Start
Omhoog

Genesis

 

Index Oude Testament Exodus >>

 

Gen. 1,1 In het begin schiep God de hemel en de aarde.
Gen. 1,2 De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de Geest van God zweefde over de wateren.
Gen. 1,3 Toen sprak God: `Er moet licht zijn!' En er was licht.
Gen. 1,4 En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis;
Gen. 1,5 het licht noemde God dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de eerste dag.
Gen. 1,6 God sprak: `Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.'
Gen. 1,7 En God maakte het uitspansel; Hij scheidde het water onder het uitspansel van het water erboven. Zo gebeurde het.
Gen. 1,8 Het uitspansel noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de tweede dag.
Gen. 1,9 God sprak: `Het water onder de hemel moet naar een plaats samenvloeien, zodat het droge zichtbaar wordt.' Zo gebeurde het.
Gen. 1,10 Het droge noemde God land, en het samengevloeide water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was.
Gen. 1,11 God sprak: `Het land moet zich tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.' Zo gebeurde het.
Gen. 1,12 En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was.
Gen. 1,13 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de derde dag.
Gen. 1,14 God sprak: `Er moeten lichten zijn aan het hemelgewelf, die de dag van de nacht zullen scheiden; zij moeten als tekens dienen, zowel voor de feesten als voor de dagen en de jaren
Gen. 1,15 en tevens als lampen aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten.' Zo gebeurde het.
Gen. 1,16 God maakte de twee grote lampen, de grootste om over de dag te heersen, de kleinste om te heersen over de nacht, en Hij maakte ook de sterren.
Gen. 1,17 God gaf ze een plaats aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten,
Gen. 1,18 om te heersen over de dag en over de nacht, en om het licht en de duisternis uiteen te houden. En God zag dat het goed was.
Gen. 1,19 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vierde dag.
Gen. 1,20 God sprak: `Het water moet wemelen van dieren, en boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf.'
Gen. 1,21 Toen schiep God de grote gedrochten van de zee en al de krioelende dieren, waar het water van wemelt, soort na soort, en al de gevleugelde dieren, soort na soort. En God zag dat het goed was.
Gen. 1,22 God zegende ze en Hij sprak: `Wees vruchtbaar en word talrijk; gij moet het water van de zee bevolken, en de vogels moeten talrijk worden op het land.'
Gen. 1,23 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vijfde dag.
Gen. 1,24 God sprak: `Het land moet levende wezens voortbrengen van allerlei soort: tamme dieren, kruipende dieren en wilde beesten van allerlei soort.' Zo gebeurde het.
Gen. 1,25 God maakte de wilde beesten, soort na soort, de tamme dieren soort na soort, en alles wat over de grond kruipt, soort na soort. En God zag dat het goed was.
Gen. 1,26 God sprak: `Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.'
Gen. 1,27 En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.
Gen. 1,28 God zegende hen, en God sprak tot hen: `Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.'
Gen. 1,29 En God sprak: `Hierbij geef Ik alle zaadvormende gewassen op de hele aardbodem aan u, en alle bomen met zaaddragende vruchten; zij zullen u tot voedsel dienen.
Gen. 1,30 Maar aan alle wilde beesten, aan alle vogels van de lucht en aan alles wat over de grond kruipt, aan al wat dierlijk leven heeft, geef Ik al het groene gewas als voedsel. Zo gebeurde het.
Gen. 1,31 God bezag alles wat Hij gemaakt had, en Hij zag dat het heel goed was. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de zesde dag.
Gen. 2,1 Zo werden de hemel en de aarde voltooid, en alles waarmee ze toegerust zijn.
Gen. 2,2 Op de zevende dag bracht God het werk dat Hij verricht had tot voltooiing. Hij rustte op de zevende dag van al het werk dat Hij verricht had.
Gen. 2,3 God zegende de zevende dag en maakte hem heilig, want op die dag rustte God van al het werk dat Hij scheppend tot stand had gebracht.
Gen. 2,4 Dit is de geschiedenis van het ontstaan van de hemel en aarde, zoals ze geschapen zijn. Toen Jahwe God de aarde en de hemel maakte,
Gen. 2,5 waren er op aarde nog geen wilde planten en groeide er geen enkel veldgewas, want Jahwe God had nog geen regen op de aarde laten vallen en er was nog geen mens om de grond te bebouwen,
Gen. 2,6 om het water uit de aarde omhoog te halen en de aardbodem te bevloeien.
Gen. 2,7 Toen boetseerde Jahwe God de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen.
Gen. 2,8 Daarna legde Jahwe God een tuin aan in Eden, ergens in het oosten, en daarin plaatste hij de mens die Hij geboetseerd had.
Gen. 2,9 Jahwe God liet uit de grond allerlei bomen opschieten, aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten; daarbij was ook de boom van het leven midden in de tuin en de boom van de kennis van goed en kwaad.
Gen. 2,10 Uit Eden stroomt de rivier die water geeft aan de tuin; hij splitst zich in vier armen.
Gen. 2,11 De naam van de eerste is Pison, hij stroomt om geheel Chawila heen, waar goud is;
Gen. 2,12 het goud van dat land is voortreffelijk; en ook balsem hars en edelstenen worden er gevonden.
Gen. 2,13 De tweede heet Gichon, hij stroomt om geheel Kus heen.
Gen. 2,14 De derde heet Tigris; hij loopt ten oosten van Assur. De vierde is de Eufraat.
Gen. 2,15 Toen bracht Jahwe God de mens in de tuin van Eden, om die te bewerken en te beheren.
Gen. 2,16 En Jahwe God gaf de mens dit gebod: `Van al de bomen in de tuin moogt ge vrij eten,
Gen. 2,17 maar van de boom van de kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten, want op de dag dat gij daarvan eet, moet ge sterven.'
Gen. 2,18 Jahwe God sprak: `Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past.
Gen. 2,19 Toen boetseerde Jahwe God uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht, en bracht die bij de mens, om te zien hoe zij ze noemen zou: zoals de mens ze zou noemen, zo zouden ze heten.
Gen. 2,20 De mens gaf dus namen aan al de tamme dieren en aan al de vogels van de lucht en aan al de wilde beesten; maar een hulp die bij hem paste vond de mens niet.
Gen. 2,21 Toen liet Jahwe God de mens in een diepe slaap vallen; en terwijl hij sliep, nam Hij een van zijn ribben weg en zette er vlees voor in de plaats.
Gen. 2,22 Daarna vormde Jahwe God uit de rib die Hij bij de mens had weggenomen, een vrouw, en bracht haar naar de mens.
Gen. 2,23 Toen sprak de mens: `Eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees! Mannin zal zij heten, want uit een man is zij genomen.'
Gen. 2,24 Zo komt het dat een man zijn vader en zijn moeder verlaat en zich zo aan zijn vrouw hecht, dat zij volkomen een worden.
Gen. 2,25 Zij waren beiden naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij voelden geen schaamte voor elkaar.
Gen. 3,1 Van alle dieren, die Jahwe God gemaakt had, was er geen zo sluw als de slang. Ze zei tot de vrouw: `Heeft God werkelijk gezegd dat u van geen enkele boom in de tuin mag eten?'
Gen. 3,2 De vrouw zei tot de slang: `Wij mogen wel eten van de vruchten van de bomen in de tuin.
Gen. 3,3 God heeft alleen gezegd: Van de vruchten van de boom die midden in de tuin staat moogt ge niet eten; gij moogt ze zelfs niet aanraken; anders zult gij sterven.'
Gen. 3,4 Maar de slang zei tot de vrouw: 'U zult helemaal niet sterven!
Gen. 3,5 God weet dat uw ogen open zullen gaan als u eet van die boom, en dat u dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad.'
Gen. 3,6 Toen zag de vrouw dat het goed eten was van die boom, en dat hij een lust was voor het oog, en hoe aantrekkelijk het was er inzicht door te krijgen. Zij plukte dus een vrucht en zij at ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at ervan.
Gen. 3,7 Nu gingen hun beiden de ogen open en zij ontdekten dat zij naakt waren. Daarom hechtten ze vijgenbladen aaneen en maakten daar lendenschorten van.
Gen. 3,8 Toen zij, bij het opkomen van de middagwind, de donder van Jahwe God in de tuin hoorden klinken, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor Jahwe God tussen de bomen van de tuin.
Gen. 3,9 Maar Jahwe God riep de mens en vroeg hem: `Waar zijt gij?'
Gen. 3,10 Hij antwoordde: `Ik hoorde uw donder in de tuin, en toen werd ik bang, omdat ik naakt ben; daarom heb ik mij verborgen.'
Gen. 3,11 Maar Hij zei: `Wie heeft u verteld dat gij naakt zijt? Hebt ge soms gegeten van de boom die ik u verboden heb?'
Gen. 3,12 De mens antwoordde: `De vrouw die Gij mij als gezellin gegeven hebt, zij heeft mij van die boom gegeven, en toen heb ik gegeten.'
Gen. 3,13 Daarop vroeg Jahwe God aan de vrouw: `Hoe hebt gij dat kunnen doen?' De vrouw zei: `De slang heeft mij verleid, en toen heb ik gegeten.'
Gen. 3,14 Jahwe God zei toen tot de slang: `Omdat ge dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt, onder alle tamme dieren en onder alle wilde beesten! Op uw buik zult ge kruipen en stof zult ge vreten, alle dagen van uw leven!
Gen. 3,15 Vijandschap sticht ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare. Het zal uw kop bedreigen, en gij zijn hiel!'
Gen. 3,16 En tot de vrouw heeft Hij gezegd: `Zeer zwaar zal ik maken de lasten van uw zwangerschap: met pijn zult gij kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, hoewel hij over u heerst.'
Gen. 3,17 En tot de man heeft Hij gezegd: `Omdat gij hebt geluisterd naar uw vrouw en hebt gegeten van de boom die Ik u had verboden, zal de grond vervloekt zijn omwille van u! Zwoegend zult gij van hem eten, alle dagen van uw leven.
Gen. 3,18 Distels en doornen zal hij voortbrengen, met veldgewas moet gij u voeden.
Gen. 3,19 In het zweet zult ge werken voor uw brood, tot gij terugkeert naar de grond, waaruit gij zijt genomen: gij zijt stof, en tot stof keert gij terug.'
Gen. 3,20 De mens noemde zijn vrouw Eva, want zij is de moeder geworden van alle levenden.
Gen. 3,21 En Jahwe God maakte kleren van huiden voor de mens en zijn vrouw en Hij deed hun die aan.
Gen. 3,22 En Jahwe God zei: `Nu de mens in de kennis van goed en kwaad als een van Ons is geworden, wil Ik voorkomen dat hij nog plukt van de boom van het leven; door daarvan te eten, zou hij eeuwig blijven leven!'
Gen. 3,23 Daarom verwees Jahwe God hem uit de tuin van Eden, en moest hij de grond gaan bebouwen waaruit hij was genomen.
Gen. 3,24 Hij verjoeg dus de mens uit de tuin, en aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij de kerubs en de vlam van het wentelend zwaard, om de weg naar de boom van het leven te bewaken.
Gen. 4,1 De mens had gemeenschap met zijn vrouw Eva; zij werd zwanger en bracht KaÔn ter wereld, en zij sprak: `Door Jahwe's gunst heb ik een mannelijk kind voortgebracht.'
Gen. 4,2 Vervolgens baarde zij Abel, zijn broer. Abel werd schaap herder en KaÔn landbouwer.
Gen. 4,3 Na verloop van tijd bracht KaÔn een offer aan Jahwe van de vrucht en van de grond.
Gen. 4,4 Ook Abel bracht een offer, de eerstgeborenen van zijn beste schapen. Jahwe zag genadig neer op Abel en zijn offer,
Gen. 4,5 maar op KaÔn en zijn offer sloeg Hij geen acht. Een wilde woede greep KaÔn aan, en zijn gezicht werd grimmig.
Gen. 4,6 Nu zei Jahwe tot KaÔn: `Waarom zijt gij woedend en waarom staat uw gezicht zo grimmig?
Gen. 4,7 Als gij het goede doet, is er opgewektheid; maar doet gij het goede niet, dan loert de zonde als belager aan uw deur, begerig u te grijpen. Zult gij hem meester kunnen blijven?'
Gen. 4,8 Daarop zei KaÔn tot zijn broer Abel: `Laten we gaan wandelen.' En toen zij buiten waren, viel KaÔn zijn broer aan en vermoordde hem.
Gen. 4,9 Nu zei Jahwe tot KaÔn: `Waar is uw broer Abel?' Hij antwoordde: `Ik weet het niet. Moet ik dan op mijn broer passen?'
Gen. 4,10 Toen zei Hij: `Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broer roept uit de grond tot mij!
Gen. 4,11 Daarom zult gij vervloekt zijn, verbannen van de grond die zijn mond heeft geopend om uit uw hand het bloed van uw broer te ontvangen!
Gen. 4,12 De grond die gij bewerkt zal niets meer opbrengen; een zwerver en een vagebond zult ge zijn op de aarde!'
Gen. 4,13 Toen zei KaÔn tot Jahwe: `Die straf is te zwaar om te dragen.
Gen. 4,14 Gij verdrijft mij van de bebouwde grond, en ik zal ver van U moeten blijven. Ik zal een zwerver en een vagebond zijn op de aarde, en ieder die mij ontmoet kan mij doden.'
Gen. 4,15 Maar Jahwe antwoordde hem: `Neen! Wie het ook is die KaÔn doodt, hij zal het zevenvoudig boeten!' En Jahwe gaf KaÔn een merkteken, om te voorkomen dat ieder die hem ontmoette hem doden zou.
Gen. 4,16 Daarna trok KaÔn weg uit Jahwe's nabijheid en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden.
Gen. 4,17 KaÔn had gemeenschap met zijn vrouw; zij werd zwanger en baarde Henoch. Hij stichtte een stad, en noemde die stad naar zijn zoon Henoch.
Gen. 4,18 Aan Henoch werd Irad geboren. Irad verwekte MechujaŽl; MechujaŽl verwekte MetusaŽl, en MetusaŽl verwekte Lamech.
Gen. 4,19 Lamech huwde twee vrouwen; de ene heette Ada, de andere Silla.
Gen. 4,20 Ada baarde Jabal; hij werd de stamvader van allen die in veehoederstenten wonen.
Gen. 4,21 Zijn broer heette Jubal; hij werd de stamvader van allen, die op de citer en de fluit spelen.
Gen. 4,22 Ook Silla kreeg kinderen; zij baarde Tubal-kain, de stamvader van de smeden, van allen die het brons en het ijzer bewerken. De zuster van Tubal-kain, de stamvader van de smeden, van allen die het brons en het ijzer bewerken. De zuster van Tubal-kain heette Naama.
Gen. 4,23 Eens zei Lamech tot zijn vrouwen: `Ada en Silla, hoort wat ik zeg: vrouwen van Lamech, luistert naar mijn woord! Word ik gewond, dan dood ik een man; krijg ik een schram, dan neem ik een kind.
Gen. 4,24 Wordt KaÔn zevenvoudig gewroken. Lamech zevenenzeventigvoudig!'
Gen. 4,25 Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw; zij baarde een zoon en noemde hem Set. `Want,' zei ze, `God heeft mij een andere zoon geschonken in de plaats van Abel, die door KaÔn is vermoord.'
Gen. 4,26 Ook Set kreeg een zoon en hij noemde hem Enos. Dat was de tijd dat men de naam van Jahwe begon aan te roepen.
Gen. 5,1 Dit is de lijst van de nakomelingen van Adam. Op de dag dat God Adam schiep, maakte Hij hem op God gelijkend.
Gen. 5,2 Man en vrouw schiep hij hen; hij zegende hen en noemde hen mens, op de dag dat zij geschapen werden.
Gen. 5,3 Toen Adam honderddertig jaar was, verwekte hij een zoon, die op hem geleek en zijn beeld was, en hij noemde hem Set.
Gen. 5,4 Adam leefde na de geboorte van Set na achthonderd jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,5 Heel de levensduur van Adam bedroeg negenhonderddertig jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,6 Toen Set honderdvijf jaar was, verwekte hij Enos.
Gen. 5,7 Set leefde na de geboorte van Enos nog achthonderdzeven jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,8 Heel de levensduur van Set bedroeg negenhonderdtwaalf jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,9 Toen Enos negentig jaar was, verwekte hij Kenan.
Gen. 5,10 Enos leefde na de geboorte van Kenan nog achthonderd vijftien jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,11 Heel de levensduur van Enos bedroeg negenhonderdvijf jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,12 Toen Kenan zeventig jaar was, verwekte hij Mahalalel.
Gen. 5,13 Kenan leefde na de geboorte van Mahalalel nog achthonderdveertig jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,14 Heel de levensduur van Kenan bedroeg negenhonderdtien jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,15 Toen Mahalalel vijfenzestig jaar was, verwekte hij Jered.
Gen. 5,16 Mahalalel leefde na de geboorte van Jered nog achthonderddertig jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,17 Heel de levensduur van Mahalalel bedroeg achthonderd vijfennegentig jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,18 Toen Jered honderdtweeŽnzestig jaar was, verwekte hij Henoch.
Gen. 5,19 Jered leefde na de geboorte van Henoch nog achthonderd jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,20 Heel de levensduur van Jered bedroeg negenhonderdtweeŽnzestig jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,21 Toen Henoch vijfenzestig jaar was, verwekte hij Metuselach.
Gen. 5,22 Henoch leefde na de geboorte van Metuselach nog driehonderd jaar; hij richtte zijn schreden naar God, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,23 Heel de levensduur van Henoch bedroeg driehonderdvijfenzestig jaar.
Gen. 5,24 Henoch richtte zijn schreden naar God; zo kwam het dat hij verdween, omdat God hem wegnam.
Gen. 5,25 Toen Metuselach honderdzevenentachtig jaar was, verwekte hij Lamech.
Gen. 5,26 Metuselach leefde na de geboorte van Lamech nog zeven honderdtweeŽntachtig jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,27 Heel de levensduur van Metuselach bedroeg negenhonderd negenenzestig jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,28 Toen Lamech honderdtweeŽntachtig jaar was, verwekte hij een zoon.
Gen. 5,29 Hij noemde hem Noach, want hij zei: Uit de grond die door Jahwe vervloekt is zal hij ons vertroosting brengen bij ons werken en zwoegen.
Gen. 5,30 Lamech leefde na de geboorte van Noach nog vijfhonderd vijfennegentig jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,31 Heel de levensduur van Lamech bedroeg zevenhonderdzevenenzeventig jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,32 Toen Noach vijfhonderd jaar was, verwekte hij Sem, Cham en Jafet.

Gen. 6,1 Toen de mensen talrijk begonnen te worden op de aardbodem en dochters kregen,
Gen. 6,2 zagen de zonen van God hoe mooi de dochters van de mensen waren, en zij kozen zich uit die dochters ieder een vrouw.
Gen. 6,3 Maar Jahwe zei: `Mijn levensgeest zal niet altijd bij de mens blijven, want hij is maar een nietig wezen; de duur van zijn leven zal honderdtwintig jaar bedragen.'
Gen. 6,4 In die dagen - en ook nog daarna - leefden er reuzen op de aarde, doordat de zonen van God gemeenschap hadden gehad met de dochters van de mensen die hun zonen hadden gebaard. Zij waren de befaamde geweldenaars van de oude tijd.
Gen. 6,5 Toen Jahwe zag hoezeer op de aarde de boosheid van de mensen was toegenomen en hoezeer de begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging,
Gen. 6,6 kreeg Hij spijt dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en Hij was er zeer verdrietig om.
Gen. 6,7 En Jahwe zei: `Ik ga de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee en de kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Mij dat Ik ze gemaakt heb.'
Gen. 6,8 Alleen Noach vond genade in de ogen van Jahwe.
Gen. 6,9 Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef te midden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God.
Gen. 6,10 Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafet.
Gen. 6,11 De aarde was voor de ogen van God verdorven en vol gewelddaden.
Gen. 6,12 En God zag hoe bedorven de aarde was, want alle mensen op de aarde gingen verkeerde wegen.
Gen. 6,13 God zei tot Noach: `De dagen van de mensen zijn geteld, want zij zijn er de schuld van dat de aarde vol gewelddaden is. Ik ga hen met de aarde vernietigen.
Gen. 6,14 Gij moet een ark van pijnhout bouwen; met riet moet gij de ark maken, en ze van binnen en van buiten met pek bestrijken.
Gen. 6,15 Als volgt moet gij ze maken: de ark moet driehonderd el lang zijn, vijftig el breed en dertig el hoog.
Gen. 6,16 Het dak dat gij op de ark aanbrengt moet een el naar buiten uitsteken. In een van de zijden moet gij een deur aanbrengen; ook moet gij een onderste, een tweede en een derde ruim maken.
Gen. 6,17 Want Ik sta op het punt een watervloed over de aarde te brengen, die alle levende wezens onder de hemel zal verdelgen; alles wat zich op de aarde bevindt, zal omkomen.
Gen. 6,18 Met u echter zal ik een verbond aangaan; gij moet u inschepen in de ark, met uw zonen, met uw vrouw en met de vrouwen van uw zonen.
Gen. 6,19 Van alle levende wezens moet gij verder een paar in de ark brengen, om ze met u samen in leven te doen blijven; een mannelijk en een vrouwelijk dier moet het zijn.
Gen. 6,20 Van de verschillende soorten vee, van de verschillende soorten dieren die over de grond kruipen, moet een paar met u meegaan en aldus in leven blijven.
Gen. 6,21 Breng verder allerlei etenswaar bijeen en leg daar een voorraad van aan, zodat gijzelf en de dieren te eten hebt.'
Gen. 6,22 Noach deed dit; alles wat God hem geboden had, voerde hij uit.

Gen. 7,1 Jahwe zei tot Noach: `Ga in de ark met heel uw gezin, want van dit geslacht zijt gij de enige die in mijn ogen rechtschapen is.
Gen. 7,2 Neem van alle reine dieren zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje; maar van de onreine dieren een paar, telkens een mannetje en een wijfje;
Gen. 7,3 ook van de vogels in de lucht zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje. Zo zult gij hun soort in stand houden op de gehele aarde.
Gen. 7,4 Want over zeven dagen laat Ik het regenen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten, en Ik ga alles wat bestaat, alles wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem wegvagen.'
Gen. 7,5 En Noach deed alles wat Jahwe hem geboden had.
Gen. 7,6 Noach was zeshonderd jaar, toen de vloed over de aarde kwam.
Gen. 7,7 Om zich te beschermen tegen het water van de vloed gingen Noach, zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen de ark binnen.
Gen. 7,8 Van de reine en van de onreine dieren, van de vogels en van al wat over de grond kruipt,
Gen. 7,9 kwamen er telkens twee, een mannelijk en een vrouwelijk dier, bij Noach in de ark, juist zoals God geboden had.
Gen. 7,10 En op de zevende dag stortte het water van de vloed over de aarde neer.
Gen. 7,11 Het was in het zeshonderdste levensjaar van Noach, de zeventiende dag van de tweede maand; op die dag braken alle bronnen van de diepte los, de sluizen van de hemel gingen open,
Gen. 7,12 en regen viel op de aarde, veertig dagen en veertig nachten achtereen.
Gen. 7,13 Op die eigen dag ging Noach de ark binnen met Sem, Cham en Jafet, de zonen van Noach, en met zijn vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen;
Gen. 7,14 en samen met hen kwamen ook al de verschillende soorten wilde beesten, al de verschillende soorten tamme dieren, al de verschillende soorten kruipende dieren, al de verschillende soorten vogels, al het gevogelte, alles wat vleugels heeft.
Gen. 7,15 Van alle levende wezens kwamen er telkens twee bij Noach in de ark.
Gen. 7,16 Er kwamen mannelijke en vrouwelijke dieren, van alle levende wezens, zoals God had geboden. En Jahwe deed de deur achter hem dicht.
Gen. 7,17 Veertig dagen lang hield de vloed over de aarde aan. Het water steeg en tilde de ark op, tot hoog boven de aarde.
Gen. 7,18 Het water nam toe en kwam hoog boven de aarde te staan, en de ark dreef op het water.
Gen. 7,19 Het water bleef zo toenemen op de aarde dat het al de hoge bergen onder de hemel bedekte.
Gen. 7,20 Vijftien el daarboven steeg het water, zodat het de bergen bedekte.
Gen. 7,21 Alle levende wezens die zich op de aarde bewogen, vogels, tamme en wilde dieren, en alle dieren die over de grond kruipen, en ook alle mensen kwamen om.
Gen. 7,22 Alles wat levensadem in zijn neus had, alles wat op het droge leefde, vond de dood.
Gen. 7,23 Al wat op de aardbodem bestond werd verdelgd: de mensen, de viervoetige dieren, de kruipende dieren en de vogels in de lucht werden van de aarde verdelgd. Alleen Noach, en die bij hem in de ark waren, bleven in leven.
Gen. 7,24 Het water bleef stijgen op de aarde, honderdvijftig dagen achtereen.

Gen. 8,1 Toen dacht God aan Noach, en aan al de wilde en tamme dieren, die bij hem in de ark waren. En God deed over de aarde een wind gaan, waardoor het water begon te zakken.
Gen. 8,2 De bronnen van de diepte en de sluizen van de hemel werden gesloten, en de regen uit de hemel hield op.
Gen. 8,3 Het water zakte gestadig van de aarde weg. Na verloop van honderdvijftig dagen begon het te verminderen.
Gen. 8,4 Op de zeventiende dag van de zevende maand kwam de ark op de bergen van Ararat te liggen.
Gen. 8,5 Het water nam geleidelijk af tot de tiende maand; op de eerste dag van de tiende maand werden de toppen van de bergen zichtbaar.
Gen. 8,6 Na verloop van veertig dagen opende Noach het venster dat hij in de ark had aangebracht.
Gen. 8,7 Hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen tot het water op de aarde was opgedroogd.
Gen. 8,8 Toen liet hij een duif los, om te zien of het water al van de aardbodem was weggezakt.
Gen. 8,9 Maar de duif vond geen plek waar haar pootjes konden rusten, en keerde bij hem terug in de ark; want het water bedekte nog heel de aardbodem. Noach stak zijn hand uit, pakte de duif en haalde ze weer bij zich in de ark.
Gen. 8,10 Nu wachtte hij nog eens zeven dagen, en liet toen opnieuw een duif uit de ark los.
Gen. 8,11 Toen de duif tegen de avond bij hem terugkwam, droeg zij een groen olijfblad in de bek. Toen begreep Noach dat het water van de aarde weggezakt moest zijn.
Gen. 8,12 Hij wachtte nog eens zeven dag en, en liet toen opnieuw een duif los; maar deze duif keerde niet meer bij hem terug.
Gen. 8,13 In het zeshonderdeneerste jaar, op de eerste dag van de eerste maand, begon het water boven de aarde op te drogen. Nu schoof Noach het dak van de ark opzij en keek naar buiten; en zie, de aardbodem was droog.
Gen. 8,14 Op de zevenentwintigste dag van de tweede maand was de aarde droog.
Gen. 8,15 Toen sprak God tot Noach en zei:
Gen. 8,16 `Ga uit de ark, met uw vrouw, uw zonen en de vrouwen van uw zonen.
Gen. 8,17 Laat alle dieren die bij u zijn mee naar buiten komen, alle levende wezens, vogels, viervoetige dieren en kruipende dieren; dan kunnen zij weer de aarde bevolken, weer vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.'
Gen. 8,18 Toen ging Noach met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen naar buiten.
Gen. 8,19 Ook alle viervoetige dieren, alle kruipende dieren, alle vogels en al wat op de grond kruipt, soort bij soort, verlieten de ark.
Gen. 8,20 Toen bouwde Noach een altaar ter ere van Jahwe; hij deed een keuze uit de reine dieren en uit de reine vogels, en droeg op het altaar brandoffers op.
Gen. 8,21 Jahwe rook de aangename geur en zei bij zichzelf: `Nooit meer zal Ik de aardbodem vervloeken vanwege de mensen: het hart van de mens is immers geneigd tot het kwade van jongs af aan. Ook de andere levende wezens zal Ik nooit meer treffen, zoals Ik nu gedaan heb.
Gen. 8,22 Zolang de aarde bestaat, blijft er zaaitijd en oogst tijd, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht. Nooit houdt dat op.'

Gen. 9,1 Toen zegende God Noach met zijn zonen en zei tot hem: `Wees vruchtbaar, word talrijk en bevolk de aarde.
Gen. 9,2 Er zal vrees en schrik voor u zijn bij alle dieren op de aarde, bij alle vogels in de lucht, bij alles wat op de grond kruipt en bij alle vissen in de zee; onder uw heerschappij zijn ze gesteld.
Gen. 9,3 Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen; dat alles schenk Ik u naast het groene gewas.
Gen. 9,4 Alleen vlees met de ziel - vlees met het bloed er nog in - moogt gij niet eten.
Gen. 9,5 Ook uw eigen bloed zal Ik terugeisen: van alle dieren zal Ik het terugeisen en ook van de mensen, van de mensen onderling, zal Ik het leven van de mens terugeisen.
Gen. 9,6 Wie het bloed van een mens vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want als zijn beeld heeft God de mens gemaakt.
Gen. 9,7 Wees dan vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en word er talrijk.
Gen. 9,8 God zei tot Noach en zijn zonen:
Gen. 9,9 `Nu ga Ik mijn verbond aan met u en met uw nageslacht,
Gen. 9,10 en met alle levende wezens die bij u zijn, met de vogels en de viervoetige dieren, met alle dieren van de aarde die bij u zijn, al wat uit de ark is gekomen, al het gedierte van de aarde.
Gen. 9,11 Ik ga met u een verbond aan, dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid, en dat er zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.'
Gen. 9,12 En God zei: `Dit is het teken van het verbond, dat Ik instel tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, voor alle geslachten.
Gen. 9,13 Ik zet mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde.
Gen. 9,14 Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak en de boog in de wolken zichtbaar wordt,
Gen. 9,15 dan zal Ik denken aan het verbond tussen Mij en u en alle levende wezens, alles wat leven heeft. De wateren zullen nooit meer zwellen tot een vloed om al wat leeft te verdelgen.
Gen. 9,16 Als de boog in de wolken staat, zal Ik hem zien en daarbij denken aan het altijddurend verbond tussen God en alle levende wezens, alles wat op de aarde leeft.'
Gen. 9,17 En God zei tot Noach: `Dat is het teken van het verbond dat Ik heb ingesteld tussen Mij en alles wat leeft op de aarde.'
Gen. 9,18 De zonen van Noach die met hem uit de ark gekomen waren, heetten Sem, Cham en Jafet; Cham is de vader van Kanašn.
Gen. 9,19 Deze drie waren de zonen van Noach, en door hen werd de gehele aarde bevolkt.
Gen. 9,20 Noach was landbouwer en hij was de eerste die een wijngaard plantte.
Gen. 9,21 Toen hij van de wijn gedronken had, werd hij dronken en kwam naakt in zijn tent te liggen.
Gen. 9,22 Cham, de vader van Kanašn, zag de schaamte van zijn vader en vertelde het buiten aan zijn twee broers.
Gen. 9,23 Maar Sem en Jafet haalden een mantel, legden die op hun schouders, liepen achteruit en bedekten met afgewend gelaat de schaamte van hun vader, zodat zij de schaamte van hun vader niet zagen.
Gen. 9,24 Toen Noach uit zijn roes ontwaakte en te weten kwam, wat zijn jongste zoon hem had aangedaan,
Gen. 9,25 zei hij: `Vervloekt zij Kanašn: de minste knecht zal hij zijn van zijn broers.'
Gen. 9,26 En hij vervolgde: Gezegend zij Jahwe, de God van Sem, Kanašn zal zijn dienstknecht zijn!
Gen. 9,27 Moge God ruimte geven aan Jafet; hij moge wonen in de tenten van Sem; Kanašn zal zijn knecht zijn!'
Gen. 9,28 Noach leefde na de vloed nog driehonderdvijftig jaar.
Gen. 9,29 Heel de levensduur van Noach bedroeg negenhonderdvijftig jaar. Toen stierf hij.

Gen. 10,1 Nu volgt de geslachtslijst van de zonen van Noach, van Sem, Cham en Jafet; dit zijn de zonen die hun na de vloed zijn geboren.
Gen. 10,2 Zonen van Jafet: Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesek en Tiras.
Gen. 10,3 Zonen van Gomer: Askenaz, Rifat en Togarma.
Gen. 10,4 Zonen van Jawan: Elisa, Tarsis, de Kittiers en de Roda nieten;
Gen. 10,5 van hen stammen al diegenen af die zich over de eilanden verspreid hebben. Dat zijn dus de zonen van Jafet volgens hun land, taal, stam en volk.
Gen. 10,6 Zonen van Cham: Kus, Egypte, Put en Kanašn.
Gen. 10,7 Zonen van Kus: Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. Zonen van Rama: Seba en Dedan.
Gen. 10,8 Kus verwekte Nimrod. Deze was de eerste machtige heerser op aarde;
Gen. 10,9 hij was een geweldig jager voor Jahwe. Vandaar dat men zegt: `Een geweldig jager voor Jahwe, net als Nimrod.'
Gen. 10,10 Oorspronkelijk lag zijn rijk in Babel, Erek, Akkad en Kalne, in Sinear;
Gen. 10,11 vanuit dat land trok hij naar Assur. Hij bouwde Nineve, Rechobot-ir. Kalach,
Gen. 10,12 en Resen, tussen Nineve - de grote stad - en Kalach.
Gen. 10,13 Egypte verwekte de Ludieten, Anamieten, Lehabieten, Naftuchieten,
Gen. 10,14 Patrusieten, Kasluchieten en Kaftorieten, waar de Filistijnen van afstammen.
Gen. 10,15 Kanašn verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet,
Gen. 10,16 de Jebusieten, Amorieten, Girgasieten,
Gen. 10,17 Chiwwieten, Arkieten, Sinieten,
Gen. 10,18 Arwadieten, Semarieten en Hamatieten. Later hebben de Kanašnitische stammen zich verspreid.
Gen. 10,19 De grens van de Kanašnieten loopt van Sidon af over Gerar naar Gaza, en dan in de richting van Sodom, Gomorra, Adma en Seboim, tot Lesa.
Gen. 10,20 Dat zijn dus de zonen van Cham, volgens hun stammen, talen, landen en volken.
Gen. 10,21 Ook Sem kreeg kinderen. Hij was de stamvader van alle zonen van Eber en de oudste broer van Jafet.
Gen. 10,22 Zonen van Sem: Elam, Assur, Arpaksad, Lud en Aram.
Gen. 10,23 Zonen van Aram: Us, Chul, Geter en Mas.
Gen. 10,24 Arpaksad verwekte Selach, en Selach verwekte Eber.
Gen. 10,25 Eber kreeg twee zonen; de eerste heette Peleg, omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd; de tweede heette Joktan.
Gen. 10,26 Joktan verwekte Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach,
Gen. 10,27 Hadoram, Uzal, Dikla,
Gen. 10,28 Obal, AbimaŽl, Seba,
Gen. 10,29 Ofir, Chawila en Jobab, allen zonen van Joktan.
Gen. 10,30 Hun woonplaats in het gebied vanaf Mesa in de richting van Sefar, het gebergte in het oosten.
Gen. 10,31 Dat zijn dus de zonen van Sem, volgens hun families, talen, landen en volken.
Gen. 10,32 Dat zijn de families van de zonen van Noach, volgens hun geslachten; van hen stammen de volken af, die zich na de vloed over de aarde verspreid hebben.


Gen. 11,1 Alle mensen op aarde spraken eenzelfde taal en gebruik ten dezelfde woorden.
Gen. 11,2 Nadat ze uit het oosten weggetrokken waren, vonden ze een vlakte in Sinear en vestigden zich daar.
Gen. 11,3 Zij zeiden tot elkaar: `Kom, laten wij tegels maken en ze harden in het vuur.' De tegels gebruikten zij als bouwstenen, met asfalt als mortel.
Gen. 11,4 Nu zeiden ze: `Laten wij een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan krijgen wij naam en worden wij niet over de aardbodem verspreid.'
Gen. 11,5 Toen Jahwe neerdaalde om de stad en de toren die de mensen bouwden in ogenschouw te nemen,
Gen. 11,6 zei Hij: `Nu zijn ze een volk en spreken zij allen dezelfde taal. Wat zij nu doen is nog maar een begin; later zal geen enkel van hun plannen meer te stuiten zijn.
Gen. 11,7 Laten Wij neerdalen en verwarring brengen in hun taal, zodat de een niet meer verstaat wat de ander zegt.'
Gen. 11,8 En Jahwe dreef hen vandaar naar alle kanten de hele aardbodem over, en er kwam een einde aan de bouw van de stad.
Gen. 11,9 Daarom noemt men die stad Babel, want Jahwe heeft daar verwarring gebracht in de taal van alle mensen en hen vandaar over de hele aardbodem verspreid.
Gen. 11,10 Dit zijn de nakomelingen van Sem. Toen Sem honderd jaar was, verwekte hij Arpaksad, twee jaar na de vloed.
Gen. 11,11 Sem leefde na de geboorte van Arpaksad nog vijfhonderd vijfendertig jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,12 Arpaksad was vijfendertig jaar toen hij Selach verwek te.
Gen. 11,13 Arpaksad leefde na de geboorte van Selach nog vierhonderddrie jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,14 Toen Selach dertig jaar was, verwekte hij Eber.
Gen. 11,15 Selach leefde na de geboorte van Eber nog vierhonderd drie jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,16 Toen Eber vierendertig jaar was, verwekte hij Peleg.
Gen. 11,17 Eber leefde na de geboorte van Peleg nog vierhonderd dertig jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,18 Toen Peleg dertig jaar was, verwekte hij Reu.
Gen. 11,19 Peleg leefde na de geboorte van Reu nog tweehonderdnegen jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,20 Toen Reu tweeŽndertig jaar was, verwekte hij Serug.
Gen. 11,21 Reu leefde na de geboorte van Serug nog tweehonderdzeven jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,22 Toen Serug dertig jaar was, verwekte hij Nachor.
Gen. 11,23 Serug leefde na de geboorte van Nachor nog tweehonderd jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,24 Toen Nachor negenentwintig jaar was, verwekte hij Terach.
Gen. 11,25 Nachor leefde na de geboorte van Terach nog honderdnegentien jaar en kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,26 Toen Terach zeventig jaar was, verwekte hij Abram, Nachor en Haran.
Gen. 11,27 Dit zijn de nakomelingen van Terach. Terach verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot.
Gen. 11,28 Haran stierf nog bij het leven van zijn vader Terach in zijn geboorteland, te Ur in Chaldea.
Gen. 11,29 Abram en Nachor huwden beiden een vrouw. De vrouw van Abram heette Sarai en de vrouw van Nachor heette Milka; zij was de dochter van Haran, de vader van Milka en Jiska.
Gen. 11,30 Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen.
Gen. 11,31 Terach nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, weg uit Ur in Chaldea, en ging op weg naar Kanašn. Toen zij echter in Haran aangekomen waren, bleven zij daar.
Gen. 11,32 Heel de levensduur van Terach bedroeg tweehonderdvijf jaar. Toen stierf Terach in Haran.

Gen. 12,1 Jahwe zei tot Abram: `Trek weg uit uw land, uw stam en uw familie, naar het land dat Ik u aan zal wijzen.
Gen. 12,2 Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen en uw naam groot maken, zodat gij een zegen zult zijn.
Gen. 12,3 Ik zal zegenen die u zegenen, maar die u versmaadt zal Ik vervloeken. Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde.'
Gen. 12,4 Toen trok Abram weg, zoals Jahwe hem had opgedragen, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar toen hij Haran verliet.
Gen. 12,5 Met zijn vrouw Sarai en met Lot, de zoon van zijn broer, met al hun bezittingen en met degenen die zij in Haran in dienst hadden genomen, ging Abram op weg naar Kanašn. In Kanašn aangekomen,
Gen. 12,6 trok Abram het land in, tot bij de heilige plaats van Sichem, de eik van More. Toentertijd waren de Kanašnieten nog in het land.
Gen. 12,7 Daar verscheen Jahwe aan Abram en zei: `Aan uw nageslacht zal Ik dit land in bezit geven.' Toen richtte hij daar een altaar op ter ere van Jahwe, die hem verschenen was.
Gen. 12,8 Vandaar trok hij verder naar het gebergte ten oosten van Betel, sloeg zijn tent op tussen Betel in het westen en Ai in het oosten, richtte een altaar op ter ere van Jahwe en riep de naam van Jahwe aan.
Gen. 12,9 Daarna trok Abram verder naar de Negeb toe.
Gen. 12,10 er eens hongersnood in het land kwam, begaf Abram zich naar Egypte om daar een tijdlang te blijven, want de hongersnood drukte zwaar op het land.
Gen. 12,11 Voor hij Egypte binnentrok, zei hij tot zijn vrouw Sarai: `Luister eens; ik weet dat je mooi bent.
Gen. 12,12 Als de Egyptenaren je zien en denken dat je mijn vrouw bent, zullen ze mij vermoorden en jou in leven laten.
Gen. 12,13 Zeg liever dat je mijn zuster bent; dan zal ik er goed afkomen en om jou in leven blijven.'
Gen. 12,14 Zodra Abram in Egypte kwam, zagen de Egyptenaren hoe uitzonderlijk mooi zijn vrouw was.
Gen. 12,15 De hovelingen van Farao die haar gezien hadden gaven tegenover Farao hoog van haar op. Toen liet Farao haar in zijn huis brengen.
Gen. 12,16 Omwille van haar behandelde hij ook Abram goed en schonk hem schapen, runderen en ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen.
Gen. 12,17 Maar Jahwe bracht Farao en zijn hovelingen zware slagen toe om wat er gebeurd was met Sarai, de vrouw van Abram.
Gen. 12,18 Toen ontbood Farao Abram en zei: `Wat hebt u mij aangedaan!
Gen. 12,19 Waarom hebt u mij niet verteld dat zij uw vrouw is? Waarom hebt u gezegd dat ze uw zuster is, zodat ik haar als vrouw heb genomen? Hier is uw vrouw, neem haar mee en ga heen!'
Gen. 12,20 In opdracht van Farao brachten enigen van zijn mannen Abram en zijn vrouw met al zijn bezittingen de grens over.

Gen. 13,1 Zo trok Abram met zijn vrouw en al zijn bezittingen uit Egypte weg, de Negeb in; Lot ging met hen mee.
Gen. 13,2 Abram was een rijk man die zeer veel vee, zilver en goud bezat.
Gen. 13,3 Van de Negeb trok hij verder naar Betel, naar de plek tussen Betel en Ai, waar zijn tent ook tevoren gestaan had,
Gen. 13,4 naar de heilige plaats, waar hij vroeger een altaar had opgericht; daar riep Abram de naam van Jahwe aan.
Gen. 13,5 Ook Lot, die met Abram was meegekomen, bezat schapen, runderen en tenten.
Gen. 13,6 Het land liet evenwel niet toe dat ze bij elkaar bleven, want hun bezit was zo omvangrijk, dat ze niet bij elkaar konden blijven.
Gen. 13,7 Dit veroorzaakte botsingen tussen de herders van Abram en die van Lot. Bovendien woonden toentertijd ook de Kanašnieten en de Perizzieten nog in het land.
Gen. 13,8 Daarom zei Abram tegen Lot: `Laten wij geen ruzie met elkaar maken en onze herders evenmin; wij zijn toch broers van elkaar.
Gen. 13,9 Het hele land ligt voor je. Het is werkelijk beter dat je weggaat; ga jij links, dan ga ik rechts; ga jij rechts, dan ga ik links.'
Gen. 13,10 Toen liet Lot zijn blik rondgaan; hij zag, hoe rijk aan water het land langs de Jordaan was. Want voordat Jahwe Sodom en Gomorra verwoest had, was deze streek, tot Soar toe, als de tuin van Jahwe, even waterrijk als Egypte.
Gen. 13,11 Daarom koos Lot al het land langs de Jordaan en ging oostwaarts. Zo scheidden de beide broers.
Gen. 13,12 Abram bleef in Kanašn wonen, maar Lot zocht zich een woonplaats bij de steden in de Jordaanstreek en sloeg zijn tent op in de nabijheid van Sodom.
Gen. 13,13 De Sodomieten bedreven veel kwaad en zondigden tegen Jahwe.
Gen. 13,14 Nadat Lot was weggegaan zei Jahwe tot Abram: `Laat uw blik rondgaan en kijk vanaf de plaats waar gij staat naar het noorden en het zuiden, het oosten en het westen.
Gen. 13,15 Al het land dat gij ziet, schenk Ik aan u en aan uw nageslacht, voor altijd.
Gen. 13,16 Ik zal uw nakomelingen maken als het zand op de aarde. Alleen iemand die het zand van de aarde kan tellen, zal uw nakomelingen kunnen tellen.
Gen. 13,17 Ga het hele land door in de lengte en in de breedte, want Ik schenk het aan u!'
Gen. 13,18 Toen sloeg Abram zijn tent op en ging wonen bij de eik van More te Hebron; daar richtte hij een altaar op ter ere van Jahwe.

Gen. 14,1 Het was in de dagen van Amrafel de koning van Sinear, van Arjok de koning van Ellasar, van Kedorlaomer de koning van Elam, en van Tidal de koning van Goim.
Gen. 14,2 Deze koningen waren in oorlog met Bera de koning van Sodom, Birsa de koning van Gomorra, Sinab de koning van Adma, Semeber de koning van Seboim, en met de koning van Bela, dat ook Soar heet.
Gen. 14,3 Deze koningen trokken gezamenlijk op naar het dal van Siddim, nu Zoutzee geheten.
Gen. 14,4 Na twaalf jaar aan Kedorlaomer onderworpen te zijn geweest, waren zij in het dertiende jaar in opstand gekomen.
Gen. 14,5 In het veertiende jaar rukte Kedorlaomer op, samen met de koningen die zijn bondgenoten waren. Zij versloegen de Refaieten bij Asterot-karnaim, de Zuzieten bij Ham, de Emieten in de vlakte van Kirjataim,
Gen. 14,6 en de Churrieten. Ze achtervolgden hen door het Seir-gebergte tot bij de eik van Paran, aan de rand van de woestijn.
Gen. 14,7 Daarna maakten zij een zwenking naar En-mispad, ook Kades geheten, en richtten een slachting aan in heel het gebied van de Amalekieten en onder de Amorieten in Chaseson-tamar.
Gen. 14,8 Toen trokken de koningen van Sodom, van Gomorra, van Seboim, en van Bela, ook Soar geheten, ten strijde, en in het dal van Siddim raakten zij slaags met hen,
Gen. 14,9 met Kedorlaomer de koning van Elam, Tidal de koning van Goim, Amrafel de koning van Sinear en Arjok de koning van Ellasar: vier koningen tegen vijf.
Gen. 14,10 In het dal van Siddim waren veel asfaltputten. De koningen van Sodom en Gomorra sloegen op de vlucht; daarbij vielen sommigen in die putten, terwijl de overigen de bergen in vluchtten.
Gen. 14,11 De vijand maakte zich meester van al het bezit van Sodom en Gomorra en van al hun voedselvoorraden. Daarna trok hij af.
Gen. 14,12 Bij zijn aftocht voerde hij ook Lot mee, de zoon van Abrams broer, met zijn bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom.
Gen. 14,13 Een vluchteling bracht het nieuws aan Abram, de HebreeŽr, hij woonde op dat ogenblik bij de eik van Mamre de Amoriet, een broer van Eskol en Aner, beiden bondgenoten van Abram.
Gen. 14,14 Toen Abram vernam dat zijn broer gevangen was genomen, riep hij de geoefende mannen die in zijn huis waren geboren te wapen - het waren er driehonderdachttien -, en ging de vijanden achterna tot bij Dan.
Gen. 14,15 Met zijn dienaren viel hij hen in de nacht van ver schillende kanten aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, ten noorden van Damascus.
Gen. 14,16 Hij heroverde alle goederen; ook zijn broer Lot en diens bezittingen, alsmede de vrouwen en het krijgsvolk bracht hij terug.
Gen. 14,17 Na zijn terugkeer uit de slag tegen Kedorlaomer en zijn koninklijke bondgenoten trok de koning van Sodom Abram tegemoet tot in het dal van Sawe, ook het dal van de koning geheten.
Gen. 14,18 En Melchisedek, de koning van Salem, bood hem brood en wijn aan. Daar hij priester was van God de Allerhoogste,
Gen. 14,19 zegende hij hem met deze woorden: `Gezegend zij Abram door God de Allerhoogste, die de hemel en de aarde gemaakt heeft,
Gen. 14,20 en gezegend zij God de Allerhoogste, die uw vijand aan u heeft overgeleverd!' En Abram gaf hem van alles een tiende deel.
Gen. 14,21 De koning van Sodom zei tot Abram: `Geef mij alleen de mensen terug, de buit kunt u zelf houden.'
Gen. 14,22 Maar Abram zei tot de koning van Sodom: `Met opgeheven hand zweer ik bij Jahwe, God de Allerhoogste, die de hemel en de aarde gemaakt heeft:
Gen. 14,23 ik wil niets van u hebben, geen draad en geen schoen riem, niets van wat u toebehoort. U moet niet kunnen zeggen dat u Abram rijk hebt gemaakt.
Gen. 14,24 Niets daarvan. Ik vraag alleen maar wat de mannen verteerd hebben, en het deel van Aner, Eskol en Mamre, die met mij zijn uitgetrokken; laat hen nemen wat hun toekomt.'

Gen. 15,1 Na deze gebeurtenissen klonk het woord van Jahwe in een visioen tot Abram: `Gij moet niet vrezen, Abram, Ik zal uw schild zijn. Uw loon zal zeer groot zijn!'
Gen. 15,2 Toen zei Abram: `Jahwe, mijn Heer, wat baten mij uw gaven? Want ik blijf maar kinderloos en de Damasceen Eliezer zal de bezitter van mijn huis worden.'
Gen. 15,3 Abram zei: `Gij hebt mij toch geen nakomelingen geschonken, en een onderhorige zal mijn erfgenaam zijn.'
Gen. 15,4 Toen werd het woord van Jahwe tot hem gericht: `Niet hij wordt uw erfgenaam, uw erfgenaam zal iemand zijn die gij zult verwekken.'
Gen. 15,5 Hij leidde hem naar buiten en zei: `Kijk naar de hemel en tel de sterren, als ge kunt.' En Hij verzekerde hem: `Zo talrijk wordt uw nageslacht.
Gen. 15,6 Abram geloofde Jahwe, en deze rekende hem dat als gerechtigheid aan.
Gen. 15,7 Toen zei Hij tot hem: `Ik ben Jahwe, die u uit Ur in Chaldea heb geleid om u dit land in bezit te geven.'
Gen. 15,8 Abram vroeg: `Jahwe, mijn Heer, hoe kan ik weten dat ik het inderdaad zal krijgen?'
Gen. 15,9 Hij zei tot hem: `Haal een driejarige koe, een driejarige bok, een driejarige ram, een tortel en een jonge duif.'
Gen. 15,10 Hij haalde dit alles, sneed de dieren middendoor, en legde de stukken tegenover elkaar; alleen de vogels sneed hij niet door.
Gen. 15,11 Er kwamen roofvogels op de dode dieren af, maar Abram joeg ze weg.
Gen. 15,12 Bij zonsondergang viel Abram in een diepe slaap; hevige angst en duisternis overviel hem.
Gen. 15,13 En Jahwe zei tot Abram: `Gij moet goed weten dat uw nakomelingen als vreemden zullen wonen in een land dat niet van hen is. Zij zullen dienstbaar zijn en men zal hen onderdrukken, vierhonderd jaar lang.
Gen. 15,14 Maar het volk waaraan zij dienstbaar zijn zal Ik vonnissen, en daarna zullen zij wegtrekken met rijke bezittingen.
Gen. 15,15 Gij zelf zult in vrede tot uw vaderen gaan; pas in gezegende ouderdom zult gij begraven worden.
Gen. 15,16 Het vierde geslacht zal hier terugkeren, want dan is de maat van de schuld van de Amorieten pas vol.'
Gen. 15,17 Toen de zon was ondergegaan, en het helemaal donker was geworden, zag Abram een rokende oven en een vurige fakkel, die tussen de stukken door gingen.
Gen. 15,18 Op die dag sloot Jahwe een verbond met Abram. Hij zei: `Aan uw nakomelingen schenk Ik dit land, vanaf de beek van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat,
Gen. 15,19 het gebied van de Kenieten, Kenizzieten, Kadmonieten,
Gen. 15,20 Hethieten, Perizzieten, Refaieten.
Gen. 15,21 Amorieten, Kanašnieten, Girgasieten en Jebusieten.'

Gen. 16,1 Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen ge schonken. Nu had zij een Egyptische slavin, die Hagar heette.
Gen. 16,2 Sarai zei tot Abram: `Je weet dat Jahwe mijn schoot heeft gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen. Ga dus naar mijn slavin: misschien krijg ik een zoon van haar.' En Abram stemde in met Sarai's voorstel.
Gen. 16,3 Sarai, de vrouw van Abram, gaf dus Hagar, haar Egyptische slavin, aan haar man Abram als vrouw; Abram woonde toen al tien jaar in Kanašn.
Gen. 16,4 Hij had gemeenschap met Hagar en zij werd zwanger. Toen zij dat bemerkte, begon zij haar meesteres hooghartig te behandelen.
Gen. 16,5 Daarom zei Sarai tot Abram: `Jij bent aansprakelijk voor het onrecht dat mij wordt aangedaan. Ik heb mijn slavin in jouw armen gelegd; en nu zij ziet dat ze zwanger is word ik door haar hooghartig behandeld. Jahwe moge oordelen, wie van ons beiden in zijn recht staat.'
Gen. 16,6 Daarop zei Abram tot Sarai: `Je kunt over je slavin beschikken: doe met haar wat je wilt.' Toen begon Sarai haar het leven zo onaangenaam te maken dat zij van haar wegliep.
Gen. 16,7 De engel van Jahwe vond haar bij een waterbron in de woestijn, de bron die aan de weg naar Sur ligt.
Gen. 16,8 Hij zei: `Hagar, slavin van Sarai, waar komt gij vandaan en waar gaat gij heen?' Zij zei: `Ik ben weggelopen bij mijn meesteres Sarai.'
Gen. 16,9 De engel van Jahwe zei tot haar: `Ga naar uw meesteres terug en wees haar onderdanig.'
Gen. 16,10 De engel van Jahwe zei ook nog tot haar: `Uw nakomelingen zal ik zeer talrijk maken, zo talrijk dat zij niet meer te tellen zijn.'
Gen. 16,11 De engel van Jahwe verzekerde haar: `Gij zijt nu zwanger; bij zult een zoon baren en hem IsmaŽl noemen; want Jahwe heeft u verhoord in uw ellende.
Gen. 16,12 Een wilde ezel in de steppe wordt hij, zijn hand gaat omhoog tegen allen, de handen van allen tegen hem; al zijn broers trotseert hij!'
Gen. 16,13 Toen gaf zij Jahwe, die tot haar gesproken had een naam: `Gij zijt een God die ik zie.' Want, dacht zij, `ik heb God werkelijk gezien, en ik leef nog, nadat ik hem gezien heb.'
Gen. 16,14 Vandaar dat die put de put van Lachai-roi heet; hij ligt tussen Kades en Bered.
Gen. 16,15 Toen baarde Hagar aan Abram een zoon en hij noemde die zoon IsmaŽl.
Gen. 16,16 Abram was zesentachtig jaar, toen Hagar hem IsmaŽl baarde.

Gen. 17,1 Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen Jahwe hem en zei: `Ik ben God almachtig, richt uw schreden naar Mij en gedraag u onberispelijk.
Gen. 17,2 Ik wil een verbond met u aangaan en u zeer talrijk maken.'
Gen. 17,3 Toen wierp Abram zich ter aarde, en God sprak tot hem:
Gen. 17,4 `Dit is mijn verbond met u: Gij zult de vader worden van een menigte volken.
Gen. 17,5 Gij zult niet langer Abram heten; uw naam zal Abraham zijn, want Ik maak u tot vader van een menigte volken.
Gen. 17,6 Ik zal u zeer vruchtbaar maken, volken zal Ik van u maken, zelfs koningen zullen uit u voortkomen.
Gen. 17,7 Ik sluit een verbond met u en uw nakomelingen, geslacht na geslacht, een altijddurend verbond: Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen.
Gen. 17,8 Geheel Kanašn, het land waar gij nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn.'
Gen. 17,9 Verder zei God nog tot Abraham: `Gij van uw kant moet mijn verbond onderhouden, gij en uw nakomelingen, geslacht na ge slacht.
Gen. 17,10 Dit is mijn verbond, dat gij moet onderhouden, mijn verbond met u en uw nakomelingen: Alle mannelijke personen moeten besneden worden.
Gen. 17,11 Uw voorhuid moet gij besnijden: dat zal het teken zijn van mijn verbond met u.
Gen. 17,12 Al uw mannelijke kinderen moeten, als ze acht dagen oud zijn, besneden worden, geslacht na geslacht. Dit geldt ook voor degenen die niet van uw geslacht zijn, maar die in uw huis zijn geboren, of van vreemden gekocht zijn.
Gen. 17,13 Ieder die dus in uw huis is geboren of door u gekocht is moet besneden worden. Zo zal mijn verbond, in uw lichaam getekend, een blijvend verbond zijn.
Gen. 17,14 Iedere onbesnedene, iedere mannelijke persoon die zijn voorhuid niet heeft laten besnijden, moet uit zijn stam verwijderd worden; hij heeft mijn verbond gebroken.'
Gen. 17,15 Nu zei God tot Abraham: `Sarai, uw vrouw, moet gij niet meer Sarai noemen; haar naam zal Sara zijn.
Gen. 17,16 Ik zal haar zegenen, en ook uit haar zal Ik u een zoon schenken. Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken zal uitgroei en; koningen van volken zullen uit haar voortkomen.'
Gen. 17,17 Toen wierp Abraham zich ter aarde en lachte, want hij zei bij zichzelf: `Zou een man van honderd jaar nog een zoon krijgen, en zou Sara die negentig is nog een kind ter wereld brengen?'
Gen. 17,18 Daarom zei hij tot God: `Laat IsmaŽl liever uw gunst genieten.'
Gen. 17,19 God antwoordde: `Neen, uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isaak noemen. Met hem en met zijn nakomelingen zal Ik een verbond aangaan, een altijddurend verbond.
Gen. 17,20 Maar ook uw verzoek betreffende IsmaŽl verhoor Ik. Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaarheid geven en hem zeer talrijk maken. Twaalf vorsten zal hij verwekken en een groot volk zal Ik van hem maken.
Gen. 17,21 Maar mijn verbond zal Ik aangaan met Isaak, die Sara u het volgend jaar op deze tijd zal baren.'
Gen. 17,22 Toen God dit alles gezegd had, ging Hij van Abraham heen.
Gen. 17,23 Toen besneed Abraham zijn zoon IsmaŽl en allen die bij hem in huis geboren waren of die hij gekocht had, alle mannelijke personen in zijn huis; nog diezelfde dag besneed hij hun voor huid, zoals God hem bevolen had.
Gen. 17,24 Abraham was negenennegentig jaar, toen zijn voorhuid besneden werd;
Gen. 17,25 zijn zoon IsmaŽl was dertien jaar, toen zijn voorhuid besneden werd.
Gen. 17,26 Op dezelfde dag werden Abraham en zijn zoon IsmaŽl besneden.
Gen. 17,27 Met hem werden ook al zijn huisgenoten besneden, degenen die in zijn huis geboren waren of die hij van vreemden had gekocht.

Gen. 18,1 Eens verscheen Jahwe aan Abraham bij de eik van Mamre, toen Abraham op het heetst van de dag bij de ingang van zijn tent zat.
Gen. 18,2 Hij sloeg zijn ogen op en zag plotseling drie mannen voor zich staan. Meteen liep hij van de ingang van zijn tent naar hen toe; hij boog diep
Gen. 18,3 en zei: `Wees zo welwillend, heer, uw dienaar niet voorbij te gaan.
Gen. 18,4 Ik zal water laten halen; was uw voeten en rust hier onder de boom.
Gen. 18,5 Nu u bij uw dienaar bent zal ik brood voor u halen om u te sterken voor uw verdere reis.' Zei zeiden: `Heel graag.'
Gen. 18,6 Abraham ging haastig de tent in naar Sara en zei: `Neem gauw drie schepel fijn meel, kneed het en bak er koeken van.'
Gen. 18,7 Daarna liep Abraham naar de kudde, zocht een lekker mals kalf uit en gaf het aan zijn knecht om het snel klaar te maken.
Gen. 18,8 Toen bracht hij hun wrongel en melk, en het kalf dat hij had laten toebereiden, en zette hun dat alles voor; terwijl zij aten bleef hij bij hen staan, onder de boom.
Gen. 18,9 Toen vroegen ze hem: `Waar is Sara, uw vrouw?' Hij antwoordde: `Daar, in de tent.'
Gen. 18,10 Toen zei Hij: `Over een jaar kom Ik weer bij u terug; dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben.' Sara stond te luisteren bij de ingang van de tent, achter hem.
Gen. 18,11 Nu waren Abraham en Sara oud en bejaard, en Sara ging het niet meer naar de wijze van de vrouwen.
Gen. 18,12 Daarom moest Sara bij zichzelf lachen, want zij dacht: `Zal ik dan nog liefde genieten, nu ik verwelkt ben en ook mijn heer al oud is?'
Gen. 18,13 Maar Jahwe zei tot Abraham: `Waarom lacht Sara en vraagt zij zich af: Zou ik op mijn leeftijd werkelijk nog een kind krijgen?
Gen. 18,14 Is er voor Jahwe dan iets te moeilijk? Over een jaar, precies op deze tijd, kom Ik bij u terug, en dan zal Sara een zoon hebben.'
Gen. 18,15 Toen zei Sara: `Ik heb niet gelachen,' want zij was bang geworden. Maar Hij zei: `Jawel, gij hebt gelachen!'
Gen. 18,16 Toen de mannen verder trokken, zagen zij in de diepte Sodom liggen. Abraham ging met hen mee om hen uitgeleide te doen.
Gen. 18,17 Jahwe dacht: `Zou Ik voor Abraham geheim houden wat Ik van plan ben?
Gen. 18,18 Want Abraham wordt zeker een groot en machtig volk, en door hem zullen alle volken van de aarde zegen ontvangen.
Gen. 18,19 Ik heb hem immers uitverkoren; zijn zonen en zijn nageslacht moet hij leren, zich door een rechtschapen en deugdzaam leven aan de weg van Jahwe te houden, dan kan Jahwe zijn plan met Abraham verwerkelijken.'
Gen. 18,20 Daarom zei Jahwe: `Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde!
Gen. 18,21 Ik ga naar beneden om te zien, of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het weten.'
Gen. 18,22 Toen gingen de mannen op weg in de richting van Sodom. Jahwe bleef echter nog bij Abraham staan.
Gen. 18,23 Abraham trad op Hem toe en zei: `Wilt Gij werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen?
Gen. 18,24 Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult gij die dan verdelgen? Zult Gij de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen?
Gen. 18,25 Zoiets kunt Gij toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt Ge toch niet doen! Zal Hij, die de hele aarde oordeelt, geen recht doen?'
Gen. 18,26 En Jahwe zei: `Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken.'
Gen. 18,27 Abraham begon weer en zei: `Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof en as ben?
Gen. 18,28 Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zult Gij dan toch om die vijf de hele stad verwoesten?' En Hij zei: `Ik zal haar niet verwoesten, als Ik er vijfenveertig vind.'
Gen. 18,29 Opnieuw sprak hij tot Hem: `Misschien zijn er maar veertig te vinden.' En Hij zei: `Ik zal het niet doen, omwille van die veertig.'
Gen. 18,30 Nu zei hij: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog eens aandring: misschien zijn er maar dertig te vinden.' En Hij zei: `Ik zal het niet doen, als Ik er dertig vind.'
Gen. 18,31 Hij zei opnieuw: `Ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen; maar misschien worden er maar twintig gevonden.' En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die twintig.'
Gen. 18,32 Hij zei: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog een keer spreek; misschien zijn er maar tien te vinden.' En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die tien.'
Gen. 18,33 Zodra Jahwe zijn gesprek met Abraham beŽindigd had, ging Hij heen, en Abraham keerde naar zijn woonplaats terug.

Gen. 19,1 De twee engelen kwamen tegen de avond te Sodom aan, terwijl Lot bij de stadspoort zat. Toen Lot hen zag aankomen, stond hij op, ging hun tegemoet, boog diep
Gen. 19,2 en zei: `Ik bid u, mijne heren, neem uw intrek in het huis van uw dienaar en breng daar de nacht door; was uw voeten, dan kunt ge morgenochtend uw reis voortzetten.' Ze zeiden: `Neen, wij zullen buiten overnachten.'
Gen. 19,3 Maar hij bleef zo aandringen dat ze bij hem hun intrek namen. Toen zij in zijn huis gekomen waren, richtte hij met ongezuurde broden die hij had laten bakken een maaltijd voor hen aan en zij aten ervan.
Gen. 19,4 Zij hadden zich nog niet te rusten gelegd, toen de mannen van de stad, de Sodomieten, om het huis te hoop liepen, jong en oud, de hele bevolking, allemaal samen.
Gen. 19,5 Zij riepen Lot en zeiden: `Waar zijn die mannen, die voor vannacht bij u hun intrek hebben genomen? Breng ze naar buiten, dan kunnen wij omgang met hen hebben.'
Gen. 19,6 Lot kwam naar buiten, maar de deur deed hij achter zich dicht.
Gen. 19,7 Hij zei: `Doe toch geen kwaad, broeders.
Gen. 19,8 Luister eens; ik heb twee dochters, die nog nooit bij een man zijn geweest. Die wil ik wel naar buiten brengen; dan kunnen jullie met haar doen wat je wilt. Maar laat die mannen met rust, want zij staan onder de bescherming van mijn huis.'
Gen. 19,9 Ze zeiden: `Ga opzij.' En ze voegden eraan toe: `Dat is hier als vreemdeling komen wonen en wil nog de wet voorschrijven ook. Het zal je nog slechter vergaan dan die anderen.' Heftig duwden zij Lot achteruit en wilden de deur al openbreken.
Gen. 19,10 Maar de mannen binnen grepen Lot vast, trokken hem het huis in en deden de deur dicht.
Gen. 19,11 Degenen die voor de deur stonden, klein en groot, sloegen zij met blindheid, zodat zij de deur niet meer konden vinden.
Gen. 19,12 Nu zeiden de mannen tot Lot: `Hebt gij hier in de stad nog verwanten? Uw zonen en dochters en al de uwen moet gij naar buiten brengen, weg uit deze plaats.
Gen. 19,13 Wij gaan de stad verwoesten: de roep om wraak over de bewoners klinkt zo luid, dat Jahwe ons heeft gezonden om de stad te verwoesten.'
Gen. 19,14 Toen ging Lot praten met zijn toekomstige schoonzoons, de mannen die met zijn dochters wilden trouwen; hij zei: `Maak dat je wegkomt, vlucht uit deze plaats, want Jahwe gaat de stad verwoesten.' Maar zijn schoonzoons lachten hem uit.
Gen. 19,15 Toen de dageraad aanbrak, zetten de engelen Lot tot spoed aan en zeiden: `Vooruit, neem uw vrouw en uw beide dochters mee; anders wordt gij het slachtoffer van de bestraffing van de stad.'
Gen. 19,16 Toen Lot nog aarzelde, grepen de mannen hem zelf, zijn vrouw en zijn beide dochters bij de hand, want Jahwe wilde hem sparen, en zij brachten hem buiten de stad.
Gen. 19,17 En toen zij hen de stad uit gebracht hadden, zei een van hen: `Breng uzelf in veiligheid, want uw leven staat op het spel; kijk niet om, blijf nergens in de buurt staan, maar vlucht de bergen in, anders komt gij om.'
Gen. 19,18 Maar Lot zei tot hen: `Dat niet, heer!
Gen. 19,19 Zeker, gij zijt zeer goed voor uw dienaar geweest en hebt mij een grote weldaad bewezen door mij in leven te laten, maar ik kan onmogelijk naar de bergen vluchten. Daar zou het onheil mij achterhalen en zou ik toch de dood vinden.
Gen. 19,20 Kijk, daar ligt een stad niet ver van hier; daar wil ik wel heen vluchten: het is een kleine stad. Laat mij daarheen de wijk nemen; zij is toch maar klein. En dan zal ik het er levend afbrengen.'
Gen. 19,21 Hij sprak tot hem: `Ook hierin zal ik u terwille zijn; de stad die gij bedoelt zal ik niet verwoesten.
Gen. 19,22 Vlucht er nu haastig heen, want ik kan niets doen, zolang gij daar niet aangekomen zijt.' Zo komt het dat die stad Soar heet.
Gen. 19,23 Zodra de zon was opgegaan en Lot in Soar was aangekomen,
Gen. 19,24 liet Jahwe uit de hemel zwavel en vuur over Sodom en Gomorra neerregenen.
Gen. 19,25 Hij verwoestte die steden en de hele streek, met alle bewoners en al wat er groeide.
Gen. 19,26 De vrouw van Lot, die achter hem liep, keek om en veranderde in een zoutklomp.
Gen. 19,27 Vroeg in de ochtend begaf Abraham zich naar de plaats, waar hij met Jahwe gestaan had.
Gen. 19,28 Hij keek omlaag naar Sodom en Gomorra en heel de Jordaanstreek, en zag een walm van de aarde opstijgen, als de rook van een smeltoven.
Gen. 19,29 Zo hield God bij de verwoesting van de steden van die landstreek rekening met Abrahams wens en liet hij Lot ontkomen, toen Hij de steden verwoestte waar deze gewoond had.
Gen. 19,30 Lot verliet echter Soar en vestigde zich met zijn beide dochters in de bergen, omdat hij niet in Soar durfde blijven. Hij ging wonen in een grot, samen met zijn beide dochters.
Gen. 19,31 Nu zei de oudste tot de jongste: `Vader wordt oud; en er is geen man in het land die bij ons kan komen zoals dat overal elders gebeurt.
Gen. 19,32 Kom, wij laten vader wijn drinken en gaan bij hem liggen, in de hoop dat wij van hem kinderen krijgen.'
Gen. 19,33 Zij lieten dus hun vader die nacht wijn drinken, en de oudste ging bij haar vader liggen; hij merkte niets, noch toen zij kwam liggen, noch toen zij weer opstond.
Gen. 19,34 De volgende morgen zei de oudste tot de jongste: `De afgelopen nacht heb ik bij vader gelegen. Wij zullen hem ook vannacht weer wijn laten drinken, dan kun jij bij hem gaan liggen, in de hoop dat wij van hem kinderen krijgen.'
Gen. 19,35 Ook die nacht lieten zij hun vader wijn drinken, en nu ging de jongste bij hem liggen; hij merkte niets, noch toen zij kwam liggen, noch toen zij weer opstond.
Gen. 19,36 Zo werden de beide dochters van Lot zwanger van hun vader.
Gen. 19,37 De oudste baarde een zoon en noemde hem Moab; hij werd de vader van de huidige Moabieten.
Gen. 19,38 Ook de jongste baarde een zoon en noemde hem Ben-ammi; hij is de vader van de tegenwoordige Ammonieten.

Gen. 20,1 Abraham trok vandaar naar de Negeb; hij vestigde zich tussen Kades en Sur en woonde als vreemdeling in Gerar.
Gen. 20,2 Van zijn vrouw Sara vertelde Abraham dat ze zijn zuster was. Zo kwam het dat Abimelek, de koning van Gerar, haar liet schaken.
Gen. 20,3 Maar God kwam 's nachts in een droom tot Abimelek en zei hem: `De dood staat u te wachten, omdat gij deze vrouw ontvoerd hebt; want zij heeft al een man.'
Gen. 20,4 Abimelek had echter nog geen omgang met haar gehad. Daarom zei hij: `Heer, wilt gij een onschuldige doden?
Gen. 20,5 Hij heeft immers verklaard dat het zijn zuster is; en ook zij heeft beweerd dat hij haar broer is. Ik heb in alle onschuld en te goeder trouw zo gehandeld.'
Gen. 20,6 En God zei tot hem in de droom: `Ik wist wel dat gij dit in alle onschuld hebt gedaan; daarom heb Ik u ervoor bewaard tegen Mij te zondigen, en heb Ik u belet haar aan te raken.
Gen. 20,7 Geef dus die man zijn vrouw terug; hij is een profeet en zal voor u bidden dat gij in leven blijft. Maar als gij haar niet teruggeeft, weet dan, dat ge zult sterven, gij en al de uwen.'
Gen. 20,8 De volgende ochtend riep Abimelek al zijn hovelingen samen en vertelde hun alles; en zij werden door vrees bevangen.
Gen. 20,9 Toen liet Abimelek Abraham roepen en zei hem: `Wat hebt u ons aangedaan? Heb ik soms iets tegen u misdreven, dat u op mij en mijn koninkrijk zo'n zware schuld geladen hebt? Dat is toch geen manier van doen.'
Gen. 20,10 En Abimelek vroeg Abraham: `Met welke bedoeling hebt u dat toch gedaan?'
Gen. 20,11 Abraham antwoordde: `Ik dacht: veronderstel dat men hier God niet vreest, dan kon men mij wel eens om mijn vrouw vermoorden.
Gen. 20,12 Zij is trouwens inderdaad mijn zuster: zij is een dochter van mijn vader, maar niet van mijn moeder; zo is zij mijn vrouw geworden.
Gen. 20,13 En toen God mij ver van mijn verwanten liet rondzwerven, heb ik haar gezegd: Wees zo goed om overal waar wij komen te zeggen, dat ik je broer ben.'
Gen. 20,14 Toen gaf Abimelek aan Abraham schapen en runderen, slaven en slavinnen ten geschenke. Ook gaf hij hem zijn vrouw Sara terug.
Gen. 20,15 En Abimelek zei: `Mijn land ligt voor u open; u kunt gaan wonen waar u wilt.'
Gen. 20,16 En tot Sara zei hij: `Ik geef uw broer nu duizend zilverstukken; dan weet heel uw omgeving dat u onschuldig bent en blijft uw eer volkomen ongerept.'
Gen. 20,17 Abraham bad toen tot God, en God genas Abimelek, zijn vrouw en zijn slavinnen, zo dat zij weer kinderen konden krijgen,
Gen. 20,18 want Jahwe had iedere schoot in het huis van Abimelek gesloten, vanwege het gebeurde met Sara, de vrouw van Abraham.

Gen. 21,1 Jahwe begunstigde Sara, zoals hij gezegd had, en vervulde de belofte die hij haar gedaan had.
Gen. 21,2 Sara werd zwanger en schonk Abraham op zijn oude dag een zoon, op het tijdstip dat God genoemd had.
Gen. 21,3 Abraham gaf aan de zoon die hem geboren werd en die hem door Sara werd geschonken de naam Isaak.
Gen. 21,4 Volgens Gods bevel besneed Abraham zijn zoon Isaak, toen deze acht dagen oud was.
Gen. 21,5 Abraham was honderd jaar, toen zijn zoon Isaak geboren werd.
Gen. 21,6 Sara zei: `God heeft gemaakt dat ik lachen kon, en ieder die het hoort, zal meelachen.'
Gen. 21,7 En ze voegde eraan toe: `Wie zou Abraham hebben durven voorspellen, dat Sara nog kinderen zou voeden? En nu heb ik hem op zijn oude dag een zoon geschonken!'
Gen. 21,8 Het kind groeide op en werd van de borst genomen. Op de dag dat Isaak van de borst genomen werd, gaf Abraham een groot feest.
Gen. 21,9 Maar toen Sara de zoon die Hagar, de Egyptische, aan Abraham geschonken had, eens zag lachen,
Gen. 21,10 zei ze tot Abraham: `Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van die slavin mag geen mede-erfgenaam worden van mijn zoon Isaak.'
Gen. 21,11 Abraham vond deze eis zeer ongepast, omdat het toch om een zoon van hem ging.
Gen. 21,12 God echter zei hem: `Wat Sara ten aanzien van de jongen en uw slavin eist, moet gij niet als ongepast beschouwen. Luister naar alles wat zij u zegt: want alleen door Isaak krijgt gij een nageslacht dat uw naam draagt.
Gen. 21,13 Maar ook de zoon van de slavin zal Ik tot een volk maken, omdat ook hij een kind van u is.'
Gen. 21,14 Abraham voorzag Hagar de volgende morgen van brood en een zak water, zette het kind op haar schouder en zond hen weg. Maar onderweg verdwaalde zij in de woestijn van Berseba.
Gen. 21,15 Toen de waterzak leeg was, legde zij het kind onder een struik
Gen. 21,16 en ging op een boogschot afstand zitten, want zij dacht: `Ik kan mijn kind niet zien sterven.' Ze bleef daar zitten en schreide luid.
Gen. 21,17 God hoorde het schreien van de jongen en de engel van God riep uit de hemel tot Hagar: `Wat is er, Hagar? Wees niet bang, want God heeft in zijn verblijf het schreien van uw kind gehoord.
Gen. 21,18 Sta op, neem de jongen en houd hem goed vast, want Ik zal een groot volk van hem maken.'
Gen. 21,19 Toen opende God haar ogen, zodat zij een waterput zag; zij vulde de zak weer met water en gaf de jongen te drinken.
Gen. 21,20 En God beschermde de jongen. Toen hij groot was geworden, leefde hij in de woestijn en werd een ervaren boogschutter.
Gen. 21,21 Hij ging wonen in de woestijn van Paran, en zijn moeder koos voor hem een vrouw uit Egypte.
Gen. 21,22 In die tijd zei Abimelek - en zijn legeroverste Pikol tot Abraham: `God staat u bij in alles wat u doet.
Gen. 21,23 Zweer daarom hier bij God, dat u mij, mijn geslacht en mijn stam, niet in de steek zult laten; u moet mij en het land waar u gastvrijheid geniet dezelfde vriendschap bewijzen die ik u bewezen heb.'
Gen. 21,24 En Abraham zei: `Dat zweer ik!'
Gen. 21,25 Abraham beklaagde er zich bij Abimelek over, dat diens knechten zich een waterput hadden toegeeigend.
Gen. 21,26 Abimelek zei: `Ik weet niet wie dat gedaan heeft; u hebt er mij nooit over gesproken en ik heb er tot nu toe niets over gehoord.'
Gen. 21,27 Daarop haalde Abraham schapen en runderen, bood die Abimelek aan, en zij sloten een verbond met elkaar.
Gen. 21,28 Maar Abraham zette zeven lammeren apart.
Gen. 21,29 Toen vroeg Abimelek: `Wat betekenen die zeven lammeren die u apart hebt gezet?'
Gen. 21,30 Hij antwoordde: `Deze zeven lammeren moet u van mij aannemen; zij moeten als bewijs dienen dat ik deze put gegraven heb.'
Gen. 21,31 Zo komt het dat deze plaats Berseba heet; want daar hebben zij beiden een eed gezworen.
Gen. 21,32 Nadat zij te Berseba een verbond hadden gesloten, keerde Abimelek met zijn legeroverste Pikol naar het land van de Filistijnen terug.
Gen. 21,33 Abraham plantte te Berseba een tamarisk en riep daar de naam aan van Jahwe, de God van eeuwigheid.
Gen. 21,34 En Abraham verbleef geruime tijd in het land van de Filistijnen.

Gen. 22,1 Hierna gebeurde het dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tot hem: `Abraham.' En hij antwoordde: `Hier ben ik.'
Gen. 22,2 Hij zei: `Ga met Isaak, uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, naar het land van de Moria, en draag hem daar, op de berg die Ik u zal aanwijzen, als brandoffer op.'
Gen. 22,3 De volgende morgen zadelde Abraham zijn ezel, nam twee knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, en kloofde hout voor het brandoffer. Daarna begaf hij zich op weg naar de plaats die God hem aangewezen had.
Gen. 22,4 Op de derde dag zag Abraham in de verte de plaats liggen.
Gen. 22,5 Toen zei Abraham tot zijn knechten: `Jullie blijven hier bij de ezel; ik ga met de jongen daarginds heen. Nadat wij ons in aanbidding neergebogen hebben, komen wij weer terug.'
Gen. 22,6 Daarop gaf Abraham zijn zoon Isaak het hout voor het brandoffer te dragen; zelf droeg hij het vuur en het offermes. Zo gingen zij samen op weg.
Gen. 22,7 Toen zei Isaak tot zijn vader Abraham: `Vader.' Hij antwoordde: `Ja, mijn zoon.' Isaak zei: `Wij hebben wel vuur en hout, maar waar is het offerdier?'
Gen. 22,8 Abraham antwoordde: `God zelf zal wel voor het offerdier zorgen, mijn zoon.' En samen gingen zij verder.
Gen. 22,9 Toen zij de plaats bereikt hadden die God hem had aangewezen, bouwde Abraham daar een altaar, stapelde er het hout op, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, boven op het hout.
Gen. 22,10 Toen Abraham echter zijn hand uitstak naar het mes om daarmee zijn zoon de keel af te snijden,
Gen. 22,11 riep de engel van Jahwe hem van uit de hemel toe: `Abraham, Abraham!' En hij antwoordde: `Hier ben ik.'
Gen. 22,12 Hij zei: `Raak de jongen met geen vinger aan en doe hem niets! Ik weet nu dat gij god vreest, want gij hebt Mij uw zoon, uw enige, niet willen onthouden.'
Gen. 22,13 Abraham keek om zich heen en bemerkte een ram, die met zijn horens in het struikgewas vastzat. Hij greep de ram en droeg die als brandoffer op, in plaats van zijn zoon.
Gen. 22,14 Abraham noemde die plaats `Jahwe zal erin voorzien'; vandaar dat men nu nog zegt: `Op de berg van Jahwe zal erin voorzien worden.'
Gen. 22,15 Toen riep de engel van Jahwe voor de tweede maal uit de hemel tot Abraham
Gen. 22,16 en zei: `Bij Mijzelf heb Ik gezworen - spreekt Jahwe -, omdat gij dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet hebt onthouden,
Gen. 22,17 daarom zal Ik u overvloedig zegenen en uw nakomelingen even talrijk maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels op het strand van de zee. Uw nakomelingen zullen de poort van hun vijand bezitten.
Gen. 22,18 Door uw nakomelingen komt zegen over alle volken van de aarde, omdat gij naar mijn stem hebt geluisterd.'
Gen. 22,19 Daarop keerde Abraham naar zijn knechten terug; samen trokken zij naar Berseba. En Abraham bleef in Berseba wonen.
Gen. 22,20 Na deze gebeurtenissen kreeg Abraham dit bericht: Ook Milka heeft aan uw broer Nachor zonen geschonken:
Gen. 22,21 Us, zijn eerstgeborene, diens broer Buz, KemuŽl, de vader van Aram,
Gen. 22,22 Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en BetuŽl,
Gen. 22,23 die de vader werd van Rebekka. Deze acht kinderen schonk Milka aan Nachor, de broer van Abraham.
Gen. 22,24 Hij had ook een bijvrouw, Reuma genaamd, en deze schonk het leven aan Tebach, Gacham, Tachas en Maaka.

Gen. 23,1 Sara bereikte de leeftijd van honderdzevenentwintig jaar.
Gen. 23,2 Toen stierf zij in Kirjat-arba, ook Hebron geheten, in Kanašn. Abraham hield eerst de rouwklacht over Sara en beweende haar.
Gen. 23,3 Daarna liet hij zijn afgestorvene alleen en richtte het woord tot de Hethieten.
Gen. 23,4 Hij zei: `Ik ben hier maar een vreemdeling; daarom vraag ik u: Geef mij een eigen begraafplaats, waar ik mijn overleden vrouw kan begraven.'
Gen. 23,5 De Hethieten gaven Abraham ten antwoord:
Gen. 23,6 `Heer, luister naar ons: u bent voor ons een vorst van God; begraaf uw overledene in het mooiste graf dat wij hebben; niemand van ons zal u zijn graf weigeren of beletten dat u daarin uw overleden vrouw begraaft.'
Gen. 23,7 Toen stond Abraham op, boog diep voor de Hethieten, de ingezetenen van het land,
Gen. 23,8 en richtte het woord tot hen: `Als u er mee instemt dat ik mijn overleden vrouw begraaf, luister dan naar mij, en wend uw invloed aan bij Efron, de zoon van Sochar,
Gen. 23,9 dat hij de grot van Makpela, die zijn eigendom is en die aan de rand van zijn akker ligt, aan mij verkoopt; laat hij die in uw bijzijn voor de volle prijs aan mij verkopen, zodat ik een eigen begraafplaats heb.'
Gen. 23,10 Onder de aanwezige Hethieten bevond zich ook Efron zelf. En Efron de Hethiet gaf Abraham, ten aanhoren van alle Hethieten die zitting hielden bij de stadspoort, ten antwoord:
Gen. 23,11 `Geen sprake van, heer. Luister naar mij: Het stuk land schenk ik u, en de grot die erop ligt geef ik u ook; ten over staan van mijn volksgenoten geef ik ze u: begraaf er uw dode.'
Gen. 23,12 Opnieuw boog Abraham diep voor de ingezetenen van het land;
Gen. 23,13 ten aanhoren van hen richtte hij het woord tot Efron: `Wees zo goed naar mij te luisteren. Ik wil voor de grond de volle prijs betalen. Neem die van mij aan; dan kan ik mijn dode daar begraven.'
Gen. 23,14 Maar Efron antwoordde Abraham:
Gen. 23,15 `Kijk eens, heer: een stuk grond van vierhonderd sikkel zilver, wat maakt dat nu uit voor mij of voor u? Begraaf dus uw dode.'
Gen. 23,16 Abraham ging op Efrons aanbod in en woog het zilver af, dat Efron ten aanhoren van de Hethieten genoemd had: vierhonderd sikkels, zoals ze in de handel gangbaar zijn.
Gen. 23,17 Zo werd in het bijzijn van alle Hethieten die zitting hielden bij de stadspoort, het stuk grond van Efron in Makpela, ten oosten van Mamre - de grond met de grot en al het geboomte op het gehele terrein
Gen. 23,18 eigendom van Abraham.
Gen. 23,19 Daarop begroef Abraham zijn vrouw Sara in de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre of Hebron, in Kanašn.
Gen. 23,20 Zo werd het stuk grond met de grot door de Hethieten aan Abraham overgedaan en kreeg hij een eigen begraafplaats.

Gen. 24,1 Abraham was oud en hoogbejaard, en Jahwe had hem in alles gezegend.
Gen. 24,2 Nu zei Abraham tot zijn oudste dienaar, die het toezicht had over heel zijn bezit: `Leg je hand onder mijn heup.
Gen. 24,3 Bij Jahwe, de God van de hemel en de aarde, moet je mij zweren dat je voor mijn zoon geen vrouw zult zoeken uit de meisjes van Kanan waar ik woon,
Gen. 24,4 maar dat je zult gaan naar mijn land en mijn familie, om daar een vrouw voor mijn zoon Isaak te zoeken.'
Gen. 24,5 De dienaar zei: `En als er nu eens geen vrouw is die met mij mee wil gaan naar dit land? Moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land dat u verlaten hebt?'
Gen. 24,6 Abraham antwoordde: `Neen, dat niet, je mag mijn zoon daar nooit terugbrengen.
Gen. 24,7 Jahwe, de God van de hemel, heeft mij uit mijn familie en uit mijn geboorteland laten wegtrekken en mij beloofd, ja gezworen: Aan uw nakomelingen zal Ik dit land schenken. Hij zal zijn engel voor je uitzenden, en je zult daar een vrouw voor mijn zoon meekregen.
Gen. 24,8 Zou er geen vrouw met je mee willen, dan ben je ontsla gen van de eed, die ik je laat zweren; maar in geen geval mag je mijn zoon naar dat land terugbrengen.'
Gen. 24,9 Toen legde de dienaar zijn hand onder de heup van zijn meester Abraham en beloofde onder ede wat hij gevraagd had.
Gen. 24,10 Toen begaf de dienaar zich met tien kamelen van zijn meester en met allerlei kostbare geschenken op weg; hij trok naar de stad van Nachor, in Aram-naharaim.
Gen. 24,11 Op een avond, tegen de tijd dat de vrouwen de stad uitkomen om water te putten, liet hij zijn kamelen neerknielen bij de put
Gen. 24,12 en zei: `Jahwe, God van mijn meester Abraham, laat mij heden slagen, en wees mijn meester Abraham gunstig gezind.
Gen. 24,13 Ik sta hier nu bij de waterbron en aanstonds komen de meisjes uit de stad water halen.
Gen. 24,14 Wanneer het meisje tot wie ik zeg: Reik mij uw kruik aan om te drinken, antwoordt: Drink maar gerust, en ik zal uw kamelen ook nog te drinken geven, dan zal dat het meisje zijn, dat gij voor uw dienaar Isaak bestemd hebt; daaraan zal ik zien dat gij mijn meester gunstig gezind zijt.'
Gen. 24,15 Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka aan, de dochter van BetuŽl, de zoon van Milka, de vrouw van Abrahams broer Nachor; zij droeg een kruik op haar schouders.
Gen. 24,16 Het was een mooi meisje; zij had de huwbare leeftijd, maar geen man had nog omgang met haar gehad. Zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik en kwam weer naar boven.
Gen. 24,17 De dienaar van Abraham liep vlug naar haar toe en vroeg: `Mag ik alstublieft wat drinken uit uw kruik?'
Gen. 24,18 Zij antwoordde: `Drinkt u maar, meneer.' Meteen liet zij de kruik op haar hand glijden en gaf hem te drinken.
Gen. 24,19 Toen zij hiermee klaar was, zei ze: `Ik zal ook water halen voor uw kamelen, tot ze genoeg gedronken hebben.'
Gen. 24,20 Vlug goot zij haar kruik in de drinkbak leeg en liep opnieuw naar de put; zo haalde zij water voor al zijn kamelen.
Gen. 24,21 De man sloeg haar zwijgend gade om te zien, of Jahwe zijn reis met succes bekroond had of niet.
Gen. 24,22 Zodra de kamelen genoeg gedronken hadden, haalde hij een gouden neusring ter waarde van een halve sikkel te voorschijn en deed twee armbanden ter waarde van tien sikkel goud om haar polsen.
Gen. 24,23 Hij zei: `Vertel eens: Wiens dochter bent u? Zou er in het huis van uw vader plaats zijn om te overnachten?'
Gen. 24,24 Zij antwoordde: `Ik ben een dochter van BetuŽl, de zoon die Milka aan Nachor geschonken heeft.'
Gen. 24,25 Zij voegde er aan toe: `Stro en voer hebben wij in overvloed, en er is ook plaats om te overnachten.'
Gen. 24,26 Toen viel de man op zijn knieŽn, boog zich diep voor Jahwe neer
Gen. 24,27 en zei: `Gezegend zij Jahwe, de God van mijn meester Abraham, die hem zijn genade en trouw niet heeft onthouden en mij regelrecht naar het huis van de broer van mijn meester gebracht heeft.'
Gen. 24,28 Het meisje was reeds naar huis gesneld en had daar aan haar moeder verteld wat er gebeurd was.
Gen. 24,29 Nu had Rebekka een broer die Laban heette; deze Laban liep vlug naar de man bij de bron.
Gen. 24,30 Nadat hij de ring en de armbanden om de polsen van zijn zuster had gezien, en haar hele verhaal had gehoord, ging hij meteen naar hem toe; hij stond daar nog met zijn kamelen bij de bron.
Gen. 24,31 Laban zei: `Neem bij ons uw intrek, gezegende van Jahwe; waarom blijft u buiten staan? Ik heb het huis voor u in gereedheid gebracht en er is een stal voor de kamelen.'
Gen. 24,32 Toen ging de man mee naar zijn huis. Men zadelde de kamelen af, gaf ze stro en voer; voor hemzelf en de mannen die hem vergezelden bracht men water om de voeten te wassen.
Gen. 24,33 Maar toen het eten was opgediend, zei hij: `Ik wil niet eten voor ik mijn woord gedaan heb.' En Laban antwoordde: `Ga uw gang!'
Gen. 24,34 Hij zei toen: `Ik ben een dienaar van Abraham.
Gen. 24,35 Jahwe heeft mijn meester overvloedig gezegend, zodat hij rijk is. Hij heeft hem schapen en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels geschonken.
Gen. 24,36 En Sara, de vrouw van mijn meester, heeft hem een zoon gebaard toen zij reeds oud was; al wat hij bezit heeft hij voor deze zoon bestemd.
Gen. 24,37 Mijn meester heeft mij een eed laten zweren en mij deze opdracht gegeven: Zoek voor mijn zoon geen vrouw onder de meisjes van Kanašn, waar ik woon.
Gen. 24,38 Je moet naar mijn ouderlijk huis en mijn familie gaan en daar een vrouw voor mijn zoon zoeken.
Gen. 24,39 Ik zei tot mijn meester: Misschien zal de vrouw niet met mij mee willen.
Gen. 24,40 Hij antwoordde mij: Jahwe, naar wie ik steeds mijn schreden richt, hij zal zijn engel met je mee zenden en je reis doen slagen. Je moet voor mijn zoon een vrouw zoeken uit mijn familie en mijn ouderlijk huis.
Gen. 24,41 Pas dan ben je van je eed ontslagen, wanneer je bij mijn familie bent geweest en men je daar geen vrouw heeft willen geven; in dat geval ben je van de eed ontslagen.
Gen. 24,42 Toen ik vandaag bij de bron gekomen was, zei ik: Jahwe, God van mijn meester Abraham, wil toch de reis, die ik ondernomen heb, met succes bekronen.
Gen. 24,43 Ik sta hier nu bij de waterbron; wanneer een meisje water komt halen en ik tot haar zeg: Mag ik alstublieft wat drinken uit uw kruik,
Gen. 24,44 en antwoordt: Drink eerst zelf, daarna zal ik ook voor uw kamelen water halen, dan zal dat meisje de vrouw zijn die Jahwe voor de zoon van mijn meester heeft bestemd.
Gen. 24,45 Ik was nog niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka aan, met een kruik op haar schouder, en daalde af naar de bron om water te halen. Ik vroeg haar: Mag ik alstublieft wat drinken?
Gen. 24,46 Dadelijk liet zij de kruik van haar schouder glijden en zei: Drink maar gerust; en ik zal ook uw kamelen nog te drinken geven. Ik dronk; ook de kamelen gaf ze te drinken.
Gen. 24,47 Ik vroeg haar: Van wie bent u een dochter? Zij antwoordde: Van BetuŽl, de zoon van Nachor, die Milka hem geschonken heeft. Toen deed ik een ring in haar neus en armbanden om haar polsen.
Gen. 24,48 Ik viel op mijn knieŽn, boog mij voor Jahwe neer en zegende Jahwe, de God van mijn meester Abraham, die mij langs de juiste weg had geleid, zodat ik voor de zoon van mijn meester de dochter van diens broer mocht vinden.
Gen. 24,49 Als ik mijn meester uw vriendschap en trouw wilt betonen, zeg het mij dan; zo niet, zeg het dan eveneens; dan kan ik ergens anders gaan zoeken. '
Gen. 24,50 Daarop antwoordde Laban en diens familie: `Dit is een beschikking van Jahwe; wij kunnen er niets tegen inbrengen.
Gen. 24,51 Rebekka staat voor u gereed; neem haar met u mee als vrouw voor de zoon van uw meester, zoals Jahwe geschikt heeft.'
Gen. 24,52 Toen de dienaar van Abraham dit antwoord hoorde, boog hij diep voor Jahwe neer.
Gen. 24,53 Daarna haalde de dienaar zilveren en gouden sieraden en gewaden te voorschijn en gaf ze aan Rebekka; ook aan haar broer en haar moeder overhandigde hij kostbare geschenken.
Gen. 24,54 Zij aten en dronken, hijzelf en de mannen die hem vergezelden, en brachten daar de nacht door. Zodra zij de volgen de ochtend opgestaan waren, zei hij: `Laat mij naar mijn meester gaan.'
Gen. 24,55 Maar de broer en de moeder van het meisje zeiden: `Laat haar nog een dag of tien bij ons blijven; daarna kan zij ver trekken.'
Gen. 24,56 Maar hij zei tot hen: `Houd mij niet op, nu Jahwe mijn reis heeft doen slagen; laat mij vertrekken naar mijn meester.'
Gen. 24,57 Zij zeiden: `Wij zullen het meisje roepen en het haar zelf vragen.'
Gen. 24,58 Zij riepen dus Rebekka en vroegen haar: `Wil je met deze man meegaan?' Zij antwoordde: `Ik ga mee.'
Gen. 24,59 Toen lieten zij hun zuster Rebekka vertrekken, samen met haar voedster, en met de dienaar van Abraham en zijn mannen.
Gen. 24,60 Zij namen afscheid van Rebekka en wensten haar toe: `Zuster, moogt u worden tot duizendmaal tienduizend en moge uw nageslacht de poort van zijn vijanden bezitten!'
Gen. 24,61 Toen maakten Rebekka en haar slavinnen zich gereed; zij bestegen hun kamelen en volgden de man. De dienaar begaf zich met Rebekka op reis.
Gen. 24,62 Isaak was teruggekomen van de bron Lachai-roi; hij woonde toen in de Negeb.
Gen. 24,63 Bij het vallen van de avond ging hij buiten wat afleiding zoeken; toen hij zijn ogen opsloeg, zag hij ineens kamelen aankomen.
Gen. 24,64 Ook Rebekka keek op, en toen zij Isaak zag, liet zij zich van haar kameel glijden
Gen. 24,65 en vroeg aan de dienaar: `Wie is die man daar, die over het veld naar ons toekomt?' De dienaar antwoordde: `Dat is mijn meester.' Toen deed zij haar sluier voor.
Gen. 24,66 De dienaar vertelde aan Isaak alles wat hij gedaan had.

Gen. 24,67 Daarop bracht Isaak Rebekka in zijn tent en nam haar tot vrouw. Isaak kreeg haar lief en vond troost voor het verlies van zijn moeder.

Gen. 25,1 Abraham huwde nog een andere vrouw, Ketura genaamd.
Gen. 25,2 Zij schonk hem Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach.
Gen. 25,3 Joksan was de vader van Seba en Dedan. De zonen van Dedan zijn de Assurieten, de Letusieten en de Leummieten.
Gen. 25,4 De zonen van Midjan zijn Efa, Efer, Chanok, Abida en Eldaa. Dat zijn allen nakomelingen van Ketura.
Gen. 25,5 Abraham vermaakte alles wat hij bezat aan Isaak.
Gen. 25,6 Aan de zonen van zijn bijvrouwen gaf Abraham wel ge schenken, maar hij zond ze nog tijdens zijn leven weg uit de omgeving van zijn zoon Isaak, naar het oosten toe.
Gen. 25,7 Abraham bereikte de leeftijd van honderdvijfenzeventig jaar.
Gen. 25,8 Toen gaf Abraham de geest en stierf in gezegende ouder dom, oud en verzadigd van jaren, en hij werd met zijn voorvaderen verenigd.
Gen. 25,9 Zijn zonen Isaak en IsmaŽl begroeven hem in de grot van Makpela, op de akker van Efron, de zoon van de Hethiet Sochar, ten oosten van Mamre.
Gen. 25,10 Het was de akker, die Abraham van de Hethiet gekocht had; daar werden Abraham en zijn vrouw Sara begraven.
Gen. 25,11 Na Abrahams dood zegende God zijn zoon Isaak. Isaak had zich bij de put van Lachai-roi gevestigd.
Gen. 25,12 Dit zijn de nakomelingen van IsmaŽl, Abrahams zoon, die Hagar, Sara's Egyptische slavin, aan Abraham geschonken had.
Gen. 25,13 Dit zijn de namen van IsmaŽls zonen, opgenoemd naar hun geslachten; De eerstgeborene van IsmaŽl is Nebajot; dan volgen Kedar, Adbeel, Mibsam,
Gen. 25,14 Misma, Duma, Massa,
Gen. 25,15 Chadad, Tema, Jetur, Nafis en Kedema.
Gen. 25,16 Zo heten de zonen van IsmaŽl, afgaande op hun nederzet tingen en kampementen, twaalf vorsten van twaalf stammen.
Gen. 25,17 IsmaŽl bereikte de leeftijd van honderdzevenendertig jaar. Toen gaf hij de geest en stierf, en werd met zijn voorvaderen verenigd.
Gen. 25,18 De IsmaŽlieten woonden tussen Chawila en Sur, van vlak bij Egypte tot aan Assur toe. Al zijn broers trotserend had IsmaŽl daar vaste voet gekregen.
Gen. 25,19 Dit zijn de nakomelingen van Isaak, de zoon van Abraham. Abraham verwekte Isaak.
Gen. 25,20 Isaak was veertig jaar, toen hij Rebekka, de dochter van BetuŽl, de ArameeŽr uit Paddan-aram, de zuster van de ArameeŽr Laban, tot vrouw nam.
Gen. 25,21 Isaak bad tot Jahwe omdat zijn vrouw onvruchtbaar bleef. Jahwe verhoorde zijn gebed en zijn vrouw Rebekka werd zwanger.
Gen. 25,22 Toen echter de kinderen in haar schoot tegen elkaar stootten, dacht ze: `Als het zo gaat, wat staat mij dan te wachten?' Daarom ging zij Jahwe raadplegen.
Gen. 25,23 En Jahwe sprak tot haar: `Twee volken zijn het, die gij draagt; twee naties die uiteengaan reeds in uw schoot. Een van de twee zal machtiger zijn: de oudste dient de jongste.'
Gen. 25,24 Toen de tijd van de bevalling was gekomen, was er inderdaad een tweeling in haar schoot.
Gen. 25,25 De eerste die te voorschijn kwam was rossig en van top tot teen zo behaard als een mantel; hij kreeg de naam Esau.
Gen. 25,26 Na hem kwam zijn broer te voorschijn. Hij hield met zijn hand de hiel van Esau vast; om die reden kreeg hij de naam Jakob. Isaak was zestig jaar, toen zij geboren werden.
Gen. 25,27 Toen de jongens groot geworden waren, werd Esau een kundig jager, een man die er altijd op uit trok. Jakob daarentegen was een rustig man, die in zijn tenten bleef.
Gen. 25,28 Isaak had een voorkeur voor Esau, want hij at graag wildbraad; maar Rebekka hield meer van Jakob.
Gen. 25,29 Toen Jakob eens aan het koken was, kwam Esau uitgeput van een van zijn tochten terug.
Gen. 25,30 Hij zei tegen Jakob: `Geef mij eens gauw wat van die rode brij, want ik ben doodop.' Zo kreeg hij de naam Edom.
Gen. 25,31 Jakob antwoordde: `Dan moet je mij je eerstgeboorte recht verkopen.'
Gen. 25,32 Daarop zei Esau: `Man, ik ga dood, wat kan mij mijn eerstgeboorterecht schelen?'
Gen. 25,33 Jakob drong aan: `Zweer daar dan eerst een eed op.' En Esau legde de eed af en verkocht zo zijn eerstgeboorterecht aan Jakob.
Gen. 25,34 Toen gaf Jakob hem brood en linzenbrij. Hij at en dronk en ging weer weg. Zo weinig gaf Esau om zijn eerstgeboorterecht.

Gen. 26,1 Eens kwam er een hongersnood in het land - niet te verwarren met die uit de tijd van Abraham -, en Isaak begaf zich naar Abimelek, de koning van de Filistijnen, in Gerar.
Gen. 26,2 Hier verscheen hem Jahwe, die zei: `Trek niet naar Egypte, maar ga wonen in het land dat Ik u aanwijs.
Gen. 26,3 Vestig u in dit land hier, Ik zal met u zijn en u zegenen. Want aan u en aan uw nakomelingen zal Ik heel dit gebied geven, en Ik zal de eed gestand doen die Ik uw vader Abraham gezworen heb.
Gen. 26,4 Ik zal uw nakomelingen talrijk maken als de sterren aan de hemel, en aan uw nageslacht zal Ik heel dit gebied schenken. Door uw nakomelingen zal zegen komen over alle volken van de aarde,
Gen. 26,5 omdat Abraham geluisterd heeft naar mijn woord en zich heeft gehouden aan wat Ik hem voorhield, aan mijn geboden, verordeningen en wetten.'
Gen. 26,6 Zo kwam het dat Isaak zich in Gerar vestigde.
Gen. 26,7 Toen de burgers van die stad hem vragen stelden over zijn vrouw, zei hij: `Het is mijn zuster.' Hij durfde namelijk niet te zeggen dat het zijn vrouw was, want hij dacht: `Anders vermoorden de burgers van die stad mij omwille van Rebekka, want zij is een mooie vrouw.'
Gen. 26,8 Toen hij daar al geruime tijd woonde, keek Abimelek, de koning van de Filistijnen, eens door het venster naar binnen en zag tot zijn verbazing, dat Isaak zijn vrouw Rebekka aan het liefkozen was.
Gen. 26,9 Daarop ontbood Abimelek Isaak en zei tot hem: `Wat zie ik? Het is uw vrouw! Hoe hebt u dan kunnen zeggen dat het uw zuster is?' Isaak zei hem: `Ik was bang dat ik om haar mijn leven zou verliezen.'
Gen. 26,10 Toen zei Abimelek: `Hoe hebt u ons dat kunnen aandoen? Hoe licht had iemand van het volk met uw vrouw gemeenschap kunnen hebben, en dan had u schuld over ons gebracht.'
Gen. 26,11 En Abimelek gebood heel het volk: `Wie deze man of zijn vrouw te na komt, wordt onherroepelijk ter dood gebracht.'
Gen. 26,12 Isaak had in die streek gezaaid en hij oogstte dat jaar honderdvoudig, want Jahwe zegende hem.
Gen. 26,13 Hij werd steeds rijker en was ten slotte schatrijk.
Gen. 26,14 Hij bezat kudden schapen en runderen, en zoveel knechten dat de Filistijnen afgunstig op hem werden.
Gen. 26,15 Daarom verstopten de Filistijnen al de putten die de knechten van zijn vader Abraham indertijd gegraven hadden, en gooiden ze dicht met zand.
Gen. 26,16 En Abimelek zei tot Isaak: `Ga bij ons weg, want u bent ons veel te machtig geworden.'
Gen. 26,17 Toen trok Isaak daar weg. Hij sloeg zijn tent op in het dal van Gerar en bleef daar wonen.
Gen. 26,18 Hij groef de waterputten weer open, die men in de tijd van zijn vader Abraham gegraven had, en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgegooid. Hij gaf ze dezelfde namen die zijn vader ze gegeven had.
Gen. 26,19 Terwijl nu Isaaks knechten in het dal van Gerar aan het graven waren, stootten ze daar op een put met stromend water.
Gen. 26,20 Maar de herders van Gerar kregen onenigheid met die van Isaak; zij zeiden: `Dat water is van ons.' Daarom noemde hij die put Esek, omdat ze daar ruzie gemaakt hadden.
Gen. 26,21 Toen zij een andere put groeven, kregen zij ook daar over onenigheid; om die reden noemde hij hem Sitna.
Gen. 26,22 Daarop verliet hij die plaats en groef een andere put; daarover kregen ze geen ruzie meer. Die put gaf hij de naam Rechobot, want hij zei: `Nu heeft Jahwe ons ruimte gegeven, zodat wij kunnen groeien in dit land.'
Gen. 26,23 Vandaar trok hij naar Berseba.
Gen. 26,24 Op een nacht verscheen hem Jahwe en zei: `Ik ben de God van uw vader Abraham; vrees niet, want Ik sta u bij. Ik zal u zegenen en uw nakomelingen talrijk maken terwille van mijn dienaar Abraham.'
Gen. 26,25 Isaak richtte op die plaats een altaar op en riep de naam van Jahwe aan. Hij sloeg daar zijn tent op en zijn knechten groeven er een put.
Gen. 26,26 Nu ging Abimelek vanuit Gerar naar hem toe, in gezel schap van zijn vertrouweling Achuzzat en zijn legeroverste Pikol.
Gen. 26,27 Isaak vroeg hem: `Waarom komt u naar mij toe? U bent mij toch vijandig gezind en u hebt mij toch weggejaagd?'
Gen. 26,28 Zij antwoordden: `Wij zien nu duidelijk dat Jahwe met u is, en wij dachten dat het goed zou zijn een verdrag met u te sluiten. Laat ons een verbond aangaan,
Gen. 26,29 dat u ons geen kwaad zult doen; wij hebben het u ook niet lastig gemaakt, doch u enkel goed gedaan en u ongedeerd laten gaan. En nu rust Jahwe's zegen op u.'
Gen. 26,30 Hierop richtte Isaak voor hen een feestmaal aan en zij aten en dronken.
Gen. 26,31 De volgende ochtend legden zij beiden hun eed af. Toen deed Isaak hen uitgeleide en zij gingen als vrienden bij hem vandaan.
Gen. 26,32 Diezelfde dag kwamen de knechten van Isaak met het bericht dat zij een put gegraven hadden en zeiden: `Wij hebben water gevonden.'
Gen. 26,33 Hij noemde die plaats Siba; daarom heet die stad tot op heden Berseba.
Gen. 26,34 Toen Esau veertig jaar was, huwde hij Jehudit, de dochter van de Hethiet Beeri, en Basemat, de dochter van de Hethiet Elon.
Gen. 26,35 Deze vrouwen waren een kwelling voor Isaak en Rebekka.

Gen. 27,1 Isaak was oud geworden en zijn ogen werden zo zwak dat hij niet meer kon zien. Daarom riep hij zijn oudste zoon Esau bij zich en zei: `Mijn zoon.' Hij antwoordde: `Wat wilt u?'
Gen. 27,2 Isaak zei: `Hoor eens, ik ben een oud man en ik weet niet hoelang ik nog te leven heb.
Gen. 27,3 Neem daarom je wapens, je pijlkoker en je boog, ga erop uit en schiet een stuk wild voor mij.
Gen. 27,4 Maak dan een smakelijk maal gereed, zoals ik het graag heb, en dien het mij op, zodat ik ervan kan eten; daardoor zal ik de kracht krijgen om je mijn zegen te geven, voordat ik sterf.'
Gen. 27,5 Tijdens dat gesprek van Isaak met zijn zoon Esau had Rebekka staan luisteren. Zodra Esau erop uit was gegaan om een stuk wild voor zijn vader te schieten,
Gen. 27,6 zei Rebekka tot haar zoon Jakob: `Hoor eens, ik heb je vader tegen je broer Esau horen zeggen:
Gen. 27,7 Breng mij een stuk wild en maak een smakelijk maal voor mij gereed, zodat ik ervan kan eten; dan zal ik je met Jahwe's goedvinden mijn zegen kunnen geven, voordat ik sterf.
Gen. 27,8 Daarom, mijn zoon, moet je luisteren naar wat ik je zeg.
Gen. 27,9 Ga naar de kudden en haal daar twee malse geitebokjes; dan maak ik een smakelijk maal voor je vader, zoals hij dat graag heeft.
Gen. 27,10 Dat ga je dan aan je vader aanbieden, zodat hij ervan kan eten; daardoor zal hij de kracht krijgen om je zijn zegen te geven, voordat hij sterft.'
Gen. 27,11 Maar Jakob zei tot zijn moeder Rebekka: `Dat gaat niet; mijn broer Esau is ruigbehaard en ik helemaal niet.
Gen. 27,12 Als vader mij gaat betasten, denkt hij vast dat ik met hem spot, en in plaats van zegen zal ik dan vloek over mij doen komen.'
Gen. 27,13 Zijn moeder antwoordde hem: `Jongen, die vloek neem ik op me, luister naar mij en ga de bokjes halen.'
Gen. 27,14 Jakob ging ze dus halen en bracht ze aan zijn moeder; en zij maakte een smakelijk maal gereed, zoals zijn vader het graag had.
Gen. 27,15 Daarop haalde Rebekka de beste kleren van haar oudste zoon Esau, die zij in huis bewaarde, en liet haar jongste zoon Jakob die aantrekken.
Gen. 27,16 Over zijn handen en zijn gladde hals trok zij de vellen van de geitebokjes.
Gen. 27,17 Vervolgens gaf zij het smakelijke maal met het brood dat zij toebereid had haar zoon Jakob in handen.
Gen. 27,18 Die ging naar zijn vader toe en zei: `Vader.' Isaak antwoordde: `Ja, wie ben je, mijn zoon?'
Gen. 27,19 Jakob zei tot zijn vader: `Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan wat u mij opgedragen hebt. Ga overeind zitten en eet van mijn wildbraad, dan zult u de kracht krijgen om mij uw zegen te geven.'
Gen. 27,20 Maar Isaak zei tot zijn zoon: `Hoe heb je dat wild zo gauw kunnen vinden, mijn zoon?' Jakob gaf ten antwoord: `Jahwe, uw God, heeft het op mijn weg gebracht.'
Gen. 27,21 Daarop zei Isaak tot Jakob: `Kom eens wat dichterbij, ik wil je betasten, mijn zoon, om te zien of je werkelijk mijn zoon Esau bent.'
Gen. 27,22 Jakob kwam bij zijn vader Isaak staan. Deze betastte hem en zei: `De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Esau'.
Gen. 27,23 Hij herkende Jakob niet, omdat diens handen even behaard waren als die van zijn broer Esau. Toen was hij bereid hem zijn zegen te geven,
Gen. 27,24 en vroeg nog eens: `Ben jij werkelijk mijn zoon Esau?' Hij antwoordde: `Dat ben ik.'
Gen. 27,25 Toen sprak Isaak: `Dien dan maar op. Ik wil eten van het wildbraad van mijn zoon; dan zal ik de kracht krijgen om je mijn zegen te geven.' Jakob diende op en zijn vader begon te eten; daarna bracht hij hem wijn en hij dronk.
Gen. 27,26 Daarop sprak zijn vader Isaak tot hem: `Kom hier, mijn zoon, en kus mij.'
Gen. 27,27 Hij kwam naderbij en kuste hem. Toen Isaak de geur van zijn kleren rook, sprak hij over hem deze zegen uit: `Ja, de geur van mijn zoon is als de geur van een akker die door Jahwe is gezegend,
Gen. 27,28 Dauw van de hemel zal God je geven, vruchtbare grond, met overvloed van koren en most.
Gen. 27,29 Volken zullen je dienen naties voor je buigen; je moet heersen over je broers, en de zonen van je moeder moeten voor jou buigen! Wie jou vervloekt, hij zij vervloekt; wie jou zegent, hij zij gezegend!'
Gen. 27,30 Toen Isaak over Jakob deze zegen had uitgesproken, ging Jakob weg bij zijn vader Isaak. Op datzelfde ogenblik kwam zijn broer Esau van de jacht terug.
Gen. 27,31 Ook hij maakte een smakelijk maal gereed. Toen hij het binnenbracht, zei hij tot zijn vader: `Kom overeind, vader, en eet van het wildbraad van uw zoon; dan zult u de kracht krijgen om mij uw zegen te geven.'
Gen. 27,32 Zijn vader Isaak vroeg: `Wie ben je?' hij antwoordde: `Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Esau.'
Gen. 27,33 Isaak schrok hevig en riep uit: `Maar wie was dan degene die dat ander stuk wild had geschoten en het mij gebracht heeft? Juist voor jij binnenkwam heb ik daarvan gegeten. Hem heb ik mijn zegen gegeven en die zegen zal hij ook houden.'
Gen. 27,34 Toen Esau dat van zijn vader hoorde, brak hij in luide en bittere jammerklachten uit en smeekte zijn vader: `Vader, geef mij ook uw zegen!'
Gen. 27,35 Maar hij antwoordde: `Je broer is met een listige leugen bij mij aangekomen en heeft zich van jouw zegen meester gemaakt.'
Gen. 27,36 Toen zei Esau: `Terecht heet hij Jakob, want hij heeft mij nu al tweemaal bedrogen. Eerst heeft hij zich mijn eerstgeboorterecht toegeeigend en nu bovendien nog mijn zegen.' En hij drong aan: `Hebt u dan voor mij geen zegen meer?'
Gen. 27,37 Isaak antwoordde en zei tot Esau: `Ik heb hem nu eenmaal tot heerser over jou aangesteld, ik heb al zijn broers tot zijn dienstknechten gemaakt en koren en most aan hem gegeven. Wat kan ik nog doen voor jou, mijn zoon?'
Gen. 27,38 Maar Esau zei tot zijn vader: `Was dat dan uw enige zegen, vader? Vader, geef mij toch ook een zegen!' En Hij begon luid te jammeren.
Gen. 27,39 Daarop nam zijn vader Isaak het woord en zei: `Ver van de vruchtbare grond zul je wonen, ver van de dauw uit de hemel van boven.
Gen. 27,40 Van je zwaard zul je leven, en je broers zul je dienen. Maar als je je losrukt, schudt je zijn juk van je nek!'
Gen. 27,41 Esau was hevig op Jakob gebeten vanwege de zegen die zijn vader over hem had uitgesproken. En Esau zei bij zichzelf: `De tijd is niet ver meer dat er over mijn vader gerouwd wordt; dan ga ik mijn broer Jakob vermoorden.'
Gen. 27,42 Toen Rebekka te weten kwam wat haar oudste zoon Esau van plan was, riep zij haar jongste zoon Jakob bij zich en zei hem: `Je broer Esau zint op wraak en wil je vermoorden.
Gen. 27,43 Luister dus naar mij, mijn zoon. Maak je gereed en neem de wijk naar mijn broer Laban in Haran.
Gen. 27,44 Blijf daar een tijdlang tot de woede van je broer bekoeld is.
Gen. 27,45 Als zijn woede over is, zal ik iemand sturen om je terug te halen. Waarom zou ik jullie alle twee op een dag moeten verliezen?'
Gen. 27,46 Rebekka zei eens tot Isaak: `Het leven valt mij zwaar met die Hethitische vrouwen. Als Jakob nu ook nog trouwt met meisjes van hier, met die Hethitische, dan heb ik helemaal geen
Gen. 28,1 Toen liet Isaak Jakob bij zich komen, zegende hem en gaf hem deze opdracht: `Je moet niet trouwen met een meisje uit Kanašn.
Gen. 28,2 Ga op reis naar Paddan-aram, naar het huis van BetuŽl, de vader van je moeder en huw daar met een van de dochters van Laban, de broer van je moeder.
Gen. 28,3 Moge God Almachtig je zegenen en je vruchtbaar maken en talrijk, zodat je uitgroeit tot een grote menigte volken.
Gen. 28,4 Moge Hij aan jou en je nakomelingen de zegen van Abraham schenken, zodat je het land in bezit kunt nemen waar je nu als vreemdeling vertoeft, het land dat God aan Abraham gegeven heeft.'
Gen. 28,5 Zo liet Isaak Jakob gaan, en deze begaf zich op weg naar Paddan-aram, naar Laban, de zoon van de ArameeŽr BetuŽl en de broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau.
Gen. 28,6 Esau merkte dat Isaak Jakob met zijn zegen naar Paddan-aram gestuurd had om er een vrouw te zoeken; hij kwam te weten dat hij hem bij zijn zegen verboden had een Kanašnitische vrouw te huwen,
Gen. 28,7 en dat Jakob daarom volgens de wens van zijn vader en moeder naar Paddan-aram was gegaan.
Gen. 28,8 Zo merkte Esau dat de vrouwen uit Kanašn zijn vader Isaak niet bevielen.
Gen. 28,9 Daarom begaf hij zich naar IsmaŽl en nam naast de vrouwen die hij reeds had, ook nog Machalat, een dochter van Abrahams zoon IsmaŽl en een zuster van Nebajot, tot vrouw.
Gen. 28,10 Jakob vertrok uit Berseba en ging naar Haran.
Gen. 28,11 Op een bepaalde plaats gekomen, wilde hij daar over nachten, nadat de zon reeds was ondergegaan. Een van de stenen die daar lagen nam hij als hoofdkussen en viel op die plaats in slaap.
Gen. 28,12 Hij kreeg een droom en zag een ladder die op de aarde stond en waarvan de top tot in de hemel reikte. Langs die ladder gingen Gods engelen op en af.
Gen. 28,13 Ineens stond Jahwe bij hem en zei: `Ik ben Jahwe, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak. Het land, waar gij op ligt, zal Ik aan u en aan uw nakomelingen geven.
Gen. 28,14 Uw nageslacht zal zijn als het stof van de aarde; gij zult u uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden; door u en uw nakomelingen zal zegen komen over alle geslachten van de aarde.
Gen. 28,15 Ik ben met u; Ik zal u behoeden waar gij ook gaat, en u terugvoeren naar dit land. Want Ik zal u niet verlaten tot Ik mijn belofte heb vervuld.'
Gen. 28,16 Jakob werd wakker en riep uit: `Waarlijk, Jahwe is op deze plaats en ik wist het niet.'
Gen. 28,17 Hij werd bevreesd en zei: `Ontzagwekkend is deze plaats! Dit kan niet anders zijn dan het huis van God en de poort van de hemel.'
Gen. 28,18 De volgende morgen zette Jakob de steen waar hij met zijn hoofd op had gelegen, overeind als een wijsteen en goot er olie over uit.
Gen. 28,19 Hij noemde die plaats Betel; vroeger heette die stad Luz.
Gen. 28,20 Jakob legde de volgende gelofte af: `Als God met mij is en mij beschermt op de reis die ik nu onderneem, als hij mij voedsel geeft om te eten en kleding om mij te bedekken,
Gen. 28,21 en als ik behouden naar mijn ouderlijk huis terugkeer, dan zal Jahwe mijn God zijn.
Gen. 28,22 En deze steen, die ik als heilige steen opricht, zal het huis van God zijn; en van alles wat Gij mij schenkt, zal ik u tienden geven.'

Gen. 29,1 Toen Jakob zijn reis had hervat en verder trok naar het gebied van de Oosterlingen,
Gen. 29,2 zag hij op een gegeven ogenblik ergens in het veld een put. Drie kudden schapen lagen daar te wachten, omdat uit die put de kudden te drinken kregen. Op de put lag een grote steen,
Gen. 29,3 en pas als alle herders daar waren samengekomen, rolde men de steen van de opening; zodra men de schapen had laten drinken, legde men de steen weer op de put.
Gen. 29,4 Jakob vroeg hen: `Broeders, waar komt u vandaan?' Zij antwoordden: `Wij komen van Haran.'
Gen. 29,5 Hij vervolgde: `Kent u dan Laban, de zoon van Nachor?' Zij antwoordden: `Ja zeker.'
Gen. 29,6 Hij vroeg verder: `Hoe maakt hij het?' En zij antwoord den: `Uitstekend. Daar komt net zijn dochter Rachel aan met de schapen.'
Gen. 29,7 Toen zei hij: `Het is nog volop dag en nog lang geen tijd om de kudden bijeen te drijven: geef dus de schapen te drinken en laat ze dan nog wat grazen.'
Gen. 29,8 Zij zeiden: `Dat kunnen wij niet voordat alle schapen bijeen zijn: pas dan wordt de steen van de put afgerold en kunnen wij de schapen te drinken geven.'
Gen. 29,9 Hij stond nog met hen te praten, toen Rachel aankwam met de schapen van haar vader, want zij was herderin.
Gen. 29,10 Zodra Jakob Rachel zag, de dochter van zijn oom Laban, met de schapen van zijn oom, ging hij naar de put toe, rolde de steen weg en liet de schapen van zijn oom Laban drinken.
Gen. 29,11 Daarop kuste Jakob Rachel en weende luid.
Gen. 29,12 Toen Jakob Rachel bekend gemaakt had dat hij een bloed verwant van haar vader was, de zoon van Rebekka, ging rachel het gauw aan haar vader vertellen.
Gen. 29,13 Zodra Laban het nieuws over Jakob, de zoon van zijn zuster, gehoord had, liep hij vlug naar hem toe: hij omhelsde en kuste hem en nam hem mee naar huis. Daar vertelde Jakob Laban alles wat er gebeurd was.
Gen. 29,14 Toen zei Laban: `Waarlijk, jij bent mijn gebeente en mijn vlees.' En Jakob bleef een volle maand bij hem.
Gen. 29,15 Daarop zei Laban tot Jakob: `Al ben je van mijn familie, je hoeft toch niet voor niets bij mij te werken. Laat maar horen wat je wilt verdienen.'
Gen. 29,16 Nu had Laban twee dochters: de oudste heette Lea, de jongste Rachel.
Gen. 29,17 Lea had fletse ogen, Rachel was welgevormd en mooi,
Gen. 29,18 zodat Jakob verliefd was op Rachel. Daarom stelde hij voor: `Ik blijf zeven jaar bij u werken voor uw jongste dochter Rachel.'
Gen. 29,19 Laban zei: `Ik geef haar liever aan jou dan aan iemand anders; blijf dus maar bij mij.'
Gen. 29,20 Zo kwam het dat Jakob zeven jaar werkte om rachel te krijgen. Die jaren leken hem maar enkele dagen; zoveel hield hij van haar.
Gen. 29,21 Toen zei Jakob tot Laban: `Geef me mijn vrouw, want mijn tijd is om en ik wil met haar gaan samenleven.'
Gen. 29,22 Daarop nodigde Laban alle burgers van de stad uit en richtte een feestmaal aan.
Gen. 29,23 's Avonds echter bracht hij zijn dochter Lea bij Jakob; en deze had gemeenschap met haar.
Gen. 29,24 Laban schonk zijn slavin Zilpa aan zijn dochter Lea.
Gen. 29,25 De volgende morgen zag Jakob dat het Lea was. Nu zei hij tot Laban: `Wat hebt u nu met mij uitgehaald? Ik heb toch gewerkt om Rachel te krijgen? Waarom hebt u mij bedrogen?'
Gen. 29,26 Laban antwoordde: `Het is bij ons geen gewoonte, de jongste uit te huwelijken voor de oudste.
Gen. 29,27 Breng dus eerst met haar de bruiloftsweek door; de andere kun je ook krijgen, als je nog eens zeven jaar bij mij wilt werken.'
Gen. 29,28 Dat deed Jakob; hij bracht met Lea de bruiloftsweek door, en Laban gaf hem zijn dochter Rachel als vrouw.
Gen. 29,29 Laban schonk zijn slavin Bilha aan Rachel.
Gen. 29,30 Jakob had ook gemeenschap met Rachel; hij hield meer van haar dan van Lea. Zo werkte hij nog eens zeven jaar bij Laban.
Gen. 29,31 Toen Jahwe zag dat Lea minder bemind werd, opende Hij haar schoot, terwijl Rachel onvruchtbaar bleef.
Gen. 29,32 Lea werd zwanger, baarde een zoon en noemde hem Ruben; want, zei ze, `Jahwe heeft neergezien op mijn ellende; nu zal mijn man wel van mij gaan houden.'
Gen. 29,33 Zij werd opnieuw zwanger, baarde een zoon en zei: `Jahwe heeft gehoord dat ik minder bemind word; daarom heeft Hij mij ook dit kind gegeven.' En zij noemde hem Simeon.
Gen. 29,34 Zij werd nog eens zwanger, baarde weer een zoon en zei: `Ditmaal zal mijn man zich wel aan mij gaan hechten, want ik heb hem drie zonen geschonken.' Daarom kreeg hij de naam Levi.
Gen. 29,35 Zij werd nog eens zwanger, baarde een zoon en zei: `Ditmaal zal ik Jahwe prijzen.' Daarom noemde zij hem Juda. Daarna kreeg zij geen kinderen meer.

Gen. 30,1 Toen Rachel zag dat zij Jakob geen kinderen schonk, werd ze jaloers op haar zuster en zei tot Jakob: `Geef mij toch kinderen, anders ga ik dood.'
Gen. 30,2 Toen werd Jakob kwaad op Rachel en zei: `Neem ik soms de plaats in van God, die je geen kinderen laat krijgen?'
Gen. 30,3 Daarop zei ze: `Hier is mijn slavin Bilha; heb gemeen schap met haar; dan kan zij op mijn knieŽn baren en kan ik kinderen krijgen door haar.'
Gen. 30,4 Zij gaf hem dus haar slavin Bilha tot vrouw en Jakob had gemeenschap met haar.
Gen. 30,5 Bilha werd zwanger en schonk Jakob een zoon.
Gen. 30,6 Toen zei Rachel: `God heeft mij recht gedaan. Hij heeft mijn gebed verhoord en mij een zoon geschonken.' Daarom noemde zij hem Dan.
Gen. 30,7 Rachels slavin Bilha werd opnieuw zwanger en schonk Jakob een tweede zoon.
Gen. 30,8 Rachel zei: `Een harde strijd heb ik met mijn zuster gestreden en ik heb overwonnen.' Daarom noemde zij hem Naftali.
Gen. 30,9 Toen Lea merkte, dat ze geen kinderen meer kreeg, gaf zij haar slavin Zilpa aan Jakob als vrouw.
Gen. 30,10 En ook Zilpa, de slavin van Lea, schonk Jakob een zoon.
Gen. 30,11 Toen zei Lea: `Het geluk is gekomen.' Daarom noemde zij hem Gad.
Gen. 30,12 Lea's slavin Zilpa schonk Jakob een tweede zoon.
Gen. 30,13 Nu zei Lea: `Ik ben wel gelukkig, de meisjes zullen mij gelukkig prijzen.' Daarom noemde zij hem Aser.
Gen. 30,14 In de dagen van de tarweoogst ging Ruben er eens op uit en vond liefdesappels, ergens op het veld, en bracht die naar zijn moeder Lea. Nu zei Rachel tot Lea: `Geef mij ook een paar van die liefdesappels van je zoon.'
Gen. 30,15 Maar zij antwoordde: `Is het niet genoeg dat je me mijn man afneemt? Wil je nu ook nog beslag leggen op die liefdesappels van mijn zoon?' Rachel zei: `Als je mij de liefdesappels van je zoon geeft, mag Jakob vannacht bij jou slapen.' Toen Jakob dus 's avonds van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet
Gen. 30,16 en zei: `Je moet bij mij komen slapen, want ik heb eerlijk voor je betaald met de liefdesappels van mijn zoon.' Die nacht ging hij dus bij haar slapen.
Gen. 30,17 En God verhoorde Lea: zij werd zwanger en schonk Jakob een vijfde zoon.
Gen. 30,18 Toen zei Lea: `God heeft mij beloond, omdat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven.' Daarom noemde zij die zoon Issakar.
Gen. 30,19 Lea werd nog eens zwanger en schonk Jakob een zesde zoon.
Gen. 30,20 Toen zei Lea: `God heeft mij een mooi geschenk gegeven; ditmaal zal mijn man wel bij mij blijven, want ik heb hem zes zonen geschonken.' En zij noemde die zoon Zebulon.
Gen. 30,21 Daarna bracht zij nog een dochter ter wereld en noemde haar Dina.
Gen. 30,22 Toen dacht God aan Rachel: Hij verhoorde haar en opende haar schoot.
Gen. 30,23 Zij werd zwanger, baarde een zoon, en zei: `God heeft mijn schande weggenomen.'
Gen. 30,24 Zij noemde hem Jozef, daarbij denkend: `Moge Jahwe mij nog een zoon toevoegen.'
Gen. 30,25 Toen Rachel Jozef gebaard had, zei Jakob tot Laban: `Laat mij teruggaan naar mijn woonplaats en vaderland.
Gen. 30,26 Geef mij mijn vrouwen en kinderen voor wie ik bij u gewerkt heb, en laat mij gaan; u weet zelf hoe hard ik voor u gewerkt heb.'
Gen. 30,27 Maar Laban zei tot Jakob: `Je moet toch ook met mij rekening houden; ik heb uit tekenen opgemaakt dat Jahwe mij om jou gezegend heeft.'
Gen. 30,28 En hij voegde eraan toe: `Zeg maar welk loon je van mij wenst, en ik geef het.'
Gen. 30,29 Jakob antwoordde: `U weet zelf hoe hard ik voor u gewerkt heb en hoe het onder mijn beheer met uw kudde gegaan is.
Gen. 30,30 Voor mijn komst was uw bezit maar klein; het heeft zich sterk uitgebreid, omdat Jahwe u gezegend heeft, bij elke stap die ik zette. Wanneer zal ik nu eens voor mijn eigen gezin kunnen werken?'
Gen. 30,31 Daarop zei Laban: `Wat moet ik je geven?' Jakob antwoordde: `U hoeft mij niets te geven; ik ben bereid opnieuw uw kudde te hoeden, als u het volgende voorstel aanvaardt.
Gen. 30,32 Ga vandaag al uw kleinvee langs, zet alle gevlekte en gespikkelde dieren bijeen en zonder ook alle zwarte schapen af. Als loon wil ik enkel de gespikkelde en gevlekte geiten.
Gen. 30,33 U kunt mij vertrouwen; als u in de toekomst mijn loon in ogenschouw komt nemen, mogen alle geiten, niet gevlekt of gespikkeld en alle niet-zwarte schapen gelden als door mij gestolen.'
Gen. 30,34 Laban zei: `Goed, ik neem je voorstel aan.'
Gen. 30,35 Nog diezelfde dag zette Laban de gestreepte en gespikkelde bokken en alle gevlekte en gespikkelde geiten bijeen, alles waar maar iets wits aan was, en ook alle zwarte schapen. Hij vertrouwde die kudde toe aan zijn zonen.
Gen. 30,36 Hij bepaalde dat er tussen hem en Jakob een afstand van drie dagreizen moest blijven; en Jakob mocht alleen het kleinvee van Laban weiden dat nog over was.
Gen. 30,37 Toen haalde Jakob verse takken van populieren, amandel bomen en platanen, en bracht er witte strepen op aan, door het wit van de takken bloot te leggen.
Gen. 30,38 De takken die hij zo bewerkt had, legde hij vlak voor het kleinvee in de troggen en drinkbakken. De dieren waren namelijk gewoon te paren als ze daar kwamen drinken.
Gen. 30,39 De dieren die bij de takken gepaard hadden wierpen gestreepte, gevlekte en gespikkelde jongen.
Gen. 30,40 De aldus verkregen jongen hield Jakob apart; met deze gevlekte en zwarte dieren liet hij Labans kleinvee paren en op deze wijze vormde hij zich een eigen kudde, die hij niet bij Labans kudde liet komen.
Gen. 30,41 Alleen voor de sterke dieren die bronstig werden legde Jakob zijn takken in de troggen, om ze bij die takken te laten paren.
Gen. 30,42 Voor de zwakke dieren legde hij ze er niet in. Zodoende kreeg Laban alleen zwakke dieren en Jakob sterke.
Gen. 30,43 Zo werd Jakob buitengewoon rijk. Hij kreeg grote kudden, slavinnen en slaven, kamelen en ezels.

Gen. 31,1 Eens hoorde Jakob dat de zonen van Laban zeiden: `Jakob heeft onze vader heel zijn bezit afhandig gemaakt, ten koste van hem heeft hij al die rijkdom verworven.'
Gen. 31,2 Jakob zag aan het gezicht van Laban dat deze hem niet meer zo goed gezind was als vroeger.
Gen. 31,3 Toen sprak Jahwe tot Jakob: `Keer terug naar het land van uw vaderen en naar uw bloedverwanten; Ik zal met u zijn.'
Gen. 31,4 Daarop riep Jakob Rachel en Lea naar buiten bij zijn kudde,
Gen. 31,5 en zei hun: `Ik zie aan het gezicht van je vader dat hij me niet meer zo goed gezind is als vroeger; maar de God van mijn vader is nu eenmaal met mij geweest,
Gen. 31,6 en jullie weten goed dat ik naar beste vermogen voor je vader gewerkt heb,
Gen. 31,7 ofschoon hij me bedrogen en mijn loon wel tienmaal gewijzigd heeft. Maar God heeft niet toegelaten dat hij me benadeelde.
Gen. 31,8 Toen Laban vaststelde dat de gevlekte dieren mijn loon zouden uitmaken, wierp al het kleinvee gevlekte jongen; toen hij bepaalde dat de gestreepte dieren mijn loon zouden zijn, wierp al het kleinvee gestreepte jongen.
Gen. 31,9 Op deze wijze heeft God de dieren aan jullie vader ontnomen en ze aan mij gegeven.
Gen. 31,10 In de tijd dat het vee paarde zag ik plotseling in een droom, dat de bokken die de schapen en geiten besprongen gestreept, gespikkeld of gevlekt waren.
Gen. 31,11 In die droom sprak Gods engel tot mij: Jakob. En ik antwoordde: Hier ben ik.
Gen. 31,12 En Hij zei: Kijk rond, en zie hoe alle bokken die de schapen en de geiten bespringen gestreept, gespikkeld of gevlekt zijn. Want Ik heb gezien hoe Laban u steeds weer behandelt.
Gen. 31,13 Ik ben de God van Betel, waar gij een heilige steen met olie begoten hebt en mij een belofte hebt gedaan. Trek daarom weg uit dit land en keer terug naar uw geboortegrond.'
Gen. 31,14 Rachel en Lea antwoordden hem: `Wij krijgen of erven toch niets meer uit het vaderlijk huis.
Gen. 31,15 Vader beschouwt ons immers als vreemdelingen, want hij heeft ons verkocht en het geld bovendien nog opgemaakt.
Gen. 31,16 Maar het vermogen dat God aan vader ontnomen heeft, behoort geheel aan ons en onze kinderen. Doe dus maar wat God van je vraagt.'
Gen. 31,17 Toen maakte Jakob zich reisvaardig, liet zijn kinderen en vrouwen plaats nemen op de kamelen,
Gen. 31,18 voerde zijn hele veestapel en alle bezittingen die hij in Paddan-aram verworven had, met zich mee en begaf zich op weg naar zijn vader Isaak in Kanašn.
Gen. 31,19 Terwijl Laban afwezig was om de schapen te scheren, pakte Rachel de huisgoden van haar vader weg.
Gen. 31,20 Ook Jakob bedroog de ArameeŽr Laban door zijn vlucht voor hem verborgen te houden.
Gen. 31,21 Jakob ging op de vlucht met al zijn bezittingen; hij stak de rivier over en trok in de richting van het gebergte van Gilead.
Gen. 31,22 Op de derde dag kwam Laban te weten dat Jakob gevlucht was.
Gen. 31,23 Met zijn verwanten zette hij hem na, zeven dagreizen, en haalde hem tenslotte in bij het gebergte van Gilead.
Gen. 31,24 Maar in die nacht verscheen God aan de ArameeŽr Laban en zei hem: `Wacht u ervoor dreigementen te uiten tegen Jakob.'
Gen. 31,25 Toen Laban Jakob had ingehaald, sloeg deze zijn tenten op in het gebergte; ook Laban en de zijnen sloegen in het gebergte van Gilead hun tenten op.
Gen. 31,26 Laban zei toen tot Jakob: `Wat heeft je toch bezield om mij zo te bedriegen en mijn dochters als gevangenen mee te voeren?
Gen. 31,27 Waarom ben je heimelijk gevlucht, waarom heb je mij bedrogen en mij niets gezegd? Met gejubel en gezang, met tamboerijn en citer zou ik je uitgeleide hebben gedaan.
Gen. 31,28 Je hebt mij niet eens de kans gegeven mijn zonen en dochters vaarwel te kussen. Je gedrag is wel zonderling!
Gen. 31,29 Ik zou het je zeer lastig kunnen maken, maar de God van je vader heeft mij vannacht gewaarschuwd: Wacht u ervoor dreigementen te uiten tegen Jakob.
Gen. 31,30 Als je overigens vertrokken bent omdat je zo vurig naar je ouderlijk huis verlangt, waarom heb je dan mijn goden gestolen?'
Gen. 31,31 Jakob gaf Laban ten antwoord: `Ik was bang dat u mij anders uw dochters zou ontnemen.
Gen. 31,32 Maar als u bij een van ons uw goden vindt, zal die het er niet levend afbrengen. In het bijzijn van onze verwanten moet u maar kijken of ik iets van u heb, en dat nemen.' Jakob wist namelijk niet dat Rachel de huisgoden had gestolen.
Gen. 31,33 Laban ging dus Jacobs tent binnen, en ook die van Lea en van de beide slavinnen, maar hij vond niets. Van de tent van Lea ging hij naar die van Rachel.
Gen. 31,34 Rachel echter had de huisgoden in het zadel van haar kameel verstopt en was erop gaan zitten. Laban doorzocht de hele tent, zonder iets te vinden.
Gen. 31,35 Ze zei tot haar vader: `Mijn heer, neem mij niet kwalijk dat ik blijf zitten, want ik ben ongesteld.' Hoe hij ook zocht, hij vond de huisgoden niet.
Gen. 31,36 Toen werd Jakob kwaad; hij voer tegen Laban uit en zei: `Wat heb ik misdreven, wat voor kwaad heb ik gedaan, dat u mij zo verwoed achtervolgt?
Gen. 31,37 U hebt nu mijn hele huisraad doorzocht. Hebt u iets gevonden dat van u is? Leg het dan voor mijn en uw verwanten neer en laat hen zeggen wie van ons beiden gelijk heeft.
Gen. 31,38 Twintig jaar ben ik nu bij u geweest; uw schapen en geiten hebben geen misdracht gehad en van de rammen van uw kudde heb ik nooit gegeten.
Gen. 31,39 Wat door wilde dieren verscheurd was, heb ik niet bij u gebracht, maar ik heb het zelf vergoed. Uit mijn eigen bezit hebt u teruggeeist wat mij overdag of's nachts ontstolen werd.
Gen. 31,40 Overdag verging ik van de hitte,'s nachts van de kou, en ik heb mijn ogen geen slaap gegund.
Gen. 31,41 Twintig jaar heb ik nu in uw huis doorgebracht; veer tien jaar heb ik voor u gewerkt om uw twee dochters, zes jaar om uw vee; en wel tienmaal hebt u mijn loon gewijzigd.
Gen. 31,42 Als de God van mijn vader, de God van Abraham en de Gevreesde van Isaak, mij niet had bijgestaan, dan had u mij nu met lege handen weggestuurd. God heeft echter neergezien op mijn ellende en mijn zwoegen, en vannacht is hij tussenbeide gekomen.'
Gen. 31,43 Laban antwoordde Jakob: `Het gaat om mijn eigen dochters, mijn eigen kinderen en mijn eigen vee; al wat je hier ziet is wel van mij! Wat voor kwaad zou ik mijn eigen dochters of de kinderen die zij gebaard hebben willen aandoen?
Gen. 31,44 Kom, laat ons een verbond met elkaar sluiten, dan hebben wij beiden een bewijsstuk.'
Gen. 31,45 Toen zette Jakob een heilige steen overeind.
Gen. 31,46 En Jakob zei tot zijn verwanten: `Raap stenen bijeen.' Zij haalden stenen, maakten daar een steenhoop van, en hielden bij de steenhoop een maaltijd.
Gen. 31,47 Laban noemde hem Jegar-sahaduta, en Jakob noemde hem Galed.
Gen. 31,48 En Laban zei: `Deze steenhoop moet heden het bewijsstuk voor ons beiden zijn.' Daarom heet hij Gal-ed,
Gen. 31,49 en ook Mispa, omdat hij zei: `Moge Jahwe de wacht houden tussen mij en jou, wanneer wij uit elkaar zijn gegaan.
Gen. 31,50 Je mag mijn dochters niet slecht behandelen en geen andere vrouwen huwen. En al is er ook niemand die ons ziet, God is onze getuige.'
Gen. 31,51 En Laban zei tot Jakob: `Dit is de steenhoop, dit is de heilige steen, die ik heb opgericht tussen mij en jou.
Gen. 31,52 Bewijsstuk is deze steenhoop, bewijsstuk is deze gedenksteen: ik zal deze steenhoop nooit met kwade bedoelingen passeren om naar jou te komen en jij niet om naar mij te komen.
Gen. 31,53 De God van Abraham en de God van Nachor - de goden van hun vaders - mogen onze rechters zijn.' En Jakob legde zijn eed af bij de Gevreesde van zijn vader Isaak.
Gen. 31,54 Toen slachtte Jakob op de berg een offerdier en nodigde zijn verwanten bij de maaltijd uit. Na de maaltijd bleven zij op de berg overnachten.

Gen. 32,1 De volgende morgen kuste Laban zijn zonen en dochters vaarwel, gaf hun zijn zegen en keerde naar zijn woonplaats terug.
Gen. 32,2 Toen Jakob zijn reis voortzette, kwamen hem engelen van God tegemoet.
Gen. 32,3 En zodra hij die bemerkte, zei Jakob: `Het is hier de legerplaats van God.' Daarom noemde hij die plaats Machanaim.
Gen. 32,4 Nu zond Jakob boden voor zich uit naar zijn broer Esau in Seir, het gebied van Edom,
Gen. 32,5 met de opdracht: `Dit moeten jullie aan mijn heer Esau zeggen: Zo spreekt uw dienaar Jakob: Ik heb bij Laban gewoond en ben daar tot nu toe gebleven.
Gen. 32,6 Ik heb runderen, ezels en schapen, slaven en slavinnen verworven. Ik laat u dit weten om bij mijn heer een gunstig onthaal te vinden.'
Gen. 32,7 Bij hun terugkeer zeiden de boden tot Jakob: `We zijn bij uw broer Esau geweest; hij is nu al met vierhonderd man naar u onderweg.'
Gen. 32,8 Jakob schrok hevig, en in zijn angst verdeelde hij de mensen die bij hem waren, evenals de schapen, runderen en kamelen, in twee groepen.
Gen. 32,9 Hij dacht: `Als Esau op de ene groep afkomt en die neerslaat, dan kan de andere tenminste ontkomen.'
Gen. 32,10 En Jakob bad: `O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaak, Jahwe die mij gezegd hebt: Keer terug naar uw land en uw verwanten, en Ik zal u weldoen:
Gen. 32,11 uw dienaar is al uw gunstbewijzen en al uw blijken van trouw niet waardig. Ik had alleen maar een stok, toen ik de Jordaan hier overtrok, en nu ben ik tot twee groepen uitgegroeid.
Gen. 32,12 Maar red mij nu ook uit de greep van mijn broer Esau, want ik ben bang, dat hij mij met moeder en kinderen komt neer slaan.
Gen. 32,13 Gij hebt mij toch beloofd: Ik zal u met weldaden overladen, en uw nageslacht zal Ik maken als het zand aan de zee, zo talrijk dat het niet te tellen is.'
Gen. 32,14 En hij bracht daar de nacht door. Toen nam hij uit zijn bezit geschenken voor Esau:
Gen. 32,15 tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd schapen en twintig rammen,
Gen. 32,16 dertig zogende kamelen met hun jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten.
Gen. 32,17 Dat alles verdeelde hij in afzonderlijke kudden en vertrouwde die toe aan zijn knechten, met de opdracht: `Trek voor mij uit, maar met telkens een afstand tussen de kudden.'
Gen. 32,18 en hij beval aan de voorste: `Als mijn broer Esau je tegenkomt en je vraagt bij wie je hoort, waarheen je gaat en van wie de dieren zijn die je voor je uitdrijft,
Gen. 32,19 dan moet je zeggen: Van uw dienaar Jakob; zij zijn een geschenk voor mijn heer Esau. Hij zelf komt achter ons aan.'
Gen. 32,20 Aan de tweede en de derde en aan allen die de leiding van de kudden hadden, gaf hij eveneens opdracht: `Zeg Esau hetzelfde, als jullie hem tegenkomen.
Gen. 32,21 Zeg hem: Uw dienaar Jakob komt achter ons aan.' Want hij dacht: `Laat ik hem gunstig stemmen door geschenken te sturen; als ik hem daarna onder de ogen kom, zal hij mij misschien vriendelijk ontvangen.'
Gen. 32,22 Zo gingen de geschenken vooruit, terwijl hijzelf die nacht nog in het kamp bleef.
Gen. 32,23 Maar tijdens die nacht stond hij op en stak met zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn elf kinderen het wed van de Jabbok over.
Gen. 32,24 Toen Jakob hen met zijn bezittingen over de rivier gebracht had,
Gen. 32,25 bleef hij alleen achter. En een man worstelde met hem, tot het aanbreken van de dageraad.
Gen. 32,26 Toen de man gewaar werd dat hij Jakob niet aankon, stootte hij hem bij de worsteling boven tegen de heup, zodat die ontwricht werd.
Gen. 32,27 Daarop zei de man: `Laat mij gaan, want de dageraad is aangebroken.' Maar hij antwoordde: `Ik laat u niet gaan, wanneer gij mij niet zegent.'
Gen. 32,28 Hij vroeg: `Hoe is uw naam?' Hij gaf ten antwoord: `Jakob.'
Gen. 32,29 Toen zei hij: `Voortaan zult gij geen Jakob meer heten, maar IsraŽl, want gij hebt met God gestreden en met mensen en gij hebt hen overwonnen.'
Gen. 32,30 Nu vroeg Jakob: `Maak mij uw naam bekend.' Maar hij zei: `Waarom vraagt ge naar mijn naam?' Toen gaf hij hem ter plaatse zijn zegen.
Gen. 32,31 Jakob noemde die plaats Peniel, `want - zo zei hij - ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en ik ben toch in leven gebleven.'
Gen. 32,32 De zon ging op, zodra hij Peniel voorbij was. Sindsdien was hij mank aan zijn heup.
Gen. 32,33 Vandaar dat de IsraŽlieten tot op de huidige dag de spier die boven aan de heup ligt niet eten, omdat God Jakob boven tegen de heup, tegen de spier van het heupgewricht had gestoten.

Gen. 33,1 Toen Jakob opkeek, zag hij Esau met vierhonderd man op zich afkomen. Hij verdeelde zijn kinderen over Lea en Rachel en de twee slavinnen.
Gen. 33,2 De slavinnen met hun kinderen zette hij voorop, dan Lea met haar kinderen, en tenslotte Rachel met Jozef achteraan.
Gen. 33,3 Zelf ging hij voor hen uit en boog zevenmaal tot op de grond, tot hij bij zijn broer kwam.
Gen. 33,4 Esau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem, en zij werden beiden tot tranen toe bewogen.
Gen. 33,5 Toen Esau opkeek en de vrouwen en kinderen zag, vroeg hij: `Wie zijn dat daar?' Jakob antwoordde: `Het zijn de kinderen die God uw dienaar geschonken heeft.'
Gen. 33,6 Toen kwamen de slavinnen met haar kinderen naderbij en bogen diep.
Gen. 33,7 Ook Lea met haar kinderen trad naderbij en boog diep; ten slotte kwamen Jozef en Rachel en ze bogen diep.
Gen. 33,8 Toen sprak hij: `Wat moeten toch al die kudden die mij tegemoet zijn gekomen?' Hij antwoordde: `Ik wilde mijn heer gunstig stemmen.'
Gen. 33,9 Maar Esau zei: `Ik ben rijk genoeg, mijn broer; wat van u is moet van u blijven.'
Gen. 33,10 Maar Jakob drong aan: `Geen sprake van! Als u mij werkelijk goed gezind bent, neem dan dit geschenk van mij aan. Ik heb tegen u opgezien, zoals men tegen God opziet, maar u hebt mij welwillend ontvangen.
Gen. 33,11 Aanvaard toch het huldeblijk dat ik u aanbied; God is goed voor mij geweest, zodat mij niets ontbreekt.' Toen hij zo bleef aandringen, nam Esau het aan.
Gen. 33,12 Toen zei deze: `Laten wij verder trekken; ik zal voor u uitgaan.'
Gen. 33,13 Maar Jakob zei hem: `Mijn heer weet, hoe teer de kinderen zijn. Ook heb ik nog zogende schapen en runderen bij me; als die dieren een dag teveel opgejaagd worden, bezwijken ze.
Gen. 33,14 Laat mijn heer voor zijn dienaar uitgaan; dan zal ik op mijn gemak mijn tocht vervolgen, en mij schikken naar het vee dat voorop gaat en naar de kinderen, totdat ik mijn heer in Seir treft.'
Gen. 33,15 Toen zei Esau: `Dan zal ik enige van mijn mensen bij u achterlaten.' Maar hij antwoordde: `Waarom toch? Ik ben al blij dat mijn heer zo welwillend voor mij is geweest.'
Gen. 33,16 Daarop aanvaardde Esau nog diezelfde dag de terugtocht naar Seir.
Gen. 33,17 Jakob echter trok de richting van Sukkot uit; daar bouwde hij een huis voor zichzelf, en voor zijn vee maakte hij hutten. Zo heeft die plaats de naam Sukkot gekregen.
Gen. 33,18 Vanuit Paddan-aram kwam Jakob behouden aan in de stad Sichem, in Kanašn; hij sloeg zijn tenten op ten oosten van de stad.
Gen. 33,19 Hij wist van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd geldstukken het land te kopen waarop hij zijn tent had neergezet.
Gen. 33,20 Hij richtte daar een altaar op en noemde het: `De God van IsraŽl is God.'

Gen. 34,1 Dina, de dochter die Lea aan Jakob geschonken had, was eens op bezoek gegaan bij de meisjes van de streek.
Gen. 34,2 Toen Sichem, de zoon van de Chiwwiet Hemor, de vorst van het land, haar gezien had, ontvoerde hij haar, ging bij haar liggen en onteerde haar.
Gen. 34,3 Hij verloor zijn hart aan Jakobs dochter Dina; hij hield veel van het meisje en zocht haar genegenheid te winnen.
Gen. 34,4 Daarom zei hij tot zijn vader Hemor: `Zorg dat het meisje mijn vrouw wordt.'
Gen. 34,5 Nu had Jakob wel gehoord dat zijn dochter Dina onteerd was, maar omdat zijn zonen buiten bij de kudde verbleven, zei hij er niets van tot zij weer thuis waren.
Gen. 34,6 Hemor, de vader van Sichem, kwam met Jakob onderhandelen.
Gen. 34,7 Zodra Jakobs zonen van de zaak hoorden, kwamen zij van buiten terug. Zij voelden zich beledigd en waren woedend, want door het samenzijn met Jakobs dochter had Sichem een schanddaad in IsraŽl begaan, iets ongehoords.
Gen. 34,8 Hemor sprak met hen en zei: `Mijn zoon Sichem is hevig verliefd op uw dochter; ik verzoek u haar aan hem ten huwelijk te geven.
Gen. 34,9 Knoop familiebanden met ons aan. Als u ons uw dochters ten huwelijk geeft, kunt u die van ons krijgen.
Gen. 34,10 U kunt ook bij ons blijven wonen: het land ligt voor u open. Blijf maar hier; u kunt rondtrekken of ergens gaan wonen.'
Gen. 34,11 En Sichem zei tot Dina's vader en tot haar broers: `Als u mij terwille bent, kunt u van mij krijgen wat u wenst.
Gen. 34,12 Al stelt u de bruidsprijs en het geschenk nog zo hoog, ik betaal wat u vraagt, als u mij het meisje maar geeft.'
Gen. 34,13 Toen gaven Jakobs zonen, wier zuster Dina onteerd was, aan Sichem en aan zijn vader Hemor dit arglistige antwoord:
Gen. 34,14 `Dat kunnen wij niet doen; wij kunnen onze zuster niet aan een onbesnedene geven, want dat is een schande voor ons.
Gen. 34,15 Slechts op een voorwaarde kunnen wij u terwille zijn: u moet worden zoals wij, en al uw mannen moeten zich laten besnijden.
Gen. 34,16 Dan zullen wij u onze dochters ten huwelijk geven en kunnen wij die van u nemen; dan blijven wij bij u wonen en worden samen een volk.
Gen. 34,17 Als u zich echter niet wilt laten besnijden, dan nemen wij onze dochter mee terug en gaan heen.'
Gen. 34,18 Hun voorstel beviel Hemor en zijn zoon Sichem;
Gen. 34,19 en de jonge man trachtte het onmiddellijk ten uitvoer te brengen, want hij had zijn zinnen gezet op Jakobs dochter en genoot veel aanzien in zijn ouderlijk huis.
Gen. 34,20 Hemor en zijn zoon Sichem begaven zich dus naar de stadspoort en richtten het woord tot de burgers van hun stad. Zij zeiden:
Gen. 34,21 `Deze mensen zijn ons goed gezind. Zij mogen in het land blijven wonen en er rondtrekken; er is immers ruimte genoeg voor hen in het land. Wij kunnen hun dochters tot vrouw nemen en hun onze dochters geven.
Gen. 34,22 Maar slechts op een voorwaarde zijn deze mensen bereid bij ons te blijven en met ons een volk te vormen: al onze mannen moeten zich laten besnijden, want zij zijn zelf ook besneden.
Gen. 34,23 Hun bezit, hun goederen en hun vee zullen ons eigendom worden. Laten we dus op hun voorstel ingaan; dan blijven zij bij ons.'
Gen. 34,24 Allen die toegang hadden tot de stadspoort gaven gehoor aan Hemor en zijn zoon Sichem en lieten zich besnijden.
Gen. 34,25 Maar op de derde dag, toen zij hevige pijn hadden, grepen Simeon en Levi, de twee zonen van Jakob die broers van Dina waren, naar hun zwaard, overvielen de op niets verdachte stad en vermoordden alle mannen.
Gen. 34,26 Ook Hemor en zijn zoon Sichem doodden zij met het zwaard. Daarop haalden ze Dina uit Sichems huis en trokken af.
Gen. 34,27 De zonen van Jakob stortten zich op de verslagenen en plunderden de stad, omdat men hun zuster onteerd had.
Gen. 34,28 Schapen, runderen en ezels, al wat in de stad of op het land was, maakten zij buit.
Gen. 34,29 Al wat zij bezaten, al hun kleine kinderen en hun vrouwen, namen zij gevangen en zij plunderden de huizen leeg.
Gen. 34,30 Toen zei Jakob tegen Simeon en Levi: `Jullie hebben mij in grote moeilijkheden gebracht door mij in opspraak te brengen bij de bewoners van het land, de Kanašnieten en Perizzieten. Ik heb maar weinig mannen tot mijn beschikking. Als zij gezamenlijk tegen mij optrekken, verslaan ze mij en brengen ze mij om, met mijn gezin.'
Gen. 34,31 Maar zij zeiden: `Moest hij dan onze zuster als een lichte vrouw behandelen?'

Gen. 35,1 God zei tot Jakob: `Trek naar Betel en vestig u daar. Richt er een altaar op voor de God die u verschenen is, toen gij vluchtte voor uw broer Esau.'
Gen. 35,2 Jakob sprak toen tot zijn gezin en tot allen die met hem meetrokken: `Doe de vreemde goden weg die jullie bij je hebben, reinig je en trek andere kleren aan.
Gen. 35,3 Wij gaan naar Betel; ik wil daar een altaar oprichten voor de God die mij verhoord heeft, toen ik in moeilijkheden verkeerde, en die mij beschermd heeft op mijn reis.'
Gen. 35,4 Toen gaven zij aan Jakob al de vreemde goden die zij hadden, en ook de oorringen die ze droegen; en Jakob begroef alles onder de terebint bij Sichem.
Gen. 35,5 Toen zij opbraken, werden de steden in de omtrek door God met schrik geslagen, zodat zij de zonen van Jakob niet durfden achtervolgen.
Gen. 35,6 toen Jakob met al zijn mensen te Luz - of Betel - in Kanašn was aangekomen,
Gen. 35,7 bouwde hij daar een altaar en noemde de plaats `God van Betel', omdat God zich daar aan hem geopenbaard had, toen hij op de vlucht was voor zijn broer.
Gen. 35,8 Daarna stierf Debora, de voedster van Rachel; zij werd begraven ten zuiden van Betel, onder de eik die Allon-bakut genoemd wordt.
Gen. 35,9 Toen Jakob uit Paddan-aram terugkeerde, verscheen God hem opnieuw en sprak deze zegen over hem uit:
Gen. 35,10 `Uw naam is Jakob; voortaan zult gij echter geen Jakob meer heten, maar IsraŽl.' Zo gaf Hij hem de naam IsraŽl.
Gen. 35,11 Ook sprak God tot hem: `Ik ben God Almachtig. Wees vruchtbaar en word talrijk, een volk, een menigte van volken zal uit u voortkomen, en koningen zullen uit uw lenden uitgaan.
Gen. 35,12 Het land dat Ik aan Abraham en Isaak heb gegeven, geef Ik aan u en ook aan uw nakomelingen.'
Gen. 35,13 God steeg op van de plaats waar Hij met hem gesproken had.
Gen. 35,14 Op de plaats waar God met Jakob had gesproken, richtte deze een heilige steen op; op deze steen goot hij een plengoffer van olie uit.
Gen. 35,15 Aan de plaats waar God tot hem gesproken had gaf Jakob de naam Betel.
Gen. 35,16 Na hun vertrek uit Betel, even voor Efrata, bracht Rachel een kind ter wereld. De bevalling was moeilijk.
Gen. 35,17 Tijdens die zware bevalling zei de vroedvrouw tot haar: `Wees maar niet bang, want u krijgt weer een zoon.'
Gen. 35,18 Toen het leven van haar week en zij op sterven lag, noemde zij hem Ben-oni; maar zijn vader gaf hem de naam Benjamin.
Gen. 35,19 Toen Rachel gestorven was, werd zij begraven langs de weg naar Efrata of Betlehem.
Gen. 35,20 Jakob plaatste een gedenkteken op haar graf; deze gedenksteen op het graf van Rachel staat er vandaag nog.
Gen. 35,21 Toen trok IsraŽl verder, en hij sloeg even voorbij Migdal-eder zijn tent op.
Gen. 35,22 Terwijl IsraŽl in dat gebied verbleef, had Ruben gemeenschap met Bilha, de bijvrouw van zijn vader; en IsraŽl kwam dat te weten. Jakobs zonen waren twaalf in getal.
Gen. 35,23 De zonen van Lea waren Ruben, Jakobs eerstgeboren. Simeon, Levi, Juda, Issakar en Zebulon.
Gen. 35,24 De zonen van Rachel waren Jozef en Benjamin.
Gen. 35,25 De zonen van Bilha, de slavin van Rachel, waren Dan en Naftali.
Gen. 35,26 De zonen van Zilpa, de slavin van Lea, waren Gad en Aser. Dat zijn de zonen van Jakob, die in Paddan-aram geboren zijn.
Gen. 35,27 Jakob begaf zich naar zijn vader Isaak, te Mamre bij Kirjat-arba - ook Hebron geheten -, de woonplaats van Abraham en Isaak.
Gen. 35,28 Toen Isaak honderdtachtig jaar was,
Gen. 35,29 gaf hij de geest en stierf; oud en verzadigd van jaren werd hij met zijn voorvaderen verenigd; zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem.

Gen. 36,1 Dit zijn de nakomelingen van Esau, ook Edom geheten.
Gen. 36,2 Esau was gehuwd met Kanašnitische vrouwen, met Ada, een dochter van de Hethiet Elon, met Oholibama, een dochter van Ana, de zoon van de Chiwwiet Sibon,
Gen. 36,3 en met Basemat, een dochter van IsmaŽl en een zuster van Nebajot.
Gen. 36,4 Ada schonk Esau Elifaz; Basemat schonk hem ReuŽl,
Gen. 36,5 en Oholibama schonk hem Jeus, Jalam en Korach. Dat zijn de zonen van Esau, die in Kanašn geboren werden.
Gen. 36,6 Esau nu verliet zijn broer Jakob, met zijn vrouwen, zonen en dochters en al zijn huisgenoten, met zijn bezittingen, met al zijn vee en alle eigendommen die hij in Kanašn verworven had, en trok naar een ander land.
Gen. 36,7 Hun bezit was zo groot, dat zij niet bij elkaar konden blijven; het land waar ze rondzwierven, kon hen en hun kudden niet onderhouden.
Gen. 36,8 Esau - ofwel Edom - vestigde zich in het Seirgebergte.
Gen. 36,9 Dit zijn de nakomelingen van Esau, de vader van Edom, in het Seirgebergte.
Gen. 36,10 De namen van Esau's zonen zijn Elifaz, zoon van Esau's vrouw Ada, en ReuŽl, de zoon van Esau's vrouw Basemat.
Gen. 36,11 Elifaz' zonen zijn Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenaz.
Gen. 36,12 Timna, een bijvrouw van Esau's zoon Elifaz, baarde Amalek. Dat zijn de zonen van Esau's vrouw Ada.
Gen. 36,13 ReuŽls zonen zijn Nachat, Zerach, Samma en Mizza. Dat zijn de zonen van Esau's vrouw Basemat.
Gen. 36,14 Zonen van Esau's vrouw Oholibama, de dochter van Ana, de zoon van Sibon, zijn Jeus, Jalam en Korach.
Gen. 36,15 Dit zijn de stamhoofden van de zonen van Esau. De zonen van Elifaz, Esau's eerstgeborene, zijn de stamhoofden Teman, Omar, Sefo, Kenaz,
Gen. 36,16 Korach, Gatam en Amalek; deze zonen van Ada zijn de stamhoofden van Elifaz in Edom.
Gen. 36,17 Zonen van Esau's zoon ReuŽl zijn de stamhoofden Nachat, Zerach, Samma en Mizza; deze zonen van Esau's vrouw Basemat zijn de stamhoofden van ReuŽl in Edom.
Gen. 36,18 Zonen van Esau's vrouw Oholibama zijn de stamhoofden Jeus, Jalam en Korah; dit zijn de stamhoofden van Esau's vrouw Oholibama, dochter van Ana.
Gen. 36,19 Dat zijn dus de zonen van Esau of Edom, en dat zijn hun stamhoofden.
Gen. 36,20 Dit zijn de zonen van de Churriet Seir, de oorspronkelijke bewoners van het land: Lotan, Sobal, Sibon, Ana,
Gen. 36,21 Dison, Eser en Disan. Dit zijn de stamhoofden van de Churrieten, de zonen van Seir, in Edom.
Gen. 36,22 Zonen van Lotan zijn Chori en Hemam; Timna is Lotans zuster.
Gen. 36,23 Zonen van Sobal zijn Alwan, Manachat, Ebal, Sefo en Onam.
Gen. 36,24 Zonen van Sibon zijn Ajja en Ana; deze laatste ontdekte de hete bronnen in de woestijn, toen hij de ezels van zijn vader Sibon weidde.
Gen. 36,25 Zonen van Ana zijn Dison en Oholibama, eigenlijk Ana's dochter.
Gen. 36,26 Zonen van Dison zijn Chemdan, Esban, Jitram en Keran.
Gen. 36,27 Zonen van Eser zijn Bilhan, Zaawan en Akan.
Gen. 36,28 Zonen van Disan zijn Us en Aran.
Gen. 36,29 Zij allen zijn stamhoofden van de Churrieten: Lotan, Sobal, Sibon, Ana,
Gen. 36,30 Dison, Eser en Disan. Dat zijn de stamhoofden van de verschillende Churrietenstammen in Seir.
Gen. 36,31 En dit zijn de koningen, die in Edom geregeerd hebben, voordat de IsraŽlieten een koning hadden.
Gen. 36,32 Koning in Edom was Bela, zoon van Beor; zijn stad heette Dinhaba.
Gen. 36,33 Bela werd na zijn dood opgevolgd door Jobab, zoon van Zerach, uit Bosra.
Gen. 36,34 Jobab werd na zijn dood opgevolgd door Chusam, uit het gebied van de Temanieten.
Gen. 36,35 Chusam werd na zijn dood opgevolgd door Hadad, zoon van Bedad, die Midjan in de vlakte van Moab verslagen heeft; zijn stad heette Awit.
Gen. 36,36 Hadad werd na zijn dood opgevolgd door Samla, uit Masreka.
Gen. 36,37 Samla werd na zijn dood opgevolgd door Saul, uit Recho bot aan de rivier.
Gen. 36,38 Saul werd na zijn dood opgevolgd door Bašl-chanan, zoon van Akbor,
Gen. 36,39 Bašl-chanan, zoon van Akbor, werd na zijn dood opge volgd door Hadad; zijn stad heette Pau; zijn vrouw heette Meheta bel; zij was een dochter van Matred, de dochter van Me-zahab.
Gen. 36,40 Dit zijn de namen van Esau's stamhoofden, gerangschikt naar familie, woonplaats en naam: Timna, Alwa, Jetet,
Gen. 36,41 Oholibama, Ela, Pinon,
Gen. 36,42 Kenaz, Teman, Mibsar,
Gen. 36,43 Magdiel en Iram. Dat zijn de stamhoofden van Edom met de woonplaatsen die ze in het land bezetten. Dat is de stam van Esau, de vader van de Edomieten.

Gen. 37,1 Jakob woonde in Kanašn, waar ook zijn vader rondgetrokken had.
Gen. 37,2 Dit is de geschiedenis van Jakob. Jozef was een jongeman van zeventien jaar, toen hij met zijn broers, de zonen van Bilha en Zilpa, de vrouwen van zijn vader, de kudde hoedde. Hij bracht de kwade geruchten die over zijn broers in omloop waren aan hun vader over.
Gen. 37,3 IsraŽl hield meer van Jozef dan van al zijn andere zonen, omdat hij hem nog op zijn oude dag had gekregen. Hij had voor hem een prachtig kleed laten maken.
Gen. 37,4 De broers bemerkten dat hun vader meer van Jozef hield dan van hen, en zij gingen hem zo haten dat ze geen goed woord meer voor hem over hadden.
Gen. 37,5 Eens had Jozef een droom. Hij vertelde die aan zijn broers en daardoor gingen zij hem nog meer haten.
Gen. 37,6 Hij zei: `Hoor toch eens wat voor droom ik gehad heb.
Gen. 37,7 Wij waren aan het schoven binden op het veld. Mijn schoof kwam overeind en bleef rechtop staan; jullie schoven kwamen er omheen staan en bogen voor mijn schoof.'
Gen. 37,8 Zijn broers zeiden: `Wou je soms koning over ons worden of over ons heersen?' Zo raakten ze steeds heviger op hem gebeten vanwege de dromen die hij vertelde.
Gen. 37,9 Later had hij nog een droom en ook die vertelde hij aan zijn broers. `Ik heb weer een droom gehad,' zei hij. `Ik zag dat de zon, de maan en elf sterren zich voor mij bogen.'
Gen. 37,10 Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, gaf zijn vader hem een berisping. Hij zei: `Wat moet dat met die droom van jou? Moeten ik, je moeder en je broers zich soms voor jou ter aarde buigen?'
Gen. 37,11 Daardoor werden zijn broers nog afgunstiger op hem, maar zijn vader onthield het gebeurde.
Gen. 37,12 Eens waren zijn broers bij Sichem de kudden van hun vader gaan weiden,
Gen. 37,13 toen IsraŽl tot Jozef zei: `Je weet dat je broers de kudde weiden bij Sichem. Zou je niet naar hen toe willen gaan?' Hij antwoordde: `Dat wil ik graag doen.'
Gen. 37,14 IsraŽl zei: `Ga dan eens kijken of alles in orde is met je broers en met het vee, en kom het mij dan vertellen.' Zo liet hij hem uit het dal van Hebron vertrekken. Toen hij in de buurt van Sichem kwam
Gen. 37,15 en daar buiten aan het ronddwalen was, kwam iemand op hem af en vroeg hem: `Wat zoekt u?'
Gen. 37,16 Hij antwoordde: `Ik ben op zoek naar mijn broers. Kunt u mij misschien zeggen waar zij hun kudde weiden?'
Gen. 37,17 De man antwoordde: `Ze zijn van hier vertrokken en ik heb ze horen zeggen: Laten we naar Dotan gaan.' Jozef ging daarop zijn broers achterna en vond hen inderdaad in Dotan.
Gen. 37,18 Zij hadden hem al in de verte zien aankomen, en voor hij bij hen was, smeedden zij het plan om hem te doden.
Gen. 37,19 Ze zeiden tot elkaar: `Daar komt hij aan, de grote dromer!
Gen. 37,20 Nu hebben we de kans. We vermoorden hem en gooien hem in een put. We kunnen zeggen dat een wild beest hem verslonden heeft. Dan zullen we eens kijken wat er van zijn dromen terecht komt!'
Gen. 37,21 Toen Juda dit hoorde, probeerde hij hem uit hun handen te redden en zei: `We mogen hem niet doden.'
Gen. 37,22 Ruben zei tot hen: `Vergiet toch geen bloed! Ginds in de steppe is een put; gooi hem daarin, maar sla niet de hand aan hem.' Hij wilde hem uit hun handen redden en bij zijn vader terugbrengen.
Gen. 37,23 Zodra Jozef bij zijn broers kwam, trokken zij hem het kleed uit, het prachtige kleed dat hij droeg,
Gen. 37,24 grepen hem en wierpen hem in de put. De put was leeg en er stond geen water in.
Gen. 37,25 Terwijl ze zaten te eten, zagen zij ineens een karavaan van IsmaŽlieten, die van Gilead kwam. De kamelen waren beladen met gom, balsem en hars; zij waren op weg naar Egypte om de koopwaar daar af te leveren.
Gen. 37,26 Nu zei Juda tot zijn broers: `Wat hebben we eraan, die broer van ons te vermoorden en zijn bloed te bedekken!
Gen. 37,27 Laten wij hem liever aan de IsmaŽlieten verkopen en niet de hand aan hem slaan; hij is toch een broer van ons, ons eigen vlees.' Zijn broers stemden daarmee in.
Gen. 37,28 Toen Midjanitische kooplieden voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sikkel zilver aan de IsmaŽlieten. De kooplieden voerden Jozef naar Egypte.
Gen. 37,29 Toen Ruben weer bij de put kwam en merkte dat Jozef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren.
Gen. 37,30 Hij kwam terug bij zijn broers en zei: `De jongen is weg! Wat moet ik nu beginnen?'
Gen. 37,31 Zij namen het prachtige kleed van Jozef, slachtten een geitebokje en doopten het kleed in het bloed.
Gen. 37,32 Toen lieten zij het naar hun vader brengen met de boodschap: `Dit hebben we gevonden. Kijk eens goed. Is het misschien het kleed van uw zoon?'
Gen. 37,33 Hij herkende het en zei: `Het is het kleed van mijn zoon; een wild dier heeft hem verslonden. Jozef is vast en zeker verscheurd.'
Gen. 37,34 En Jakob scheurde zijn kleren, deed een zak om zijn lenden en treurde lange tijd om zijn zoon.
Gen. 37,35 Al zijn zonen en dochters deden hun best om hem te troosten, maar hij liet zich niet troosten en zei: `Treurend daal ik af naar mijn zoon in het dodenrijk.' En zijn vader bleef hem bewenen.
Gen. 37,36 Intussen hadden de Midjanieten Jozef in Egypte verkocht aan een zekere Potifar, een hoveling van Farao, de overste van de lijfwacht.

Gen. 38,1 In die tijd trok Juda van zijn broers weg en nam zijn intrek bij een man in Adullam, Chira genaamd.
Gen. 38,2 Daar zag Juda een Kanašnitische, Sua geheten; hij huwde haar en had gemeenschap met haar.
Gen. 38,3 Zij werd zwanger, baarde een zoon en noemde hem Er.
Gen. 38,4 Zij werd opnieuw zwanger, baarde een zoon en noemde hem Onan.
Gen. 38,5 Daarop baarde zij nog een zoon en noemde hem Sela. Juda bevond zich te Kezib, toen zij Sela baarde.
Gen. 38,6 Juda koos voor Er, zijn eerstgeborene, een vrouw die Tamar heette.
Gen. 38,7 Maar Er, Juda's eerstgeborene, was slecht in Jahwe's ogen, zodat deze hem liet sterven.
Gen. 38,8 Toen zei Juda tot Onan: `Ga naar de vrouw van je broer, sluit met haar een zwagerhuwelijk en zorg dat je een kind verwekt voor je broer.'
Gen. 38,9 Maar Onan wist dat dit kind niet van hem zou zijn; daarom liet hij, telkens als hij met de vrouw van zijn broer samen was, het zaad op de grond verloren gaan, om voor zijn broer geen kind te verwekken.
Gen. 38,10 Zijn gedrag was slecht in Jahwe's ogen, zodat deze ook hem liet sterven.
Gen. 38,11 Toen zei Juda tot zijn schoondochter Tamar: `Ga als weduwe naar het huis van je vader terug, totdat mijn zoon Sela volwassen is.' Want hij dacht: `Anders sterft ook hij, net als zijn broers.' Tamar ging dus naar het huis van haar vader terug.
Gen. 38,12 Geruime tijd later stierf Juda's vrouw Batsua. Toen de rouwtijd voorbij was, ging Juda eens naar Timna op bezoek bij de scheerders van zijn schapen, samen met zijn vriend Chira, uit Adullam.
Gen. 38,13 Toen Tamar vernam dat haar schoonvader naar Timna kwam om de schapen te scheren,
Gen. 38,14 legde zij haar weduwendracht af, hulde zich in een sluier, parfumeerde zich en ging bij de Enaimpoort aan de weg naar Timna zitten. Want zij had gemerkt dat Juda haar niet aan Sela tot vrouw gaf, ofschoon die de volwassen leeftijd bereikt had.
Gen. 38,15 Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een publieke vrouw, daar zij haar gezicht bedekt had.
Gen. 38,16 Hij ging naar haar toe, langs de weg, en vroeg: `Kan ik bij je terecht?' Hij wist niet dat het zijn schoondochter was. Zij antwoordde: `Wat geeft u mij, als u bij me mag komen?'
Gen. 38,17 Hij antwoordde: `Ik zal je een geitebokje van mijn kudde sturen.' Zij antwoordde: `Geef mij dan een pand, tot u mij het bokje gestuurd hebt.'
Gen. 38,18 Hij zei: `Wat voor een pand moet ik je geven?' Zij gaf ten antwoord: `Uw zegel, uw snoer, en de staf die u bij u hebt.' Hij gaf ze haar, had omgang met haar en zij werd zwanger.
Gen. 38,19 Daarop ging zij heen, legde haar sluier af en trok haar weduwendracht weer aan.
Gen. 38,20 Door bemiddeling van zijn vriend uit Adullam probeerde Juda de vrouw het geitebokje te doen toekomen, om het pand van haar terug te krijgen. Maar zijn vriend kon haar niet vinden.
Gen. 38,21 Hij deed navraag bij de inwoners van haar stad: `Waar is de publieke vrouw, die hier bij Enaim langs de weg zat?' Maar zij antwoordden: `Er is hier geen publieke vrouw geweest.'
Gen. 38,22 Toen hij bij Juda terugkwam, zei hij: `Ik heb haar niet kunnen vinden; en bovendien beweren de mensen uit de buurt dat daar geen publieke vrouw geweest is.'
Gen. 38,23 Toen zei Juda: `Dan moet ze het pand maar houden; anders maken wij ons nog belachelijk. Ik heb geprobeerd haar het bokje te geven; maar je hebt haar nu eenmaal niet kunnen vinden.'
Gen. 38,24 Ongeveer drie maanden later werd aan Juda meegedeeld: `Uw schoondochter Tamar heeft ontucht bedreven en ze is nu zwanger.' Juda sprak: `Breng haar dan weg om verbrand te worden.'
Gen. 38,25 Terwijl men haar wegbracht liet zij echter aan haar schoonvader zeggen: `Van de man, aan wie deze dingen behoren, ben ik zwanger.' En zij voegde eraan toe: `Ga eens na van wie dit zegel, dit snoer en deze staf zijn.'
Gen. 38,26 Juda herkende ze en zei: `Zij staat tegenover mij in haar recht, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven.' Verder heeft Juda geen gemeenschap met haar gehad.
Gen. 38,27 Toen de tijd van de bevalling gekomen was, bleek er een tweeling in haar schoot te zijn.
Gen. 38,28 Tijdens het baren stak een van de beide kinderen een handje naar buiten; de vroedvrouw greep die, bond er een scharlaken draad omheen en zei: `Deze is het eerst gekomen.'
Gen. 38,29 Maar het kind trok zijn hand terug, en toen kwam zijn broer te voorschijn. Toen sprak zij: `Jij hebt voor een flinke bres gezorgd.' Daarom noemde men hem Peres.
Gen. 38,30 Daarna kwam zijn broer met de scharlaken draad om zijn hand. Hem noemde men Zerach.

Gen. 39,1 Jozef werd naar Egypte gebracht en de Egyptenaar Potifar, een hoveling van Farao, de overste van de lijfwacht, kocht hem van de IsmaŽlieten, die hem daar gebracht hadden.
Gen. 39,2 Jahwe was met Jozef, zodat het hem zeer voorspoedig ging. Terwijl hij in het huis van zijn Egyptische meester woonde,
Gen. 39,3 zag deze dat Jahwe met hem was en hem in al zijn onder nemingen deed slagen.
Gen. 39,4 Daardoor kwam Jozef bij hem in de gunst en werd zijn naaste medewerker. Hij gaf hem het toezicht over zijn huis, en heel zijn bezit vertrouwde hij hem toe.
Gen. 39,5 Vanaf het ogenblik dat hij hem had aangesteld over zijn huis en over heel zijn bezit, zegende Jahwe het huis van de Egyptenaar omwille van Jozef, en Jahwe's zegen rustte op alles wat hem toebehoorde, in huis en daarbuiten.
Gen. 39,6 Toen liet hij heel zijn bezit aan Jozef's zorgen over; nu hij hem had bemoeide hij zich nergens meer mee dan met zijn eten. Jozef was mooi en welgebouwd.
Gen. 39,7 Het duurde niet lang of de vrouw van zijn meester kon haar ogen niet meer van Jozef afhouden. Zij vroeg hem: `Kom toch bij me liggen.'
Gen. 39,8 Maar hij weigerde en antwoordde haar: `U weet toch dat mijn meester, nu ik in huis ben, zich nergens meer mee bemoeit en heel zijn bezit aan mij heeft toevertrouwd.
Gen. 39,9 Hier in huis is hij niet machtiger dan ik; niets heeft hij mij onthouden dan alleen u, zijn vrouw. Hoe zou ik dan dat grote kwaad kunnen bedrijven en zondigen tegen God?'
Gen. 39,10 En ofschoon zij dag in dag uit bij Jozef bleef aandringen, wilde hij niet ingaan op haar wens om bij haar te slapen en omgang met haar te hebben.
Gen. 39,11 Op zekere dag echter, toen hij het huis binnenkwam om zijn werk te doen, was er niemand anders in het huis.
Gen. 39,12 Toen greep zij hem bij zijn kleed en zei: `Kom toch bij me liggen.' Maar hij liet zijn kleed in haar handen achter, ging op de vlucht en rende naar buiten.
Gen. 39,13 Toen het tot haar doordrong dat hij zijn kleed in haar handen had achtergelaten en naar buiten was gevlucht,
Gen. 39,14 riep zij haar huisgenoten en zei tot hen: `Stel je voor, de HebreeŽr die we nu in huis gekregen hebben, begint zich tegenover ons wel vrijpostig te gedragen. Hij kwam naar mij toe om met mij te slapen, maar hij begon hard te roepen.
Gen. 39,15 Toen hij hoorde dat ik begon te roepen, liet hij zijn kleed bij mij achter, sloeg op de vlucht en rende naar buiten.'
Gen. 39,16 Daarop legde zij het kleed naast zich neer, totdat zijn meester thuis kwam.
Gen. 39,17 Ook aan hem deed zij hetzelfde verhaal en zei: `Die Hebreeuwse slaaf die jij in huis gehaald hebt, is met oneerbare bedoelingen naar mij toegekomen.
Gen. 39,18 Maar toen ik luidkeels begon te roepen, liet hij zijn kleed bij mij achter en vluchtte naar buiten.'
Gen. 39,19 Toen de meester van zijn vrouw hoorde, hoe zijn slaaf haar behandeld had, werd hij woedend.
Gen. 39,20 Hij liet Jozef grijpen en in de gevangenis zetten, daar waar de gevangenen van de koning opgesloten zaten. Zo kwam Jozef daar in de gevangenis.
Gen. 39,21 Maar Jahwe was met Jozef. Hij bewees hem zijn goedheid door te zorgen dat hij bij het hoofd van de gevangenis in de gunst kwam.
Gen. 39,22 Deze vertrouwde allen die in de gevangenis zaten aan Jozef toe; alle werk dat daar verricht werd gebeurde onder Jozefs verantwoordelijkheid.
Gen. 39,23 Het hoofd van de gevangenis hoefde geen zorg te hebben over datgene wat aan Jozef was toevertrouwd. Want Jahwe was met hem en deed hem slagen bij alles wat hij ondernam.

Gen. 40,1 Enige tijd daarna begingen zowel de schenker van de koning van Egypte als de bakker een misstap tegen hun heer, de koning van Egypte.
Gen. 40,2 Farao werd zo kwaad op zijn beide hovelingen, de opper schenker en de eerste van de bakkers,
Gen. 40,3 dat hij ze in hechtenis zette in het huis van de overste van de lijfwacht, in de gevangenis waar Jozef opgesloten zat.
Gen. 40,4 De overste van de lijfwacht wees Jozef aan om voor hen te zorgen. Ze bleven lange tijd in hechtenis.
Gen. 40,5 De schenker zowel als de bakker van de koning van Egypte, die in de gevangenis zaten opgesloten, hadden beiden in dezelfde nacht een droom, ieder zijn eigen droom met een eigen betekenis.
Gen. 40,6 Toen Jozef 's morgens bij hen kwam, zag hij aanstonds dat ze somber gestemd waren.
Gen. 40,7 Hij vroeg de hovelingen van Farao, die met hem in het huis van zijn meester in hechtenis zaten: `Waarom kijkt u zo somber vandaag?'
Gen. 40,8 Zij antwoordden hem: `Wij hebben een droom gehad, en er is niemand die hem kan uitleggen.' Toen zei Jozef tot hen: `Alleen God kan uitleg geven. Laat mij de dromen eens horen.'
Gen. 40,9 De opperschenker vertelde toen zijn droom aan Jozef en zei: `Ik zag in mijn droom een wijnstok,
Gen. 40,10 en aan die wijnstok drie ranken. Zodra hij begon uit te lopen, zette hij bloesem en droegen zijn trossen rijpe druiven.
Gen. 40,11 Ik had Farao's beker in mijn hand, plukte de druiven, perste ze uit in de beker en reikte hem die aan.'
Gen. 40,12 Toen zei Jozef: `Dit is de verklaring: De drie ranken zijn drie dagen.
Gen. 40,13 Over drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen en u in uw ambt herstellen; dan zult u Farao opnieuw de beker reiken, zoals u deed toen u zijn schenker was.
Gen. 40,14 Maar als het u weer goed gaat, denk dan ook eens aan mij en bewijs ook mij een dienst; doe bij Farao een goed woord voor mij en zorg dat ik uit dit huis vandaan kom.
Gen. 40,15 Want ik ben met geweld weggesleept uit het land van de HebreeŽn, en ik heb ook hier niets misdaan, waarvoor men mij in deze kerker moest opsluiten.'
Gen. 40,16 Toen de eerste van de bakkers zag hoe gunstig de uitleg was, zei hij: `Ik heb ook een droom gehad. In die droom zag ik drie broodkorven op mijn hoofd.
Gen. 40,17 In de bovenste korf lagen spijzen voor Farao, allerlei soorten gebak; maar de vogels pikten alles weg uit de korf die ik op mijn hoofd droeg.'
Gen. 40,18 Jozef antwoordde: `Dit is de verklaring: De drie korven zijn drie dagen.
Gen. 40,19 Over drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen en u aan een paal hangen, en de vogels zullen uw vlees verslinden.'
Gen. 40,20 Drie dagen later, op de verjaardag van Farao, richtte deze een feestmaal aan voor zijn hovelingen. Zowel van de opper schenker als van de eerste van de bakkers verhief hij het hoofd.
Gen. 40,21 De opperschenker herstelde hij in zijn ambt, om hem opnieuw de beker te reiken,
Gen. 40,22 maar de eerste van de bakkers hing hij op, volgens de uitleg die Jozef hun had gegeven.
Gen. 40,23 De opperschenker dacht echter niet meer aan Jozef; hij vergat hem gewoon.

Gen. 41,1 Twee jaar later kreeg Farao de volgende droom. Hij stond bij de Nijl
Gen. 41,2 en hij zag uit de Nijl zeven koeien omhoog komen, mooie welige dieren, die gingen grazen in het oevergras.
Gen. 41,3 Daarna kwamen zeven andere koeien uit de Nijl omhoog, lelijke, magere dieren; zij voegden zich bij de andere aan de oever van de Nijl.
Gen. 41,4 En de lelijke, magere dieren vraten de zeven mooie, welige op. Toen werd Farao wakker.
Gen. 41,5 Toen hij weer ingeslapen was, had hij opnieuw een droom. Uit een halm kwamen zeven zware, prachtige aren.
Gen. 41,6 Maar daarna groeiden zeven andere aren op, spichtig en door de oostenwind verzengd.
Gen. 41,7 En de spichtige aren slokten de zeven zware, volle aren op. Toen werd Farao wakker en hij begreep dat het een droom was geweest.
Gen. 41,8 De volgende morgen liet Farao, in hevige opwinding, alle geleerden van Egypte en alle wijzen uit het land bijeenroepen. Hij vertelde hun wat hij gedroomd had, maar er was niemand die uitleg kon geven.
Gen. 41,9 Toen sprak de opperschenker tot Farao: `Nu moet ik wel bekennen dat ik nalatig ben geweest.
Gen. 41,10 Indertijd is Farao vertoornd geweest op zijn hovelingen; hij heeft mij toen gevangen gezet in het huis van de overste van de lijfwacht, en samen met mij de eerste van de bakkers.
Gen. 41,11 In dezelfde nacht hadden wij beiden toen een droom, elk met een eigen betekenis.
Gen. 41,12 Nu was daar in ons gezelschap een jonge HebreeŽr, een dienaar van de overste van de lijfwacht. Toen wij hem vertelden wat we gedroomd hadden, wist hij voor beide dromen de juiste uitleg te geven.
Gen. 41,13 En zoals hij het ons had uitgelegd, zo is het ook uitgekomen: ik ben in mijn ambt hersteld en hij is opgehangen.'
Gen. 41,14 Toen liet Farao Jozef ontbieden. Men haalde hem haastig uit de kerker, en nadat hij geschoren was en andere kleren had aan getrokken begaf hij zich naar Farao.
Gen. 41,15 En Farao sprak tot Jozef: `Ik heb een droom gehad en niemand kan hem uitleggen. Nu heb ik horen vertellen, dat u, zodra u een droom hoort, er de uitleg van kunt geven.'
Gen. 41,16 Jozef gaf Farao ten antwoord: `Uit mijzelf kan ik niets; maar God kan aan Farao bekend maken, wat goed voor hem is.'
Gen. 41,17 Nu zei Farao tot Jozef: `In mijn droom stond ik aan de oever van de Nijl,
Gen. 41,18 en zag zeven koeien, welige, mooie dieren, uit de Nijl omhoog komen. Zij gingen grazen in het oevergras.
Gen. 41,19 Daarna kwamen zeven andere koeien omhoog, lelijke magere scharminkels, zo lelijk als ik ze in heel Egypte nog nooit gezien heb.
Gen. 41,20 De magere, lelijke koeien vraten de zeven welige op.
Gen. 41,21 Nadat ze die hadden opgeslokt, was er niets van te merken; ze bleven er even erbarmelijk uitzien als tevoren. toen werd ik wakker.
Gen. 41,22 Nog iets anders zag ik in mijn droom. Uit een halm kwamen zeven aren op, vol en prachtig.
Gen. 41,23 Daarna schoten er zeven andere aren op, dor en spichtig en door de oostenwind verzengd.
Gen. 41,24 En de spichtige aren slokten de zeven prachtige aren op. Ik heb die dromen aan de geleerden verteld, maar niemand kan mij de uitleg geven.'
Gen. 41,25 Toen sprak Jozef tot Farao: `De twee dromen van Farao betekenen hetzelfde. God heeft Farao aangekondigd wat hij gaat doen.
Gen. 41,26 De zeven vette koeien zijn zeven jaren; de zeven volle aren zijn eveneens zeven jaren. De dromen betekenen hetzelfde.
Gen. 41,27 Ook de zeven magere, lelijke koeien, die daarna omhoog kwamen, zijn zeven jaren; en de zeven spichtige, door de oosten wind verzengde aren zijn eveneens zeven jaren, jaren van hongers nood.
Gen. 41,28 Ik heb al gezegd dat God daarmee aan Farao meedeelt wat hij gaat doen.
Gen. 41,29 Eerst komen er zeven jaren van overvloed in heel Egypte.
Gen. 41,30 Dan komen er zeven jaren van hongersnood, waarin heel de overvloed van Egypte vergeten raakt en hongersnood het land verteert.
Gen. 41,31 Zo groot zal de hongersnood zijn, dat er dan van de overvloed niets meer te bekennen valt.
Gen. 41,32 Dat Farao het twee keer gedroomd heeft, betekent dat Gods besluit onwrikbaar vaststaat en dat hij het spoedig ten uitvoer zal brengen.
Gen. 41,33 Laat Farao dus uitzien naar een verstandig en wijs man, en die aanstellen over heel Egypte.
Gen. 41,34 Farao moet maatregelen nemen en opzichters aanstellen in heel Egypte, om tijdens de zeven jaren van overvloed in heel het land een vijfde van de opbrengst te vorderen.
Gen. 41,35 Al het voedsel van de komende goede jaren moeten zij verzamelen. Onder het beheer van Farao moeten zij het koren opslaan in de steden en het goed bewaren.
Gen. 41,36 Dat voedsel kan dan in de behoefte van het land voor zien tijdens de zeven jaren van hongersnood die Egypte te wachten staan; zo zal het land niet van honger omkomen.'
Gen. 41,37 Farao en al zijn hovelingen waren met dit plan zeer ingenomen.
Gen. 41,38 Hij vroeg zijn hovelingen: `Zou er wel iemand anders te vinden zijn die zo vervuld is van de geest van God als deze man?'
Gen. 41,39 En Farao zei tot Jozef: `Aangezien God u al die dingen heeft bekend gemaakt, is er niemand zo verstandig en wijs als u.
Gen. 41,40 U zult dus de leiding over mijn huis krijgen en aan uw bevel zal heel mijn volk zich onderwerpen; alleen door mijn koningstroon zal ik uw meerdere zijn.'
Gen. 41,41 Verder zei Farao tot Jozef: `Ik stel u hierbij aan over geheel Egypte.'
Gen. 41,42 En hij trok de zegelring van zijn vinger, stak die aan Jozefs hand, liet hem linnen kleren aantrekken en hing een gouden keten om zijn hals.
Gen. 41,43 Toen liet hij hem op zijn tweede wagen plaats nemen en voor hem uitroepen: `Breng hulde!' Zo stelde hij hem aan over geheel Egypte.
Gen. 41,44 En Farao zei tot Jozef: `Ik blijf Farao, maar buiten u om zal niemand in heel Egypte een hand verroeren of een voet verzetten.'
Gen. 41,45 Hij gaf Jozef de naam Safenat-paneach, en Asenat, de dochter van Potifera, een priester van On, gaf hij hem tot vrouw. Zo kreeg Jozef volmacht over heel Egypte.
Gen. 41,46 Jozef was dertig jaar, toen hij bij Farao, de koning van Egypte, in dienst kwam. Jozef verliet het paleis van Farao en trok Egypte door.
Gen. 41,47 In de zeven jaren van overvloed was de oogst in het land overstelpend groot.
Gen. 41,48 In de zeven jaren dat er overvloed was in Egypte, verzamelde Jozef alle mogelijke levensmiddelen; in elke stad sloeg hij het voedsel op dat de velden rondom die stad opbrachten.
Gen. 41,49 Jozef hoopte het koren op als het zand aan de zee; het was zo'n overvloed dat men ophield met meten; er was geen meten meer aan.
Gen. 41,50 Voordat het eerste jaar van de hongersnood kwam, kreeg Jozef twee zonen; het waren de kinderen die Asenat, dochter van Potifera, de priester van On, hem schonk.
Gen. 41,51 Jozef noemde de eerstgeborene Manasse, want hij zei: `Al mijn ellende en het gemis van mijn hele familie heeft God mij doen vergeten.'
Gen. 41,52 De tweede noemde hij Efraim, want hij zei: `God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ongeluk.'
Gen. 41,53 Toen de zeven jaren van overvloed in Egypte verstreken waren,
Gen. 41,54 braken de zeven jaren van hongersnood aan, juist zoals Jozef voorspeld had. In alle landen werd honger geleden, maar in Egypte was overal voedsel.
Gen. 41,55 toen ook heel Egypte honger kreeg en het volk Farao om brood smeekte, zei Farao tot alle Egyptenaren: `Ga maar naar Jozef en doe wat hij u zeggen zal.'
Gen. 41,56 Toen er honger was in heel het land, stelde Jozef de hele voorraad koren ter beschikking en verkocht het aan de Egyptenaren, naarmate de honger in Egypte nijpender werd.
Gen. 41,57 Uit alle landen kwam men naar Egypte om bij Jozef graan te kopen; want de hongersnood woedde hevig in de hele wereld.

Gen. 42,1 Toen ook Jakob hoorde dat er in Egypte graan te krijgen was, zei hij tot zijn zonen: `Wat zitten jullie elkaar aan te kijken?
Gen. 42,2 Ik heb gehoord dat er in Egypte graan te krijgen is. Ga daar toch heen om graan te kopen, zodat wij in leven blijven en niet sterven.'
Gen. 42,3 Zo gingen tien broers van Jozef op weg om in Egypte graan te kopen.
Gen. 42,4 Alleen Benjamin, de broer van Jozef, liet Jakob niet met zijn broers meegaan, want, dacht hij: `Er mocht hem eens een ongeluk overkomen.'
Gen. 42,5 Zo kwamen IsraŽls zonen graan kopen, evenals vele anderen: want er heerste hongersnood in Kanašn.
Gen. 42,6 Jozef was degene die toen het land bestuurde en aan al de bewoners graan verkocht; naar hem gingen de broers van Jozef dus toe en zij bogen voor hem tot op de grond.
Gen. 42,7 Zodra Jozef zijn broers zag, herkende hij hen, maar hij maakte zich niet aan hen bekend. Op strenge toon sprak hij hen toe: `Waar komt u vandaan?' Zij antwoordden: `Uit Kanašn, om graan te kopen.'
Gen. 42,8 Jozef had zijn broers wel herkend, maar zij hem niet.
Gen. 42,9 Denkend aan zijn dromen over hen, zei Jozef: `U bent spionnen; u probeert te weten te komen waar het land open en onbeschermd ligt.'
Gen. 42,10 gaven hem ten antwoord: `Geen sprake van, heer: uw dienaren komen voedsel kopen.
Gen. 42,11 Wij zijn allen zonen van een man en wij zijn betrouwbare mensen; uw dienaren zijn geen spionnen.'
Gen. 42,12 Maar hij zei tot hen: `Neen, neen! U probeert te weten te komen waar het land open en onbeschermd ligt.'
Gen. 42,13 Zij antwoordden: `Uw dienaren waren met zijn twaalven. Wij zijn broers, zonen van een man in Kanašn; de jongste is bij vader gebleven, en een is er niet meer.'
Gen. 42,14 Nu zei Jozef tot hen: `Ik blijf bij wat ik gezegd heb: U bent spionnen.
Gen. 42,15 Maar op een manier kan uw betrouwbaarheid blijken: Bij het leven van Farao, u komt hier niet vandaan, tenzij uw jongste broer hier verschijnt.
Gen. 42,16 Laat dus een van u die broer gaan halen; ondertussen blijven de anderen hier als gevangenen. Zo zal komen vast te staan of u inderdaad de waarheid spreekt. Zo niet, bij het leven van Farao, dan bent u spionnen.'
Gen. 42,17 Daarop liet hij ze voor drie dagen gevangen zetten.
Gen. 42,18 Op de derde dag zei Jozef tot hen: `Als u in leven wilt blijven, doe dan wat ik nu ga zeggen, want ik ben een godvrezend man.
Gen. 42,19 Als u betrouwbaar bent, laat een van uw broers dan achter in het huis waar u gevangen hebt gezeten; de anderen kunnen gaan en graan meenemen voor de honger van uw gezinnen;
Gen. 42,20 maar u moet uw jongste broer bij mij brengen. Dan zal de waarheid van uw woorden blijken en zult u niet sterven.' Dat deden zij.
Gen. 42,21 Ze zeiden tot elkaar: `Helaas, wij hebben dit aan onze broer verdiend. Wij zagen hoe hij angstig om genade smeekte, maar wij hebben niet willen luisteren. Daarom treft ons dit ongeluk.'
Gen. 42,22 En Ruben zei: `Ik had jullie toch gezegd, je niet aan de jongen te vergrijpen; maar jullie hebt niet willen luisteren. En nu zien we hoe zijn bloed wordt teruggeeist.'
Gen. 42,23 Omdat zij zich van een tolk bedienden wisten zij niet dat Jozef hen verstond.
Gen. 42,24 Hij wendde zich van hen af, en de tranen sprongen hem in de ogen. Maar daarna kwam hij bij hen terug en zette het gesprek met hen voort. Een van hen, Simeon, liet hij grijpen en voor hun ogen in boeien slaan.
Gen. 42,25 Nu gaf hij bevel hun zakken met graan te vullen maar in iedere zak het geld terug te leggen, en hun voor onderweg proviand mee te geven. Zo gebeurde het ook.
Gen. 42,26 Zij laadden het graan op de ezels en gingen op weg.
Gen. 42,27 Toen een van hen op de plaats waar zij overnachtten zijn zak openmaakte om zijn ezel te voeren, zag hij het geld zo maar boven in de zak liggen.
Gen. 42,28 Hij zei tot zijn broers: `Ik heb mijn geld terug; kijk maar, het ligt in mijn zak.' Zij stonden verslagen, en angstig zeiden zij tot elkaar: `Waarom heeft God zo met ons gedaan?'
Gen. 42,29 Toen zij bij hun vader Jakob in Kanašn terugkwamen, vertelden zij hem alles wat hun overkomen was. Zij zeiden:
Gen. 42,30 `Die man, de heer van het land, heeft ons bars toegesproken en ons voor spionnen uitgemaakt.
Gen. 42,31 Wij hebben hem geantwoord: Wij zijn betrouwbare mensen en geen spionnen.
Gen. 42,32 We zijn met zijn twaalven geweest, broers van elkaar en zonen van een vader, een van ons is er niet meer en de jongste is bij vader in Kanašn gebleven.
Gen. 42,33 Maar de man die het land bestuurt heeft ons gezegd: Om te bewijzen dat u te vertrouwen bent moet u een van uw broers bij mij achterlaten. U kunt voedsel meenemen voor de honger van uw gezinnen,
Gen. 42,34 maar u moet uw jongste broer bij mij brengen. Dan ben ik er zeker van, dat u geen spionnen bent, maar betrouwbare mensen. Dan zal ik uw broer teruggeven en zult u vrij door het land mogen trekken.'
Gen. 42,35 Toen zij dan hun zakken leegmaakten, vond ieder zijn buidel met geld in zijn zak; en toen zij en hun vader de buidels met geld zagen, werden zij bang.
Gen. 42,36 Hun vader Jakob zei tot hen: `Jullie maken mij kinderloos. Jozef is weg, Simeon is weg, en nu willen jullie Benjamin meenemen. Dat mij dat allemaal moet overkomen!'
Gen. 42,37 Maar nu zei Ruben tot zijn vader: `U mag mijn beide zonen doden, als ik Benjamin niet bij u terugbreng. Vertrouw hem aan mij toe, en ik zal hem bij u terugbrengen.'
Gen. 42,38 Maar hij gaf ten antwoord: `Mijn zoon gaat niet met jullie mee; zijn broer is al dood, en hij is de enige die ik nog over heb. Wanneer hem onderweg een ongeluk overkomt, zouden jullie de grijsaard die ik ben jammerend in het dodenrijk doen neerdalen.'

Gen. 43,1 De hongersnood bleef het land zwaar teisteren.
Gen. 43,2 Zodra zij het graan uit Egypte opgemaakt hadden, zei hun vader: `Jullie moeten nog eens proberen wat voedsel te kopen.'
Gen. 43,3 Juda antwoordde: `Die man heeft ons uitdrukkelijk gewaarschuwd: Kom mij niet onder ogen zonder uw broer.
Gen. 43,4 Als u dus onze broer met ons laat meegaan, zullen wij voedsel gaan kopen,
Gen. 43,5 maar als u hem niet mee laat gaan, vertrekken wij niet. Want die man heeft ons gezegd: Kom mij niet onder ogen zonder uw broer.'
Gen. 43,6 IsraŽl antwoordde: `Waarom hebben jullie het mij zo moeilijk gemaakt door aan die man te vertellen dat je nog een broer hebt?'
Gen. 43,7 Zij antwoordden: `Die man stelde ons allerlei vragen over onszelf en over onze familie. Hij vroeg: Leeft uw vader nog? Hebt u geen andere broer meer? Wij hebben hem alles naar waarheid verteld. Konden wij soms weten dat hij zou zeggen: Breng uw broer hier?'
Gen. 43,8 Juda zei tot zijn vader IsraŽl: `Laat de jongen gerust met mij meegaan en laat ons alstublieft vertrekken, dan blijven wij tenminste in leven en sterven wij niet met zijn allen, wij, uzelf en onze kleine kinderen.
Gen. 43,9 Ik blijf borg voor hem: van mij moogt u hem terugeisen. Als ik hem niet bij u terugbreng en weer voor u plaats, sta ik mijn verdere leven bij u in de schuld.
Gen. 43,10 Als wij niet zo lang gewacht hadden, waren wij al weer terug geweest.'
Gen. 43,11 Toen zei hun vader IsraŽl: `Als het niet anders kan, doe het dan zo: Neem het beste van het land in je zakken mee en bied het die man als geschenk aan: gom en honing, parfum en hars, pimpernoten en amandelen.
Gen. 43,12 Neem ook twee keer zoveel geld mee, want ook het geld dat in je zakken teruggelegd was moet je mee terugnemen; misschien was het een vergissing.
Gen. 43,13 En neem ook je broer dan maar mee, en ga opnieuw naar die man toe.
Gen. 43,14 God Almachtig moge zorgen dat die man jullie goed ontvangt en dat hij je andere broer en Benjamin met jullie laat terugkeren. Als ik mijn kinderen toch moet verliezen, dan moet het maar zo zijn!'
Gen. 43,15 Met de geschenken, met de dubbele som geld en ook met Benjamin trokken de mannen naar Egypte. Zij werden door Jozef ontvangen,
Gen. 43,16 en toen deze zag dat Benjamin er ook bij was, zei hij tot zijn hofmeester: `Breng die mannen naar mijn huis, laat het nodige slachten en toebereiden, want zij zijn vanmiddag mijn gasten.'
Gen. 43,17 De hofmeester deed wat Jozef hem opgedragen had en bracht de bezoekers naar diens paleis.
Gen. 43,18 Maar de mannen werden bang, omdat zij naar het paleis van Jozef gebracht werden, en zeiden: `Ze houden ons hier vanwege het geld dat de vorige keer in onze zakken terechtgekomen is; ze willen ons overrompelen en overvallen, ons tot slaven maken en onze ezels in beslag nemen.'
Gen. 43,19 Zij gingen dus naar de hofmeester van Jozef toe en spraken hem aan bij de ingang van het paleis.
Gen. 43,20 Zij zeiden hem: `Met uw verlof, heer, wij zijn hier al eerder geweest om voedsel te kopen.
Gen. 43,21 Maar toen wij ergens overnachtten en onze zakken opendeden, lag daar ieders geld boven in de zak, bij elk van ons het volle bedrag. Dat hebben wij nu mee teruggebracht,
Gen. 43,22 en bovendien hebben wij ander geld meegenomen om voedsel te kopen. Wij weten niet wie dat geld in onze zakken gestopt heeft.'
Gen. 43,23 Hij antwoordde: `Alles is in orde: wees maar niet bang. Uw God en de God van uw vader heeft een schat in uw zakken verborgen; uw geld heb ik wel degelijk ontvangen.' Hij bracht Simeon bij hen.
Gen. 43,24 Toen leidde hij hen het paleis van Jozef binnen, gaf hun water om zich de voeten te wassen en liet voer halen voor de ezels.
Gen. 43,25 Zij legden daarop hun geschenken gereed en bleven wachten tot Jozef 's middags thuiskwam, want zij hadden vernomen dat zij daar zouden blijven eten.
Gen. 43,26 Toen Jozef binnenkwam, boden zij hem de geschenken aan die ze bij zich hadden en bogen zich voor hem neer tot op de grond.
Gen. 43,27 Hij vroeg hoe het met hen ging en zei: `Hoe maakt het uw oude vader, over wie u mij gesproken hebt? Is hij nog goed gezond?'
Gen. 43,28 Zij antwoordden: `Onze vader, uw dienaar, maakt het goed en is nog gezond.' Daarop knielden zij en bogen zich neer.
Gen. 43,29 Toen hij rondzag en zijn jongste broer Benjamin bemerk te, de zoon van zijn moeder, zei hij: `En dat is dan uw jongste broer, over wie u mij gesproken hebt?' En hij zei: `God zij u genadig, mijn zoon.'
Gen. 43,30 Toen trok Jozef zich haastig terug, want zijn hart was geroerd bij het zien van zijn broer en hij zocht een gelegenheid om zijn tranen de vrije loop te laten. Hij begaf zich naar zijn kamer en huilde daar uit.
Gen. 43,31 voor hij de kamer verliet, waste hij zijn gezicht. Hij was zijn ontroering nu meester en beval de maaltijd op te dienen.
Gen. 43,32 Men diende afzonderlijk op voor Jozef, afzonderlijk voor zijn broers en afzonderlijk voor de Egyptenaren die bij hem te gast waren, want het is de Egyptenaren niet mogelijk met HebreeŽn samen te eten; zij hebben daar een afkeer van.
Gen. 43,33 Toen de mannen, van de eerstgeborene af tot de jongste toe, op Jozefs aanwijzing een plaats kregen, precies volgens hun leeftijd, keken zij elkaar verwonderd aan.
Gen. 43,34 Men gaf hun van de gerechten die op Jozefs tafel stonden, maar de portie van Benjamin was vijfmaal zo groot als die van de anderen. Zij dronken met hem en werden vrolijk.

Gen. 44,1 Daarop gaf Jozef aan zijn hofmeester deze opdracht: `Laat de zakken van die mannen met voedsel vullen, zoveel zij kunnen vervoeren, en leg bij ieder het geld boven in de zak.
Gen. 44,2 Mijn eigen zilveren beker moet u boven in de zak van de jongste verbergen, bij het geld voor het graan.' De hofmeester deed wat Jozef hem opgedragen had.
Gen. 44,3 De volgende ochtend liet men de mannen met hun ezels vertrekken.
Gen. 44,4 Zij waren echter nog niet ver buiten de stad, of Jozef zei tot zijn hofmeester: `Ga vlug achter die mannen aan en als u ze ingehaald hebt, moet u zeggen: Waarom vergeldt u mij goed met kwaad? Waarom hebt u mijn zilveren beker gestolen?
Gen. 44,5 Het is nog wel die, waar mijn heer uit drinkt, en waarin hij de toekomst schouwt. Daar hebt u geen goed aan gedaan!'
Gen. 44,6 Toen de hofmeester hen had ingehaald, zei hij alles wat hem opgedragen was.
Gen. 44,7 Zij gaven ten antwoord: `Hoe is het mogelijk dat mijn heer zoiets kan zeggen? Uw dienaren zouden er nooit aan denken zoiets te doen!
Gen. 44,8 Wij hebben immers het geld dat wij boven in onze zakken gevonden hadden, uit Kanašn teruggebracht; hoe kunt u dan denken dat wij zilver of goud stelen uit het huis van uw heer?
Gen. 44,9 Als er bij een van uw dienaren iets wordt gevonden, zal hij sterven en zullen wij de slaven zijn van uw heer.'
Gen. 44,10 Toen zei hij: `Goed, het zal gebeuren zoals u zegt. Degene bij wie de beker gevonden wordt, zal mijn slaaf zijn; maar de overigen gaan vrij uit.'
Gen. 44,11 Ieder van hen haastte zich zijn zak op de grond te zetten en deed die open.
Gen. 44,12 Hij controleerde ze, te beginnen bij de oudste en eindigend bij de jongste. In de zak van Benjamin werd de beker ontdekt.
Gen. 44,13 Zij scheurden allen hun kleren, laadden hun zakken weer op de ezels en keerden naar de stad terug.
Gen. 44,14 Toen Juda en zijn broers in het paleis kwamen, waar Jozef nog aanwezig was, wierpen zij zich voorover op de grond.
Gen. 44,15 Jozef vroeg hun: `Waarom hebt u dat nu gedaan? Begrijpt u dan niet dat een man als ik verborgen dingen achterhaalt?'
Gen. 44,16 Juda antwoordde: `Wat kunnen wij tot onze heer zeggen, wat kunnen wij aanvoeren en hoe kunnen wij ons zelf rechtvaardigen? God heeft de schuld van uw dienaren aan het licht gebracht. Wij zijn dus de slaven van mijn heer, wij allen, samen met hem bij wie de beker gevonden is.'
Gen. 44,17 Maar hij antwoordde: `Dat in geen geval! Alleen de man bij wie de beker gevonden is, zal mijn slaaf zijn. De overigen kunnen ongedeerd naar hun vader terugkeren.'
Gen. 44,18 Nu trad Juda op hem toe en zei: `Heer, sta uw dienaar toe een enkel woord tot u te richten, zonder dat u kwaad wordt op uw dienaar, want u bent de gelijke van Farao.
Gen. 44,19 Mijn heer heeft aan zijn dienaren gevraagd: Hebt u nog een vader en een broer?
Gen. 44,20 Wij hebben toen onze heer geantwoord: Wij hebben een oude vader en er is nog een jonge zoon, die in diens ouderdom geboren is. Omdat zijn broer gestorven is, is hij de enig overgeblevene van zijn moeder, en zijn vader heeft hem lief.
Gen. 44,21 Toen hebt u tot uw dienaren gezegd: Breng hem bij mij, dat ik hem kan zien.
Gen. 44,22 Wij hebben onze heer geantwoord: De jongen kan zijn vader niet alleen laten; zijn vader zou sterven als hij door hem alleen gelaten werd.
Gen. 44,23 Maar u hebt tot uw dienaren gezegd: Als uw jongste broer niet met u meekomt, hoeft u mij niet meer onder ogen te komen.
Gen. 44,24 We zijn naar uw dienaar, onze vader, teruggekeerd en hebben hem verteld wat mijn heer gezegd heeft.
Gen. 44,25 En toen onze vader vroeg, opnieuw voedsel te gaan kopen,
Gen. 44,26 hebben wij geantwoord: Zo kunnen wij niet gaan. Alleen als onze jongste broer met ons meegaat, zullen wij vertrekken; want wij kunnen die man niet onder ogen komen, als onze jongste broer niet bij ons is.
Gen. 44,27 Toen zei uw dienaar, onze vader, tot ons: Jullie weten dat mijn vrouw mij maar twee zonen geschonken heeft.
Gen. 44,28 De ene is van mij weggegaan, en ik moet wel aannemen dat hij is verscheurd, want ik heb hem tot nog toe niet weergezien.
Gen. 44,29 Als jullie ook deze nog van mij wegnemen, en er zou hem een dodelijk ongeluk overkomen, dan zouden jullie de grijsaard die ik ben jammerend in het dodenrijk doen neerdalen.
Gen. 44,30 Wanneer ik dus bij uw dienaar, mijn vader, terugkom zonder de jongen, aan wie hij zo gehecht is,
Gen. 44,31 dan zal hij sterven, zodra hij ziet dat de jongen niet bij ons is. Dan zijn uw dienaren de oorzaak dat onze vader, uw dienaar, jammerend in het dodenrijk neerdaalt.
Gen. 44,32 Uw dienaar is bij mijn vader borg gebleven voor de jongen en heeft hem verzekerd: Als ik hem niet bij u terugbreng, sta ik mijn leven lang bij u in de schuld.
Gen. 44,33 Laat dus uw dienaar als slaaf van mijn heer achterblijven in plaats van deze jongen; maar laat hem terugkeren met zijn andere broers.
Gen. 44,34 Hoe zou ik zonder de jongen bij mijn vader durven terugkomen? Het leed dat mijn vader dan treft, zou ik niet kunnen aanzien.'

Gen. 45,1 Nu kon Jozef zich voor de overige omstanders niet langer goedhouden en hij riep uit: `Stuur iedereen weg.' Zo was er niemand meer bij, toen Jozef zich aan zijn broers bekend maakte.
Gen. 45,2 Hij huilde zo luid, dat de Egyptenaren het hoorden; ook in het huis van Farao werd het bekend.
Gen. 45,3 Jozef zei tot zijn broers: `Ik ben Jozef. Maakt vader het nog goed?' Maar zijn broers kon den geen woord uitbrengen, zo ontsteld waren zij over hem.
Gen. 45,4 Jozef echter zei tot zijn broers: `Kom toch dichterbij.' Toen ze dichterbij gekomen waren, zei hij: `Ik ben Jozef, de broer die jullie naar Egypte verkocht hebben.
Gen. 45,5 Je hoeft niet zo terneergeslagen te zijn en jezelf niet meer te verwijten dat jullie mij hierheen verkocht hebben, want God heeft mij voor jullie uitgezonden om jullie in leven te houden.
Gen. 45,6 Er heerst nu al twee jaar hongersnood in het land en er komen nog vijf jaren dat het ploegen geen oogst oplevert.
Gen. 45,7 God heeft mij vooruit gezonden, om jullie voortbestaan op aarde te verzekeren en om velen het leven te redden.
Gen. 45,8 Niet jullie hebben mij hier gebracht, maar God zelf. Hij heeft mij tot een vader voor Farao gemaakt, tot heer over heel zijn huis en tot heerser over heel Egypte.
Gen. 45,9 Ga haastig naar mijn vader en zeg hem: Zo spreekt uw zoon Jozef: God heeft mij aangesteld tot heer over heel Egypte; kom zonder uitstel naar mij toe.
Gen. 45,10 U kunt zich in Gosen vestigen; dan zult u dicht bij mij wonen, samen met uw kinderen en kleinkinderen, uw schapen en runderen en uw hele bezit.
Gen. 45,11 Ik zal zorgen, dat u daar niets te kort komt, want er komen nog vijf jaren van hongersnood; dan zult u niet tot armoede vervallen, noch uw familie of iemand van de uwen.
Gen. 45,12 Jullie hier en mijn broer Benjamin zien zelf dat ik in eigen persoon tot jullie spreek.
Gen. 45,13 Ga dus mijn vader vertellen hoe groot het aanzien is dat ik in Egypte geniet, en wat jullie allemaal is overkomen. Breng hem dan zo spoedig mogelijk hier.'
Gen. 45,14 Hij viel zijn broer Benjamin schreiend om de hals, en ook zijn broer Benjamin schreide terwijl hij hem omhelsde.
Gen. 45,15 Hij kuste zijn andere broers en schreide toen hij ze omhelsde. toen pas durfden zijn broers met hem spreken.
Gen. 45,16 Toen het nieuws van de komst van Jozefs broers in het paleis van Farao was doorgedrongen, was er grote blijdschap bij hem en bij zijn hof.
Gen. 45,17 En Farao zei tot Jozef: `Geef uw broers de volgende opdracht: Zadel de dieren, ga naar Kanašn,
Gen. 45,18 om uw vader en uw gezinnen te halen, en kom dan naar mij toe. Ik zal u het beste van Egypte schenken, en u zult eten van het vette van het land.
Gen. 45,19 Dring bij hen ook op het volgende aan: Neem uit Egypte wagens mee voor uw kleine kinderen en voor uw vrouwen; u moet er ook uw vader mee vervoeren en hierheen komen.
Gen. 45,20 Maak u geen zorgen om uw huisraad, want het beste van heel Egypte staat tot uw beschikking.'
Gen. 45,21 Zo deden de zonen van IsraŽl. Jozef gaf hun op bevel van Farao wagens en proviand voor de reis.
Gen. 45,22 Aan elk van hen gaf hij een stel nieuwe kleren; maar aan Benjamin schonk hij driehonderd zilverstukken en vijf stel nieuwe kleren.
Gen. 45,23 Aan zijn vader zond hij eveneens geschenken: tien ezels, beladen met de beste gaven van Egypte, en tien ezelinnen, beladen met graan, brood en spijzen, als proviand voor zijn vader.
Gen. 45,24 Zo liet hij dan zijn broers vertrekken en bij het afscheid zei hij tot hen: `Maak je onderweg geen zorgen.'
Gen. 45,25 Zij vertrokken uit Egypte en kwamen in Kanašn bij hun vader Jakob.
Gen. 45,26 toen zij hem vertelden: `Jozef leeft nog, en hij is heerser over heel Egypte', bleef hij bij dat nieuws onbewogen; hij kon het niet geloven.
Gen. 45,27 Toen zij hem echter meedeelden wat Jozef hun gezegd had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had om hem naar Egypte te brengen, leefde de geest van hun vader Jakob weer op.
Gen. 45,28 En IsraŽl sprak: `Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog: Ik wil naar hem toe en hem zien, voor ik doodga!'

Gen. 46,1 Toen ging IsraŽl op weg met al de zijnen. Hij kwam in Berseba en droeg daar slachtoffers op aan de God van zijn vader Isaak.
Gen. 46,2 En God sprak tot IsraŽl in een nachtelijk visioen: `Jakob, Jakob!' Hij antwoordde: `Hier ben ik.'
Gen. 46,3 God zei: `Ik ben God, de God van uw vader. Gij moet er niet tegen opzien naar Egypte te trekken; want Ik zal daar een groot volk van u maken.
Gen. 46,4 Ikzelf zal u naar Egypte vergezellen en Ik zal u ook weer terugbrengen. Jozef zal u de ogen sluiten.'
Gen. 46,5 Toen verliet Jakob Berseba, IsraŽls zonen lieten hun vader Jakob, hun kleine kinderen en hun vrouwen reizen op de wagens die Farao daarvoor had meegegeven.
Gen. 46,6 Ook hun veestapel en hun bezittingen namen ze mee, al wat ze in Kanašn verworven hadden. Zo trok Jakob met al zijn nakomelingen naar Egypte.
Gen. 46,7 Zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters, al zijn nakomelingen nam hij mee naar Egypte.
Gen. 46,8 Dit zijn de namen van de zonen van IsraŽl, die naar Egypte trokken, Jakob en zijn zonen. Jakobs oudste zoon was Ruben.
Gen. 46,9 Rubens zonen waren Chanok, Pallu, Chesron en Karmi.
Gen. 46,10 Zonen van Simeon waren JemuŽl, Jamin, Ohad, Jakin, Sochar en Saul, de zoon van een Kanašnitische vrouw.
Gen. 46,11 Zonen van Levi waren Gerson, Kehat en Merari.
Gen. 46,12 Zonen van Juda waren Er, Onan, Sela, Peres en Zerach. Er en Onan waren in Kanašn gestorven. Zonen van Peres waren Chesron en Chamul.
Gen. 46,13 Zonen van Issakar waren Tola, Puwwa, Job en Simron.
Gen. 46,14 Zonen van Zebulon waren Sered, Elon en Jachleel.
Gen. 46,15 Dat waren de zonen die Lea in Paddan-aram aan Jakob geschonken had; verder was er nog zijn dochter Dina. Samen waren het drieŽndertig zonen en dochters.
Gen. 46,16 Zonen van Gad waren Sifjon, Chaggi, Suni, Esbon, Eri, Arodi en Areli.
Gen. 46,17 Zonen van Aser waren Jimma, Jiswa, Jiswi en Beria; hun zuster was Serach. Zonen van Beria waren Cheber en Malkiel.
Gen. 46,18 Dat waren de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; zij schonk hen aan Jakob. Het waren er zestien.
Gen. 46,19 Zonen van Jakobs vrouw Rachel waren Jozef en Benjamin.
Gen. 46,20 Jozef kreeg in Egypte de zonen die Asenat, dochter van Potifera, de priester van On, hem schonk: Manasse en Efraim.
Gen. 46,21 Zonen van Benjamin waren Bela, Beker, Asbel, Gera, Naaman, Echi, Ros, Muppim, Chuppim en Ard.
Gen. 46,22 Dat waren de zonen die Jakob bij Rachel kreeg, samen waren het er veertien.
Gen. 46,23 Zoon van Dan was Chusim.
Gen. 46,24 Zonen van Naftali waren Jachseel, Guni, Jeser en Sillem.
Gen. 46,25 Dat waren de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel had gegeven. Deze zonen had zij Jakob geschonken, samen zeven.
Gen. 46,26 De rechtstreekse afstammelingen van Jakob die met hem naar Egypte trokken - de vrouwen van Jakobs zonen worden dan niet meegerekend -, waren zesenzestig in getal.
Gen. 46,27 Daarbij komen nog de twee zonen van Jozef, die deze in Egypte gekregen had. De familie van Jakob die naar Egypte ging bestond uit zeventig personen.
Gen. 46,28 Jakob stuurde Juda naar Jozef met het verzoek, in Gosen bij hem te komen. Toen zij in Gosen aangekomen waren,
Gen. 46,29 liet Jozef zijn wagen inspannen en reed naar Gosen om zijn vader IsraŽl te begroeten. Toen hij hem ontmoette, viel hij hem om de hals en bleef lange tijd op zijn schouders schreien.
Gen. 46,30 IsraŽl sprak tot Jozef: `Laat de dood nu maar komen! Ik heb jou nu weer gezien en weet dat je nog leeft!'
Gen. 46,31 Daarop zei Jozef tot zijn broers en de familie van zijn vader: `Ik zal Farao gaan zeggen: Mijn broers en de familie van mijn vader, die in Kanašn woonden, zijn bij mij aangekomen.
Gen. 46,32 Het zijn schaapherders en veehouders; hun schapen en runderen en heel hun bezit hebben zij meegebracht.
Gen. 46,33 Als Farao jullie ontbiedt en naar je beroep vraagt,
Gen. 46,34 moeten jullie dus antwoorden: Uw dienaren zijn van jongs af veehouders geweest, evenals hun voorvaderen. Dan krijgen jullie wel verlof om in Gosen te gaan wonen; want de Egyptenaren hebben een afkeer van alles wat schaapherder is.'

Gen. 47,1 Jozef ging dus aan Farao melden: `Mijn vader en mijn broers zijn met hun schapen en runderen en met hun hele bezit uit Kanašn aangekomen en bevinden zich nu in Gosen.'
Gen. 47,2 Hij had vijf van zijn broers meegenomen en stelde hen aan Farao voor.
Gen. 47,3 Farao vroeg aan zijn broers: `Wat is uw beroep?' Ze gaven hem ten antwoord: `Uw dienaren zijn schaapherders, evenals hun voorvaderen.'
Gen. 47,4 Ze zeiden tot Farao: `Wij zijn gekomen omdat wij hoopten in dit land gastvrijheid te vinden. Want in Kanašn is geen weide grond meer voor het vee van uw dienaren, omdat er grote hongers nood heerst. Uw dienaren zouden daarom graag in Gosen willen gaan wonen.'
Gen. 47,5 Daarop sprak Farao tot Jozef: `Uw broers en uw vader zijn nu bij u aangekomen.
Gen. 47,6 Egypte staat tot uw beschikking. Laat uw vader en uw broers in het beste deel van het land wonen en zich in Gosen vestigen. Ziet u bekwame mannen onder hen, dan moet u die aan stellen over mijn eigen veestapel.'
Gen. 47,7 Jozef liet zijn vader Jakob halen en stelde hem aan Farao voor. Nadat Jakob Farao met een zegenwens begroet had,
Gen. 47,8 zei deze tot Jakob: `Hoe oud bent u?'
Gen. 47,9 Jakob gaf ten antwoord: `Honderddertig jaar duurt mijn zwerven; mijn levensdagen zijn kort en ongelukkig geweest en ik ben nog niet zo oud als mijn voorvaderen in hun tijd.'
Gen. 47,10 Toen nam Jakob afscheid van Farao en trok zich terug.
Gen. 47,11 Jozef wees zijn vader en zijn broers een woonplaats aan en volgens de wens van Farao schonk hij hun een stuk grond, in het beste deel van Egypte, in het gebied van Ramses.
Gen. 47,12 Jozef voorzag zijn vader en broers en heel de familie van voedsel tot de kleine kinderen toe.
Gen. 47,13 Door de zware hongersnood was er nergens in het land nog brood, en zowel Egypte als Kanašn raakten uitgeput van de honger.
Gen. 47,14 Door de graanverkoop kreeg Jozef al het geld in handen, dat zowel in Egypte als in Kanašn te vinden was, en hij stortte dat in de schatkist van het paleis.
Gen. 47,15 Toen al het geld in Egypte en Kanašn op was, kwamen de Egyptenaren bij Jozef en zeiden: `Geef ons brood! Moeten wij onder uw ogen sterven? Ons geld is op!'
Gen. 47,16 Jozef antwoordde: `Als u geen geld meer hebt, geef dan uw vee maar; in ruil daarvoor geef ik u dan brood.'
Gen. 47,17 Zij brachten dus hun kudden bij Jozef; en deze gaf brood in ruil voor hun paarden, hun schapen en hun ezels. Hij voorzag de mensen dat jaar van brood, in ruil voor al hun kudden.
Gen. 47,18 Toen dat jaar om was, kwamen ze het volgend jaar opnieuw naar hem toe en zeiden: `Wij behoeven voor onze heer niet te verhelen dat ons geld op is en dat onze veestapel in zijn bezit is overgegaan; wij kunnen onze heer alleen nog onszelf en onze grond aanbieden.
Gen. 47,19 Moeten wij onder uw ogen ontkomen, met grond en al? Neem onszelf en onze grond in ruil voor brood; met grond en al willen wij Farao dienstbaar zijn. Geef ons zaaigoed, dan zullen wij in leven blijven en niet sterven, en zal ook de grond niet onvruchtbaar worden.'
Gen. 47,20 Toen kocht Jozef al de grond van Egypte voor Farao op, want door de honger gedreven, deden alle Egyptenaren hun lande rijen van de hand. Zo kwam het hele land in Farao's bezit,
Gen. 47,21 en bracht Jozef ook het volk in zijn dienst, van het ene eind van Egypte tot het andere.
Gen. 47,22 Alleen de grond van de priesters kon hij niet opkopen, want de priesters beschikten over een vaste toelage van Farao, en omdat ze konden leven van de toelage die Farao hun schonk, hoefden zij hun grond niet te verkopen.
Gen. 47,23 Nu zei Jozef tot het volk: `Ik heb nu u zelf en uw grond voor Farao gekocht; hier is zaaigoed om het land te bezaai en.
Gen. 47,24 Van de opbrengst moet u een vijfde aan Farao afstaan; vier vijfde kunt u zelf houden als zaad voor uw akkers en als voedsel voor uzelf, uw familie en uw kinderen.'
Gen. 47,25 En zij zeiden: `U hebt ons het leven gered. Blijf ons uw gunst schenken, heer, wij zullen Farao dienstbaar zijn.'
Gen. 47,26 Zo vaardigde Jozef de wet uit die hedentendage voor het akkerland van Egypte geldt, dat namelijk een vijfde voor Farao is. Alleen de grond van de priesters kwam niet in Farao's bezit.
Gen. 47,27 IsraŽl vestigde zich in Egypte, in Gosen. Zij kregen daar vaste bezittingen, waren vruchtbaar en werden zeer talrijk.
Gen. 47,28 Jakob leefde nog zeventien jaar in Egypte, zodat hij honderdzevenenveertig jaar oud werd.
Gen. 47,29 Toen het ogenblik van zijn dood naderde, liet IsraŽl zijn zoon Jozef roepen en zei hem: `Als ik een beroep mag doen op je genegenheid, zweer dan met je hand onder mijn heup dat je mij dit blijk van trouwe liefde zult schenken: begraaf mij niet in Egypte,
Gen. 47,30 maar laat mij rusten bij mijn vaderen. Je moet mij uit Egypte overbrengen en in hun graf begraven.' Hij antwoordde: `Ik zal doen wat u vraagt.'
Gen. 47,31 Hij drong aan: `Zweer het mij.' Hij zwoer het hem en IsraŽl boog zich neer aan het hoofdeinde van het bed.

Gen. 48,1 Enige tijd daarna ontving Jozef bericht: `Uw vader is ziek.' Hij ging met zijn zonen Manasse en Efraim naar hem toe.
Gen. 48,2 En toen men Jakob zei: `Uw zoon Jozef is gekomen,' verzamelde IsraŽl al zijn krachten en ging op zijn bed overeind zit ten.
Gen. 48,3 En Jakob zei tot Jozef: `God Almachtig is mij verschenen te Luz in Kanašn en heeft mij gezegend.
Gen. 48,4 Hij heeft mij gezegd: Ik zal u vruchtbaar maken en talrijk; een menigte volken zal Ik van u maken. Dit land zal Ik aan uw nageslacht voor eeuwig in bezit geven.
Gen. 48,5 Jouw beide zonen die in Egypte geboren zijn, voordat ik in Egypte bij je kwam, zijn mijn zonen: Efraim en Manasse zijn in mijn ogen gelijk aan Ruben en Simeon.
Gen. 48,6 Maar de kinderen die je daarna gekregen hebt, blijven jouw kinderen en zullen samen met hun broers erven.
Gen. 48,7 Toen ik uit Paddan-aram terugkwam, is je moeder Rachel mij in Kanašn dicht bij Efrat door de dood ontvallen; ik heb haar daar begraven aan de weg naar Efrat, dat is Betlehem.'
Gen. 48,8 Bij het zien van Jozefs beide zonen vroeg IsraŽl: `Wie zijn dat?'
Gen. 48,9 Jozef zei tot zijn vader: `Dat zijn de zonen die God mij hier gegeven heeft.' IsraŽl zei: `Laat ze bij me komen, ik wil hun mijn zegen geven.'
Gen. 48,10 IsraŽls ogen waren van ouderdom zo zwak geworden dat hij niet goed meer kon zien. Toen Jozef hen bij hem gebracht had, kuste en omhelsde hij hen.
Gen. 48,11 IsraŽl sprak tot Jozef: `Ik had niet kunnen vermoeden dat ik je nog zou terugzien; en nu laat God mij ook nog je kinderen zien.'
Gen. 48,12 Toen verwijderde Jozef hen van zijn vaders knieŽn en boog met zijn gezicht tot op de grond.
Gen. 48,13 Daarop nam Jozef met zijn rechterhand Efraim vast voor IsraŽl was dat links - en met zijn linkerhand Manasse - voor IsraŽl was dat rechts -; zo bracht hij beiden tot vlak bij hem.
Gen. 48,14 Toen strekte IsraŽl de rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraim, ofschoon hij de jongste was; en zijn linkerhand legde hij op het hoofd van Manasse, - ofschoon Manasse de eerstgeborene was; hij kruiste dus zijn handen.
Gen. 48,15 Toen zegende hij Jozef en sprak: `De God naar wie mijn vaderen Abraham en Isaak hun schreden gericht hebben, de God die mij mijn leven lang tot heden toe geweid heeft,
Gen. 48,16 de engel die mij verlost heeft uit alle nood, moge deze jongens zegenen. Moge in hen mijn naam en de naam van mijn voorvaderen Abraham en Isaak voortleven,
Gen. 48,17 Toen Jozef merkte dat zijn vader de rechterhand op het hoofd van Efraim gelegd had, vond hij dat verkeerd; hij greep de hand om ze van Efraims hoofd te verwijderen en ze op het hoofd van Manasse te leggen.
Gen. 48,18 Hij zei tot zijn vader: `Niet zo, vader, want dit is de oudste; op zijn hoofd moet u uw rechterhand leggen.'
Gen. 48,19 Maar zijn vader weigerde en zei: `Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij zal tot een volk uitgroeien en groot worden, maar zijn jongere broer zal groter zijn dan hij, en zijn nageslacht groeit uit tot een menigte volken.'
Gen. 48,20 En hij sprak op die dag deze zegen over hen uit: `Met jouw naam zal IsraŽl zegen afsmeken en men zal zeggen: God make u gelijk aan Efraim en Manasse.' Zo plaatste hij Efraim voor Manasse.
Gen. 48,21 Nu zei IsraŽl tot Jozef: `Ik ga sterven; God zal je beschermen en je naar het land van je vaderen terugbrengen.
Gen. 48,22 Aan jou geef ik iets meer dan aan je broers: een berg rug, die ik met zwaard en boog op de Amorieten veroverd hebt.'

Gen. 49,1 Jakob ontbood zijn zonen en sprak: `Komt bij elkaar, ik ga jullie zeggen wat jullie wacht in de dagen die komen.
Gen. 49,2 Komt nu bijeen en luister, zonen van Jakob, luistert naar IsraŽl, jullie vader.
Gen. 49,3 Ruben, jij bent mijn eerstgeborene, de eerste vrucht van mijn mannenkracht. Vooraanstaan moest je in hoogheid, vooraan staan in macht;
Gen. 49,4 maar onstuimig ben je als water, je zult niet vooraan staan! Want het bed van je vader heb je bestegen. de legerstee van zijn bijvrouw onteerd.
Gen. 49,5 Simeon en Levi zijn broers van elkaar, hun messen zijn moordtuig!
Gen. 49,6 Bij hen wil mijn ziel niet te rade gaan; waar zij bijeen zijn, laat ik mij niet zien. In hun woede hebben zij mannen vermoord, in hun moedwil die stieren verminkt.
Gen. 49,7 Vervloekt hun woede, zo hevig; vervloekt hun drift, zo wild! Verdelen zal ik hen over Jakob, hen over IsraŽl verstrooi en!
Gen. 49,8 Juda, jou prijzen je broers; jouw hand drukt de nek van je vijanden neer, voor jou staan de zoons van je vader gebogen.
Gen. 49,9 De welp van een leeuw is Juda; met roof ben je opwaarts gekomen, mijn zoon! Hij vlijt zich neer, hij ligt als een leeuw, als de koning der dieren; wie waagt hem te wekken?
Gen. 49,10 Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf niet verdwijnen tussen zijn voeten, totdat hij verschijnt die hem voeren mag; hem zijn de volken gehoorzaam.
Gen. 49,11 Aan de wijnstok bindt hij zijn ezel, aan de wingerd zijn edele volbloed; hij wast zijn gewaad in de wijn, in het bloed van de druiven zijn mantel.
Gen. 49,12 Zijn ogen zijn donkerder dan wijn, zijn tanden witter dan melk.
Gen. 49,13 Zebulon woont aan de zeekant, hij woont aan het strand bij de schepen, zijn flank leunt aan tegen Sidon.
Gen. 49,14 Issakar is een bonkige ezel, die neerligt tussen zijn lasten.
Gen. 49,15 Hij ziet hoe heerlijk de rust is en hoe lieftallig het land; hij buigt zijn schouders om lasten te torsen, en wordt een slaaf, die werkt onder dwang.
Gen. 49,16 Dan is rechter over zijn volk, als een van IsraŽls stammen.
Gen. 49,17 Een slang op de weg moet Dan zijn, een adder op het pad, hij bijt het paard in de hiel en de wagenmenner slaat achterover.
Gen. 49,18 Op uw redding hoop ik, Jahwe!
Gen. 49,19 Gad: een troep valt hem aan, maar hij zit hen op de hielen!
Gen. 49,20 Aser: rijk is zijn brood; heerlijke spijzen biedt hij de vorsten.
Gen. 49,21 Naftali is een uitgelaten hinde, die schone jongen werpt.
Gen. 49,22 Een jonge stier is Jozef, een jonge stier bij een bron, die door de heining van zijn graaswei breekt.
Gen. 49,23 De boogschutters hebben hem getergd hem uitgedaagd en strijd met hem gezocht.
Gen. 49,24 Maar hun bogen werden gebroken door de Bestendige, de spieren van hun handen gescheurd door de handen van Jakobs Machtige, door Hem die zijn herder heet, IsraŽls rots.
Gen. 49,25 De God van je vader zal je helpen; God Almachtig zal je zijn zegen schenken: de zegen van de hemel boven, de zegen van de diepten beneden, de zegen van de borsten en de schoot.
Gen. 49,26 Je vaders zegen gaat verder nog dan de zegeningen van de oude bergen, dan het heerlijkste van de eeuwige heuvels. Op Jozefs hoofd kome die zegen, op de schedel van hem, de gewijde onder zijn broers.
Gen. 49,27 Benjamin is een verscheurende wolf, in de morgen verslindt hij zijn prooi, in de avond verdeelt hij zijn buit.'
Gen. 49,28 Dat zijn al de stammen van IsraŽl, twaalf in getal, met de zegen die hun vader over hen heeft uitgesproken: aan ieder van hen gaf hij een eigen zegen.
Gen. 49,29 Daarna gaf hij hun de volgende opdracht: `Als ik met mijn voorvaderen verenigd word, begraaf mij dan bij mijn vaderen in de grot op de akker van de Hethiet Efron,
Gen. 49,30 in de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre, in Kanašn. Het is de akker die Abraham als eigen begraaf plaats van de Hethiet Efron gekocht heeft.
Gen. 49,31 Daar zijn Abraham en zijn vrouw Sara begraven, daar zijn Isaak en zijn vrouw Rebekka bijgezet, en daar heb ik Lea begraven.
Gen. 49,32 De akker met de grot die erop ligt is gekocht van de Hethieten.'
Gen. 49,33 Toen Jakob zijn zonen deze laatste opdracht gegeven had, trok hij zijn voeten terug op het bed, gaf de geest en werd met zijn voorvaderen verenigd.

Gen. 50,1 Toen wierp Jozef zich op zijn vader, weende over hem en kuste hem.
Gen. 50,2 En hij gebood de geneesheren die in zijn dienst waren zijn vader IsraŽl te balsemen; en de geneesheren deden dat.
Gen. 50,3 Dit nam veertig dagen in beslag, want zolang duurt de balseming. De Egyptenaren rouwden over hem, zeventig dagen lang.
Gen. 50,4 Toen de rouwtijd voorbij was, zei Jozef tot Farao's hovelingen: `Wees mij ter wille en doe voor mij een goed woord bij Farao. Zeg hem:
Gen. 50,5 Mijn vader heeft mij onder ede doen beloven: Ik ga nu sterven; je moet mij begraven in het graf dat ik in Kanašn heb uitgehouwen. Laat mij dus mijn vader gaan begraven; daarna kom ik terug.'
Gen. 50,6 Farao zei: `Ga uw vader begraven, zoals hij u heeft laten beloven.'
Gen. 50,7 Jozef ging dus zijn vader begraven; alle hovelingen van Farao, de oudsten van zijn huis, en alle oudsten van Egypte vergezelden hem;
Gen. 50,8 verder heel de familie van Jozef, zijn broers en de familie van zijn vader. Alleen de kleine kinderen en de schapen en runderen lieten zij in Gosen achter.
Gen. 50,9 Ook wagens en wagenmenners reden met hen mee, zodat het een indrukwekkende stoet was.
Gen. 50,10 Toen zij aangekomen waren bij de Doornendorsvloer, bij de Jordaan, hielden zij een grote, plechtige rouwklacht; zeven dagen lang liet hij over zijn vader rouw bedrijven.
Gen. 50,11 De Kanašnitische bewoners van het land zagen die rouw plechtigheden op de Doornendorsvloer en zeiden: Egypte houdt indrukwekkende rouwklachten; zo komt het dat die plaats aan de overzijde van de Jordaan Abel-misraim heet.
Gen. 50,12 Daarna volvoerden Jakobs zonen de opdracht die hij hun gegeven had.
Gen. 50,13 Zij brachten hem over naar Kanašn en begroeven hem in de grot op de akker van Makpela. Abraham had die akker ten oosten van Mamre als eigen begraafplaats gekocht van de Hethiet Efron.
Gen. 50,14 Nadat Jozef zijn vader begraven had, keerde hij naar Egypte terug, samen met zijn broers en allen die hem vergezeld hadden bij de begrafenis van zijn vader.
Gen. 50,15 Toen Jozefs broers zagen dat hun vader gestorven was, zeiden ze: `Als Jozef zich nu maar niet op ons gaat wreken en ons zwaar laat boeten voor het kwaad dat wij hem aangedaan hebben.'
Gen. 50,16 Daarom zonden zij naar Jozef de volgende boodschap: `Uw vader heeft voor zijn dood bevel gegeven:
Gen. 50,17 Dit moeten jullie Jozef zeggen: Ik smeek je, vergeef toch de misdaad en de zonde die je broers tegen jou bedreven hebben. Vergeef dus de dienaren van de God van uw vader hun misdaad.' Toen zij zo tot hem spraken, barstte Jozef in tranen uit.
Gen. 50,18 Toen kwamen zijn broers zelf, wierpen zich ter aarde en zeiden: `Beschik over ons, wij zijn uw slaven.'
Gen. 50,19 Maar Jozef zei hun: `Wees maar niet bang; bekleed ik soms de plaats van God?
Gen. 50,20 Jullie hebben kwaad tegen mij beraamd, maar God heeft het ten goede gekeerd, om te bewerken wat nu is geschied: het behoud van een talrijk volk.
Gen. 50,21 Wees dus niet bang: ik zal voor jullie en je kleine kinderen zorgen.' Zo stelde hij hen met hartelijke woorden gerust.
Gen. 50,22 Jozef bleef in Egypte wonen, samen met de familie van zijn vader, hij werd honderdtien jaar oud.
Gen. 50,23 Jozef zag het derde geslacht van Efraim; en ook de zonen van Makir, de zoon van Manasse, werden op zijn knieŽn geboren.
Gen. 50,24 Daarna sprak Jozef tot zijn broers: `Ik ga sterven, maar eens toont God zijn macht en leidt jullie van hier naar het land dat Hij onder ede beloofd heeft aan Abraham, Isaak en Jakob.'
Gen. 50,25 Jozef bezwoer de zonen van IsraŽl: `Als God jullie zijn macht toont, dan moet je mijn gebeente van hier meevoeren.'
Gen. 50,26 Toen stierf Jozef, honderdtien jaar oud. Hij werd gebalsemd en in Egypte in een sarcofaag gelegd.

Index Oude Testament Exodus >>