Start
Omhoog

Hosea

 

<< DaniŽl Index Oude Testament JoŽl >>

 

Hosea

Hos. 1,1 Het woord van Jahwe dat gericht is tot Hosea, de zoon van Beeri, gedurende de tijd dat Uzzia, Jotan, Achaz en Hizkia over Juda regeerden en Jerobeam, de zoon van Joas, over IsraŽl.
Hos. 1,2 Hier beginnen de woorden van Jahwe tot Hosea. Jahwe sprak tot Hosea: 'Gij moet een ontuchtige vrouw huwen en kinderen van ontucht bij haar verwekken, want werkelijk, het land loopt door zijn ontucht van Jahwe weg.'
Hos. 1,3 Daarop huwde Hosea Gomer, een dochter van Diblaim; zij werd zwanger en baarde hem een zoon.
Hos. 1,4 Nu sprak Jahwe tot hem: 'Geef hem de naam Jizreel God-zal-zaaien -, want nog maar een korte tijd en Ik wreek het bloedbad van Jizreel op het huis Jehu en Ik maak een einde aan het koningschap in het huis IsraŽl.
Hos. 1,5 Op die dag zal het gebeuren dat Ik in de vlakte van Jizreel de boog van IsraŽl stukbreek.'
Hos. 1,6 De vrouw werd opnieuw zwanger en baarde een dochter. Daarop sprak Jahwe tot Hosea: 'Geef haar de naam Lo-ruchama Geen-erbarmen -, want Ik erbarm mij niet langer over het huis IsraŽl: Ik vaag het helemaal weg.
Hos. 1,7 Over het huis Juda zal Ik mij echter erbarmen en Ik zal het redden, door Jahwe, hun God; Ik zal het niet redden door boog en door zwaard en door oorlog, niet door paarden en door ruiters.'
Hos. 1,8 Toen de vrouw opgehouden had Lo-ruchama te voeden, werd zij zwanger en baarde een zoon.
Hos. 1,9 Toen sprak Jahwe: 'Geef hem de naam Lo-ammi - Niet-mijn -volk -, want gij zijt niet langer mijn volk en Ik ben er niet langer voor u.'

Hos. 2,1 De zonen van IsraŽl zullen talrijk zijn als het land van de zee, dat niet te meten en niet te tellen is; en waar hun eens gezegd werd: Gij zijt niet mijn volk, daar wordt hun nu gezegd: Gij zijt zonen van de levende God.
Hos. 2,2 Dan herenigen zich de zonen van Juda met de zonen van IsraŽl, dan stellen zij beiden dezelfde man aan het hoofd, dan trekken zij op uit het land, want groot is dan de dag van Jizreel.
Hos. 2,3 Dan kunt gij weer tot uw broeders zeggen: Ammi - mijn volk - en tot uw zusters: Ruchama - erbarmen -.
Hos. 2,4 Klaagt uw moeder aan, klaagt haar aan, want zij is niet mijn vrouw en Ik ben haar man niet. Laat zij de tekens van de ontucht wegdoen van haar gezicht en de tekens van het overspel wegdoen tussen haar borsten.
Hos. 2,5 Anders kleed Ik haar helemaal uit, zet Ik haar moeder naakt neer, maak Ik van haar een woestijn, verander Ik haar in een uitgedroogd land en laat Ik haar sterven van dorst.
Hos. 2,6 En ook met haar kinderen geen erbarmen! Het zijn kinderen van ontucht!
Hos. 2,7 Hun moeder immers heeft ontucht bedreven en zij die zwanger van hen is geweest heeft zich schandelijk misdragen. Haar leus was: ik ga mijn minnaars achterna: die bezorgen mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank!
Hos. 2,8 Daarom ga Ik, Jahwe, met dorens uw weg versperren; met een muur ga Ik haar insluiten, zodat ze niet meer op pad kan.
Hos. 2,9 Als zij haar minnaars achterna wil, zal zij hen niet bereiken; als ze hen zoekt, zal ze hen niet vinden. Dan zal ze zegen: Ik wil terug naar mijn eerste man, want toen had ik het beter dan nu.
Hos. 2,10 Zij wil maar niet weten, dat Ik het ben die haar koren bezorg en most en olie, dat Ik haar verrijk met het zilver en het goud waar ze Bašls van maken.
Hos. 2,11 Daarom neem Ik mijn koren terug zodra de oogsttijd komt, en ook mijn most, zodra het zijn tijd is; daarom ruk Ik mijn wol en mijn vlas van haar weg, die haar naaktheid moeten bedekken.
Hos. 2,12 Dan stel Ik haar schaamte ten toon voor de ogen van haar minnaars en niemand ontrukt haar aan mijn hand.
Hos. 2,13 Ik maak een eind aan al haar plezier, haar hoogtijdagen, haar nieuwe maan, haar sabbat en al haar festiviteiten.
Hos. 2,14 Ik verwoest haar wingerden en vijgenbomen, waarvan zij beweert: Dit is het loon dat ik gekregen heb van mijn minnaars. Ik maak er verwilderd hout van, waar de dieren aan vreten.
Hos. 2,15 Ik vraag haar rekenschap voor de dagen die zij aan de Bašls gewijd heeft, waarop zij offervuren voor hen brandde, waarop zij, gesierd met haar ringen en halstooi, haar minnaars achterna ging en Mij vergat. Zo luidt de godsspraak van Jahwe.
Hos. 2,16 En daarom weldra lok Ik haar weer naar Mij toe, zorg Ik dat zij naar de woestijn gaat en spreek Ik tot haar hart.
Hos. 2,17 Vervolgens geef Ik haar dan de wijngaarden terug en maak Ik het Achordal tot een poort van hoop. Daar wordt zij weer gewillig, zoals in de dagen van haar jeugd, toen zij optrok uit Egypte.
Hos. 2,18 Op die dag - zo luidt de godsspraak van Jahwe - zult gij tot Mij roepen: 'Mijn man!' Nooit roept gij Mij dan meer toe: 'Mijn Bašl!'
Hos. 2,19 Dan zal Ik de namen van de Bašls uit haar mond verwijde ren: van hun namen wordt nooit meer gerept.
Hos. 2,20 Op die dag zal Ik een verbond sluiten, ten bate van hen, met de dieren in het wild, met de vogels in de lucht en met wat er kruipt op de grond. Boog en zwaard en oorlog sla Ik het land uit en in veiligheid laat Ik hen wonen.
Hos. 2,21 Ik neem u als mijn bruid, voor altijd, als mijn bruid, in recht en gerechtigheid, in goedheid en erbarming,
Hos. 2,22 als mijn bruid, in onverbrekelijke trouw: dan zult gij Jahwe leren kennen.
Hos. 2,23 Op die dag ben Ik - zo luidt de godsspraak van Jahwe ben Ik de hemel ter wille en is de hemel de aarde ter wille
Hos. 2,24 en is de aarde het koren, de most en de olie ter wille en zijn zij allen Jizreel ter wille.
Hos. 2,25 Dan bezaai Ik het weer, het land, dan erbarm Ik mij weer over Lo-ruchama, dan zeg ik tot Lo-ammi: 'Mijn volk zijt gij.' en dan zegt hij tot Mij: 'Mijn God!'

Hos. 3,1 Jahwe sprak opnieuw tot mij: 'Nu moet gij een vrouw liefhebben die zich door een ander laat liefhebben en overspel bedrijft. Gij moet hetzelfde doen als Jahwe, die de zonen van IsraŽl liefheeft, hoewel die zich tot andere goden keren en verzot zijn op rozijnenkoeken.'
Hos. 3,2 Toen kocht ik die vrouw voor vijftien zilverstukken en anderhalve ezelslast gerst,
Hos. 3,3 en ik zei tegen haar: 'Lange tijd zul je rustig bij mij blijven, zonder ontucht te plegen of je met een man in te laten. Ik zal tegenover jou evenzo handelen.'
Hos. 3,4 Want de zonen van IsraŽl zullen lange tijd wachten, zonder koning of vorst, zonder offer en wijsteen, zonder efod en huisgoden.
Hos. 3,5 Maar daarna zullen de zonen van IsraŽl zich bekeren, zullen zij Jahwe, hun God, en David, hun koning, weer zoeken en bevend naar Jahwe en zijn goedheid komen, op het einde der tijden.

Hos. 4,1 Hoort het woord van Jahwe, zonen van IsraŽl! Jahwe heeft een aanklacht tegen de bewoners van het land: er bestaat geen trouw en geen vroomheid meer, en van God wil men niet meer weten in het land.
Hos. 4,2 Zweren en liegen, moorden, stelen en echtbreken zijn er schering en inslag, bloedbad volgt er op bloedbad.
Hos. 4,3 Daarom verdroogt het land en kwijnen al zijn bewoners weg; de dieren op het veld, de vogels in de lucht, de vissen in de zee komen zelfs om.
Hos. 4,4 Laat echter niemand beschuldigingen uitspreken, niemand vonnissen vellen. Mijn aanklacht richt zich, priester, tegen u:
Hos. 4,5 gij struikelt vandaag en vannacht struikelt ook de profeet, met u. Ik zal uw moeder doen verstommen.
Hos. 4,6 Mijn volk verstomt omdat het niet van God wil weten, maar gij, gij zijt het die de kennis van God verworpen hebt: daarom verwerp ik u als mijn priester. Gij hebt de wet van uw God vergeten: daarom vergeet ik uw zonen ook.
Hos. 4,7 Zo talrijk als zij zijn, even talrijk zijn hun zonden tegen Mij. Ik maak hun glorie tot schande.
Hos. 4,8 Zij eten van de zonde van mijn volk en gnuiven om zijn schuld.
Hos. 4,9 Daarom staat de priester hetzelfde lot te wachten als het volk: Ik vraag hem rekenschap van zijn gedrag, Ik zet hem zijn daden betaald.
Hos. 4,10 Dan zullen zij eten zonder verzadigd te worden, tot ontucht verleiden zonder er baat van te hebben, want zij hebben Jahwe verlaten en hebben de ontucht in stand gehouden.
Hos. 4,11 Wijn en most beroven mijn volk van zijn verstand.
Hos. 4,12 Het raadpleegt zijn stuk hout en zijn stok heeft het voor het zeggen. De geest van ontucht heeft hen misleid, door hun ontucht lopen zij weg van hun God.
Hos. 4,13 Op de bergtoppen brengen zij offers, op de heuvels branden zij wierook onder eik en populier en terebint, want de schaduw is daar zo goed. Geen wonder dat uw dochters ontucht plegen en uw schoondochters overspel begaan!
Hos. 4,14 Maar niet uw dochters zal Ik ter verantwoording roepen voor hun ontucht en niet uw schoondochters voor hun overspel. De heren zoeken het immers zelf bij de hoeren en brengen hun offers in het gezelschap van tempeldeernen! Het domme volk komt ten val
Hos. 4,15 met dat ontuchtige gedoe! Gij IsraŽl, maak u toch niet schuldig - en ook Juda niet! -, ga toch niet naar Gilgal, trek toch niet op naar Bet-awen en zweer daar niet bij het leven van Jahwe!
Hos. 4,16 Als een rebelse koe, zo rebels is IsraŽl. en Jahwe zou het moeten weiden als een lam in het wijde veld?
Hos. 4,17 Efraim is aan afgodsbeelden verknocht. Laat hem!
Hos. 4,18 Nauwelijks is de dronkenschap voorbij, of zij storten zich in de ontucht; zij zijn verslingerd aan de schande van de schaamtelozen.
Hos. 4,19 Een stormwind wikkelt hen in vleugels. Hun altaren staan voor schande.

Hos. 5,1 Hoort deze woorden, priesters, spits uw oren, huis IsraŽl, luister, huis van de koning! U kwam de rechtspraak toe, maar gij zijt een strik geworden te Mispa, een net, op de Tabor gespannen,
Hos. 5,2 een diepe valkuil, gegraven te Sittim. Ik zal u allen tuchtigen.
Hos. 5,3 Als iemand Efraim kent ben Ik het en voor Mij is IsraŽl niet verborgen; Ik verzeker u: Efraim heeft ontucht bedreven en IsraŽl heeft zich onrein gemaakt.
Hos. 5,4 Hun daden beletten hen naar hun God terug te keren, want de geest van ontucht bezielt hen en van Jahwe weten zij niet.
Hos. 5,5 IsraŽls hoogmoed getuigt tegen hem, IsraŽl en Efraim struikelen over hun eigen schuld en met hen is ook Juda gestruikeld.
Hos. 5,6 Met hun schapen en runderen zullen zij komen om Jahwe te zoeken, maar zij zullen Hem niet vinden. Hij heeft zich aan hen onttrokken.
Hos. 5,7 Zij zijn Jahwe ontrouw geworden en hebben bastaards voortgebracht; daarom zal een nieuwe maan hun akkers verslinden.
Hos. 5,8 Blaas de bazuin in Gibea, steek de trompet in Rama, sla alarm in Bet-awen; ze zitten achter u aan, Benjamin!
Hos. 5,9 Efraim zal verwoest worden op de dag van hun strafgericht. Over IsraŽls stammen maak Ik een onherroepelijk besluit bekend.
Hos. 5,10 De leiders van Juda gaan te werk als lieden die grens steden verleggen: Ik stort mijn verbolgenheid als water over hen uit.
Hos. 5,11 Efraim is verdrukt, het recht is verkracht, want het was er zo op gebrand de ijdelheden achterna te lopen.
Hos. 5,12 Maar Ik ben de mot die Efraim aanvreet, de verrotting in het huis Juda.
Hos. 5,13 Wanneer Efraim zijn ziekte ziet en Juda zijn etterende wonde, dan loopt Efraim naar Assur en zendt Juda gezanten naar de Wraakvorst. Maar hij kan u niet genezen, hij helpt u niet van die etterende wonde af.
Hos. 5,14 Ik zelf immers, als een leeuw keer Ik Mij tegen Efraim, als een leeuwenjong tegen het huis Juda. Ik verscheur ze en Ik ga heen, Ik haal ze weg en niemand ontrukt ze Mij.
Hos. 5,15 Ik wil heengaan, naar mijn woonplaats terug, totdat zij, met schuld beladen, mijn aangezicht zoeken. In hun nood zullen zij naar Mij uitzien.

Hos. 6,1 'Kom, laten we terugkeren tot Jahwe; Hij heeft ons verscheurd, Hij zal ons ook genezen; Hij heeft wonden geslagen, Hij zal ze ook verbinden.
Hos. 6,2 Na twee dagen maakt Hij ons weer levend, op de derde dag laat Hij ons weer opstaan om weer te leven voor zijn aanschijn.
Hos. 6,3 Wij willen Jahwe liefhebben, ons inspannen om Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad vertoont Hij zich, komt Hij over ons als de regen, als de lenteregen die de aarde drenkt.'
Hos. 6,4 Wat moet Ik met u beginnen, Efraim? Wat moet Ik met u beginnen, Juda? Uw vroomheid is als de morgennevel, als de dauw die vroeg in de morgen verdwijnt.
Hos. 6,5 Daarom heb Ik op u ingeslagen door de profeten, heb Ik de dood gebracht door de woorden van mijn mond: mijn oordeel brak door als het licht.
Hos. 6,6 Want vroomheid wens Ik, geen offergaven, en erkenning van God, meer dan brandoffers.
Hos. 6,7 Zij hebben het verbond overtreden, als Adam: zo zijn zij Mij ontrouw geworden.
Hos. 6,8 Gilead is een stad van boosdoeners, met bloedsporen besmeurd;
Hos. 6,9 als een loerende roverstroep is het priestergilde: zij moorden op de weg naar Sichem, schandelijk is hun gedrag. Het zijn afschuwelijke dingen,
Hos. 6,10 die Ik in het huis van IsraŽl zie: Ik zie hoe Efraim ontucht pleegt en IsraŽl zich bezoedelt.
Hos. 6,11 Ook u, Juda, staat een oogst te wachten!

Hos. 7,1 Als ik mijn volk zal herstellen, als Ik IsraŽl zal genezen, komt de zonde van Efraim aan het licht en de boosheid van Samaria. Want al hun doen is bedrog: dieven breken in, de wegen worden door rovers onveilig gemaakt.
Hos. 7,2 Zij denken er maar niet aan, dat Ik mij al hun kwaad herinner. Ze zitten ingekapseld in hun daden, die Mij duidelijk voor ogen staan.
Hos. 7,3 Met hun boosheid doen zij de koning nog genoegen, met hun leugens de grote heren.
Hos. 7,4 Allen plegen zij echtbreuk, zij laten hun oven maar branden, terwijl een bakker ophoudt met stoken zolang hij het deeg kneedt en het laat rijzen.
Hos. 7,5 Op de dag van onze koning hebben zij de notabelen met wijn verhit en onpasselijk gemaakt; en hij heeft die spotters nog de hand gereikt!
Hos. 7,6 Loerend komen zij aan, hun hart is als een oven, waarin hun woede de hele nacht sluimert om 's morgens weer op te laaien als een vlammend vuur.
Hos. 7,7 Zij zijn allen zo heet als een oven en verslinden hun rechters. Al hun koningen zijn omgekomen en niet een van hen heeft Mij aangeroepen.
Hos. 7,8 Efraim heeft zich met de volken vermengd, Efraim is als een koek die niet gekeerd wordt.
Hos. 7,9 De vreemdelingen hebben zijn krachten verteerd, maar hij zelf weet van niets; zijn haar is wit geworden, maar hijzelf weet van niets. Door zijn eigen hoogmoed wordt IsraŽl aangeklaagd,
Hos. 7,10 maar zij bekeren zich niet tot Jahwe hun God, en zoeken Hem niet, trots dit alles.
Hos. 7,11 Efraim is als een duif, onnozel en zonder verstand. Zij hebben Egypte te hulp geroepen en zij zijn naar Assur gevlogen.
Hos. 7,12 Maar waar zij ook vliegen, Ik span mijn net om hen te vangen en Ik haal hen omlaag, als vogels in de lucht, Ik vang ze, zodra ik hun zwerm hoor gaan.
Hos. 7,13 Wee over hen, omdat ze Mij ontvluchten, verderf over hen, omdat ze Mij ontvluchten, verderf over hen, omdat ze Mij ontrouw zijn! Hoe kan Ik hen verlossen, terwijl ze zo leugenachtig tegen Mij spreken,
Hos. 7,14 terwijl zij niet uit de grond van hun hart tot Mij roepen, maar op de bedden liggen te jammeren, terwijl ze zich kerven om koren en most, maar zich afkeren van Mij?
Hos. 7,15 Ik was het die hen onderwees en die hun armen kracht gaf, maar zij beramen kwaad tegen Mij.
Hos. 7,16 Zij wenden zich tot Bašl, zij zijn als een boog zonder veerkracht. Hun leiders zullen vallen door het zwaard vanwege hun onbeschaamde taal, hun krompraat in Egypte.

Hos. 8,1 Zet de bazuin aan uw mond: Een gier hangt boven Jahwe's huis! Zij hebben mijn verbond overtreden, ze zijn ontrouw geworden aan mijn wet.
Hos. 8,2 Zij roepen tot Mij: 'Mijn God! Wij, IsraŽl, erkennen U!'
Hos. 8,3 Maar een IsraŽl, dat het heil van zich afstoot, het zal door een vijand vervolgd worden.
Hos. 8,4 Zij hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om; zij hebben zich leiders gekozen, maar buiten Mijn weten. Van hun zilver en goud maakten zij afgodsbeelden, goed om stukgeslagen te worden.
Hos. 8,5 Verwijder toch uw sterrenbeeld, Samaria! Mijn toorn ontbrandt tegen hen. Hoelang zal het nog duren? Zijn ze dan niet tot onschuld in staat?
Hos. 8,6 Ja, die afgod komt uit IsraŽl, door een kunstenaar daar gemaakt, maar het is geen god. Ja, het zal versplinterd worden, dat sterrenbeeld van Samaria!
Hos. 8,7 Ja, zij zaaien wind, maar storm zullen zij oogsten: de halmen waar geen groei in zit geven geen meel, en al geven zij het wel, vreemden vrat en het op.
Hos. 8,8 IsraŽl wordt opgevreten. Onder de volken zijn zij nu al als rommel waar niemand naar omziet.
Hos. 8,9 Zij zijn naar Assur gelopen: een wilde ezel blijft bij zijn soort, maar Efraim zoekt zijn liefde elders.
Hos. 8,10 Ook al zoeken zij het onder de volken, Ik drijf hen nu bijeen en laat hen een tijd lang zuchten onder de last van de koning der vorsten.
Hos. 8,11 Ja, Efraim heeft zijn altaren talrijk gemaakt, maar die dienden om te zondigen, altaren om te zondigen!
Hos. 8,12 Al schrijf Ik mijn wet ook nog zo vaak aan hem voor, zij geldt als de wet van een vreemde.
Hos. 8,13 Zij brengen offers naar hun eigen welbehagen en eten van het offervlees, maar Jahwe aanvaardt die niet. Nu herinnert Hij zich hun schuld en straft Hij hun zonden: zij gaan naar Egypte terug!
Hos. 8,14 IsraŽl heeft zijn maker vergeten en heeft zich hoge huizen gebouwd. Juda heeft zijn vestingen talrijk gemaakt. Maar Ik slinger vuur in zijn steden: het verslindt zijn paleizen.

Hos. 9,1 Verheug u maar niet, IsraŽl, en juich maar niet, zoals de andere volken, gij die door uw ontucht van uw God zijt weggelopen, begerig naar hoerenloon op iedere dorsvloer waar het koren gedorst wordt.
Hos. 9,2 Dorsvloer en perskuip zullen hen niet voeden, en de nieuwe wijn zal haar teleurstellen.
Hos. 9,3 Zij blijven niet langer wonen in Jahwe's land: Efraim gaat terug naar Egypte, het eet in Assur onrein voedsel.
Hos. 9,4 Dan kunnen zij voor Jahwe geen wijn meer plengen en Hem met hun offers niet welgevallig meer zijn. Voor henzelf zullen die als rouwbrood zijn: alwie ervan eet wordt onrein. Want hun brood komt wel in hun keel, maar het huis van Jahwe bereikt het niet.
Hos. 9,5 Wat doet ge dan nog met een hoogtijdag, een feestdag van Jahwe?
Hos. 9,6 Voorwaar, zij ontlopen de verwoesting om door Egypte te worden samengedreven en door Mof te worden begraven. Hun zilver, zo kostelijk als het is, wordt het erfdeel van de distels, en dorens tieren in hun tenten.
Hos. 9,7 Nu komt de tijd van de afrekening, nu is het de tijd van de vergelding! IsraŽl zal het weten! De profeet is mal, zeggen ze, de man die de geest heeft, is gek! Omdat uw schuld zo groot is, is uw tegenstand ook groot.
Hos. 9,8 Degene die waakt over Efraim, het volk van mijn God, een profeet, hij vindt netten van vogelaars op al zijn wegen, tegen stand tot in het huis van zijn God.
Hos. 9,9 Zij zijn even diep gezonken als in de dagen van Gibea. Hij zal zich hun zonde herinneren, hun overtredingen bestraffen.
Hos. 9,10 Als de druiven in de woestijn, zo vond ik IsraŽl, als de vroegste vruchten aan een vijgenboom, zijn eerstelingen, zo zag Ik uw vaderen. Maar zij gingen naar Bašl-peor en wijdden zich daar aan de schande; zij werden een gruwel, net als hun geliefde.
Hos. 9,11 Efraims luister vliegt weg als een vogel: gedaan is het nu met geboorte, met zwangerschap, met bevruchting.
Hos. 9,12 Al brengen zij hun zonen nog groot, Ik beroof hen ervan, en er rest geen mens meer. En wee ook over henzelf, als Ik mij van hen terugtrek.
Hos. 9,13 Efraim, zoals Ik het ontwaarde, was een jonge palm, geplant in een weide. Dat Efraim moet zijn zonen nu brengen naar iemand die ze vermoordt.
Hos. 9,14 Geef hun, Jahwe - ja, wat zult Gij hun geven? - geef hun een schoot, die geen vrucht houdt, en geef hun verdorde borsten.
Hos. 9,15 In Gilgal is heel hun boosheid gebleken: daar ben Ik hen gaan verfoeien. Om de boosheid van hun daden jaag Ik hen weg uit mijn huis. Ik wil hen niet langer liefhebben: al hun leiders zijn rebellen.
Hos. 9,16 Efraim is geslagen, zijn wortel verdord; zij dragen geen vrucht meer, en zelfs al baarden zij kinderen, Ik doodde de dierbare vrucht van hun schoot.
Hos. 9,17 Mijn God zal hen verwerpen, omdat zij niet naar Hem geluisterd hebben: zij zullen ontheemd zijn onder de volken.

Hos. 10,1 IsraŽl is een weelderige wijnstok, die ook weelderige vruchten draagt. En hoe talrijker maakt IsraŽl zijn altaren. Hoe mooier zijn land wordt, des te mooier versiert het zijn wijstenen.
Hos. 10,2 Omdat zij zo dubbelhartig zijn, zullen zij na hun schuld gaan boeten. Hij zelf geeft hun altaren de nekslag en slaat de wijstenen stuk.
Hos. 10,3 Ja, dan zullen zij zeggen: 'Wij hebben geen koning, want als wij Jahwe niet vrezen, wat helpt ons de koning dan?'
Hos. 10,4 Terwijl ze maar praten, loze eden zweren en overeenkom sten aangaan, verwildert de rechtspraak en wordt als giftig kruid in de voren van een akker.
Hos. 10,5 Om dat stierengeval van Bet-awen zullen de mensen van Samaria beven. Ja, om die stier rouwt het volk. De afgodenpriesters maken misbaar om hem: ja, zijn heerlijkheid is weggevoerd.
Hos. 10,6 Ook het beeld wordt naar Assur gebracht om aan de Wraak vorst geofferd te worden. Efraim wordt met schande beladen, IsraŽl zal om zijn houtblok beschaamd staan.
Hos. 10,7 Samaria is tot zwijgen gebracht, zijn koning is als een afgebroken tak die op het water drijft.
Hos. 10,8 De gruwelhoogten worden verwoest, IsraŽls zonde. Doornen en distels overwoekeren hun altaren. Dan roepen zij de bergen toe: 'Bedek ons!' en de heuvels: 'Val op ons neer!'
Hos. 10,9 Al sinds de dagen van Gibea, IsraŽl, hebt gij gezondigd: zij zijt bij Gibea blijven staan, alsof de oorlog tegen de boosdoeners hen daar niet treffen zou.
Hos. 10,10 Dit is mijn wens: hen te tuchtigen. Volkeren zullen tegen hen verzameld worden, tegen hen die in een tweevoudige zonde verstrikt zijn.
Hos. 10,11 Efraim is een vaars, die geleerd heeft gedwee te dorsen. Ikzelf merkte haar machtige nek op. Ik spande Efraim in; Juda zou ploegen en Jakob eggen.
Hos. 10,12 Zaai rechtschapenheid, dan zult gij goedheid oogsten; ontgin het braakland. Het is nu de tijd om Jahwe te zoeken, totdat Hij komt en de gerechtigheid over u laat regenen.
Hos. 10,13 Maar gij hebt boosheid ingeploegd, misdaad geoogst en de vrucht gegeten van het bedrog. Omdat gij vertrouwd hebt op uw eigen wegen, op het grote getal van uw helden,
Hos. 10,14 daarom zal er een krijgsgeschreeuw opgaan tegen uw volk en zullen al uw vestingen verwoest worden, zoals Salman Bet-arbel verwoest heeft op de dag van de strijd, toen de moeder werd te pletter gegooid boven op haar zonen.
Hos. 10,15 Dit heeft Betel u bezorgd vanwege uw barre verdorvenheid. Al bij het morgenkrieken wordt IsraŽls koning voorgoed tot zwijgen gebracht.

Hos. 11,1 Toen IsraŽl nog jong was, kreeg Ik hem lief en uit Egypte heb Ik hem geroepen, mijn zoon.
Hos. 11,2 Maar hoe Ik hem ook riep, zij liepen van Mij weg, ja, zij brachten offers aan de Bašls en brandden wierook voor de godenbeelden,
Hos. 11,3 en dat terwijl Ik toch degene ben die Efraim heeft leren lopen, die hem bij zijn armen heeft gevat. Zij echter wilden maar niet weten dat Ik het was die hen behoedde.
Hos. 11,4 Met zachte leidsels heb Ik hen gemend, met teugels van liefde. Ik was voor hen als degenen die het juk optillen wanneer het tegen de kaken drukt. Ik reikte hem zijn voedsel toe.
Hos. 11,5 Moet hij dan niet terugkeren naar Egypte en zal Assur niet zijn koning worden, nu zij weigeren zich te bekeren?
Hos. 11,6 Het zwaard zal rondgaan in hun steden, het zal hun grendels breken en het zal hen verslinden om wat zij beraamden.
Hos. 11,7 Mijn volk verhangt zich aan zijn ontrouw jegens Mij; zij roepen Bašl wel aan, maar die maakt hen niet los uit de strop.
Hos. 11,8 Hoe zou Ik echter u kunnen prijsgeven, Efraim, u kunnen overleveren, IsraŽl? Hoe zou Ik u kunnen prijsgeven, alsof gij Adma waart, of met u kunnen doen zoals met Seboim? Mijn hart slaat om, heel mijn binnenste wordt week.
Hos. 11,9 Neen, Ik zal mijn vlammende toorn toch niet koelen, Efraim niet opnieuw te gronde richten, want Ik ben God, Ik ben geen mens, Ik ben de Heilige in uw midden. Ik laat Mij niet gaan in mijn toorn.
Hos. 11,10 Zij zullen achter Jahwe aan gaan. Als een leeuw zal Hij brullen. Ja, Hij zal brullen, en bevend komen dan de zonen van de zeekant.
Hos. 11,11 Bevend komen zij uit Egypte, als vogels, uit het land van Assur, als duiven. Ik vestig hen weer in hun tehuis - zo luidt de godsspraak van Jahwe.

Hos. 12,1 Met leugen heeft Efraim Mij omgeven en het huis van IsraŽl omgaf Mij met bedrog. Juda doolt nog rond met El en blijft diens heiligen trouw.
Hos. 12,2 Efraim zoekt het bij de wind, het zit de schroeiwind na, de hele dag. Het stapelt leugen op en geweld. Met Assur sluiten zij een verbond en naar Egypte wordt olie gebracht.
Hos. 12,3 Jahwe heeft een aanklacht tegen Juda, om van Jakob rekenschap te vragen voor zijn gedragingen; naar zijn daden zal Hij hem vergelden.
Hos. 12,4 In de moederschoot heeft hij zijn broer bedrogen, man geworden vocht hij met God.
Hos. 12,5 Hij vocht met een engel en hij overwon. Schreiend vroeg hij Hem toen een gunst. In Betel ontmoette hij God en daar sprak Hij met hem.
Hos. 12,6 Hij, Jahwe, de God van de legerscharen: Jahwe is zijn naam!
Hos. 12,7 Met de hulp van uw God zult gij terugkeren; houdt u aan liefde en recht en blijf altijd op uw God vertrouwen.
Hos. 12,8 Kanašn houdt een vervalste weegschaal in zijn hand, het is belust op bedrog.
Hos. 12,9 En Efraim zegt: 'Al ben ik vermogend geworden en al heb ik rijkdom opgedaan, met al die winst deed ik geen schuld op, waarin iemand zonde kan zien.'
Hos. 12,10 Maar ik ben Jahwe, uw God, al sinds Egypte, en opnieuw zal Ik u in tenten laten wonen, zoals in de dagen van ontmoeting.
Hos. 12,11 Ik zal tot de profeten spreken, Ik zal de visioenen talrijk maken en gelijkenissen leggen in de mond van de profeten.
Hos. 12,12 Gilead met al zijn boze macht is louter nietigheid geworden. Ondanks al de stierenoffers in Gilgal zijn hun altaren als hopen steen geworden, die bij de voren van de akkers liggen.
Hos. 12,13 Jakob vluchtte naar de vlakte van Aram; IsraŽl ging dienen om de hand van een vrouw, om de hand van een vrouw hoedde hij het vee.
Hos. 12,14 Maar door de hand van een profeet heeft Jahwe IsraŽl uit Egypte geleid, door de hand van een profeet werd IsraŽl gehoed.
Hos. 12,15 Efraim heeft zijn Heer bitter beledigd, maar deze vraagt hem rekenschap van zijn bloedschuld en vergeldt hem zijn smaad.

Hos. 13,1 Waar Efraim sprak was schrik, hoog was zijn aanzien in IsraŽl. Maar hij maakte zich schuldig door de Bašl: daaraan ging hij te gronde.
Hos. 13,2 Toch blijven zij maar zondigen; zij hebben zich gegoten beelden gemaakt, van hun zilver maakten zij afgodsbeelden naar hun eigen smaak, louter werk van ambachtsvolk. Daaraan wijden zij mijn offers toe, zij, mensen die sterrenbeelden kussen.
Hos. 13,3 Daarom zullen zij worden als de morgennevel, als de dauw die vroeg op de dag verdwijnt, als kaf dat wegwaait van de dorsvloer, als rook uit een luchtgat.
Hos. 13,4 Want Ik ben Jahwe, uw God, al sinds Egypte. Naast Mij zult gij geen God erkennen, er is geen andere redder dan Ik.
Hos. 13,5 Ik was het, die u in de woestijn als de mijne gekend heb, in dat verschroeide land.
Hos. 13,6 Zo goed was hun weidegrond, dat zij verzadigd werden. Maar toen zij verzadigd waren, werd hun hart hoogmoedig; zo zijn ze Mij vergeten.
Hos. 13,7 Ik ben voor hen als een leeuw geworden, Ik loer als een panter langs de weg.
Hos. 13,8 Ik val hen aan als een berin, een die van haar jongen beroofd is, en Ik rijt hun de borstkas open; als een leeuwin verslind Ik hen dan, zij worden door wilde beesten verscheurd.
Hos. 13,9 Het is uw ondergang, IsraŽl, terwijl Ik toch uw helper ben!
Hos. 13,10 Waar blijft dan uw koning die u zal redden, met al uw beschermers en rechters, degenen van wie gij gezegd hebt: 'Geef mij een koning en leiders?'
Hos. 13,11 Vertoornd gaf Ik u een koning, woedend nam Ik hem terug.
Hos. 13,12 De schuld van Efraim is gebundeld, zijn zonden liggen opgeborgen.
Hos. 13,13 Als de barensweeŽn van hem komen, dan blijkt hij een onwijs kind te zijn; wanneer het zijn tijd is, vertoont hij zich niet in de opening van de moederschoot.
Hos. 13,14 Zou ik hen dan bevrijden uit de macht van het doden rijk, zou Ik hen loskopen van de dood? Dood, waar blijft uw pest, dodenrijk, waar uw verderf Mijn ogen kennen geen erbarmen.
Hos. 13,15 Terwijl hij tussen het riet gedijt, komt de schroeiwind aan, de adem van Jahwe, opstekend uit de woestijn. Dan verdroogt zijn bron, dan geeft zijn wel geen water meer. Dan komt degene die zijn schatten rooft en al zijn kostbaarheden weghaalt.

Hos. 14,1 Samaria moet zijn schuld boeten, omdat het weerspannig is tegen zijn God. Zij zullen omkomen door het zwaard, hun zuigelingen worden te pletter geslagen, hun zwangere vrouwen opengereten.
Hos. 14,2 Bekeer u, IsraŽl, tot Jahwe uw God want over uw schuld zijt gij gestruikeld.
Hos. 14,3 Kom met uw woorden als gave, bekeer u tot Jahwe en zeg Hem: 'Gij vergeeft toch alle schuld; aanvaard ook onze goede wil: wij zullen onze woorden als offerdieren geven.
Hos. 14,4 Assur kan ons niet redden; wij zullen niet meer op paarden rijden en tegen het maaksel van onze handen zeggen wij nooit meer: Gij zijt onze God. Gij, Jahwe, zijt immers degene bij wie de wees ontferming vindt.'
Hos. 14,5 Ik wil hen van hun ontrouw genezen en hun van harte mijn liefde schenken. Mijn toorn heeft zich van hem afgewend.
Hos. 14,6 Ik wil voor IsraŽl zijn als de dauw: als een lelie zal hij gaan bloeien en hij zal wortels schieten, als op de Libanon.
Hos. 14,7 Zijn scheuten lopen uit, zijn luister evenaart die van de olijfboom, zijn geur die van de Libanon.
Hos. 14,8 Zij zullen opnieuw in zijn schaduw zitten; zij zullen koren kunnen verbouwen, zij zullen bloeien als de wingerd en vermaard zijn als de wijn van de Libanon.
Hos. 14,9 Wat heb Ik dan nog met de afgoden te maken, Efraim? Ik ben het die hem verhoort en die naar hem omziet. Ik ben als een altijd groene cipres: aan Mij zijn uw vruchten te danken.
Hos. 14,10 Wie is zo wijs dat hij dit beseft, wie is zo verstandig dat hij dit inziet? Inderdaad, recht zijn de wegen van Jahwe; de rechtschapenen bewandelen die, maar rebellen komen er ten val.

<< DaniŽl Index Oude Testament JoŽl >>