Start
Omhoog

EzechiŽl

 

<< Baruch Index Oude Testament DaniŽl >>

 

EzechiŽl

Ez. 1,1 Tijdens mijn verblijf bij de ballingen aan de rivier de Kebar, op de vijfde dag van de vierde maand van het dertigste jaar, zag ik de hemel opengaan en kreeg ik een groots visioen.
Ez. 1,2 Het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojakin. Op de vijfde dag van de maand
Ez. 1,3 werd het woord van Jahwe gericht tot de priester EzechiŽl, de zoon van Buzi; het gebeurde in het land van de ChaldeeŽn, aan de Kebar; daar kwam de hand van Jahwe over hem.
Ez. 1,4 In mijn visioen zag ik hoe een storm uit het noorden kwam opzetten: een grote wolkenmassa waar vuur in opflitste en die omgeven was door een gloed: de wolkenmassa schitterde als blinkend metaal.
Ez. 1,5 In de wolken tekenden zich gestalten af die op vier levende wezens geleken. Ze zagen er als volgt uit: ze leken op mensen,
Ez. 1,6 maar hadden elk vier gezichten en vier vleugels;
Ez. 1,7 hun benen waren recht en hun voeten leken op de hoeven van een kalf.
Ez. 1,8 Onder de vleugels waren bij de vier op zij mensenhanden zichtbaar. De gezichten van de vier wezens evenals hun vleugels,
Ez. 1,9 die met elkaar verbonden waren, wendden zich niet als ze zich voortbewogen; ze bewogen zich recht voor zich uit.
Ez. 1,10 De gezichten van de vier wezens leken van voren op dat van een mens, rechts leken ze op dat van een leeuw, links op dat van een stier en van achteren op dat van een arend.
Ez. 1,11 Twee van hun vleugels waren naar boven uitgestrekt en raakten elkaar, de twee andere bedekten hun lichaam.
Ez. 1,12 Ze bewogen zich recht voor zich uit; ze gingen waarheen de geest hen dreef en keerden zich niet om als ze zich voortbewogen.
Ez. 1,13 Tussen de levende wezens was iets dat op brandende kolen leek, op fakkels die tussen de levende wezens op en neer flits ten; het vuur laaide hoog op en er schoten bliksemstralen uit.
Ez. 1,14 De levende wezens zelf vlogen heen en weer als bliksem schichten.
Ez. 1,15 Terwijl ik naar de levende wezens keek, zag ik dat bij alle vier op de grond een wiel stond.
Ez. 1,16 De wielen glansden als chrysoliet en hadden alle vier dezelfde vorm en bouw. Ze zagen er zo uit en waren zo gebouwd alsof het ene wiel in het andere zat.
Ez. 1,17 Als ze zich verplaatsten, konden ze zich in alle vier richtingen bewegen zonder dat ze zich hoefden om te draaien.
Ez. 1,18 De wielen waren indrukwekkend hoog en de velgen ervan waren geheel met ogen bezet.
Ez. 1,19 Als de levende wezens zich verplaatsten bewogen de wielen zich met hen mee, en als ze zich van de grond verhieven, verhieven zich ook de wielen met hen mee:
Ez. 1,20 ze gingen naar waar de geest hen dreef, en de wielen verhieven zich gelijktijdig mee, want de geest van de levende wezens beheerste ook de wielen.
Ez. 1,21 Als de levende wezens zich verplaatsten bewogen de wielen zich mee, en als de levende wezens stilstonden, stonden ook de wielen stil, en als de levende wezens zich van de grond verhieven, verhieven zich ook de wielen, want de geest van de levende wezens beheerste ook de wielen.
Ez. 1,22 Boven de hoofden van de levende wezens bevond zich een soort gewelf dat glinsterde als verblindend kristal, uitgespannen boven hun hoofden.
Ez. 1,23 Onder het gewelf hielden de levende wezens twee vleugels naar boven gestrekt zodanig dat ze elkaar raakten; met de twee andere bedekten ze hun lichaam.
Ez. 1,24 Als ze zich voortbewogen hoorde ik het klapperen van hun vleugels; het was als het gedruis van een grote watermassa, als de donder van de Almachtige, als het rumoer in een legerplaats; als ze stilstonden lieten ze hun vleugels neer.
Ez. 1,25 En er klonk een stem boven het gewelf dat boven hun hoofden was.
Ez. 1,26 Boven het gewelf dat boven hun hoofden was gespannen zag men zo iets als een saffiersteen in de vorm van een troon. En daarop, op wat dus een troon leek te zijn, was een mensengestalte zichtbaar.
Ez. 1,27 Ik zag een schittering als van metaal; boven zijn middel fonkelde die gestalte als metaal, alsof er vuur in zijn binnenste gloeide, en onder zijn middel scheen hij vuur dat een gloed uitstraalde;
Ez. 1,28 zoals de boog er uitziet, die in de regentijd in de wolken staat, zo was de aanblik van de gloed die hij uitstraalde. Aldus openbaarde zich de heerlijkheid van Jahwe. Toen ik dat zag viel ik plat voorover. Daarop hoorde ik een stem tot mij spreken.

Ez. 2,1 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, ga recht overeind staan, dan zal Ik tot u spreken.'
Ez. 2,2 Zodra Hij tot mij gesproken had, kwam er een geest over mij, die mij recht overeind deed staan, en weer hoorde ik Hem spreken.
Ez. 2,3 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, Ik zend u tot de IsraŽlieten, dat volk van rebellen dat zich tegen Mij verzet heeft; zij en hun vaderen hebben tegen Mij gezondigd tot op de dag van vandaag.
Ez. 2,4 De zonen hebben een harde blik en een hart van steen; Ik zend u tot hen met de boodschap: Zo spreekt Jahwe de Heer!
Ez. 2,5 En of ze luisteren of niet, want het is een weerspannig volk: ze zullen erkennen dat er onder hen een profeet geweest is.
Ez. 2,6 En wat u zelf betreft, mensenkind: wees niet bang voor hen en voor wat ze zeggen; al groeien er doornen om u heen en al zit ge op schorpioenen, wees niet bevreesd voor hun woorden en niet beducht voor hun aanblik, het is nu eenmaal een weerspannig volk.
Ez. 2,7 Ge moet hun mijn woorden overbrengen, of ze luisteren of niet; het is nu eenmaal een weerspannig volk.
Ez. 2,8 Mensenkind, luister naar wat Ik u zeg, wees niet weerspannig zoals dit weerspannige volk, maar doe uw mond open en eet wat Ik u geef.'
Ez. 2,9 Ik keek op en zag een hand die zich naar mij uitstrekte en in die hand zag Ik een boekrol.
Ez. 2,10 Hij rolde ze voor mij af; ze was beschreven van binnen en van buiten; er stonden klaagliederen op, treurzangen en weeklach ten.

Ez. 3,1 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, eet wat u voorgehouden wordt, eet deze boekrol op en richt dan het woord tot het volk van IsraŽl.'
Ez. 3,2 Toen opende ik mijn mond en Hij gaf me die boekrol te eten.
Ez. 3,3 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, laat uw lichaam deze boekrol die Ik u geef opnemen en verzadig u ermee. Ik at dus de boekrol op: ze smaakte me zo zoet als honing.
Ez. 3,4 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, begeef u naar het volk van IsraŽl en breng hun mijn woorden over.
Ez. 3,5 Ge wordt niet gezonden naar een volk met een vreemde taal en tongval, maar tot het volk van IsraŽl;
Ez. 3,6 naar geen van de vele volken met een vreemde taal en tongval wier woorden ge niet verstaat. Als Ik u tot hen zond, zouden ze naar u luisteren.
Ez. 3,7 Maar het volk van IsraŽl is niet bereid naar u te luiste ren, omdat het niet naar Mij wil luisteren: het volk van IsraŽl heeft een harde blik en een hart van steen.
Ez. 3,8 Ik zal dan ook uw blik even hard maken als de hunne en uw gezicht even strak.
Ez. 3,9 Uw gezicht maak Ik harder dan kiezel, hard als diamant; wees dan niet bang voor hen en niet bevreesd voor hun aanblik: het is nu eenmaal een weerspannig volk.'
Ez. 3,10 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, neem al de woorden die Ik tot u zal spreken in uw hart op en luister er goed naar.
Ez. 3,11 Ga naar de ballingen, uw volksgenoten; spreek hun toe en zeg tot hen, of ze luisteren of niet: Zo spreekt Jahwe de Heer!'
Ez. 3,12 Toen hief de geest van Jahwe mij op en ik hoorde achter mij een luid geroep: 'Gezegend zij de heerlijkheid van Jahwe in zijn heiligdom.'
Ez. 3,13 Ik hoorde het klapperen van de elkaar rakende vleugels van de levende wezens, het geratel van de wielen naast hen, en tegelijk het gedreun van een aardbeving.
Ez. 3,14 De geest hief mij op en voerde me mee en ik ging heen, bitter gestemd en toornig, terwijl de hand van Jahwe op mij drukte.
Ez. 3,15 Ik kwam bij de ballingen van Tel-abib die aan de Kebar woonden. Zeven dagen zat ik in hun midden, zonder een woord uit te kunnen brengen.
Ez. 3,16 Toen deze zeven dagen voorbij waren werd het woord van Jahwe tot mij gericht:
Ez. 3,17 'Mensenkind, Ik stel u aan als wachter voor het volk van IsraŽl. Telkens als ge uit mijn mond een woord hoort, moet ge hen namens Mij waarschuwen.
Ez. 3,18 Als Ik tot de boosdoener zegt: Ge zult zeker sterven, en gij waarschuwt hem niet, en laat na hem op zijn slecht gedrag te wijzen om zijn leven te redden, dan zal die boosdoener weliswaar om zijn eigen schuld sterven, maar u zal Ik rekenschap vragen van zijn bloed.
Ez. 3,19 Maar als ge de boosdoener gewaarschuwd hebt en hij betert zijn leven niet, dan zal hij wel sterven om zijn eigen schuld, maar gij hebt uw eigen leven gered.
Ez. 3,20 Als een rechtvaardige zich gaat misdragen en verkeerde dingen doet, en Ik laat hem struikelen, dan zal hij sterven; hij sterft omdat gij hem niet op zijn zonde gewezen hebt; zijn goede daden tellen dan niet meer mee, maar u zal Ik rekenschap vragen van zijn bloed.
Ez. 3,21 Maar als ge de rechtvaardige waarschuwt dat hij niet moet zondigen, en hij zondigt ook niet, dan zal hij beslist in leven blijven, omdat hij uw waarschuwing ter harte heeft genomen, en gij hebt uw eigen leven gered.'
Ez. 3,22 Toen legde de hand van Jahwe zich op mij, en Hij zei tot mij: 'Sta op, ga naar de laagvlakte, daar zal Ik tot u spreken.'
Ez. 3,23 Toen stond ik op en ging naar de laagvlakte, en daar zag ik de heerlijkheid van Jahwe, juist zoals ik haar gezien had aan de Kebar, en ik wierp mij plat ter aarde.
Ez. 3,24 Maar de geest kwam over mij en deed mij rechtop staan. En Jahwe sprak tot mij: 'Ga naar binnen en sluit u op in uw huis.
Ez. 3,25 Mensenkind, men zal touwen nemen en u daarmee knevelen, zodat ge u niet onder hen kunt begeven.
Ez. 3,26 Uw tong zal Ik aan uw verhemelte doen kleven en ge zult stom zijn, zodat ge voor hen geen strafprediker meer kunt zijn; het is nu eenmaal een weerspannig volk.
Ez. 3,27 Maar als Ik tot u spreek, zal Ik uw mond openen; dan moet ge tot hen zeggen: Zo spreekt de Heer. Wie luisteren wil luiste re, en wie niet luisteren wil, moet maar niet luisteren: Het is nu eenmaal een weerspannig volk.'

Ez. 4,1 Mensenkind, neem een tegel, leg die voor u, en teken daarop een stad: Jeruzalem.
Ez. 4,2 Sla er het beleg voor, bouw er een belegeringsdam tegen aan, werp er een wal tegen op, leg er legerkampen rondom, en breng aan alle kanten stormrammen in stelling.
Ez. 4,3 Neem vervolgens een ijzeren bakplaat; zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad en houd uw blik op de stad gericht: zo belegert ge de stad. Uw belegering zal voor het volk van IsraŽl een teken zijn.
Ez. 4,4 Ga dan op uw linkerzijde liggen om de schuld van het volk van IsraŽl te dragen; zoveel dagen als ge zo zult liggen, zult ge hun schuld dragen.
Ez. 4,5 Ik reken het aantal jaren van hun schuld in dagen om: driehonderdnegentig dagen moet ge de schuld van het volk van IsraŽl dragen.
Ez. 4,6 Als die dagen om zijn, moet ge opnieuw gaan liggen, nu op uw rechterzijde, en de schuld van het volk van Juda dragen, veertig dagen lang; voor elk jaar leg Ik u een dag op.
Ez. 4,7 Ontbloot uw arm, richt uw blik op Jeruzalem en profeteer tegen de belegerde stad.
Ez. 4,8 Ik zal u met touwen knevelen, zodat ge u niet van de ene zijde op de andere kunt keren totdat de dagen der belegering voorbij zijn.
Ez. 4,9 Neem tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt; doe alles in een pot en maak er brood van; al de driehonderdnegentig dagen dat ge op uw zijde ligt, moet ge dat eten.
Ez. 4,10 Als voedsel moet ge voor iedere dag twintig sikkel afwegen en dat op vaste tijden gebruiken.
Ez. 4,11 Ook uw drinkwater moet ge rantsoeneren; een zesde hin, en dat op vaste tijden drinken.
Ez. 4,12 In de vorm van gerstekoeken moet ge uw voedsel eten; ge moet die koeken voor aller ogen bakken op droge uitwerpselen van mensen.
Ez. 4,13 En Jahwe zei: 'Op dezelfde wijze zullen de IsraŽlieten onreine spijzen eten, wanneer Ik ze verstrooid heb onder de heidenen, naar wier land Ik ze zal drijven.'
Ez. 4,14 Maar ik zei: 'Ach Heer Jahwe, ik ben nog nooit onrein geweest en van jongs af heb ik nog nooit het vlees van gestorven of verscheurde dieren gegeten, en mijn mond heeft nog nooit onrein vlees geproefd.'
Ez. 4,15 Toen zei Hij tot mij: 'Goed dan, Ik sta u toe, rundermest te gebruiken in plaats van menselijke uitwerpselen; bereid daarop dan uw brood.'
Ez. 4,16 Daarna zei Hij tot mij: 'Mensenkind, Ik ga in Jeruzalem het brood van de plank nemen, ze zullen brood eten met mondjes maat en zich zorgen maken. Ook water zullen ze drinken met mondjesmaat en daarbij in vertwijfeling geraken.
Ez. 4,17 Ik doe dit, opdat ze brood en water te kort zullen komen, allemaal in paniek raken en in hun ongerechtigheid te gronde gaan.'

Ez. 5,1 Mensenkind, neem een scherp mes, een scheermes, en laat het over uw hoofd en uw baard gaan. Neem dan een weegschaal en verdeel de haren.
Ez. 5,2 Een derde deel moet ge in de stad verbranden, wanneer de dagen der belegering ten einde zijn; een derde deel moet ge in het omliggende gebied korthakken; het laatste deel moet ge in de wind strooien en Ik zal het met het zwaard achtervolgen,
Ez. 5,3 maar een beetje haar moet ge in een slip van uw kleed vastbinden.
Ez. 5,4 Toch moet ge daar nog iets vanaf nemen, het in het vuur werpen en daarin laten verbranden; uit dat vuur zal een vlam overslaan naar het huis van IsraŽl.
Ez. 5,5 Zo spreekt Jahwe, de Heer: Dit is Jeruzalem: in het midden van de volken had Ik het geplaatst en alle landen er omheen gegroepeerd.
Ez. 5,6 Maar het kwam in verzet tegen mijn geboden, erger nog dan die volken, en tegen mijn wetten, erger nog dan de landen rondom, want ze hebben mijn geboden veracht en mijn wetten niet gehoorzaamd.
Ez. 5,7 Daarom, zo spreekt Jahwe de Heer: Omdat ge nog meer in verzet gekomen bent dan de volken rondom u heen, mijn wetten niet hebt opgevolgd en mijn geboden niet onderhouden, en zelfs de geboden van de volken rondom u heen niet hebt opgevolgd,
Ez. 5,8 daarom, zo spreekt Jahwe de Heer: zal Ik u straffen. Ik zal over u mijn strafgericht voltrekken voor de ogen van de volken.
Ez. 5,9 Voor al uw gruweldaden zal Ik u zwaarder straffen dan Ik ooit met iemand gedaan heb of zal doen.
Ez. 5,10 Binnen uw muren zullen vaders hun zonen opeten en zonen hun vaders; Ik zal over u mijn strafgericht voltrekken en wat van u overblijft naar alle windstreken verstrooien.
Ez. 5,11 Daarom, zowaar Ik leef, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer: Omdat ge mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw wandaden en al uw gruweldaden, ga Ik het mes erin zetten zonder aanzien des persoons en zonder medelijden.
Ez. 5,12 Een derde deel van uw bevolking zal binnen uw poorten sterven aan de pest of omkomen van honger; een derde deel zal in het gebied rondom u vallen door het zwaard en een derde deel zal Ik naar alle windstreken verstrooien en met het zwaard achtervol gen.
Ez. 5,13 Zo zal mijn toorn tot bedaren komen, en zal Ik mijn woede op hen koelen en wraak nemen; en als Ik mijn woede op hen gekoeld heb zullen ze erkennen dat het naijver was die Mij, Jahwe, zo deed spreken.
Ez. 5,14 Ik zal van u een puinhoop maken, een voorwerp van smaad voor de volken rondom, ten aanschouwen van ieder die voorbijgaat.
Ez. 5,15 Ge zult een voorwerp van smaad en spot zijn, een waar schuwend teken en schrikwekkend voorbeeld voor de volken rondom u, als Ik in mijn hevige woede mijn strafgericht genadeloos over u voltrokken zal hebben. Ik, Jahwe, heb gesproken.
Ez. 5,16 Ik schiet op u de verschrikkelijke pijlen van de honger af, die dood en verderf zaaien, de pijlen waarmee Ik u wil vernietigen; zo zal Ik bij u een grote hongersnood veroorzaken en de broodstok breken.
Ez. 5,17 Ik zal honger en wilde dieren op u afsturen, die u kinderloos maken; pest en oorlog zullen u teisteren en het zwaard zal onder u woeden; Ik Jahwe, heb gesproken.

Ez. 6,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 6,2 Mensenkind, richt uw blik op de bergen van IsraŽl, profeteer ertegen
Ez. 6,3 en zeg: Bergen van IsraŽl, luister naar het woord van Jahwe de Heer: zo spreekt Jahwe de Heer: Bergen en heuvels, ravijnen en dalen: Ik laat het zwaard tegen u woeden en slecht uw offerhoogten;
Ez. 6,4 de altaren worden vernietigd en de wierookbranders stukgeslagen; voor uw afgoden laat Ik de IsraŽlieten dodelijk getroffen neervallen;
Ez. 6,5 hun lijk en smijt Ik voor de voeten van hun afgoden en hun beenderen strooi Ik rond uw altaren.
Ez. 6,6 Waar in uw gebied ook IsraŽlieten wonen, zullen de steden in puin en de offerhoogten verlaten liggen, de altaren vernield en eenzaam, de afgodsbeelden gebroken en vernietigd; de wierook branders zullen stukgeslagen worden: al uw maaksels zullen worden weggevaagd,
Ez. 6,7 en dodelijk getroffen vallen uw bewoners neer. Zo zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 6,8 Maar Ik zal een rest doen overblijven; ze zullen aan het zwaard ontkomen en onder de volken wonen, als ge verstrooid wordt over de landen.
Ez. 6,9 Uw overlevenden zullen in het land van hun ballingschap weer aan Mij denken, als Ik ze met hun ontuchtig hart, dat van Mij afgeweken was, en met hun ogen, die overspelig naar hun afgoden lonkten, kleingekregen heb; de schaamte zal hun op het gezicht te lezen staan vanwege al het kwaad en de gruweldaden waaraan ze zich schuldig gemaakt hebben,
Ez. 6,10 en ze zullen erkennen dat Ik Jahwe ben: het was Mij ernst toen Ik hun dit onheil aanzegde.
Ez. 6,11 Zo spreekt Jahwe de Heer: Klap in uw handen, stamp met uw voeten en roep wee over alle verschrikkelijke wandaden van het volk van IsraŽl, want ze zullen vallen door het zwaard, door de honger en door de pest.
Ez. 6,12 Wie ver weg is zal sterven aan de pest; wie dichtbij is zal vallen door het zwaard en wie overgebleven is en gespaard werd zal van honger sterven; zo zal Ik mijn woede op hen koelen.
Ez. 6,13 Ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben als ge de doden ziet liggen tussen de afgodsbeelden en rondom de altaren, op elke hoge heuvel, op alle bergtoppen, onder elke groene boom en schaduwrijke eik, waar ze hun reukoffers gebrand hebben voor hun afgoden.
Ez. 6,14 Ik zal mijn hand tegen hen uitstrekken en van het land een barre woestenij maken, vanaf de woestijn tot Ribla toe, overal waar ze wonen, en ze zullen erkennen dat Ik Jahwe ben.

Ez. 7,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 7,2 Mensenkind, zo spreekt Jahwe de Heer over de grond van IsraŽl: Het einde komt, het einde over de vier hoeken van het land.
Ez. 7,3 Nu komt het einde over u; Ik ga mijn woede op u koelen; Ik zal u vonnissen naar uw doen en laten; Ik zal u al uw gruweldaden vergelden.
Ez. 7,4 Ik zal u niet ontzien en geen medelijden met u hebben, maar uw doen en laten vergelden; uw gruweldaden zullen op u neerkomen en ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 7,5 Zo spreekt Jahwe: Het onheil komt, ramp op ramp!
Ez. 7,6 Het einde komt! Het komt, het einde! Het einde komt voor u.
Ez. 7,7 Het noodlot zal u treffen, bewoners van het land; de tijd is gekomen; de dag is nabij dat het krijgsrumoer de vreugdekreten op de bergen doet verstommen.
Ez. 7,8 Weldra laat Ik mijn toorn de vrije loop en ga Ik mijn woede op u koelen, u vonnissen naar uw doen en laten en al uw gruweldaden vergelden.
Ez. 7,9 Ik zal u niet ontzien en geen medelijden met u hebben, maar uw doen en laten op u doen neerkomen en uw gruweldaden vergelden, en ge zult erkennen dat Ik, Jahwe, het ben, die slaat.
Ez. 7,10 Daar komt de dag, daar komt hij, waarop het noodlot zich voltrekt; de scepter bloeit en de overmoed draagt vrucht,
Ez. 7,11 een misdadige scepter, opgeschoten uit geweldpleging. Maar het is uit met hen, gedaan met hun drukte, gedaan met hun geraas, gedaan met hun praal.
Ez. 7,12 De tijd is gekomen; de dag is nabij; laat de koper zich niet verheugen en de verkoper niet treuren, want de toorn komt over allen.
Ez. 7,13 Al zouden beiden dan nog leven, nooit krijgt de verkoper het verkochte terug, want de profetie over allen is onherroepelijk; niemand die behagen schept in ongerechtigheid kan zijn leven behouden.
Ez. 7,14 Steek de bazuin, maak alles gereed. Maar niemand zal ten strijde trekken, want mijn toorn komt over allen.
Ez. 7,15 Het zwaard woedt buiten de muren, de pest en honger binnen. Wie op het veld is zal sterven door het zwaard en wie in de stad is zal door honger en pest omkomen.
Ez. 7,16 Zoals duiven uit de vlakte in de bergen klagen, zo zullen de overlevenden treuren over hun zonden.
Ez. 7,17 Allen zullen van angst verlamd zijn en hun water laten lopen.
Ez. 7,18 Ze zullen zich in zakken hullen, angst zal hen overmannen; alle gezichten zullen rood zijn van schaamte, en ze zullen hun hoofden kaal scheren.
Ez. 7,19 Hun zilver zullen ze op straat werpen en hun goud zullen hen ook niet kunnen redden op de dag van de toorn van Jahwe; ze zullen zich daarmee niet kunnen verzadigen en hun maag er niet mee vullen, want het was de oorzaak van hun zonde.
Ez. 7,20 Van hun sieraden immers hadden ze hun trotse godenbeeld gemaakt en hun gruwelbeelden, die misbaksels van ze; daarom zal Ik zorgen dat ze ervan gruwen.
Ez. 7,21 Ik zal die beelden aan barbaren uitleveren en aan de ergste bruten ter wereld als krijgsbuit geven, die er hun schennende hand aan zullen slaan.
Ez. 7,22 Ik zal mijn gezicht van hen afwenden en men zal mijn schatkamer schenden; barbaren zullen er binnendringen en hem ontwijden.
Ez. 7,23 Maak ketenen, want in het land is gerechtelijke moord aan de orde van de dag en geweldpleging in de stad.
Ez. 7,24 Ik zal de wreedste volken ontbieden; die zullen hun huizen in bezit nemen. Ik zal een einde maken aan hun trotse godenbeeld, en zijn heiligdom zal worden ontwijd.
Ez. 7,25 Er zal paniek uitbreken; ze zullen naar redding uitzien, maar tevergeefs.
Ez. 7,26 Ramp op ramp zal komen; gerucht op gerucht zich versprei den. Tevergeefs zullen ze de profeten om een godsspraak vragen; ook de priesters zullen geen uitkomst kunnen geven en de oudsten geen raad.
Ez. 7,27 De koning zal rouwen, de vorst met stomheid geslagen zijn en het volk van het land verlamd van ontzetting. Ik zal hun daden vergelden en ze naar hun doen en laten vonnissen, en ze zullen weten dat Ik Jahwe ben.

Ez. 8,1 In het zesde jaar op de vijfde dag van de zesde maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda zich voor mij neergezet hadden, kwam de hand van Jahwe over mij.
Ez. 8,2 Ik keek op en zag iets dat op een mens geleek; onder zijn middel leek alles vuur te zijn, en boven zijn middel leek de gestalte omgeven door een glans, blinkend als metaal.
Ez. 8,3 Hij strekte iets dat op een hand leek uit en greep me bij mijn haar; de geest hief mij op tussen hemel en aarde en bracht me in een hemels visioen naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, de plaats waar het afgodsbeeld staat, dat Jahwe's naijver opwekt.
Ez. 8,4 En daar zag ik de heerlijkheid van de God van IsraŽl, juist als in het visioen dat ik in de vlakte gekregen had.
Ez. 8,5 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, richt uw blik naar het noorden.' Ik richtte mijn blik naar het noorden en zag ten noorden van de poort het altaar staan voor het afgodsbeeld, dat Jahwe's naijver opwekt.
Ez. 8,6 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, ziet ge die vreselijke gruweldaden die het volk van IsraŽl hier bedrijft, zodat Ik ver van mijn heiligdom moet blijven? Nog erger gruweldaden zult ge zien.'
Ez. 8,7 Toen bracht hij me naar de ingang van de voorhof. Daar zag ik een gat in de muur.
Ez. 8,8 Hij zei tot mij: 'Breek er doorheen.' Ik brak er doorheen en zag een deur.
Ez. 8,9 Hij zei tot mij: 'Ga naar binnen en aanschouw de vreselijke gruweldaden die ze daar bedrijven.'
Ez. 8,10 Ik ging naar binnen en zag er allerlei weerzinwekkende afbeeldingen van kruipend gedierte en andere beesten, en van alle afgoden van het volk van IsraŽl, rondom op de muren aangebracht.
Ez. 8,11 Daarvoor stonden zeventig oudsten van IsraŽl, onder wie Jaazanja, de zoon van Safan; ieder hield een wierookvat in de hand en geurige wierookwolken stegen eruit op.
Ez. 8,12 Hij zei tot mij: 'Ziet ge, mensenkind, wat de oudsten van het volk van IsraŽl in het donker doen, in die kamer vol afbeeldingen? Ze zeggen: Jahwe ziet niet naar ons om, Jahwe heeft het land in de steek gelaten.'
Ez. 8,13 En Hij zei tot mij: 'Nog vreselijker dingen zult ge aanschouwen.'
Ez. 8,14 Toen bracht Hij me naar de ingang van de noordelijke tempelpoort. Daar zaten vrouwen Tammuz te bewenen.
Ez. 8,15 Hij zei tot mij: 'Ziet ge dat, mensenkind? Nog vreselijker dingen zult ge aanschouwen.'
Ez. 8,16 Toen leidde Hij me de binnenste voorhof van de tempel binnen. Daar zag ik bij de ingang van het heiligdom van Jahwe, tussen het portaal en het altaar, vijfentwintig mannen; ze stonden met hun rug naar het heiligdom van Jahwe en met hun gezicht naar het oosten. Naar het oosten gekeerd bogen ze zich neer voor de zon.
Ez. 8,17 Hij zei tot mij: 'Ziet ge dat, mensenkind? Heeft het volk van Juda hier nog niet genoeg gruwelen bedreven, dat ze ook in het land gewelddaad op gewelddaad plegen om Mij te tergen? Zie toch eens hoe ze Mij een wijnrank in de neus steken.
Ez. 8,18 Daarom doe Ik wat mijn woede Mij ingeeft. Ik zal hen niet ontzien en geen medelijden hebben. Al roepen ze Mij met luider stem aan, Ik luister niet naar hen.'

Ez. 9,1 Toen hoorde ik Hem met luider stem roepen: 'Treed nader, gij die de straf voltrekken moet aan de stad, uw wapens gereed om haar te vernietigen.'
Ez. 9,2 Daar kwamen zes mannen door de noordelijke bovenpoort, de wapens gereed om de stad te vernietigen. Onder hen bevond zich een man in linnen gekleed en met aan zijn middel een inktkoker. Ze kwamen nader en gingen naast het bronzen altaar staan.
Ez. 9,3 De heerlijkheid van de God van IsraŽl was opgestegen van de kerubs waarop ze stond en had zich verplaatst naar de drempel van het heiligdom. Jahwe riep tot de man die in linnen gekleed was, met de inktkoker aan zijn middel:
Ez. 9,4 'Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een teken op het voorhoofd van de mannen die jammeren en klagen over alle gruweldaden die daar bedreven worden.'
Ez. 9,5 En tot de anderen zei Hij duidelijk hoorbaar: 'Trek door de stad achter hem aan, en sla de inwoners meedogenloos en zonder erbarming neer.
Ez. 9,6 Grijsaards, jongemannen en meisjes, zuigelingen en vrouwen moet ge onbarmhartig doden, maar raak niemand aan die het teken draagt; bij mijn heiligdom moet ge beginnen.' Ze begonnen dus bij de mannen die zich voor het heiligdom bevonden.
Ez. 9,7 En Hij zei tot hen: 'Verontreinig de tempel en vul de voorhoven met lijken. Vooruit!' En zij vertrokken en sloegen op de bevolking in.
Ez. 9,8 Terwijl ze nu bezig waren met het neerslaan en ik alleen achterbleef, wierp ik mij plat op de grond, en schreeuwde het uit: 'Ach Heer Jahwe, gaat Gij nu de hele rest van IsraŽl vernietigen en uw woede koelen aan Jeruzalem?'
Ez. 9,9 Hij zei tot mij: 'De ongerechtigheid van het volk van IsraŽl en van Juda is buitengewoon groot; gerechtelijke moord is in het land aan de orde van de dag en geweldpleging in de stad. Ze denken: Jahwe heeft het land in de steek gelaten, Jahwe ziet er niet naar om.
Ez. 9,10 Daarom wil Ik geen erbarming kennen en geen medelijden hebben; hun daden zal Ik op hun eigen hoofd doen neerkomen.'
Ez. 9,11 Daarop kwam de man die in linnen gekleed was, met de inktkoker aan zijn middel, verslag uitbrengen en zei: 'Ik heb gedaan wat Gij me bevolen hebt.'

Ez. 10,1 Toen zag ik op het gewelf boven de hoofden van de kerubs zo iets als een saffiersteen; hij had de vorm van een troon en daarboven was een gestalte zichtbaar.
Ez. 10,2 En deze zei tot de man die in linnen gekleed was: 'Begeef u tussen het wielwerk onder de stad.' En voor mijn ogen ging hij er tussen in.
Ez. 10,3 De kerubs stonden aan de rechterkant van het heiligdom, toen de man zich tussen het wielwerk begaf en een wolk vulde de binnenste voorhof.
Ez. 10,4 Toen verhief de heerlijkheid van Jahwe zich van boven de kerubs en verplaatste zich naar de drempel van het heiligdom; de wolk vulde geheel het heiligdom en de voorhof baadde in de gloed van de heerlijkheid van Jahwe.
Ez. 10,5 Het klapperen van de vleugels van de kerubs was hoorbaar tot in de buitenste voorhof, als de stem van de almachtige God.
Ez. 10,6 Nadat Hij de man die in linnen gekleed was bevolen had vuur te nemen van tussen het wielwerk onder de kerubs, was deze naast een der wielen gaan staan.
Ez. 10,7 Een van de kerubs strekte zijn hand uit naar het vuur, nam daarvan en legde het in de handen van de man die in linnen gekleed was; deze nam het vuur en ging heen.
Ez. 10,8 Onder de vleugels van de kerubs was zo iets als een mensenhand zichtbaar.
Ez. 10,9 Ik keek toe en zag naast de vier kerubs wielen staan, naast elke kerub een wiel; de wielen glansden als chrysoliet.
Ez. 10,10 Ze zagen eruit als volgt: ze hadden alle vier dezelfde vorm; het leek alsof het ene wiel in het andere zat.
Ez. 10,11 De kerubs konden zich in alle vier de richtingen voort bewegen, zonder zich daarbij om te hoeven draaien. Waar de voorste zich heenwendde volgden ook de anderen, zonder zich bij de beweging om te draaien.
Ez. 10,12 Hun gehele lichaam, hun rug, hun handen en vleugels, waren bij alle vier geheel met ogen bezet; elk van de vier had een eigen wiel.
Ez. 10,13 Wat de wielen betreft: ik hoorde dat men de wielen het wielwerk noemde.
Ez. 10,14 Iedere kerub had vier gezichten; het eerste gezicht was dat van een kerub, het tweede dat van een mens, het derde dat van een leeuw, en het vierde dat van een arend.
Ez. 10,15 Toen verhieven de kerubs zich; het waren dezelfde wezens die ik aan de Kebar gezien had.
Ez. 10,16 Als de kerubs zich voortbewogen, draaiden de wielen met hen mee, en als de kerubs hun vleugels uitsloegen om zich van de grond te verheffen, weken de wielen niet van hun zijde.
Ez. 10,17 Als de kerubs stilstonden, stonden de wielen stil, en als de kerubs zich verhieven, verhieven de wielen zich ook; de geest van de levende wezens beheerste ook de wielen.
Ez. 10,18 Toen verliet de heerlijkheid van Jahwe de drempel van het heiligdom en plaatste zich op de kerubs.
Ez. 10,19 De kerubs sloegen hun vleugels uit en verhieven zich voor mijn ogen van de grond, en de wielen gingen met hen mee. Ze daalden neer bij de oostpoort van de tempel met de heerlijkheid van de God van IsraŽl boven zich.
Ez. 10,20 Het waren dezelfde wezens die ik gezien had onder de God van IsraŽl, toen ik aan de Kebar verbleef, en ik begreep nu dat het kerubs waren.
Ez. 10,21 Ieder had vier gezichten, ieder had vier vleugels en onder hun vleugels zo iets als mensenhanden.
Ez. 10,22 En wat de gezichten betreft: het waren dezelfde gezichten die ik gezien had aan de Kebar; het waren dezelfde wezens en ze bewogen zich recht voor zich uit.

Ez. 11,1 Toen hief de geest mij op en bracht mij naar de oostpoort van het huis van Jahwe, de poort die op het oosten ligt; bij de ingang van de poort zag ik vijfentwintig man, onder wie Jaazanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, leiders van het volk.
Ez. 11,2 Jahwe zei tot mij: 'Mensenkind, dit zijn de mannen die hier in de stad een slecht beleid voeren en tot kwaad aanzetten.
Ez. 11,3 Zij zeggen: Voorlopig geen huizen bouwen; de stad is de pot en wij zijn het vlees.
Ez. 11,4 Daarom moet gij Gods woord tegen hen richten, mensenkind; laat ze Gods woord horen.'
Ez. 11,5 Toen viel de geest van Jahwe op mij en Hij beval mij dit te zeggen: 'Zo spreekt Jahwe: Dat zijn uw woorden, volk van IsraŽl, en ook uw plannen ken Ik.
Ez. 11,6 Ge hebt in deze stad veel mensen gedood en de straten met lijken bezaaid.
Ez. 11,7 Daarom, zo spreekt Jahwe de Heer: De slachtoffers die ge hier gemaakt hebt, die zijn het vlees en de stad is de pot, maar u zal Jahwe eruit halen.
Ez. 11,8 Voor het zwaard zijt ge beducht, het zwaard zal Ik over u brengen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 11,9 Ik zal u uit de stad halen, u overleveren aan barbaren en een strafgericht aan u voltrekken.
Ez. 11,10 Door het zwaard zult ge vallen, op IsraŽls bodem zal Ik u vonnissen, en ge zult weten dat Ik Jahwe ben.
Ez. 11,11 De stad zal voor u niet de pot zijn en gij niet het vlees erin; op IsraŽls bodem zal Ik u vonnissen,
Ez. 11,12 en ge zult weten dat Ik Jahwe ben, gij die mijn wetten niet in acht genomen hebt en mijn geboden niet onderhouden, maar die gehandeld hebt naar de zeden van de volken rondom.'
Ez. 11,13 Terwijl ik profeteerde, viel Pelatja, de zoon van Benaja, dood neer; ik wierp mij ter aarde en schreeuwde luidkeels: 'Ach Heer Jahwe, gaat Gij dan een einde maken aan de rest van IsraŽl?'
Ez. 11,14 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 11,15 'Mensenkind, uw broeders, uw ware broeders, zijn uw medeballingen; zij zijn het eigenlijke volk van IsraŽl, ofschoon de inwoners van Jeruzalem zeggen: Zij zijn ver van Jahwe; ons is dit land in bezit gegeven.
Ez. 11,16 Zeg daarom: Zo spreekt Jahwe de Heer: Hoewel Ik hen verdreven heb onder de volken en hen verstrooid heb over de landen, ben Ik voor hen toch nog een heiligdom in de landen waar ze terechtgekomen zijn.
Ez. 11,17 Zeg hun bovendien: Zo spreekt Jahwe de Heer: Ik zal u bijeenbrengen uit de volken, u verzamelen uit de landen waarover ge verstrooid zijt, en u zal Ik de grond van IsraŽl geven.
Ez. 11,18 Daar aan gekomen zullen ze er alle gruwelen en alle afgoden verwijderen.
Ez. 11,19 Ik zal hun een nieuw hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste uitstorten; Ik zal het stenen hart uit het lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven,
Ez. 11,20 opdat ze mijn wetten in acht nemen en mijn geboden nauwlettend onderhouden. Zo zullen ze mijn volk zijn en Ik hun God.
Ez. 11,21 Maar al degenen die zich aan hun gruwelen en afgoden vergooid hebben zal Ik hun daden vergelden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.'
Ez. 11,22 Toen sloegen de kerubs met de wielen naast zich hun vleugels uit, terwijl de heerlijkheid van IsraŽls God boven hen zweefde.
Ez. 11,23 De heerlijkheid van Jahwe steeg op uit de stad en liet zich neer op de berg die ten oosten van de stad ligt.
Ez. 11,24 De geest hief mij op en bracht mij in mijn hemels visioen terug naar de ballingen in het land van de ChaldeeŽn. En toen het visioen dat ik gezien had van mij geweken was,
Ez. 11,25 deelde ik de ballingen alles mee wat Jahwe mij had laten zien.

Ez. 12,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 12,2 Mensenkind, ge woont temidden van een weerspannig volk, dat ogen heeft om te zien maar niet ziet, en oren om te horen maar niet hoort; het is nu eenmaal een weerspannig volk.
Ez. 12,3 Mensenkind, pak bij elkaar zoveel als een balling mee kan nemen en ga bij dag, voor aller ogen, in ballingschap. Voor hun ogen moet ge uit uw woonplaats vertrekken naar elders; misschien komen ze dan tot het inzicht dat ze een weerspannig volk zijn.
Ez. 12,4 Breng de bagage voor uw ballingschap overdag voor hun ogen naar buiten en vertrek voor hun ogen tegen het vallen van de avond als een balling.
Ez. 12,5 Maak voor hun ogen een gat in de muur en stap daar door heen.
Ez. 12,6 Uw bagage moet ge voor hun ogen op uw schouders laden en in het donker vertrekken; ge moet uw gezicht bedekken, zodat ge de grond niet kunt zien; want Ik maak u tot een teken voor het volk van IsraŽl.
Ez. 12,7 Ik deed zoals mij bevolen was; ik bracht de bagage die ik als balling nodig had overdag naar buiten, en tegen de avond maakte ik met mijn hand een gat in de muur; in het donker laadde ik voor hun ogen de bagage op mijn schouder en vertrok.
Ez. 12,8 De volgende morgen werd het woord van Jahwe tot mij gericht:
Ez. 12,9 Mensenkind, heeft het volk van IsraŽl, dat weerspannige volk, u niet gevraagd: 'Wat doet u?'
Ez. 12,10 Zeg tot hen: Zo spreekt Jahwe de Heer: Dit is een bood schap voor de vorst in Jeruzalem en voor heel het volk van IsraŽl dat daar woont.
Ez. 12,11 Zeg tot hen: Ik ben voor u een teken; zoals Ik gedaan heb, zo zal met hen gebeuren: in ballingschap, in gevangenschap zullen ze gaan.
Ez. 12,12 Hun vorst zal in het donker zijn bagage op zijn schouder laden en de stad verlaten; men zal een gat in de muur maken om hem naar buiten te laten; hij zal zijn gezicht bedekken, omdat hij deze grond met eigen ogen niet zal weerzien.
Ez. 12,13 Ik zal mijn net over hem uitgooien en hij zal in mijn strik gevangen worden. Ik zal hem naar Babel brengen, het land van de ChaldeeŽn, maar hij zal dat land niet kunnen zien; daar zal hij sterven.
Ez. 12,14 Allen die tot zijn gevolg behoren, zijn keurbenden en al zijn troepen, zal Ik naar alle windstreken verstrooien en met het zwaard achtervolgen.
Ez. 12,15 Zij zullen weten dat Ik Jahwe ben, wanneer Ik hen onder de volken verspreid en over de landen verstrooi.
Ez. 12,16 Maar een klein aantal mannen onder hen zal Ik laten ontkomen aan honger en pest, opdat ze al hun gruweldaden kunnen verhalen onder de volken in wier gebied ze komen, en die zullen erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 12,17 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 12,18 Mensenkind, sidder als ge uw brood eet, beef van angst als ge uw water drinkt,
Ez. 12,19 en zeg tot de bevolking van het land: Zo spreekt Jahwe de Heer tot de inwoners van Jeruzalem, tot heel het land van IsraŽl: Hun brood zullen ze eten vol angst en hun water drinken met ontzetting. Dit doe Ik om hun land van alles te beroven en er een woestenij van te maken, vanwege de gruweldaden van zijn bewoners.
Ez. 12,20 De bewoonde steden zullen in puin liggen en het land zal een woestenij worden, en ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 12,21 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 12,22 Mensenkind, wat is dat voor een gezegde bij u in IsraŽl: De tijd verstrijkt en geen enkel visioen komt uit?
Ez. 12,23 Zeg daarom tot hen: Zo spreekt Jahwe de Heer: Ik zal aan dat gezegde een eind maken; men zal het in IsraŽl niet meer gebruiken. Zeg daarentegen tot hen: De tijd is nabij en daarmee de vervulling van elk visioen.
Ez. 12,24 Want er zal geen loos visioen of misleidende waarzegging meer voorkomen onder het volk van IsraŽl.
Ez. 12,25 Want Ik, Jahwe, zal spreken en al wat Ik zeg zal zonder uitstel in vervulling gaan. Nog in uw dagen, weerspannig volk, zal Ik ten uitvoer brengen wat Ik gezegd heb, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 12,26 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 12,27 Mensenkind! Het volk van IsraŽl zegt: Dat visioen van hem heeft betrekking op een verre toekomst; hij profeteert voor verre tijden.
Ez. 12,28 Zeg daarom tot hen: Zo spreekt Jahwe de Heer: Elk van mijn woorden zal zonder uitstel in vervulling gaan. Het woord dat Ik spreek zal in vervulling gaan, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.

Ez. 13,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 13,2 Mensenkind, profeteer tegen de profeten die op eigen gezag in IsraŽl profeteren, en zeg tot hen: Luister naar het woord van Jahwe:
Ez. 13,3 Zo spreekt Jahwe de Heer: Wee de dwaze profeten die zich alleen maar verbeelden iets gezien te hebben.
Ez. 13,4 Vossen op puinhopen, dat zijn IsraŽls profeten.
Ez. 13,5 Ge zijt niet op de bres gaan staan en hebt geen muur opgetrokken rond het volk van IsraŽl opdat het stand zou kunnen houden in de strijd op de dag van Jahwe.
Ez. 13,6 Waardeloze zieners zijn het en valse voorspellers. Ze zeggen wel: 'Zo luidt het woord van Jahwe', maar Jahwe heeft ze niet gezonden. En dan verwachten ze nog dat hun woorden in vervulling gaan!
Ez. 13,7 Zijt gij geen waardeloze zieners en geen valse voorspellers? Gij hebt immers gezegd: 'Zo luidt het woord van Jahwe', terwijl Ik niet tot u gesproken had?
Ez. 13,8 Daarom! zo spreekt Jahwe de Heer: Omdat ge waardeloze zieners en valse voorspellers zijt, zal Ik u straffen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 13,9 Mijn hand zal die profeten treffen, die waardeloze zieners en valse voorspellers; tot de kring van mijn volk zullen ze niet behoren, in het boek van het volk van IsraŽl niet ingeschreven worden en de grond van IsraŽl niet betreden. En ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 13,10 Omdat ze mijn volk misleid hebben door te zeggen dat alles goed ging, terwijl het helemaal niet goed ging, en de muur, door het volk gebouwd, met kalk bepleisterd hebben,
Ez. 13,11 zeg daarom tot die pleisteraars: Een stortregen zal neerplassen, hagelstenen zullen neerkletteren en een storm zal losbarsten.
Ez. 13,12 Als dan de muur ingestort is, zal men aan u vragen: 'Waar is nu de kalk die gij erop gestreken hebt?'
Ez. 13,13 Ja, zo spreekt Jahwe de Heer, Ik zal in mijn woede een storm ontketenen, in mijn toorn laat Ik een stortregen neerstro men, in mijn verbolgenheid hagelstenen neerkletteren, en alles zal Ik vernietigen.
Ez. 13,14 Ik zal de muur die gij met kalk bepleisterd hebt omver halen en tegen de vlakte werpen, en zijn fundering blootleggen. De stad zal vallen; ge zult daarin omkomen en erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 13,15 Ik zal mijn woede koelen op de muur en op degenen die hem met kalk bepleisterden. Dan zal Ik tot u zeggen: Verdwenen is de muur en verdwenen zijn gij die hem bepleisterd hebben,
Ez. 13,16 de profeten van IsraŽl, die over Jeruzalem profeteerden en in hun visioenen heil en voorspoed zagen, terwijl er van heil en voorspoed geen sprake kon zijn, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 13,17 Mensenkind, richt u tot de dochters van uw volk die op eigen gezag profeteren; profeteer tegen haar
Ez. 13,18 en zeg: Zo spreekt Jahwe de Heer: Wee haar die strikken binden om de polsen en sluiers winden om het hoofd van groot en klein, op jacht naar mensenlevens. Zoudt ge op de levens van mijn volk kunnen jagen en daarbij uw eigen leven behouden?
Ez. 13,19 Ge ontwijdt mijn naam bij mijn volk voor een handvol gerst en een stuk brood; gij doodt levens die niet mochten sterven en levens die verdienen te sterven tracht gij te behouden, want gij misleidt mijn volk, dat naar uw leugens luistert.
Ez. 13,20 Zo spreekt Jahwe de Heer: De strikken waarmee gij de levens als vogels vangt, zal Ik afrukken van de armen van uw slachtoffers, en de levens die gij als vogels gevangen hebt vrijlaten.
Ez. 13,21 Ik zal uw sluiers verscheuren en mijn volk uit uw handen bevrijden; het zal niet langer uw prooi zijn. En ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 13,22 Omdat door uw bedrog het hart van de rechtvaardige in nood geraakt is, geheel in strijd met mijn bedoelingen, en de boosdoener in zijn boosheid gestijfd is, zodat hij zich niet betert en in leven blijft,
Ez. 13,23 daarom is het afgelopen met uw waardeloze visioenen en uw toverpraktijken; Ik zal mijn volk uit uw handen bevrijden en gij zult erkennen dat Ik Jahwe ben.

Ez. 14,1 Op een dag kwamen enigen van IsraŽls oudsten bij mij en zetten zich voor mij neer.
Ez. 14,2 En het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 14,3 Mensenkind, deze mensen hebben zich overgegeven aan hun afgoden en ze kunnen hun blik niet afwenden van wat hen tot zonde verleidt. Zou ik mij dan nog door hen laten ondervragen?
Ez. 14,4 Spreek daarom tot hen en zeg: Zo spreekt Jahwe de Heer: Een ieder van het volk van IsraŽl die zich heeft overgegeven aan de afgoden en zijn blik niet kan afwenden van wat hem tot zonde verleidt, en toch voor de profeet durft te verschijnen: hem zal Ik, Jahwe, dan zelf van antwoord dienen met al zijn afgoden.
Ez. 14,5 Zo zal Ik het volk van IsraŽl, dat zich met zijn afgoden geheel van Mij heeft afgekeerd, in het hart treffen.
Ez. 14,6 Zeg daarom tot het volk van IsraŽl: Zo spreekt Jahwe de Heer: Bekeer u en breek met uw afgod en al uw gruwelen.
Ez. 14,7 Want iedere IsraŽliet en iedere vreemdeling die in IsraŽl verblijft, die zich van Mij afwendt, zich aan de afgoden over geeft en zijn blik vestigt op wat hem tot zonde verleidt, en die toch naar de profeet gaat om Mij te raadplegen: hem zal Ik, Jahwe, zelf van antwoord dienen.
Ez. 14,8 Ik keer mij tegen die man, maak hem tot een afschrikwekkend teken en snijd hem af van mijn volk; zo zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 14,9 Als de profeet zo onnozel is om zich te laten verleiden tot een uitspraak, dan zal Ik, Jahwe, tegen die onnozele profeet mijn hand uitstrekken en hem van mijn volk IsraŽl afsnijden.
Ez. 14,10 Ze zullen beiden hun straf krijgen; de straf van de vrager zal even zwaar zijn als die van de profeet;
Ez. 14,11 dan zal het volk van IsraŽl zich niet meer van Mij afkeren en zich niet meer bezoedelen door zijn wandaden. Zo zullen ze mijn volk zijn en Ik hun God, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 14,12 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 14,13 Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd heeft en Mij ontrouw is geworden, dan strek Ik mijn hand ertegen uit, breek er de broodstok en roei er mensen en dieren uit.
Ez. 14,14 Als in dat land deze drie mannen zouden wonen: Noach, DaniŽl en Job, dan zou hun gerechtigheid slechts henzelf redden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 14,15 Laat Ik wilde dieren op dat land los, waardoor het ontvolkt en verlaten wordt, omdat uit vrees voor de dieren niemand er nog doorheen trekt,
Ez. 14,16 en die drie mannen zouden daar wonen: zo waar Ik leef, ze zouden hun eigen zonen en dochters niet eens kunnen redden, spreekt Jahwe de Heer; alleen zijzelf zouden worden gered, maar het land zou een woestenij worden.
Ez. 14,17 Ontbied Ik het zwaard tegen dat land en beveel Ik het er doorheen te trekken, en roei Ik er mensen en dieren uit,
Ez. 14,18 en die drie mannen zouden er wonen; zo waar Ik leef, ze zouden hun eigen zonen en dochters niet eens kunnen redden, spreekt Jahwe de Heer; alleen zijzelf zou den worden gered.
Ez. 14,19 Laat ik in dat land de pest uitbreken en koel Ik mijn woede door er bloed te vergieten en er mensen en dieren uit te roeien,
Ez. 14,20 en Noach, DaniŽl en Job zouden er wonen: zo waar Ik leef, ze zouden hun eigen zonen en dochters niet eens kunnen redden, spreekt Jahwe de Heer; hun gerechtigheid zou alleen henzelf redden.
Ez. 14,21 Maar, spreekt Jahwe de Heer, al zend Ik ook mijn vier ergste straffen: het zwaard, de hongersnood, de wilde dieren en de pest op Jeruzalem af om er mensen en dieren uit te roeien,
Ez. 14,22 dan zullen een aantal mannen en vrouwen overblijven; zij zullen de stad uitgevoerd worden en bij u terechtkomen. Als ge dan verneemt wat ze allemaal gedaan hebben, zult ge berusten in het onheil dat Ik over Jeruzalem heb doen komen, in al het leed dat Ik over de stad gebracht heb.
Ez. 14,23 Zij zullen u doen berusten. Als ge verneemt wat ze allemaal gedaan hebben, zult ge er vrede mee hebben en erkennen dat Ik dat alles niet zonder reden gedaan heb, spreekt Jahwe de Heer.

Ez. 15,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 15,2 Mensenkind, is het hout van de wijnstok beter dan enig soortgelijk hout tussen de bomen van het bos?
Ez. 15,3 Kan men van dat hout soms iets maken? Kan men er zelfs maar een pin van maken om er iets aan op te hangen?
Ez. 15,4 En als men het als brandstof gebruikt en het vuur heeft de beide uiteinden verteerd en het middenstuk geblakerd: kan het dan nog ergens voor deugen?
Ez. 15,5 Zelfs toen het nog gaaf was kon men er niets van maken; hoeveel te minder als het vuur het verteerd heeft en het geblakerd is. Kan men er dan nog iets van maken?
Ez. 15,6 Zo spreekt Jahwe de Heer: Zoals men van alle houtgewas van het bos de wijnstok als brandstof in het vuur werpt, zo lever Ik ook de bewoners van Jeruzalem uit.
Ez. 15,7 Ik keer Mij tegen hen; al zijn ze aan het vuur ontsnapt, toch zal het vuur hen verteren; ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben, als Ik mij tegen hen keer
Ez. 15,8 en van het land een woestenij maak, omdat ze afvallig zijn geworden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.

Ez. 16,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 16,2 Mensenkind, houd Jeruzalem haar gruweldaden voor ogen.
Ez. 16,3 Ge moet zeggen: Zo spreekt Jahwe de Heer tot Jeruzalem: Naar afkomst en geboorte ben je uit het land van Kanašn; je vader was een Amoriet, je moeder een Hethitische.
Ez. 16,4 Toen je geboren was werd je navelstreng niet doorgeknipt; je werd niet met water gewassen, ter reiniging; je werd, toen je ter wereld kam, niet met zout ingewreven noch in doeken gewikkeld.
Ez. 16,5 Niemand had medelijden met je of ontfermde zich over je om voor je te zorgen. Op de dag van je geboorte werd je in het vrije veld te vondeling gelegd, omdat men aan jouw leven geen waarde hechtte.
Ez. 16,6 Toen kwam Ik langs je en toen Ik zag hoe je daar lag te trappelen in je bloed, sprak Ik tot je: 'Blijf leven! Blijf leven!' sprak Ik tot jou, terwijl je lag te trappelen in je bloed.
Ez. 16,7 Onder mijn zorgen groeide je op als een veldbloem; je groeide op, werd groot en zeer schoon; je borsten werden rond en je haar groeide, maar je was nog altijd moedernaakt.
Ez. 16,8 Toen Ik weer langs kwam, zag Ik dat voor jou de tijd van de liefde was gekomen. Ik spreidde de slip van mijn mantel over je uit en bedekte je naaktheid. Ik zwoer je trouw en ging een verbintenis met je aan; je werd de mijne, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 16,9 Ik waste je met water, reinigde je van het bloed en zalfde je met olie.
Ez. 16,10 Ik kleedde je in bonte kleren, gaf je sandalen van het fijnste leer, bond je een linnen hoofdband om en gaf je een sluier van fijne stof.
Ez. 16,11 Ik tooide je met sieraden, deed armbanden om je polsen en een snoer om je hals.
Ez. 16,12 Ik gaf je een ring in je neus, hangers aan je oren en een diadeem op je hoofd.
Ez. 16,13 Je was getooid met goud en zilver; je kleding was van linnen, fijne stof en bonte weefsels; je voedsel werd bereid met het fijnste meel, met honing en olie. Je werd buitengewoon mooi, een koningin gelijk.
Ez. 16,14 De roem van je schoonheid verspreidde zich onder de volken, want volmaakt was de luister die Ik je verleend had, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 16,15 Maar je schoonheid maakte je al te vrijmoedig en je ging munt slaan uit je faam; je bekoorlijkheid bood je aan iedere voorbijganger die maar wilde te koop aan.
Ez. 16,16 Met je bonte kleren versierde je de offerhoogten om daar ontucht te plegen. Nooit is zoiets voorgekomen en moge het ook nooit meer gebeuren.
Ez. 16,17 Je nam de gouden en zilveren sieraden die Ik je geschonken had, maakte er mannenbeelden van en pleegde daar ontucht mee.
Ez. 16,18 Je nam je kleren van bonte weefsels en hulde ze daarin; mijn olie en reukwerk heb je ze voorgezet;
Ez. 16,19 het voedsel dat Ik je gegeven had, bereid met het fijnste meel, met honing en olie, heb je ze voorgezet als een geurige gave, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 16,20 Je nam de zonen en de dochters die je me gebaard had en offerde ze hun als spijs. Was je ontucht nog niet groot genoeg,
Ez. 16,21 dat je bovendien mijn kinderen slachtte om ze aan hen te offeren?
Ez. 16,22 En bij al die gruweldaden en die ontucht heb je niet meer teruggedacht aan de dagen van je jeugd en aan de tijd dat je moedernaakt lag te trappelen in je bloed.
Ez. 16,23 Ach, ongelukkige! luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, na al deze wandaden
Ez. 16,24 heb je heuvels en hoogten aangelegd op elk plein
Ez. 16,25 en op elk kruispunt; je gooide je schoonheid te grabbel en spreidde je benen voor elke voorbijganger en je geilheid was onverzadigbaar.
Ez. 16,26 Je pleegde ontucht met de Egyptenaren, je buren met hun grote lid; keer op keer pleegde je ontucht, om Mij te tergen.
Ez. 16,27 Daarom heb Ik mijn hand tegen je uitgestrekt, je erfdeel gekort en je overgegeven aan de willekeur van je mededingsters, de dochters der Filistijnen, die zich schaamden over je schandalig gedrag.
Ez. 16,28 Bovendien pleegde je ontucht met de Assyriers, omdat je nog niet verzadigd was; je pleegde ontucht met hen, en nog was je niet verzadigd.
Ez. 16,29 Daarom pleegde je herhaaldelijk ontucht met de handel drijvende ChaldeeŽn, maar nog altijd was je niet verzadigd.
Ez. 16,30 Hoe werd je door hartstocht verteerd, luidt de godsspraak van Jahwe, de Heer, dat je hiertoe in staat was, als was je een volleerde hoer.
Ez. 16,31 Je hebt heuvels en hoogten aangelegd op elk kruispunt en op elk plein. En toch gedroeg je je niet echt als een hoer, want betaling wees je van de hand.
Ez. 16,32 Jij overspelige vrouw, die zich aan vreemden geeft in plaats van aan haar eigen man!
Ez. 16,33 Alle hoeren laten zich betalen, maar jij betaalde zelf je minnaars en lokte ze zo van alle kanten naar je toe, om ontucht met je te plegen.
Ez. 16,34 Het ging bij jou dus juist anders dan bij andere hoeren, want voor jou hoefde men geen moeite te doen: je gaf zelf ge schenken en niemand hoefde jou geschenken te geven. Zo was het bij jou dus juist omgekeerd.
Ez. 16,35 Daarom, hoer, luister naar het woord van Jahwe;
Ez. 16,36 Zo spreekt Jahwe de Heer: Omdat je in je buitensporige ontucht je zo hebt laten gaan en in je schaamteloosheid je naaktheid ontbloot hebt voor je minnaars en omdat je aan je afschuwelijke afgoden het bloed van je zonen geofferd hebt,
Ez. 16,37 daarom breng Ik alle minnaars bijeen met wie je je afgegeven hebt. Niet alleen degenen die je bemind hebt, maar ook allen die je hebt afgewezen breng Ik van alle kanten naar je toe; Ik zal voor hen je naaktheid ontbloten, zodat ze je in al je naaktheid kunnen bekijken.
Ez. 16,38 Ik zal aan jou het vonnis voltrekken dat geldt voor overspelige vrouwen en voor vrouwen die bloed vergieten: het bloed zal Ik op je hoofd doen neerkomen en je mijn toorn en naijver laten voelen.
Ez. 16,39 Ik zal je aan je minnaars uitleveren: ze zullen je heuvels en hoogten slechten; ze zullen je kleren van het lijf rukken, je sieraden afpakken en je moedernaakt laten liggen.
Ez. 16,40 Ze zullen een menigte tegen je op de been brengen; ze zullen je stenigen en met hun zwaard in stukken houwen.
Ez. 16,41 Dan zullen ze je huizen in brand steken en voor de ogen van talrijke vrouwen het strafgericht aan je voltrekken. Zo zal Ik een einde maken aan je ontucht en je zult niet meer in staat zijn geschenken te geven.
Ez. 16,42 Ik zal mijn woede op je koelen, tot mijn naijver bedaard is, Ik tot rust gekomen ben en Me niet langer getergd voel.
Ez. 16,43 Omdat je nooit terugdacht aan de dagen van je jeugd, maar Mij gedurig sarde, daarom zal Ik je zonden op je hoofd doen neerkomen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. Daarmee is dan een einde gekomen aan je ontucht en je gruweldaden.
Ez. 16,44 Ja, wie een spreuk op jou zou willen maken, zou moeten zeggen: 'Zo moeder, zo dochter.'
Ez. 16,45 Je bent echt de dochter van je moeder, die een afkeer had van haar man en haar zonen, en echt de zuster van je zusters, die een afkeer hadden van hun mannen en hun zonen. Jullie moeder was een Hethitische, jullie vader een Amoriet.
Ez. 16,46 Je oudste zuster is Samaria, die met haar dochters links van je woont; je jongste zuster, die met haar dochters rechts van je woont, is Sodom.
Ez. 16,47 Je bent niet alleen in haar voetspoor getreden en hebt niet alleen dezelfde gruweldaden bedreven als zij, maar het duurde niet lang of je gedrag was nog erger dan het hunne.
Ez. 16,48 Zowaar Ik leef, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, je zuster Sodom met haar dochters heeft het niet zo bont gemaakt als jij met je dochters.
Ez. 16,49 De ongerechtigheid van je zuster Sodom en haar dochters bestond hierin dat ze leefden in een overdaad waar ze prat op gingen en in zorgeloze rust, en zich om de misdeelde en de behoefte niet bekommerden.
Ez. 16,50 Ze waren hoogmoedig en wat ze deden was een gruwel in mijn ogen. Daarom heb Ik ze verstoten, zoals je weet.
Ez. 16,51 Ook Samaria heeft nog niet de helft misdreven van wat jij misdreven hebt. Jij hebt veel meer gruweldaden gepleegd dan die twee zusters van je die, vergeleken met jou en je gruweldaden, nog rechtschapen te noemen zijn.
Ez. 16,52 Draag dan ook de schande ervan dat je aldus, door je gruwelijke zonden, je zusters rechtvaardigt. Schaam je en draag de schande dat je je zusters rechtvaardigt.
Ez. 16,53 Ik zal haar lot ten beste keren, het lot van Sodom met haar dochters en het lot van Samaria met haar dochters. Als Ik ook jouw lot ten beste keer, doe Ik dat samen met dat van haar,
Ez. 16,54 om je zo nog te vernederen en je over al je daden beschaamd te doen staan, omdat je die twee troost verschaft.
Ez. 16,55 Je zuster Sodom zal met haar dochters in haar vroegere staat worden hersteld; Samaria zal met haar dochters in haar vroegere staat worden hersteld en ook jij met je dochters zult in je vroegere staat worden hersteld.
Ez. 16,56 Was de naam van je zuster Sodom geen scheldwoord in je mond, toen je zo overmoedig was,
Ez. 16,57 en je ongerechtigheid nog niet aan de kaak was gesteld? Dan zal nu jouw naam de spot opwekken van de dochters van Edom en van al haar buren en van de dochters der Filistijnen; van alle kanten zullen ze je honen.
Ez. 16,58 Je schandelijke gruweldaden, je zult ervoor boeten, spreekt Jahwe de Heer.
Ez. 16,59 Want, zo spreekt Jahwe de Heer, zoals jij jegens Mij je eed hebt geschonden en het verbond hebt verbroken, zo zal Ik het doen tegenover jou.
Ez. 16,60 Toch zal Ik blijven denken aan het verbond dat Ik met jou sloot in de dagen van je jeugd; Ik zal er een eeuwigdurend verbond met jou van maken.
Ez. 16,61 Dan zul je met schaamte terugdenken aan alles wat je misdreven hebt, wanneer Ik jou je oudere en je jongere zusters tot dochters geef, zonder ze te laten delen in je verbond.
Ez. 16,62 Ik zal mijn verbond met je gestand doen, en je zult erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 16,63 En wanneer je terugdenkt aan wat er gebeurd is, zul je van schaamte geen woord durven zeggen, omdat Ik je alles heb vergeven wat je misdaan hebt, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.

Ez. 17,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 17,2 Mensenkind, spreek tot het volk van IsraŽl in beelden en vertel hun de volgende gelijkenis:
Ez. 17,3 Zo spreekt Jahwe de Heer: Een grote arend met machtige vleugels, breed van vlucht, dik in de veren met bonte kleuren, kwam naar Libanon en rukte van een ceder de top af.
Ez. 17,4 De bovenste scheut brak hij af, bracht die naar een handeldrijvend land en plaatste hem in een stad van kooplieden.
Ez. 17,5 Toen nam hij een stek van het land en plantte die in een akker, rijk door water bevloeid, zoals men wilgen plant.
Ez. 17,6 Hij liep uit en werd een breed vertakte wijnstok. Zijn stam was kort, zijn ranken waren naar de arend toegekeerd en onder de arend zaten zijn wortels. Zo groeide hij uit tot een wijnstok en kreeg ranken en twijgen.
Ez. 17,7 Maar toen er nog een andere grote arend kwam, met machtige vleugels en dik in de veren, strekte die wijnstok zijn wortels naar hem uit en deed zijn ranken naar hem toegroeien, om van hem water te krijgen en niet van de grond waarin hij geplant was.
Ez. 17,8 Toch was hij geplant in een goede akker, waar water genoeg was om ranken voort te brengen, vrucht te dragen en een prachtige wijnstok te worden.
Ez. 17,9 Zal hij daar beter van worden? spreekt Jahwe de Heer. Zal men niet eerder zijn wortels uitrukken, zijn vrucht afsnijden en al zijn groene loof laten verdorren? Ja, hij zal verdorren en er zal niet eens een grote krachtsinspanning of een sterk leger nodig zijn om hem van zijn wortel af te rukken.
Ez. 17,10 Want zie, hij staat wel geplant, maar zal hij ook gedij en? Zal hij niet geheel verdorren als de oostenwind over hem heenstrijkt? Op de grond waarop hij groeit zal hij verdorren.
Ez. 17,11 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 17,12 Zeg tot dat weerspannige volk: Weet u niet wat dit betekent? Zie, de koning van Babel is naar Jeruzalem gekomen, heeft er de koning en zijn beambten gevangen genomen en naar Babel gevoerd.
Ez. 17,13 Vervolgens koos hij iemand van het koninklijk huis, verbond hem aan zich en verplichtte hem onder ede tot trouw. Ook de rijksgroten voerde hij met zich mee.
Ez. 17,14 Zo zou het een onbeduidend koninkrijk zijn en het hoofd niet kunnen opsteken. Wilde de koning van Jeruzalem zich kunnen handhaven, dan moest hij zich aan het verbond houden.
Ez. 17,15 Maar hij kwam tegen de koning van Babel in opstand en stuurde gezanten naar Egypte, met het verzoek hem paarden en veel troepen te leveren. Zal hij in zijn opzet slagen? Zal iemand die zoiets doet het leven er afbrengen? Kan men zo maar straffeloos een verbond verbreken?
Ez. 17,16 Zo waar Ik leef, spreekt Jahwe de Heer, in de woonplaats van de koning die hem tot koning verhief, maar jegens wie hij zijn eed schond, en wiens verbond hij verbrak, in Babel zal hij sterven.
Ez. 17,17 Ook zal Farao hem niet met een grote krijgsmacht en een talrijke schare in de strijd bijstaan, als men een wal opwerpt en een schans bouwt om velen van het leven te beroven.
Ez. 17,18 Hij heeft de eed geschonden en het verbond verbroken. Hoewel hij er zijn hand op gegeven had, heeft hij het toch gedaan: hij zal het leven er niet afbrengen.
Ez. 17,19 Daarom, zo spreekt Jahwe de Heer: Zo waar Ik leef, de eed, bij Mij gezworen, die hij geschonden, en het verbond, in mijn naam gesloten, dat hij verbroken heeft, die zal Ik op zijn hoofd doen neerkomen.
Ez. 17,20 Ik zal mijn net over hem heengooien en hij zal gevangen worden in mijn strik. Ik zal hem naar Babel voeren en hem daar vonnissen vanwege de ontrouw die hij jegens Mij heeft gepleegd.
Ez. 17,21 De keur van al zijn troepen zal vallen door het zwaard en wat overblijft zal naar alle windstreken worden verstrooid, en dan zult ge erkennen dat Ik, Jahwe, gesproken heb.
Ez. 17,22 Zo spreekt Jahwe de Heer: Ikzelf zal uit de top van een hoge ceder een takje nemen en dat in de grond zetten; van de bovenste scheuten zal Ik een twijgje plukken en Ikzelf zal het planten op een hoog oprijzende berg;
Ez. 17,23 op de hoge bergen van IsraŽl zal Ik het planten. Het zal loten voortbrengen, vrucht vormen en een prachtige ceder worden. Daaronder zullen allerlei soorten vogels nestelen; in de schaduw van zijn takken zullen ze nestelen.
Ez. 17,24 Dan zullen alle bomen in het veld erkennen dat Ik, Jahwe, een hoge boom vernederd en een lage boom verheven heb, en dat Ik een sappige boom heb doen verdorren en een dorre boom tot bloei gebracht heb; Ik, Jahwe, heb het gezegd en Ik zal het doen.

Ez. 18,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 18,2 Hoe komt ge erbij, op de toestand van IsraŽl dit spreek woord toe te passen: De vaders hebben zure druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn er stroef van?
Ez. 18,3 Zo waar Ik leef, spreekt Jahwe de Heer, geen IsraŽliet zal dit spreekwoord nog ooit mogen gebruiken.
Ez. 18,4 Alle mensen zijn voor Mij gelijk; in mijn ogen heeft de persoon van de vader niets voor op die van de zoon; alleen degene die zondigt zal sterven.
Ez. 18,5 Als iemand een rechtvaardige is en handelt naar wet en recht,
Ez. 18,6 geen offermaal houdt op de bergen en zijn ogen niet opslaat naar de afgoden van het volk van IsraŽl, andermans vrouw niet onteert en geen gemeenschap heeft met een vrouw in haar stonden,
Ez. 18,7 niemand verdrukt, aan de schuldenaar het onderpand terug geeft en zich andermans goed niet toeeigent, zijn voedsel met de hongerige deelt en de naakte kleding verschaft,
Ez. 18,8 niet uitleent tegen rente, geen woekerwinst neemt, zich van onrecht onthoudt en een eerlijk vonnis velt tussen twee partijen,
Ez. 18,9 naar mijn voorschriften leeft en nauwgezet mijn geboden onderhoudt: dan blijft deze rechtvaardige in leven, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 18,10 Krijgt hij nu een onverlaat van een zoon, die bloed vergiet en deze dingen
Ez. 18,11 die hijzelf nooit gedaan had, helaas wel doet, die offermaaltijden houdt op de bergen, andermans vrouw onteert,
Ez. 18,12 de misdeelde en de behoeftige verdrukt, zich andermans goed toeeigent, een onderpand niet teruggeeft, zijn ogen opslaat naar de afgoden en gruweldaden bedrijft,
Ez. 18,13 uitleent tegen rente en woekerwinst neemt: zou die zoon dan in leven blijven? Neen, vanwege al die gruweldaden zal hij zeker sterven en zal zijn bloed op hem neerkomen.
Ez. 18,14 Maar krijgt deze op zijn beurt een zoon, die al het kwaad ziet dat zijn vader doet maar desondanks dat slechte voorbeeld niet navolgt,
Ez. 18,15 die geen offermaal houdt op de bergen en zijn ogen niet opslaat naar de afgoden van het volk van IsraŽl, andermans vrouw niet onteert,
Ez. 18,16 niemand verdrukt, geen onderpand neemt, zich andermans goed niet toeeigent, zijn voedsel deelt met de hongerige en de naakte kleding verschaft, geen rente of woekerwinst neemt,
Ez. 18,17 zich van onrecht onthoudt, mijn geboden naleeft en mijn voorschriften opvolgt: dan zal die zoon niet sterven vanwege de ongerechtigheid van zijn vader; hij zal zeker in leven blijven.
Ez. 18,18 Maar zijn vader, die een woekeraar was, zich andermans goed heeft toegeeigend en onder zijn verwanten gedaan wat niet goed is, die zal sterven om zijn ongerechtigheid.
Ez. 18,19 Gij vraagt: 'Waarom hoeft de zoon niet te boeten voor de ongerechtigheid van zijn vader?' Omdat de zoon naar recht en wet heeft gehandeld en al mijn geboden nauwgezet onderhouden heeft, blijft hij in leven.
Ez. 18,20 Alleen de zondaar zelf zal sterven. De zoon hoeft niet te boeten voor de zonden van zijn vader, en de vader niet voor de zonden van zijn zoon. De rechtvaardigheid zal alleen de recht vaardige worden toegerekend en de boosheid alleen de boosdoener.
Ez. 18,21 Als een boosdoener zich bekeert van de zonden die hij gedaan heeft, al mijn geboden onderhoudt en handelt naar recht en wet, dan zal hij in leven blijven; hij zal niet sterven.
Ez. 18,22 De zonden die hij gedaan heeft worden hem niet aangerekend; om zijn goede daden zal hij in leven blijven.
Ez. 18,23 Zou Ik soms behagen scheppen in de dood van de zondaar, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, en niet veel liever zien dat hij zijn leven betert en in leven blijft?
Ez. 18,24 Maar als een rechtvaardige van de weg der gerechtigheid afwijkt en kwaad gaat doen en dezelfde gruwelen bedrijft als de boosdoener, zal hij dan in leven blijven? Al zijn vroegere goede daden tellen dan niet meer mee; omdat hij afgevallen is en gezondigd heeft, zal hij sterven.
Ez. 18,25 Hier brengt ge tegen in: 'De weg van de Heer is niet recht!' Luister toch, volk van IsraŽl: Zou mijn weg niet recht zijn? Zijn het niet veeleer uw wegen die niet recht zijn?
Ez. 18,26 Als een rechtvaardige afwijkt van de weg der gerechtigheid en kwaad gaat doen, zal hij om die reden sterven; om het kwaad dat hij gedaan heeft zal hij sterven.
Ez. 18,27 En als de boosdoener zich bekeert van de zonden die hij gedaan heeft en naar recht en wet handelt, dan blijft hij in leven.
Ez. 18,28 Hij is tot beter inzicht gekomen en heeft gebroken met zijn wangedrag; hij zal in leven blijven en niet sterven.
Ez. 18,29 En dan zegt het volk van IsraŽl: 'De weg van de Heer is niet recht!' Zijn het niet veeleer uw wegen die niet recht zijn?
Ez. 18,30 Daarom zal Ik ieder van u naar zijn daden oordelen, volk van IsraŽl, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. Bekeer u, wend u af van al uw wandaden; anders worden ze u noodlottig.
Ez. 18,31 Breek met al de wandaden die ge bedreven hebt; vernieuw uw hart en uw geest, want waarom zoudt ge sterven, volk van IsraŽl?
Ez. 18,32 Ik schep geen behagen in de dood van de gestorvene, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. Bekeer u dus en blijf in leven!

Ez. 19,1 Hef een klaaglied aan over de vorsten van IsraŽl
Ez. 19,2 en zeg: Wat een prachtleeuwin was uw moeder. Tussen haar jongen legde zij zich neer, haar welpen bracht zij groot.
Ez. 19,3 Een van haar welpen verhief ze tot jonge leeuw. Hij begon op rooftocht te gaan; zelfs mensen verslond hij.
Ez. 19,4 Maar de volken hoorden van hem; in hun valkuil werd hij gevangen; ze brachten hem met haken naar Egypte.
Ez. 19,5 Toen zij zag dat ze vergeefs gehoopt had en dat haar hoop was vervlogen, koos ze een andere welp en verhief hem tot jonge leeuw.
Ez. 19,6 Fier liep hij rond tussen de leeuwen; hij was een jonge leeuw. Hij begon op rooftocht te gaan; zelfs mensen verslond hij.
Ez. 19,7 Hij vernielde hun paleizen en verwoestte hun steden; heel het land werd van schrik vervuld om zijn machtig gebrul.
Ez. 19,8 Nu keerden de volken uit de landstreken rondom zich tegen hem en gooiden hun net over hem uit; in hun valkuil werd hij gevangen.
Ez. 19,9 Ze bedwongen hem met haken en sloten hem op in een kooi. Ze voerden hem naar de koning van Babel en brachten hem in een sterke burcht, opdat zijn gebrul niet meer zou worden gehoord op de bergen van IsraŽl.
Ez. 19,10 Uw moeder was in de tijd van haar bloei als een wijn stok, aan het water geplant, die vruchten ging dragen en ranken voortbracht dank zij het overvloedige water.
Ez. 19,11 Hij kreeg een krachtige tak; dat werd een heersersstaf, die ver uitstak boven het gebladerte; hij viel op door zijn hoogte en welige ranken.
Ez. 19,12 Maar in woede rukte iemand die wijnstok uit en wierp hem op de grond. Een oostenwind verdroogde zijn vruchten; ze vielen af en verschrompelden. Zijn krachtige tak werd een prooi van het vuur.
Ez. 19,13 Nu staat hij geplant in de woestijn, in een streek van dorheid en dorst.
Ez. 19,14 Van zijn tak is een vuur uitgegaan en heeft zijn twijgen en vruchten verteerd. Geen sterke tak heeft hij meer over, geen staf om te heersen. Dit is een klaaglied, en als een klaaglied wordt het ook gebruikt.

Ez. 20,1 In het zevende jaar, op de tiende dag van de vijfde maand, kwamen er enigen van de oudsten van IsraŽl om Jahwe te raadplegen en zetten zich voor mij neer.
Ez. 20,2 Toen werd het woord van Jahwe tot mij gericht:
Ez. 20,3 Mensenkind, spreek de oudsten van IsraŽl toe en zeg hun: Zo spreekt Jahwe de Heer: Komt u om Mij te raadplegen? Zo waar Ik leef: op uw vragen zal Ik niet antwoorden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 20,4 Zoudt ge ze niet eerder vonnissen, mensenkind, zoudt ge ze niet eerder vonnissen? Maak hun dan de gruweldaden van hun voorouders bekend
Ez. 20,5 en zeg hun: Zo spreekt Jahwe de Heer: Op de dag dat Ik IsraŽl uitverkoor heb Ik met opgeheven rechterhand trouw gezworen aan het huis van Jakob en heb Ik Mij in Egypte aan hen bekend ge maakt. Met opgeheven hand heb Ik hun gezworen: Ik ben Jahwe, uw God.
Ez. 20,6 Op die dag heb Ik plechtig gezworen ze uit Egypte te leiden naar het land dat Ik voor hen had uitgezocht, een land overvloeiend van melk en honing, een parel onder de landen.
Ez. 20,7 En Ik heb tot hen gezegd: Iedereen moet de gruwelbeelden die hij vereert wegwerpen; niemand mag zich verontreinigen door zich af te geven met de afgoden van Egypte. Ik ben Jahwe, uw God.
Ez. 20,8 Maar ze verzetten zich tegen Mij en wilden niet naar Mij luisteren; niemand wierp de gruwelbeelden die hij vereerde weg of keerde de afgoden van Egypte de rug toe. Daarom wilde Ik hun mijn woede doen voelen en mijn toorn aan hen koelen, terwijl ze in Egypte waren.
Ez. 20,9 Maar Ik besloot dit niet te doen, opdat mijn naam niet ontwijd zou worden in de ogen van de vol ken onder wie ze woonden en die wisten hoe Ik Mij aan hen geopenbaard had als degene die hen uit Egypte zou leiden.
Ez. 20,10 Ik leidde ze dus uit Egypte de woestijn in.
Ez. 20,11 Ik gaf hun mijn wetten en maakte hun mijn geboden bekend, die de mens moet onderhouden om te blijven leven.
Ez. 20,12 Ook gaf Ik hun de sabbat, die het teken zou zijn waaraan men kon zien dat Ik, Jahwe, van hen een heilig volk maak.
Ez. 20,13 Maar het huis van IsraŽl verzette zich tegen Mij in de woestijn; ze kwamen mijn wetten niet na; ze verachtten mijn geboden, die de mens moet onderhouden om te blijven leven, en de sabbat hebben ze schromelijk ontwijd. Daarom wilde Ik hun mijn woede doen voelen en ze in de woestijn ombrengen.
Ez. 20,14 Maar Ik besloot dit niet te doen, opdat mijn naam niet ontwijd zou worden in de ogen van de volken die er getuigen van waren geweest toen Ik ze uit Egypte leidde.
Ez. 20,15 Wel zwoer Ik plechtig in de woestijn, dat Ik ze niet zou brengen naar het land dat Ik ze beloofd had, het land dat over vloeit van melk en honing, de parel onder de landen.
Ez. 20,16 Want ze verachtten mijn geboden, kwamen mijn wetten niet na en ontwijdden de sabbat, daar hun hart gehecht was aan hun afgoden.
Ez. 20,17 Ik spaarde ze, richtte ze niet te gronde en liet ze niet omkomen in de woestijn.
Ez. 20,18 Daarna sprak Ik tot hun zonen in de woestijn: Gedraagt u niet naar de zeden van uw vaderen, houdt niet vast aan hun gewoonten en verontreinigt u niet door u af te geven met hun afgoden.
Ez. 20,19 Ik ben Jahwe, uw God; houdt u aan mijn wetten, onder houdt mijn geboden en leeft ze na.
Ez. 20,20 De sabbat moet u heilig zijn, hij moet het teken zijn waaraan men kan zien dat Ik Jahwe uw God ben.
Ez. 20,21 Maar ook de zonen verzetten zich tegen Mij; ze hielden zich niet aan mijn wetten en kwamen mijn geboden niet na, die de mens moet onderhouden om te blijven leven, en de sabbat hebben ze ontwijd. Daarom wilde Ik hen mijn woede doen voelen en mijn toorn aan hen koelen in de woestijn.
Ez. 20,22 Maar Ik hield mij in en besloot het niet te doen, opdat mijn naam niet ontwijd zou worden in de ogen van de volken die er getuigen van waren geweest toen Ik ze uit Egypte leidde.
Ez. 20,23 Wel zwoer Ik plechtig in de woestijn, dat Ik ze onder de volken zou verspreiden en ze over de landen verstrooien,
Ez. 20,24 omdat ze mijn geboden niet onderhouden hadden, mijn wetten hadden veracht en de sabbat ontwijd, daar ze hun ogen gevestigd hielden op de afgoden van hun vaders.
Ez. 20,25 Ook gaf Ik hun wetten die niet tot heil strekten, geboden die niet tot leven leidden,
Ez. 20,26 en Ik liet ze zich bezoedelen door hun offergaven, doordat ze al wat de moederschoot opent offerden, opdat ze verbijsterd zouden erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 20,27 Richt daarom het woord tot het huis van IsraŽl, mensen kind; zeg tot hen: Zo spreekt Jahwe de Heer: Ook verder hebben uw voorvaders Mij gehoond door hun ontrouw,
Ez. 20,28 toen Ik ze gebracht had naar het land dat Ik hun onder ede beloofd had te geven. Ze keken daar naar elke hoge heuvel en naar elke schaduwrijke boom, droegen er hun slachtoffers op, offerden er hun tergende gaven, bereidden er hun geurige offer spijzen en plengden er hun drankoffers.
Ez. 20,29 En Ik zei tot hen: Wat moet die offerheuvel waarheen ge optrekt. Daarom heet zo'n plaats tot op de huidige dag offerheuvel.
Ez. 20,30 Zeg daarom tot het volk van IsraŽl: Zo spreekt Jahwe de Heer: Ge verontreinigt uzelf door te leven als uw voorvaders. Ge vergooit u aan hun afschuwelijke afgoden.
Ez. 20,31 Tot de dag van vandaag verontreinigt ge u door uw offer gaven te brengen aan uw afgoden en door voor hen uw zonen door het vuur te laten gaan. En zou Ik dan antwoord geven op uw vragen, huis van IsraŽl? Zo waar Ik leef, spreekt Jahwe de Heer, Ik zal geen antwoord geven.
Ez. 20,32 En van uw verlangen om, evenals de andere volken en de stammen in de landen rondom u, hout en steen te dienen, daar komt niets van in.
Ez. 20,33 Zo waar Ik leef, spreekt Jahwe de Heer, met krachtige hand, met uitgestrekte arm, in ongebreidelde woede
Ez. 20,34 zal Ik u terugvoeren uit de volken en samenbrengen uit landen waarover ge verspreid zijt.
Ez. 20,35 Ik zal u de woestijn inleiden die tussen de volken ligt en u daar vonnissen, man voor man.
Ez. 20,36 Zoals Ik uw voorvaderen gevonnist heb in de woestijn van Egypte, zo zal Ik u vonnissen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 20,37 Ik zal u onder de herdersstaf doen doorgaan en aan een telling onderwerpen.
Ez. 20,38 Ik zal uit u verwijderen degenen die opstandig en kwaad willig zijn tegenover Mij; uit het land waar ze als vreemden vertoeven zal Ik ze wegleiden, maar op de grond van IsraŽl zullen ze niet komen, en gij zult erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 20,39 Maar gij, huis van IsraŽl, zo spreekt Jahwe uw God: Als gij doorgaat met uw afgoden te dienen, als ge niet naar Mij luistert, dan zult ge ervaren dat Ik mijn heilige naam niet langer door uw offergaven en uw afgoden laat ontwijden.
Ez. 20,40 Want mijn heilige berg, de hoge berg van IsraŽl, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, dat is de plaats op aarde waar heel het volk van IsraŽl Mij zal vereren. Daar zal Ik u mijn goedgunstigheid tonen door uw gaven, uw eerstelingen en al wat gij Mij toewijdt, te aanvaarden.
Ez. 20,41 Als in een geurige gave zal Ik behagen in u scheppen, als Ik u heb weggeleid uit de volken en u heb samengebracht uit de landen waarover ge verstrooid zijt, en zo door u aan de volken getoond heb dat Ik de Heilige ben.
Ez. 20,42 Als ik u heb teruggebracht naar de grond van IsraŽl, naar het land dat Ik onder ede aan uw voorvaders heb beloofd, zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 20,43 Dan zult ge daar terugdenken aan uw wangedrag en aan al uw boze daden waardoor ge u verontreinigd hebt; en de schaamte over al wat ge misdaan hebt zal op uw gezicht te lezen staan.
Ez. 20,44 En als Ik zo met u gehandeld heb, terwille van mijn naam en niet op grond van uw slecht gedrag en uw verdorven daden, zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben, huis van IsraŽl, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.

Ez. 21,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 21,2 Mensenkind, wend uw gelaat naar het zuiden, laat uw woorden stromen naar het zuiden, profeteer tegen de bossen en velden in het zuiden
Ez. 21,3 en zeg tot de bossen in het zuiden: Luistert naar het woord van Jahwe. Zo spreekt Jahwe de Heer: Ik steek u in brand; het vuur zal al het groene en al het dorre hout verteren. De laaiende vlam zal niet uitdoven; van noord tot zuid zullen alle gezichten erdoor worden geschroeid.
Ez. 21,4 Al wat leeft zal weten dat Ik, Jahwe, het vuur aangestoken heb, het vuur dat niet geblust wordt.
Ez. 21,5 Toen zei ik: Ach Heer Jahwe, men zegt toch al van mij dat ik zoveel in raadsels spreek.
Ez. 21,6 Daarop werd het woord van Jahwe tot mij gericht:
Ez. 21,7 Mensenkind, wend uw gelaat naar Jeruzalem; laat uw woorden stromen tegen de heilige plaatsen, profeteer tegen het land van IsraŽl
Ez. 21,8 en zeg tot het land van IsraŽl: Zo spreekt Jahwe de Heer: Ik ga u straffen. Ik zal mijn zwaard uit de schede trekken en zowel rechtvaardigen als boosdoeners uit u verdelgen.
Ez. 21,9 Omdat Ik zowel rechtvaardigen als boosdoeners uit u wil verdelgen, komt mijn zwaard uit de schede en richt zich tegen al wat leeft van zuid tot noord.
Ez. 21,10 Zo zal al wat leeft erkennen dat Ik, Jahwe, mijn zwaard uit de schede getrokken heb; het keert er niet meer in terug.
Ez. 21,11 Mensenkind, kreun als een gebroken man, kreun voor hun ogen in bittere smart.
Ez. 21,12 En als ze u dan vragen: 'Waarom kreunt u?' moet ge zeggen: 'Om een tijding die gaat komen; dan zullen alle harten het besterven, alle handen verslappen; aller adem zal stokken en ieder laat zijn water lopen. Het komt, het gaat gebeuren, zo luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.'
Ez. 21,13 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 21,14 Mensenkind, profeteer en zeg: Zo spreekt Jahwe de Heer: Een zwaard, een zwaard is geslepen, een zwaard is gewet!
Ez. 21,15 Om te slachten is het geslepen, om te bliksemen is het gewet. Of zou er toch nog reden tot vreugde voor ons zijn? De staf van mijn zoon gaat alle hout te boven.
Ez. 21,16 Hij liet het wetten, hij stelde het ter hand; het zwaard is geslepen en gewet en een moordenaar ter hand gesteld.
Ez. 21,17 Schreeuw en jammer, mensenkind, want het zwaard keert zich tegen mijn volk en tegen alle vorsten van IsraŽl; aan het zwaard zullen ze ten prooi vallen, zij en mijn volk. Daarom, sla u op de heupen.
Ez. 21,18 Want de proef wordt genomen. En wat zal ons lot zijn als zelfs de staf die alle hout te boven gaat er niet meer zal zijn, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 21,19 Mensenkind, profeteer en klap in uw handen, zodat het zwaard tweemaal, driemaal zo hevig woedt; dit zwaard is het moordende zwaard, dat talloze slachtoffers maakt. Van alle kanten hakt het op ze in,
Ez. 21,20 zodat alle harten het besterven en velen neergeveld worden. Aan al hun poorten heb Ik een slachtbank gezet. Gij zwaard, gemaakt om te bliksemen en gewet om te slachten,
Ez. 21,21 laat uw scherpte voelen, keer u naar rechts, kies positie, keer u naar links, naargelang u bevolen wordt.
Ez. 21,22 En ook Ik zal in mijn handen klappen en mijn woede koelen. Ik, Jahwe, heb gesproken.
Ez. 21,23 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 21,24 Mensenkind, teken twee wegen waarlangs het zwaard van de koning van Babel gaan kan, beide te beginnen in hetzelfde land, en plaats een wegwijzer aan het begin van de weg die naar de stad leidt.
Ez. 21,25 Teken een weg waarlangs het zwaard kan oprukken tegen Rabba in Ammon en tegen Juda, met het versterkte Jeruzalem.
Ez. 21,26 Want de koning van Babel staat aan de tweesprong, waar de twee wegen beginnen, en vraagt een orakel. Hij schudt de pijlen, raadpleegt de huisgoden en bekijkt de lever.
Ez. 21,27 In zijn rechterhand heeft hij het lot dat Jeruzalem aanwijst als de plaats waartegen hij stormrammen moet opstellen; die stad zal hij laten uitmoorden, tegen haar de strijdkreet laten aanheffen, stormrammen opstellen tegen haar poorten, er een wal opwerpen en een schans bouwen.
Ez. 21,28 Wel is dit in de ogen van de IsraŽlieten een loze waar zegging, maar op grond van de dure eden die ze gezworen hebben zal hij ze hun schuld voorhouden, en hij zal ze grijpen.
Ez. 21,29 Inderdaad, spreekt Jahwe de Heer, omdat uw schuld u is voorgehouden, uw wandaden openbaar geworden zijn en uw verdorvenheid uit al uw daden blijkt, omdat dit alles u is voorgehouden, zult ge met harde hand gegrepen worden.
Ez. 21,30 En gij, verworpeling, gij, booswicht, vorst van IsraŽl, wiens laatste uur geslagen heeft als aan de ongerechtigheid een einde gemaakt wordt,
Ez. 21,31 zo spreekt Jahwe de Heer: zet af die diadeem, weg met die kroon! Het kan niet blijven duren. Omlaag met wat hoog is, omhoog met wat laag is.
Ez. 21,32 Een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop, ja nog minder dan een puinhoop zal Ik van de stad maken, totdat degene komt die macht heeft om te oordelen en die Ik zal bevestigen.
Ez. 21,33 Mensenkind, profeteer en zeg: Zo spreekt de Heer over de Ammonieten die Juda honen. Ge moet zeggen: Zwaard, zwaard, getrokken om te slachten, gewet om bliksemend toe te slaan:
Ez. 21,34 - terwijl ze voor u valse visioenen schouwen en leugens voorspellen - toe te slaan op de hals van verworpelingen en booswichten, wier laatste uur geslagen heeft als aan de ongerechtigheid een einde gemaakt wordt.
Ez. 21,35 Steekt het zwaard weer in de schede; op de plaats waar ge geschapen bent, in het land van uw herkomst zal Ik u vonnissen.
Ez. 21,36 Ik zal mijn toorn over u de vrije loop laten, het vuur van mijn toorn tegen u nog aanblazen en u overleveren aan barbaren, die onheil beramen.
Ez. 21,37 Ge zult een prooi zijn voor het vuur; uw bloed zal vergoten worden in uw eigen land en niemand zal zich u meer herinneren. Ik, Jahwe, heb gesproken.

Ez. 22,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 22,2 Mensenkind, wilt ge vonnissen, wilt ge de bloedstad vonnissen? Houd haar dan al haar gruwelen voor
Ez. 22,3 en zeg: Zo spreekt Jahwe de Heer: O stad die in uw midden bloed vergiet en daardoor uw eigen ondergang bespoedigt, die zich afgodsbeelden maakt en zich daarmee verontreinigt:
Ez. 22,4 door het bloed dat ge vergiet bent ge schuldig en door de afgodsbeelden die ge gemaakt hebt bent ge onrein; daardoor hebt ge uw ondergang bespoedigd en bent aan de grens van uw bestaan gekomen. Daarom maak Ik u tot het mikpunt van de hoon der volken en een voorwerp van spot voor alle landen.
Ez. 22,5 Uw nabije en uw verre buren zullen de spot drijven met u, die berucht bent om uw onreinheid en in wie verwarring heerst.
Ez. 22,6 Zie, de vorsten van IsraŽl hebben zich als taak gesteld bloed te vergieten, elk naar zijn vermogen.
Ez. 22,7 Binnen uw muren veracht men vader en moeder, doet men de vreemdeling geweld aan, onderdrukt men wezen en weduwen.
Ez. 22,8 Wat Mij heilig is acht gij gering en mijn sabbat ontwijdt ge.
Ez. 22,9 Binnen uw muren zijn er die met lasterpraat anderen naar het leven staan. Men houdt offermalen op de bergen en bedrijft er ontucht.
Ez. 22,10 Bij u ontbloot men de schaamte van zijn vader en een vrouw die onrein is door haar stonden dwingt men tot gemeenschap.
Ez. 22,11 Bij u misbruikt de een de vrouw van zijn naaste, onteert de ander zijn schoondochter door bloedschande; weer een ander verkracht zijn zuster, de dochter van zijn vader.
Ez. 22,12 Bij u neemt men steekpenningen aan om bloed te vergieten; ge eist rente en toeslag en uw evenmens zet ge af, maar ge vergeet Mij, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 22,13 Ik sla Mij in de hand van ergernis over de vuile winst die ge gemaakt hebt en over het bloed dat bij u vergoten is.
Ez. 22,14 Zal uw hart niet bezwijken en zullen uw handen sterk genoeg zijn in de tijd dat Ik met u afreken? Ik, Jahwe, heb gesproken en wat Ik zeg voer Ik uit.
Ez. 22,15 Ik zal u verspreiden onder de volken, u verstrooien over de landen en zo een einde maken aan uw onreinheid.
Ez. 22,16 Door uw eigen toedoen zult ge onteerd worden voor de ogen van de volken, en ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 22,17 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 22,18 Mensenkind, het volk van IsraŽl is voor Mij een hoop slakken geworden; ze zijn allen te samen van zilver, brons, tin, ijzer en lood in de smeltoven slakken geworden.
Ez. 22,19 Omdat ge allen te samen een hoop slakken geworden bent, zegt Jahwe de Heer, daarom gooi Ik u in Jeruzalem op een hoop.
Ez. 22,20 Zoals men zilver, brons, ijzer, lood en tin in de smelt oven bijeenbrengt en daaronder het vuur aanblaast om ze te smelten, zo zal Ik in mijn toorn en mijn woede u opeenhopen in de stad en daar smelten.
Ez. 22,21 Ik zal u verzamelen, het vuur van mijn toorn onder u aanblazen en u daar smelten.
Ez. 22,22 Zoals zilver in de smeltoven gesmolten wordt, zult gij in Jeruzalem worden gesmolten, opdat ge erkent dat Ik, Jahwe, mijn woede over u de vrije loop heb gelaten.
Ez. 22,23 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 22,24 Mensenkind, zeg tot het land: Ge bent een land dat op de dag van de toorn niet bevochtigd of door regen gedrenkt is.
Ez. 22,25 Uw vorsten zijn als brullende leeuwen die hun prooi verscheuren: mensenlevens tellen ze niet, ze roven schatten en kostbaarheden, het aantal weduwen in de stad neemt steeds meer toe.
Ez. 22,26 Haar priesters doen mijn wet geweld aan en ontwijden wat heilig is; tussen heilig en profaan maken ze geen onderscheid; ze wijzen niet op het verschil tussen rein en onrein en ze storen zich niet aan mijn sabbat: zo word Ik in hun midden onteerd.
Ez. 22,27 Haar magistraten zijn verscheurende wolven: ze vergieten bloed en brengen mensen om het leven om zichzelf te bevoordelen.
Ez. 22,28 Haar profeten verdoezelen de ernst van de toestand met pleisterwerk; ze zien loze visioenen en profeteren leugens; ze zeggen: Zo spreekt Jahwe de Heer, terwijl Jahwe niet gesproken heeft.
Ez. 22,29 Het volk van het land maakt zich schuldig aan afpersing en eigent zich andermans goed toe; het verdrukt misdeelden en behoeftigen en doet de vreemdelingen geweld aan, tegen alle recht in.
Ez. 22,30 Ik heb onder hen gezocht naar iemand die een wal zou kunnen opwerpen of op de bres zou kunnen gaan staan om het land tegen Mij te verdedigen, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb niemand gevonden.
Ez. 22,31 Daarom laat Ik mijn woede over hen de vrije loop en verteer hen in het vuur van mijn toorn; hun daden laat Ik op hun eigen hoofd neerkomen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.

Ez. 23,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 23,2 Mensenkind, er waren eens twee vrouwen, dochters van dezelfde moeder.
Ez. 23,3 Ze pleegden ontucht in Egypte, reeds in haar jeugd pleeg den ze daar ontucht; daar werden haar borsten betast, daar streelde men haar maagdelijke borsten.
Ez. 23,4 De oudste heette Ohola, haar zuster Oholiba. Ik nam ze tot vrouw en ze brachten zonen en dochters ter wereld. Wat die namen betreft: Ohola is Samaria, Oholiba is Jeruzalem.
Ez. 23,5 Ook toen Ohola mijn vrouw was, pleegde ze ontucht; ze hunkerde naar haar minnaars, de Assyriers, hovelingen
Ez. 23,6 in purper gekleed, stadhouders en landvoogden en de keur van de strijdbare mannen, de ruiters te paard.
Ez. 23,7 Ze pleegde ontucht met hen, met die keur van de Assyriers, en zij bezoedelden zich aan de afgoden van degenen die ze begeerde.
Ez. 23,8 Maar haar ontucht met de Egyptenaren gaf ze niet op; die hadden met haar geslapen toen ze nog jong was, die hadden haar maagdelijke borsten gestreeld en aan haar hun lust bevredigd.
Ez. 23,9 Daarom heb Ik haar uitgeleverd aan haar minnaars, aan de Assyriers die ze begeerd had.
Ez. 23,10 Die hebben haar schaamte ontbloot, haar zonen en dochters meegenomen en haar zelf met het zwaard gedood. Ze werd een afschrikwekkend voorbeeld voor de vrouwen door de strafgerichten aan haar voltrokken.
Ez. 23,11 Ofschoon haar zuster Oholiba het gezien had, begeerde zij nog heviger dan haar zuster en pleegde ze nog schandelijker ontucht dan zij.
Ez. 23,12 Haar begeerte ging uit naar de Assyriers, stadhouders en landvoogden, prachtig uitgedoste hovelingen en ruiters te paard, de keur van de strijdbare mannen.
Ez. 23,13 En Ik zag hoe ze zich aan hen bezoedelde; ze was van hetzelfde slag als haar zuster.
Ez. 23,14 Maar Oholiba dreef haar ontucht nog verder. Ze zag op een muur in rode verf voorstellingen van mannen; het waren ChaldeeŽn,
Ez. 23,15 met een ceintuur om hun middel en met rijke hoofdtooi; ze stelden schildknapen voor, zoals die er uitzien bij de BabyloniŽrs in Chaldea, hun geboorteland.
Ez. 23,16 Toen zij ze zag ontstak ze in begeerte en zond ze boden naar hen toe in Chaldea.
Ez. 23,17 Er kwamen BabyloniŽrs en hielden liefdesgemeenschap met haar; ze bezoedelden haar door hun lust aan haar te bevredigen. Maar toen ze door hen bezoedeld was, kreeg ze een afkeer van hen.
Ez. 23,18 Nu pleegde ze openlijk ontucht en ontblootte haar schaamte; Ik walgde van haar, zoals Ik ook van haar zuster gewalgd had.
Ez. 23,19 Ze pleegde nog meer ontucht, terugdenkend aan de dagen van haar jeugd, toen ze in Egypte ontucht pleegde
Ez. 23,20 en brandde van begeerte naar mannen die geil zijn als Ezels en toestoten als hengsten.
Ez. 23,21 Zo ben je teruggevallen in het schandelijk leven van je jeugd, toen Egyptenaren je boezem streelden en je jonge borsten betastten.
Ez. 23,22 Daarom, Oholiba, zegt Jahwe de Heer, hits Ik je minnaars, van wie je een afkeer hebt, tegen je op en voer ze van alle kanten naar je toe:
Ez. 23,23 de BabyloniŽrs en de ChaldeeŽn, de mannen van Pekod, Soa en Koa, alsmede de Assyriers; ze vormen de keur van de strijdbare mannen: stadhouders en landvoogden, schildknapen, krijgers van naam en ruiters te paard.
Ez. 23,24 Ze komen op je af met een leger van wagens en voertuigen en volken tot een macht verenigd; met schild, rondas en helm stellen zij zich aan alle kanten tegen je op. Ik zal je voor hun rechtbank brengen en volgens hun recht zullen zij je vonnissen.
Ez. 23,25 Ik zal je mijn naijver laten voelen; ze zullen hun woede op je botvieren; je neus en oren zullen ze afsnijden en wat er van je overblijft neerhouwen met het zwaard; ze zullen je zonen en dochters meenemen, en wat er dan nog van je over is zal door het vuur worden verteerd.
Ez. 23,26 Ze zullen je de kleren van het lijf rukken en je sieraden meenemen.
Ez. 23,27 Zo maak Ik een einde aan je schandelijk leven en je ontucht, waar je in Egypte mee begonnen bent; je zult je ogen niet meer naar hen opslaan en aan Egypte zul je niet meer terug denken.
Ez. 23,28 Want, zegt Jahwe de Heer, Ik lever je over aan hen die je haat, aan hen van wie je een afkeer hebt.
Ez. 23,29 Ze zullen hun haat op je botvieren, al je bezittingen meenemen en je moedernaakt achterlaten. Zo wordt je geil geslacht ontbloot. Vanwege je schandelijk gedrag en je ontucht
Ez. 23,30 doet men dit, vanwege je ontucht met de volken, omdat je je aan hun afgoden bezoedeld hebt.
Ez. 23,31 Je bent in het voetspoor van je zuster getreden; daarom reik Ik jou de beker die Ik ook haar heb laten drinken.
Ez. 23,32 Dit zegt Jahwe de Heer: De beker van je zuster zul je drinken, de beker die zo diep en zo wijd is en zo veel kan bevatten; je wordt het mikpunt van spot en hoon.
Ez. 23,33 In een roes van smart zul je geraken; de beker van je zuster Samaria bevat verbijstering en verwoesting.
Ez. 23,34 Je zult hem tot op de bodem uitdrinken, hem aan scherven bijten en je met die scherven de borsten openhalen. Ik heb gesproken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 23,35 Omdat je Mij vergeten hebt en Mij links hebt laten liggen, zegt Jahwe de Heer, zul je dan ook de straf voor je schandelijk gedrag en je ontucht ondergaan.
Ez. 23,36 En Jahwe zei tot mij: Mensenkind, wilt ge Ohola en Oholiba vonnissen? Breng haar dan haar gruweldaden onder ogen.
Ez. 23,37 Want ze hebben overspel bedreven en er kleeft bloed aan haar handen; met haar afgoden hebben ze overspel gepleegd en zelfs de zonen die ze Mij hadden gebaard hebben ze hun geofferd.
Ez. 23,38 Nog meer hebben ze Mij aangedaan: ze hebben in diezelfde tijd mijn heiligdom onteerd en mijn sabbat ontwijd.
Ez. 23,39 Dezelfde dag dat ze mijn zonen voor hun afgoden offerden kwamen ze nog naar mijn heiligdom om het te ontwijden; zo hebben ze zich in mijn huis gedragen.
Ez. 23,40 Zelfs hebben ze naar mannen in verre landen een boze gezonden en op diens uitnodiging zijn die gekomen. Voor hen heb je je gebaad, je ogen geschminkt en je met sieraden getooid.
Ez. 23,41 Je bent op een pronkbed gaan liggen, terwijl de tafel gedekt stond, met mijn reukwerk en mijn olie erop.
Ez. 23,42 Vanwege de massa mensen heerste er in haar huis het rumoer van een uitgelaten menigte; mannen uit de woestijn brachten haar geschenken; ze deden armbanden om haar polsen en zetten een sierlijke kroon op haar hoofd.
Ez. 23,43 Ik dacht bij mezelf: Komen die wellustelingen aan de verlepte nog hun lust bevredigen, want dat is zij toch?
Ez. 23,44 Ja, daarvoor kwamen ze bij haar. Zoals men naar een hoer gaat, zo ging men naar Ohola en Oholiba, de lichtekooien.
Ez. 23,45 Maar rechtschapen mannen zullen over haar het vonnis voltrekken dat geldt voor overspelige vrouwen en voor vrouwen die bloed vergieten, want ze zijn overspelig en er kleeft bloed aan haar handen.
Ez. 23,46 Roep de volksvergadering bijeen om haar te vonnissen, zegt Jahwe de Heer, en lever haar uit om mishandeld en geplunderd te worden.
Ez. 23,47 De vergadering zal haar laten stenigen, haar met zwaar den in stukken houwen, haar zonen en dochters vermoorden en haar huizen in brand steken.
Ez. 23,48 Zo maak Ik een einde aan het kwaad in het land en alle vrouwen zullen de waarschuwing ter harte nemen en je schanddaden niet navolgen.
Ez. 23,49 Men zal je je schanddaden vergelden, voor je zonden met je afgoden zul je boeten en je zult erkennen dat Ik de Heer Jahwe ben.

Ez. 24,1 In het negende jaar, op de tiende dag van de tiende maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht:
Ez. 24,2 Mensenkind, schrijf nauwkeurig op welke dag het vandaag is; want juist vandaag werpt de koning van Babel zich op Jeruzalem.
Ez. 24,3 Vertel het weerspannige volk de volgende gelijkenis. Dit zegt Jahwe de Heer: Zet de pot op het vuur, de pot op het vuur. Giet er water in,
Ez. 24,4 doe de stukken vlees erin, de beste stukken: dijbeen en schouder, vul hem met de beste kluiven.
Ez. 24,5 Neem het beste van de kudde, stapel het hout eronder op, laat de stukken heet worden en breng ook de kluiven aan de kook.
Ez. 24,6 Wee de bloedstad, zegt Jahwe de Heer; het is een pot waar roest aan zit en waar de roest niet van afgaat. Haal de stukken eruit, haal ze er allemaal uit, zonder het lot te werpen.
Ez. 24,7 Want het bloed dat in haar midden vergoten is, is nog te zien: ze heeft het gestort op de kale rotsbodem; ze heeft het niet uitgegoten op de aarde om het met zand te bedekken.
Ez. 24,8 Het door haar vergoten bloed heb Ik op de kale rotsbodem laten vloeien opdat het niet bedekt zou worden, maar toorn zou oproepen en wraak uitlokken.
Ez. 24,9 Daarom zegt Jahwe de Heer: Wee de bloedstad. Ik ga een groot vuur aanleggen.
Ez. 24,10 Breng veel hout bijeen, ontsteek het vuur, breng het vlees aan de kook, laat het vleesnat verdampen en de kluiven verbranden.
Ez. 24,11 Laat de pot leeg op het vuur staan totdat hij heet wordt en het koper gaat gloeien, opdat alle aanslag eruit wegsmelt en de roest verdwijnt.
Ez. 24,12 Maar alle moeite is vergeefs: ondanks het vuur gaat de dikke roestlaag er niet af!
Ez. 24,13 Ik heb u willen reinigen van uw onreinheid en ontucht, maar gij hebt u niet laten reinigen; daarom zult ge niet meer rein worden totdat Ik mijn woede op u heb gekoeld.
Ez. 24,14 Ik, Jahwe, heb het gezegd en Ik zal het ten uitvoer brengen, onverwijld, meedogenloos en zonder genade te kennen. Naar uw doen en laten zult ge gevonnist worden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 24,15 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 24,16 'Mensenkind, door een plotselinge ziekte ga Ik haar die ge zo graag ziet van u wegnemen. Maar gij moogt niet rouwen, ge moogt niet wenen of klagen.
Ez. 24,17 Smoor uw zuchten, ge moogt geen misbaar maken. Knoop uw hoofddoek om, doe uw sandalen aan, laat uw baard onbedekt en eet het brood niet dat de mensen u brengen.'
Ez. 24,18 Op een morgen sprak ik als gewoonlijk tot het volk en die avond stierf mijn vrouw. De morgen daarop deed ik zoals mij bevolen was.
Ez. 24,19 Toen vroeg het volk mij: 'Wilt u door uw gedrag ons iets duidelijk maken?'
Ez. 24,20 Ik antwoordde hun: 'Dit woord van Jahwe is tot mij gericht:
Ez. 24,21 Zeg tot het volk van IsraŽl: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik ontwijd mijn heiligdom, de burcht waar ge trots op bent, die een lust is voor uw ogen en een verkwikking voor uw ziel; uw zonen en dochters, die ge daar achtergelaten hebt zullen vallen door het zwaard.
Ez. 24,22 Dan moet ge doen zoals ik gedaan heb: uw baard moogt ge niet bedekken en het brood dat de mensen u brengen moogt ge niet eten.
Ez. 24,23 Houd uw hoofddoek om en uw sandalen aan; ge moogt niet rouwen of wenen. Vanwege uw zonde zult ge verkommeren en elkaar uw leed klagen.
Ez. 24,24 EzechiŽl is een teken voor u: ge moet juist doen zoals hij gedaan heeft; wanneer het zover is zult ge weten dat Ik Jahwe ben.'
Ez. 24,25 Mensenkind, op de dag dat Ik hun burcht van hen afneem, het prachtige bouwwerk waarover zij zich verheugen en dat een lust is voor hun ogen en een verkwikking voor hun ziel, op de dag dat Ik ook hun zonen en dochters van hen afneem,
Ez. 24,26 zal een vluchteling bij u aankom en om het u te melden.
Ez. 24,27 Op die dag, bij de komst van de vluchteling, zal uw mond geopend worden; dan zult ge spreken en niet langer stom zijn; zo zult ge voor hen een teken zijn en ze zullen weten dat Ik Jahwe ben.

Ez. 25,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 25,2 Mensenkind, richt u tot Ammon, profeteer ertegen
Ez. 25,3 en zeg tot Ammon: Luister naar het woord van Jahwe de Heer. Dit zegt Jahwe de Heer: Omdat ge' haha!' geroepen hebt toen mijn heiligdom ontwijd werd en de grond van IsraŽl werd verwoest en toen het volk van Juda in ballingschap moest gaan,
Ez. 25,4 daarom geef Ik uw gebied prijs aan de bewoners van het Oosten. Zij zullen er hun tentenkamp opslaan, en hun verblijf plaatsen kiezen; zij zullen uw vruchten opeten en uw melk opdrinken.
Ez. 25,5 Ik zal van Rabba een weide voor kamelen maken en van Ammon een rustplaats voor schapen; zo zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 25,6 Want, zegt Jahwe de Heer, omdat ge in de handen hebt geklapt, met de voeten hebt gestampt en vol leedvermaak gelachen hebt om het lot van IsraŽl,
Ez. 25,7 daarom strek Ik mijn hand tegen u uit; Ik zal u aan de volken prijsgeven, u uitroeien, u van de aardbodem wegvagen; Ik zal u vernietigen; dan zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 25,8 Dit zegt Jahwe de Heer: Omdat Moab en Seir gezegd hebben: 'Het volk van IsraŽl is net als andere volken',
Ez. 25,9 daarom zal Ik de bergpassen van Moab openen voor hen die zijn steden zullen verwoesten, de parels van het land: Bet-hajjesimot, Bašl-meon en Kirjataim.
Ez. 25,10 Aan de bewoners van het Oosten zal Ik het in bezit geven, samen met Ammon, opdat er onder de volken niet meer aan gedacht zal worden.
Ez. 25,11 Ik zal aan Moab mijn vonnis voltrekken, opdat het erkent dat Ik Jahwe ben.
Ez. 25,12 Dit zegt Jahwe de Heer: Omdat Edom wraakzuchtig opgetreden is tegen het volk van Juda, omdat het zich aan wraakneming heeft schuldig gemaakt,
Ez. 25,13 daarom, zegt Jahwe de Heer, strek Ik mijn hand uit tegen Edom en zal er mens en dier uitroeien. Ik zal van Edom een puinhoop maken; van Teman tot Dedan zullen de bewoners vallen door het zwaard.
Ez. 25,14 Ik zal mijn wraak aan Edom laten voltrekken door mijn volk IsraŽl; dat zal Edom aandoen wat mijn woede en toorn eisen; zo zal Edom mijn wraak ondervinden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 25,15 Dit zegt Jahwe de Heer: Omdat de Filistijnen wraakzuchtig zijn opgetreden tegen Juda, omdat ze vol leedvermaak wraak hebben genomen om hun eeuwenoude vijandigheid bot te vieren en Juda uit te roeien,
Ez. 25,16 daarom, zegt Jahwe de Heer, strek Ik mijn hand uit tegen de Filistijnen. Ik zal de Keretieten uitroeien en degenen die aan de kust overgebleven zijn te gronde richten;
Ez. 25,17 Ik zal geweldig wraak op hen nemen en ze grimmig straffen. Als Ik mijn wraak aan hen voltrek, zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben.

Ez. 26,1 In het elfde jaar, op de eerste dag van de maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht:
Ez. 26,2 Mensenkind, omdat Tyrus over Jeruzalem uitgeroepen heeft: 'Haha! vernield zijn de poorten van de stad; haar macht valt mij toe; nu zij verwoest is kan ik mij verrijken';
Ez. 26,3 daarom, zegt Jahwe de heer, keer Ik Mij tegen u, Tyrus! Talloze volken stuw Ik tegen u op, zoals de zee haar golven.
Ez. 26,4 Ze zullen de muren van Tyrus slechten, zijn torens omver halen. Zelfs het puin zal Ik wegvegen en die plek maken tot een kale rots;
Ez. 26,5 een droogplaats voor netten zal het worden, midden in de zee. Op mijn woord, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, het zal een prooi van de volken worden
Ez. 26,6 en haar dochter zullen met het zwaard worden gedood in het open veld. Ze zullen weten dat Ik Jahwe ben.
Ez. 26,7 Want dit zegt Jahwe de Heer: Uit het noorden laat Ik Nebukadnessar, de koning van Babel, de koning der koningen, naar Tyrus komen, met paarden, wagens en ruiters in grote menigte en een macht van voetvolk.
Ez. 26,8 Uw dochters zal hij in het veld met het zwaard doden, tegen u een schans oprichten, een wal opwerpen en een schilddak tegen u opstellen.
Ez. 26,9 Met zijn stormram zal hij op uw muren beuken en met breekijzers uw torens slopen.
Ez. 26,10 Met zoveel paarden komt hij op u af dat de stofwolken u zullen bedekken. Door het gedreun van de ruiters en de bolderende wagens zullen uw muren schudden, als hij uw poorten binnentrekt, zoals dat gebeurt als men een bres geslagen heeft.
Ez. 26,11 De hoeven van zijn paarden zullen al uw straten stuk stampen; uw inwoners zal hij met het zwaard doden; uw trotse zuilen zullen tegen de grond gaan.
Ez. 26,12 Ze zullen uw rijkdommen plunderen, uw koopwaar buit maken, uw prachtige huizen afbreken, uw muren omverhalen, uw stenen, balken en puin in zee storten.
Ez. 26,13 Ik zal uw gezang en muziek doen verstommen en de klank van uw lieren zal niet meer worden gehoord.
Ez. 26,14 Ik zal een kale rots van u maken, een droogplaats voor netten zult ge zijn; en nooit meer zult ge worden opgebouwd. Zo heb Ik, Jahwe, gesproken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 26,15 Dit zegt Jahwe de Heer tot Tyrus: De eilanden zullen beven van het geraas van uw val en het gekreun van de gewonden, als het zwaard woedt binnen uw muren.
Ez. 26,16 Alle vorsten van het zeegebied zullen van hun troon afdalen, hun mantels afleggen en hun bonte gewaden uittrekken. Ze zullen sidderen van ontzetting en in verslagenheid over u op de grond gaan zitten, al maar bevend van angst.
Ez. 26,17 Dan zullen ze een klaaglied op u aanheffen en tot u zeggen: 'Hoe bent u ten onder gegaan, van de zeeŽn verdwenen, o hooggeprezen stad, die de zee beheerste, u en uw bevolking, die schrik inboezemden aan alle kustbewoners.
Ez. 26,18 Nu sidderen de eilanden vanwege uw ondergang, zijn de eilanden in de zee verbijsterd over uw einde.'
Ez. 26,19 Want dit zegt Jahwe de Heer: Als Ik van u een ruÔne zal maken, gelijk aan andere ontvolkte steden, als Ik de vloed uit de diepte laat opkomen en de grote wateren u overspoelen,
Ez. 26,20 dan zult ge afdalen naar de onderwereld, waar zij die voor u zijn afgedaald voor eeuwig verblijven. Ge zult wonen in de diepte der aarde, evenals de ruÔnes van weleer, die in de onder wereld zijn afgedaald. Nooit zult ge meer herleven en uw glorie doen stralen in het land der levenden.
Ez. 26,21 Ik zal een schrikbeeld van u maken; ge zult voor altijd verdwijnen; men zal u zoeken, maar in der eeuwigheid niet meer vinden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.

Ez. 27,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 27,2 Mensenkind, hef het klaaglied op Tyrus aan
Ez. 27,3 en zeg: Tyrus, dat de toegang tot de zee beheerst en handel drijft met de volken op de vele eilanden: dit zegt Jahwe de Heer: Tyrus, men noemt u een schip van volmaakte schoonheid!
Ez. 27,4 Midden op zee ligt uw domein; uw bouwlieden hebben een prachtschip van u gemaakt.
Ez. 27,5 Cipressen van de Senir gebruikten ze voor de bouw van uw romp; voor uw mast namen ze een ceder van de Libanon.
Ez. 27,6 Van eiken van Basan maak ten ze uw riemen; uw kajuit maakten ze van bukshout van de eilanden der KittiŽrs, met inleg werk van ivoor.
Ez. 27,7 Van fijngeborduurd linnen uit Egypte zijn uw zeilen, waaraan u van verre te herkennen bent; van de eilanden van Elisa komt het blauwe en rode purper van uw paviljoen.
Ez. 27,8 De vorsten van Sidon en Arwad zijn uw roeiers; de kundigste mannen van Semer zijn als matrozen aan boord.
Ez. 27,9 De oudsten en wijzen van Gebal doen op u dienst als scheepstimmerlieden. Alle schepen en zeelieden doen u aan om koopwaar te ruilen.
Ez. 27,10 Soldaten uit PerziŽ, Lud en Put dienen in uw leger, schild en helm hangen ze aan uw muren op en verhogen uw aanzien.
Ez. 27,11 Mannen uit Arwad betrekken de wacht op uw muren en Gammadieten op uw torens; hun schilden hangen ze rondom aan uw muren op en verrijken uw pracht.
Ez. 27,12 Tarsis drijft handel met u in tal van goederen; het levert zilver, ijzer, tin en lood in ruil voor uw waren.
Ez. 27,13 Jawan, Tubal en Mesek drijven handel met u; slaven en bronzen voorwerpen leveren ze in ruil voor uw koopwaar.
Ez. 27,14 Uit Bet-togarma worden paarden, rijdieren en muildieren op uw markt aangevoerd.
Ez. 27,15 De Dedanieten drijven handel met u; op vele eilanden worden uw waren verder verkocht; met ivoor en ebbehout betalen ze u.
Ez. 27,16 Edom drijft handel met u in tal van producten: karbonkel, fijngeborduurd rood purper, byssus, parels en robijnen leveren ze in ruil voor uw waren.
Ez. 27,17 Juda en het land van IsraŽl drijven handel met u: tarwe uit Minnit, mirre, honing, olie en balsem leveren ze in ruil voor uw koopwaar.
Ez. 27,18 Damascus drijft handel met u in tal van producten en allerhande waren; het levert u wijn uit Chelbon, wol uit Sachar
Ez. 27,19 en tonnen wijn uit Izzal in ruil voor uw koopwaar: smeedijzer, laurier en kalmus worden geruild tegen uw waren.
Ez. 27,20 Dedan dreef handel met u in zadeldekken.
Ez. 27,21 De Arabieren en de vorsten van Kedar zijn uw agenten; ze drijven handel in lammeren, rammen en bokken.
Ez. 27,22 De kooplieden van Seba en Rama drijven handel met u: de fijnste reukwerken, allerlei edelstenen en goud leveren ze in ruil voor uw waren.
Ez. 27,23 Haran, Kanne en Eden, de kooplieden van Seba, Assur en Kilmad drijven handel met u;
Ez. 27,24 zij verkopen u pronkgewaden, mantels van fijngeborduurd blauw purper, bontgeweven tapijten en stevig gevlochten touwen.
Ez. 27,25 Met Tarsis-schepen worden uw waren vervoerd. Volgeladen en zwaarbevracht ligt u midden op zee.
Ez. 27,26 Uw roeiers hebben u in volle zee gebracht, maar daar, midden op zee, zal de oostenwind u breken.
Ez. 27,27 Uw rijkdommen, voorraden en koopwaar, uw matrozen en andere schepelingen, uw scheepstimmerlieden en uw opvarende kooplieden en soldaten, al het volk dat aan boord is, vergaan midden op zee, nu het uur van uw ondergang gekomen is.
Ez. 27,28 Van de noodkreten van uw matrozen raakt de zee in beroering.
Ez. 27,29 Allen die de riemen hanteren verlaten hun schepen; allen die op zee zijn gaan aan land.
Ez. 27,30 Luid verheffen ze hun stem en bitter klagen ze om u; ze strooien stof op hun hoofd en bedekken zich met as.
Ez. 27,31 Om u scheren ze zich kaal en hullen zich in zakken; in bittere smart wenen ze om u en bitter is hun rouwklacht.
Ez. 27,32 Jammerend heffen ze over u een klaaglied aan en zingen een treurzang: 'Wie is als Tyrus, de sterke veste, midden in zee?
Ez. 27,33 Ver over zee voerde u uw koopwaar en verzadigde er de volken mee. Met u schatten en uw goederen maakte u de koningen der aarde rijk.
Ez. 27,34 Nu bent u door de zee gebroken, verzwolgen in de diepten der wateren; uw waren en heel uw bemanning zijn met u vergaan.
Ez. 27,35 Alle bewoners der eilanden zijn met verbijstering geslagen, hun koningen zijn door ontzetting bevangen; de verslagenheid staat op hun gezicht te lezen;
Ez. 27,36 de volken die met u handel dreven, sissen. U bent een schrikbeeld geworden en verdwenen voor altijd.'

Ez. 28,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 28,2 Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: Dit zegt Jahwe de Heer: Gij bent hoogmoedig geworden en hebt gezegd: 'Ik ben een god, ik zit op een goddelijke troon, midden op zee.' Ofschoon ge maar een mens bent, en geen god, hebt ge gemeend goddelijke wijsheid te bezitten.
Ez. 28,3 Ja, ge bent wijzer dan DaniŽl; gene geheim is voor u verborgen.
Ez. 28,4 Door uw wijsheid en behendigheid hebt ge rijkdommen verworven en goud en zilver vergaard in uw schatkamers.
Ez. 28,5 Door uw koopmanstalent hebt ge uw bezit vergroot en zo bent ge trots geworden op uw rijkdom.
Ez. 28,6 Daarom zegt Jahwe de Heer: omdat ge gemeend hebt goddelijke wijsheid te bezitten,
Ez. 28,7 stuur Ik barbaren op u af, de meest geduchte volken. Die zullen hun zwaarden trekken tegen uwe majesteit met al haar wijsheid en uw luister zullen ze onteren.
Ez. 28,8 In de onderwereld zullen ze u doen afdalen en ge zult een gewelddadige dood sterven, midden op zee.
Ez. 28,9 Als ge oog in oog staat met hem die u doodt, zult ge dan nog volhouden dat ge een god bent? In de macht van hem die u neerslaat zult ge ervaren dat ge een mens bent en geen god.
Ez. 28,10 Door de hand van barbaren zult ge een smadelijke dood sterven. Zo heb ik gesproken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 28,11 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 28,12 Mensenkind, hef een klaaglied aan op de koning van Tyrus en zeg hem: Dit zegt Jahwe de Heer: Gij waart een paradijkwezen vol van wijsheid, en uitermate schoon.
Ez. 28,13 Gij waart in Eden, de tuin van God; om u heen een omheining van edelstenen: van robijn, topaas en jaspis, chrysoliet, kornalijn en onyx, saffier, karbonkel en smaragd. Van goud waren de sieraden waarmee gij getooid waart; op de dag dat u geschapen werd waren ze gereed.
Ez. 28,14 Gij waart een kerub met uitgespreide vleugels; tot bewaker had Ik u aangesteld: de heilige berg van God was uw verblijfplaats, daar wandelde gij temidden van flonkerende stenen.
Ez. 28,15 Onberispelijk was uw gedrag op de dag dat ge geschapen werd, maar later zijt ge tot zonde vervallen.
Ez. 28,16 Bij uw uitgebreide handel zijt ge van de ene geweldpleging tot de andere gekomen. Vanwege uw zonden zal Ik u van de berg van God wegslaan, zal Ik u, kerub, die Ik tot bewaker had aangesteld, verjagen uit de tuin met de flonkerende stenen.
Ez. 28,17 Ge waart trots op uw schoonheid; uw pronkzucht heeft uw wijsheid ten val gebracht. Daarom zal Ik u ter aarde werpen, u maken tot een schouwspel voor de koningen.
Ez. 28,18 Door uw grote ongerechtigheid, door uw oneerlijke handel hebt ge uw heiligdom ontwijd; daarom laat Ik een vuur in u oplaaien, dat u verslinden zal; voor de ogen van al uw bewonderaars maak Ik u met de bodem gelijk.
Ez. 28,19 Al uw vrienden onder de volken zullen met verbijstering geslagen zijn. U bent een schrikbeeld geworden en verdwenen voor altijd.
Ez. 28,20 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 28,21 Mensenkind, richt u tot Sidon; profeteer ertegen
Ez. 28,22 en zeg: Dit zegt Jahwe de Heer: Sidon, Ik kom op u af! In uw midden zal Ik mijn heerlijkheid openbaren; als Ik er het strafgericht voltrek, zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben; zo zal Ik tonen dat Ik de Heilige ben.
Ez. 28,23 Ik zal de pest op haar afsturen en in haar straten een bloedbad aanrichten. In haar midden zullen doden vallen door het zwaard dat van alle kanten tegen haar gericht is; ze zullen weten dat Ik Jahwe ben.
Ez. 28,24 Zo zal het volk van IsraŽl geen hinderlijke doorn en stekelige distel meer hebben onder de buurvolken die het verachten; ze zullen verkondigen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 28,25 Dit zegt Jahwe de Heer: Als Ik het volk van IsraŽl heb teruggebracht uit de landen waarover ze verspreid zijn, zal Ik door hen aan de volken tonen dat Ik de Heilige ben; dan zullen ze wonen op hun eigen grond, die Ik gegeven heb aan mijn dienaar Jakob,
Ez. 28,26 Daarop zullen ze veilig wonen, huizen bouwen en wijn gaarden planten. Als Ik mijn strafgericht heb voltrokken aan de buurvolken die hen veracht hebben, zullen ze in veiligheid leven en zullen ze erkennen dat Ik Jahwe hun God ben.

Ez. 29,1 In het tiende jaar, op de twaalfde dag van de tiende maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht:
Ez. 29,2 Mensenkind, richt u tot Farao, de koning van Egypte; profeteer tegen hem en tegen heel Egypte;
Ez. 29,3 spreek aldus: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik keer Mij tegen u, Farao, koning van Egypte, gij grote krokodil, die daar ligt in de Nijl. Gij hebt gezegd: 'De Nijl is van mij; ik heb hem voor mij gemaakt.'
Ez. 29,4 Ik zal haken slaan in uw kaken, de vissen van de Nijl aan uw schubben hechten en u uit de Nijl ophalen, met al de vissen van de Nijl die aan uw schubben vastzitten.
Ez. 29,5 Ik zal u de woestijn inslingeren, u met al de vissen uit de Nijl; in de eenzaamheid zult ge neersmakken en niemand zal u opnemen en begraven. Aan de wilde beesten en de vogels van de hemel geef Ik u ten prooi,
Ez. 29,6 en alle bewoners van Egypte zullen erkennen dat Ik Jahwe ben. Ge bent een rieten stok voor IsraŽl:
Ez. 29,7 pakt men u vast, dan knakt ge en rijt ge de handpalm open; leunt men op u, dan breekt ge door en verzwikt men zijn heup.
Ez. 29,8 Daarom, zegt Jahwe de Heer, ontbied Ik het zwaard tegen u. Ik roei mens en dier in uw land uit;
Ez. 29,9 Egypte zal een barre woestenij worden. Dan zal men erkennen dat Ik Jahwe ben. Omdat ge gezegd hebt: 'De Nijl is van mij, ik heb hem zelf gemaakt',
Ez. 29,10 daarom keer Ik Mij tegen u en uw Nijl! Ik maak van Egypte een barre en troosteloze woestenij van Migdol tot Syene, ja tot aan Kus toe.
Ez. 29,11 Geen mens zal er een voet zetten en geen dier zal er komen; veertig jaar zal het onbewoond blijven.
Ez. 29,12 Ik zal Egypte het lot doen delen van alle verwoeste landen, en zijn steden dat van alle in puin gelegde steden, veertig jaar lang. Ik zal de Egyptenaren onder de volken ver spreiden en ze over de landen verstrooien.
Ez. 29,13 Maar, zegt Jahwe de Heer, na die veertig jaar zal ik de Egyptenaren terugbrengen uit de landen waarover ze verspreid zijn,
Ez. 29,14 en het lot van Egypte ten beste keren. Ik zal ze terug brengen naar Patros, het land van hun oorsprong. Maar ze zullen daar een onbeduidend koninkrijk vormen,
Ez. 29,15 het geringste van alle koninkrijken; nooit zal het zich meer boven de volken kunnen verheffen. Ik zal het klein houden zodat het de volken niet kan overheersen.
Ez. 29,16 Dan zal het niet meer het vertrouwen genieten van IsraŽl: dit zal toegeven, gedwaald te hebben toen het zich op Egypte verliet. Zo zullen de Egyptenaren erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 29,17 In het zevenentwintigste jaar, op de eerste dag van de eerste maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht:
Ez. 29,18 Mensenkind, koning Nebukadnessar van Babel heeft zijn manschappen met de belegering van Tyrus een zwaar karwei gegeven: hun hoofden zijn kaal geschuurd en hun schouders ontveld. Maar noch hij noch zijn leger kregen uit Tyrus het loon voor het karwei dat ze er hadden uitgevoerd.
Ez. 29,19 Daarom, zegt Jahwe de Heer, zal Ik aan koning Nebukadnessar van Babel Egypte geven. Hij zal het land plunderen, van zijn schatten beroven en er de rijkdommen uit wegslepen; dat zal het loon zijn voor zijn leger.
Ez. 29,20 Als beloning voor het zware werk dat ze voor Mij ver richt hebben zal Ik hem Egypte geven, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 29,21 Op die dag zal Ik voor het volk van IsraŽl een hoorn doen opkomen en gij zult in hun midden vrijuit kunnen spreken. En ze zullen erkennen dat Ik Jahwe ben.

Ez. 30,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 30,2 Mensenkind, profeteer en zeg: Dit zegt Jahwe de Heer: Weeklaag: 'Ach, die dag!'
Ez. 30,3 Want nabij is de dag, nabij is de dag van Jahwe, de donkere dag, waarop het uur van de volken zal slaan.
Ez. 30,4 Het zwaard zal over Egypte komen; in Kus zal men sidderen van angst. In Egypte zullen doden vallen; men sleept er de rijkdom weg en haalt omver wat overeind staat;
Ez. 30,5 de Kusieten, de Putieten, de Ludieten, alle vreemdelingen in Egypte woonachtig, de LibiŽrs en de zonen van het verbond zullen met de Egyptenaren vallen door het zwaard.
Ez. 30,6 Dit zegt Jahwe de Heer: Zij die Egypte steunen zullen vallen; zijn trotse kracht zal ineenstorten, van Migdol tot Syene zullen ze vallen door het zwaard, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 30,7 Egypte zal het lot delen van alle verwoeste landen, zijn steden dat van alle in puin gelegde steden
Ez. 30,8 en ze zullen erkennen dat Ik Jahwe ben. Ik stort vuur uit over Egypte en vernietig al zijn bondgenoten.
Ez. 30,9 Op die dag zal Ik boden op schepen naar het onbezorgde Kus laten gaan om het schrik aan te jagen; de Kusieten zullen sidderen van angst als het uur van Egypte geslagen heeft, en dat is nabij.
Ez. 30,10 Dit zegt Jahwe de Heer: Door koning Nebukadnessar van Babel zal Ik een einde maken aan de feestroes van Egypte.
Ez. 30,11 Hem en zijn leger, samengebracht uit de meest geduchte volken, stuur Ik om het land te verwoesten. Ze zullen hun zwaar den tegen Egypte trekken en het land met lijken bedekken.
Ez. 30,12 Ik zal de Nijl droogleggen en het land prijsgeven aan woestelingen. Ik zal het land met al wat er op is door barbaren laten verwoesten; Ik, Jahwe, heb gesproken.
Ez. 30,13 Dit zegt Jahwe de Heer: Ik zal de afschuwelijke goden vernietigen en de rijksgroten uit Nof doen verdwijnen; er zal in Egypte geen vorst meer zijn. Ik breng het land in paniek,
Ez. 30,14 Ik zal Patros verwoesten, Soan in brand steken en aan No mijn strafgericht voltrekken.
Ez. 30,15 Ik ga mijn woede koelen aan Sin, het bolwerk van Egypte, en de volksmassa's van No uitroeien.
Ez. 30,16 Ik zal vuur uitstorten over Egypte: Sin zal ineenkrimpen van pijn, in No worden bressen geslagen en Nof zal op klaarlichte dag aan angst ten prooi zijn.
Ez. 30,17 De jongemannen van On en Pi-beset zullen vallen door het zwaard en de bevolking zal in ballingschap gaan.
Ez. 30,18 Tachpanches zal bij dag in duister gedompeld worden, als Ik daar de scepters van Egypte breek. Gebroken wordt daar zijn overmoedige trots, een wolk zal Egypte bedekken en zijn dochters zullen in ballingschap gaan.
Ez. 30,19 Zo zal Ik mijn strafgericht aan Egypte voltrekken, opdat ze erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 30,20 In het elfde jaar, op de zevende dag van de eerste maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht:
Ez. 30,21 Mensenkind, Ik heb de arm van Farao, de koning van Egypte gebroken; hij wordt niet verzorgd, niet behandeld met geneesmiddelen, noch verbonden; hij krijgt nooit meer de kracht om het zwaard te hanteren.
Ez. 30,22 Daarom, zegt Jahwe de Heer: Ik reken met Farao, de koning van Egypte, af. Ik zal zijn beide armen breken, nu ook de gezonde, bij de arm die al gebroken is, en hem zo het zwaard uit de hand doen vallen.
Ez. 30,23 Ik zal de Egyptenaren onder de volken verspreiden en ze verstrooien over de landen.
Ez. 30,24 De arm van de koning van Babel zal Ik sterk maken en hem mijn zwaard in de hand geven, maar de armen van Farao zal Ik breken; en kermend als een dodelijk gewonde zal hij voor de koning van Babel bezwijken.
Ez. 30,25 De armen van de koning van Babel zal Ik sterk maken, maar de armen van Farao zullen alle kracht verliezen. Egypte zal weten dat Ik Jahwe ben: Ik geef de koning van Babel mijn zwaard in de hand en hij zal er Egypte mee treffen.
Ez. 30,26 Ik zal de Egyptenaren onder de volkeren verspreiden en ze verstrooien over de landen, opdat ze erkennen dat Ik Jahwe ben.

Ez. 31,1 In het elfde jaar, op de eerste dag van de derde maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht:
Ez. 31,2 Mensenkind, zeg tot Farao, de koning van Egypte, en zijn leger: Waarmee is uw grootheid te vergelijken?
Ez. 31,3 Met een pijnboom, een ceder van de Libanon, met mooie takken, met schaduwrijk loof en een rijzige stam; tot in de wolken reikte zijn top.
Ez. 31,4 Het water deed hem gedijen en maakte hem groot; het stroomde rondom de plaats waar hij geplant stond en vandaar vloeide het in beken naar alle bomen in de vlakte.
Ez. 31,5 Dank zij het overvloedige water tierde hij welig; zijn stam stak boven alle andere bomen in de vlakte uit, zijn takken waren talrijk en zijn twijgen lang.
Ez. 31,6 In zijn takken nestelden de vogels van de hemel; onder zijn twijgen wierpen de wilde dieren hun jongen; in zijn schaduw woonden machtige volken.
Ez. 31,7 Daar zijn wortel door overvloedig water gevoed werd, was het een prachtboom, door zijn hoogte en zijn lange takken.
Ez. 31,8 Zelfs de ceders in de tuin van God waren niet zo hoog als hij: de cipressen hadden er niet zulke mooie takken en de platanen niet zulke twijgen; geen boom in de tuin van God evenaarde zijn schoonheid.
Ez. 31,9 Met zijn volle kroon had Ik hem tot een prachtige boom gemaakt; alle bomen van Eden die in de tuin van God stonden benijdden hem.
Ez. 31,10 Maar, zegt Jahwe de Heer, hij werd hoogmoedig op zijn stam, verhief zijn kruin tot in de wolken en werd trots op zijn hoogte.
Ez. 31,11 Daarom lever Ik hem over aan de beheerser der volken, en die zal met hem afrekenen. Om zijn boosheid ruk Ik hem uit.
Ez. 31,12 Barbaren, de meest geduchte volken, zullen hem omhouwen en neersmakken op de bergen; in de dalen komen zijn takken terecht; zijn twijgen vallen gebroken neer in de ravijnen der aarde; de volken der aarde zijn uit zijn schaduw weggetrokken en laten hem neersmakken.
Ez. 31,13 Op zijn gevallen stam zetten de vogels van de hemel zich neer en de wilde dieren legeren tussen zijn takken.
Ez. 31,14 Dit alles gebeurt opdat geen boom aan het water meer groot zal gaan op zijn hoogte, noch zijn kruin in de wolken steken en opdat niets dat van water leeft nog prat zal gaan op zijn grootte. Want allen zijn bestemd voor de dood en de onderwereld, waar ze het lot zullen delen van de mensen die reeds in de onderwereld zijn afgedaald.
Ez. 31,15 Dit zegt Jahwe de Heer: Op de dag dat hij naar het dodenrijk afdaalt laat ik de wateren der diepte over hem rouwen, houd hun stromen tegen en verstop de bronnen. Om hem hul Ik de Libanon in een rouwkleed en verdorren de bomen in de vlakte.
Ez. 31,16 Ik doe de volken opschrikken door het gedreun van zijn val, als Ik hem laat afdalen in het dodenrijk, naar hen die reeds in de onderwereld zijn afgedaald. Dan zullen in de onderwereld alle bomen van Eden zich getroost voelen, het puik en de keur van de Libanon, alles wat van water leeft.
Ez. 31,17 Ook zijn bondgenoten onder de volken, die in zijn schaduw woonden, zullen met hem naar het dodenrijk afdalen, naar hen die door het zwaard zijn omgekomen.
Ez. 31,18 Waart ge door pracht en grootheid gelijk aan de bomen van Eden, evenals de bomen van Eden wordt ge neergeworpen in het dodenrijk, en komt ge te liggen bij hen die een smadelijke dood gestorven zijn of door het zwaard zijn omgekomen. Zo gaat het met Farao en heel zijn leger, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.

Ez. 32,1 In het twaalfde jaar, op de eerste dag van de twaalfde maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht:
Ez. 32,2 Mensenkind, hef een klaaglied aan op Farao, de koning van Egypte, en zeg tot hem: Jonge leeuw, heerser over de volken, ge lijkt op een krokodil in het water: door uw neusgaten laat ge het water spuiten, met uw poten brengt ge het water in beroering en doet ge de stromen kolken.
Ez. 32,3 Dit zegt Jahwe de Heer: Ik zal mijn net over u laten werpen door een menigte grote legers; ze zullen u ophalen in mijn fuik.
Ez. 32,4 Ik zal u op het droge slingeren, u neersmakken in de eenzaamheid. De vogels van de hemel zal Ik op u neer laten strijken en alle dieren der aarde zich aan u zat laten vreten.
Ez. 32,5 Ik zal uw vlees op de bergen leggen en de dalen vullen met uw resten.
Ez. 32,6 Ik zal de aarde drenken met uw vocht, uw bloed over de bergen uitgieten; de ravijnen zullen door uw bloed worden gevuld.
Ez. 32,7 Als uw levenslicht gedoofd wordt, befloers Ik de hemel en hul de sterren in rouw. De zon verberg Ik achter de wolken en de maan zal haar licht niet meer geven.
Ez. 32,8 Alle lichten aan de hemel zal Ik om u in rouw hullen en uw land zal Ik in het duister dompelen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 32,9 Vele volken zal de schrik om het hart slaan, als Ik het nieuws van uw val onder de volken verspreid tot in landen waarvan ge nog nooit gehoord hebt.
Ez. 32,10 Vele volken zal Ik met verbijstering slaan; hun koningen zullen de haren te berge rijzen als mijn zwaard rakelings langs hen heen slaat. Ze zullen beven en sidderen van angst, en al maar vrezen voor hun eigen leven op de dag van uw ondergang.
Ez. 32,11 Want dit zegt Jahwe de Heer: Het zwaard van de koning van Babel komt op u af;
Ez. 32,12 uw leger maai Ik neer met de zwaarden van helden uit de meest geduchte volken. Ze zullen de trots van Egypte breken en heel zijn leger vernietigen.
Ez. 32,13 Langs de grote stroom zal geen vee meer te vinden zijn; mensenvoet noch dierenhoef zal nog ooit het water in beroering brengen.
Ez. 32,14 Ik zal het water weer rustig maken en de stroom doen vloeien als olie, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 32,15 Als Ik van Egypte een woestenij heb gemaakt, als het land beroofd is van heel zijn rijkdom, als Ik allen die er wonen heb neergeveld, dan zal men erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 32,16 Dit is een klaaglied en als een klaaglied moet men het zingen; overal ter wereld zullen de vrouwen het zingen; over Egypte en zijn bevolking zullen ze dit klaaglied zingen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 32,17 In het twaalfde jaar, op de vijftiende dag van de eerste maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht:
Ez. 32,18 Mensenkind, hef een weeklacht aan over de bevolking van Egypte, gij met de vrouwen overal ter wereld, en bezing de afdaling van de machtigen naar de diepte der aarde, waar zij verblijven die in de onderwereld zijn neergedaald.
Ez. 32,19 Hoe schoon ge ook bent, Farao, daal neer en leg u te ruste bij hen die smadelijk zijn omgekomen,
Ez. 32,20 tussen hen die door het zwaard zijn geveld. Het zwaard is aangereikt, de vijanden hebben het getrokken tegen Egypte en heel zijn bevolking.
Ez. 32,21 Vanuit het dodenrijk roepen de machtige helden Farao en zijn helpers toe: 'Daar komen ze om zich te ruste te leggen, smadelijk omgekomen, geveld door het zwaard.'
Ez. 32,22 Daar ligt reeds Assur met al zijn volk rondom hem begraven; allen gesneuveld, gevallen door het zwaard.
Ez. 32,23 Zijn rustplaats ligt in de krochten van de onderwereld en rondom hem ligt zijn volk begraven, allen gesneuveld, gevallen door het zwaard, zij voor wie in het land der levenden ieder sidderde van angst.
Ez. 32,24 Daar ligt Elam met al zijn volk rondom hem begraven, allen gesneuveld, gevallen door het zwaard, na een smadelijke dood afgedaald naar de diepten der aarde, zij voor wie in het land der levenden ieder sidderde van angst, maar die nu hun schande moeten dragen onder hen die in de onderwereld zijn neergedaald.
Ez. 32,25 Onder de gesneuvelden heeft hij een rustplaats gekregen, met al zijn volk rondom hem. Zij allen zijn smadelijk omgekomen, geveld door het zwaard. Voor hen sidderde ieder van angst in het land der levenden; nu moeten zij hun schande dragen onder hen die in de onderwereld zijn neergedaald.
Ez. 32,26 Daar ligt Mesek-tubal met al zijn volk rondom hem begraven, allen smadelijk omgekomen, geveld door het zwaard; voor hen sidderde ieder van angst in het land der levenden.
Ez. 32,27 Zij liggen niet bij de helden van weleer, die in hun wapenrusting in het dodenrijk zijn neergedaald en nu rusten met hun hoofd op het zwaard en hun gebeente bedekt met het schild. Voor deze helden sidderde men van angst in het land der levenden.
Ez. 32,28 En gij, Farao, zult ook gebroken neerliggen temidden van hen die smadelijk zijn omgekomen en door het zwaard zijn geveld.
Ez. 32,29 Daar ligt Edom met al zijn koningen en vorsten, die, al hun kracht ten spijt, neergelegd zijn bij hen die door het zwaard zijn geveld. Ook zij rusten bij hen die na een smadelijke dood in de onderwereld zijn neergedaald.
Ez. 32,30 Daar liggen alle koningen van het Noorden en de SidoniŽrs, die neergedaald zijn naar hen die door het zwaard geveld zijn; ondanks de schrik die zij om zich heen gezaaid hebben en al hun kracht ten spijt, liggen zij nu beschaamd over hun smadelijke dood bij hen die door het zwaard zijn omgekomen; zij moeten hun schande dragen onder hen die in de onderwereld zijn neergedaald.
Ez. 32,31 Als Farao al deze doden ziet, zal hij berusten in het lot van zijn volk, dat evenals hijzelf en heel zijn leger gevallen is door het zwaard, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 32,32 Want in het land der levenden heb Ik allen doen sidderen van angst voor Farao, maar nu is hij neergelegd bij hen die smadelijk zijn omgekomen, geveld door het zwaard, hij en heel zijn volk, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.

Ez. 33,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 33,2 Mensenkind, spreek tot uw volksgenoten en zeg hun: Als ik het zwaard over een land laat komen en het volk wijst iemand uit zijn midden als wachter aan,
Ez. 33,3 dan moet hij, als hij het gevaar ziet aankomen, de bazuin steken en het volk waarschuwen.
Ez. 33,4 Als dan iemand wel het signaal van de bazuin hoort maar er zich niet aan stoort, en het zwaard komt en velt hem neer, dan is alleen hijzelf schuldig aan zijn vergoten bloed;
Ez. 33,5 hij heeft het signaal van de bazuin gehoord, maar er zich niet aan gestoord. Had hij dat wel gedaan, dan had hij zijn leven gered; nu komt zijn bloed op hem neer.
Ez. 33,6 Maar als de wachter het gevaar ziet aankomen en niet op de bazuin blaast, dan wordt het volk niet gewaarschuwd; komt het zwaard en velt het iemand neer, dan eis Ik zijn bloed van de wachter op, ook al is die man gevallen vanwege zijn eigen schuld.
Ez. 33,7 Mensenkind, Ik heb u als wachter over het volk van IsraŽl aangesteld. Al wat ge van Mij verneemt moet ge hun in mijn naam meedelen.
Ez. 33,8 Als Ik tot de boosdoener zeg: 'Boosdoener, ge zult zeker sterven', en gij waarschuwt de boosdoener niet dat hij zich moet beteren, dan zal die boosdoener sterven vanwege zijn eigen schuld, maar van u eis Ik zijn bloed op.
Ez. 33,9 Maar als ge de boosdoener gewaarschuwd hebt dat hij zijn leven moet beteren en hij betert zijn leven niet, dan zal hij vanwege zijn eigen schuld sterven, maar gij blijft in leven.
Ez. 33,10 Mensenkind, het volk van IsraŽl zegt: 'Wij gaan gebukt onder onze misdaden en zonden en verkommeren daardoor; voor ons is er geen sprake van leven.'
Ez. 33,11 Zeg tot hen: 'Zowaar als Ik leef, zegt Jahwe de Heer, Ik wil de dood van de zondaar niet, maar wens dat hij zich betert en in leven blijft. Bekeer u, bekeer u en beter uw leven. Waarom zoudt ge sterven, volk van IsraŽl?'
Ez. 33,12 Mensenkind, zeg tot uw volksgenoten: Als de rechtvaardige zich gaat misdragen, zullen zijn goede daden hem niet meer baten, en als de boosdoener zijn leven betert zal hij niet door zijn boosheid ten val komen. Als de rechtvaardige zich gaat misdragen, zullen zijn goede daden hem niet meer baten.
Ez. 33,13 Als Ik tot de rechtvaardige zeg dat hij in leven zal blijven, en hij gaat in vertrouwen op zijn verdiensten ongerechtigheid bedrijven, dan zal geen van zijn verdiensten nog geteld worden, maar zal hij sterven om de ongerechtigheid die hij bedreven heeft.
Ez. 33,14 En zeg Ik tot de boosdoener: 'Gij zult sterven', maar hij betert zijn leven en gaat handelen naar wet en recht;
Ez. 33,15 geeft het pand terug, vergoedt gestolen goed, gedraagt zich volgens de wetten die tot het leven voeren en bedrijft geen ongerechtigheid, dan zal hij in leven blijven en niet sterven.
Ez. 33,16 De zonden die hij gedaan heeft zullen hem niet worden toegerekend; hij heeft gehandeld naar wet en recht; hij zal in leven blijven.
Ez. 33,17 En dan zeggen uw volksgenoten: 'De weg van de Heer is niet recht!' Maar hun eigen weg is niet recht.
Ez. 33,18 Als een rechtvaardige zich gaat misdragen en ongerechtigheid bedrijft, zal hij sterven.
Ez. 33,19 En als een boosdoener zijn leven betert en handelt naar wet en recht, zal hij leven.
Ez. 33,20 Al zegt ge: 'De weg van de Heer is niet recht', toch zal Ik ieder van u vonnissen naar zijn gedrag, volk van IsraŽl!
Ez. 33,21 In het twaalfde jaar van onze ballingschap, op de vijfde dag van de tiende maand, kwam er een vluchteling uit Jeruzalem bij me met het bericht: 'De stad is gevallen!'
Ez. 33,22 De avond tevoren was de hand van Jahwe over mij gekomen en 's morgens, voordat de vluchteling bij me kwam, opende Jahwe mijn mond. Ik was niet meer stom en kon weer gewoon spreken.
Ez. 33,23 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 33,24 Mensenkind, de bewoners van die puinen in het land van IsraŽl zeggen: 'Abraham was maar alleen en kreeg toch heel het land in bezit; wij zijn met velen, daarom is het land ons blijvend bezit.'
Ez. 33,25 Zeg dus tot hen: Dit zegt Jahwe de Heer: Ge eet vlees waar het bloed nog in zit, ge slaat uw ogen op naar uw afgoden, ge vergiet bloed, en zou dan het land uw blijvend bezit zijn?
Ez. 33,26 Ge voelt u sterk door uw zwaard, ge bedrijft gruweldaden, ge onteert de vrouw van uw naaste, zou dan het land uw blijvend bezit zijn?
Ez. 33,27 Zeg hun: Dit zegt Jahwe de Heer: Zo waar Ik leef: de bewoners van de puinen zullen vallen door het zwaard, die op het platteland leven geef Ik ten prooi aan de wilde dieren, en die in spelonken en holen huizen zullen sterven aan de pest.
Ez. 33,28 Ik zal van het land een barre woestenij maken; zijn overmoedige trots zal vernietigd worden en het bergland van IsraŽl zal eenzaam en verlaten liggen; niemand trekt er doorheen.
Ez. 33,29 Als Ik van het land een barre woestenij maak vanwege al de gruweldaden die ze bedreven hebben, zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 33,30 Mensenkind, uw volksgenoten praten over u in de schaduw van de muren of bij de ingang van hun huizen en ze zeggen tot elkaar: 'Kom, laten we eens gaan luisteren naar wat Jahwe nu weer te zeggen heeft.'
Ez. 33,31 Ze stromen naar u toe als bij een volksoploop en zetten zich in groten getale voor u neer. Ze luisteren naar uw woorden, maar handelen er niet naar; ze zeggen dat ze hunkeren naar Gods woord, maar met hun hart zijn ze bij hun zaken.
Ez. 33,32 Gij bent voor hen als een zanger die van de liefde zingt, met een mooie stem en fraai snarenspel; ze luisteren graag naar uw woorden, maar handelen er niet naar.
Ez. 33,33 Maar als mijn woorden in vervulling gaan, en dat ge beurt, dan zullen ze erkennen dat er onder hen een profeet geweest is.

Ez. 34,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 34,2 Mensenkind, profeteer tegen de herders van IsraŽl, profeteer en zeg tot de herders: Dit zegt Jahwe de Heer: Wee de herders van IsraŽl die zichzelf weiden! Moeten de herders niet hun schapen weiden?
Ez. 34,3 Ge eet het vet, ge kleedt u met de wol, ge slacht het vetgemeste dier, maar weiden doet ge de beesten niet.
Ez. 34,4 Het zwakke dier geeft ge niets om aan te sterken, het zieke dier geneest ge niet, het gewonde verbindt ge niet, het verdwaalde brengt ge niet terug en het verlorene zoekt ge niet; ge behandelt de dieren hard en ruw.
Ez. 34,5 Ze raken verspreid omdat niemand ze weidt; ze vallen ten prooi aan de wilde dieren of raken verdwaald.
Ez. 34,6 Mijn schapen dolen rond over alle bergen en hoge heuvels; over heel de aarde zijn mijn schapen verstrooid, zonder dat er iemand naar vraagt of naar zoekt.
Ez. 34,7 Daarom, herders, luistert naar het woord van Jahwe:
Ez. 34,8 Zo waar Ik leef, zegt Jahwe de Heer: omdat mijn schapen weggeroofd worden, omdat ze ten prooi vallen aan de wilde dieren doordat niemand ze weidt, omdat mijn herders zich niet om de schapen bekommeren, maar alleen zichzelf weiden en niet mijn schapen,
Ez. 34,9 daarom, herders, hoort het woord van Jahwe.
Ez. 34,10 Dit zegt Jahwe de Heer: Ik keer mij tegen de herders! Ik zal mijn schapen van hen opeisen en henzelf als herder ontslaan. De herders zullen niet langer zichzelf weiden; Ik zal mijn schapen uit hun mond bevrijden, ze zullen hun niet langer als voedsel dienen.
Ez. 34,11 Want, zegt Jahwe de Heer, Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen.
Ez. 34,12 Zoals een herder omziet naar zijn schapen, als die verstrooid zijn geraakt, zo zal ook Ik naar mijn schapen omzien en ze veilig terugbrengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en dichte duisternis.
Ez. 34,13 Ik zal ze terugvoeren uit de volken, ze samenbrengen uit de landen en ze leiden naar hun eigen grond; Ik zal ze weiden op de bergen en in de dalen van IsraŽl, op alle weideplaatsen van het land.
Ez. 34,14 Op goede weidegrond zal Ik ze weiden, het hoogland van IsraŽl zal hun weideplaats zijn. Daar zullen ze legeren op goede plaatsen en grazen in welige weiden op de bergen van IsraŽl.
Ez. 34,15 Ik zal zelf mijn schapen weiden en ze zelf een rust plaats wijzen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 34,16 Het verloren dier zal Ik zoeken, het afgedwaalde terug halen, het gewonde verbinden, het zieke sterken, de vette en sterke dieren bewaren; Ik zal ze weiden zoals het behoort.
Ez. 34,17 Gij, mijn schapen, zegt Jahwe de Heer, Ik ga rechtspre ken tussen het ene schaap en het andere, tussen de rammen en de bokken.
Ez. 34,18 Is het u niet genoeg dat ge de beste weide afgraast en wat er overblijft met uw hoeven vertrapt, dat ge het helderste water drinkt en de rest met uw poten bevuilt?
Ez. 34,19 De andere schapen moeten dan eten wat uw hoeven vertrapt hebben en drinken wat uw poten hebben bevuild.
Ez. 34,20 Daarom, zegt Jahwe de Heer tot hen, ga Ik rechtspreken tussen de vette schapen en de magere.
Ez. 34,21 Omdat ge al wat zwak is met flank en schouder wegdringt en met de horens stoot totdat ge ze verdreven hebt,
Ez. 34,22 kom Ik mijn schapen te hulp opdat ze niet langer ver drukt worden; Ik ga rechtspreken tussen het ene schaap en het andere.
Ez. 34,23 Dan zal Ik over hen een herder aanstellen die hen weiden zal: mijn dienaar David. Die zal ze weiden, die zal hun herder zijn.
Ez. 34,24 Ik, Jahwe, zal hun God zijn, en mijn dienaar David hun vorst; Ik Jahwe, heb gesproken.
Ez. 34,25 Ik zal hun de vrede waarborgen en de wilde dieren uit het land doen verdwijnen, zodat ze veilig kunnen leven in de steppen en slapen in de bossen.
Ez. 34,26 Ik zal mijn zegen uitstorten over hen en over het gebied rondom mijn heuvel; Ik zal het op tijd laten regenen, weldadige regens zullen het zijn.
Ez. 34,27 De bomen in het veld zullen hun vruchten dragen en de akkers hun gewas voortbrengen. Mijn volk zal wonen op zijn eigen grond en erkennen dat Ik Jahwe ben, als Ik het hout van zijn juk breek en het bevrijd uit de macht van zijn verdrukkers.
Ez. 34,28 Dan zullen ze niet langer geplunderd worden door de volken en verscheurd door de wilde dieren; ze zullen veilig wonen zonder dat iemand ze opschrikt.
Ez. 34,29 Ik zal het gewas voor hen zo welig doen opschieten dat men er overal van spreekt, niemand in het land zal meer van honger omkomen en de smaad van de volken zullen ze niet langer te verduren hebben.
Ez. 34,30 Dan zullen ze erkennen dat Ik, Jahwe, hun God, hen bescherm en dat zij, het volk van IsraŽl, mijn volk zijn, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 34,31 Gij toch zijt mijn schapen, de schapen die Ik weid; gij zijt mijn mensen en Ik ben uw God, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.

Ez. 35,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 35,2 Mensenkind, richt u tot het gebergte van Seir, profeteer ertegen
Ez. 35,3 en zeg: Dit zegt Jahwe de Heer: Gebergte van Seir, Ik keer Mij tegen u! Ik strek mijn hand tegen u uit en maak van u een barre woestenij.
Ez. 35,4 Van uw steden zal Ik een puinhoop maken en zelf zult ge een woestenij worden; ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 35,5 Omdat ge eeuwenlang de IsraŽlieten vijandig gezind bent geweest en ze hebt overgeleverd aan het moordende zwaard ten tijde van hun rampspoed, toen aan hun ongerechtigheid een einde gemaakt werd,
Ez. 35,6 daarom, zo waar Ik leef, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, zal Ik u behandelen als een moordenaar en bloed zal u achtervolgen; omdat ge er niet voor teruggeschrokken zijt bloed te vergieten, zal bloed u achtervolgen.
Ez. 35,7 Ik zal van het gebergte van Seir een barre woestenij maken en uitroeien wie het waagt er doorheen te trekken of ernaar terug te keren.
Ez. 35,8 Ik zal zijn bergen bezaaien met de lijken van gesneuvelden; op uw heuvels, in uw dalen en in uw ravijnen zullen zij komen te vallen door het zwaard.
Ez. 35,9 Ik zal voor altijd een woestenij van u maken en uw steden zullen niet meer worden bewoond; ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 35,10 Gij hebt gezegd: 'Die twee volken en die twee landen zullen mij toebehoren; wij nemen de gebieden waar Jahwe gewoond heeft in bezit.'
Ez. 35,11 Zo waar Ik leef, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, de woede, de naijver en de haat waarmee gij tegen IsraŽl bent opgetreden, zal Ik u vergelden en in het vonnis dat Ik over u voltrek zal Ik Mij aan IsraŽl openbaren.
Ez. 35,12 Die smadelijke taal die ge over de bergen van IsraŽl hebt uitgeslagen, dat ze verwoest waren en u als buit waren toegevallen, die heb Ik, Jahwe, gehoord en dat zult ge weten.
Ez. 35,13 Ge hebt een grote mond tegen Mij opgezet en u schuldig gemaakt aan grootspraak; Ik heb het gehoord.
Ez. 35,14 Dit zegt Jahwe de Heer: Ik zal van u een woestenij maken en heel de aarde zal zich erover verheugen,
Ez. 35,15 zoals gij u verheugd hebt toen het erfdeel van het volk van IsraŽl verwoest werd. Ik zal u hetzelfde lot doen ondergaan. Een woestenij zult ge worden, gebergte van Seir en heel Edom; zo zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben.

Ez. 36,1 Mensenkind, richt u tot de bergen van IsraŽl en profeteer: Bergen van IsraŽl luistert naar het woord van Jahwe:
Ez. 36,2 Dit zegt Jahwe de Heer: De vijand heeft over u Haha! geroepen en gezegd: 'De oeroude heilige plaatsen zijn ons bezit geworden.'
Ez. 36,3 Daarom moet ge profeteren en zeggen: Dit zegt Jahwe de Heer: Men heeft u verwoest, en nu azen de overgebleven volken rondom op u om u in bezit te nemen; met minachting praat men over u.
Ez. 36,4 Daarom, bergen van IsraŽl, luistert naar het woord van Jahwe: Dit zegt de Heer tot de bergen, de heuvels, de ravijnen, de dalen, de eenzame puinen en de ontvolkte steden, die geplunderd zijn en een mikpunt van spot geworden voor de volken rondom,
Ez. 36,5 dit zegt Jahwe de Heer: Waarachtig, in het vuur van mijn naijver zal Ik heel Edom en de andere volken vonnissen. Met grote vreugde en vol leedvermaak hebben ze mijn land in bezit genomen en het leeggeplunderd.
Ez. 36,6 Daarom moet ge profeteren over het land van IsraŽl en zeggen tegen de bergen, de heuvels, de ravijnen en de dalen: Dit zegt Jahwe de Heer: Omdat ge de smaad van de volken hebt moeten verduren,
Ez. 36,7 verklaar Ik in mijn naijver en woede, en zweer Ik, zegt Jahwe de Heer: Waarachtig, de volken rondom u zullen op hun beurt hun schande moeten dragen.
Ez. 36,8 Maar gij, bergen van IsraŽl, zult weer met bomen begroeid raken en vruchten voortbrengen voor mijn volk IsraŽl, want weldra keert het terug.
Ez. 36,9 Ik wend Mij weer tot u en zal zorgen dat ge weer bewerkt en bezaaid wordt.
Ez. 36,10 Er zullen weer veel mensen op u wonen, heel het volk van IsraŽl; de steden zullen weer bewoond en de puinen herbouwd worden.
Ez. 36,11 Veel mensen zullen weer op u wonen en veel vee zal op u weiden; ze zullen zich vermenigvuldigen en vruchtbaar zijn. Ge zult weer even dicht bevolkt zijn als vroeger; het zal u nog beter gaan dan voorheen, opdat ge erkent dat Ik Jahwe ben.
Ez. 36,12 Ik zal maken dat er mensen op u leven, mijn volk IsraŽl; het zal u weer in bezit nemen en gij zult zijn erfdeel zijn en zult het nooit meer kinderloos maken, zegt Jahwe de Heer.
Ez. 36,13 Dit zegt Jahwe de Heer: Men verwijt u dat ge de mensen verslindt en uw bewoners kinderloos maakt.
Ez. 36,14 Waarachtig, ge zult de mensen niet meer verslinden en uw bewoners niet meer kinderloos maken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 36,15 Zo bespaar Ik u de spot van de volken en hoeft ge de smaad van de naties niet meer te verduren, want ge zult uw bewoners niet meer kinderloos maken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 36,16 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 36,17 Mensenkind, toen het volk van IsraŽl nog op zijn eigen grond woonde, heeft het die door zijn wangedrag verontreinigd. Zijn gedrag was in mijn ogen even onrein als het bloed van de stonden.
Ez. 36,18 Omdat ze bloed vergoten hadden en het land door hun afgoderij verontreinigd, heb Ik mijn woede aan hen gekoeld.
Ez. 36,19 Daarom heb Ik ze verspreid onder de volken en zijn ze verstrooid over de landen; naar hun wangedrag heb Ik hen gevonnist.
Ez. 36,20 En bij alle volken waar ze kwamen ontwijdden ze mijn heilige naam. Want men zei van hen: 'Dit is het volk van Jahwe en toch heeft het zijn land moeten verlaten.'
Ez. 36,21 Maar de eer van mijn naam ging Mij aan het hart, mijn heilige naam die door het volk van IsraŽl ontwijd is onder de volken waar ze gekomen zijn.
Ez. 36,22 Zeg daarom tot het volk van IsraŽl: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik ga ingrijpen, doch niet omwille van u, maar om mijn heilige naam, die door u ontwijd is bij de volken waar ge gekomen bent.
Ez. 36,23 Ik zal voor mijn grote naam, die ontwijd is onder de volken, die door u onder hen ontwijd is, weer eerbied afdwingen en door u aan de volken tonen dat Ik de Heilige ben; zo zullen de volken erkennen dat Ik Jahwe ben, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 36,24 Ik zal u terugvoeren uit de volken, u samenbrengen uit alle landen en u leiden naar uw eigen grond.
Ez. 36,25 Ik zal u met zuiver water besprenkelen en ge zult rein worden; van al uw ongerechtigheden en van al uw afgoderij zal Ik u reinigen.
Ez. 36,26 Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in u uitstorten; Ik zal het stenen hart uit uw lichaam verwijderen en een hart van vlees geven.
Ez. 36,27 Mijn geest zal Ik in u uitstorten en Ik zal ervoor zorgen dat ge mijn wetten nakomt en mijn voorschriften nauwkeurig onderhoudt.
Ez. 36,28 Ge zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult mijn volk en Ik zal uw God zijn.
Ez. 36,29 Ik zal u bevrijden van al uw ongerechtigheden; een overvloed van koren zal Ik te voorschijn roepen en u nooit meer honger laten lijden.
Ez. 36,30 De bomen laat Ik veel vruchten dragen en de akkers overvloedig gewas voortbrengen; zo zult ge onder de volken niet meer de smaad te dragen hebben dat ge honger lijdt.
Ez. 36,31 Dan zult ge terugdenken aan uw slecht gedrag en uw boze daden en ge zult van uzelf walgen om uw ongerechtigheden en uw gruweldaden.
Ez. 36,32 Niet omwille van u doe Ik het, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, weet dat wel! Schaam u, schaam u diep over uw gedrag, volk van IsraŽl!
Ez. 36,33 Dit zegt Jahwe de Heer: Ik zal u reinigen van al uw ongerechtigheden, en dan zal Ik uw steden weer bevolken en uw puinen herbouwen.
Ez. 36,34 Het verwilderde land zal weer worden bewerkt; het zal niet langer een woeste aanblik bieden aan wie er doorheen trekt.
Ez. 36,35 Dan zal men zeggen: 'Dit land, dat verwilderd was, is een tuin van Eden geworden; de steden die verwoest en vernield waren zijn weer ommuurde en bewoonde steden geworden.'
Ez. 36,36 Dan zullen de volken die rondom u zijn overgebleven erkennen dat Ik Jahwe ben; Ik bouw weer op wat vernield was en beplant wat verwilderd was. Ik, Jahwe, heb gesproken en wat Ik zeg voer Ik uit.
Ez. 36,37 Dit zegt Jahwe de Heer: Opnieuw ben Ik bereid de wens van het volk van IsraŽl te vervullen en de mensen zo talrijk te maken als de schapen.
Ez. 36,38 Zoals het in Jeruzalem op feestdagen een gedrang is van offerdieren, zo zullen de verwoeste steden weer vol zijn van kudden mensen; zo zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben.

Ez. 37,1 De hand van Jahwe kwam over mij; zijn geest nam mij mee en zette mij neer in een dal dat vol beenderen lag.
Ez. 37,2 Hij leidde mij er in alle richtingen tussendoor, en ik zag hoeveel er over heel het dal wel lagen en hoe dor ze waren.
Ez. 37,3 Daarop vroeg Hij mij: 'Mensenkind, zouden deze beenderen nog tot leven kunnen komen?' Ik antwoordde: 'Jahwe mijn Heer, dat weet Gij alleen.'
Ez. 37,4 Toen zei Hij: 'Profeteer over deze beenderen en zeg: Dorre beenderen, luister naar het woord van Jahwe.
Ez. 37,5 Dit zegt Jahwe de Heer tot deze beenderen: Ik ga de levensgeest in u brengen, en ge komt weer tot leven.
Ez. 37,6 Ik leg pezen op u, bekleed u met vlees en overtrek u met een huid; dan schenk Ik u de levensgeest en ge komt weer tot leven. Dan zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben.'
Ez. 37,7 Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. En zodra ik begon, ontstond er een gedruis: de beenderen voegden zich aaneen, elk op zijn plaats.
Ez. 37,8 En ik zag hoe er pezen op kwamen en vlees en hoe ze met een huid overtrokken werden. Maar de levensgeest was er nog niet in.
Ez. 37,9 Toen zei Hij tot mij: 'Profeteer tot de levensgeest, profeteer, mensenkind en zeg tot de levensgeest: Dit zegt Jahwe de Heer: Kom, van de vier windstreken, levensgeest, en blaas in deze gevallenen: dat ze weer leven.'
Ez. 37,10 Ik profeteerde zoals mij opgedragen was en de levens geest kwam erin. Ze werden weer levend en gingen overeind staan: een onoverzienbaar leger.
Ez. 37,11 Daarop zei Jahwe tegen mij: 'Mensenkind, deze beenderen zijn het volk IsraŽl. Bij hen leeft de gedachte: Onze beenderen zijn verdord, onze hoop is vervlogen, het is met ons gedaan.
Ez. 37,12 Profeteer daarom en zeg tegen hen: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik ga uw graven openen; Ik wek u in groten getale daaruit op en voer u terug naar IsraŽls grond.
Ez. 37,13 En als Ik uw graven open en u in groten getale daaruit opwek, dan zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 37,14 Ik schenk u mijn geest, zodat ge weer leeft, en laat u op uw eigen grond gaan wonen. Dan zult ge erkennen dat Ik, Jahwe, doe wat Ik zeg, luidt de godsspraak van Jahwe.'
Ez. 37,15 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 37,16 Mensenkind, neem e en stuk hout en schrijf daarop: 'Juda en de IsraŽlieten die bij hem horen.' Neem dan een tweede stuk hout en schrijf daarop: 'Jozef, of EfraÔm, en heel IsraŽl dat bij hem hoort.'
Ez. 37,17 Voeg beide stukken dan samen, tot een geheel in uw hand.
Ez. 37,18 Als uw volksgenoten vragen: 'Leg ons uit wat u hiermee bedoelt',
Ez. 37,19 antwoord dan: Dit zegt Jahwe de Heer: Dit betekent dat Ik het stuk van Jozef, of van EfraÔm, en van de stammen van IsraŽl die bij hem horen, bij het stuk hout van Juda ga voegen en er weer een geheel van maak in mijn hand.
Ez. 37,20 En als ze u daar zien met de beschreven stukken hout in de hand
Ez. 37,21 moet ge hun zeggen: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik haal de IsraŽlieten weg uit de volken waar ze heengevoerd zijn; uit alle richtingen breng Ik ze weer bijeen en voer ze terug naar hun eigen grond.
Ez. 37,22 En daar, op de bergen van IsraŽl, maak Ik en volk van hen: een koning zal heersen over hen allen. Niet langer zullen het twee volken zijn, over twee rijken verdeeld.
Ez. 37,23 Ze zullen zich niet meer bezoedelen met hun gruwelijke afgoden en met al hun misdaden. Van alle ontrouw waardoor ze zich hebben bezondigd, zal Ik hen bevrijden en zuiveren. Dan zullen zij mijn volk zijn en Ik hun God.
Ez. 37,24 En mijn dienaar David zal koning over hen zijn: een herder voor hen allen. Dan zullen ze mijn geboden opvolgen en mijn voorschriften stipt onderhouden.
Ez. 37,25 In het land van hun voorouders, dat Ik aan mijn dienaar Jakob gegeven heb, zullen ze wonen, zij, hun kinderen en hun kleinkinderen, voor altijd; en mijn dienaar David zal hun vorst zijn voor immers.
Ez. 37,26 Dan sluit Ik met hen een altijddurend vredesverbond. Ik maak hen weer talrijk en vestig mijn heiligdom in hun midden voor altijd.
Ez. 37,27 Bij hen zal Ik wonen; Ik zal hun God zijn en zij mijn volk. En als mijn heiligdom voor altijd in hun midden staat, zullen de volken erkennen dat Ik Jahwe ben, degene die IsraŽl heiligt.

Ez. 38,1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
Ez. 38,2 Mensenkind, richt uw blik naar het land Magog, naar Gog, de vorst van Ros, Mesek en Tubal. Profeteer tegen hem:
Ez. 38,3 Dit zegt Jahwe de Heer: Ik kom op je af, Gog, vorst van Ros, Mesek en Tubal.
Ez. 38,4 Ik kom je halen: Ik sla een haak in je kaken en voer je mee, al je troepen met paarden en ruiters, allen tot de tanden gewapend, je machtige leger met schild en rondas, het zwaard in de hand,
Ez. 38,5 en al je bondgenoten uit PerziŽ, Kus en Put, uitgerust met rondas en helm,
Ez. 38,6 Gomer met al zijn troepen en Bet-togarma uit het hoge noorden met al zijn troepen. Veel volken trekken met je mee.
Ez. 38,7 Maak je klaar, hou je gereed, met al de legers die zich bij je aansluiten en houd ze goed in je macht.
Ez. 38,8 Na lange tijd, na verloop van jaren, zul je geroepen worden om tegen een land op te trekken dat zich van de oorlog hersteld heeft, tegen een volk dat uit vele landen weer bijeen is gebracht en nu ongestoord woont op de bergen van IsraŽl, die voorgoed een wildernis schenen.
Ez. 38,9 Als een stormwind kom je daar opzetten, en als een wolk overdek je heel het land met je troepen en die van je talloze bondgenoten.
Ez. 38,10 Dit zegt Jahwe de Heer: Op dat moment zullen boze plannen bij je opkomen.
Ez. 38,11 Je denkt: 'Laat ik optrekken tegen dat weerloze land, ik overval de vreedzame mensen die daar ongestoord leven, zonder stadsmuren, grendels of poorten.'
Ez. 38,12 Je wilt roven en plunderen en je vergrijpen aan steden die uit hun puin zijn herrezen, aan een volk dat uit vele landen bijeen is gebracht en met zijn herwonnen have en goed in het middelpunt van de wereld woont.
Ez. 38,13 Seba, Dedan, de kooplui van Tarsis en alle handelaars zullen je vragen: 'Kom je om te plunderen? Heb je dat hele leger op de been gebracht om buit te verzamelen, om zilver en goud te roven, om have en goed weg te slepen en een grote slag te slaan?'
Ez. 38,14 Mensenkind, profeteer daarom tegen Gog: Dit zegt Jahwe de Heer: Juist als mijn volk IsraŽl ongestoord leeft, kom je aanrukken.
Ez. 38,15 Uit je land in het hoge noorden ruk je op met al je bondgenoten, allen te paard, een onoverzienbaar leger, een talrijke krijgsmacht.
Ez. 38,16 Je trekt op tegen mijn volk IsraŽl en als een wolk overdek je het land. Op het einde der tijden laat Ik je tegen mijn land oprukken. En als Ik door jou, Gog, toon dat Ik de Heilige ben, zullen de volken Mij erkennen.
Ez. 38,17 Dit zegt Jahwe de Heer: Over jou heb Ik vroeger al gesproken door mijn dienaars, de profeten van IsraŽl. Zij hebben toen aangekondigd dat Ik jou tegen hen zou laten oprukken.
Ez. 38,18 Maar op de dag dat Gog IsraŽls grondgebied betreedt, barst mijn woede los, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 38,19 In mijn gloeiende naijver en in mijn ziedende woede zweer Ik: Op deze dag zal er in IsraŽl een zware aardbeving plaats grijpen.
Ez. 38,20 De vissen in de zee, de vogels in de lucht, de wilde dieren, alle kruipend gedierte en alle mensen op aarde zullen voor Mij beven. Bergen storten neer, rotswanden komen naar beneden en alle muren vallen om.
Ez. 38,21 Alle mogelijke verschrikkingen roep Ik tegen hem op, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer; Ik laat het zwaard zich keren tegen het zwaard;
Ez. 38,22 Ik straf hem met pest en dood; regen en hagel, vuur en zwavel laat Ik neerkomen op hem, op zijn troepen en op al zijn bondgenoten.
Ez. 38,23 Zo zal Ik mijn grootheid laten zien en tonen dat Ik de Heilige ben. Wanneer Ik Mij openbaar zullen alle volken erkennen dat Ik Jahwe ben..

Ez. 39,1 Mensenkind, profeteer tegen Gog: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik kom op je af, Gog, vorst van Ros, Mesek en Tubal.
Ez. 39,2 Ik kom je halen, Ik jaag je voort en laat je uit het hoge noorden oprukken naar het bergland van IsraŽl.
Ez. 39,3 Dan sla Ik de boog uit je linker - en de pijlen uit je rechterhand.
Ez. 39,4 Op de bergen van IsraŽl zul je vallen met je troepen en je bondgenoten. Door allerlei roofvogels en wilde dieren laat Ik je verslinden.
Ez. 39,5 In het open veld zul je sneuvelen: Ik heb gesproken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 39,6 Ik laat vuur neerkomen op Magog en op de eilanden, die zich veilig wanen. Dan zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben.
Ez. 39,7 Ik openbaar mijn heilige naam aan IsraŽl, mijn volk, en laat hem niet langer ontwijden. En de volken zullen erkennen dat Ik Jahwe ben, de Heilige van IsraŽl.
Ez. 39,8 Waarachtig, het zal gebeuren, zo zal het zijn op de dag die Ik voorzegd heb, luidt de godsspraak van Jahwe.
Ez. 39,9 Dan komen de inwoners van IsraŽl uit hun steden en steken de brand in de wapens: schild en rondas, bogen en pijlen, knotsen en speren. Zeven jaar lang stoken zij daarmee hun vuren.
Ez. 39,10 Ze hoeven geen hout van de velden te halen of in de bossen te kappen: al die tijd stoken zij hun vuren met die wapens. Ze plunderen die hen hebben geplunderd en beroven die hen hebben beroofd, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 39,11 Op die dag wijs Ik in IsraŽl als graf voor Gog het Abarimdal aan, oostelijk van de zee. Iedereen die daar door wil, vindt de weg versperd, want daar ligt Gog met al zijn legers begraven; het heet ook Dal van Gogs legers.
Ez. 39,12 Zeven maanden lang zullen de IsraŽlieten graven delven en het land zuiveren.
Ez. 39,13 Heel de bevolking zal eraan meedoen en dat zal hun tot eer strekken op de dag dat Ik mijn heerlijkheid openbaar, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 39,14 Bovendien zullen mensen worden aangesteld om, als de zeven maanden voorbij zijn, het land te doorkruisen en alle lijken die ze nog mochten aantreffen, te begraven en zo het hele land te zuiveren.
Ez. 39,15 Overal waar ze op hun tocht mensenbeenderen vinden, zetten ze een teken, opdat ze door de doodgravers begraven worden in het dal van Gogs legers,
Ez. 39,16 niet te verwarren met de stad van die naam, en zo het hele land gezuiverd wordt.
Ez. 39,17 Mensenkind, dit zegt Jahwe de Heer: Zeg tegen de vogels en alle wilde dieren: Verzamelen! Kom van alle kanten bijeen voor het offermaal, het reusachtig offermaal dat Ik voor je aanricht op de bergen van IsraŽl. Kom vlees eten en bloed drinken,
Ez. 39,18 het vlees van helden en het bloed van de vorsten der aarde: van rammen, bokken, hamels en stieren, allemaal mestvee uit Basan.
Ez. 39,19 Eet je dik aan het vet, drink je zat aan het bloed van het offermaal dat Ik voor je aanricht.
Ez. 39,20 Doe je te goed aan mijn tafel, aan paarden en ruiters, aan helden en soldaten, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 39,21 Zo zal Ik mijn heerlijkheid tonen aan de volken. Ze zullen allen de straf voelen die Ik aan hen voltrek, en mijn machtige hand, die op hen drukt.
Ez. 39,22 Van die dag af zal IsraŽl erkennen dat Ik Jahwe ben, hun God.
Ez. 39,23 En de volken zullen erkennen dat IsraŽl om zijn eigen schuld in ballingschap is gegaan. Om hun ontrouw jegens Mij heb Ik mijn gelaat van hen afgewend en ze aan hun vijanden overgeleverd, zodat ze gevallen zijn door het zwaard.
Ez. 39,24 Ze hebben gekregen wat ze om hun onreinheid en hun zonden verdienden: Ik heb mijn gelaat van hen afgewend.
Ez. 39,25 Maar, zegt Jahwe de Heer, nu keer Ik het lot van Jakob ten goede, Ik ontferm Mij over heel IsraŽl en Ik ijver voor mijn heilige naam.
Ez. 39,26 Hun smaad en de gevolgen van hun ontrouw zullen ze vergeten als ze op hun grond weer ongestoord leven zonder dat iemand hen opschrikt.
Ez. 39,27 Wanneer Ik hen terugvoer uit de volken en hen uit de landen van hun vijanden bijeenbreng, zal Ik door hen aan alle volken tonen dat Ik de Heilige ben.
Ez. 39,28 Dan zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben, hun God, die hen in ballingschap gevoerd heb, maar hen ook weer bijeenbreng op hun grond zonder iemand achter te laten.
Ez. 39,29 Nooit meer wend Ik mijn gelaat van IsraŽl af, nu Ik mijn geest over hen heb uitgestort, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.

Ez. 40,1 Op de tiende dag van de eerste maand van het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, het veertiende na de val van de stad, kwam de hand van Jahwe over mij en voerde mij weg.
Ez. 40,2 In een goddelijk visioen bracht Hij mij naar IsraŽl en zette mij neer op een zeer hoge berg. Aan de zuidkant was iets als een stad gebouwd.
Ez. 40,3 Hij bracht mij er heen en daar zag ik in de poort een man staan. Hij leek wel van brons en had een linnen snoer en een meetstok in de hand.
Ez. 40,4 Die man zei tegen mij: 'Mensenkind, kijk goed uit uw ogen, spits uw oren en schenk aandacht aan alles wat ik u laat zien, want daarvoor bent u hierheen gebracht. En alles wat u zult zien, moet u aan IsraŽl bekend maken.'
Ez. 40,5 Nu was daar een tempel met een muur er omheen. De meet stok die de man in de hand hield, was zes el lang, niet de gewone ellemaat, maar en handbreed langer. Daarmee nam hij de maten op van de ommuring: een roede dik en een roede hoog.
Ez. 40,6 Daarop begaf hij zich naar de oostpoort, ging de trappen op en mat de breedte van de drempel: een roede; ook de drempel aan de binnenzijde van de poort was een roede breed.
Ez. 40,7 De wachtlokalen waren een roede breed en een roede diep en tussen de wachtlokalen was een muur van vijf el. Ook de drempel van de voorhal aan de binnenzijde was een roede breed.
Ez. 40,8 Dan mat hij de voorhal zelf:
Ez. 40,9 hij was acht el diep; de muren van de ingang waren twee el breed. Deze voorhal lag aan de binnenzijde.
Ez. 40,10 In het poortgebouw waren aan beide kanten drie wachtlokalen, alle even groot; ook de muren ertussen waren even groot.
Ez. 40,11 Daarop mat hij de poortingang: de breedte was tien el, de lengte dertien.
Ez. 40,12 De wachtlokalen aan weerszijden hadden aan de voorkant een afsluiting van een el hoog; de lokalen zelf waren zes el in het vierkant.
Ez. 40,13 Dan mat hij de breedte van het poortgebouw met de wacht lokalen erbij: vijfentwintig el,
Ez. 40,14 en de breedte van de hal: twintig el. Daar begon een groot plein.
Ez. 40,15 De afstand van de buitenzijde van de poort tot de binnenzijde was vijftig el.
Ez. 40,16 Binnen het poortgebouw waren aan alle kanten blinde vensters aangebracht: in de wachtlokalen, in de muren ertussen en ook in de hal. De muurstukken bij de ingang waren met palmen versierd.
Ez. 40,17 Toen bracht hij mij naar het buitenplein. De rand van het plein was geplaveid en er kwamen dertig vertrekken op uit.
Ez. 40,18 Deze rand, ook benedenplaveisel genoemd, was even breed als de zijkant van de poorten.
Ez. 40,19 Daarna mat hij de breedte van het plein aan de oostzijde vanaf de buitenpoort tot aan de binnenpoort: honderd el.
Ez. 40,20 Hij mat ook de noordpoort van het buitenplein.
Ez. 40,21 De drie wachtlokalen aan weerszijden, de muren ertussen en de hal hadden dezelfde afmetingen als die van de eerste poort. De poort was vijftig el diep en vijfentwintig el breed.
Ez. 40,22 De vensters, de hal en de palmen hadden ook dezelfde afmetingen als die van de oostpoort. Zeven treden leidden naar boven, naar de hal aan de voorzijde.
Ez. 40,23 Tegenover de noordpoort lag een andere poort, die naar het binnenplein leidde, juist zoals aan de oostkant. De afstand tussen beide poorten was honderd el.
Ez. 40,24 Toen leidde hij mij naar de poort aan de zuidkant. Hij mat de tussenmuren en de hal: de afmetingen waren dezelfde als die van de vorige poorten.
Ez. 40,25 De vensters en de hal waren eveneens gelijk aan de vorige. De poort was vijftig el diep en vijfentwintig el breed.
Ez. 40,26 Zeven treden leidden naar boven, naar de hal. De muur stukken aan weerszijden van de ingang waren met palmen versierd.
Ez. 40,27 Aan het binnenplein was ook aan de zuidkant een poort; de afstand tussen beide zuidpoorten was honderd el.
Ez. 40,28 Toen bracht hij mij door de zuidpoort naar het binnen plein. Hij mat de zuidpoort: de afmetingen waren gelijk aan die van de andere poorten.
Ez. 40,29 Ook de wachtlokalen, de muren ertussen en de hal hadden dezelfde afmetingen. In de poort en de hal waren aan alle kanten vensters. De poort was vijftig el diep en vijfentwintig el breed.
Ez. 40,30 De hallen waren dus overal vijfentwintig bij vijf el.
Ez. 40,31 De hal lag aan het buitenplein; de muurstukken aan weerszijden van de ingang waren met palmen versierd. De trap erheen had acht treden.
Ez. 40,32 Toen bracht hij mij naar de oostkant van het binnen plein. Hij mat de poort: de afmetingen waren gelijk aan die van de andere poorten.
Ez. 40,33 Ook de wachtlokalen, de muren ertussen en de hal hadden dezelfde afmetingen. In de poort en de hal waren aan alle kanten vensters. De poort was vijftig el diep en vijfentwintig el breed.
Ez. 40,34 De hal lag aan het buitenplein. De muurstukken aan weerszijden van de ingang waren met palmen versierd: de trap erheen had acht treden.
Ez. 40,35 Toen bracht hij mij naar de noordpoort. Hij mat ze en de afmetingen waren gelijk aan die van de andere poorten,
Ez. 40,36 evenals die van de wachtlokalen, de muren ertussen en de hal; in de poort waren aan alle kanten vensters. De poort was vijftig el diep en vijfentwintig el breed.
Ez. 40,37 De hal lag aan het buitenplein. De muurstukken aan weerszijden van de ingang waren met palmen versierd; de trap erheen had acht treden.
Ez. 40,38 Bij de ingang van de poort bevond zich het vertrek waar de dieren voor het brandoffer worden gewassen.
Ez. 40,39 Aan weerszijden van de hal stonden twee tafels, bestemd voor het slachten van brandoffers, zonde - en schuldoffers.
Ez. 40,40 Ook tegen de beide muren van de hal, aan de buitenkant van de noordpoort, stonden twee tafels.
Ez. 40,41 Er stonden dus vier tafels aan elke zijkant van de poort, in totaal acht tafels, bestemd voor het slachten.
Ez. 40,42 De vier tafels voor het brandoffer waren van gehouwen steen, anderhalve el lang, anderhalve el breed en een el hoog. Voor de gereedschappen gebruikt bij het slachten van brand - en slachtoffers
Ez. 40,43 was er een richel van een handbreed aangebracht langs de hele muur van het gebouw. De tafels zelf dienden voor het offer vlees.
Ez. 40,44 Op het binnenplein lagen buiten de poorten twee zalen: de ene bij de noordpoort met de ingang op het zuiden, de andere bij de zuidpoort met de ingang op het noorden.
Ez. 40,45 De man zei tegen mij: 'De zaal met de ingang op het zuiden is voor de priesters die dienst doen in de tempel,
Ez. 40,46 en de zaal met de ingang op het noorden is voor de priesters die dienst doen bij het altaar. Bedoeld zijn de zonen van Sadok, de enige Levieten die bij hun dienst tot Jahwe mogen naderen.'
Ez. 40,47 Daarna mat hij het binnenplein. Het was honderd el in het vierkant. Op het plein stond voor de tempel het altaar.
Ez. 40,48 Toen bracht hij mij naar de voorhal van de tempel. Hij mat de muurstukken bij de ingang: ze waren beide vijf el dik. De ingang was veertien el breed en de beide pendanten drie.
Ez. 40,49 De voorhal zelf was twintig bij elf el. Een trap van tien treden leidde erheen. Tegen de beide muurstukken aan de ingang stond een zuil..

Ez. 41,1 Toen bracht hij mij naar het schip van de tempel; hij mat de muurstukken bij de ingang: ze waren beide zes el dik.
Ez. 41,2 De ingang was tien el breed, de beide penanten vijf el. Daarop mat hij het schip: het was veertig el diep en twintig el breed.
Ez. 41,3 Toen ging hij verder naar binnen en mat de muurstukken van de volgende ingang; ze waren beide twee el dik, de ingang was zes el breed en de beide penanten zeven.
Ez. 41,4 Vervolgens mat hij de ruimte achter het schip: ze was twintig el in het vierkant. En hij zei mij: 'Dit is het heilige der heiligen.'
Ez. 41,5 Daarop mat hij de muur van de tempel: deze was zes el dik, de muur van de bijgebouwen rond de tempel was vier el dik.
Ez. 41,6 Deze bijgebouwen bestonden uit drie verdiepingen met elk dertig kamers. De steunbalken voor de verdiepingen waren in de buitenmuur rond de tempel ingekast; maar in de muur van de tempel zelf waren ze niet ingekast.
Ez. 41,7 Rond de hele tempel waren de hoger gelegen kamers telkens breder, zodat inwendig de breedte naar boven toe steeds groter werd. Een trap leidde van de benedenverdieping naar de eerste en de tweede verdieping.
Ez. 41,8 Rond de tempel zag ik een terras, waarop de bijgebouwen stonden; het was een volle roede, of zes el, hoog.
Ez. 41,9 De buitenmuur van de bijgebouwen was vijf el dik. De hele vrije ruimte tussen de bijgebouwen
Ez. 41,10 en de dienstvertrekken was overal twintig el.
Ez. 41,11 Van hieruit had men van de noord - en de zuidkant toegang tot de bijgebouwen. Het eigenlijke terras was overal vijf el breed.
Ez. 41,12 Aan de westkant van de tempel, achter een binnenhof, lag een gebouw, dat zeventig el diep en negentig el breed was, de muren ervan waren vijf el dik.
Ez. 41,13 Toen mat hij de tempel: de totale lengte was honderd el. Ook de binnenhof met het gebouw en de muren was honderd el.
Ez. 41,14 Aan de oostkant van de tempel maten de voorgevel en de muur van de binnenhof samen honderd el.
Ez. 41,15 Hij mat ook het gebouw langs de achterzijde van de binnenhof met de beide muren: ze waren samen eveneens honderd el. Het schip en de voorhal
Ez. 41,16 waren met hout betimmerd. Ook de blinde vensters en de drie muren tegenover de ingang waren met hout bekleed. Van de vloer tot aan de vensters
Ez. 41,17 en tot boven de ingang zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde, was de hele muur in vlakken verdeeld.
Ez. 41,18 Daarop waren afwisselend kerubs en palmen aangebracht. Elke kerub had twee gezichten:
Ez. 41,19 een mensengezicht gekeerd naar de palm aan de ene kant, en het gezicht van een leeuw, gekeerd naar de palm aan de andere kant. Met deze afbeeldingen waren alle muren van de tempel versierd,
Ez. 41,20 van de vloer tot boven de ingang.
Ez. 41,21 De deur naar het schip had een vierkant kozijn. Voor het heilige der heiligen stond iets dat leek
Ez. 41,22 op een houten altaar. Het was drie el hoog, twee el lang en breed. De hoeken, het voetstuk en de zijwanden waren van hout. Hij zei mij: 'Dit is de tafel die voor het aangezicht van Jahwe staat.'
Ez. 41,23 Het schip en het heilige der heiligen hadden elk twee deuren
Ez. 41,24 met geheel openslaande deurvleugels, twee voor elke deur.
Ez. 41,25 Ook op de deuren van het schip waren kerubs en palmen afgebeeld, zoals op de muren. De voorhal had aan de buitenzijde een afdak.
Ez. 41,26 Blinde vensters en palmen versierden de beide zijmuren van de voorhal. Ook de bijgebouwen van de tempel hadden afdaken.

Ez. 42,1 Toen leidde hij mij aan de noordkant het buitenplein op en bracht mij naar de vertrekken aan de noordzijde van de binnen hof, en het gebouw daarachter.
Ez. 42,2 Ze waren honderd el lang en vijftig el breed.
Ez. 42,3 Aan de twintig el brede binnenhof, tegen het plaveisel van het buitenplein, lag een trapvormig gebouw van drie verdiepingen.
Ez. 42,4 Een gang van tien el breed en honderd el lang liep langs de vertrekken; de ingangen kwamen uit op het noorden.
Ez. 42,5 De vertrekken van de hogere verdiepingen waren kleiner, omdat de terrassen daar meer ruimte in beslag namen.
Ez. 42,6 De drie verdiepingen hadden namelijk geen zuilen zoals de vertrekken aan het buitenplein; daarom waren de eerste en de tweede verdieping naar boven toe kleiner.
Ez. 42,7 In de richting van de buitenhof liep langs de vertrekken een muur; hij was vijftig el lang.
Ez. 42,8 De vertrekken rond het buitenplein waren immers maar vijftig el, terwijl die tegenover de tempel honderd el waren.
Ez. 42,9 De benedenvertrekken waren toegankelijk vanaf de oostkant van het buitenplein.
Ez. 42,10 Bij het begin van de muur aan de zuidkant, langs de binnenhof en het gebouw, bevonden zich soortgelijke vertrekken,
Ez. 42,11 eveneens met een gang ervoor. Ze kwamen in alle opzichten overeen met de noordelijke vertrekken: ze hadden dezelfde afmetingen, dezelfde uitgangen en ingangen en dezelfde indeling.
Ez. 42,12 De ingangen kwamen uit op het zuiden; de deur aan het begin van de gang naast de schutsmuur lag aan de oostkant.
Ez. 42,13 Daarop zei hij mij: 'De noordelijke en zuidelijke vertrekken aan de binnenhof zijn de heilige vertrekken, waar de priesters die tot Jahwe naderen de hoogheilige offergaven eten. Deze gaven, het meeloffer, het zondeoffer en het schuldoffer, worden daar neergelegd omdat dit een heilige plaats is.
Ez. 42,14 De priesters die deze heilige plaats zijn binnengegaan, mogen niet op het buitenplein komen, voordat ze de heilige gewaden die ze bij de dienst droegen, hebben afgelegd. Pas als ze hun gewone kleren hebben aangetrokken, mogen ze zich begeven naar waar het volk zich ophoudt.
Ez. 42,15 Toen hij klaar was met het opmeten van de binnenste tempelgebouwen, leidde hij mij door de oost poort naar buiten en mat de omtrek van het hele gebied.
Ez. 42,16 Met de meetstok mat hij de oostkant: deze was vijfhonderd el lang.
Ez. 42,17 Vervolgens mat hij de noordkant: deze was vijfhonderd el lang.
Ez. 42,18 Daarna de zuidkant: deze was vijfhonderd el lang.
Ez. 42,19 Tenslotte ging hij naar de westkant en mat die: hij was vijfhonderd el lang.
Ez. 42,20 Zo mat hij de vier zijden; de ringmuur was vijfhonderd bij vijfhonderd el. Hij diende om het heilige te scheiden van het profane.

Ez. 43,1 Daarop bracht hij me weer naar de oostpoort.
Ez. 43,2 En zie: Daar kwam de heerlijkheid van IsraŽls God aan vanuit het oosten, met een geluid als het bruisen van machtige wateren en een schittering die heel de aarde in gloed zette.
Ez. 43,3 Het visioen dat zich voor mij ontvouwde leek op het visioen dat ik had, toen Jahwe de stad kwam verwoesten en op mijn visioen aan de Kebar. Ik wierp mij plat ter aarde
Ez. 43,4 en de heerlijkheid van Jahwe ging door de oostpoort de tempel binnen.
Ez. 43,5 Toen hief de geest mij op en bracht mij naar het binnen plein en ik zag hoe de hele tempel vol was van Jahwe's heerlijkheid.
Ez. 43,6 En terwijl de man nog steeds naast mij stond, hoorde ik dat iemand vanuit de tempel mij aansprak.
Ez. 43,7 Hij zei: 'Mensenkind, hier vestig Ik mijn troon, hier is mijn verblijfplaats, hier zal Ik voor altijd bij de IsraŽlieten wonen.' Zij en hun koningen zullen met hun ontucht mijn heilige naam niet meer ontwijd en; ook zullen ze nooit meer de lijken van hun koningen daar begraven.
Ez. 43,8 Vroeger lag de drempel van de koningen tegen mijn drempel, hun deurpost tegen de mijne; slechts een muur scheidde Mij van hen. Door hun gruweldaden hebben ze mijn heilige naam ontwijd en daarom heb Ik hen in mijn toorn vernietigd.
Ez. 43,9 Maar tucht en de lijken van hun koningen zullen ze ver van Mij houden, zodat Ik voor altijd bij hen kan wonen.
Ez. 43,10 Gij, mensenkind, licht IsraŽl in over de tempel, zodat ze zich over hun wangedrag schamen. Laat hen het ontwerp nameten,
Ez. 43,11 zodat ze zich schamen over alles wat ze misdeden. Stel hen op de hoogte van de indeling en het ontwerp van de tempel, van de uitgangen en ingangen, en van alle regelingen en bepalingen. Schrijf die in hun bijzijn op, zodat ze alles nauwgezet uitvoeren.
Ez. 43,12 Dit zijn de bepalingen betreffende de tempel op de berg; het hele gebied er omheen is hoogheilig. Tot zover de bepalingen betreffende de tempel.'
Ez. 43,13 Dit zijn de afmetingen van het altaar in ellen, niet de gewone ellemaat, maar een handbreed langer. De geul die er rond loopt, is een el diep en een el breed met een opstaande rand erlangs van een span hoog. Het voetstuk van het altaar
Ez. 43,14 is twee el hoog van de geul in de grond tot de onderste omloop, die een el breed is. Het middenstuk van deze grote omloop tot de kleinste, die ook een el breed is, is vier el hoog.
Ez. 43,15 Vier el daarboven is de offerhaard en vier horens steken daar boven uit.
Ez. 43,16 De offerhaard zelf is twaalf el in het vierkant.
Ez. 43,17 De bovenste omloop is veertien el in het vierkant. De opstaande rand van de geul is een halve el breed en de geul zelf een el. De trap van het altaar ligt aan de oostkant.
Ez. 43,18 Hij zei tot mij: Mensenkind, dit zegt Jahwe de Heer: Voor de inwijding van het altaar gelden de volgende voorschriften. De dag dat het gereed is voor het opdragen van brandoffers en het sprenkelen van bloed
Ez. 43,19 geeft ge een jonge stier als zondeoffer aan de levitische priesters die afstammen van Sadok. Zij alleen mogen bij hun dienst tot Mij naderen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 43,20 Ge strijkt dan bloed van het offerdier aan de vier horens van het altaar, aan de vier hoeken van de omloop en aan de opstaande rand eromheen. Zo zult ge het altaar ontsmetten en het zuiveren.
Ez. 43,21 Daarna verbrandt ge het offerdier buiten het heiligdom op de daartoe bestemde plaats.
Ez. 43,22 Op de tweede dag draagt ge een geitenbok zonder gebrek als zondeoffer op om het altaar te ontsmetten zoals ook gebeurd is met het offer van de stier.
Ez. 43,23 Als ge daarmee klaar zijt, brengt ge een jonge stier en een ram, beide zonder gebrek,
Ez. 43,24 voor Jahwe. De priesters strooien er zout over en dragen ze op als brandoffer voor Jahwe.
Ez. 43,25 Zeven dagen achtereen draagt ge zo een bok als zondeoffer op, en een jonge stier en een ram, beide zonder gebrek als brandoffer.
Ez. 43,26 Deze zeven dagen dienen om het altaar te zuiveren, te reinigen en in te wijden.
Ez. 43,27 Vanaf de achtste dag zullen de priesters op dit altaar uw brand - en slachtoffers opdragen en ge zult Mij welgevallig zijn, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.

Ez. 44,1 Toen bracht hij mij terug naar de oostelijke buitenpoort van het heiligdom. Ze was gesloten.
Ez. 44,2 En Jahwe zei tot mij: Deze poort mag niet worden geopend, niemand mag erdoor binnengaan: Jahwe, IsraŽls God, is erdoor binnengekomen en daarom moet ze gesloten blijven.
Ez. 44,3 Alleen de vorst mag in die poort plaats nemen om voor het aangezicht van Jahwe van het offermaal te eten. Hij betreedt ze door de voorhal en verlaat ze langs dezelfde weg.
Ez. 44,4 Toen bracht hij mij langs de noordpoort naar de voorzijde van de tempel. En ik zag, hoe de tempel vervuld was van de heerlijkheid van Jahwe, en wierp me plat ter aarde.
Ez. 44,5 Jahwe zei tot mij: Mensenkind, kijk goed uit uw ogen, spits uw oren en schenk aandacht aan alle voorschriften en wetten die Ik u geef aangaande de tempel. Let goed op iedereen die de tempel in - en uitgaat,
Ez. 44,6 en zeg tegen het weerspannige IsraŽl: Dit zegt Jahwe de Heer: Houd op met uw gruweldaden, IsraŽl.
Ez. 44,7 Vreemdelingen, onbesneden van hart en van lichaam, hebt ge in mijn heiligdom gebracht en daardoor mijn tempel ontwijd. Ge hebt Mij door hen vet en bloed als spijs laten aanbieden en door zulke gruweldaden mijn verbond geschonden.
Ez. 44,8 In plaats van zelf te zorgen voor mijn heilige gaven, hebt ge vreemden aangesteld voor de dienst in mijn heiligdom.
Ez. 44,9 Daarom zegt Jahwe de Heer: Geen vreemdeling, onbesneden van hart en van lichaam mag in mijn heiligdom komen; dit geldt voor alle vreemdelingen in IsraŽl.
Ez. 44,10 Waarachtig, de levieten zullen het boeten: ze hebben zich van Mij verwijderd, toen IsraŽl afdwaalde en achter afgoden aanliep.
Ez. 44,11 Daarom zullen ze in mijn heiligdom dienst doen als poortwachters en tempeldienaars. Ze zullen de dieren slachten die het volk als brand - en slachtoffer aanbiedt en altijd gereed staan om hen van dienst te zijn.
Ez. 44,12 Omdat ze medeplichtig geweest zijn aan de afgoderij van IsraŽl en zo de oorzaak zijn geweest van hun zonde, heb Ik met opgestoken hand gezworen, dat ze het zullen boeten, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 44,13 Ze zullen niet meer als priester tot Mij naderen en geen heilige of hoogheilige gaven meer aanraken. Zo zullen ze de schande van hun gruweldaden dragen.
Ez. 44,14 Ik stel hen aan voor de dienst in de tempel, voor al het gewone werk dat daar moet worden gedaan.
Ez. 44,15 Alleen de levitische priesters, de zonen van Sadok, en die trouw de dienst in mijn heiligdom zijn blijven verrichten toen de IsraŽlieten van Mij afdwaalden, mogen tot Mij naderen. Zij mogen Mij dienen en Mij vet en bloed aanbieden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 44,16 Zij mogen mijn heiligdom binnengaan en aan mijn tafel dienst doen.
Ez. 44,17 Telkens als ze de poorten van het binnenplein betreden moeten ze linnen gewaden aantrekken. Wol mogen ze bij hun dienst in de poorten van het binnenplein of in de tempel niet dragen.
Ez. 44,18 Ook hun hoofddoek en de schort om hun middel moeten van linnen zijn: ze mogen niets aanhebben waarvan ze moeten zweten.
Ez. 44,19 Als ze weer naar het volk op het buitenplein gaan, moeten ze in de heilige vertrekken hun dienstgewaden afleggen en gewone kleren aandoen. Anders zou het volk met hun heilige gewaden in aanraking komen.
Ez. 44,20 Ze mogen hun hoofd niet kaalscheren en evenmin hun haar laten groeien: ze moeten het behoorlijk knippen.
Ez. 44,21 De priesters mogen geen wijn gedronken hebben als ze het binnenplein betreden.
Ez. 44,22 Ze mogen niet huwen met een weduwe of een gescheiden vrouw, maar alleen met een nog niet gehuwd IsraŽlitisch meisje of met de weduwe van een priester.
Ez. 44,23 Ze moeten mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en profaan, tussen rein en onrein.
Ez. 44,24 Bij geschillen treden zij op als rechter en spreken vonnis overeenkomstig mijn wetten. Ze moeten alle feestdagen vieren volgens mijn wetten en voorschriften en mijn sabbat heiligen.
Ez. 44,25 Ze mogen zich niet verontreinigen door bij een dode te komen, behalve als het gaat om vader of moeder, een zoon of een dochter, een broer of een ongehuwde zuster.
Ez. 44,26 Pas zeven dagen na hun reiniging
Ez. 44,27 mogen ze weer het binnenplein betreden om in mijn heiligdom dienst te doen. Ze beginnen dan met voor zichzelf een zondeoffer op te dragen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 44,28 Zij zullen geen grondbezit hebben: Ik ben hun bezit. Eigendom moogt ge hun in IsraŽl niet geven: Ik ben hun eigendom.
Ez. 44,29 Zij zullen leven van de meeloffers, de zonde - en schuldoffers, en alles wat in IsraŽl door de ban is gewijd, komt hun toe.
Ez. 44,30 Ook het beste van alle eerstelingen en uw andere bijdragen zijn voor de priesters. Bovendien zult ge van het eerste deeg een deel aan de priesters afstaan om zegen af te roepen over uw huis.
Ez. 44,31 Vlees van gestorven of verscheurde dieren, hetzij vogels of andere beesten, mogen de priesters niet eten.

Ez. 45,1 Als ge het land verdeelt, moet ge een deel afstaan aan Jahwe, een heilig gebied van vijfentwintigduizend bij twintigduizend el. Heel dat gebied zal heilig zijn.
Ez. 45,2 Hiervan zal een stuk van vijfhonderd el in het vierkant met vijftig el weidegrond eromheen, bestemd zijn voor het heilig dom.
Ez. 45,3 Van het gebied moet ge een stuk van vijfentwintigduizend bij tienduizend el afmeten voor het heiligdom en het heilige der heiligen.
Ez. 45,4 Dat zal het heiligste deel van het land zijn; het behoort aan de priesters, die in het heiligdom dienst doen en tot Jahwe mogen naderen. Daar kunnen zij huizen bouwen; het is eveneens de gewijde plaats voor het heiligdom.
Ez. 45,5 Het andere stuk van vijfentwintigduizend bij tienduizend el behoort aan de levieten, die dienst doen in de tempel. Dat is hun grondgebied; daar zullen zij wonen.
Ez. 45,6 De stad krijgt een gebied toegewezen van vijfduizend bij vijfentwintigduizend el, grenzend aan het heilig gebied. Dit behoort toe aan heel IsraŽl.
Ez. 45,7 Voor de vorst is een gebied bestemd ten oosten en ten westen van het heilig gebied en van het domein van de stad. Het strekt zich naar het westen en het oosten even ver uit als de andere gebieden van het land.
Ez. 45,8 Dat is zijn eigendom in IsraŽl. Nooit meer zullen mijn vorsten mijn volk onderdrukken: de rest van het land zullen ze overlaten aan de verschillende stammen van IsraŽl.
Ez. 45,9 Dit zegt Jahwe de Heer: Het moet nu gedaan zijn, vorsten van IsraŽl. Weg met alle geweld en onderdrukking, weest recht vaardig en eerlijk, buit mijn volk niet langer uit, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 45,10 Uw weegschalen moeten zuiver zijn en uw efa's juist
Ez. 45,11 Efa en bat moeten dezelfde inhoud hebben, beide een tiende van een chomer; de chomer is de standaardmaat.
Ez. 45,12 Een sikkel is twintig gera, twintig sikkel plus vijfentwintig en vijftien maken samen een mine.
Ez. 45,13 Dit is de belasting die ge aan de vorst moet betalen: een zesde efa op een Ezelslast gerst;
Ez. 45,14 een tiende bat op elke kor olie: de kor is tien bat juist zoals de Ezelslast;
Ez. 45,15 een stuk kleinvee op elke tweehonderd dieren van de veestapel van IsraŽl. Deze belastingen zijn bestemd voor de meeloffers, de brand - en slachtoffers die voor u verzoening bewerken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 45,16 Heel de bevolking is verplicht deze belasting aan de vorst van IsraŽl te betalen.
Ez. 45,17 Maar de vorst van zijn kant heeft de plicht op de feest dagen, de nieuwe maan en de sabbat, kortom bij alle plechtigheden van IsraŽl te zorgen voor de brandoffers, de meel - en plengoffers. Hij moet ook zorgen voor de zondeoffers, meeloffers, brand en slachtoffers die verzoening bewerken voor het volk.
Ez. 45,18 Dit zegt Jahwe de Heer: Op de eerste dag van de eerste maand moet ge een jonge stier zonder gebrek offeren om het heiligdom te ontsmetten.
Ez. 45,19 De priester strijkt bloed van het offerdier aan de deurpost van de tempel, aan de vier hoeken van de omloop van het altaar en aan de deurpost van de poort aan het binnenplein.
Ez. 45,20 Op de zevende dag moet ge hetzelfde doen voor allen die zonder opzet of onwetend hebben gezondigd. Zo zult ge de tempel zuiveren.
Ez. 45,21 Op de veertiende dag moet ge het paasfeest vieren; zeven dagen lang moet men ongezuurd brood eten.
Ez. 45,22 Op die dag zal de vorst voor zichzelf en voor heel de bevolking een jonge stier als zondeoffer aanbieden.
Ez. 45,23 En alle zeven dagen van het feest moet hij zorgen voor zeven jonge stieren en zeven rammen zonder gebrek als brandoffer voor Jahwe, en voor een geitenbok als zondeoffer.
Ez. 45,24 Bij elke jonge stier en bij elke ram hoort een meeloffer van een efa, met een hin olie per efa.
Ez. 45,25 Op het feest, de vijftiende dag van de zevende maand, moet hij zeven dagen dezelfde zondeoffers aanbieden, dezelfde brandoffers en meeloffers en dezelfde hoeveelheid olie.

Ez. 46,1 Dit zegt Jahwe de Heer: De oostpoort van het binnenplein moet op de zes werkdagen gesloten blijven; alleen op de sabbat en op de dag van de nieuwe maan wordt ze geopend.
Ez. 46,2 Dan gaat de vorst door de voorhal de poort in; hij blijft bij de deurpost staan en de priesters dragen voor hem een brand offer en een slachtoffer op. Daarna buigt hij zich op de drempel in aanbidding neer en gaat weer naar buiten. De poort wordt pas in de avond gesloten.
Ez. 46,3 Op die dagen buigt ook de bevolking zich, bij de ingang van die poort, in aanbidding neer voor Jahwe.
Ez. 46,4 Het brandoffer dat de vorst aan Jahwe aanbiedt, bestaat uit zes lammeren en een ram, zonder gebrek;
Ez. 46,5 bij de ram hoort een meeloffer van een efa, bij de lamme ren een meeloffer naar goeddunken, met een hin olie per efa.
Ez. 46,6 Op de dag van de nieuwe maan is het brandoffer een jonge stier, zes lammeren en een ram, alle zonder gebrek;
Ez. 46,7 bij de jonge stier en de ram hoort weer een meeloffer van een efa, bij de lammeren een meeloffer naar goeddunken, met een hin olie per efa.
Ez. 46,8 Als de vorst zich naar de poort begeeft, gaat hij door de voorhal naar binnen en langs dezelfde weg weer naar buiten.
Ez. 46,9 Maar de bevolking die op de feestdagen voor Jahwe ver schijnt om zich in aanbidding voor Hem neer te buigen, gaat door de zuidpoort naar buiten, als ze door de noordpoort naar binnen is gekomen. Men gaat niet terug door de poort waardoor men binnen gekomen is, maar door de poort er tegenover.
Ez. 46,10 De vorst komt en gaat tegelijk met de bevolking.
Ez. 46,11 Ook op de feesten en bij plechtige vieringen hoort bij elke jonge stier en bij elke ram een meeloffer van een efa, bij de lammeren een meeloffer naar goeddunken, met een hin olie per efa.
Ez. 46,12 Als de vorst uit eigen beweging een brandoffer of slachtoffer aan Jahwe wil aanbieden, opent men voor hem de oostpoort. Dan biedt hij zijn brandoffer of slachtoffer aan op dezelfde wijze als op de sabbat. Zodra hij weer buiten is, doet men de poort dicht.
Ez. 46,13 Iedere dag moet ge in de morgen een eenjarig lam zonder gebrek als brandoffer aan Jahwe opdragen.
Ez. 46,14 Daar voegt ge elke morgen een meeloffer van een zesde efa aan toe met een derde hin olie om de bloem aan te mengen. Dit voorschrift betreffende het dagelijks meeloffer voor Jahwe geldt voor altijd.
Ez. 46,15 Elke morgen draagt men dus een lam met meel en olie aan Jahwe als dagelijks brandoffer op.
Ez. 46,16 Dit zegt Jahwe de Heer: Als de vorst een deel van zijn bezit aan een van zijn zonen schenkt, dan wordt dat diens eigen dom: het komt hem toe als zijn erfdeel.
Ez. 46,17 Maar geeft hij van zijn bezit iets ten geschenke aan een van zijn dienaars, dan mag die dit slechts behouden tot het jaar van zijn vrijlating. Daarna valt het terug aan de vorst: het maakt deel uit van zijn bezit en van dat van zijn zonen.
Ez. 46,18 De vorst mag geen beslag leggen op de eigendommen van het volk en niemand met geweld uit zijn bezittingen verdringen. Hij mag alleen zijn eigen bezit aan zijn zonen schenken, en niemand van mijn volk uit zijn bezittingen verdrijven.
Ez. 46,19 Hij bracht mij door de ingang naast de noordpoort, naar de priestervertrekken van het heiligdom. Achterin zag ik aan de westkant een ruimte.
Ez. 46,20 Hij zei: 'Hier koken de priesters de schuldoffers en zondeoffers, hier bakken ze de meeloffers. Zo hoeven ze daarmee niet over het buitenplein te gaan en het volk niet met deze heilige zaken in aanraking te brengen.'
Ez. 46,21 Daarna bracht hij mij naar het buitenplein. Ook daar zag ik in elk van de vier hoeken een kleine besloten ruimte.
Ez. 46,22 De vier ruimten hadden alle dezelfde afmetingen: veertig bij dertig el.
Ez. 46,23 Ze waren omgeven door een gaanderij en daaronder waren keukens ingericht.
Ez. 46,24 Hij zei: 'In deze keukens koken de tempeldienaars de slachtoffers die het volk wil opdragen.'

Ez. 47,1 Toen bracht hij mij terug naar de ingang van de tempel. Daar zag ik onder de drempel water opwellen en in oostelijke richting stromen; de voorzijde van de tempel ligt immers op het oosten. Het water stroomde eerst zuidwaarts langs de muur en dan langs de zuidkant van het altaar.
Ez. 47,2 Hij leidde mij door de noordpoort buitenom naar de oostelijke buitenpoort en rechts daarvan kwam het water weer te voorschijn.
Ez. 47,3 De man ging verder oostwaarts met de meetstok in de hand en mat een afstand af van duizend el. Daar liet hij mij door het water waden en het kwam tot mijn enkels.
Ez. 47,4 Weer mat hij een afstand van duizend el af. Hij liet mij door het water waden en het kwam tot mijn knieŽn. Opnieuw mat hij een afstand van duizend el af; hij liet mij door het water waden en het kwam tot mijn middel.
Ez. 47,5 Nog eens mat hij een afstand van duizend el af; nu was het een rivier, ik kon er niet meer doorheen waden. Het water was zo diep dat men er alleen zwemmend overheen kon.
Ez. 47,6 Toen vroeg hij: 'Hebt ge dat gezien, mensenkind?' Daarop liet hij mij teruggaan langs de oever van de rivier.
Ez. 47,7 En op de terugweg zag ik aan beide oevers overal bomen staan.
Ez. 47,8 Hij zei: 'Dit water stroomt door het oostelijk deel van het land naar de Araba, mondt uit in de Zoutzee en maakt het water van de zee gezond.
Ez. 47,9 De rivier brengt leven overal waar hij stroomt, het wemelt er van dieren. De zee zit vol vis, want de rivier die erin uitmondt, maakt het water gezond. Overal waar hij stroomt is volop leven.
Ez. 47,10 Langs de kust, van En-gedi tot En-eglaim, staan vissers, en hangen er netten te drogen. De vissoorten zijn er even talrijk als in de Grote Zee.
Ez. 47,11 Het water in de poelen en in de moerassen wordt echter niet gezond; het zal voor de zoutwinning dienen.
Ez. 47,12 Aan beide oevers van de rivier groeien allerlei vrucht bomen; hun bladeren verdorren niet en ze zijn nooit zonder vruchten. Elke maand dragen ze vruchten, omdat het water dat ze voedt, uit het heiligdom komt. De vruchten zijn eetbaar en de bladeren hebben geneeskracht.'
Ez. 47,13 Dit zegt Jahwe de Heer: Zo lopen de grenzen van het land dat ge onder de twaalf stammen van IsraŽl moet verdelen: Jozef krijgt een dubbel aandeel.
Ez. 47,14 Ieder van u krijgt zijn eigen deel toegewezen van het land, dat Ik met opgestoken hand onder ede aan uw vaderen beloofd heb.
Ez. 47,15 De grenzen lopen als volgt: De noordgrens vanaf de Grote Zee langs Chetlon tot de weg naar Hamat,
Ez. 47,16 dan naar Sedad, Berota en Sibraim, waar het gebied van Damascus en Hamat elkaar raken, tot Chaser-enon aan de grens van Hauran:
Ez. 47,17 dus van de Zee tot Chaser-enon. Ten noorden daarvan ligt het gebied van Damascus en Hamat. Dat is de noordgrens.
Ez. 47,18 De oostgrens loopt tussen Hauran en Damascus, tussen Gilead en IsraŽl langs de Jordaan tot aan de Oostelijke Zee en verder tot Tamar. Dat is de oostgrens.
Ez. 47,19 De zuidgrens loopt vanaf Tamar langs de wateren van Meribat-kades en langs de Beek naar de Grote Zee. Dat is de zuid grens.
Ez. 47,20 De westgrens wordt gevormd door de Grote Zee tot waar de weg naar Hamat begint. Dat is de westgrens. van het land
Ez. 47,21 Dit land moet ge verdelen onder de stammen van IsraŽl.
Ez. 47,22 Bij die verdeling moet ge ook rekening houden met de vreemdelingen, die in uw midden kinderen hebben gekregen. Zij gelden voor u als vrije burgers en krijgen bij de stammen van IsraŽl eigen bezit toegewezen.
Ez. 47,23 In het gebied van de stam waar zij wonen, moet ge hun grondbezit toewijzen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.

Ez. 48,1 Dit zijn de namen van de stammen. In het noorden langs Chetlon en de weg naar Hamat en Chaser-enon, met het gebied van Damascus en Hamat ten noorden daarvan, van de oostgrens tot de westgrens, ligt het gebied van Dan.
Ez. 48,2 Onder dat van Dan ligt, van oost tot west, het gebied van Aser.
Ez. 48,3 Onder dat van Aser ligt, van oost tot west, het gebied van Naftali.
Ez. 48,4 Onder dat van Naftali ligt, van oost tot west, het gebied van Manasse.
Ez. 48,5 Onder dat van Manasse ligt, van oost tot west, het gebied van EfraÔm.
Ez. 48,6 Onder dat van EfraÔm ligt, van oost tot west, het gebied van Ruben.
Ez. 48,7 Onder dat van Ruben ligt, van oost tot west, het gebied van Juda.
Ez. 48,8 Onder dat van Juda ligt, van oost tot west, het hele gebied dat ge moet afstaan. Het is vijfentwintigduizend el breed, en strekt zich, van oost tot west, even ver uit als de andere gebieden. In het midden daarvan komt het heiligdom.
Ez. 48,9 Het gebied dat ge voor Jahwe voor afzonderen, is vijfentwintigduizend el lang en twintigduizend el breed.
Ez. 48,10 Dit heilig gebied is bestemd voor de volgende klassen. Voor de priesters een stuk dat aan de noord - en de zuidzijde vijfentwintigduizend el meet en aan de west - en de oostzijde tienduizend. In het midden daarvan komt het heiligdom van Jahwe.
Ez. 48,11 Dit is het heilig gebied van de priesters, die afstammen van Sadok; in tegenstelling tot de levieten zijn zij Mij trouw blijven dienen en niet met de IsraŽlieten van Jahwe afgedwaald.
Ez. 48,12 Zij krijgen een gebied dat afgezonderd is van de rest van het land; het is hoogheilig en ligt naast dat van de levieten.
Ez. 48,13 De levieten krijgen een stuk dat grenst aan dat van de priesters, en eveneens vijfentwintigduizend bij tienduizend el meet. De beide stukken samen meten dus vijfentwintigduizend bij twintigduizend el.
Ez. 48,14 Daarvan mag niets worden verkocht of geruild: het beste van het land mag niet overgaan in andere handen; het is aan Jahwe gewijd.
Ez. 48,15 Het overblijvend gedeelte van vijfentwintigduizend bij vijfduizend el is profaan gebied; het is bestemd voor de stad, als woonplaats en als weidegrond. De stad zelf komt in het midden
Ez. 48,16 en heeft de volgende afmetingen: de noord - en de zuid zijde vierduizend vijfhonderd el, de oost - en de westzijde eveneens vierduizend vijfhonderd el.
Ez. 48,17 De weidegrond rond de stad meet aan de noord - en de zuidzijde tweehonderdvijftig el breed, aan de oost - en de westzijde eveneens tweehonderdvijftig el breed.
Ez. 48,18 De stukken, die aan de oost - en de westzijde overblijven en die grenzen aan het heilig gebied, zijn elk tienduizend el. De opbrengst daarvan is bestemd voor het onderhoud van de arbeiders in de stad,
Ez. 48,19 die dit land ook bewerken. Ze zijn afkomstig uit alle delen van IsraŽl.
Ez. 48,20 Het hele gebied dat dus met inbegrip van het domein van de stad, vijfentwintigduizend el in het vierkant is, moet ge als heilig gebied afzonderen.
Ez. 48,21 Het gebied dat aan weerszijden van het heilig gebied en van het domein van de stad overblijft, is voor de vorst; het is aan de oost - en de westzijde vijfentwintigduizend el breed en loopt evenwijdig aan de gebieden der stammen. Het heilig gebied en de tempel liggen daar middenin.
Ez. 48,22 Met uitzondering van het gebied van de levieten en het domein van de stad, die tussen de gebieden van de vorst in liggen, is het hele gebied tussen Juda en Benjamin voor de vorst.
Ez. 48,23 Wat de overige stammen betreft: eerst volgt het gebied van Benjamin dat zich uitstrekt van oost tot west.
Ez. 48,24 Onder dat van Benjamin ligt, van oost tot west, het gebied van Simeon.
Ez. 48,25 Onder dat van Simeon ligt van oost tot west, het gebied van Issakar.
Ez. 48,26 Onder dat van Issakar ligt, van oost tot west, het gebied van Zebulon.
Ez. 48,27 Onder dat van Zebulon ligt, van oost tot west, het gebied van Gad.
Ez. 48,28 En ten zuiden van dit gebied loopt de grens vanaf Tamar langs de wateren van Meribatkades en langs de Beek tot aan de Grote Zee.
Ez. 48,29 Dat is het land en dat zijn de gebieden die ge onder de stammen van IsraŽl moet verdelen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
Ez. 48,30 En dit zijn de ingangen van de stad. De noordkant, vierduizend vijfhonderd el lang,
Ez. 48,31 heeft drie poorten, evenals de volgende genoemd naar de stammen van IsraŽl: de Rubenpoort, de Judapoort en de Levipoort.
Ez. 48,32 De oostkant vierduizend vijfhonderd el lang, heeft drie poorten: de Jozefpoort, de Benjaminpoort en de Danpoort.
Ez. 48,33 De zuidkant, vierduizend vijfhonderd el lang, heeft drie poorten: de Simeonpoort, de Issakarpoort en de Zebulonpoort.
Ez. 48,34 De westkant, vierduizend vijfhonderd el lang, heeft drie poorten: de Gadpoort, de Aserpoort en de Naftalipoort.
Ez. 48,35 De hele omtrek meet dus achttienduizend el. En de stad heet voortaan: 'Jahwe-is-daar!'

<< Baruch Index Oude Testament DaniŽl >>