nog zal redden. Want vandaag ziet u de Egyptenaren nog; daarna zult u ze niet meer zien, nooit meer!
Ex. 14,14 Jahwe zal voor u strijden; zelf hoeft u geen vinger uit te steken.'
Ex. 14,15 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Wat roept ge Mij toch. Beveel de IsraŽlieten verder te trekken.
Ex. 14,16 Gij zelf moet uw hand opheffen, uw staf uitstrekken over de zee en ze in tweeŽn splijten. Dan kunnen de IsraŽlieten over de droge bodem door de zee trekken.
Ex. 14,17 Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken, zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik Mij verheerlijken ten koste van Farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners.
Ex. 14,18 De Egyptenaren zullen weten dat Ik Jahwe ben, als Ik Mij verheerlijk ten koste van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners.'
Ex. 14,19 De engel van God die aan de spits van het leger der IsraŽlieten ging, veranderde van plaats en stelde zich achter hen op. De wolkkolom ging weg van de spits en stelde zich achter hen op.
Ex. 14,20 Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de IsraŽlieten. De wolk bleef die nacht donker zodat het heel die nacht niet tot een treffen kwam.
Ex. 14,21 Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en Jahwe deed die hele nacht door een sterke oostenwind de zee terugwijken. Hij maakte van de zee droog land en de wateren spleten vaneen.
Ex. 14,22 Zo trokken de IsraŽlieten over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts een wand vormden.
Ex. 14,23 De Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners gingen achter de IsraŽlieten aan de zee in.
Ex. 14,24 Tegen de morgenwake richtte Jahwe vanuit de wolkkolom en de vuurzuil zijn blikken op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring.
Ex. 14,25 Hij liet de wielen van de wagens scheeflopen zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen. De Egyptenaren riepen uit: `Laten we vluchten voor de IsraŽlieten, want Jahwe strijdt voor hen tegen ons.'
Ex. 14,26 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Strek uw hand uit over de zee, dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun wagens en hun wagenmenners.'
Ex. 14,27 Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. Daar de Egyptenaren er tegen in vluchtten, dreef Jahwe hen midden in de zee.
Ex. 14,28 Het water vloeide terug en overspoelde wagens en wagen menners, heel de strijdmacht van Farao die de IsraŽlieten op de bodem van de zee achterna was gegaan. Niet een bleef gespaard.
Ex. 14,29 De IsraŽlieten daarentegen waren over de droge bodem door de zee heengetrokken, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden.
Ex. 14,30 Zo redde Jahwe op deze dag IsraŽl uit de greep van Egypte; IsraŽl zag de Egyptenaren dood op de kust liggen.
Ex. 14,31 Toen IsraŽl Jahwe's machtige optreden tegen Egypte gezien had, kreeg het volk ontzag voor Jahwe; zij stelden ver trouwen in Jahwe en in Mozes zijn dienaar.

Ex. 15,1 Toen hieven Mozes en de IsraŽlieten ter ere van Jahwe dit lied aan: Ik wil zingen voor Jahwe, want Hij is de hoogste: paard en berijder dreef Hij in zee.
Ex. 15,2 Jahwe is mijn sterkte en kracht; Hij heeft mij gered: Hij is mijn God en Hem wil ik loven; de God van mijn vader, Hem zal ik verheffen.
Ex. 15,3 Jahwe is een strijder, Jahwe is zijn naam.
Ex. 15,4 Farao's wagens, zijn machtige legers. Hij wierp ze in zee; de keur van zijn mannen, de Rietzee verzwolg ze.
Ex. 15,5 Zij zijn door de vloed overspoeld, als een steen naar de diepte gezakt.
Ex. 15,6 Uw hand, Jahwe, heeft zich machtig getoond; uw hand sloeg de vijand terneer.
Ex. 15,7 Die U weerstonden hebt Gij gebroken, groot in uw luister. Het vuur van uw toorn liet Gij gaan: het verslond hen als stro.
Ex. 15,8 Uw neus heeft geblazen; de wateren stegen. de stromen bleven staan als een dam; de golven verstijfden, midden in zee.
Ex. 15,9 `Ik ga ze achterna,' zei de vijand, `ik haal ze wel in; de buit zal ik delen, ik zal er in zwelgen; mijn zwaard zal ik trekken, mijn hand roeit hen uit.'
Ex. 15,10 Maar Gij hebt geblazen, de zee heeft hen bedolven; zij zonken als lood in de machtige vloed.
Ex. 15,11 Wie is van de goden als gij, o Jahwe? Wie is er als Gij, schrikwekkend en heilig. om roemvolle daden geducht, om wonder na wonder?
Ex. 15,12 Uw hand heft gij op, de aarde verslindt hen.
Ex. 15,13 Uw genade wees de weg aan het volk, door U verlost; uw kracht heeft het geleid, naar uw heilige plaats.
Ex. 15,14 De volken vernamen het, zij beefden van angst; Filistea's bewoners, zij sidderden.
Ex. 15,15 De vorsten van Edom, zij waren ontsteld; de heersers van Moab, door huiver Bevangen. Kanašn wankelde, al zijn bewoners.
Ex. 15,16 Ontzetting en schrik kwam over hen neer; zij werden als steen door de macht van uw arm. tot voorbij was uw volk, o Jahwe, tot voorbij was het volk dat Gij hebt gemaakt.
Ex. 15,17 Gij hebt hen gebracht; Gij hebt hen geplant op de berg die uw domein is, waar Gij, o Jahwe, uw verblijf hebt gevestigd, het heiligdom, Heer, dat uw hand heeft gemaakt.
Ex. 15,18 Jahwe is koning, voor altijd en eeuwig!
Ex. 15,19 Toen de paarden van Farao, met de wagens en de wagenmenners, in de zee gekomen waren, liet Jahwe de wateren van de zee over hen terugvloeien. Maar de IsraŽlieten waren over de droge bedding gegaan, midden in de zee.
Ex. 15,20 En Mirjam, de profetes, een zuster van Aaron, pakte haar tamboerijn, en alle vrouwen volgden haar, dansend en spelend op de tamboerijn.
Ex. 15,21 Mirjam zong het refrein: Zing voor Jahwe, want Hij is de hoogste; paard en berijder dreef Hij in zee.
Ex. 15,22 Toen liet Mozes de IsraŽlieten van de Rietzee verder trekken naar de woestijn van Sur. Drie dagen trokken zij door de woestijn, zonder water te vinden.
Ex. 15,23 Zij kwamen in Mara, maar het water van Mara was niet te drinken omdat het bitter was. Daarom heet die plaats dan ook Mara.
Ex. 15,24 Het volk begon te morren tegen Mozes en vroeg: 'Wat moeten we drinken?'
Ex. 15,25 Mozes smeekte Jahwe om hulp, en Jahwe wees hem een stuk hout aan. Hij wierp dat in het water, en het water werd zoet. Daar gaf hij hun regels en recht, en leerde hun daarmee te leven.
Ex. 15,26 Hij hield hun voor: 'Als gij oprecht gehoorzaamt aan het woord van Jahwe, uw God, en als gij doet wat in zijn ogen goed is, als gij zijn voorschriften opvolgt en zijn verordeningen onderhoudt: dan zal geen van de ziekten die Ik over Egypte deed komen, u treffen. Ik ben Jahwe, uw geneesheer.'
Ex. 15,27 Zij kwamen vervolgens te Elim, een plaats met twaalf bronnen en zeventig palmen, en legerden zich daar bij water.

Ex. 16,1 Van Elim trok heel de gemeenschap van de IsraŽlieten verder en bereikte de woestijn van Sin, tussen Elim en de SinaÔ. Het was de vijftiende dag van de tweede maand na hun vertrek uit Egypte.
Ex. 16,2 Toen ze in de woestijn waren, begon heel de gemeenschap van de IsraŽlieten te morren tegen Mozes en Aaron.
Ex. 16,3 De IsraŽlieten zeiden tegen hen: `Waren we maar door Jahwe's hand gestorven in Egypte, waar we bij de vleespotten zaten en volop brood konden eten. Jullie hebben ons alleen maar naar de woestijn gebracht om al deze mensen van honger te laten omkomen.'
Ex. 16,4 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ik zal brood voor u laten regenen uit de hemel. De mensen moeten er dagelijks op uit gaan en de hoeveelheid voor een dag verzamelen. Dan kan Ik vaststellen of het mijn leiding wil volgen of niet.
Ex. 16,5 Maar op de zesde dag moeten ze eens zo veel verzamelen en toebereiden als op andere dagen.'
Ex. 16,6 Mozes en Ašron zeiden toen tot de IsraŽlieten: `Vanavond nog zult u weten dat het inderdaad Jahwe was die u heeft weggevoerd uit Egypte.
Ex. 16,7 en morgenochtend zult u de heerlijkheid van Jahwe aan schouwen. Want Jahwe heeft het gemor tegen hem gehoord. Wie zijn wij, dat u zo mort tegen ons?'
Ex. 16,8 Mozes zei verder: `Vanavond zal Jahwe zelf u vlees te eten geven en morgenochtend volop brood. Want Jahwe heeft uw gemor tegen hem gehoord. Wie zijn wij tenslotte? Niet tegen ons, maar tegen Jahwe ging uw gemor.'
Ex. 16,9 En Mozes sprak tot Aaron: `Zeg aan heel de gemeenschap der IsraŽlieten het volgende: Nader tot Jahwe, want hij heeft uw gemor gehoord.'
Ex. 16,10 Terwijl Ašron sprak, keerde heel de gemeenschap der IsraŽlieten zich maar de woestijn. En daar verscheen hun in een wolk de heerlijkheid van Jahwe.
Ex. 16,11 Jahwe sprak tot Mozes:
Ex. 16,12 `Ik heb het gemor van de IsraŽlieten gehoord. Dit moet ge hun zeggen: Tegen de avond kunt ge vlees eten en morgenochtend zult ge volop brood hebben. Dan zult ge weten dat Ik Jahwe, uw God, ben.'
Ex. 16,13 En het was avond, toen de kwartels kwamen aangevlogen die neervielen over heel het kamp. De volgende morgen hing er dauw rondom het kamp.
Ex. 16,14 En toen deze was opgetrokken lag er over de woestijn een fijne korrelige laag, alsof de grond met rijp was bedekt.
Ex. 16,15 De IsraŽlieten zagen het en vroegen: `Wat is dat?' Ze wisten werkelijk niet wat het was. Mozes legde hun uit: `Dit is het brood dat Jahwe u te eten geeft.
Ex. 16,16 En aldus heeft Jahwe bepaald: Ieder mag er zoveel van nemen als hij voor zijn familie nodig heeft: een omer per persoon. Maar ieder mag alleen maar nemen voor degenen die in zijn tent verblijven.'
Ex. 16,17 De IsraŽlieten deden dat ook: de een verzamelde meer, de ander minder.
Ex. 16,18 Als ze het met de omer namaten bleek een grote hoeveelheid nooit te groot en een kleine hoeveelheid nooit te klein, en had de man die veel had nooit te veel en de man die weinig had nooit te weinig. Iedereen had juist zoveel verzameld als hij nodig had.
Ex. 16,19 Mozes vermaande hen: `Er mag niets bewaard worden voor de volgende dag.'
Ex. 16,20 Maar sommigen stoorden zich niet aan Mozes' bevel en bewaarden toch iets tot de volgende dag; toen zat het vol wormen en het stonk afschuwelijk. Mozes was woedend op hen.
Ex. 16,21 Iedere morgen opnieuw verzamelden zij het, ieder zoveel als hij nodig had. Zodra de zon warm begon te worden smolt het weg.
Ex. 16,22 Op de zesde dag vonden zij een dubbele hoeveelheid brood, twee omer per persoon. Alle leiders van de gemeenschap kwamen het Mozes zeggen.
Ex. 16,23 Deze legde hun uit: `Zo heeft Jahwe bepaald: Morgen is het sabbatdag, de sabbat die gewijd is aan Jahwe. Bat en kookt wat u nodig hebt. Wat overblijft moet u opzij leggen en bewaren voor morgen.'
Ex. 16,24 Zij legden dus een gedeelte opzij voor de volgende morgen, zoals Mozes bevolen had. Deze keer stonk het niet en er zagen geen wormen in.
Ex. 16,25 En Mozes zei: `Dit moet u vandaag gebruiken, want vandaag is het sabbat voor Jahwe. Vandaag zult u buiten niets vinden.
Ex. 16,26 Zes dagen kunt u verzamelen, maar op de zevende dag, op de sabbat, is er niets.'
Ex. 16,27 Sommige mensen gingen er de zevende dag toch op uit, maar zij vonden niets.
Ex. 16,28 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Hoe lang blijft gij nog weigeren mijn voorschriften en bepalingen te onderhouden?
Ex. 16,29 Denk er wel aan:: Jahwe heeft u de sabbat gegeven. Hij geeft u dan ook op de zesde dag brood voor twee dagen. Iedereen moet blijven waar hij is, niemand mag op de zevende dag zijn verblijfplaats verlaten.'
Ex. 16,30 Zo hield het volk op de zevende dag rust.
Ex. 16,31 IsraŽl noemde het brood manna. Het was wit als korianderzaad en smaakte naar honingkoek.
Ex. 16,32 Mozes sprak nog: `Dit heeft Jahwe bevolen: Bewaar een volle omer voor uw nageslacht. Dan kunnen zij zien welk brood Ik u te eten gegeven heb in de woestijn, toen Ik u wegvoerde uit Egypte.'
Ex. 16,33 Mozes gaf Ašron de opdracht: `Neem een urn, doe er een volle omer manna in en zet die voor Jahwe, om ze voor het nageslacht te bewaren.'
Ex. 16,34 Ašron deed wat Jahwe aan Mozes bevolen had en plaatste de urn ter bewaring bij de verbondsakte.
Ex. 16,35 Veertig jaar lang aten de IsraŽlieten het manna, tot ze in bewoonde streken kwamen. Zij aten het manna tot ze de grenzen van Kanašn bereikt hadden.
Ex. 16,36 Een omer is het tiende deel van een efa.


Ex. 17,1 Heel de gemeenschap van de IsraŽlieten vertrok uit de woestijn van Sin, om naar Jahwe's aanwijzingen van kamp tot kamp verder te gaan. Toen ze hun kamp opsloegen in Refidim had het volk geen water te drinken.
Ex. 17,2 Ze begonnen Mozes verwijten te doen en zeiden: `Geef ons water te drinken.' Mozes antwoordde: `Waarom doet u mij verwijten en waarom daagt u Jahwe uit?'
Ex. 17,3 Maar de mensen leden daar hevige dorst; zij bleven tegen Mozes morren en zeiden: `Waarom hebt u ons weggevoerd uit Egypte als we toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven?'
Ex. 17,4 Mozes klaagde zijn nood bij Jahwe: `Wat moet ik toch aan met dit volk? Ze staan op het punt mij te stenigen.'
Ex. 17,5 Jahwe gaf Mozes ten antwoord: `Ga met enkelen van IsraŽls oudsten voor het volk uit, neem in uw hand de staf waarmee ge de Nijl geslagen hebt en begeef u op weg.
Ex. 17,6 Ik zal ginds, voor uw ogen, op een rots staan, op de Horeb. Sla op die rots: er zal water uitstromen zodat de mensen kunnen drinken.' Mozes deed dat in het bijzijn van IsraŽls oudsten.
Ex. 17,7 Hij noemde de plaats Massa en Meriba vanwege de verwijten der IsraŽlieten en omdat zij Jahwe hadden uitgedaagd door zich af te vragen: `Is Jahwe nu bij ons of niet?'
Ex. 17,8 Amalek kwam aanzetten om IsraŽl in Refidim aan te vallen.
Ex. 17,9 Toen zei Mozes tegen Jozua: `Kies manschappen uit en trek morgen ten strijde tegen Amalek. Zelf ga ik met de staf van God in mijn hand op de top van de heuvel staan.'
Ex. 17,10 Jozua deed wat Mozes hem had opgedragen. Hij bond de strijd aan met Amalek, terwijl Mozes, Ašron en Chur de top van de heuvel bestegen.
Ex. 17,11 En zolang Mozes zijn armen opgeheven hield waren de IsraŽlieten aan de winnende hand. Maar liet hij zijn armen zakken dan won Amalek.
Ex. 17,12 Tenslotte werden Mozes' armen moe. Toen haalden ze een steen voor hem waar hij op ging zitten. Ašron en Chur ondersteun den zijn armen, elk aan een kant. Zo bleven zijn armen omhooggeheven, tot zonsondergang toe.
Ex. 17,13 En Jozua versloeg Amalek en zijn leger met het zwaard.
Ex. 17,14 Daarop gaf Jahwe aan Mozes de opdracht: `Stel dit ter gedachtenis op schrift en prent het Jozua in: Ik ga de herinnering aan Amalek van de aarde wegvagen.'
Ex. 17,15 Toen bouwde Mozes een altaar en noemde het Jahwe-banier.
Ex. 17,16 Hij zei: `De handen omhoog naar Jahwe's troon. Jahwe strijdt tegen Amalek, alle geslachten door.'

Ex. 18,1 Jetro, de priester van Midjan, de schoonvader van Mozes, hoorde alles wat God gedaan had voor Mozes en voor zijn volk IsraŽl: dat Jahwe IsraŽl uit Egypte had geleid.
Ex. 18,2 Toen ging Jetro, de schoonvader van Mozes, met diens vrouw Sippora - die Mozes later teruggestuurd had
Ex. 18,3 en haar beide zonen, op weg. De ene zoon heette Gersom. Want, zo had hij gedacht, `ik verblijf in een vreemd land.'
Ex. 18,4 De ander heette Eliezer: want `de God van mijn vader kwam mij te hulp en heeft mij gered van Farao's zwaard.'
Ex. 18,5 Jetro, de schoonvader van Mozes, ging dus met diens vrouw en zonen op weg naar Mozes, naar de woestijn waar deze toen gelegerd was, bij de berg van God.
Ex. 18,6 Hij liet weten: `Ik, uw schoonvader Jetro, ben naar u op weg. Uw vrouw en zonen zijn in mijn gezelschap.'
Ex. 18,7 Toen ging Mozes zijn schoonvader tegemoet, boog voor hem en kuste hem. Zij vroegen elkaar hoe ze het maakten en gingen toen de tent binnen.
Ex. 18,8 Mozes verhaalde zijn schoonvader uitvoerig wat Jahwe gedaan had met de farao van Egypte, ten gunste van IsraŽl. Ook vertelde hij van alle moeilijkheden waarop ze onderweg gestuit waren en hoe Jahwe hen daaruit had gered.
Ex. 18,9 Jetro was verheugd over de gunsten die Jahwe bij de bevrijding uit Egypte aan IsraŽl bewezen had.
Ex. 18,10 En Jetro sprak: `Gezegend zij Jahwe die u bevrijd heeft uit de macht van Egypte en uit de macht van Farao. Hij die het volk bevrijd heeft uit de onderdrukking van Egypte.
Ex. 18,11 Nu weet ik dat Jahwe groter is dan alle andere goden.'
Ex. 18,12 Jetro, de schoonvader van Mozes, bracht aan God brand en slachtoffers. En Ašron en al de oudsten van IsraŽl kwamen met de schoonvader van Mozes voor God de offermaaltijd houden.
Ex. 18,13 De volgende dag hield Mozes rechtszitting. Van's morgens tot's avonds stonden er mensen om hem heen.
Ex. 18,14 Toen zijn schoonvader zag hoeveel werk het volk hem bezorgde zei hij: `Is het nodig dat deze mensen je zo in beslag nemen? Waarom hou je alleen zitting terwijl de mensen zich van's morgens tot's avonds om je verdringen?'
Ex. 18,15 Mozes antwoordde zijn schoonvader: `De mensen komen naar mij toe om Gods uitspraak te vernemen.
Ex. 18,16 Als ze een geschil hebben komen ze bij mij, en ik moet uitspraak doen en hen op de hoogte stellen van Gods bepalingen en beslissingen.'
Ex. 18,17 Mozes' schoonvader zei toen tot hem: `Toch doe je zo niet verstandig.
Ex. 18,18 Het is te vermoeiend, zowel voor jezelf als voor de mensen die staan te wachten. Het is te zwaar voor je; dit kun je alleen niet aan.
Ex. 18,19 Luister naar me, ik zal je een goede raad geven en God zal je bijstaan. Jij moet het volk vertegenwoordigen bij God en Hem de zaken voorleggen.
Ex. 18,20 Je moet de mensen de bepalingen en wetten inprenten en hun leren welke weg zij moeten gaan en hoe zij moeten leven.
Ex. 18,21 Maar kies daarnaast uit het volk een aantal mannen die bekwaam zijn, godvrezend, betrouwbaar en onomkoopbaar. Stel hen aan tot leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig, en leiders over tien.
Ex. 18,22 Zij moeten zich steeds ter beschikking houden voor de rechtspraak. Iedere belangrijke zaak moeten ze aan jou voor leggen, in kleinere zaken kunnen ze zelf uitspraak doen. Het zal voor jou een verlichting betekenen als zij die last met je dragen.
Ex. 18,23 Als jij, met Gods instemming, zo te werk gaat, dan kun je het volhouden en gaan ook al die mensen tevreden naar huis.'
Ex. 18,24 Mozes ging op de raad van zijn schoonvader in en regelde alles zoals deze had voorgesteld.
Ex. 18,25 Hij koos uit heel IsraŽl bekwame mannen en stelde hen aan het hoofd van het volk: leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien.
Ex. 18,26 Zij hielden zich voor de rechtspraak van het volk steeds ter beschikking. De belangrijke zaken legden ze voor aan Mozes, in kleinere deden ze zelf uitspraak.
Ex. 18,27 Toen deed Mozes zijn schoonvader uitgeleide en deze keerde terug naar zijn land.

Ex. 19,1 Drie maanden na hun vertrek uit Egypte, op de dag af, bereikten de IsraŽlieten de SinaÔ-woestijn.
Ex. 19,2 Zij waren vertrokken uit Refidim en kwamen aan in de SinaÔ-woestijn waar zij dicht bij de berg hun kamp opsloegen.
Ex. 19,3 Mozes ging de berg op, naar God. Toen hij boven was sprak Jahwe hem daar aan en zei: `Dit moet gij zeggen tot het huis van Jakob en doen weten aan de zonen van IsraŽl.
Ex. 19,4 Met eigen ogen hebt gij gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte, hoe Ik u op arendsvleugelen gedragen en hier bij Mij gebracht heb.
Ex. 19,5 Als gij aan mijn woord gehoorzaamt en mijn verbond onder houdt, dan zult ge - hoewel de hele aarde Mij toebehoort - van alle volken op bijzondere wijze mijn eigendom zijn.
Ex. 19,6 Gij zult mijn priesterlijk koninkrijk en mijn heilig volk zijn. Deze woorden moet gij de IsraŽlieten overbrengen.'
Ex. 19,7 Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat Jahwe hem had opgedragen.
Ex. 19,8 Eenstemmig gaf het volk dit antwoord: `Alles wat Jahwe zegt zullen wij volbrengen.' Mozes bracht het antwoord van het volk weer over aan Jahwe.
Ex. 19,9 Jahwe sprak nu tot Mozes: `Ik kom tot u in een dichte wolk zodat het volk Mij met u hoort spreken en voor altijd vertrouwen in u zal krijgen.' Mozes bracht het antwoord van het volk over aan Jahwe.
Ex. 19,10 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Begeef u naar het volk en zorg er voor dat ze zich vandaag en morgen heiligen en hun kleren wassen.
Ex. 19,11 Zij moeten zich gereed maken voor overmorgen, want overmorgen zal Jahwe voor de ogen van heel het volk neerdalen op de SinaÔ.
Ex. 19,12 Baken voor de mensen een terrein af en zeg hun: Wacht u op de berg te komen of zelfs zijn voet maar te betreden; wie op de berg komt wordt ter dood gebracht.
Ex. 19,13 Zelfs met geen vinger mag zo iemand aangeraakt worden: hij moet gestenigd worden of doodgeschoten. Pas als de ramshoorn weerklinkt mogen zij de berg bestijgen.'
Ex. 19,14 Mozes kwam van de berg af en droeg er zorg voor dat de mensen zich heiligden en hun kleren wasten.
Ex. 19,15 Hij zei tegen het volk: `Maak u gereed voor overmorgen; niemand mag gemeenschap hebben met een vrouw.'
Ex. 19,16 Op de derde dag, vroeg in de morgen, begon het te donderen en te bliksemen. Boven de berg hing een dichte wolk, machtig bazuingeschal weerklonk, en alle mensen in het kamp beefden van angst.
Ex. 19,17 Toen voerde Mozes het volk uit het kamp naar buiten, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven zij staan.
Ex. 19,18 De SinaÔ was geheel in rook gehuld omdat Jahwe in vuur was nedergedaald. De rook steeg omhoog als de rook van een smeltoven.
Ex. 19,19 Heel het volk was met ontzetting geslagen. Bazuingeschal weerklonk, luider en luider. Mozes sprak, en de stem van God antwoordde hem.
Ex. 19,20 Want Jahwe was nedergedaald op de SinaÔ, op de top van de berg. En Jahwe riep Mozes naar de top van de berg en Mozes ging naar boven.
Ex. 19,21 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar beneden en waar schuw de mensen dat zij niet op mogen dringen om Jahwe te zien; want dan zouden er velen sterven.
Ex. 19,22 Ook de priesters, die anders naderen tot Jahwe, ook zij moeten op een afstand blijven; anders zal de toorn van Jahwe tegen hen losbarsten.'
Ex. 19,23 Mozes antwoordde Jahwe: `Het volk kan de SinaÔ niet bestijgen. Gij hebt ons zelf immers opdracht gegeven de berg af te zetten en tot heilig gebied te verklaren.'
Ex. 19,24 Jahwe sprak tot hem: `Ga naar beneden en kom dan weer boven met uw broer Aaron. Maar de priesters en het volk mogen niet naar boven, naar Jahwe, opdringen; anders zal de toorn van Jahwe tegen hen losbarsten.'
Ex. 19,25 Mozes daalde af naar het volk en sprak het toe.

Ex. 20,1 Toen sprak God al de woorden die hier volgen.
Ex. 20,2 `Ik ben Jahwe uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.
Ex. 20,3 Gij zult geen andere goden hebben, ten koste van Mij.
Ex. 20,4 Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde.
Ex. 20,5 Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen en hun geen goddelijke eer bewijzen; want Ik, Jahwe uw God, Ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse God die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen, tot het derde en vierde geslacht,
Ex. 20,6 maar voor hen die Mij liefhebben en mijn geboden onder houden een God die goedheid bewijst tot aan het duizendste geslacht.
Ex. 20,7 Gij zult de naam van Jahwe uw God niet lichtvaardig gebruiken; want Jahwe laat degenen die zijn naam lichtvaardig gebruiken niet ongestraft.
Ex. 20,8 Denk aan de sabbat; die moet heilig voor u zijn.
Ex. 20,9 Zes dagen kunt gij werken en alle arbeid verrichten.
Ex. 20,10 Maar de zevende dag is de sabbat voor Jahwe uw God. Dan moogt gij geen enkele arbeid verrichten: gij zelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw dieren niet, zelfs niet de vreemdeling die bij u woont.
Ex. 20,11 In zes dagen immers heeft Jahwe de hemel, de aarde, de zee met al wat er in is, gemaakt. Maar de zevende dag heeft Hij gerust en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt.
Ex. 20,12 Eer uw vader en uw moeder. Dan zult gij lang leven op de grond die Jahwe uw God u schenkt.
Ex. 20,13 Gij zult niet doden.
Ex. 20,14 Gij zult geen echtbreuk plegen.
Ex. 20,15 Gij zult niet stelen.
Ex. 20,16 Gij zult tegen uw naaste niet leugenachtig getuigen.
Ex. 20,17 Gij zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste; gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste, niet op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, op niets wat hem toebehoort.
Ex. 20,18 Overweldigd door de donderslagen, de bliksemflitsen, het bazuingeschal en de rokende berg, beefde heel het volk van angst en bleef op een afstand staan.
Ex. 20,19 Ze vroegen aan Mozes: `Spreekt u toch met ons; wij zullen luisteren. Maar laat God niet tot ons spreken want dan sterven wij.'
Ex. 20,20 Mozes antwoordde: `Wees maar niet bang. Want God is gekomen om u op de proef te stellen: dat u zo'n ontzag voor Hem zoudt krijgen dat u niet meer zondigt.'
Ex. 20,21 Terwijl het volk op een afstand bleef staan, trad Mozes toe op de donkere wolk waarin God aanwezig was.
Ex. 20,22 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg de IsraŽlieten het volgende: Gij hebt gezien hoe Ik vanuit de hemel tot u gesproken heb.
Ex. 20,23 Gij moogt naast Mij geen goden van goud of zilver maken. Gij moogt die niet maken.
Ex. 20,24 Gij moet voor Mij een altaar maken van aarde. Daarop kunt gij de brand - en meeloffers, de schapen en runderen opdragen. Op elke heilige plaats waar Ik mijn naam zal openbaren, zal Ik met mijn zegen tot u komen.
Ex. 20,25 Als gij voor Mij een stenen altaar bouwt, maak het dan niet van behouwen steen. Door de stenen met een beitel te bewerken, ontwijdt gij ze.
Ex. 20,26 Mijn altaar mag geen altaar zijn dat ge langs treden beklimt; want dan zou uw schaamte zichtbaar worden.

Ex. 21,1 Hier volgen de rechtsregels die ge hun moet voorhouden.
Ex. 21,2 Wanneer ge een Hebreeuwse slaaf koopt, dan moet hij zes jaar dienen, maar in het zevende jaar mag hij zonder betalen als vrij man weggaan.
Ex. 21,3 Was hij alleen gekomen, dan moet hij ook alleen vertrek ken. Had hij een vrouw, dan mag zijn vrouw met hem meegaan.
Ex. 21,4 Heeft zijn meester hem een vrouw gegeven en heeft deze hem zonen of dochters geschonken, dan behoort de vrouw met haar kinderen toe aan de meester: de man moet dan alleen vertrekken.
Ex. 21,5 Als hij echter verzekert: `Ik ben gesteld op mijn mees ter, op mijn vrouw en kinderen, ik wil niet als vrij man weg gaan,'
Ex. 21,6 dan moet zijn meester hem naar de godheid brengen, hem tegen de deur of de deurpost zetten en met een priem zijn oor doorboren. Dan zal die man voor altijd zijn slaaf blijven.
Ex. 21,7 Wanneer iemand zijn dochter verkoopt als slavin, komt deze niet vrij zoals de mannelijke slaven.
Ex. 21,8 Bevalt zij niet aan haar meester die haar voor zich bestemd had, dan mag hij haar verkopen. Maar hij heeft niet het recht haar te verkopen aan buitenlanders, omdat hij haar niet meer wenst.
Ex. 21,9 Bestemt hij haar voor zijn zoon, dan moet hij haar de rechten van een dochter toekennen.
Ex. 21,10 Neemt hij er nog een vrouw bij, dan mag hij de eerste niet minder voedsel en kleding geven en ook de omgang met haar niet beperken.
Ex. 21,11 Doet hij haar in deze drie dingen tekort, dan mag zij weggaan zonder iets te vergoeden of te betalen.
Ex. 21,12 Wie iemand zo slaat dat hij sterft moet ter dood ge bracht worden.
Ex. 21,13 Maar deed hij het niet met opzet en was het God die zijn hand leidde, dan zal Ik u een plaats aanwijzen waarheen hij vluchten kan.
Ex. 21,14 Wie echter zijn naaste moedwillig aanvalt en hem ver moordt met voorbedachten rade, die moet gij zelfs van mijn altaar weghalen en ter dood brengen.
Ex. 21,15 Wie zijn vader of moeder slaat moet ter dood gebracht worden.
Ex. 21,16 Wie iemand ontvoert moet ter dood gebracht worden, zowel wanneer hij hem verkocht heeft als wanneer de ontvoerde nog in zijn bezit is.
Ex. 21,17 Wie zijn vader of moeder vervloekt moet ter dood ge bracht worden.
Ex. 21,18 Wanneer mannen met elkaar in twist raken en iemand slaat zijn tegenstander zo met een steen of met de vuist dat de man er niet aan sterft maar toch het bed moet houden, dan geldt het volgende.
Ex. 21,19 Komt die man weer op de been en kan hij met een stok buiten lopen, dan gaat degene die geslagen heeft vrijuit. Wel moet hij de gedwongen werkeloosheid vergoeden en zorgen dat de ander genezen kan.
Ex. 21,20 Wanneer iemand zijn slaaf of slavin zo met een stok slaat dat deze op slag sterft, dan moet hij gestraft worden.
Ex. 21,21 Blijft die persoon nog een of twee dagen in leven, dan behoeft er geen straf te volgen; hij is immers zijn eigendom.
Ex. 21,22 Wanneer mannen in een gevecht gewikkeld zijn en daarbij een zwangere vrouw raken zodat zij een miskraam krijgt, dan geldt het volgende. Blijft de vrouw in leven dan moet aan de schuldige een geldboete worden opgelegd, vastgesteld door haar echtgenoot; het gerecht moet toezien dat hij betaalt.
Ex. 21,23 Sterft zij echter, dan moet gij leven voor leven eisen.
Ex. 21,24 Een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet.
Ex. 21,25 Een brandplek voor een brandplek, een wond voor een wond, een striem voor een striem.
Ex. 21,26 Wanneer iemand zijn slaaf of slavin zo in het oog raakt dat deze er niet meer mee kan zien, dan moet hij hem of haar vrijlaten als schadeloosstelling voor dat oog.
Ex. 21,27 Als iemand zijn slaaf of slavin een tand uitslaat, dan moet hij hem of haar vrijlaten als schadeloosstelling voor die tand.
Ex. 21,28 Wanneer een stier een man of een vrouw zulke stoten toebrengt dat de dood volgt, dan moet die stier gestenigd worden en mag het vlees niet worden gegeten.
Ex. 21,29 Maar als de stier die een man of vrouw doodt tevoren reeds stotig was, terwijl de eigenaar dat wist en toch geen maatregelen nam, dan moet niet alleen de stier gestenigd maar ook de eigenaar ter dood gebracht worden.
Ex. 21,30 Wordt hem een afkoopsom opgelegd dan moet hij alles betalen wat van hem geŽist wordt: het is de losprijs voor zijn leven.
Ex. 21,31 Stoot de stier een jongen of een meisje, dan moet tegen de eigenaar volgens dezelfde regels worden opgetreden.
Ex. 21,32 Stoot de stier een slaaf of een slavin, dan moet de eigenaar aan de meester dertig zilveren sikkels betalen en moet de stier gestenigd worden.
Ex. 21,33 Iemand heeft een put opengelegd of een put gegraven en hij heeft verzuimd deze af te dekken. Valt er een stier of ezel in,
Ex. 21,34 dan moet de bezitter van de put de schade vergoeden en het geld aan de eigenaar van het dier uitkeren. Maar het dode dier is voor hem.
Ex. 21,35 Wanneer iemands stier die van een ander zo stoot dat deze er aan doodgaat, dan moeten ze de levende stier verkopen en de opbrengst delen. Ook de dode stier moeten ze verdelen.
Ex. 21,36 Maar als vaststaat dat de stier tevoren reeds stotig was terwijl de eigenaar geen maatregelen heeft getroffen, dan moet hij een andere stier als schadevergoeding geven. Het dode dier is dan echter voor hem.
Ex. 21,37 Wanneer iemand een stier of een schaap steelt en het dier dan slacht of verkoopt, dan moet hij voor een rund vijf runderen teruggeven en voor een schaap vier schapen.

Ex. 22,1 Als een dief bij inbraak betrapt en dan doodgeslagen wordt, dan is er geen bloedschuld.
Ex. 22,2 Maar gebeurt het wanneer de zon al opgegaan is, dan is er wel bloedschuld. Een dief moet alles teruggeven. Kan hij dat niet, dan moet hij zelf verkocht worden om het gestolene te vergoeden.
Ex. 22,3 Als het gestolene, rund, ezel of schaap, nog levend bij hem wordt gevonden, dan moet hij tweemaal het gestolene teruggeven.
Ex. 22,4 Als iemand zijn vee laat grazen op een stuk land of in een wijngaard en het zo laat lopen dat het ook op het land van iemand anders graast, dan moet hij de schade vergoeden met het beste van zijn eigen land en het beste van zijn eigen wijngaard.
Ex. 22,5 Als een vuur om zich heengrijpt, overspringt op doorn struiken en vervolgens een hoop garven, ongemaaid koren of een akker verbrandt, dan moet degene die het vuur heeft aangestoken de schade vergoeden.
Ex. 22,6 Iemand geeft bij een ander geld of sieraden in bewaring en het wordt uit het huis van die ander gestolen: wordt de dief gepakt, dan moet hij het dubbele teruggeven;
Ex. 22,7 wordt de dief niet gepakt, dan moet de heer des huizes voor God getuigen dat hij zijn hand niet heeft uitgestoken naar het eigendom van zijn naaste.
Ex. 22,8 Als iemand een rund, ezel of schaap, een kledingstuk of een gevonden voorwerp in zijn bezit heeft, en een ander betwist dat bezit en zegt: `Dat is van mij,' dan moet de zaak voor God gebracht worden. Wie door God in het ongelijk gesteld wordt moet aan de ander het dubbele teruggeven.
Ex. 22,9 Iemand geeft bij een ander een ezel, rund of schaap of enig ander dier in bewaring en het dier gaat dood, het breekt iets of wordt geroofd zonder dat iemand het ziet.
Ex. 22,10 Dan moet een eed voor Jahwe de beslissing brengen. Als de bewaarder zich niet vergrepen heeft aan het eigendom van de ander, dan neemt de eigenaar het zijne en hoeft de bewaarder niets te vergoeden.
Ex. 22,11 Werd het echter bij hem gestolen, dan moet hij de eigenaar schadeloos stellen.
Ex. 22,12 Werd het door een roofdier verscheurd, dan moet hij het dode dier als bewijs overleggen. Hij hoeft het dan niet te vergoeden.
Ex. 22,13 Wanneer iemand een dier leent en dit breekt iets of het zakt in elkaar terwijl de eigenaar er niet bij is, dan moet hij het volledig vergoeden.
Ex. 22,14 Is de eigenaar er bij, dan hoeft hij het niet te vergoeden. Is hij een loonarbeider dan behoudt hij zijn loon.
Ex. 22,15 Wanneer iemand een nog niet verloofd meisje verleidt en omgang met haar heeft, dan moet hij haar huwen en de bruidsprijs betalen.
Ex. 22,16 Weigert de vader haar aan hem af te staan, dan moet hij toch een bedrag betalen gelijk aan de bruidsprijs voor een maagd.
Ex. 22,17 Een tovenares moogt ge niet in leven laten.
Ex. 22,18 Ieder die geslachtelijke omgang heeft met een dier moet ter dood gebracht worden.
Ex. 22,19 Wie aan afgoden offert moet met de ban geslagen worden.
Ex. 22,20 Gij moet een vreemdeling niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken, want ge hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond.
Ex. 22,21 Weduwen en wezen zult ge geen onrecht aandoen.
Ex. 22,22 Als ge hun tekort doet en hun klagen tot Mij opstijgt, dan zal Ik gehoor geven aan hun klagen.
Ex. 22,23 Mijn toorn zal losbarsten en met het zwaard zal ik u doden: uw vrouwen worden weduwen, uw kinderen wezen.
Ex. 22,24 Als gij aan iemand van mijn volk geld leent, aan een noodlijdende in uw omgeving, gedraag u dan niet als een geld schieter. Ge moet geen rente van hem eisen.
Ex. 22,25 Als gij iemands mantel in pand neemt, dan moet ge die voor zonsondergang aan hem teruggeven.
Ex. 22,26 Hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken, het is de beschutting van zijn blote lichaam, hij moet er in slapen. Roept hij tot Mij om hulp, dan zal Ik hem verhoren, want Ik ben vol medelijden. en het eten van verscheurde dieren
Ex. 22,27 Gij zult God niet lasteren en de vorst van uw volk niet vervloeken.
Ex. 22,28 Wees niet traag met de eerstelingen van uw dorsvloer en uw nieuwe wijn. Uw eerstgeboren zonen moet ge Mij afstaan.
Ex. 22,29 Dit geldt ook voor uw runderen en uw kleinvee. De eerst geborene mag zeven dagen bij zijn moeder blijven, op de achtste dag moet ge hem aan Mij afstaan.
Ex. 22,30 Gij moet Mij toegeheiligd zijn. Eet daarom geen vlees van een verscheurd dier dat ge ergens buiten aantreft. Laat dat maar liggen voor de honden.

Ex. 23,1 Laat u niet leiden door loze geruchten en kom geen schuldige te hulp door te getuigen ten gunste van onrecht.
Ex. 23,2 Al zijn degenen die kwaad willen talrijk, gij zult u niet bij hen aansluiten. Bij een rechtsgeding moogt ge uw verklaring niet laten beÔnvloeden door de meerderheid en zo het recht verkrachten.
Ex. 23,3 Bij een rechtsgeding moogt ge een onaanzienlijke niet voortrekken.
Ex. 23,4 Als gij een weggelopen rund of ezel van uw vijand tegen komt, moet ge het dier bij hem terugbrengen.
Ex. 23,5 Ziet ge de ezel van iemand met wie ge in onmin leeft in elkaar zakken, dan zult gij hem niet aan zijn lot overlaten; ge moet hem de helpende hand bieden.
Ex. 23,6 Wanneer een arme in het geding is, moogt gij het recht niet verkrachten.
Ex. 23,7 Houd u ver van kwade zaken. Breng iemand die geen schuld heeft en in zijn recht staat, niet ter dood: wie zich aan zoiets schuldig maakt, laat ik niet vrijuit gaan.
Ex. 23,8 Gij zult geen geschenken aannemen, want geschenken maken de zienden blind en de rechtvaardigen tot leugenaar.
Ex. 23,9 Gij moet vreemdelingen niet slecht behandelen. Gij weet immers hoe een vreemdeling zich voelt, omdat ge zelf als vreemdeling in Egypte gewoond hebt.
Ex. 23,10 Gedurende zes jaar kunt gij uw land bewerken en de opbrengst oogsten.
Ex. 23,11 Maar tijdens het zevende jaar moet gij het niet bewerken en het braak laten liggen. Dan kunnen de behoeftigen van uw volk er van eten. Wat zij overlaten is voor de dieren die in het wild leven. Hetzelfde geldt ook voor uw wijngaard en uw olijftuin.
Ex. 23,12 Zes dagen kunt gij werken, maar op de zevende dag moet ge uw werk laten liggen. Dan kunnen ook uw rund en uw ezel rusten, en kunnen de zoon van uw slavin en de vreemdeling op adem komen.
Ex. 23,13 Hoed u voor alles waarvoor Ik u gewaarschuwd heb. De naam van vreemde goden moet gij niet uitspreken, ze mogen in uw mond niet gehoord worden.
Ex. 23,14 Drie maal per jaar moet gij ter ere van Mij feestvieren.
Ex. 23,15 Gij moet het feest van de ongezuurde broden vieren; zeven dagen lang moet ge ongezuurd brood eten, zoals Ik u heb bevolen, en wel op de voorgeschreven dagen van de maand Abib, want in die maand zijt gij uit Egypte weggetrokken. En ge moet niet met lege handen bij Mij komen.
Ex. 23,16 Verder nog het feest van de oogst, als de eerstelingen van wat gij gezaaid hebt van het land komen. Tenslotte het oogstfeest, op het einde van het jaar, wanneer gij de opbrengst van uw arbeid van het land haalt.
Ex. 23,17 Drie maal per jaar moeten al uw mannen verschijnen bij Jahwe de Heer.
Ex. 23,18 Gij zult het bloed van een offerdier niet samen offeren met ongezuurd brood. Van de feestoffers mag geen vet overblijven tot de volgende morgen.
Ex. 23,19 Het beste van de eerste vruchten van uw land moet gij naar het huis van Jahwe brengen. Een geitje zult gij niet koken in de melk van zijn moeder.
Ex. 23,20 Zie, Ik zend mijn engel voor u uit om u onderweg te beschermen en u te brengen naar de plaats die Ik heb vastgesteld.
Ex. 23,21 Heb aandacht voor hem en luister naar zijn woord. Kom niet tegen hem in opstand, want hij zou uw verzet niet vergeven. In hem immers is mijn naam tegenwoordig.
Ex. 23,22 Als gij gehoorzaamt aan zijn woord en doet wat Ik u zeg, dan ben Ik de vijand van uw vijanden, de verdrukker van uw verdrukkers.
Ex. 23,23 Mijn engel zal voor u uitgaan en u brengen naar de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Kanašnieten, de Chiwwieten en de Jebusieten: Ik zal hen verdelgen.
Ex. 23,24 Gij moogt u voor hun goden niet neerbuigen en hen niet vereren. Gij moet niet meedoen met die volken; gij moet ze uitroeien en hun wijstenen stukslaan.
Ex. 23,25 Jahwe uw God moet gij vereren; dan zal Hij uw brood en water zegenen en ziekte ver van u houden.
Ex. 23,26 Geen vrouw in uw land zal een miskraam hebben of onvruchtbaar zijn. Ik zal het getal van uw dagen vol maken.
Ex. 23,27 Vrees voor Mij zal Ik voor u doen uitgaan. Alle volken die gij aantreft zal Ik in paniek brengen, al uw vijanden laat Ik voor u op de vlucht slaan.
Ex. 23,28 Ik zend verslagenheid voor u uit. Die zal de Chiwwieten, de Kanašnieten en de Hethieten voor u verjagen.
Ex. 23,29 Maar Ik verjaag ze niet in een jaar, anders zou het land een woestenij worden en de wilde dieren zouden zich tot uw schade vermenigvuldigen.
Ex. 23,30 Maar Ik verjaag ze geleidelijk aan, tot gij u zo vermenigvuldigd hebt dat ge het land kunt bezetten.
Ex. 23,31 Ik geef u een grondgebied. van de Rietzee tot aan de Filistijnenzee, van de woestijn tot aan de Rivier. Want Ik zal de bewoners van het land aan uw macht onderwerpen en ze voor u verjagen.
Ex. 23,32 Met hen of met hun goden moet gij geen verbond sluiten.
Ex. 23,33 Zij mogen niet in uw land blijven wonen. Ze zouden u er toe brengen tegen Mij te zondigen. Ge zoudt hun goden vereren en dat zou uw ongeluk betekenen.

Ex. 24,1 Toen sprak Hij tot Mozes: `Ga naar boven naar Jahwe, samen met Aaron, met Nadab en Abihu en zeventig oudsten van IsraŽl, en kniel op een afstand neer.
Ex. 24,2 Mozes alleen mag Jahwe naderen, maar de anderen mogen niet naderbij komen, terwijl het volk niet eens met hem naar boven mag gaan.'
Ex. 24,3 Mozes kwam terug en stelde het volk in kennis van alle woorden en bepalingen van Jahwe. Eenstemmig betuigde het volk: `Alle woorden die Jahwe tot ons gesproken heeft zullen wij onder houden.'
Ex. 24,4 Daarop stelde Mozes alle woorden van Jahwe op schrift. De volgende morgen bouwde hij aan de voet van de berg een altaar en stelde twaalf wijstenen op, naar de twaalf stammen van IsraŽl.
Ex. 24,5 Toen gaf hij jonge IsraŽlieten de opdracht, stieren op te dragen als brand - en slachtoffers voor Jahwe.
Ex. 24,6 Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in schalen, terwijl hij de andere helft uitgoot over het altaar.
Ex. 24,7 Toen nam hij het verbondsboek en las dit voor aan het volk. En zij verzekerden: `Alles wat Jahwe zegt zullen wij doen en ter harte nemen.'
Ex. 24,8 Vervolgens nam Mozes het bloed, sprenkelde dat over het volk en sprak: `Dit is het bloed van het verbond dat Jahwe, op grond van al deze woorden, met u sluit.'
Ex. 24,9 Mozes besteeg de berg samen met Aaron, Nadab en Abihu en zeventig oudsten van IsraŽl.
Ex. 24,10 En zij aanschouwden de God van IsraŽl. Onder zijn voeten was een soort platform van saffier, helder als het hemelgewelf.
Ex. 24,11 Zijn hand kwam niet neer op de voorname IsraŽlieten: zij mochten God aanschouwen. Toen aten zij en dronken zij.
Ex. 24,12 Jahwe sprak tot Mozes: `Kom tot Mij op de berg en blijf daar wachten. Ik zal u de stenen platen ter hand stellen, de wetten en bepalingen die Ik op schrift gesteld heb om ze hen in te prenten.'
Ex. 24,13 Mozes begaf zich op weg, samen met zijn dienaar Jozua, en hij besteeg de berg van God.
Ex. 24,14 Tot de oudsten zei hij: `Blijf hier op ons wachten tot wij bij u terugkomen. Ašron en Chur blijven bij u; wie een rechtszaak heeft kan zich tot hen wenden.'
Ex. 24,15 Mozes besteeg de berg en de wolk overdekte de berg.
Ex. 24,16 De heerlijkheid van Jahwe rustte op de SinaÔ en de wolk bedekte de berg, zes dagen lang. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit de wolk.
Ex. 24,17 De heerlijkheid van Jahwe leek voor de IsraŽlieten op een verterend vuur, boven op de berg.
Ex. 24,18 Mozes trad de wolk binnen en besteeg de top. Hij bleef op de berg gedurende veertig dagen en veertig nachten.

Ex. 25,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes:
Ex. 25,2 `Zeg aan de IsraŽlieten dat zij een bijdrage aan Mij moeten afstaan; van iedereen die daartoe bereid is moet gij voor Mij een bijdrage in ontvangst nemen.
Ex. 25,3 Het volgende kunt gij van hen in ontvangst nemen: goud, zilver en brons,
Ex. 25,4 paarse, karmijnrode en scharlaken wol, linnen, kleden van geitenhaar,
Ex. 25,5 gelooide ramsvellen, fijn leer en acaciahout;
Ex. 25,6 ook olie voor de verlichting, geurige kruiden voor de bereiding van zalfolie en welriekende wierook;
Ex. 25,7 kornalijn en edelstenen voor de efod en de orakeltas.
Ex. 25,8 Dan kunnen zij voor Mij een heiligdom bouwen en zal Ik in hun midden wonen.
Ex. 25,9 Bij de woning en de hele inventaris moet gij u zorgvuldig houden aan het model dat Ik u tonen zal.
Ex. 25,10 Ge moet een ark maken van acaciahout, twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog.
Ex. 25,11 Overtrek haar van binnen en van buiten met zuiver goud, en breng rondom een gouden lijst aan.
Ex. 25,12 Giet voor de ark vier gouden ringen en bevestig die aan de vier poten, twee aan elke kant.
Ex. 25,13 Maak ook draagstokken van acaciahout en overtrek die met goud.
Ex. 25,14 Steek ze dan in de ringen aan de zijkanten van de ark, om die zo te kunnen dragen.
Ex. 25,15 De draagstokken moeten in de ringen van de ark blijven; ze mogen er niet uitgenomen worden.
Ex. 25,16 in de ark moet ge de verbondsakte neerleggen die Ik u zal geven.
Ex. 25,17 Gij moet ook een dekplaat maken van zuiver goud, twee en een halve el lang, anderhalve el breed.
Ex. 25,18 Maak ook twee kerubs, in goud gedreven, aan de beide uiteinden van de dekplaat,
Ex. 25,19 een kerub aan het ene uiteinde en een aan het andere, in relief.
Ex. 25,20 De vleugels van de kerubs moeten naar boven uitgestrekt zijn, zodat zij de dekplaat overhuiven. De kerubs moeten met hun gezicht naar elkaar toe gekeerd staan, hun gezicht moet op de dekplaat gericht zijn.
Ex. 25,21 Gij moet de dekplaat boven op de ark plaatsen en in de ark de verbondsakte neerleggen die Ik u geven zal.
Ex. 25,22 Daar zal Ik tot u komen, boven de dekplaat; vanaf de plaats tussen de beide kerubs die op de ark met de verbondsakte staan zal Ik u alle opdrachten voor de IsraŽlieten mededelen.
Ex. 25,23 Maak een tafel van acaciahout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog.
Ex. 25,24 Overtrek die met zuiver goud en maak er een gouden lijst omheen.
Ex. 25,25 Leg er een gouden band om, van een handbreed, en zet die af met een gouden lijst.
Ex. 25,26 Maak vier gouden ringen en bevestig die aan de vier hoeken, bij de poten.
Ex. 25,27 Deze ringen, bestemd voor de draagstokken waarmee de tafel gedragen wordt, moeten dicht bij de band zitten.
Ex. 25,28 De draagstokken moet ge maken van acaciahout en over trekken met goud. Daar moet ge de tafel mee dragen.
Ex. 25,29 Maak ook de schotels, de schalen, de kannen en kommen, die nodig zijn voor de plengoffers. Ze moeten van zuiver goud zijn.
Ex. 25,30 Zet op die tafel het toonbrood zodat Ik het altijd kan zien.
Ex. 25,31 Gij moet ook een luchter maken, van zuiver goud. De luchter, met voetstuk en schacht, moet drijfwerk zijn waarin kelken met knoppen en bloemen zijn aangebracht.
Ex. 25,32 Zes armen moeten van opzij uit de schacht omhoog gaan, drie aan elke kant.
Ex. 25,33 In de eerste arm moeten drie amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven worden. Op dezelfde wijze moeten alle zes armen van de luchter worden bewerkt.
Ex. 25,34 In de luchter zelf moeten vier amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven worden:
Ex. 25,35 een knop onder het eerste paar armen, een onder het tweede en een onder het derde paar van de zes armen van de luchter.
Ex. 25,36 De knoppen en armen vormen een geheel met de luchter: een stuk drijfwerk van zuiver goud.
Ex. 25,37 Maak er lampen voor, en plaats die zo dat het licht aan de voorkant valt.
Ex. 25,38 De snuiters en bakjes moeten eveneens van zuiver goud zijn.
Ex. 25,39 Voor de luchter met toebehoren moet ge een talent zuiver goud gebruiken.
Ex. 25,40 Zorg er voor dat ge u precies houdt aan het model dat u op de berg is getoond.

Ex. 26,1 De woning moet ge maken van tien banen getwijnd linnen en van paarse, karmijnrode en scharlaken wol. Daarop moet een vakman kerubs borduren.
Ex. 26,2 De lengte van een baan moet achtentwintig el bedragen, de breedte vier el. Alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben,
Ex. 26,3 en zij moeten vijf aan vijf worden samengevoegd.
Ex. 26,4 Maak vervolgens paarse lussen aan de rand van de buitenste baan van beide stukken,
Ex. 26,5 zodat de lussen precies tegenover elkaar zitten.
Ex. 26,6 Maak ook vijftig gouden haken en bevestig de banen met deze haken aan elkaar, zodat de woning een geheel wordt.
Ex. 26,7 Voor de tent over de woning moet ge banen vervaardigen van geitenhaar. Elf van zulke banen moet ge maken.
Ex. 26,8 De lengte van een baan moet dertig el bedragen, de breedte vier el. Alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben.
Ex. 26,9 Hecht vijf banen aan elkaar, de overige zes eveneens. De zesde baan moet ge over de voorkant van de tent omslaan.
Ex. 26,10 Maak vijftig lussen aan de rand van de buitenste baan van de beide stukken.
Ex. 26,11 Maak ook vijftig koperen haken, doe ze in de lussen en voeg zo de beide tentdelen samen tot een geheel.
Ex. 26,12 Wat het overschietende deel van de tentbanen betreft: de helft moet ge aan de achterkant van de woning laten afhangen.
Ex. 26,13 De el die aan de lange kanten van de tentbanen over schiet moet ge aan beide kanten van de woning laten afhangen om die af te dekken.
Ex. 26,14 Maak voor de tent ook nog een dak van gelooide ramsvellen en daaroverheen nog een dak van fijn leer.
Ex. 26,15 Gij moet voor de woning rechtopstaande schotten van acaciahout maken.
Ex. 26,16 Ieder schot moet tien el lang zijn en anderhalve el breed.
Ex. 26,17 Aan ieder schot van de woning moeten ter verbinding twee tappen zitten.
Ex. 26,18 Voor de zuidkant van de woning moet gij twintig schotten maken.
Ex. 26,19 Onder de twintig schotten moet gij veertig zilveren voetstukken maken, twee voor elk schot, waar de beide tappen in passen.
Ex. 26,20 Voor de andere kant van de woning, dus de noordzijde, ook twintig schotten,
Ex. 26,21 met bijbehorende zilveren voetstukken, twee voor elk schot.
Ex. 26,22 Voor de achterkant van de woning, de westzijde, zes schotten.
Ex. 26,23 Maak ook twee schotten voor de hoeken aan de achterkant van de woning.
Ex. 26,24 Deze moeten uit twee haaks op elkaar geplaatste delen bestaan; zij lopen van beneden tot bij de eerste ring. Ze zijn bestemd voor de beide hoeken.
Ex. 26,25 Er moeten dus acht schotten zijn en zestien bijbehorende zilveren voetstukken, telkens twee voor een schot.
Ex. 26,26 Maak ook verbindingsbalken van acaciahout: vijf voor de schotten van acaciahout: vijf voor de schotten aan de beide zijkanten van de woning,
Ex. 26,27 en vijf voor de achterkant, de westzijde, van de woning.
Ex. 26,28 De middelste balk moet, van de ene naar de andere kant, midden over de schotten lopen.
Ex. 26,29 Overtrek de schotten met oud, maak voor de balken gouden ringen en overtrek ook de balken met goud.
Ex. 26,30 Gij moet de woning maken volgens het model dat u op de berg is getoond.
Ex. 26,31 Gij moet ook een voorhangsel vervaardigen, van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Daarop moet een vakman kerubs borduren.
Ex. 26,32 Maak het met gouden haken vast aan vier kolommen van acaciahout die met goud overtrokken zijn en rusten op zilveren voetstukken.
Ex. 26,33 Maak het voorhangsel vast met de haken. Daar, achter het voorhangsel, moet ge de ark met de verbondsakte plaatsen. Het voorhangsel vormt de afscheiding tussen het heilige en het allerheiligste.
Ex. 26,34 Leg de dekplaat op de ark met de verbondsakte in het allerheiligste.
Ex. 26,35 De tafel moet ge voor het voorhangsel plaatsen, en de luchter tegenover de tafel; de luchter aan de zuidzijde van de woning, de tafel aan de noordzijde.
Ex. 26,36 Voor de ingang van de tent moet ge een tapijt laten maken van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen, rijk geborduurd.
Ex. 26,37 Voor dit tapijt moet ge vijf kolommen van acaciahout maken, deze overtrekken met goud en voorzien van gouden haken. Ge moet hiervoor vijf bronzen voetstukken gieten.

Ex. 27,1 Het altaar moet gij maken van acaciahout. Het moet vijf el lang en vijf el breed zijn - dus vierkant - en drie el hoog.
Ex. 27,2 Op de vier hoeken moet ge horens aanbrengen die er een geheel mee vormen. Ge moet het bekleden met brons.
Ex. 27,3 Maak er bakken voor de as bij, scheppen, schalen, vorken en vuurpannen. Al deze benodigdheden moeten van brons zijn.
Ex. 27,4 Om het altaar moet ge als afrastering een bronzen hek aanbrengen, en op de vier hoeken van dit hek vier bronzen ringen.
Ex. 27,5 Dit hek moet ge om de benedenrand van het altaar plaatsen en tot halverwege het altaar laten reiken.
Ex. 27,6 Maak voor het altaar ook draagstokken van acaciahout en overtrek die met brons.
Ex. 27,7 Om het altaar op te tillen steekt men de stokken in de ringen aan weerszijden van het altaar.
Ex. 27,8 Maak het altaar van planken en laat het van binnen hol. Ge moet het maken volgens het model dat u op de berg is getoond.
Ex. 27,9 Dan moet ge voor de woning nog een voorhof maken. De kleden voor de eerste zijde van de voorhof, de zuidkant, moeten van getwijnd linnen zijn en honderd el lang.
Ex. 27,10 De twintig bijbehorende palen en voetstukken moeten van brons zijn, de haken aan de palen en de stangen van zilver.
Ex. 27,11 Ook voor de noordkant zijn kleden nodig over een lengte van honderd el, twintig palen en voetstukken van brons, alsmede haken en stangen van zilver.
Ex. 27,12 Voor de korte zijde van de voorhof, de westkant, zijn kleden nodig over een lengte van vijftig el, en tien palen en voetstukken.
Ex. 27,13 Ook de korte zijde van de voorhof aan de oostkant is vijftig el lang.
Ex. 27,14 Daar moeten aan de ene kant kleden komen over een lengte van vijftien el, met drie bijbehorende palen en voetstukken.
Ex. 27,15 Ook aan de andere kant kleden over een lengte van vijf tien el, met drie bijbehorende palen en voetstukken.
Ex. 27,16 Aan de ingang van de voorhof komt een twintig el metend voorhangsel van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en getwijnd linnen, rijk geborduurd, alsmede vier palen en voetstukken.
Ex. 27,17 Aan alle palen van de voorhof moeten zilveren stangen en haken zitten, de voetstukken moeten van brons zijn.
Ex. 27,18 De voorhof moet honderd el lang zijn, vijftig el breed, vijf el hoog. De kleden moeten van getwijnd linnen zijn, de voetstukken van brons.
Ex. 27,19 De benodigdheden voor de woning, welke bestemming ze ook hebben, ook de tentpinnen en de tentpinnen van de voorhof, moeten van brons zijn.
Ex. 27,20 Geef de IsraŽlieten opdracht, u zuivere olie, uit gestoten olijven, voor de verlichting te brengen, zodat er altijd een lamp kan branden.
Ex. 27,21 Ašron en zijn zonen moeten deze van de avond tot de morgen voor Jahwe brandend houden in de tent van samenkomst, buiten het voorhangsel waarachter de verbondsakte ligt. Dit is een blijvende verplichting voor de IsraŽlieten, al hun geslachten door.

Ex. 28,1 Uit de IsraŽlieten moet gij uw broer Ašron en zijn zonen bij u ontbieden; Ašron en zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar moeten Mij als priester dienen.
Ex. 28,2 Gij moet voor uw broer Ašron heilige gewaden vervaardigen die hem waardigheid en luister verlenen.
Ex. 28,3 Geef aan bekwame vaklieden aan wie Ik kundigheid geschonken heb, de opdracht de gewaden voor Ašron te vervaardigen: dan kan hij gewijd worden en Mij als priester dienen.
Ex. 28,4 De volgende gewaden moeten zij vervaardigen: een orakel tas, een efod, een mantel, een bewerkte tuniek, een hoofddeksel en een gordel. Zij moeten voor Ašron en zijn zonen heilige gewaden vervaardigen, want zij moeten Mij als priester dienen.
Ex. 28,5 Zij moeten goud gebruiken, paarse, karmijnrode, en schar laken wol, en linnen.
Ex. 28,6 De efod moet door een kunstenaar gemaakt worden van goud, paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen.
Ex. 28,7 Aan de beide uiteinden moeten schouderbanden zitten om hem vast te maken.
Ex. 28,8 Van dezelfde stoffen moet de gordel gemaakt worden die er een geheel mee vormt.
Ex. 28,9 Vervolgens moet ge op twee kornalijnstenen de namen van de zonen van IsraŽl graveren,
Ex. 28,10 zes namen op de ene steen en zes op de andere, naar de volgorde van hun geboorte.
Ex. 28,11 Gij moet de namen van de zonen van IsraŽl in de twee stenen graveren, zoals men zegels snijdt, en de stenen vervolgens in gouden zettingen vatten.
Ex. 28,12 Bevestig dan de beide stenen aan de schouderbanden van de efod: zij herinneren Jahwe aan de IsraŽlieten, door Ašron hun namen voor Jahwe op zijn schouderbanden draagt.
Ex. 28,13 De zettingen moeten van goud zijn.
Ex. 28,14 Ge moet ook twee kettinkjes maken van zuiver goud, in de vorm van gevlochten snoeren, en die aan de zettingen bevestigen.
Ex. 28,15 Laat een kunstenaar een orakeltas vervaardigen; evenals de efod moet deze gemaakt worden van goud, van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen.
Ex. 28,16 Ze moet vierkant zijn, een span lang en een span breed, en uit twee stukken bestaan.
Ex. 28,17 Gij moet ze bezetten met vier rijen edelstenen: een robijn, een topaas en een smaragd vormen de eerste rij,
Ex. 28,18 een karbonkel, een saffier en een jaspis de tweede,
Ex. 28,19 een hyacint, een agaat en een ametist de derde,
Ex. 28,20 een chrysoliet, een kornalijn en een onyx de vierde rij. Ze moeten in gouden kettingen gevat zijn.
Ex. 28,21 Er moeten twaalf stenen zijn, zoals er twaalf namen zijn van de zonen van IsraŽl. Op iedere steen moet de naam van een van de twaalf stammen gegraveerd worden, zoals men zegels snijdt.
Ex. 28,22 Maak voor de orakeltas kettinkjes van zuiver goud, in de vorm van gevlochten snoeren,
Ex. 28,23 en ook twee gouden ringen, die ge moet bevestigen aan de beide uiteinden van de orakeltas.
Ex. 28,24 De twee gouden snoeren moet ge aan deze ringen vastmaken.
Ex. 28,25 Het andere uiteinde van de snoeren moet ge vastmaken aan de twee zettingen en van voren aan de schouderbanden van de efod bevestigen.
Ex. 28,26 Dan moet ge nog twee gouden ringen maken en deze bevestigen aan de uiteinden van de orakeltas, aan de binnenkant, tegen de efod aan.
Ex. 28,27 Twee andere gouden ringen moet ge onder aan de voorkant van de beide schouderbanden van de efod bevestigen, vlak bij de band boven de gordel.
Ex. 28,28 Dan moet ge een paars koord door de ringen van de orakeltas en die van de efod halen en de orakeltas zo aan de gordel van de efod binden dat ze er vast tegenaan zit.
Ex. 28,29 Wanneer Ašron het heiligdom binnengaat moet hij op de orakeltas de namen van IsraŽls zonen dragen om Jahwe voortdurend aan hen te herinneren.
Ex. 28,30 Doe in de orakeltas de oerim en de toemmim, zodat Ašron ze op zijn hart draagt in Jahwe's tegenwoordigheid. In Jahwe's tegenwoordigheid moet Ašron het orakel van IsraŽl altijd op zijn hart dragen.
Ex. 28,31 De efodmantel moet geheel gemaakt zijn van paarse wol.
Ex. 28,32 In het midden moet een opening zijn om het hoofd door te staken, met een geweven rand als bij een wapenrok, om inscheuren te voorkomen.
Ex. 28,33 Aan de hele zoom moet ge granaatappels bevestigen van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en tussen die granaatappels gouden klokjes,
Ex. 28,34 om en om.
Ex. 28,35 Ašron moet deze mantel dragen als hij dienst doet, zodat men hem hoort wanneer hij het heiligdom binnengaat om voor Jahwe te verschijnen en Hem ook weer naar buiten hoort komen. Dan zal hij niet sterven.
Ex. 28,36 Maak ook een bloem van zuiver goud en graveer daarin als in een zegel de woorden: Jahwe gewijd.
Ex. 28,37 Maak ze met een paars koord vast op de voorzijde van het hoofddeksel.
Ex. 28,38 Doordat Ašron ze op zijn voorhoofd draagt zal hij de ongerechtigheden wegnemen die de gewijde gaven van de IsraŽlieten zouden kunnen aankleven. Hij moet de bloem steeds op zijn voor hoofd dragen, dan zullen ze bij Jahwe welgevallig zijn.
Ex. 28,39 Weef een tuniek en een hoofddeksel, beide van linnen, en maak een rijk geborduurde gordel.
Ex. 28,40 Voor de zonen van Ašron moet ge tunieken, gordels en hoofddeksels maken die hun luister en heerlijkheid schenken.
Ex. 28,41 Hiermee moet ge uw broer Ašron en zijn zonen bekleden; ge moet hen zalven, macht verlenen en wijden om Mij als priester te dienen.
Ex. 28,42 Maak voor hen ook lendenschorten van linnen om hun naaktheid te bedekken. Ze moeten reiken van de heupen tot de dijen.
Ex. 28,43 Ašron en zijn zonen moeten ze dragen als ze de tent van de samenkomst binnengaan of het altaar naderen om in het heilig dom dienst te doen. Dan lopen ze geen straf op en zullen ze niet sterven. Dit is een blijvend voorschrift voor hem en zijn nakomelingen.

Ex. 29,1 Om hen tot priester te wijden moet gij het volgende met hen doen. Neem een jonge stier en twee gave rammen,
Ex. 29,2 broden, met olie aangemaakte koeken en ronde koeken, met olie bestreken: alles ongezuurd en gebakken van tarwebloem.
Ex. 29,3 Ge neemt die mee in een mand, ook de stier en de beide rammen voert ge mee.
Ex. 29,4 Dan ontbiedt ge Ašron met zijn zonen bij de ingang van de tent der samenkomst en reinigt hen met water.
Ex. 29,5 Dan bekleedt ge Ašron met de gewaden: met de tuniek, de efodmantel, de efod en de orakeltas; ge doet hem de gordel van de efod om,
Ex. 29,6 zet hem het hoofddeksel op en bevestigt daarop de gewijde bloem.
Ex. 29,7 Vervolgens giet ge over zijn hoofd zalfolie uit om hem te zalven.
Ex. 29,8 Dan ontbiedt ge zijn zonen en bekleedt hen met de tunieken.
Ex. 29,9 Ge doet Ašron en zijn zonen de gordel om en zet ze het hoofddeksel op. Zo zullen zij rechtens voor altijd het priester schap bezitten dat gij hun verleend hebt.
Ex. 29,10 Vervolgens laat gij de stier voor de tent van de samen komst brengen en leggen Ašron en zijn zonen hun handen op de kop van het dier.
Ex. 29,11 Dan slacht gij de stier voor Jahwe, bij de ingang van de tent der samenkomst.
Ex. 29,12 Met uw vingers doet gij wat bloed aan de horens van het altaar, de rest van het bloed giet gij aan de voet van het altaar uit.
Ex. 29,13 Ge doet het vet dat om de ingewanden zit, de leverkwab en de nieren met het vet eraan op het altaar in rook opgaan.
Ex. 29,14 Maar het vlees van de stier, de huid en de ingewanden verbrandt gij buiten het kamp; het is immers een zondeoffer.
Ex. 29,15 Daarna neemt ge een van de rammen en Ašron en zijn zonen leggen hun handen op de kop van het dier.
Ex. 29,16 Gij slacht de ram, vangt het bloed op en sprenkelt dat rondom op het altaar.
Ex. 29,17 Ge snijdt de ram in stukken, wast de ingewanden en de poten en legt deze bij de andere stukken en de kop.
Ex. 29,18 Dan doet ge heel de ram op het altaar in rook opgaan: het is een brandoffer voor Jahwe, een geurige gave die hem behaagt.
Ex. 29,19 Dan neemt ge de tweede ram, en Ašron en zijn zonen leggen weer hun handen op de kop van het dier.
Ex. 29,20 Ge slacht de ram en doet wat bloed op de rechteroorlel van Aaron, de rechteroorlel van zijn zonen, op de duim van hun rechterhand en op de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed sprenkelt ge rondom op het altaar.
Ex. 29,21 Dan neemt ge bloed van het altaar en zalfolie en besprenkelt daarmee Ašron en ook zijn zonen en hun gewaden. Zo zullen ze gewijd zijn.
Ex. 29,22 Vervolgens neemt ge het vet van de ram, de wijdingsram, de staartkwab en het vet om de ingewanden, de leverkwabben, de nieren met het vet eraan en de rechterschenkel.
Ex. 29,23 Uit de mand met ongezuurd brood die voor Jahwe staat neemt ge nog een plat brood, een met olie aangemaakte koek en een ronde koek.
Ex. 29,24 Dit alles geeft ge aan Ašron en zijn zonen om het staande voor Jahwe als gewijd aandeel af te zonderen.
Ex. 29,25 Dan neemt ge het weer uit hun handen en doet het op het altaar in rook opgaan; het is een brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Ex. 29,26 Daarop zondert gij, staande voor Jahwe, het borststuk van de ram voor de wijding van Ašron als gewijd aandeel af voor uzelf. Dit is uw deel van het offer.
Ex. 29,27 Het borststuk van de ram en de schenkel moet gij apart houden.
Ex. 29,28 Dit is het deel dat de IsraŽlieten aan Ašron en zijn zonen moeten afstaan, het is het gewijd aandeel van de slachtoffers van de IsraŽlieten, dat voor Jahwe is afgezonderd.
Ex. 29,29 De heilige gewaden van Ašron zullen overgaan op zijn zonen; daarmee bekleed zullen zij gezalfd worden en de priesterlijke macht ontvangen.
Ex. 29,30 De zoon die hem opvolgt en de tent van de samenkomst binnentreedt om dienst te doen in het heiligdom moet ze zeven dagen dragen.
Ex. 29,31 Tenslotte kookt ge het vlees van het wijdingsram op een heilige plaats.
Ex. 29,32 Ašron en zijn zonen nuttigen dat vlees en het brood uit de mand bij de ingang van de tent der samenkomst.
Ex. 29,33 Maar alleen zij mogen het eten aan wie er de ritus der verzoening mee is voltrokken, toen zij macht ontvingen en gezalfd werden. Onbevoegden mogen er niet van eten, omdat het gewijd is.
Ex. 29,34 Is er de volgende van het wijdingsvlees of van het brood nog iets over, dan moet ge dat verbranden. Men mag er niet meer van eten omdat het gewijd is.
Ex. 29,35 Zo moet ge aan Ašron en zijn zonen nauwkeurig alles voltrekken wat Ik u heb opgedragen. De priesterwijding moet zeven dagen duren.
Ex. 29,36 Iedere dag moet ge een stier offeren om verzoening te bewerken. Het altaar moet ge reinigen door een verzoeningsplechtigheid en wijden door zalving.
Ex. 29,37 Deze verzoeningsplechtigheid en de wijding moet ge zeven dagen herhalen. Zo wordt het altaar hoogheilig. Alles wat er mee in aanraking komt is gewijd.
Ex. 29,38 De volgende offers moet ge op het altaar opdragen: elke dag twee eenjarige lammeren,
Ex. 29,39 het een's morgens, het ander tegen de avond.
Ex. 29,40 Bij het eerste lam hoort een tiende issaron bloem, aangemaakt met een kwart hin gestoten olie en een plengoffer van een kwart hin wijn.
Ex. 29,41 Het tweede lam moet ge offeren tegen de avond, met hetzelfde meel - en plengoffer als's morgens. Het is een geurige gave die Jahwe behaagt,
Ex. 29,42 het dagelijks brandoffer voor Jahwe, dat al uw geslachten door wordt opgedragen aan de ingang van de tent der samen komst, waar Ik tot u kom en met u spreek.
Ex. 29,43 Daar kom Ik tot de IsraŽlieten, die plaats is heilig door mijn heerlijkheid.
Ex. 29,44 Ik heilig de tent van de samenkomst en het altaar, en Ašron en zijn zonen zal Ik heiligen om mijn priesters te zijn.
Ex. 29,45 Ik zal wonen onder de IsraŽlieten en hun God zijn.
Ex. 29,46 Dan zullen zij weten dat Ik Jahwe ben, de God, die hen uit Egypte heeft geleid om onder hen te wonen. Ik, Jahwe hun God.

Ex. 30,1 Maak ook een altaar van acaciahout, voor het branden van reukwerk,
Ex. 30,2 een el lang, een el breed - vierkant dus - en twee el hoog. De horens moeten er een geheel mee vormen.
Ex. 30,3 Ge moet het overtrekken met zuiver goud: de bovenkant, de zijvlakken en de horens, en er een gouden lijst omheen maken.
Ex. 30,4 Ge moet aan beide zijden onder de lijst twee gouden ringen maken die bestemd zijn voor de draagstokken waarmee men het altaar optilt.
Ex. 30,5 De draagstokken moet gij maken van acaciahout en over trekken met goud.
Ex. 30,6 Het altaar moet staan tegen het voorhangsel waarachter de ark met de verbondsakte zich bevindt, voor de dekplaat waar Ik tot u kom.
Ex. 30,7 Ašron moet er welriekende wierook op branden, iedere morgen als hij de lampen in orde brengt,
Ex. 30,8 en tegen de avond als hij de lampen aansteekt. Dit is het dagelijks reukoffer voor Jahwe.
Ex. 30,9 Ge moogt op dit altaar geen profaan reukwerk offeren en evenmin brand - of meeloffers. Ook plengoffers moogt ge er niet over uitgieten.
Ex. 30,10 Aan de horens moet Ašron eens per jaar de verzoening voltrekken. Hij moet dat eenmaal per jaar doen, al uw geslachten door, met het bloed van het zondeoffer. Zo is het altaar hooghei lig voor Jahwe.'
Ex. 30,11 Jahwe sprak tot Mozes:
Ex. 30,12 `Als gij de IsraŽlieten registreert en hun aantal opneemt moet ieder van hen bij de registratie aan Jahwe een losgeld betalen voor zijn leven. Dan zal de registratie hun niet noodlottig worden.
Ex. 30,13 Ieder die geregistreerd wordt moet een halve sikkel betalen, in heilige munt, twintig gera's de sikkel.
Ex. 30,14 Alle mannen van twintig jaar en ouder moeten zich laten inschrijven en de bijdrage voor Jahwe betalen.
Ex. 30,15 Om zijn leven los te kopen betaalt een rijke niet meer en een arme niet minder dan een halve sikkel.
Ex. 30,16 Het losgeld dat ge van de IsraŽlieten ontvangt komt ten nutte van de tent der samenkomst. Deze losprijs voor uw leven zal bij Jahwe de herinnering aan de IsraŽlieten in stand houden.'
Ex. 30,17 Toen sprak Jahwe tot Mozes:
Ex. 30,18 `Ge moet ook een bronzen bekken maken, op een bronzen onderstel, bestemd voor de wassingen. Plaats het tussen de tent van de samenkomst en het altaar en doe er water in.
Ex. 30,19 Ašron en zijn zonen moeten er hun handen en voeten in wassen, voor zij de tent van de samenkomst binnengaan.
Ex. 30,20 Dan zullen zij niet sterven. Ook als ze dienst komen doen bij het altaar of offers aan Jahwe gaan opdragen,
Ex. 30,21 moeten zij hun handen en voeten wassen: dan zullen zij niet sterven. Dit is een blijvende verplichting voor hem en zijn nakomelingen, alle geslachten door.'
Ex. 30,22 Toen sprak Jahwe tot Mozes:
Ex. 30,23 `Neem de fijnste geurige kruiden: vijfhonderd sikkel mirre, en half zo veel, dus tweehonderdvijftig sikkel, kaneel, tweehonderdvijftig sikkel kalmus,
Ex. 30,24 vijfhonderd sikkel laurier, volgens heilig gewicht, en een hin olijfolie.
Ex. 30,25 Bereid daarvan heilige zalfolie, een geurig mengsel zoals ook een reukwerker dat maakt; het zal heilige zalfolie zijn.
Ex. 30,26 Daarmee moet ge de tent van de samenkomst zalven, de ark met de verbondsakte,
Ex. 30,27 de tafel met toebehoren, de luchter met toebehoren, het reukofferaltaar,
Ex. 30,28 het brandofferaltaar met toebehoren en het wasbekken met het onderstel.
Ex. 30,29 Zo wijdt ge dit alles en het zal hoogheilig zijn. En alles wat er mee in aanraking komt zal heilig zijn.
Ex. 30,30 Ook Ašron en zijn zonen moet ge door zalving wijden; dan kunnen ze Mij als priester dienen.
Ex. 30,31 Tot de IsraŽlieten moet ge zeggen: Deze gewijde zalfolie behoud Ik mij voor, al uw geslachten door.
Ex. 30,32 Ze mag over geen mensenlichaam uitgegoten worden en volgens dit recept moogt ge geen olie bereiden voor andere doeleinden. Ze is gewijd en als zodanig moet ge ze behandelen.
Ex. 30,33 Iemand die deze olie namaakt of aan een onbevoegde geeft, zal uit zijn volk worden verwijderd.'
Ex. 30,34 Toen sprak Jahwe tot Mozes: 'Neem geurige kruiden, storaxbalsem, onyx, galbanum en andere kruiden, en zuivere wierook: alles in gelijke hoeveelheid.
Ex. 30,35 Daarvan moet ge, zoals een reukwerker dat doet, een reukwerk bereiden, vermengd met zout, zuiver en gewijd.
Ex. 30,36 Een gedeelte ervan moet ge fijnwrijven en voor de ver bondsakte leggen in de tent van de samenkomst waar Ik tot u kom. Ge moet het als hoogheilig beschouwen.
Ex. 30,37 Het reukwerk dat ge bereidt is voorbehouden aan Jahwe; ge moogt het in deze samenstelling niet maken voor uzelf.
Ex. 30,38 Iemand die het namaakt om van de geur te genieten zal uit zijn volk worden verwijderd.

Ex. 31,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Ex. 31,2 `Ik heb mijn keuze laten vallen op Besaleel, zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda.
Ex. 31,3 Ik heb hem een uitzonderlijke begaafdheid geschonken, vaardigheid, kennis en veelzijdige bekwaamheid.
Ex. 31,4 Hij kan ontwerpen maken, goud, zilver en brons smeden,
Ex. 31,5 stenen snijden en zetten en hout bewerken: in alle technieken is hij bedreven.
Ex. 31,6 Hem stel Ik Oholiab, zoon van Achisamak, uit de stam Dan, ter beschikking. Alle vaklieden heb Ik toegerust met een bijzondere vaardigheid, zodat zij alles kunnen uitvoeren waartoe Ik op dracht gegeven heb:
Ex. 31,7 de tent van de samenkomst, de ark met de verbondsakte, de dekplaat die erop ligt, alle benodigdheden voor de tent,
Ex. 31,8 de tafel met toebehoren, de luchter van zuiver goud met toebehoren, het reukofferaltaar,
Ex. 31,9 het brandofferaltaar met toebehoren, het wasbekken met onderstel,
Ex. 31,10 de ambtsgewaden, de heilige gewaden voor de priester Aaron, de gewaden die zijn zonen als priester dragen,
Ex. 31,11 de zalfolie en de reukwerken voor het heiligdom. Zij moeten alles vervaardigen zoals Ik u heb voorgeschreven.'
Ex. 31,12 Jahwe sprak tot Mozes:
Ex. 31,13 `Gij moet tot de IsraŽlieten zeggen: Onderhoud mijn sabbat want hij is, al uw geslachten door, voor u en voor Mij het teken dat Ik Jahwe ben die u heiligt.
Ex. 31,14 Gij moet de sabbat onderhouden, hij moet u heilig zijn. Wie hem schendt moet onverbiddelijk ter dood gebracht worden. Wie op die dag arbeid verricht zal uit zijn volk worden verwijderd.
Ex. 31,15 Zes dagen mag men werken, maar de zevende dag is een volstrekte rustdag, gewijd aan Jahwe. Iedereen die op de sabbat arbeid verricht moet onverbiddelijk ter dood gebracht worden.
Ex. 31,16 De IsraŽlieten moeten al hun geslachten door de sabbat onderhouden als een eeuwig verbond.
Ex. 31,17 Hij is een teken voor Mij en voor hen; want in zes dagen maakte Jahwe de hemel en de aarde, maar op de zevende dag rustte Hij om op adem te komen.'
Ex. 31,18 Toen Jahwe op de SinaÔ zijn woorden tot Mozes beŽindigd had, overhandigde Hij hem twee platen met de tekst van het verbond, stenen platen, waarop de vinger Gods die tekst had geschreven.

Ex. 32,1 Toen Mozes maar wegbleef en niet naar beneden kwam, verdrong het volk zich om Ašron en eiste: `Kom, maak een god die voor ons uit kan gaan. Want die Mozes, de man die ons uit Egypte heet geleid, we weten niet wat er met hem aan de hand is.'
Ex. 32,2 Ašron antwoordde hun: `Laat uw vrouwen, uw zonen en uw dochters de gouden ringen afdoen die ze in de oren dragen en breng die hier.'
Ex. 32,3 Toen deden allen hun gouden oorringen af en brachten die bij Aaron.
Ex. 32,4 Deze nam ze in ontvangst, bond ze in een buidel, en maakte er een stierenbeeld van. Toen riepen ze uit: `IsraŽl, dit is de god die u uit Egypte heeft geleid.'
Ex. 32,5 Toen Ašron dat zag bouwde hij voor het beeld een altaar en liet bekend maken: `Morgen is er feest ter ere van Jahwe.'
Ex. 32,6 De volgende morgen droegen zij in alle vroegte brand - en slachtoffers op. De mensen gingen zitten om te eten en te drinken, daarna gaven zij zich aan feestelijk vermaak over.
Ex. 32,7 Toen sprak Jahwe tegen Mozes: `Ga nu naar beneden, want uw volk dat gij uit Egypte hebt geleid is tot zonde vervallen.
Ex. 32,8 Ze zijn nu al afgeweken van de weg die Ik hun had voorgeschreven: ze hebben een stierenbeeld gemaakt, ze buigen zich daarvoor neer, ze dragen er offers voor op en schreeuwen: IsraŽl, dit is de god die u uit Egypte heeft geleid.'
Ex. 32,9 Ook sprak Jahwe tot Mozes: `Ik zie nu hoe halsstarrig dit volk is.
Ex. 32,10 Laat Mij begaan, dan kan ik hen in mijn brandende toorn vernietigen. Maar van u zal Ik een groot volk maken.'
Ex. 32,11 Mozes trachtte Jahwe, zijn God, gunstig te stemmen en vroeg: `Waarom Jahwe, uw toorn laten woeden tegen uw volk dat Gij met grote kracht en sterke hand uit Egypte hebt geleid?
Ex. 32,12 Waarom de Egyptenaren laten honen: Hij heeft ze laten gaan met de boze opzet ze in de bergen te laten omkomen en ze van de aarde weg te vagen? Laat toch uw toorn niet langer tegen woeden. Zie af van het onheil waarmee Gij uw volk bedreigt.
Ex. 32,13 Denk aan uw dienaren Abraham, Isaak en IsraŽl, aan wie Gij onder ede beloofd hebt: Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en heel het land waarover Ik heb gesproken zal Ik uw nakomelingen voor altijd in bezit geven. Het zal voor eeuwig hun erfdeel zijn'.
Ex. 32,14 Toen zag Jahwe af van het onheil waarmee hij zijn volk had bedreigd.
Ex. 32,15 Mozes begaf zich op weg en daalde de berg af. Hij had de twee platen met de tekst van het verbond bij zich, de platen die aan beide kanten beschreven waren; ze waren aan twee kanten beschreven, aan de voorkant, maar ook aan de achterkant.
Ex. 32,16 De platen waren Gods eigen werk, het schrift was Gods eigen schrift; Hij had het er zelf ingegrift.
Ex. 32,17 Toen Jozua het gejoel in het kamp hoorde zei hij tot Mozes: `Dat lijkt wel het rumoer van een veldslag in het kamp.'
Ex. 32,18 Hij antwoordde: `Het zijn geen juichkreten van overwinnaars, en het is ook geen gejammer van overwonnenen, ze zijn aan het zingen.'
Ex. 32,19 Toen Mozes dichter bij het kamp kwam zag hij het stierenbeeld en het gedans. Hij werd razend en smeet de platen tegen de voet van de berg aan stukken.
Ex. 32,20 Toen greep hij het beeld dat zij gemaakt hadden, gooide het in het vuur, verpulverde het, strooide de as in het water en liet dat de IsraŽlieten drinken.
Ex. 32,21 Toen vroeg Mozes aan Aaron: `Wat heeft het volk toch met je gedaan, dat je het tot zo'n zware zonde hebt laten komen?'
Ex. 32,22 Ašron gaf ten antwoord: `Mijn heer moet niet kwaad zijn. U weet zelf hoe dit volk tot kwaad geneigd is.
Ex. 32,23 Ze vroegen mij: Maak een god die voor ons uittrekt. Want die Mozes, de man die ons uit Egypte heeft geleid, we weten niet wat er met hem aan de hand is.
Ex. 32,24 Ik antwoordde: Laat iedereen die goud draagt dit afdoen. Toen brachten ze mij het goud, ik wierp het in het vuur en zo zijn we aan dit stierenbeeld gekomen.'
Ex. 32,25 Toen Mozes zag dat het volk zich te buiten was gegaan Ašron had hen hun gang laten gaan, zodat zij voor tegenstanders een gemakkelijke prooi waren
Ex. 32,26 ging hij aan de ingang van het kamp staan en riep: `Wie voor Jahwe is, hierheen!' Toen al de levieten zich bij hem voegden
Ex. 32,27 zei hij tot hen: `Zo spreekt Jahwe, IsraŽls God: Ieder een moet zijn zwaard aangespen. Doorkruis het kamp van poort tot poort en sla iedereen neer, al is het je broer, je vriend of je bloedverwant.'
Ex. 32,28 De levieten deden wat Mozes hun bevolen had en zo kwamen er die dag ongeveer drieduizend mensen om.
Ex. 32,29 Mozes sprak toen tot de levieten: `Vandaag hebt u volmacht ontvangen van Jahwe door het prijsgeven van uw zoon of broer. Zo hebt u zegen over u afgeroepen.'
Ex. 32,30 De volgende dag zei Mozes tot het volk: `Jullie hebben zwaar gezondigd. Maar ik zal weer de berg opgaan, naar Jahwe. Misschien kan ik verzoening bewerken voor jullie zonden.'
Ex. 32,31 Mozes ging weer naar Jahwe en sprak: `Helaas, dit volk heeft zwaar tegen U gezondigd door een god van goud te maken.
Ex. 32,32 Kunt Gij hun toch geen vergiffenis schenken? Als dat niet gaat, schrap mij dan uit het boek dat Gij hebt geschreven.'
Ex. 32,33 Jahwe antwoordde Mozes: `Ik schrap uit mijn boek alleen wie tegen Mij zondigt.
Ex. 32,34 Breng het volk maar naar de plaats die Ik u heb aangewezen. Mijn engel zal voor u uitgaan. Maar de dag van vergelding komt en dan zal Ik hen hun zonden vergelden.'
Ex. 32,35 En Jahwe strafte het volk om wat zij gedaan hadden met het stierenbeeld dat Ašron gemaakt had.

Ex. 33,1 Jahwe sprak tot Mozes: `Vertrek van hier met het volk dat gij uit Egypte hebt geleid en ga naar het land dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb met deze eed: Ik zal het schenken aan uw nakomelingen.
Ex. 33,2 Ik zal een engel voor u uit laten gaan. De Kanašnieten, Amorieten, Hethieten, Perizziten, Chiwwieten en Jebusieten zal Ik voor u verdrijven,
Ex. 33,3 en Ik zal u brengen naar een land van melk en honing. Maar zelf trek Ik niet met u mee, want gij zijt zo'n halsstarrig volk dat Ik u onderweg zou kunnen vernietigen.'
Ex. 33,4 Toen de mensen dit slechte nieuws hoorden treurden zij en niemand deed meer zijn sieraden aan.
Ex. 33,5 Jahwe sprak tot Mozes: `Zeg de IsraŽlieten: Gij zijt een halsstarrig volk. Als Ik ook maar korte tijd met u mee zou trekken, zou Ik u vernietigen. Leg uw sieraden af, dan zal Ik zien wat Ik met u doe.'
Ex. 33,6 Daarom droegen de IsraŽlieten sinds de horeb geen sieraden meer.
Ex. 33,7 Mozes sloeg telkens de tent op buiten het kamp, op een behoorlijke afstand; hij noemde haar: tent van de samenkomst. Iedereen die Jahwe iets wilde vragen ging naar deze tent buiten het kamp.
Ex. 33,8 Als Mozes zich naar de tent begaf gingen alle mensen voor de ingang van hun tent staan, en bleven hem nakijken tot hij in de tent was verdwenen.
Ex. 33,9 En als Mozes dan binnen was, daalde de wolkkolom neer en bleef staan boven de ingang van de tent. Dan sprak Jahwe tot Mozes.
Ex. 33,10 Zodra de mensen de wolkkolom boven de ingang van de tent zagen staan bogen zij zich neer bij de ingang van hun tent.
Ex. 33,11 Jahwe sprak dan tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een mens met zijn medemens spreekt. Ook als Mozes naar het kamp terugging verliet zijn jeugdige helper Jozua, zoon van Nun, de tent niet.
Ex. 33,12 Mozes sprak tot Jahwe: `Gij zegt wel tegen mij: Laat het volk verder trekken, maar Gij hebt mij niet laten weten wie Gij met mij meezendt. Toch had Gij gezegd: Ik heb mijn keuze op u laten vallen en u mijn bijzondere gunst geschonken.
Ex. 33,13 Als ik inderdaad uw gunst geniet, laat mij dan weten wat uw plannen zijn. Dan zal ik ervaren wie Gij zijt en weten dat ik nog steeds uw gunst geniet. Bedenk toch dat al deze mensen uw volk zijn.'
Ex. 33,14 Jahwe vroeg toen: `Moet dan mijn aanschijn meegaan en moet Ik u rust geven?'
Ex. 33,15 Mozes antwoordde: `Als uw aanschijn niet meegaat, laat ons dan niet van hier vertrekken.
Ex. 33,16 Hoe is het anders duidelijk dat ik en uw volk uw gunst genieten, tenzij doordat Gij met ons meetrekt? Ik en uw volk nemen toch een bijzondere plaats in onder alle volken op de aardbodem.'
Ex. 33,17 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ook wat gij nu vraagt zal Ik doen. Want gij geniet mijn gunst en Ik heb mijn keus op u laten vallen.'
Ex. 33,18 Toen vroeg Mozes: `Laat mij toch uw heerlijkheid zien.'
Ex. 33,19 Hij gaf ten antwoord: `Ik zal in al mijn luister aan u voorbijgaan en in uw bijzijn de naam Jahwe uitroepen. Want Ik schenk genade aan wie Ik wil en barmhartigheid aan wie Ik wil.'
Ex. 33,20 Maar hij voegde er aan toe: `Mijn gelaat kunt gij niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven.'
Ex. 33,21 Toen sprak Jahwe: `Hier bij Mij is nog plaats; kom op de rots staan.
Ex. 33,22 Wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat zal Ik u in de rotsholte laten schuilen, en als Ik voorbijga zal ik u met mijn hand beschermen.
Ex. 33,23 Als Ik dan mijn hand terugtrek kunt gij Mij van achteren zien, want mijn gelaat kan niemand zien.'

Ex. 34,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes. `Kap twee stenen platen, gelijk aan de vorige. Ik zal er weer dezelfde geboden ingriffen als in de platen die gij stukgesmeten hebt.
Ex. 34,2 Morgenvroeg moet gij klaar zijn, want dan moet gij de SinaÔ bestijgen. Wacht daar op Mij, boven op de berg.
Ex. 34,3 Niemand mag met u naar boven gaan, niemand mag op de berg gezien worden. Zelfs geen schapen of runderen mogen in de nabijheid van de berg grazen.'
Ex. 34,4 Mozes kapte twee stenen platen, gelijk aan de vorige. De volgende morgen besteeg hij in alle vroegte de SinaÔ, zoals Jahwe hem bevolen had. De twee stenen platen nam hij mee.
Ex. 34,5 Jahwe daalde neer in een wolk, kwam bij hem staan en riep de naam Jahwe uit.
Ex. 34,6 Jahwe ging hem voorbij en riep: `Jahwe! Jahwe is een barmhartige en medelijdende God, lankmoedig, groot in liefde en trouw,
Ex. 34,7 die goedheid bewijst tot in het duizendste geslacht, die misdaden, overtredingen en zonden vergeeft, maar een schuldige niet ongestraft laat, en de misdaden van de vaders straft in hun kinderen en kleinkinderen, in het derde en vierde geslacht.'
Ex. 34,8 Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieŽn en boog zich neer.
Ex. 34,9 Toen sprak hij: `Och Heer, wees zo goed en trek met ons mee. Dit volk is wel halsstarrig maar vergeef toch onze misdaden en zonden, en beschouw ons als uw eigen bezit.'
Ex. 34,10 Hij antwoordde: `Ik wil een verbond met u sluiten. Voor heel uw volk zal Ik wonderen doen, zoals er nergens op aarde en bij geen enkel volk ooit zijn geschied. Heel het volk waarbij gij leeft zal aanschouwen hoe ontzagwekkend de werken zijn die Ik, Jahwe, voor u ga doen.
Ex. 34,11 Onderhoud wat Ik u heden voorschrijf. Dan zal Ik de Amorieten, Kanašnieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten voor u verdrijven.
Ex. 34,12 Sluit geen verbond met de bewoners van het land dat gij zult binnentrekken. Anders worden zij voor u een valstrik in uw eigen midden.
Ex. 34,13 Gij moet hun altaren afbreken, hun heilige zuilen stuk slaan en hun heilige palen omhakken.
Ex. 34,14 Want gij moogt geen andere god vereren. Jahwe heet immers de jaloerse, Hij is een jaloerse God.
Ex. 34,15 Sluit dus geen verbond met de bewoners van het land die ontuchtig hun goden achterna lopen en offers opdragen; want zij zouden u uitnodigen om aan hun offermalen deel te nemen.
Ex. 34,16 Als gij voor uw zonen hun dochters tot vrouw kiest zouden die ontuchtig hun goden achterna lopen en ook uw zonen zouden dat gaan doen.
Ex. 34,17 Ge moogt geen godenbeelden maken.
Ex. 34,18 Ge moet het feest der ongezuurde broden vieren. Op de vastgestelde tijd in de maand. Abib moet ge zeven dagen lang ongezuurd brood eten, zoals Ik u bevolen heb, want in die maand zijt ge uit Egypte vertrokken.
Ex. 34,19 Alles wat de moederschoot opent behoort Mij toe, ieder eerstgeboren mannelijk dier van uw kudde, van de runderen en de schapen.
Ex. 34,20 Het eerstgeboren jong van een ezel moet ge vrijkopen met een lam. Wilt ge het niet vrijkopen, dan moet ge het de nek breken. Iedere eerstgeboren zoon moet gij vrijkopen. Niemand mag met lege handen voor Mij verschijnen.
Ex. 34,21 Zes dagen kunt gij werken, maar op de zevende dag moet gij u van arbeid onthouden, zelfs als het tijd is om te ploegen of te zaaien.
Ex. 34,22 Vier ook het wekenfeest, aan het begin van de tarwe oogst, en het feest van het binnenhalen, rond de jaarwisseling.
Ex. 34,23 Driemaal per jaar moeten al uw mannen verschijnen voor Jahwe de Heer, de God van IsraŽl.
Ex. 34,24 Ik zal de volken voor u verdrijven en u een uitgestrekt gebied geven, zodat niemand zijn oog op uw land durft laten vallen als gij driemaal per jaar weggaat om voor Jahwe uw God te verschijnen.
Ex. 34,25 Ge moogt het bloed van een dier dat voor Mij bestemd is niet samen met gezuurd brood offeren. Van het offerdier voor het paasfeest mag niets overblijven tot de volgende morgen.
Ex. 34,26 Van de eerste vruchten van uw land moet ge de beste naar het huis van Jahwe uw God brengen. Een geitje moogt ge niet koken in de melk van zijn moeder.'
Ex. 34,27 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Stel deze bepalingen op schrift, want op grond van deze bepalingen sluit Ik met u en met IsraŽl een verbond.'
Ex. 34,28 Mozes bleef daar veertig dagen en veertig nachten bij Jahwe, zonder te eten of te drinken. En Jahwe grifte de bepalingen van het verbond, de tien geboden, in de stenen platen.
Ex. 34,29 Toen Mozes de berg SinaÔ afdaalde met de twee stenen platen, de tekst van het verbond, was hij zich er niet van bewust dat zijn gezicht glansde omdat hij met Hem gesproken had.
Ex. 34,30 Maar Ašron en de overige IsraŽlieten zagen de glans op het gezicht van Mozes wet, en zij durfden hem niet te naderen.
Ex. 34,31 Maar toen Mozes hen riep kwamen Ašron en al de leiders van de gemeenschap naar hem toe. Mozes bracht hun verslag uit.
Ex. 34,32 Daarna kwamen al de IsraŽlieten naar hem toe. Hij hield hun alles voor wat Jahwe hem op de berg SinaÔ gezegd had.
Ex. 34,33 Toen Mozes zijn toespraak beŽindigd had, deed hij een doek over zijn gezicht.
Ex. 34,34 En telkens als Mozes naar Jahwe ging om hem te spreken, deed hij de doek af tot hij weer buiten kwam. Als hij dan, naar buiten gekomen, de IsraŽlieten ging meedelen wat zij moesten doen,
Ex. 34,35 deed hij, om de IsraŽlieten de gans op zijn gezicht niet te laten zien, de doek weer voor zijn gezicht tot hij opnieuw naar binnen ging om met Jahwe te spreken.

Ex. 35,1 Mozes liet heel de gemeenschap van IsraŽl samenkomen en sprak tot hen: `Dit zijn de voorschriften die Jahwe u beveelt te onderhouden:
Ex. 35,2 Zes dagen kunt gij werken, maar de zevende dag moet u heilig zijn, een sabbatdag voor Jahwe. Iedereen die dan werkt moet ter dood gebracht worden.
Ex. 35,3 Op de sabbat moogt gij in geen van uw verblijven vuur ontsteken.'
Ex. 35,4 Mozes sprak tot heel de gemeenschap van IsraŽl: `Zo luidt de opdracht van Jahwe:
Ex. 35,5 Sta uit uw bezit een bijdrage af voor Jahwe. Laat ieder een die daartoe bereid is zijn bijdrage voor Jahwe komen brengen: goud, zilver en brons;
Ex. 35,6 paarse, karmijnrode en scharlaken wol, linnen en kleden van geitenhaar;
Ex. 35,7 gelooide ramsvellen, fijn leer en acaciahout;
Ex. 35,8 olie voor de verlichting, geurige kruiden voor de bereiding van zalfolie en welriekende wierook;
Ex. 35,9 kornalijn en edelstenen voor de efod en de orakeltas.
Ex. 35,10 De vaklieden moeten alles vervaardigen wat Jahwe heeft voorgeschreven:
Ex. 35,11 de woning met tent en dak, de haken, schotten, verbindingsbalken, palen en voetstukken;
Ex. 35,12 de ark met de draagstokken en de dekplaat, het afsluitend voorhangsel;
Ex. 35,13 de tafel met de draagstokken en verder toebehoren, het toonbrood;
Ex. 35,14 de luchter voor de verlichting met alle toebehoren, de lampen en de olie voor de verlichting;
Ex. 35,15 het reukofferaltaar met de draagstokken, de zalfolie en de welriekende wierook; het voorhangsel voor de ingang van de woning;
Ex. 35,16 het brandofferaltaar met het bronzen hek, de draagstok ken en alle toebehoren; het wasbekken met het onderstel,
Ex. 35,17 de kleden voor de voorhof, de palen en voetstukken, het voorhangsel voor de ingang van de voorhof;
Ex. 35,18 de tentpinnen voor de woning en voor de voorhof met bijbehorende touwen;
Ex. 35,19 de ambtsgewaden, de heilige gewaden voor de priester Aaron, de gewaden die zijn zonen als priester dragen.'
Ex. 35,20 Daarop ging heel de gemeenschap van IsraŽl bij Mozes vandaan,
Ex. 35,21 en iedereen wiens hart hem dat ingaf en iedereen die daartoe bereid was kwam een bijdrage voor Jahwe brengen, voor de vervaardiging van de tent der samenkomst, voor de inrichting en voor de heilige gewaden.
Ex. 35,22 Mannen en vrouwen snelden toe. Ieder die daartoe bereid was bracht broches, oorringen, vingerringen, halsketenen en andere gouden sieraden, ieder die Jahwe een gouden wijgeschenk wilde afstaan.
Ex. 35,23 Wie in het bezit was van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, van linnen en kleden van geitenhaar, van gelooide ramsvellen of fijn leer, die kwam het brengen.
Ex. 35,24 Ieder die een bijdrage in zilver of brons wilde afstaan bracht ze naar Jahwe. Ook wie de beschikking had over het acacia hout, dat voor verschillende doeleinden nodig was, kwam dit brengen.
Ex. 35,25 De daartoe vaardige vrouwen zetten zich aan het spinnen en brachten wat zij gesponnen hadden: paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en linnen.
Ex. 35,26 De vrouwen die daar vaardig in waren begonnen geitenhaar te spinnen.
Ex. 35,27 De notabelen brachten kornalijn en edelstenen voor de efod en de orakeltas,
Ex. 35,28 geurige kruiden en olie voor de verlichting, voor de zalfolie en voor welriekende wierook.
Ex. 35,29 Alle IsraŽlieten, mannen en vrouwen, die zich gedrongen voelden bij te dragen aan het werk dat Jahwe door Mozes wilde laten uitvoeren, kwamen hun bijdrage voor Jahwe brengen.
Ex. 35,30 Toen maakte Mozes aan de IsraŽlieten bekend: `Jahwe heeft zijn keuze laten vallen op Besalel, zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda.
Ex. 35,31 Hij heeft hem een uitzonderlijke begaafdheid geschonken, vaardigheid, kennis en veelzijdige bekwaamheid.
Ex. 35,32 Hij kan ontwerpen maken, goud, zilver en brons smeden,
Ex. 35,33 stenen snijden en zetten en hout bewerken: in alle technieken is hij bedreven.
Ex. 35,34 Ook de gave om het aan anderen te kunnen leren heeft Hij hem geschonken, hem en Oholiab, zoon van Achisamak, uit de stam Dan.
Ex. 35,35 Hij heeft hun vaardigheid geschonken om te werken in alle technieken: zij kunnen stenen snijden, borduren, paarse, karmijnrode en scharlaken wol vervaardigen en linnen weven. Zij voeren allerlei werk uit en maken ook zelf de ontwerpen.'

Ex. 36,1 Besalel, Oholiab en al de vaklieden die Jahwe met vaardigheid en kennis heeft toegerust, zodat ze weten hoe alles voor het heiligdom gemaakt wordt, moeten alles uitvoeren zoals Jahwe het heeft voorgeschreven.
Ex. 36,2 Mozes liet dus Besalel komen met Oholiab en al de vaklieden die Jahwe met vaardigheid had toegerust, allen die zich gedrongen voelden het werk uit te voeren.
Ex. 36,3 Zij kregen van Mozes alle bijdragen die de IsraŽlieten voor de uitvoering van het werk, voor de vervaardiging van het heiligdom, hadden afgestaan. En iedere morgen waren er nog IsraŽlieten die hun vrijwillige gave kwamen brengen.
Ex. 36,4 Toen lieten de vaklieden die met de verschillende werken voor het heiligdom bezig waren het werk dat ze onder handen hadden liggen,
Ex. 36,5 en kwamen Mozes zeggen: `Het volk brengt veel meer dan nodig is voor de uitvoering van het werk dat Jahwe heeft opgedragen.'
Ex. 36,6 Op bevel van Mozes werd toen in het kamp omgeroepen: `Geen man of vrouw hoeft verder nog een bijdrage voor het heilig dom te brengen.' Zo hield men het volk er van af nog meer te brengen.
Ex. 36,7 Er was voldoende, en zelfs meer dan voldoende, bijeen gebracht voor de uitvoering van het hele werk.
Ex. 36,8 Alle vaklieden die bij de uitvoering van het werk betrok ken waren, vervaardigden toen de woning uit tien banen getwijnd linnen en paarse, karmijnrode en scharlaken wol, waarop een vakman kerubs geborduurd had.
Ex. 36,9 De lengte van een baan bedroeg achtentwintig el, de breedte vier el. Alle banen hadden dezelfde afmetingen.
Ex. 36,10 De banen werden vijf aan vijf samengevoegd.
Ex. 36,11 Vervolgens maakte men paarse lussen aan de rand van de buitenste baan van beide stukken,
Ex. 36,12 zodat de lussen precies tegenover elkaar zaten.
Ex. 36,13 Men maakte vijftig gouden haken en bevestigde de banen met deze haken aan elkaar, zodat de woning een geheel werd.
Ex. 36,14 Voor de tent over de woning vervaardigde men banen van geitenhaar, elf banen.
Ex. 36,15 De lengte van een baan bedroeg dertig el, de breedte vier el. Alle elf banen hadden dezelfde afmetingen.
Ex. 36,16 Men hechtte vijf banen aan elkaar, de zes overige even eens.
Ex. 36,17 Men maakte vijftig lussen aan de rand van de buitenste baan van de beide stukken.
Ex. 36,18 Ook werden vijftig koperen haken gemaakt om de beide tentdelen tot een geheel samen te voegen.
Ex. 36,19 Men maakte voor de tent ook nog een dak van gelooide ramsvellen en daaroverheen nog een dak van fijn leer.
Ex. 36,20 Voor de woning werden uit acaciahout rechtopstaande schotten gemaakt.
Ex. 36,21 Ieder schot was tien el lang en anderhalve el breed.
Ex. 36,22 Aan ieder schot zaten ter verbinding twee tappen. Zo werden alle schotten voor de woning gemaakt.
Ex. 36,23 Men maakte dus de schotten voor de woning, twintig schotten voor de zuidkant.
Ex. 36,24 Onder de twintig schotten maakte men veertig zilveren voetstukken, twee voor elk schot, waar de beide tappen in pasten.
Ex. 36,25 Voor de andere kant van de woning voor de noordzijde dus, maakte men ook twintig schotten,
Ex. 36,26 met bijbehorende zilveren voetstukken, twee voor elk schot.
Ex. 36,27 Voor de achterkant van de woning, voor de westzijde dus, werden zes schotten gemaakt.
Ex. 36,28 Ook maakte men twee schotten voor de hoeken aan de achterkant van de woning.
Ex. 36,29 Deze bestonden uit twee haaks op elkaar geplaatste delen; zij liepen van beneden tot bij de eerste ring. Ze waren immers bestemd voor de beide hoeken.
Ex. 36,30 Er waren dus acht schotten en zestien bijbehorende zilveren voetstukken, telkens twee voor een schot.
Ex. 36,31 Men maakte ook verbindingsbalken van acaciahout: vijf voor de schotten aan de beide zijkanten van de woning,
Ex. 36,32 en vijf voor de achterkant, de westzijde, van de woning.
Ex. 36,33 De middelste balk liep midden over de schotten, van de ene kant naar de andere.
Ex. 36,34 De schotten werden met goud overtrokken, voor de balken werden gouden ringen gemaakt en de balken werden met goud over trokken.
Ex. 36,35 Het voorhangsel werd gemaakt van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Een vakman borduurde er kerubs op.
Ex. 36,36 Met gouden haken werd het vastgemaakt aan vier palen van acaciahout die met goud overtrokken waren en rustten op zilveren voetstukken.
Ex. 36,37 Voor de ingang van de tent werd een tapijt gemaakt van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen, rijk geborduurd.
Ex. 36,38 Er kwamen vijf palen van acaciahout met de bijbehorende haken. De koppen en stangen werden overtrokken met goud; de voetstukken waren van brons.

Ex. 37,1 Toen maakte Besalel de ark van acaciahout; ze was twee en een halve el lang, anderhalve el breed, anderhalve el hoog.
Ex. 37,2 Hij overtrok haar van binnen en van buiten met goud en bracht rondom een gouden lijst aan.
Ex. 37,3 Hij goot voor de ark vier gouden ringen en bevestigde die aan de vier poten, twee aan elke kant.
Ex. 37,4 Hij maakte ook draagstokken van acaciahout en overtrok die met goud.
Ex. 37,5 De draagstokken werden in de ringen gestoken aan de zijkanten van de ark om die zo te kunnen dragen.
Ex. 37,6 Ook maakte hij de dekplaat, van zuiver goud, twee en een halve el lang, anderhalve el breed.
Ex. 37,7 Hij maakte eveneens twee kerubs, in goud gedreven, aan de beide uiteinden van de dekplaat,
Ex. 37,8 een kerub aan het ene uiteinde en een aan het andere, in relief.
Ex. 37,9 De vleugels van de kerubs waren naar boven uitgestrekt zodat zij de dekplaat overhuifden. De kerubs stonden met hun gezicht naar elkaar toegekeerd, hun gezicht was gericht op de dekplaat.
Ex. 37,10 Hij maakte een tafel van acaciahout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog.
Ex. 37,11 Hij overtrok die met zuiver goud en maakte er een gouden lijst omheen.
Ex. 37,12 Hij legde er een band om, van een handbreed, en zette die af met een gouden lijst.
Ex. 37,13 Hij maakte vier gouden ringen en bevestigde die aan de vier hoeken, bij de poten.
Ex. 37,14 Deze ringen, bestemd voor de stokken waarmee de tafel gedragen werd, zaten dicht bij de band.
Ex. 37,15 De draagstokken maakte hij van acaciahout en overtrok ze met goud. Daarmee werd de tafel gedragen.
Ex. 37,16 De benodigdheden voor de tafel maakte hij van zuiver goud: de schotels en bekkens, de kannen en kommen, die nodig waren voor de plengoffers.
Ex. 37,17 Vervolgens maakte hij de luchter, van zuiver goud. De luchter, met voetstuk en schacht, was drijfwerk waarin kelken met knoppen en bloemen aangebracht waren.
Ex. 37,18 Zes armen gingen van opzij uit de schacht omhoog, drie aan elke kant.
Ex. 37,19 In de eerste arm waren drie amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven. Op dezelfde wijze waren alle zes de armen van de luchter bewerkt.
Ex. 37,20 In de luchter zelf waren vier amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven:
Ex. 37,21 een knop onder het eerste paar armen, een onder het tweede en een onder het derde paar van de zes armen van de luchter.
Ex. 37,22 De knoppen en armen vormden een geheel met de luchter: een stuk drijfwerk van zuiver goud.
Ex. 37,23 Voor de luchter werden zeven lampen met snuiters en bakjes vervaardigd, alles van zuiver goud.
Ex. 37,24 Voor de luchter met toebehoren gebruikte hij een talent zuiver goud.
Ex. 37,25 Vervolgens maakte hij ook een altaar van acaciahout voor het branden van reukwerk. Het was een el lang, een el breed vierkant dus - en twee el hoog. De horens vormden er een geheel mee.
Ex. 37,26 Hij overtrok het met zuiver goud: de bovenkant, de zijvlakken en de horens. Hij maakte er een gouden lijst omheen.
Ex. 37,27 Aan beide zijden maakte hij onder de lijst twee gouden ringen, bestemd voor de draagstokken waarmee het altaar opgetild werd.
Ex. 37,28 Hij maakte de draagstokken van acaciahout en overtrok ze met goud.
Ex. 37,29 Hij bereidde ook de heilige zalfolie en reukwerk, een geurig mengsel zoals een reukwerker dat samenstelt.

Ex. 38,1 Toen maakte hij het brandofferaltaar van acaciahout. Het was vijf el lang en vijf el breed - vierkant dus - en drie el hoog.
Ex. 38,2 Op de vier hoeken bracht hij vier horens aan die er een geheel mee vormden. Het werd bekleed met brons.
Ex. 38,3 Ook maakte hij alle benodigdheden voor het altaar: de bakken, scheppen, schalen, vorken en vuurpannen, alles van brons.
Ex. 38,4 Om het altaar bracht hij als afrastering een bronzen hek aan, van de benedenrand tot halverhoogte.
Ex. 38,5 Ook goot hij vier ringen voor de vier hoeken van het bronzen hek, voor de draagstokken.
Ex. 38,6 De draagstokken maakte hij van acaciahout en hij overtrok ze met brons.
Ex. 38,7 Toen stak hij de draagstokken in de ringen aan weerszij den van het altaar om het zo op te tillen. Hij maakte het altaar van planken en liet het van binnen hol.
Ex. 38,8 Vervolgens vervaardigde hij het bronzen bekken, op een bronzen onderstel. Hiervoor gebruikte hij de spiegels van de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent van de samen komst.
Ex. 38,9 Toen maakte hij de voorhof. De kleden voor de zuidkant van de voorhof waren van getwijnd linnen, honderd el lang.
Ex. 38,10 De twintig bijbehorende palen en voetstukken waren van brons, de haken aan de palen en de stangen van zilver.
Ex. 38,11 Ook voor de noordkant maakte hij kleden over een lengte van honderd el, twintig palen en voetstukken van brons, alsmede haken en stangen van zilver.
Ex. 38,12 Aan de westkant maakte hij kleden over een lengte van vijftig el, en tien palen en voetstukken, alsmede haken en stangen van zilver.
Ex. 38,13 Ook de oostkant was vijftig el lang.
Ex. 38,14 Daar kwamen aan de ene kant kleden over een lengte van vijftien el met drie bijbehorende palen en voetstukken.
Ex. 38,15 Ook aan de andere kant - aan beide kanten van de ingang van de voorhof hingen kleden - kleden over een lengte van vijf tien el met drie bijbehorende palen en voetstukken.
Ex. 38,16 Alle kleden rond de voorhof waren van getwijnd linnen.
Ex. 38,17 De voetstukken voor de palen waren van brons, de haken aan de palen en de stangen waren van zilver. De kop van de palen was overtrokken met zilver en er zaten zilveren banden om.
Ex. 38,18 Aan de ingang van de voorhof kwam een rijk geborduurd voorhangsel van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Het was twintig el lang en - over de breedte vijf el hoog, in aansluiting op de kleden van de voorhof.
Ex. 38,19 De vier bijbehorende palen en voetstukken waren van brons, de haken van zilver. De kop van de palen was overtrokken met zilver en er zaten zilveren banden om.
Ex. 38,20 Alle tentpinnen voor de woning en de voorhof waren van brons.
Ex. 38,21 Hier volgt een berekening van de kosten van de woning, de woning met de verbondsakte, op bevel van Mozes becijferd door de levieten onder leiding van Itamar, zoon van de priester Aaron.
Ex. 38,22 Besalel, zoon van Uri, zoon van Chur uit de stam Juda, voerde alles uit zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Ex. 38,23 Hij werd ter zijde gestaan door Oholiab, zoon van Achisamak, uit de stam Dan; deze kon stenen snijden, borduren, paarse, karmijnrode en scharlaken wol en linnen weven.
Ex. 38,24 Het totaal bedrag aan goud, afkomstig van de bijdragen, dat bij de vervaardiging van het heiligdom - alles meegerekend besteed werd bedroeg negenentwintig talenten en zevenhonderdder tig sikkels, in heilige munt.
Ex. 38,25 Het zilver, afkomstig van de geregistreerden van de gemeenschap, kwam op honderd talenten en zeventienhonderdvijfen zeventig sikkels, in heilige munt.
Ex. 38,26 Dat was dus een beka per man - een halve sikkel in heilige munt - van alle geregistreerden van twintig jaar en ouder. In totaal waren het zeshonderddrieduizendvijfhonderden vijftig personen.
Ex. 38,27 De honderd talenten zilver werden gebruikt voor de voetstukken van het heiligdom en de voetstukken van het voorhangsel: voor honderd voetstukken honderd talenten, dus een talent per voetstuk.
Ex. 38,28 Van de zeventienhonderdvijfenzestig sikkels maakte men de haken, men overtrok er de koppen van de palen mee en maakte er de zilveren banden van.
Ex. 38,29 De bijdragen aan brons bedroegen zeventig talenten en vierentwintighonderd sikkels.
Ex. 38,30 Hiervan maakte men de voetstukken voor de ingang van de tent der samenkomst, het bronzen altaar met het bronzen hek en alle altaarbenodigdheden.
Ex. 38,31 Verder de voetstukken voor de voorhof, alle tentpinnen van de woning en alle tentpinnen van de voorhof.

Ex. 39,1 Voor de dienst in het heiligdom werden ambtsgewaden vervaardigd van paarse, karmijnrode en scharlaken wol. Voor Ašron maakte men de heilige gewaden zoals Jahwe aan Mozes bevolen had.
Ex. 39,2 Hij maakte de efod van goud, paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen.
Ex. 39,3 Men plette bladen van goud en sneed ze in strookjes om ze te verwerken in de paarse, karmijnrode en scharlaken wol en in het linnen: een waar kunstwerk.
Ex. 39,4 Aan de beide uiteinden van de efod maakte men schouder banden om hem vast te maken.
Ex. 39,5 Van hetzelfde materiaal werd een gordel gemaakt die er een geheel mee vormde: paarse, karmijnrode en scharlaken wol en getwijnd linnen, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had.
Ex. 39,6 Op de kornalijnstenen, gevat in gouden zettingen, graveerde men de namen van de zonen van IsraŽl, zoals men zegels snijdt.
Ex. 39,7 Ze werden vervolgens bevestigd aan de efod: zij herinneren Jahwe aan de IsraŽlieten. Zo had Jahwe aan Mozes bevolen.
Ex. 39,8 Een kunstenaar maakte van hetzelfde materiaal als de efod de orakeltas: van goud, paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen.
Ex. 39,9 Ze was vierkant, een span lang en een span breed, en bestond uit twee stukken.
Ex. 39,10 Ze werd bezet met vier rijen edelstenen: een robijn, een topaas en een smaragd vormden de eerste rij,
Ex. 39,11 een karbonkel, een saffier en een jaspis de tweede,
Ex. 39,12 een hyacint, een agaat en een amatist de derde,
Ex. 39,13 een chrysoliet, een kornalijn en een onyx de vierde rij. Ze waren gevat in gouden zettingen.
Ex. 39,14 Er waren twaalf stenen, zoals er twaalf namen zijn van de zonen van IsraŽl. Op iedere steen was de naam van een der twaalf stammen gegraveerd, zoals men bij zegels doet.
Ex. 39,15 Voor de orakeltas maakte men kettinkjes van zuiver goud, in de vorm van gevlochten snoeren.
Ex. 39,16 Ook maakte men twee gouden zettingen en twee gouden ringen;
Ex. 39,17 deze ringen werden bevestigd aan de beide uiteinden van de orakeltas.
Ex. 39,18 Aan de andere kant maakte men de twee gouden snoeren vast aan de twee zettingen en bevestigde ze van voren aan de schouderbanden van de efod.
Ex. 39,19 Toen maakte men nog twee gouden ringen en bevestigde deze aan de uiteinden van de orakeltas, aan de binnenkant, tegen de efod aan.
Ex. 39,20 Toen maakte men nog eens twee gouden ringen en bevestig de deze onder aan de voorkant van de beide schouderbanden van de efod, vlak bij de band boven de gordel.
Ex. 39,21 Toen haalde men een paars koord door de ringen van de orakeltas en de efod en bond de orakeltas zo aan de gordel van de efod dat ze er vast tegenaan zat, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Ex. 39,22 De efodmantel werd geheel gemaakt van paarse wol.
Ex. 39,23 In het midden was een opening met een geweven rand als bij een wapenrok, om inscheuren te voorkomen.
Ex. 39,24 Aan de zoom van de mantel werden granaatappels bevestigd van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen.
Ex. 39,25 Van zuiver goud maakte men klokjes en hing die tussen de granaatappels aan de zoom van de mantel;
Ex. 39,26 dus om en om gouden klokjes en granaatappels rondom aan de zoom van de mantel voor de eredienst, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Ex. 39,27 Voor Ašron en zijn zonen vervaardigde men tunieken van geweven linnen,
Ex. 39,28 hoofddeksels van linnen en lendenschorten van getwijnd linnen,
Ex. 39,29 de gordel van getwijnd linnen, van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, kunstig bewerkt, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Ex. 39,30 Men maakte een bloem, de heilige diadeem, van zuiver goud en graveerde daarin als in een zegel: Jahwe gewijd.
Ex. 39,31 Met een paars koord maakte men ze vast op de voorzijde van het hoofddeksel, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Ex. 39,32 Zo kwam het werk aan de woning, de tent van de samen komst, tot voltooiing. De IsraŽlieten hadden alles precies uitgevoerd zoals Jahwe aan Mozes bevolen had.
Ex. 39,33 Toen brachten ze de woning bij Mozes: de tent met alle toebehoren, haken, schotten, balken, palen en voetstukken,
Ex. 39,34 het dak van gelooide ramsvellen, het dak van fijn leer en het voorhangselkleed,
Ex. 39,35 de ark met de verbondsakte, met draagstokken en dek plaat,
Ex. 39,36 de tafel met alle toebehoren en het toonbrood;
Ex. 39,37 de luchter van zuiver goud met de lampen - de hele reeks - met alle toebehoren en de olie voor de verlichting,
Ex. 39,38 het gouden altaar, de zalfolie en welriekende wierook, het kleed voor de ingang van de tent;
Ex. 39,39 het bronzen altaar met het bijbehorende bronzen hek, de draagstokken en alle toebehoren: het wasbekken met het onderstel;
Ex. 39,40 de kleden voor de voorhof, de palen en voetstukken, het kleed voor de ingang van de voorhof, de touwen en tentpinnen en alle benodigdheden voor de dienst in de woning, de tent van de samenkomst;
Ex. 39,41 de ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom, de heilige gewaden voor de priester Ašron en de gewaden voor zijn zonen, voor de priesterlijke dienst.
Ex. 39,42 De IsraŽlieten hadden het hele werk precies zo uitgevoerd als Jahwe aan Mozes had bevolen.
Ex. 39,43 Toen Mozes het hele werk aanschouwde en zag dat ze het hadden uitgevoerd zoals Jahwe had bevolen, dat ze het precies zo hadden uitgevoerd, gaf hij hun zijn zegen.

Ex. 40,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes:
Ex. 40,2 `Op de eerste dag van de eerste maand moet gij de woning opstellen, de tent van de samenkomst.
Ex. 40,3 Zet er de ark met de verbondsakte in en hang het voorhangsel op.
Ex. 40,4 Plaats dan de tafel en stel alles wat erbij hoort orde lijk op. Vervolgens ook de luchter met de lampen.
Ex. 40,5 Voor de ark met de verbondsakte moet ge het gouden reukofferaltaar neerzetten, en voor de ingang van de woning, de tent van samenkomst, het kleed hangen.
Ex. 40,6 Het brandofferaltaar komt voor de ingang van de woning, de tent van de samenkomst.
Ex. 40,7 Zet het wasbekken tussen de tent van de samenkomst en het altaar en giet er water in.
Ex. 40,8 Dan moet ge daaromheen de voorhof optrekken en voor de ingang daarvan het kleed ophangen.
Ex. 40,9 Heel de woning en alles wat er in staat moet ge met olie zalven en met alle toebehoren wijden zodat het heilig is.
Ex. 40,10 Ook het brandofferaltaar met al zijn toebehoren moet ge zalven en wijden zodat het hoogheilig is.
Ex. 40,11 Ook het wasbekken met het onderstel moet ge zalven en wijden.
Ex. 40,12 Dan ontbiedt gij Ašron met zijn zonen bij de ingang van de tent der samenkomst en reinigt hen met water.
Ex. 40,13 Bekleed Ašron met de heilige gewaden, zalf hem en wijd hem tot mijn priester.
Ex. 40,14 Vervolgens ontbiedt gij zijn zonen en doet hun de tunieken aan.
Ex. 40,15 Zalf hen tot mijn priesters, evenals hun vader. De zalving zal hun voor altijd de priesterlijke waardigheid verlenen, al hun geslachten door.'
Ex. 40,16 Mozes bracht alles ten uitvoer zoals Jahwe had voorgeschreven.
Ex. 40,17 De woning werd opgesteld in de eerste maand van het tweede jaar, op de eerste van de maand.
Ex. 40,18 Mozes liet de woning opstellen: men plaatste de voet stukken, bevestigde de schotten, bracht de verbindingslatten aan en richtte de palen op.
Ex. 40,19 De tent werd over de woning gespannen en daaroverheen werd het tentdak gelegd, zoals Jahwe Mozes bevolen had.
Ex. 40,20 Mozes legde de verbondsakte in de ark, schoof de draag stangen aan de ark en legde er de dekplaat op.
Ex. 40,21 Hij bracht de ark in de woning, hing het voorhangsel op zodat de ark met de verbondsakte naar Jahwe's bevel aan het gezicht werd onttrokken.
Ex. 40,22 Hij plaatste de tafel in de tent van de samenkomst, aan de noordkant van de woning, voor het voorhangsel.
Ex. 40,23 Hij zette er het toonbrood op, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had.
Ex. 40,24 Hij plaatste de luchter in de tent van de samenkomst, tegenover de tafel, aan de zuidkant.
Ex. 40,25 Hij stelde de lampen op voor Jahwe, zoals Jahwe hem bevolen had.
Ex. 40,26 Hij plaatste het gouden altaar in de tent van de samen komst, voor het voorhangsel.
Ex. 40,27 Toen brandde Mozes welriekende wierook zoals Jahwe hem bevolen had.
Ex. 40,28 Hij hing het kleed op voor de ingang van de woning.
Ex. 40,29 Toen plaatste hij het altaar voor de ingang van de woning, de tent van de samenkomst, en hij droeg het brandoffer en het meeloffer op, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had.
Ex. 40,30 Het wasbekken plaatste hij tussen de tent van de samen komst en het altaar en goot er water in.
Ex. 40,31 Mozes en Ašron met zijn zonen wasten er hun handen en voeten.
Ex. 40,32 Telkens wanneer zij de tent van de samenkomst binnen gingen en het altaar naderden wasten zij zich, zoals Jahwe Mozes bevolen had.
Ex. 40,33 Rondom de woning en het altaar werd de voorhof opgetrokken en voor de ingang van de voorhof werd het kleed opgehangen. Daarmee was het werk van Mozes voltooid.
Ex. 40,34 Toen overdekte de wolk de tent van de samenkomst en vulde de heerlijkheid van Jahwe de woning.
Ex. 40,35 En Mozes kon de tent niet binnengaan, want de wolk rustte erboven, en de heerlijkheid van Jahwe vulde de woning.
Ex. 40,36 Op heel hun tocht trokken de IsraŽlieten telkens pas verder als de wolk zich van de woning verhief.
Ex. 40,37 Als de wolk zich niet verhief bleven zij wachten.
Ex. 40,38 Op heel hun tocht rustte overdag de wolk van Jahwe boven de woning, maar's nachts was er een vuurgloed, die zichtbaar was voor alle IsraŽlieten.

<< Genesis Index Oude Testament Leviticus >>