Start
Omhoog

Jeremia

 

<< Jesaja Index Oude Testament Klaagliederen >>

 

Jeremia

Jer. 1,1 De woorden van Jeremia, zoon van Chilkia, een priester uit Anatot in Benjamin.
Jer. 1,2 Tot hem kwam het woord van Jahwe, in de tijd van Josia, zoon van Amon, koning van Juda. Het was in het dertiende jaar van diens regering.
Jer. 1,3 Vervolgens onder Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, tot het eind van het elfde jaar van Sidkia, zoon van Josia, koning van Juda; in de vijfde maand van dat jaar ging Jeruzalem in ballingschap.
Jer. 1,4 Het woord van Jahwe kwam tot mij:
Jer. 1,5 Voordat Ik u in de moederschoot vormde, koos Ik u uit; voordat ge geboren werd, bestemde Ik u voor Mij; als profeet voor de volken heb Ik u aangewezen.
Jer. 1,6 Ik zei: `Ach, Jahwe, mijn Heer, ik kan niet spreken; ik ben veel te jong.'
Jer. 1,7 Maar Jahwe antwoordde: Zeg niet: `Ik ben veel te jong!' Naar iedereen tot wie Ik u zend, moet gij gaan en alles wat Ik u opdraag, moet ge hun zeggen.
Jer. 1,8 Wees niet bang voor hen, want Ik ben bij u om u te redden - godsspraak van Jahwe.
Jer. 1,9 Jahwe stak toen zijn hand uit, raakte mijn mond aan en Jahwe sprak tot mij: Ik leg hiermee mijn woorden in uw mond.
Jer. 1,10 Ik stel u heden aan over volken en over koninkrijken, om ze uit te rukken en af te breken, om ze te vernielen en te verwoesten, om ze op te bouwen en te planten.
Jer. 1,11 Het woord van Jahwe kwam tot mij: `Wat ziet gij, Jeremia?' Ik antwoordde: `Ik zie een amandeltak.'
Jer. 1,12 En Jahwe zei: `Ge hebt goed gezien. Ik houd de wacht bij mijn woord en doe wat Ik zeg.'
Jer. 1,13 Weer kwam het woord van Jahwe tot mij: `Wat ziet ge?' Ik antwoordde: `Ik zie een kokende ketel, kantelend vanuit het noorden.'
Jer. 1,14 En Jahwe zei: Van het noorden uit breken de rampen los over alle bewoners van het land.
Jer. 1,15 Waarachtig. Ik roep alle koningen van het noorden godsspraak van Jahwe - Zij komen en plaatsen hun troon vlak voor Jeruzalems poorten, onder de wallen die haar omringen en voor de steden van Juda.
Jer. 1,16 Dan vel Ik mijn vonnis over hen vanwege hun misdaden: want Mij hebben ze verlaten, offers gebracht aan andere goden, en zich gebogen voor hun eigen maaksel.
Jer. 1,17 Omgord uw lenden, sta op en zeg hun alles wat Ik u opdraag. Laat u door hen geen angst aanjagen; anders jaag Ik u angst aan voor hen.
Jer. 1,18 Ik maak heden van u een versterkte stad, een ijzeren zuil, een koperen muur tegenover het hele land: de koningen en edelen van Juda, de priesters en de burgers.
Jer. 1,19 Zij zullen u bestrijden, maar u niets kunnen doen. Want Ik ben bij u om u te redden - godsspraak van Jahwe -.

Jer. 2,1 Het woord van Jahwe kwam tot mij:
Jer. 2,2 Ga, roep Jeruzalem toe: Dit zegt Jahwe: Ik denk terug aan de trouw van uw jeugd aan de liefde van uw bruidstijd; hoe gij Mij zijt gevolgd in de woestijn, het land waar niets wordt gezaaid.
Jer. 2,3 IsraŽl was Jahwe's heilig bezit, de eerste vrucht van zijn oogst. Allen die ervan durfden eten moesten het boeten: onheil kwam over hen - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 2,4 Hoor het woord van Jahwe, huis van Jakob, alle geslachten van IsraŽl.
Jer. 2,5 Dit zegt Jahwe: Wat voor verkeerds vonden uw voorvaderen in Mij, dat ze van Mij weg zijn gegaan, achter wind zijn aangelopen, en wind zijn geworden.
Jer. 2,6 Zij vroegen niet: `Waar is Jahwe, die ons uit Egypte heeft gevoerd, die ons geleid heeft door de woestijn, dat land vol steppen en ravijnen, dat dor en duister oord waar geen mens doorheen trekt en waar geen sterveling woont.'
Jer. 2,7 Ik heb u gebracht in een veilig land, Ik liet u van zijn heerlijke vruchten genieten. Maar onmiddellijk na uw komst hebt ge mijn land onteerd zodat Ik een afkeer kreeg van mijn eigen grond.
Jer. 2,8 De priesters vroegen niet: `Waar is Jahwe?' De kenners van de weg erkenden Mij niet; de vorsten zijn Mij ontrouw geworden; de profeten werden profeten van Bašl: ze liepen goden achterna, die niet baten.
Jer. 2,9 Daarom span Ik nog een rechtszaak tegen u aan - godsspraak van Jahwe -, een rechtszaak ook tegen uw kleinkinderen.
Jer. 2,10 Vaar naar de eilanden van de KittiŽrs, stuur mensen naar Kedar en kijk maar, of ooit zoiets gebeurd is.
Jer. 2,11 Is ooit een volk van goden veranderd? En dat zijn niet eens goden! Maar mijn volk heeft zijn machtige God vervangen door een god die niet baat.
Jer. 2,12 Hemel, sta hierover ontsteld, huiver en sidder - godsspraak van Jahwe -,
Jer. 2,13 want mijn volk heeft dubbel misdreven: Mij hebben ze verlaten, de bron van levend water, en ze hebben regenbakken gehouwen, vol barsten en die geen water houden.
Jer. 2,14 IsraŽl is toch geen knecht; hij is ook niet als slaaf geboren! Hoe is hij dan een prooi geworden
Jer. 2,15 waartegen de leeuwen brullen! Ze hebben van zijn land een wildernis gemaakt; zijn steden zijn platgebrand en ontvolkt.
Jer. 2,16 Zelfs de mensen van Nof en Tachpanches grazen uw hoogten af.
Jer. 2,17 Komt dit niet over u, omdat ge Jahwe, uw God hebt verlaten toen Hij u leidde op uw tocht?
Jer. 2,18 Waarom moest ge naar Egypte gaan en water van de Nijl drinken? Waarom moest ge naar Assur gaan en water van de Eufraat drinken?
Jer. 2,19 Uw eigen misdaad straft u; uw ontrouw kastijdt u. Besef dus, hoe slecht en bitter het is Jahwe uw God te verlaten en Mij niet te vrezen, - godsspraak van Jahwe, de Heer van de machten -.
Jer. 2,20 Al lang geleden hebt ge uw juk afgeschud, uw banden stuk getrokken. Gij hebt gezegd: ik wil niet dienen! Op elke hoge heuvel en onder elke groene boom hebt ge u neergevleid als een hoer.
Jer. 2,21 Ik had u geplant als een edele wijnstok van de fijnste soort. Hoe zijn dan uw ranken ontaard en een wilde wingerd geworden?
Jer. 2,22 Al wast ge u met loog en gebruikt ge nog zoveel zeep, uw schuld blijft voor Mij onuitwisbaar - godsspraak van Jahwe de Heer -.
Jer. 2,23 Hoe durft ge beweren: `Ik ben niet onrein; ik ben de bašls niet nagelopen.' Kijk naar uw gedrag in het dal, besef wat ge gedaan hebt gij jonge kameel, die wild op en neer draaft,
Jer. 2,24 gij wilde ezelin, gewend aan de woestijn, die in haar drift de lucht opsnuift en in haar bronst niet is te houden. Zonder moeite sporen de ezels haar op; in haar bronstijd laat ze zich vinden.
Jer. 2,25 Pas op, ge loopt uw voeten stuk; uw keel verschroeit van de dorst. Maar uw antwoord was: `Wat doet dat er toe? Ik ben op die goden gesteld; hen loop ik na.'
Jer. 2,26 Zoals een dief die betrapt wordt, beschaamd staat, zo staat het huis van IsraŽl beschaamd met zijn koningen en edelen, zijn priesters en profeten.
Jer. 2,27 Ze zeggen tot een stuk hout: `Gij zijt mijn vader' en tot een steen: `Gij hebt mij het leven geschonken.' Ze hebben Mij de rug toegekeerd en niet hun gezicht. Maar in tijden van nood roepen ze: `Sta op, kom ons te hulp!'
Jer. 2,28 Waar zijn dan de goden die ge gemaakt hebt?' Laat die maar opstaan om u te helpen in tijden van nood. Uw goden, Juda, zijn toch even talrijk als uw steden!
Jer. 2,29 Hoe kunt ge Mij aanklagen? Allen zijt ge Mij ontrouw geworden - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 2,30 Tevergeefs heb Ik uw zonen geslagen. ze hebben er niets van geleerd. Uw zwaard heeft uw profeten verslonden als een verscheurende leeuw.
Jer. 2,31 Gij, mensen van dit geslacht, let op het woord van Jahwe: Ben Ik voor IsraŽl een woestijn geweest, een duister oord? Waarom zegt dan mijn volk: `Wij willen vrij zijn; we komen niet meer naar U.'
Jer. 2,32 Een meisje zal nooit haar opschik vergeten, sinds onafzienbare tijd.
Jer. 2,33 Hoe goed weet ge de weg als het er om gaat liefde te vinden! Gij zijt in het kwaad wel bedreven.
Jer. 2,34 Zelfs aan de zoom van uw kleed kleeft bloed van onschuldigen, van mensen, die niet op inbraak zijn betrapt.
Jer. 2,35 En ondanks alles durft ge te beweren: `Mij treft geen schuld, zijn toorn is immers geweken van mij.' Nu ge zegt: `Ik heb niet gezondigd', daag ik u voor het gerecht.
Jer. 2,36 Het schijnt u niet moeilijk te vallen een andere weg in te slaan. Ook Egypte zal u ontgoochelen, zoals Assur dat heeft gedaan.
Jer. 2,37 Ook daarvandaan komt ge terug met de handen boven uw hoofd, want Jahwe heeft hen op wie ge vertrouwt, verstoten. Ge zult niets bereiken met hen.

Jer. 3,1 Als een man zijn vrouw wegstuurt en zij gaat heen en trouwt met een ander, neemt hij haar dan nog terug? Is dit land dan niet ontwijd? En gij geeft u af met allerlei minnaars en gij wilt bij Mij terugkomen - godsspraak van Jahwe -?
Jer. 3,2 Is er op de heuvels een plek, waar ge niet werd onteerd? Langs de wegen zit ge te wachten als een Arabier in de woestijn. Zo hebt ge het land door uw liederlijke ontucht ontwijd.
Jer. 3,3 Toen de regen uitbleef en ook de late regen niet kwam, bleef uw blik onbeschaamd als die van een hoer.
Jer. 3,4 En nog durft ge roepen: `Gij zijt mijn vader, de vriend van mijn jeugd.
Jer. 3,5 Hij blijft niet kwaad; Hij blijft niet zinnen op wraak.' Dat zijn uw woorden en ondertussen bedrijft ge het ene kwaad na het andere.
Jer. 3,6 In de tijd van koning Josia zei Jahwe tegen mij: Hebt ge gezien wat IsraŽl, de afvallige, gedaan heeft? Hoe ze op de bergen bij elke groene boom ontucht heeft bedreven?
Jer. 3,7 Ik dacht: `Als ze van dat alles genoeg heeft, komt ze wel bij Mij terug.' Maar ze is niet gekomen. Haar zuster Juda, de trouweloze, had dat gezien.
Jer. 3,8 Ze had gezien dat Ik IsraŽl, de afvallige, om haar overspel had verstoten en haar de scheidingsbrief had gegeven. Maar haar zuster Juda, de trouweloze, liet zich daardoor niet afschrikken; ook zij gaf zich over aan ontucht.
Jer. 3,9 Zonder zich aan iets te storen ontwijdde ze het land met haar ontucht. Ze bedreef overspel met goden van steen en van hout.
Jer. 3,10 En nadat alles kwam haar zuster Ja, de trouweloze, wel terug: maar ze was niet oprecht, ze deed maar alsof - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 3,11 Toen zei Jahwe tegen mij: IsraŽl, de afvallige, is nog heilig vergeleken met Juda, de trouweloze.
Jer. 3,12 Roep naar het noorden en zeg: Kom terug, afvallig IsraŽl - godsspraak van Jahwe -, Ik ben niet kwaad meer op u. Neen, Ik ben genadig - godsspraak van Jahwe -, Ik blijf niet zinnen op wraak.
Jer. 3,13 Erken alleen uw schuld, erken dat ge Jahwe, uw God ontrouw zijt geweest, dat ge u hebt afgegeven met vreemde goden onder elke groene boom, en naar Mij niet hebt geluisterd godsspraak van Jahwe -.
Jer. 3,14 Kom terug, afvallige zonen, - godsspraak van Jahwe -. Ik ben uw meester, Ik haal u uit alle steden en uit alle volken, en breng u naar Sion.
Jer. 3,15 Ik geef u vorsten naar mijn hart, die u regeren met kennis en inzicht.
Jer. 3,16 Als ge talrijk wordt in die tijd en sterk aangroeit in het land, - godsspraak van Jahwe -, dan wordt er niet meer gezegd: `Ark van het verbond van Jahwe!' Ze verdwijnt uit het geheugen, men denkt er zelfs niet meer aan, niemand mist ze, een andere wordt nooit meer gemaakt.
Jer. 3,17 In die tijd zal Jeruzalem heten: `Troon van Jahwe'! Alle stammen komen samen, bij de naam van Jahwe, in Jeruzalem. Niet langer blijven ze hardnekkig in hun boosheid.
Jer. 3,18 In die tijd voegt Juda zich bij IsraŽl en samen komen zij uit het noorden naar het land dat Ik aan hun voorvaderen gegeven heb.
Jer. 3,19 Ik dacht: Wat zou Ik u graag als mijn kinderen behandelen, u een heerlijk land geven, mooier dan van enig ander volk! Ik dacht: Ge zult mij uw Vader noemen en u niet van Mij afwenden.
Jer. 3,20 Maar zoals een vrouw ontrouw wordt aan een minnaar zo zijt gij, IsraŽl, Mij ontrouw geworden - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 3,21 Op de hoogten weerklinkt geschrei: IsraŽls zonen wenen en smeken. Ze zijn de verkeerde weg opgegaan; ze hebben Jahwe hun God vergeten.
Jer. 3,22 Kom terug, afvallige zonen, dan genees Ik u van uw ontrouw. Hier zijn wij. We komen naar U, want Gij, Jahwe, zijt onze God.
Jer. 3,23 Inderdaad, het rumoer op de hoogten en op de bergen is bedrog. Inderdaad, bij Jahwe onze God is er redding voor IsraŽl.
Jer. 3,24 Sinds onze jeugd slokt Bašl heel het bezit van onze families op: schapen en runderen, zonen en dochters.
Jer. 3,25 In schande liggen wij neer, onder smaad gaan wij gebukt, want tegen Jahwe onze God hebben we gezondigd, wij zelf en onze voorvaderen, van onze jeugd af tot heden toe. Wij hebben niet geluisterd naar Jahwe onze God.

Jer. 4,1 IsraŽl, als gij u bekeert - godsspraak van Jahwe - moogt ge bij Mij terugkomen. Als ge de afgoden verwijdert en Mij niet blijft ontvluchten,
Jer. 4,2 Als ge zweert: zo waar Jahwe leeft, en ge doet dat waarachtig, eerlijk en oprecht, dan komt door u zegen en vreugde over de volken
Jer. 4,3 Dit immers zegt Jahwe tegen de mannen van Juda en tegen Jeruzalem: Ontgin een nieuw land en zaai niet tussen de doornen.
Jer. 4,4 Mannen van Juda en burgers van Jeruzalem, besnijd u voor Jahwe, doe de voorhuid weg van uw hart, anders laait mijn toorn op als een vuur en die brand wordt door niemand geblust. Zo slecht zijn uw daden.
Jer. 4,5 Maak het bekend in Juda, laat het horen in Jeruzalem. Blaas de bazuin in het land, schreeuw het uit en roep: Verzamelen! De vestingen in!
Jer. 4,6 Geef het signaal aan Sion: Zoek een heenkomen, draal niet, want onheil breng Ik over u uit het noorden, een vreselijke ramp.
Jer. 4,7 De leeuw staat op uit de struiken, de volkenverslinder rukt uit, hij is al van zijn basis vertrokken; uw land wordt verwoest, uw steden worden een puinhoop, zonder bewoners.
Jer. 4,8 Trek dus rouwkleren aan, klaag en jammer, want Jahwe's ziedende toorn wijkt niet van ons.
Jer. 4,9 Op die dag - godsspraak van Jahwe - verdwijnt de moed van de koning en de moed van de edelen; de priesters staan verbijsterd, de profeten verstommen.
Jer. 4,10 Toen zei ik: `Ach, Jahwe mijn Heer, Gij hebt dit volk en Jeruzalem bedrogen met de belofte: vrede zal heersen bij u, en nu is het zwaard ons op de keel gezet.'
Jer. 4,11 In die tijd zal over dit volk en over Jeruzalem worden gezegd: Uit de heuvels in de woestijn komt een verzengende wind over mijn volk, niet om te wannen, niet om te ziften,
Jer. 4,12 een stormwind stuur Ik op u af: Ik ben het zelf, die het komt vonnissen.
Jer. 4,13 Daar komt hij aan als een dichte wolk. Zijn wapens zijn als een orkaan, zijn paarden sneller dan arenden, Wee ons, wij zijn verloren!
Jer. 4,14 Jeruzalem, was u schoon van het kwaad, dan wordt gij gered. Waarom zint ge steeds op het kwade?
Jer. 4,15 Hoor! Een bode uit Dan, slecht nieuws brengt hij uit het bergland van EfraÔm:
Jer. 4,16 Bericht aan dit volk, meld aan Jeruzalem: De vijand komt uit een ver land, hij heft de strijdkreet aan tegen de steden van Juda.
Jer. 4,17 Hij omringt ze als wachters hun velden, omdat ze zich tegen Mij hebben verzet - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 4,18 Uw wangedrag heeft u dit aangedaan, uw eigen zonde maakt het zo bitter en treft u in het hart.
Jer. 4,19 O mijn borst, mijn borst! Ik krimp van de pijn, mijn hart begeeft het, het bonst in mijn binnenste, ik houd het niet meer. Ik hoor geschal van trompetten, het sein voor de aanval.
Jer. 4,20 Ramp op ramp wordt gemeld: Heel het land ligt verwoest; plotseling is mijn tent vernield, het tentdoek verscheurd. Hoe lang moet ik die standaard nog zien, dat trompetgeschal horen?
Jer. 4,21
Jer. 4,22 Hoe dwaas is mijn volk, Mij kennen ze niet; het zijn domme mensen, zonder begrip. In het kwaad zijn ze bedreven maar van het goede weten ze niets.
Jer. 4,23 Ik keek naar de aarde: Ze was een woestenij, naar de hemel: Het licht was verdwenen.
Jer. 4,24 Ik keek naar de bergen: Ze beefden, naar de heuvels: ze trilden.
Jer. 4,25 Ik keek: er was geen mens meer en alle vogels waren gevlogen.
Jer. 4,26 Ik keek: het bouwland was een woestijn en alle steden lagen in puin door de hevige toorn van Jahwe.
Jer. 4,27 Want dit zegt Jahwe: Heel het land wordt een woestenij; Ik maak het met de grond gelijk.
Jer. 4,28 De aarde treurt er om; de hemel daarboven wordt donker. Ik heb gesproken, mijn besluit staat vast; Ik kom er niet meer op terug.
Jer. 4,29 Als ze de ruiters en boogschutters horen vluchten ze weg uit de stad; ze lopen de bossen in en verschuilen zich in de bergen. Alle steden liggen verlaten; niemand woont er meer.
Jer. 4,30 Waarom u kleden in purper, waarom u omhangen met goud, waarom uw ogen bijwerken? Uw opsmuk is tevergeefs! Uw minnaars verachten u nu; ze staan u naar het leven.
Jer. 4,31 Ik hoor schreeuwen als van een vrouw in haar weeŽn, gillen als bij een eerste bevalling. Het is de dochter van Sion die naar adem snakt, met opgestoken handen: `Wee mij! Ik sterf. De moordenaars! Ze hebben mij gedood.'

Jer. 5,1 Loop de straten van Jeruzalem door, kijk goed uit, zoek de pleinen af. Als ge ook maar iemand kunt vinden, die zijn plichten vervult en oprecht wil leven, dan vergeef Ik de stad.
Jer. 5,2 Al zeggen ze ook: zo waar Jahwe leeft; hun eed is vals.
Jer. 5,3 Jahwe, Gij wilt alleen waarachtigheid zien. Slaat Gij hen, het raakt hen niet; verplettert Gij hen, het maakt hen niet wijzer. Hun koppen zijn hard als een kei; ze willen zich niet bekeren.
Jer. 5,4 Ik dacht eerst: `Dat zijn de armen. Die weten niet beter, die kennen de wil van Jahwe niet; ze weten niet wat God van hen vraagt.
Jer. 5,5 Ik ga naar de aanzienlijken en richt mij tot hen. Zij kennen de wil van Jahwe; zij weten wat God van hen vraagt.' Maar ook zij hadden het juk afgeschud, de banden stuk getrokken.
Jer. 5,6 Daarom: de leeuw uit het bos velt hen neer, de wolf uit de steppe verscheurt hen, de panter ligt op de loer bij hun steden: Wie zich buiten waagt, rijt hij in stukken; want talrijk zijn hun misdaden, hun overtredingen zijn niet te tellen.
Jer. 5,7 Hoe zou Ik u nog kunnen vergeven? Uw zonen hebben Mij verlaten; ze zweren bij afgoden. Ik schonk hun overvloed, maar zij plegen echtbreuk, ze lopen de bordelen plat.
Jer. 5,8 Geile, bronstige hengsten zijn het, die hinniken naar de vrouw van hun naaste.
Jer. 5,9 En Ik zou zoiets niet straffen - godsspraak van Jahwe -, Mij niet wreken op zo'n volk?
Jer. 5,10 Trek de wijnbergen in en verniel ze, trap alles plat, ruk de ranken af, ze zijn niet meer van Jahwe.
Jer. 5,11 Want IsraŽl en Juda zijn Mij ontrouw geworden - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 5,12 Ze hebben Jahwe verloochend, ze hebben gezegd: `Neen, geen ramp zal over ons komen, geen zwaard, geen honger ons treffen.
Jer. 5,13 En de profeten? Wind zijn ze, God spreekt niet door hen.' Dat alles moge henzelf overkomen.
Jer. 5,14 Daarom zegt Jahwe, de God van de machten: Nu ge dit durft zeggen, maak Ik mijn woorden in uw mond als een vuur en dit volk als het hout dat er door wordt verteerd.
Jer. 5,15 IsraŽl, Ik stuur een volk uit een ver land op u af godsspraak van Jahwe -, een onvergankelijk, eeuwenoud volk. Zijn taal verstaat ge niet en ge begrijpt niet wat het zegt.
Jer. 5,16 Zijn pijlkoker is een open graf; stuk voor stuk zijn het soldaten.
Jer. 5,17 Ze verslinden uw oogst en uw voorraden, ze verslinden uw zonen en uw dochters, ze verslinden uw schapen en uw runderen, ze verslinden uw wijnstok en uw vijgenboom. De versterkte steden waar gij op vertrouwt, verwoesten ze door het zwaard.
Jer. 5,18 In die tijd - godsspraak van Jahwe - reken Ik voor goed met u af.
Jer. 5,19 Als men vraagt: `Waarom doet Jahwe onze God ons dit alles aan'. antwoord hun dan: `Omdat gij Mij hebt verlaten en in uw eigen land vreemde goden hebt gediend. Daarom zult ge vreemden dienstbaar zijn in een land dat niet het uwe is.'
Jer. 5,20 Maak het bekend aan Jakob en laat het horen aan Juda:
Jer. 5,21 Luister toch, dwaas en onverstandig volk, dat ogen heeft maar niet ziet, dat oren heeft maar niet hoort.
Jer. 5,22 Waarom vreest ge Mij niet - godsspraak van Jahwe -, hebt ge geen ontzag voor Mij die het strand heeft gemaakt tot de grens van de zee, een blijvende grens die ze nooit overschrijdt? Al rollen de golven aan, het is tevergeefs; al beuken ze, ze over schrijden die niet.
Jer. 5,23 Maar dit volk is opstandig en weerspannig, het is zijn eigen weg gegaan.
Jer. 5,24 Ze zeiden niet bij zichzelf: `Wij moeten Jahwe onze God vrezen, die ons op tijd regen geeft, in de herfst en in de lente, die zorgt voor een vaste tijd om te oogsten.'
Jer. 5,25 Door eigen schuld zijn u deze gaven onthouden; door uw zonden zijn ze uitgebleven.
Jer. 5,26 Er huizen misdadigers onder mijn volk; ze liggen op de loer als vogelaars; ze zetten strikken uit om mensen te vangen.
Jer. 5,27 Zoals een korf vol vogels zit, zo zitten hun huizen vol buit; op die manier zijn ze rijk en machtig geworden.
Jer. 5,28 Ze glimmen van het vet; zij zijn door en door verdorven. Ze verkrachten het recht; ze komen niet op voor de wezen; de zaak van de armen behartigen zij niet.
Jer. 5,29 En zoiets zou Ik niet straffen - godsspraak van Jahwe -, Mij niet wreken op zo'n volk?
Jer. 5,30 Wat in dit land gebeurt is verschrikkelijk, afschuwelijk.
Jer. 5,31 De profeten profeteren leugens; de priesters treden eigenmachtig op en mijn volk vindt het zo goed. Maar wat zult ge doen als uw einde komt?

Jer. 6,1 Zoek een heenkomen, zonen van Benjamin, trek uit Jeruzalem weg. Blaas de bazuin in Tekoa, geeft signaal aan Bet-hakke rem, want onheil dreigt uit het noorden, een vreselijke ramp.
Jer. 6,2 Vruchtbare weidegrond zijt gij, dochter van Sion.
Jer. 6,3 De herders trekken er heen met hun kudden; overal slaan ze hun tenten op; ieder weidt op zijn deel.
Jer. 6,4 Wij maken ons klaar voor de strijd tegen haar. Deze middag rukken wij op. Helaas, de dag loopt ten einde; de avond valt.
Jer. 6,5 Dus rukken we op in de nacht, wij vernielen haar burchten.
Jer. 6,6 Want dit zegt Jahwe van de legerscharen: Vel de bomen, werp een wal op tegen Jeruzalem. Ze is een stad van bedrog en verdrukking.
Jer. 6,7 Zoals uit een bron het water blijft stromen, zo houdt de stroom van haar wandaden niet op. Men hoort er alleen van geweld en mishandeling; onophoudelijk zie Ik kwalen en wonden.
Jer. 6,8 Wees gewaarschuwd, Jeruzalem, anders keer Ik mij van u af en maak u tot een woestijn, een onbewoond land.
Jer. 6,9 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Ga nogmaals de rest van IsraŽl oogsten zoals men doet met een wijnstok. Ga er met uw hand overheen als een druivenplukker over de ranken.
Jer. 6,10 Tot wie moet Ik mij richten, wie moet Ik waarschuwen? Hun oren zijn onbesneden: niet tot luisteren in staat. Het woord van Jahwe is voor hen een verwijt dat ze liever niet willen horen.
Jer. 6,11 Ik ben vol van de toorn van Jahwe; ik kan hem niet meer bedwingen. Stort hem uit over de kinderen op straat en over de opgroeiende jeugd. Ook mannen en vrouwen worden gevangen genomen, grijsaards en ouden van dagen.
Jer. 6,12 Hun huizen gaan op anderen over met akkers en vrouwen, want Ik hef mijn hand op tegen de bewoners van het land - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 6,13 Iedereen, groot en klein, is op eigen voordeel uit. Priesters en profeten, allen plegen bedrog.
Jer. 6,14 Ze genezen zogenaamd de kwaal van mijn volk; ze beweren: `Het gaat goed! Alles gaat goed!' Maar het gaat helemaal niet goed.
Jer. 6,15 En schamen ze zich over hun wandaden? Neen, ze schamen zich niet in het minst, ze weten niet eens meer wat schaamte is. Daarom vallen ze, de een na de ander; als de tijd van hun straf komt, struikelen zij, zegt Jahwe.
Jer. 6,16 Dit zegt Jahwe: Ga op de kruispunten staan en kijk uit. Vraag naar de oude paden, vraag wat de goede weg is en volg die, dan zult ge rust vinden. Maar ze zeiden: `Wij gaan niet!'
Jer. 6,17 Ik stelde wachters over u aan, die riepen: `Let op het teken van onze bazuin.' Maar ze zeiden: `Daar letten wij niet op.'
Jer. 6,18 Volken, luister dan en weet wat er met hen gebeurt.
Jer. 6,19 Aarde, luister! Ik breng rampen over dit volk, als de vruchten van hun ontrouw. Want ze letten niet op mijn woorden, mijn wet hebben ze geminacht.
Jer. 6,20 Wat geef Ik om wierook uit Seba, om de geurige kalmoes uit verre streken? Uw brandoffers behagen Mij niet; uw slachtoffers schenken Mij geen genoegen.
Jer. 6,21 Daarom zegt Jahwe: Ik leg voor dit volk een struikelblok neer: Ze vallen er over, vaders en zonen; buren en vrienden komen om.
Jer. 6,22 Dit zegt Jahwe: Daar komt een volk uit het noorden, een grote natie rukt op van het einde der aarde,
Jer. 6,23 gewapend met sabel en boog, meedogenloos, zonder erbarmen. Als het geraas van de onstuimige zee is de hoefslag van hun aanstormende paarden. Ze staan in slagorde geschaard tegenover u, dochter van Sion.
Jer. 6,24 Toen wij dit bericht ontvingen vielen onze handen sla. Angst greep ons aan, pijn als van een vrouw in haar weeŽn.
Jer. 6,25 Ga niet buiten de stad, vermijd de wegen, want alom zaait het zwaard van de vijand verschrikking.
Jer. 6,26 Mijn volk, trek het boetekleed aan, wentel u in het stof, Treur als over een enig kind, zing een bitter klaaglied, want onverhoeds komt over ons de verwoesting.
Jer. 6,27 Als keurmeester heb Ik u aangesteld om het gedrag van mijn volk te toetsen.
Jer. 6,28 Allen zijn mateloos opstandig: lasterpraat strooien ze rond. Allen zijn even slecht.
Jer. 6,29 De blaasbalg wakkert het vuur aan; maar het lood komt er onveranderd uit. Vergeefs doet de smelter zijn werk; de slakken komen niet los.
Jer. 6,30 Men noemt hen `afgekeurd zilver,' want Jahwe heeft hen afgekeurd.

Jer. 7,1 Dit woord van Jahwe kwam tot Jeremia:
Jer. 7,2 Ga naar het huis van Jahwe en verkondig daar in de poort deze boodschap: Luister naar het woord van Jahwe, mannen van Juda, die door deze poort gaat om u voor Hem neer te buigen.
Jer. 7,3 Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Beter uw leven, dan laat Ik u wonen op deze plaats.
Jer. 7,4 Vertrouw niet op de valse leus: `Dit is de tempel van Jahwe, de tempel van Jahwe, de tempel van Jahwe!'
Jer. 7,5 Maar beter uw leven, behandel elkaar rechtvaardig,
Jer. 7,6 verdruk geen vreemdeling, weduwe of wees, vergiet geen onschuldig bloed op deze plaats en loop niet achter andere goden aan, tot uw eigen verderf.
Jer. 7,7 Dan laat Ik u wonen op deze plaats, in het land dat Ik aan uw voorvaderen gegeven heb voor altijd.
Jer. 7,8 Maar gij vertrouwt op valse, waardeloze leuzen.
Jer. 7,9 Gij steelt, gij moordt, ge pleegt echtbreuk, ge zweert vals, ge offert aan de bašls en loopt achter andere goden aan, die gij nooit hebt gekend.
Jer. 7,10 En dan durft ge in dit huis dat mijn naam draagt nog voor mij verschijnen en zeggen: `We zijn veilig!' Maar onder tussen blijft ge al die wandaden bedrijven.
Jer. 7,11 Is het huis dat mijn naam draagt, in uw ogen soms een rovershol? In mijn ogen beslist niet - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 7,12 Ga eens naar de plaats in Silo, waar Ik vroeger mijn naam heb gevestigd, en kijk wat Ik daarmee gedaan heb om de wandaden van IsraŽl, mijn volk.
Jer. 7,13 Welnu, omdat gij dergelijke dingen doet - godsspraak van Jahwe -, omdat ge niet luistert, ofschoon Ik voortdurend tot u heb gesproken, niet antwoordt, ofschoon Ik heb geroepen,
Jer. 7,14 daarom zal Ik met dit huis dat mijn naam draagt en waar ge zo op vertrouwt met de plaats die Ik aan uw vaderen gegeven heb, hetzelfde doen als Ik met Silo gedaan heb.
Jer. 7,15 Ik verstoot u, zoals Ik met uw broeders, met heel EfraÔm, heb gedaan.
Jer. 7,16 Bid niet meer voor dit volk, blijf niet jammeren en smeken, dring niet langer aan: Ik verhoor u toch niet.
Jer. 7,17 Ziet ge soms niet wat er in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gebeurt?
Jer. 7,18 De kinderen sprokkelen hout, de vaders stoken het vuur en de vrouwen kneden deeg om koeken te bakken voor de koningin van de hemel. Ze beledigen Mij door offers te brengen aan andere goden.
Jer. 7,19 Maar beledigen ze Mij wel - godsspraak van Jahwe - en niet veeleer zichzelf, tot hun eigen schande?
Jer. 7,20 Daarom zegt Jahwe de Heer: Mijn gloeiende toorn stort zich uit over deze plaats, over mens en dier, over de bomen op het veld en de vruchten op de akker: een brand die niet wordt gedoofd.
Jer. 7,21 Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Vermeerder uw brand - en slachtoffers maar, en eet er het vlees van.
Jer. 7,22 Toen Ik uw voorvaderen uit Egypte leidde, heb Ik hun niets gezegd, hun geen voorschriften gegeven over brand - en slachtoffers.
Jer. 7,23 Dit alleen heb Ik hen bevolen: Luister naar Mij, dan zal Ik uw God zijn en gij zult mijn volk zijn. Volg de weg die Ik u wijs, dan zal het u goed gaan.
Jer. 7,24 Maar ze hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze bleven hardnekkig in de boosheid. Hoe langer hoe meer keerden ze zich van Mij af.
Jer. 7,25 Sinds de uittocht van uw voorvaderen uit Egypte, tot heden toe, heb Ik u mijn dienaren de profeten gezonden, telkens weer.
Jer. 7,26 Maar ze hebben niet naar Mij geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze bleven hardnekkig, meer nog dan hun voorvaderen.
Jer. 7,27 Zeg hun dat alles, luisteren zullen ze niet; roep het hun toe, antwoorden zullen ze niet.
Jer. 7,28 Dan moet ge tegen hen zeggen: Hier is nu het volk dat niet wil luisteren naar Jahwe zijn God, dat zich niet laat beleren. Weg is de oprechtheid, ze komt niet meer over hun lippen.
Jer. 7,29 Knip uw haar af en gooi het weg. Hef op de hoogten een klaaglied aan, want Jahwe heeft dit volk verworpen en het in zijn woede verstoten.
Jer. 7,30 Het kwaad van de JudeeŽrs heeft mijn misnoegen opgewekt - godsspraak van Jahwe -. Zij hebben het huis dat mijn naam draagt, onteerd; ze hebben er hun afgodsbeelden opgesteld.
Jer. 7,31 Ze bouwden de offerhoogten van Tofet in het Ben-hin nom-dal om er hun zonen en dochters te verbranden, ofschoon Ik dat niet had bevolen en er nooit van heb willen weten.
Jer. 7,32 Daarom komt er een tijd - godsspraak van Jahwe - dat men niet meer zal zeggen: `Tofet en Ben-hinnom-dal', maar `dal van de slachting'. En Tofet wordt een grote begraafplaats.
Jer. 7,33 De vogels en de wilde dieren azen op lijken van dit volk, zonder dat iemand ze opschrikt.
Jer. 7,34 In de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem laat Ik de kreten van blijdschap en vreugde, het zingen voor bruidegom en bruid verstommen: het land wordt een puinhoop.

Jer. 8,1 In die tijd - godsspraak van Jahwe - haalt men de beende ren van de koningen van Juda en van hun edelen, de beenderen van de priesters en van de profeten en de beenderen van de inwoners van Jeruzalem uit hun graven.
Jer. 8,2 Men spreidt ze uit onder de zon, de maan en de sterren. Die hebben ze immers met liefde gediend, die hebben ze vurig gezocht en vereerd. Hun gebeente wordt niet meer bijeengebracht, het wordt nooit meer begraven. Het blijft liggen als mest op de akker.
Jer. 8,3 Iedereen die overblijft van dit boze geslacht - waar Ik het ook heb verspreid - zal de dood liever zijn dan het leven godsspraak van Jahwe van de legerscharen. en vonnis
Jer. 8,4 Gij moet hen zeggen: Dit zegt Jahwe: Als iemand valt, staat hij dan niet op? Als iemand verdwaalt, keert hij dan niet terug?
Jer. 8,5 Waarom blijft dan dit volk afvallig, waarom blijft Jeruzalem ontrouw? Ze volharden in het bedrog en weigeren zich te bekeren.
Jer. 8,6 Ik heb goed naar hem geluisterd, maar ze spreken onwaarheid. Niemand heeft berouw over zijn misdaden en niemand zegt: `Wat heb ik gedaan?' Iedereen holt maar door als een paard dat zich in de strijd stort.
Jer. 8,7 Zelfs de ooievaar weet zijn tijd, de tortel, de zwaluw en de reiger hebben een vaste tijd voor hun trek; maar mijn volk weet niet wat Jahwe wil.
Jer. 8,8 Hoe durft gij zeggen, dat ge de wijsheid bezit en de wet van Jahwe hebt, terwijl de leugenachtige pen van de schrijvers die wet heeft vervalst!
Jer. 8,9 Beschaamd staan de wijzen, verbijsterd zijn zij en verslagen. Ze hebben het woord van Jahwe geminacht, wat voor wijsheid hebben ze dan?
Jer. 8,10 Daarom geef Ik hun vrouwen aan anderen, hun akkers aan nieuwe meesters. Want iedereen, groot en klein, zoekt eigen voordeel; profeten en priesters plegen allen bedrog.
Jer. 8,11 Ze genezen zogenaamd de kwaal, ze beweren: `Het gaat goed, alles gaat goed.' Maar het gaat helemaal niet goed.
Jer. 8,12 En schamen ze zich nu over hun wandaden? Neen, ze schamen zich helemaal niet, ze weten niet eens wat schaamte is. Daarom vallen ze, de een na de ander. Als de tijd van de straf komt, struikelen zij, zegt Jahwe.
Jer. 8,13 Ik verniel hun oogst - godsspraak van Jahwe -. Er blijft geen druif aan de wijnstok, geen vijg aan de vijgenboom. de blaren verwelken.
Jer. 8,14 `Waarom blijven wij zitten? Laten we de vestigingen ingaan en daar samen afwachten; want Jahwe onze God wil onze ondergang. Hij geeft ons vergif te drinken, omdat wij tegen Hem hebben gezondigd.
Jer. 8,15 We hoopten op geluk, maar het bleef uit; op een tijd van herstel, maar schrik overviel ons.
Jer. 8,16 Vanuit Dan hoort men de paarden snuiven, bij het gehinnik van de hengsten siddert het hele land. Ze komen over het land, ze verslinden alles wat er groeit, de stad en al de inwoners.'
Jer. 8,17 Giftige slangen stuur Ik op u af die ge niet kunt bezweren, hun beet is dodelijk - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 8,18 Leed heeft mij getroffen, mijn hart begeeft het.
Jer. 8,19 Hoor het hulpgeschrei van mijn volk overal in het land. Is Jahwe niet in Sion, is zijn koning daar niet? Waarom beledigen zij Mij dan met hun beelden, met die vreemde, nietige goden?
Jer. 8,20 De oogst is voorbij, de zomer ten einde, maar wij zijn nog steeds niet gered.
Jer. 8,21 Door de slagen die mijn volk treffen ben ikzelf getroffen. Ik ga in de rouw, ontzetting grijpt mij aan.
Jer. 8,22 Is er geen balsem meer in Gilead, zijn daar geen heel meesters meer? Waarom worden de wonden van mijn volk dan niet genezen?
Jer. 8,23 Ach, was mijn hoofd een waterval, waren mijn ogen een bron van tranen, dag en nacht zou ik schreien over de gevallenen van mijn volk.

Jer. 9,1 Ach, was er in de woestijn een onderkomen, dan ging ik weg en verliet mijn volk; want echtbrekers zijn het allemaal, een trouweloze bende.
Jer. 9,2 Ze spannen hun tong als een boog, leugen en oneerlijkheid heersen in het land. Ze vervallen van kwaad tot erger en Mij kennen ze niet - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 9,3 Pas op voor elkaar, vertrouw uw medemens niet; het zijn allemaal bedriegers, iedereen belastert zijn naaste.
Jer. 9,4 De een bedriegt de ander, niemand van hen spreekt de waarheid, hun tong is aan liegen gewend. Ze zijn bedorven, ze kunnen niet anders meer.
Jer. 9,5 Ze stapelen geweld op geweld, bedrog op bedrog, en weigeren Mij te erkennen - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 9,6 Daarom zegt Jahwe van de legerscharen: Ik zuiver hen uit in de smeltkroes. Wat kan ik anders met hen doen bij al hun slechtheid?
Jer. 9,7 Hun tong is een dodelijke pijl, hun mond is vol bedrog. Ze groeten elkaar vriendelijk, maar ondertussen belagen ze elkaar.
Jer. 9,8 En zoiets zou Ik niet straffen - godsspraak van Jahwe -, op zo'n volk Mij niet wreken?
Jer. 9,9 Ik schrei en treur over de bergen, Ik zing een klaaglied over de oasen in de woestijn: Ze liggen verlaten, niemand trekt er meer door. Men hoort er geen kudden meer blaten, vogels en dieren zijn er verdwenen.
Jer. 9,10 Jeruzalem maak Ik een puinhoop, een plaats waar de jakhalzen huizen; van de steden van Juda een woestijn waar niemand meer woont.
Jer. 9,11 Wie is zo wijs dat hij dit kan verstaan; tot wie sprak Jahwe dat hij dit kan verklaren: Waarom is het land te gronde gegaan? Waarom ligt het verlaten als een woestijn waar niemand meer door trekt?
Jer. 9,12 Jahwe zei: Omdat ze zich van de wet die Ik hun gaf niets hebben aangetrokken en Mij niet hebben gehoorzaamd, omdat ze mijn wet niet hebben nageleefd.
Jer. 9,13 Ze gaan hardnekkig hun eigen weg; ze lopen achter de bašls aan, zoals ze dat van hun voorvaderen hebben geleerd.
Jer. 9,14 Daarom zegt Jahwe van de legerscharen, IsraŽls God: Ik geef dit volk alsem te eten en vergif te drinken.
Jer. 9,15 Ik verstrooi hen onder de volken die zij noch hun voorvaderen hebben gekend. En met het zwaard blijf Ik hen achter volgen, totdat Ik hen heb uitgeroeid.
Jer. 9,16 Dit zegt Jahwe van de machten: Roep de klaagvrouwen op; laat ze hierheen komen,
Jer. 9,17 dat ze zich haasten. Laat ze voor ons een klaaglied zingen, tot onze ogen schreien en vol tranen staan.
Jer. 9,18 Daar klinkt een klaaglied uit Sion: `Helaas, we zijn te gronde gericht, groot is onze schande. We worden het land uitgezet en uit onze huizen verdreven.'
Jer. 9,19 Vrouwen, hoor het woord van Jahwe, luister naar het woord dat Hij spreekt. Leer uw dochters een treurzang, leer elkaar een klaaglied,
Jer. 9,20 want de dood is door vensters binnengeklommen, hij is in onze burchten gedrongen; de kinderen maait hij neer in de straten, de jeugd op de pleinen.
Jer. 9,21 De lijken van de mensen liggen als mest op het veld, als halmen achter de maaier die niemand bijeenraapt.
Jer. 9,22 Dit zegt Jahwe: De wijze moet niet roemen op zijn wijsheid, de sterke niet roemen op zijn kracht, de rijke niet op zijn rijkdom.
Jer. 9,23 Wie toch wil roemen, het moet zich er op beroemen, in te zien en te erkennen dat ik, Jahwe, genade schenk, en recht en gerechtigheid vestig op aarde, want daarin vind Ik mijn genoegen - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 9,24 De tijd komt dat Ik alle besnedenen straf:
Jer. 9,25 Egypte, Juda, Edom, Ammon, Moab en alle mensen met kortgeknipt haar in de woestijn: Al die volken zijn onbesneden, maar IsraŽl is onbesneden van hart.

Jer. 10,1 IsraŽl, hoor het woord dat Jahwe tot u richt:
Jer. 10,2 Dit zegt Jahwe: Neem de gewoonten van andere volken niet over; schrik niet voor tekens aan de hemel, ook al schrikken die volken daar voor.
Jer. 10,3 Hetgeen zij doen betekent niets: Ze hakken blokken hout in het bos, een vakman bewerkt ze met de beitel,
Jer. 10,4 hij belegt ze met goud en zilver, met een hamer spijkert hij ze vast zodat ze niet wankelen.
Jer. 10,5 Het zijn vogelverschrikkers tussen de komkommers: Ze kunnen niet spreken, men moet ze dragen, ze kunnen geen stap verzetten. Wees niet bang voor hen, ze doen geen kwaad en goed doen ze evenmin.
Jer. 10,6 Jahwe, niemand is aan U gelijk, Gij alleen zijt groot, groot is uw almachtige naam.
Jer. 10,7 Iedereen moet U vrezen, koning van de volken; dat komt U toe. Onder de wijze mannen van volken en koninkrijken is niemand aan U gelijk,
Jer. 10,8 allen zijn dom en dwaas. Hun afgoden zijn van hout,
Jer. 10,9 met bladzilver van Tarsis en goud uit Ufaz belegd, door een goudsmid bewerkt, bekleed met blauw en rood purper: dat alles is maakwerk.
Jer. 10,10 Jahwe is waarlijk God, Hij is de levende God en koning voor eeuwig. Voor zijn toorn beeft de aarde, geen volk is tegen zijn woede bestand.
Jer. 10,11 Dit moet ge hen zeggen: De goden die aarde en hemel niet hebben gemaakt, zullen van hemel en aarde verdwijnen.
Jer. 10,12 Hij vormde de aarde door zijn kracht, bracht in zijn wijsheid de wereld tot stand, spande kundig de hemel.
Jer. 10,13 Zijn donder dreunt: het water ruist neer uit de hemel. Wolken haalt Hij op van het eind van de aarde. Bij de regen smeedt Hij bliksems, Hij roept de wind uit zijn schuren te voorschijn.
Jer. 10,14 De mensen staan verstomd, ze begrijpen het niet. De goudsmid schaamt zich over zijn beelden, zijn gietsels zijn leugens, ze bezitten geen levenskracht,
Jer. 10,15 ze betekenen niets, ze zijn bespottelijk maakwerk. Als de tijd van de straf komt, gaan ze ten onder.
Jer. 10,16 De God van Jakob is niet zoals zij; Hij is de schepper van het heelal en IsraŽl is zijn eigen bezit. Zijn naam is: Jahwe van de legerscharen.
Jer. 10,17 Gij, die in de belegerde stad woont, pak uw bezittingen bijeen en trek het land uit.
Jer. 10,18 Want dit zegt Jahwe: Als stenen slinger Ik deze keer de inwoners weg uit het land. En dan drijf Ik hen in het nauw, zodat men hen weet te vinden.
Jer. 10,19 `Wee mij! Ik ben gekwetst, mijn wonden zijn niet te genezen. Ik had nog gedacht: Dit lijden kan ik wel dragen.
Jer. 10,20 Maar mijn tent is vernield, al de lijnen zijn stuk. Mijn kinderen zijn weggetrokken, ze zijn er niet meer. Niemand zet mijn tent op en spant weer het zeil.'
Jer. 10,21 De herders waren dwaas, ze zochten Jahwe niet; daarom liep alles hun tegen, heel hun kudde werd verstrooid.
Jer. 10,22 Hoor het nieuws: Daar komen ze met hevig gedreun uit het noorden en maken van de steden van Juda een wildernis, een plaats waar de jakhalzen huizen.
Jer. 10,23 Ik weet het, Jahwe, geen sterveling bepaalt zijn eigen weg, geen mens gaat waar hij wil.
Jer. 10,24 Straf ons, Jahwe, maar met mate, niet in toorn, anders zijn we verloren.
Jer. 10,25 Stort uw woede uit over de volken die U niet kennen, over de naties die uw naam niet vernoemen. Want ze hebben Jakob verdelgd, verdelgd en uitgeroeid, van zijn weiden een wildernis gemaakt.

Jer. 11,1 Dit woord kwam van Jahwe tot Jeremia:
Jer. 11,2 Spreek tot de JudeeŽrs en tot de inwoners van Jeruzalem:
Jer. 11,3 Dit zegt Jahwe, IsraŽls God: Vervloekt de man die niet luistert naar de voorschriften van het verbond,
Jer. 11,4 die Ik uw voorvaderen heb gegeven, bij hun uittocht uit de ijzeroven van Egypte, toen Ik hen zei: Luister naar Mij en doe alles wat ik u voorschrijf. Dan zult gij mijn volk en Ik zal uw God zijn.
Jer. 11,5 Dan houd Ik mij aan de eed die Ik uw voorvaderen gezworen heb en geef hun een land van melk en honing. En dat heb Ik ook gedaan. Ik antwoordde: `Zo is het, Jahwe.'
Jer. 11,6 Jahwe hernam: Dit moet gij verkondigen in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem: Luister naar de voorschriften van dit verbond en volg ze op.
Jer. 11,7 Sinds Ik uw voorvaderen uit Egypte gevoerd heb tot vandaag toe heb Ik hen nadrukkelijk en onophoudelijk gewaarschuwd: Luister naar mij.
Jer. 11,8 Maar ze hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze bleven hardnekkig in de boosheid. Daarom trok Ik hen met al de bedreigingen van het verbond. Zij hadden dat moeten houden, maar ze hebben zich er niet aan gestoord.
Jer. 11,9 Jahwe zei tot mij: Het lijkt wel of de JudeeŽrs en de inwoners van Jeruzalem het afgesproken hebben.
Jer. 11,10 Ze zijn teruggevallen in de zonden van hun voorvaderen, die weigerden naar mijn voorschriften te luisteren. Ze zijn andere goden nagelopen en hebben die gediend. IsraŽl en Juda hebben het verbond, dat Ik met hun voorvaderen sloot, verbroken.
Jer. 11,11 Daarom zegt Jahwe: Ik breng rampen over hen, waaraan ze niet kunnen ontkomen. Hoe ze ook tot Mij roepen om hulp, Ik zal hen niet verhoren.
Jer. 11,12 Laat de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem maar om hulp roepen tot de goden, aan wie ze offers hebben gebracht. Laat die hen redden in tijden van nood.
Jer. 11,13 Uw goden, Juda, zijn toch even tal - rijk als uw steden; even talrijk als uw straten, Jeruzalem, zijn de altaren die gij hebt gebouwd om offers te brengen aan Bašl.
Jer. 11,14 Bid niet meer voor dit volk, blijf niet jammeren en smeken; Ik luister toch niet als zij in hun nood tot Mij roepen.
Jer. 11,15 Mijn geliefde, wat doe je nog in mijn tempel? Kunnen beloften en offerdieren rampen afweren? Dat zou je graag willen.
Jer. 11,16 `Prachtige groene olijfboom' heeft Jahwe u genoemd. Maar in een hevig onweer heeft Hij hem in vlammen doen opgaan, met takken en al.
Jer. 11,17 Jahwe van de legerscharen die u heeft geplant, kondig rampen over u aan; want IsraŽl en Juda hebben kwaad bedreven: Ze hebben Mij beledigd en offers gebracht aan Bašl.
Jer. 11,18 Toen Jahwe mij waarschuwde, kreeg ik het pas door; Gij hebt mij inderdaad hun plannen laten zien.
Jer. 11,19 Ik was argeloos als een lam dat ter slachting geleid wordt; ik vermoedde niet wat ze tegen mij beraamden: `We vellen de boom in zijn volle kracht. We bannen hem uit het land van de levenden, zodat zijn naam niet meer worden genoemd.'
Jer. 11,20 Jahwe van de machten, uw oordeel is rechtvaardig, Gij doorgrondt hart en nieren. Laat mij dan zien, hoe Ge u op hen wreekt; ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.
Jer. 11,21 Over de mannen van Anatot, die mij naar het leven staan en zeggen: `Als je nog optreedt als profeet van Jahwe, zul je door onze hand sterven', zegt Jahwe van de legerscharen:
Jer. 11,22 Ik zal hen straffen. De soldaten sterven door het zwaard, de kinderen komen om van de honger.
Jer. 11,23 Niemand blijft over. Rampen breng Ik over de mannen uit Anatot, als de tijd van hun straf is gekomen.

Jer. 12,1 Jahwe, Gij zijt rechtvaardig. ik kan niets tegen U inbrengen. Toch leg ik U een vraag voor: Waarom gaat het slechte mensen goed? en leven alle goddelozen gerust?
Jer. 12,2 Gij plant hen - en ze schieten ook wortel. Ze groeien en ze dragen ook vrucht. Hun mond hebben ze vol over U, maar ze dragen U niet in hun hart.
Jer. 12,3 Jahwe, Gij kent mij, Gij ziet mij: Gij doorgrond mijn hart. Sleep hen weg als schapen naar de slachtbank, bestem hen voor de slachting.
Jer. 12,4 Hoelang ligt het land nog droog en verdort het groen op het veld? Om de slechtheid van de bewoners zijn dieren en vogels verdwenen; want ze zeggen: Hij zal ons einde niet zien.
Jer. 12,5 Als ge al moeite hebt om een voetganger bij te houden, hoe zult ge het dan tegen een paard opnemen? Als ge het in een veilig land al opgeeft, wat moet ge dan beginnen in het struikgewas langs de Jordaan?
Jer. 12,6 Ook uw verwanten en uw naaste familie laten u in de steek, achter uw rug honen zij u. Vertrouw hen dus niet, hoe vriendelijk ze ook voor u zijn.
Jer. 12,7 Ik heb mijn huis opgegeven, mijn eigendom afgestoten; wat het liefst was, heb Ik aan de vijand overgeleverd.
Jer. 12,8 Mijn eigendom is geworden als een leeuw in het bos en brult luid tegen Mij; Ik heb er een afkeer van gekregen.
Jer. 12,9 Mijn eigendom is geworden als een hyena, door roofvogels omringd. Roep de wilde dieren bijeen, laat ze komen om het te verslinden.
Jer. 12,10 De herders hebben met hun kudden mijn wijngaard vernield, mijn akker vertrapt, van mijn vruchtbaarste akker een troosteloze woestijn gemaakt.
Jer. 12,11 Een wildernis is het geworden, verdord en verlaten. Het hele land ligt verwoest en niemand bekommert zich erom.
Jer. 12,12 Over alle hoogten van de woestijn zijn de plunderaars aangerukt. Van het ene eind van het land tot het andere is niemand meer veilig. Het is het zwaard van Jahwe, dat alles verslindt.
Jer. 12,13 Ze hebben tarwe gezaaid, maar doornen geoogst; al hun moeite was tevergeefs. De opbrengst is beschamend door de zieden de toorn van Jahwe.
Jer. 12,14 Dit zegt Jahwe: Alle slechte naburen, die het eigendom dat Ik had gegeven aan mijn volk IsraŽl, hebben aangevallen, verdrijf Ik uit hun land. Ook Juda voer Ik weg.
Jer. 12,15 Maar is dat eenmaal gebeurd, dan ontferm Ik mij weer over hen en breng ze allemaal terug naar hun eigen grond, naar hun eigen land.
Jer. 12,16 Als zij dan het geloof van mijn volk aanvaarden en zweren bij mijn naam: `Zowaar Jahwe leeft' - zoals ze eens mijn volk leerden zweren bij Bašl -, dan worden ze opgenomen in mijn volk. Maar het volk dat niet luistert, voer Ik weg; Ik verdelg het, Ik vernietig het - godsspraak van Jahwe -.

Jer. 13,1 Dit zegt Jahwe tot mij: `Ga een linnen lendendoek kopen, sla die om uw middel en zorg dat hij niet nat wordt.'
Jer. 13,2 Ik kocht dus een lendendoek, zoals Jahwe had gevraagd, en sloeg die om mijn middel.
Jer. 13,3 Weer kwam het woord van Jahwe tot mij:
Jer. 13,4 'Ga naar de Eufraat met de lendendoek die gij gekocht hebt om uw middel, en verberg hem daar in een rotsspleet.'
Jer. 13,5 Ik ging naar de Eufraat en verborg hem daar, zoals Jahwe mij bevolen had.
Jer. 13,6 Geruime tijd nadien zei Jahwe tot mij: `Ga naar de Eufraat en haal de lendendoek op die ge daar op mijn bevel hebt verborgen.'
Jer. 13,7 Ik ging naar de Eufraat, zocht de plek op waar ik de lendendoek had verborgen en haalde hem weer te voorschijn. Maar de lendendoek was vergaan, hij deugde nergens meer voor.
Jer. 13,8 Daarna kwam het woord van Jahwe tot mij:
Jer. 13,9 `Dit zegt Jahwe: Op dezelfde manier zal Ik de trots van Juda en van Jeruzalem laten vergaan.
Jer. 13,10 Dit verdorven volk dat niet naar mijn woorden wil luisteren, en hardnekkig zijn eigen weg gaat, dat achter vreemde goden aanloopt, hen dient en vereert, wordt als deze lendendoek die nergens meer voor deugt.
Jer. 13,11 Want zo vast als een lendendoek zit om het middel van een man, zo vast had Ik heel IsraŽl en heel Juda aan Mij gehecht - godsspraak van Jahwe -; ze zouden mijn volk, mijn eer, mijn roem en mijn glorie zijn. Maar ze hebben niet geluisterd.'
Jer. 13,12 Spreek tot hen deze woorden: `Dit zegt Jahwe, IsraŽls God: Kruiken vult men met wijn.' Als ze dan antwoorden: `Kruiken vult men met wijn, dat weten wij ook!'
Jer. 13,13 dan moet ge hen zeggen: `Zo giet Ik alle inwoners van dit land vol tot ze dronken zijn, de koningen die op de troon van David zetelen, de priesters, de profeten en alle inwoners van Jeruzalem.
Jer. 13,14 Ik sla hen tegen elkaar te pletter, de vaders tegen de zonen - godsspraak van Jahwe -; Ik vernietig hen meedogenloos, zonder genade, zonder erbarmen.'
Jer. 13,15 Luister goed! Wees niet zo trots! Jahwe heeft het woord.
Jer. 13,16 Geef eer aan Jahwe uw God, voordat Hij het duister laat worden, voordat gij uw voet stoot in het donker der bergen. Gij verwacht licht, maar Hij maakt het aardedonker en hult alles in duisternis.
Jer. 13,17 Als gij niet luistert, zal ik in het verborgen schrei en, om die hoogmoed van u, en bittere tranen storten omdat de kudde van Jahwe wordt weggevoerd.
Jer. 13,18 Zeg tot de koning en de koningin-moeder: Daal af van uw troon, want de schitterende kroon is van uw hoofd gevallen.
Jer. 13,19 De steden van de Negeb blijven gesloten, niemand kan er in Juda gaat in ballingschap tot de laatste man.
Jer. 13,20 Sla uw ogen op en kijk, wie daar komt uit het noorden. Waar is de kudde die u werd toevertrouwd, waar zijn die prachtige schapen?
Jer. 13,21 Wat zult ge zeggen, als de vroegere minnaars uw meesters worden? Zult ge niet kronkelen van pijn als een vrouw in haar weeŽn?
Jer. 13,22 Ge vraagt u af: Waarom overkomt mij dit alles? Om uw vele misdaden is uw kleed opgelicht en wordt ge verkracht.
Jer. 13,23 Kan een Moor zijn huidskleur veranderen of een panter zijn vlekken? En gij zoudt het goede kunnen doen, gij die met het kwaad zijt vergroeid?
Jer. 13,24 Ik jaag hen uiteen als stro voor de woestijnwind.
Jer. 13,25 Dat is het lot, dat Ik u heb toegemeten - godsspraak van Jahwe -, omdat gij Mij hebt vergeten en op afgoden vertrouwt.
Jer. 13,26 Ikzelf haal uw kleed omhoog, tot over uw hoofd, zodat men uw schande kan zien:
Jer. 13,27 uw overspel, uw wellust, uw schandelijke ontucht. Op de heuvels en in de vlakte heb Ik uw afgodsbeelden gezien. Wee u, Jeruzalem, wordt gij dan nooit eerbaar?

Jer. 14,1 Het woord van Jahwe kwam tot Jeremia naar aanleiding van de grote droogte;
Jer. 14,2 Heel Juda verdort, alle steden verschrompelen, ze liggen treurend ter aarde, gejammer klinkt uit Jeruzalem op.
Jer. 14,3 De aanzienlijke sturen hun dienaars om water: ze komen bij de putten, maar vinden geen water, met lege kruiken keren ze terug, beschaamd, teleurgesteld, het gezicht bedekt.
Jer. 14,4 Het land ligt droog: er viel geen regen op aarde. Daarom staan de boeren beschaamd en bedekken hun gezicht.
Jer. 14,5 Zelfs de hinde laat het jong in de steek omdat er geen gras meer is.
Jer. 14,6 De wilde ezels staan op de heuvels als jakhalzen te happen naar lucht. Hun ogen breken, omdat er geen groen meer is.
Jer. 14,7 Jahwe, al getuigen onze slechte daden tegen ons, treed op, omwille van uw naam. Inderdaad, vaak waren wij afvallig, wij hebben tegen U gezondigd.
Jer. 14,8 Gij hoop van IsraŽl, redder in tijden van nood, waarom zijt Gij als een vreemde in het land, als een reiziger die maar een nacht blijft?
Jer. 14,9 Waarom zijt Gij als een verslagen man, als een soldaat, niet in staat om te redden? Gij zijt toch in ons midden, Jahwe, wij dragen uw naam, wij behoren U toe. Laat ons niet alleen!
Jer. 14,10 Jahwe zegt over dit volk: Ze lopen alle kanten heen; ze doen niets liever, nooit worden ze het moe. Daarom houdt Jahwe niet meer van hen. Hij gaat nu hun schuld verrekenen, hun zonden bestraffen.
Jer. 14,11 Jahwe zei tot mij: `Bid niet voor het welzijn van dit volk.
Jer. 14,12 Al vasten ze. Ik luister niet naar hun klagen; al dragen ze brand - en meeloffers op, Ik aanvaard ze niet meer. Door oorlog, honger en pest roei Ik hen uit.'
Jer. 14,13 Ik zei: `Ach Jahwe mijn Heer, de profeten beweren: Er komt geen oorlog, geen hongersnood; ongestoorde vrede geef Ik u hier.'
Jer. 14,14 Maar Jahwe zei tot mij: `De profeten doen wel alsof ze namens Mij optreden, maar Ik heb hen niet gezonden, Ik heb hun geen opdracht gegeven. Ik heb niet tot hen gesproken. Hun visioenen zijn bedrog, hun orakels berusten nergens op, ze verkondigen eigen verzinsels.
Jer. 14,15 Daarom zegt Jahwe: De profeten die in mijn naam optreden, zonder dat Ik hen gezonden heb, en die zeggen: Oorlog noch honger zullen dit land treffen, komen zelf om door oorlog en honger.
Jer. 14,16 De mensen voor wie ze optreden, worden in de straten van Jeruzalem geveld door hongersnood en oorlog, zonder dat iemand hen begraaft: mannen en vrouwen, zonen en dochters. Zo laat Ik hun slechtheid op hun eigen hoofd neerkomen.'
Jer. 14,17 Ik zou moeten wenen dag en nacht, zonder ophouden, want een vreselijke ramp heeft mijn dochter getroffen, door een zware slag ligt mijn volk geveld.
Jer. 14,18 Ga ik de stad uit, dan zie ik ze daar geveld door het zwaard; ga ik de stad in, dan zie ik ze daar, uitgeteerd door de honger. Zelfs profeten en priesters worden weggesleept naar een onbekend land.
Jer. 14,19 Hebt Gij Juda verworpen, hebt Ge van Sion een afkeer gekregen? Waarom hebt Ge ons dan zo geslagen, dat er geen gene zing meer is? We hoopten op vrede, maar die bleef uit, op een tijd van herstel, maar de verschrikking bleef duren.
Jer. 14,20 Jahwe, wij erkennen onze misdaden en de schuld van onze voorvaderen. Wij hebben inderdaad tegen U gezondigd.
Jer. 14,21 Omwille van uw naam, verwerp ons niet, haal uw roemrijke troon niet door het slijk. Denk toch aan uw verbond met ons en verbreek het niet.
Jer. 14,22 Brengen de goden der volken soms regen of laat de hemel zelf die neerstromen? Neen, Gij zijt het, Jahwe onze God. Wij hopen op U, want dit alles komt van U.

Jer. 15,1 Jahwe zei tot mij: Al stonden Mozes en SamuŽl voor Mij, dan nog liet Ik Mij met dit volk niet meer in. Stuur ze weg, laat ze gaan.
Jer. 15,2 Als ze u vragen: Waar moeten we heen, antwoord dan: Dit zegt Jahwe: Wie voor de dood is bestemd, naar de dood; wie voor het zwaard, naar het zwaard; wie voor de honger, naar de honger; wie voor ballingschap, naar de ballingschap.
Jer. 15,3 Vier nachten laat Ik op hen los - godsspraak van Jahwe -: het zwaard om hen uit te moorden, de honden om hen weg te slepen, de vogels en de wilde dieren om hen te verscheuren en te verslinden.
Jer. 15,4 Ik maak hen tot een schrikbeeld voor al de koninkrijken op aarde
Jer. 15,5 Jeruzalem, wie heeft nog medelijden met u, wie is nog met u begaan? Wie komt naar u toe om te vragen hoe u het maakt?
Jer. 15,6 Gij hebt Mij verlaten - godsspraak van Jahwe -, ge zijt van Mij weggegaan. Daarom hef Ik mijn hand tegen u op om u te vernietigen. Ik ben niet meer in staat u te vergeven.
Jer. 15,7 In alle steden van het land schud Ik mijn volk in de wan. Ik beroof hen van al hun kinderen. Ik roei hen uit, omdat zij hun eigen weg blijven gaan.
Jer. 15,8 Hun weduwen worden talrijker dan de zandkorrels op het strand. Soldaten stuur Ik af op de moeders, geweldenaars op klaarlichte dag. Onverhoeds sla Ik hen met schrik en ontzetting.
Jer. 15,9 Moeders die vele kinderen baarden, bezwijken en vallen in onmacht. Midden op de dag gaat de zon voor hen onder, ze staan beschaamd en ontgoocheld. En wie dat nog overleeft lever Ik over aan het zwaard van de vijand - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 15,10 Wee mij, moeder, dat u mij het leven schenkt, een man met wie het hele land strijdt en twist. Ik heb niets uitgeleend en niets in leen ontvangen, en toch vervloekt iedereen mij,
Jer. 15,11 Ik bad: Jahwe, ik heb u toch gediend voor hun welzijn, ik heb voor mij vijand ten beste gesproken in tijden van onheil en nood.
Jer. 15,12 Maar ijzer uit het noorden of koper, kan men dat breken?
Jer. 15,13 Uw rijkdommen en uw voorraden laat Ik plunderen: dat is de prijs voor uw zonden, overal in het land.
Jer. 15,14 Ik maak u de slaaf van uw vijand in een onbekend land. Want de vlammen van mijn toorn slaan uit en woeden tegen u.
Jer. 15,15 Jahwe, denk aan mij, kom mij te hulp. Wreek mij op mijn vervolgers, heb niet zoveel geduld met hen dat het mijn ondergang wordt. Gij weet dat ik versmaad wordt om U.
Jer. 15,16 Zodra uw woord mij bereikte, verslond Ik het, het was mijn vreugde, het maakte mij zielsgelukkig. Ik draag immers uw naam, Jahwe, God van de legerscharen.
Jer. 15,17 Nooit zat ik in vrolijk gezelschap, nooit heb ik vreugde gekend. Ik leefde eenzaam, gegrepen door U, en was van uw toorn vervuld.
Jer. 15,18 Waarom komt er geen eind aan mijn smart, waarom is mijn wond niet te helen, waarom wil ze niet genezen? Gij zijt voor mij een onbetrouwbare beek waarop geen staat valt te maken.
Jer. 15,19 Daarop antwoordde Jahwe: Neem uw woorden terug dan neem Ik u weer in mijn dienst. Spreek edele, geen onwaardige taal, dan moogt ge weer mijn tolk zijn. Zij moeten zich richten naar u, gij moogt u niet richten naar hen.
Jer. 15,20 Dan maak Ik u voor dit volk tot een onneembare, koperen muur. Ze zullen u bestrijden, maar u niets kunnen doen, want Ik ben bij u om u te helpen en u te redden - godsspraak van Jahwe -;
Jer. 15,21 Ik red u uit de greep van de machtigen.

Jer. 16,1 het woord van Jahwe kwam tot mij:
Jer. 16,2 Ge moogt hier niet huwen en geen kinderen hebben.
Jer. 16,3 Want dit zegt Jahwe over de kinderen die in dit land worden geboren, over de moeders die hen ter wereld brengen en de vaders die hen verwekken:
Jer. 16,4 Ze zullen sterven aan dodelijke ziekten; niemand treurt over hen, niemand begraaft hen; ze liggen als mest op de akker. Ze komen om door oorlog en hongersnood. De vogels en de wilde dieren azen op hun lijken.
Jer. 16,5 Dit zegt Jahwe: Ge moogt geen sterfhuis binnengaan; ge moogt niet rouwen en geen deelneming betuigen. Want Ik ontneem dit volk het heil, de genade en de ontferming, die ik het heb gegeven - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 16,6 Klein en groot vindt de dood in dit land; niemand die hen begraaft of over hen treurt; niemand die zich het lichaam kerft of zich kaal scheert.
Jer. 16,7 Niemand brengt troost door brood aan te bieden of een beker te reiken aan hen die rouwen over een dode, al was het een vader of moeder.
Jer. 16,8 Ga ook geen huis binnen waar gefeest wordt om mee te eten en te drinken.
Jer. 16,9 Want dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Gij zult het nog meemaken, dat Ik hier de kreten van blijdschap en vreugde, het zingen voor bruidegom en bruid laat verstommen.
Jer. 16,10 Wanneer ge dit volk dit alles verkondigt en ze vragen: `Waarom kondigt Jahwe ons die grote rampen aan, wat hebben we misdaan, waarom hebben wij gezondigd tegen Jahwe onze God?',
Jer. 16,11 dan moet ge hen antwoorden: `Uw voorvaderen hebben mij verlaten - godsspraak van Jahwe -, ze zijn achter andere goden aangelopen, om die te dienen en te vereren. Maar Mij hebben ze verlaten, mijn wet hebben ze niet onderhouden.
Jer. 16,12 En gij maakt het nog erger dan uw voorvaderen: iedereen blijft hardnekkig in de boosheid, niemand luistert naar Mij.
Jer. 16,13 Daarom verdrijf Ik u uit dit land naar een onbekend land dat ook uw voorvaderen niet kenden. Daar kunt ge andere goden dienen, dag en nacht, want Ik heb met u geen medelijden meer.'
Jer. 16,14 De tijd komt - godsspraak van Jahwe -, dat men niet meer zegt: `Zowaar Jahwe leeft die de IsraŽlieten uit Egypte heeft geleid',
Jer. 16,15 maar: `Zowaar Jahwe leeft die de IsraŽlieten uit het noorden heeft geleid, uit alle landen waarheen Hij hen had verdreven'; want Ik breng hen terug naar de grond, die Ik hun voorvaderen gegeven had.
Jer. 16,16 Ik stuur een groot aantal vissers uit om hen te vangen - godsspraak van Jahwe -. Daarna stuur Ik een groot aantal jagers om hen uit de verste schuilhoeken, in bergen en heuvels op te jagen.
Jer. 16,17 Ik houd mijn ogen gericht op al wat zij doen, niets blijft voor Mij verborgen, geen misstap ontgaat Mij.
Jer. 16,18 Hun misdaden en zonden zet ik hen dubbel betaald, omdat ze mijn land hebben ontwijd met het aas van hun verachtelijke goden. Heel mijn gebied wemelt van hun afschuwelijke beelden.
Jer. 16,19 Jahwe, mijn sterkte, mijn burcht, mijn toevlucht in tijd van nood, van het eind van de aarde komen de volken naar U en bekennen: De goden van onze vaderen waren leugen en lucht, ze dienden tot niets.
Jer. 16,20 Kan de mens soms goden maken? Dat zijn immers geen goden.
Jer. 16,21 Dat zal Ik hen leren! Deze keer laat Ik hen de macht van mijn hand voelen. Ze zullen weten dat mijn naam Jahwe is.

Jer. 17,1 De zonde van Juda staat met een ijzeren stift geschreven, met een diamanten punt gegrift in de schrijftafel van hun hart, op de horens van hun altaren.
Jer. 17,2 Hun zonen denken alleen aan hun altaren en aan hun heilige palen bij iedere groene boom, op alle hoge heuvels
Jer. 17,3 en op de bergen in de vlakte. Uw rijkdommen en uw voorraden laat Ik plunderen: Dat is de prijs voor uw zonden, overal in het land.
Jer. 17,4 Het gebied dat Ik u gegeven heb, moet ge opgeven. Ik maak u slaaf van uw vijand in een onbekend land, want de vlammen van mijn toorn slaan uit en woeden tegen u.
Jer. 17,5 Dit zegt Jahwe: Vervloekt is hij die op mensen ver trouwt, die steunt op een schepsel en zich afkeert van Jahwe.
Jer. 17,6 Hij is een kale struik in de steppe; nooit krijg hij regen. Hij staat op dorre woestijngrond in een onvruchtbaar, verlaten gebied.
Jer. 17,7 Gezegend is hij die op Jahwe vertrouwt, en zich veilig weet bij Hem.
Jer. 17,8 Hij is een boom aan een rivier met wortels tot in het water Hij heeft geen last van de hitte, zijn bladeren blijven groen. Een tijd van droogte deert hem niet, hij blijft vrucht dragen.
Jer. 17,9 Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie kan het peilen?
Jer. 17,10 Ik Jahwe, doorgrond hart en nieren, Ik vergeld ieder naar zijn gedrag. naar de vrucht van zijn werk.
Jer. 17,11 Als een patrijs die eieren uitbroedt die ze niet heeft gelegd, zo is iemand die oneerlijk rijkdom verwerft. In de bloei van zijn leven moet hij er afstand van doen; als zijn einde komt, blijkt hij een dwaas.
Jer. 17,12 Een hoge, roemrijke troon is vanouds de plaats, waar de tempel staat. Jahwe, hoop van IsraŽl,
Jer. 17,13 allen die U verloochenen, staan beschaamd; die zich van U afkeren, zijn opgeschreven ten dode, want ze hebben de bron van levend water verlaten.
Jer. 17,14 Jahwe, genees mij, en ik zal gezond zijn, red mij, - en ik zal veilig zijn, want U komt alle eer toe.
Jer. 17,15 Hoor wat ze tegen mij zeggen: `Waar blijf je met het woord van Jahwe? Laat het maar in vervulling gaan.'
Jer. 17,16 Ik heb niet aangedrongen op rampen, een onheilsdag heb ik niet gewild. Gij weet alles wat over mijn lippen kwam, al mijn woorden zijn U bekend.
Jer. 17,17 Ik smeek U, word dan mijn ondergang niet, Gij, mijn toevlucht in tijden van nood.
Jer. 17,18 Laat mijn vervolgers beschaamd worden, niet mij. Mogen zij ten ondergaan, niet ik. Breng de onheilsdag over hen. Ver pletter hen totaal.
Jer. 17,19 Dit zegt Jahwe tot mij: Ga staan in de Volkspoort, waardoor de koning; en van Juda de stad in - en uitgaan, en in de andere poorten van Jeruzalem
Jer. 17,20 en zeg hun: Koningen van Juda, inwoners van Juda en van Jeruzalem, die door deze poorten komt, luistert naar het woord van Jahwe.
Jer. 17,21 Hij zegt: Wacht u er wel voor, op de sabbat door de poorten van Jeruzalem lasten binnen te dragen.
Jer. 17,22 Ge moogt op de sabbat ook geen lasten uw huis uit dragen of ander werk doen. De sabbat moet heilig zijn voor u, zoals Ik uw voorvaderen heb geboden.
Jer. 17,23 Maar die hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Hardnekkig weigerden ze Mij te gehoorzamen, ze namen niets van Mij aan.
Jer. 17,24 Maar als gij wel naar Mij luistert - godsspraak van Jahwe - en op de sabbat geen lasten door de poorten de stad binnen brengt, als gij de sabbat heiligt door op die dag niet te werken,
Jer. 17,25 dan blijven de koningen die op de troon van David zitten, op paarden en wagens door deze poorten de stad in - en uitgaan, evenals hun edelen en de inwoners van Juda en Jeruzalem. Dan blijft deze stad voor altijd bewoond.
Jer. 17,26 En uit de steden van Juda, uit de omstreken van Jeruzalem, uit Benjamin, uit de Sefela, uit het bergland en uit de Negeb komt men naar het huis van Jahwe met brandoffers, slachtoffers, meeloffers, reukoffers en dankoffers.
Jer. 17,27 Maar als gij tegen mijn woord in de sabbat niet hei ligt, als ge op die dag lasten door de poorten Jeruzalem binnen draagt, dan steek Ik die poorten in brand; de burcht van Jeruzalem gaat op in vlammen, ze worden niet gedoofd.

Jer. 18,1 Dit woord van Jahwe kwam tot Jeremia:
Jer. 18,2 `Ga naar het huis van de pottenbakker. Daar zal Ik u laten horen wat Ik heb te zeggen.'
Jer. 18,3 Ik ging naar het huis van de pottenbakker. Deze was juist aan het werk op de schijf.
Jer. 18,4 Toen de pot die hij aan het boetseren was onder zijn handen mislukte, begon hij met de leem een andere pot te maken, die hem wel beviel.
Jer. 18,5 Daarop kwam het woord van Jahwe tot mij:
Jer. 18,6 Huis van IsraŽl, kan Ik niet met u doen als deze potten bakker - godsspraak van Jahwe -? Als leem in de hand van de pottenbakker zijt gij in mijn hand, huis van IsraŽl.
Jer. 18,7 De ene keer richt Ik mij tot een volk of een koninkrijk om het uit te rukken, af te breken, te vernielen.
Jer. 18,8 Maar als het volk waartoe Ik mij richtte, zich bekeert, dan krijg Ik spijt over de rampen waarmee Ik het heb bedreigd.
Jer. 18,9 De andere keer richt Ik mij tot een volk of een koninkrijk om het op te bouwen en te planten.
Jer. 18,10 Maar als het doet wat Mij mishaagt en niet naar Mij luistert, dan krijg Ik spijt over de weldaden die Ik het heb willen bewijzen.
Jer. 18,11 Zeg nu aan de mannen van Juda en aan de inwoners van Jeruzalem: `Dit zegt Jahwe: Ik smeed een plan en beraam onheil tegen u. Verlaat het slechte pad en beter uw leven.'
Jer. 18,12 Maar zij zullen u zeggen: `Vergeefse moeite! Wij gaan onze eigen weg en blijven hardnekkig in de boosheid.'
Jer. 18,13 Daarom zegt Jahwe: Vraag aan de volken, of iemand ooit zo iets gehoord heeft, zo iets afschuwelijks als IsraŽl heeft bedreven.
Jer. 18,14 De stenen in het veld, de sneeuw op de Libanon verdwijnen die ooit? Stromende wateren, borrelende bronnen drogen die ooit uit?
Jer. 18,15 Maar mijn volk heeft Mij vergeten, aan goden van niets brengen zij offers. Op hun eigen vertrouwde wegen zijn ze gestruikeld, ze volgen zijpaden, die ongebaand zijn.
Jer. 18,16 Ze hebben van hun land een schrikbeeld gemaakt, een teken van blijvende spot. Ieder die er doorheen trekt, staat verbijsterd en schudt meewarig het hoofd.
Jer. 18,17 Als de oostenwind jaag Ik hen voor de vijand uiteen, Ik keer hun mijn rug toe, niet mijn gezicht op de dag van het onheil.
Jer. 18,18 Ze zeiden: `We beramen een aanslag op Jeremia. Nooit ontbreekt het de priesters aan onderricht, de wijzen aan raad of de profeten aan woorden. Wij zullen hem met onze tong slagen toe brengen. Wij letten niet meer op wat hij zegt.'
Jer. 18,19 Geef mij gehoor, Jahwe, luister naar mijn klacht:
Jer. 18,20 Mag men goed met kwaad vergelden? Toch graven zij een kuil voor mij. Vergeet niet, dat ik voor u stond om voor hen ten beste te spreken en uw toorn van hen af te wenden.
Jer. 18,21 Laat dan hun kinderen omkomen van honger, lever hen uit aan het zwaard. Laat de vrouwen achter zonder kinderen, zonder man. Hun mannen zullen sterven aan de pest, hun jongens sneuvelen door het zwaard.
Jer. 18,22 Geschrei zal men horen uit hun huizen, als Gij onverwachts rovers op hen afstuurt. Want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen en strikken gezet voor mijn voeten.
Jer. 18,23 Jahwe, Gij kent hun moorddadige plannen: Vergeef hun misdaden niet, wist hun zonde niet uit. Laat hen voor uw ogen bezwijken, reken met hen af als uw toorn begint.

Jer. 19,1 Dit zegt Jahwe: Koop een aarden kruik, ga met enkele oudsten van het volk en van de priesters
Jer. 19,2 naar het Ben-hinnomdal, bij de Schervenpoort, en verkondig daar wat Ik u opdraag.
Jer. 19,3 Gij moet hun zeggen: Hoor het woord van Jahwe, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem: Dit zegt Jahwe van de mach ten, IsraŽls God: Rampen breng Ik over deze plaats, zodat de oren tuiten van iedereen die het hoort.
Jer. 19,4 Want zij hebben Mij verlaten, deze plaats voor Mij onherkenbaar gemaakt en er offers gebracht aan andere goden, die zij, evenmin als hun voorvaderen en de koningen van Juda, hebben gekend. Alles is hier doordrenkt met onschuldig bloed.
Jer. 19,5 Er zijn door hen offerhoogten voor Bašl gebouwd om er hun kinderen voor hem te verbranden, ofschoon Ik dat niet had bevolen en er nooit van heb willen weten.
Jer. 19,6 Daarom komt er een tijd - godsspraak van Jahwe - dat deze plaats niet meer Tofet of Ben-hinnom-dal heet, maar Dal van de slachting.
Jer. 19,7 Ik verijdel de plannen die Juda en Jeruzalem daar hebben beraamd; Ik vel hen door het zwaard van de vijanden die hen belagen. De vogels en de wilde dieren zullen azen op hun lijken.
Jer. 19,8 Deze stad maak Ik tot een schrikbeeld en een teken van spot. Iedereen die er langs komt, staat verbijsterd over al die rampen en houdt de adem in.
Jer. 19,9 Ik breng hen zover dat ze het vlees van hun eigen kinderen eten en dat ze elkaar verslinden in de nood en de benauwdheid waarin de vijanden die hen belagen, hen brengen.
Jer. 19,10 Dan moet ge voor de ogen van de mannen die met u zijn meegegaan, de kruik verbrijzelen
Jer. 19,11 en zeggen: Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Ik verbrijzel dit volk en deze stad, zoals men een aarden kruik onherstelbaar verbrijzelt. De Tofet wordt een grote begraaf plaats.
Jer. 19,12 Zo handel Ik met deze plaats en met zijn bewoners godsspraak van Jahwe -; Ik maak deze stad aan de Tofet gelijk.
Jer. 19,13 De huizen van Jeruzalem en van de koningen van Juda worden even onrein als de Tofet, al die huizen waar men op de daken wierook heeft gebrand voor alle hemellichamen en plengoffers gebracht aan andere goden.
Jer. 19,14 Daarop ging Jeremia van de Tofet waar Jahwe hem met deze boodschap naar toe had gezonden, naar de voorhof van Jahwe's huis en zei tot heel het volk:
Jer. 19,15 `Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Ik breng over deze stad en over de andere steden al de rampen waarmee Ik gedreigd heb, want ze weigeren hardnekkig naar Mij te luisteren.'

Jer. 20,1 Toen Paschur, zoon van Immer, priester en hoofdopzichter van de tempel, deze profetie van Jeremia hoorde,
Jer. 20,2 liet hij de profeet stokslagen toedienen en sloot hem boven in de Benjaminpoort van de tempel in het blok.
Jer. 20,3 Maar toen Paschur hem de volgende morgen uit het blok los maakte, zei Jeremia tot hem: `Voortaan noemt Jahwe je geen Paschur meer, maar `Ontzetting-overal'.
Jer. 20,4 Want dit zegt Jahwe: Ik maak je tot een ontzetting voor je zelf en voor je vrienden. Zij zullen vallen door het zwaard van de vijand en met je eigen ogen zul je dat moeten aanzien. Alle JudeeŽrs lever Ik over aan de koning van Babel. Hij voert ze in ballingschap en slaat ze neer met het zwaard.
Jer. 20,5 Have en goed van deze stad, alle kostbaarheden, alle schatten van de koningen van Juda geef Ik aan de vijand, die ze buit maakt en meeneemt naar Babel.
Jer. 20,6 Ook jij gaat met heel je familie als gevangene naar Babel. Daar zul je sterven, daar word je begraven, met al je vrienden aan wie je leugens hebt verkondigd.'
Jer. 20,7 Jahwe, Gij hebt mij overgehaald; ik ben bezweken, Gij waart mij te sterk. Ik kan niet tegen U op. De hele dag lacht men mij uit, iedereen drijft de spot met mij.
Jer. 20,8 Telkens als ik het woord neem, moet ik schreeuwen en `geweld en onderdrukking' roepen. Het woord van Jahwe brengt mij iedere dag schande en smaad.
Jer. 20,9 Soms denk ik: Ik wil er niets meer van weten, ik spreek niet meer in zijn naam. Maar dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente. Ik doe alle moeite om het in bedwang te houden maar dat lukt me niet.
Jer. 20,10 Ik hoor velen fluisteren: `Daar heb je `Ontzetting-overal'. Breng hem aan.' Ja, we brengen hem aan. Al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen. Ze zeggen: `Misschien laat hij zich misleiden, dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken.'
Jer. 20,11 Jahwe is bij mij als een machtig strijder. Mijn achter volgers vallen neer, ze zullen niet overwinnen. Ze worden diep beschaamd, nooit bereiken ze niets. Hun schande duurt eeuwig, ze wordt nooit vergeten!
Jer. 20,12 Jahwe van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien hoe Gij u op hen wreekt. Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.
Jer. 20,13 Zing een lied, een loflied voor Jahwe, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered.
Jer. 20,14 Vervloekt de dag waarop ik ben geboren, vervloekt de dag dat mijn moeder mij het leven schonk.
Jer. 20,15 Vervloekt de man die mijn vader het nieuws bracht: `Je hebt een zoon!' en hem daar blij mee maakte.
Jer. 20,16 Het zal die man vergaan als de steden die Jahwe meedogenloos heeft verwoest. Geschreeuw zal hij horen in de morgen, krijgsrumoer in de namiddag.
Jer. 20,17 Hij had mij in de schoot moeten doden; dan was mijn moeder mijn graf geworden en haar schoot voor altijd zwanger gebleven.
Jer. 20,18 Ben ik dan ter wereld gekomen om niets dan ellende en zorg te kennen en mijn dagen in schande te slijten?

Jer. 21,1 Het woord van Jahwe kwam tot Jeremia, toen koning Sidkia Paschur, de zoon van Malkia en de priester Sefanja, zoon van Maaseja, naar hem toe zond met het verzoek:
Jer. 21,2 `Koning Nebukadnessar van Babel voert oorlog tegen ons. Raadpleeg Jahwe, of Hij misschien voor ons een van zijn wonderen herhaalt en koning Nebukadnessar die tegen ons optrekt dwingt tot de aftocht.'
Jer. 21,3 Jeremia antwoordde hun: `U moet aan Sidkia zeggen:
Jer. 21,4 Dit zegt Jahwe, IsraŽls God: De legers waarmee u buiten de muren vecht tegen de koning van Babel en tegen de ChaldeeŽn, die u belegeren, drijf Ik terug binnen deze stad.
Jer. 21,5 Want Ikzelf strijd tegen u met opgeheven hand, met sterke arm, in grimmige toorn en grote woede.
Jer. 21,6 Alles wat in de stad woont, sla Ik neer, mens en dier; door een vreselijke pest komen ze om.
Jer. 21,7 Daarna - godsspraak van Jahwe - lever Ik Sidkia, de koning van Juda, zijn hovelingen en iedereen die in deze stad aan de pest, het zwaard en de honger is ontkomen, over aan Nebukadnessar, de koning van Babel, aan de vijanden die hen naar het leven staan. Hij brengt ze om met het zwaard, meedogenloos zonder genade, zonder erbarmen.
Jer. 21,8 Tot het volk moet u zeggen: `Dit zegt Jahwe: Ik geef u de keus tussen de weg naar het leven en de weg naar de dood.
Jer. 21,9 Wie in deze stad blijft, sterft door het zwaard, de honger en de pest; wie de stad verlaat en overloopt naar de ChaldeeŽn, blijft behouden en brengt het er levend af.
Jer. 21,10 Want Ik heb besloten rampen te brengen over deze stad, geen zorgen - godsspraak van Jahwe -. Ze valt in de macht van de koning van Babel, die haar legt in de as.'
Jer. 21,11 Over het koningshuis van Juda. Hoor het woord van Jahwe,
Jer. 21,12 huis van David. Dit zegt Jahwe: Spreek iedere morgen rechtvaardig recht. Bevrijd de verdrukte uit de macht van de verdrukker. Anders laait mijn toorn op als een vuur en die brand wordt door niemand geblust. Zo slecht zijn uw daden.
Jer. 21,13 Ik kom op u af - godsspraak van Jahwe -, op u die troont boven het dal, op de rotsen en pocht: `Wij zijn ongenaakbaar. Niemand komt onze vesting binnen.'
Jer. 21,14 Ik straf u zoals ge verdient - godsspraak van Jahwe -. Ik steek de bossen in brand, heel de streek gaat op in vlammen.

Jer. 22,1 Dit zegt Jahwe: Ga naar het paleis van de koning van Juda en verkondig daar:
Jer. 22,2 Hoor het woord van Jahwe, koning van Juda, die op de troon van David zit, met uw hovelingen en onderdanen die door deze poorten in - en uitgaan.
Jer. 22,3 Dit zegt Jahwe: Oordeel rechtvaardig en eerlijk. Bevrijd de verdrukte uit de macht van de verdrukker, doe vreemdelingen, wezen en weduwen niet te kort, zorg dat hun geen onrecht geschiedt. Vergiet geen onschuldig bloed op deze plaats.
Jer. 22,4 Als gij dit werkelijk doet, dan blijven de koningen die op Davids troon zitten, op wagens en paarden door de poorten van dit paleis in - en uitgaan, evenals hun hovelingen en onderdanen.
Jer. 22,5 Maar als gij naar deze woorden niet luistert, dan zeer Ik bij mijzelf, dat dit paleis een puinhoop wordt - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 22,6 Dit zegt Jahwe over het paleis van de koning van Juda: Gij waart voor mij als Gilead, als de top van de Libanon, maar Ik maak van u een woestijn, een uitgestorven stad.
Jer. 22,7 Ik ontbied slopers, om u met hun werktuigen neer te slaan. Uw prachtig cederhout slaan ze stuk, ze werpen het in het vuur.
Jer. 22,8 Dan zeggen vele volken die langs deze stad komen tot elkaar: `Waarom heeft Jahwe deze grote stad zo behandeld?'
Jer. 22,9 En men zal antwoorden: `Omdat zij het verbond met Jahwe hun God niet zijn nagekomen en andere goden hebben vereerd en gediend.'
Jer. 22,10 Treur niet over de dode, geef geen blijk van deelneming. Treur liever over hem die wegging, want hij komt niet naar zijn geboorteland terug, nooit ziet hij het weer.
Jer. 22,11 Want dit zegt Jahwe over Sallum, zoon van Josia, koning van Juda, die zijn vader op de troon is opgevolgd: Hij die nu weg is uit deze stad, keert hier niet meer terug.
Jer. 22,12 In het land waarheen hij is verbannen, zal hij sterven; zijn eigen land ziet hij nooit weer.
Jer. 22,13 Wee hem die een paleis bouwt op een onrechtvaardige wijze en het optrekt in onrecht; die zijn naaste laat werken voor niets en hem zijn loon niet betaalt;
Jer. 22,14 die zegt: `Ik ga een geweldig huis bouwen met ruime bovenvertrekken, van vensters voorzien, met cederhout bekleed, met menie geverfd.'
Jer. 22,15 Bent u soms koning, alleen omdat u meer cederhout hebt dan een ander? Uw vader heeft zich in niets te kort gedaan, maar hij bleef daarbij rechtvaardig en eerlijk. En toen ging het hem goed.
Jer. 22,16 Hij kwam op voor armen en behoeftigen. Dat noem Ik: Mij kennen - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 22,17 Maar gij zijt alleen uit op eigen gewin, op onschuldig bloed vergieten, op verdrukking en afpersing.
Jer. 22,18 Daarom zegt Jahwe over Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda: Niemand heft een klaaglied over hem aan: `Ach mijn broeder, ach mijn zuster!' Niemand heft een klaaglied over hem aan: `Ach heer, ach majesteit!'
Jer. 22,19 Als een ezel wordt hij begraven: Men sleept hem weg en werpt hem buiten de poorten van Jeruzalem.
Jer. 22,20 Bestijg de Libanon en schreeuw het uit, laat uw geroep in Basan weerklinken, schreeuw het uit van de Abarim, want al uw minnaars liggen verslagen.
Jer. 22,21 Ik heb tot u gesproken, toen het u goed ging, maar gij hebt geantwoord: `Ik luister niet.' Van jongs af hebt ge niet anders gedaan, nooit hebt ge naar Mij geluisterd.
Jer. 22,22 De wind voert uw leiders mee; uw minnaars gaan in ballingschap. Dan komt schaamte en schande over u om al uw misdaden.
Jer. 22,23 Ge moogt dan al op de Libanon wonen en nesten bouwen in ceders, kreunen zult ge als de pijnen u overvallen, kronkelen als een vrouw in haar weeŽn.
Jer. 22,24 Zo waar Ik leef - godsspraak van Jahwe -, Konja, zoon van Jojakim, koning van Juda, zelfs al was u de zegelring aan mijn vinger, Ik trek u eraf.
Jer. 22,25 Ik lever u over aan hen die u naar het leven staan en voor wie u zo bang bent, aan Nebukadnessar, de koning van Babel, en aan de ChaldeeŽn.
Jer. 22,26 Ik drijf u en de moeder die u gebaard heeft, naar een land waar u niet bent geboren: Daar zult u sterven.
Jer. 22,27 Nooit meer keren zij terug naar het land dat ze zo graag zouden weerzien.
Jer. 22,28 Is die Konja soms een afgedankte kruik, een pot die niemand meer wil? Waarom is hij dan toch met zijn gezin weggegooid, weggeslingerd naar een onbekend land?
Jer. 22,29 Land, o land, luister naar het woord van Jahwe!
Jer. 22,30 Dit zegt Jahwe: Schrijf deze man in als kinderloos, als iemand wiens leven niet is geslaagd. Want geen van zijn kinderen zal er in slagen op de troon van David te komen en weer over Juda te heersen.

Jer. 23,1 Wee de herders, door wie de schapen van mijn kudde omkomen en verloren lopen - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 23,2 Daarom zegt Jahwe, IsraŽls God, tot de herders die mijn volk weiden: Door uw schuld zijn mijn schapen verloren gelopen en uiteengedreven; ge hebt er niet op gelet. Maar Ik let wel op u vanwege al uw misdaden - godsspraak van Jahwe.
Jer. 23,3 Zelf breng Ik de overgebleven schapen bijeen uit alle landen waarheen Ik ze heb verdreven. Ik breng ze terug naar hun weiden; ze worden weer vruchtbaar en talrijk.
Jer. 23,4 Dan stel Ik herders over hen aan, die hen werkelijk weiden. Ze hoeven niet meer bang of angstig te zijn, geen van hen wordt nog vermist - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 23,5 Geloof mij, de tijd komt dat Ik een wettige telg van David doe opstaan - godsspraak van Jahwe -; hij zal met bekwaamheid regeren en het land rechtvaardig en eerlijk besturen.
Jer. 23,6 Dan wordt Juda bevrijd, leeft IsraŽl veilig. Dit is de naam die men het geeft: `Jahwe, onze gerechtigheid.'
Jer. 23,7 Eens komt de tijd godsspraak van Jahwe -, dat men niet meer zegt: `Zowaar Jahwe leeft, die de IsraŽlieten uit Egypte heeft geleid',
Jer. 23,8 maar: `Zowaar Jahwe leeft, die de nakomelingen van IsraŽl heeft teruggebracht uit het noorden, uit alle landen waarheen Hij hen had verdreven. Op hun eigen grond zullen zij weer wonen.'
Jer. 23,9 Over de profeten. Ik ben geschokt tot diep in mijn hart, ik beef over al mijn leden. Ik lijk wel dronken, bevangen door de wijn, zo vol ben ik van Jahwe's heilige woorden.
Jer. 23,10 Overal in het land pleegt men echtbreuk, daarom ligt het land verdord, zijn de oasen in de woestijn uitgedroogd. Zij zinnen alleen maar op kwaad, hun macht steunt op onrecht.
Jer. 23,11 Zelfs profeten en priesters zijn verdorven, in mijn eigen huis heb Ik hen op misdaden betrapt - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 23,12 Daarom wordt de weg die zij gaan een glibberig pad in het donker, waar zij struikelen en vallen. Want rampen breng Ik over hen, als de tijd van hun straf is gekomen - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 23,13 Ik heb gezien, dat de profeten van Samaria iets verschrikkelijks deden: Zij traden op als profeten van Bašl en misleidden mijn volk IsraŽl.
Jer. 23,14 Maar de profeten van Jeruzalem heb Ik nog erger dingen zien doen: overspel en bedrog. De bozen stijven zij in hun boosheid, zodat niemand tot inkeer komt. De hele stad is voor Mij een Sodom, de hele bevolking een Gomorra.
Jer. 23,15 Daarom zegt Jahwe van de legerscharen over de profeten: Ik geef hun alsem te eten en vergif te drinken, want door de profeten van Jeruzalem komt verderf over het hele land.
Jer. 23,16 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Luister niet naar wat de profeten u verkondigen. Ze bedriegen u; hun visioenen zijn eigen verzinsels en geen boodschap van Jahwe.
Jer. 23,17 Tot hen die het woord van Jahwe minachten, zeggen zij: `Het zal u goed gaan.' En tot ieder die verstokt blijft in de boosheid, zeggen zij: `U zal geen kwaad overkomen.'
Jer. 23,18 Maar wie van hen had zitting in de raad van Jahwe? Wie was erbij en hoorde wat Hij besloot? Wie vernam zijn besluiten en bracht ze over?
Jer. 23,19 De stormwind van Jahwe steekt op, een wervelstorm breekt los over de boosdoeners.
Jer. 23,20 De toorn van Jahwe komt niet tot bedaren, tot Hij al zijn plannen ten uitvoer gebracht heeft. Later zal dit u duidelijk worden.
Jer. 23,21 Ik heb die profeten niet gezonden en toch sloven ze zich uit. Ik heb niet tot hen gesproken en toch treden ze op als profeet.
Jer. 23,22 Hadden ze zitting gehad in mijn raad, dan zouden ze mijn volk mijn besluiten verkondigen en het afbrengen van zijn verkeerde weg, van zijn slecht gedrag.
Jer. 23,23 `Ben Ik alleen een God die in de nabijheid is; ben ik ook niet een God die ver weg is?'
Jer. 23,24 Nergens kan een mens zich verbergen zonder dat Ik hem zie - godsspraak van Jahwe -. Hemel en aarde zijn vol van Mij godsspraak van Jahwe -.
Jer. 23,25 Ik hoor de profeten die in mijn naam leugens verkondigen, zeggen: `Ik had een droom.'
Jer. 23,26 Hoelang moet dat nog duren! Wat bezielt die profeten, die verkondigers van eigen verzinsels?
Jer. 23,27 Ze vertellen mijn volk hun dromen en menen dat het daardoor mijn naam zal vergeten, zoals hun voorvaderen, die mijn naam vergaten voor die van Bašl.
Jer. 23,28 De profeet die een droom heeft, vertelt alleen een verzinsel; maar hij die mijn woord heeft ontvangen, spreekt in waarheid mijn woord: Stro heeft niets met tarwe gemeen - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 23,29 Mijn woord is als een vuur - godsspraak van Jahwe -, als een hamer die een rots vaneensplijt.
Jer. 23,30 Ik verzeker u: Ik zal de profeten, die mijn woorden van elkaar stelen - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 23,31 Ik zal de profeten, die al wat over hun lippen komt als orakels beschouwen - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 23,32 Ik zal de profeten, die mijn volk misleiden met hun zogenaamde dromen, met hun leugens en hun woordenvloed - godsspraak van Jahwe -. Ik heb hen niet gezonden, Ik heb hun geen opdracht gegeven. Ze zijn voor dit volk van geen enkel nut godsspraak van Jahwe -.
Jer. 23,33 Wanneer iemand, al was het een profeet of een priester, u vraagt: `Wat is de `last' van Jahwe?', antwoordt dan: `Gij zijt zelf een last; Ik werp u dan ook af - godsspraak van Jahwe -.'
Jer. 23,34 De profeet, de priester of wie dan ook die nog van de `last' van Jahwe spreekt, straf ik met heel zijn familie.
Jer. 23,35 Vraagt elkaar liever: `Wat is het antwoord van Jahwe? Wat heeft Hij gezegd?'
Jer. 23,36 Maar de uitdrukking `last' van Jahwe moogt ge niet meer gebruiken. Doet gij dat toch, dan zult ge er zelf de last van ondervinden, omdat ge de woorden van onze God, de levende God, Jahwe van de machten, een verkeerde betekenis geeft.
Jer. 23,37 Ge moet de profeet vragen: `Wat is het antwoord van Jahwe? Wat heeft Hij gezegd?'
Jer. 23,38 Als gij blijft spreken van de `last' van Jahwe, dan zegt Hij: Nu gij van de `last' van Jahwe blijft spreken, ofschoon Ik u liet waarschuwen dat niet meer te doen,
Jer. 23,39 nu til Ik u op samen met deze stad die Ik aan u en aan uw voorvaderen gegeven heb, en werp u weg.
Jer. 23,40 Eeuwige smaad breng Ik over u, eeuwige schande, die nooit wordt vergeten.

Jer. 24,1 Van Jahwe kreeg ik een visioen: Ik zag twee manden met vijgen staan bij de tempel van Jahwe. Het was kort nadat Jekonja, zoon van Jojakim, de koning van Juda, de edelen van Juda, de smeden en de slotenmakers door Nebukadnessar, de koning van Babel, uit Jeruzalem naar Babel waren weggevoerd.
Jer. 24,2 In de ene mand zaten prachtige vijgen, vijgen van de eerste pluk; in de andere zaten slechts vijgen, te slecht om te eten.
Jer. 24,3 En Jahwe vroeg mij: `Wat ziet gij, Jeremia?' Ik antwoordde: `Ik zie vijgen. De goede vijgen zijn uitstekend, maar de slechte zijn bijzonder slecht, te slecht om te eten.'
Jer. 24,4 Toen kwam het woord van Jahwe tot mij:
Jer. 24,5 Dit zegt Jahwe, IsraŽls God: Zoals voor deze goede vijgen, zo zorg Ik goed voor de ballingen van Juda die Ik van hier naar het land van de ChaldeeŽn heb laten gaan.
Jer. 24,6 Ik heb alleen hun welzijn voor ogen en breng hen terug naar dit land. Ik bouw hen weer op en breek hen niet af, Ik plant hen en ruk hen niet uit.
Jer. 24,7 Ik geef hun een hart om te erkennen dat Ik Jahwe ben. Zij zullen mijn volk en Ik zal hun God zijn, want ze zullen met heel hun hart naar mij terugkeren.
Jer. 24,8 Maar zoals met de slechte vijgen, te slecht om te eten, zo handel Ik met Sidkia, de koning van Juda, met zijn edelen, met de rest van zijn volk dat nog in dit land is overgebleven, en met degenen die zich in Egypte hebben gevestigd, zegt Jahwe.
Jer. 24,9 Ik maak hen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde, een teken van smaad, een mikpunt van schimp en spot, een vloek overal waar Ik hen verstrooi.
Jer. 24,10 Het zwaard, honger en pest stuur Ik op hen af, tot ze geheel verdwenen zijn van de grond die Ik hun en hun voorvaderen had gegeven.

Jer. 25,1 Dit woord kwam tot Jeremia voor heel het volk van Juda. Het was in het vierde jaar van de regering van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda, in het jaar dat Nebukadnessar koning van Babel werd.
Jer. 25,2 De profeet Jeremia sprak tot heel het volk van Juda en alle inwoners van Jeruzalem:
Jer. 25,3 Vanaf het dertiende jaar dat Josia, zoon van Amon, koning van Juda was, tot op deze dag, drie en twintig jaar lang, is het woord van Jahwe tot mij gekomen. Onophoudelijk heb ik tot u gesproken, maar ge hebt niet geluisterd.
Jer. 25,4 Jahwe heeft naar u zijn dienaars de profeten gezonden, telkens weer, maar ge hebt niet geluisterd, ge hebt mij niet gehoorzaamd.
Jer. 25,5 Steeds weer zeiden ze: Laat uw slecht gedrag en uw zondig leven varen. Dan blijft gij wonen op de grond, die Jahwe aan u en uw voorvaderen voor altijd gegeven heeft.
Jer. 25,6 Loopt geen andere goden na, dient ze niet, vereert ze niet. Beledigt mij niet met uw eigengemaakte beelden, anders laat Ik u omkomen.
Jer. 25,7 Maar ge hebt niet naar Mij geluisterd - godsspraak van Jahwe -; ge hebt Mij beledigd met uw eigengemaakte beelden, tot uw eigen verderf.
Jer. 25,8 Daarom zegt Jahwe van de legerscharen: Omdat gij niet naar Mij hebt geluisterd,
Jer. 25,9 roep Ik alle volken uit het noorden op: koning Nebukadnessar van Babel, mijn dienaar - godsspraak van Jahwe -, Ik stuur hen af op dit land, op zijn bewoners en op alle volken in de omgeving. Ik vernietig hen en maak voor altijd hen tot een schrikbeeld, een mikpunt van spot en smaad.
Jer. 25,10 Ik maak een eind aan hun kreten van blijdschap en vreugde, aan het zingen voor bruidegom en bruid, aan het knarsen van de molensteen, aan het licht van de lamp.
Jer. 25,11 Het hele land wordt een verschrikkelijke puinhoop. De volken zullen de koning van Babel dienstbaar zijn, zeventig jaar.
Jer. 25,12 Maar na die zeventig jaar zal Ik de koning van Babel en zijn volk hun misdaden vergelden - godsspraak van Jahwe -. Het land van de ChaldeeŽn maak Ik voor altijd tot een woestijn.
Jer. 25,13 Alles wat Ik tegen dit land heb aangekondigd, laat Ik in vervulling gaan, alles wat in dit boek staat geschreven. De profetieŽn van Jeremia over de volken.
Jer. 25,14 Machtige volken en grote koningen zullen hen op hun beurt onderwerpen. Ik vergeld hen hun misdaden.
Jer. 25,15 Dit zegt Jahwe, IsraŽls God: Neem deze beker uit mijn hand en laat alle volken tot wie Ik u zend de wijn van de gram schap drinken.
Jer. 25,16 Laat hen drinken tot ze waggelen als dwazen, door het zwaard dat Ik op hen afzend.
Jer. 25,17 Ik nam de beker uit Jahwe's hand en liet alle volken tot wie Hij mij zond er uit drinken:
Jer. 25,18 Jeruzalem en de steden van Juda met hun koningen en edelen, waarvan Ik nu een puinhoop gemaakt heb, een schrikbeeld, een mikpunt van spot en een vloek;
Jer. 25,19 Farao, de koning van Egypte, met zijn hovelingen, zijn edelen, zijn volk
Jer. 25,20 en alle vreemdelingen; de koningen van Us; de Filistijnse koningen van Askelon, Gaza, Ekron en Asdod voor zover het nog bestaat;
Jer. 25,21 Edom, Moab en Ammon;
Jer. 25,22 de koningen van Tyrus, van Sidon, van de overzeese gebieden;
Jer. 25,23 Dedan, Tema, Buz en alle mensen met kortgeknipt haar;
Jer. 25,24 de koningen van Arabie en alle woestijnbewoners;
Jer. 25,25 de koningen van Zimri, van Elam en van MediŽ;
Jer. 25,26 de koningen in het noorden, zowel dichtbij als veraf; in een woord: alle koninkrijken op de hele aarde, waar dan ook. Als laatste van allen drinkt de koning van Sesak er uit.
Jer. 25,27 Dan moet ge hen zeggen: Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Drink u goden, tot ge ervan braakt, tot ge erbij neervalt en niet meer opstaat, door het zwaard dat Ik op u afzend.
Jer. 25,28 En als ze de beker weigeren, die ge hun aanbiedt, dan moet ge hun zeggen: Dit zegt Jahwe van de machten: Drinken zult gij
Jer. 25,29 De rampen die Ik breng over de stad die mijn naam draagt, zijn pas het begin - en gij denkt te kunnen ontsnappen? Neen, ge zult niet ontsnappen! Ik roep het zwaard op tegen alle bewoners van de aarde - godsspraak van Jahwe van de legerscharen -.
Jer. 25,30 Gij moet hun verkondigen: Jahwe briest uit de hemel, uit zijn heilige woning donder zijn stem. Hij buldert tegen zijn stad, als de druivenpersers schreeuwt Hij tegen alle bewoners der aarde.
Jer. 25,31 De strijdkreet dringt door tot het eind van de aarde: Jahwe velt vonnis over de volken, Hij oordeelt alle mensen en levert de goddelozen uit aan het zwaard - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 25,32 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Daar breekt de hel los en treft volk na volk als een zware storm die opsteekt van de uithoeken der aarde.
Jer. 25,33 Zij die door Jahwe op die dag zijn geveld, liggen van het ene eind van de aarde tot het andere. Niemand rouwt over hen, niemand brengt hen bijeen, niemand begraaft hen: ze blijven liggen als mest op de akker.
Jer. 25,34 Herders, hef een klaaglied aan, schreeuwt het uit, wentelt u in het stof, herders der kudde, want de dag van uw slachting is aangebroken:
Jer. 25,35 als vette bokken valt ge neer. De herders kunnen nergens meer heen. de herders van de kudde kunnen niet meer ontsnappen.
Jer. 25,36 Hoor de herders klagen, de hoeders van de kudde schrei en, omdat Jahwe hun kudden uitmoordt.
Jer. 25,37 De vredige weiden zijn platgetrapt door Jahwe's brandende toorn.
Jer. 25,38 Als een leeuw kwam Hij uit zijn schuilplaats en hun land werd een wildernis door de toorn, de brandende toorn van Jahwe.

Jer. 26,1 In het begin van de regering van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van Jahwe tot Jeremia:
Jer. 26,2 Dit zegt Jahwe: Ga naar de tempel van Jahwe en zeg in de voorhof tot hen die uit de steden van Juda naar de tempel komen om Hem te aanbidden alles wat Ik u opdraag, zonder een woord weg te laten.
Jer. 26,3 Misschien luisteren zij en komen ze tot inkeer, zodat Ik spijt krijg over de rampen die Ik tegen hen om hun zondig leven beraamde.
Jer. 26,4 Zeg daarom tot hen: Dit zegt Jahwe: Als ge niet naar Mij luistert en niet leeft volgens de wet die Ik u heb gegeven.
Jer. 26,5 als ge niet luistert naar mijn dienaars, de profeten die Ik telkens weer, maar vergeefs, naar u zend,
Jer. 26,6 dan doe Ik met dit huis hetzelfde als Ik met Silo gedaan heb en deze stad maak Ik tot een vloek bij alle volken op aarde.
Jer. 26,7 De priesters, de profeten en alle aanwezigen hoorden de rede die Jeremia in de tempel hield.
Jer. 26,8 Nauwelijks had Jeremia de rede die hij in opdracht van Jahwe voor alle aanwezigen hield beŽindigd, of de priesters, de profeten en alle aanwezigen grepen hem vast en schreeuwden: `Sterven zul je!
Jer. 26,9 Hoe durf je als profeet van Jahwe te zeggen: Deze tempel zal het vergaan als de tempel van Silo en deze stad wordt een puinhoop, zonder bewoners.' En allen stormden tegelijk op Jeremia af in de tempel van Jahwe.
Jer. 26,10 Toen de edelen van Juda vernamen wat er gebeurde, begaven zij zich van het paleis naar de tempel en namen hun plaats in bij de nieuwe poort.
Jer. 26,11 De priesters en de profeten zeiden tot hen en tot alle aanwezigen: `Deze man is de dood schuldig. Hij heeft tegen deze stad geprofeteerd; u hebt het zelf gehoord.'
Jer. 26,12 Maar Jeremia zei tot de edelen en tot alle aanwezigen: `Alle bedreigingen tegen deze tempel en tegen deze stad die u hebt gehoord, heb ik uitgesproken in opdracht van Jahwe.
Jer. 26,13 Beter dus uw leven, luister naar Jahwe uw God. Misschien krijgt Hij dan spijt over het onheil waarmee Hij u heeft bedreigd.
Jer. 26,14 Met mij kunt u natuurlijk doen wat u wilt: ik ben in uw macht.
Jer. 26,15 Maar als u mij doodt, moet u wel weten dat u onschuldig bloed brengt over uzelf, over deze stad en over haar inwoners, want het is in opdracht van Jahwe, dat ik dit alles verkondig.'
Jer. 26,16 Daarop zeiden de edelen en alle aanwezigen tot de priesters en de profeten: `Deze man is de dood niet schuldig. Hij heeft tot ons gesproken namens Jahwe.'
Jer. 26,17 Enige oudsten stonden op en zeiden tot heel de vergadering:
Jer. 26,18 `Onder koning Hizkia van Juda trad Micha uit Moreset op als profeet en zei tot het hele volk: Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Sion wordt omgeploegd als een akker, Jeruzalem wordt een puinhoop, op de tempelberg groeit struikgewas.
Jer. 26,19 Toch hebben koning Hizkia van Juda en zijn volk hem niet ter dood gebracht. Integendeel, Hizkia had ontzag voor Jahwe en trachtte Hem gunstig te stemmen. Toen kreeg Jahwe spijt over het onheil waarmee Hij hen had bedreigd. Wij zouden dus een zware schuld op ons laden.'
Jer. 26,20 Nog een andere profeet trad op namens Jahwe: Uria zoon van Semaja, uit Kirjat-jearim. Hij verkondigde tegen de stad en tegen het land hetzelfde als Jeremia.
Jer. 26,21 Koning Jojakim, zijn officieren en zijn edelen hoorden ervan en zochten hem te doden.
Jer. 26,22 Toen Uria dit vernam, werd hij bang en vluchtte naar Egypte. Maar koning Jojakim stuurde Elnatan, zoon van Akbor, met enkele mannen naar Egypte.
Jer. 26,23 Zij haalden Uria uit Egypte terug en brachten hem bij koning Jojakim. Deze liet hem doden met het zwaard en zijn lijk liet hij in de gemeenschappelijke grafkuil werpen.
Jer. 26,24 Het was vooral aan Achikam, zoon van Safan, te danken, dat Jeremia niet in handen viel van het gepeupel dat hem wilde doden.

Jer. 27,1 In het begin van de regering van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van Jahwe tot Jeremia:
Jer. 27,2 Dit zegt Jahwe tot mij: Gij moet een juk maken met riemen en dat op uw schouders nemen.
Jer. 27,3 Dan moet ge aan de gezanten van de koningen van Edom, Moab en Ammon, van Tyrus en Sidon, die in Jeruzalem bij koning Sidkia van Juda zijn,
Jer. 27,4 de volgende boodschap meegeven voor hun meesters: `Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Gij moet uw meesters zeggen:
Jer. 27,5 Ik heb de aarde, de mensen en de dieren die erop wonen, gemaakt met grote macht en opgeheven arm, en Ik geef haar aan wie Ik wil.
Jer. 27,6 Welnu, Ik geef uw gebieden aan mijn dienaar, koning Nebukadnessar van Babel. Zelfs over de dieren geef Ik hem macht.
Jer. 27,7 Aan hem, zijn zoon en zijn kleinzoon zullen alle volken onderworpen zijn, totdat ook voor zijn land de tijd komt, dat machtige volken en grote koningen het onderwerpen.
Jer. 27,8 Het volk of het koninkrijk dat zich niet onderwerpt aan koning Nebukadnessar van Babel en zijn nek niet buigt onder zijn juk, sla Ik met zwaard, honger en pest - godsspraak van Jahwe -, totdat het geheel in zijn macht is.
Jer. 27,9 Luister dus niet naar uw profeten, uw waarzeggers, uw droomuitleggers, uw wichelaars, uw tovenaars die zeggen: Onder werp u niet aan de koning van Babel.
Jer. 27,10 Met alle leugens die zij u verkondigen, bereiken ze slechts dat u uit uw land wordt verjaagd, dat Ik u verdrijf, uw ondergang tegemoet.
Jer. 27,11 Maar het volk dat zijn nek buigt onder het juk van de koning van Babel en zich aan hem onderwerpt, laat Ik op zijn eigen grond wonen - godsspraak van Jahwe -.'
Jer. 27,12 Tot koning Sidkia van Juda zeg ik hetzelfde: `Buig uw nek onder het juk van de koning van Babel; onderwerp u aan hem en zijn volk, dan blijft u in leven.
Jer. 27,13 Of wilt u met uw volk omkomen door het zwaard, de honger en de pest, waarmee Jahwe het volk heeft bedreigd dat zich niet onderwerpt aan de koning van Babel?
Jer. 27,14 Luister niet naar de profeten die zeggen: Onderwerp u niet aan de koning van Babel. Want ze verkondigen leugens.
Jer. 27,15 Ik heb hen niet gezonden - godsspraak van Jahwe -. Met de leugens die ze in mijn naam verkondigen, bereiken ze slechts dat Ik u verdrijf, uw ondergang tegemoet, samen met die profeten.'
Jer. 27,16 Ook tot de priesters en het hele volk zeg ik: `Luister niet naar de profeten die u verkondigen: Alle tempelschatten komen binnenkort weer uit Babel terug. Ze verkondigen leugens.
Jer. 27,17 Luistert dus niet naar hen. Onderwerpt u aan de koning van Babel, dan blijft u in leven. Of wilt u, dat deze stad een puinhoop wordt?
Jer. 27,18 Als zij werkelijk profeten zijn en het woord van Jahwe spreken, laten ze er dan bij Jahwe van de legerscharen op aan dringen dat de schatten die nog in de tempel van Jahwe, in het koninklijk paleis en in Jeruzalem zijn gebleven, niet naar Babel gaan.
Jer. 27,19 Want dit zegt Jahwe van de legerscharen over de zuilen, de Zee met de onderstellen en de andere schatten die nog in deze stad zijn gebleven
Jer. 27,20 en van die bij de wegvoering van Jekonja, zoon van Jojakim, en de edelen van Juda en Jeruzalem, naar Babel niet door koning Nebukadnessar van Babel zijn meegenomen,
Jer. 27,21 dit zegt Jahwe van de machten. IsraŽls God: De schatten die in de tempel, in het koninklijk paleis en in Jeruzalem zijn gebleven
Jer. 27,22 worden naar Babel gebracht, en daar blijven ze, tot op de dag dat Ik ze weer onder mijn hoede neem - godsspraak van Jahwe -. Dan breng Ik ze terug naar deze plaats.

Jer. 28,1 Toen Sidkia pas koning van Juda was, in de vijfde maand van het vierde jaar, zei de profeet Chananja, zoon van Azzur uit Gibeon, in tegenwoordigheid van de priesters en het hele volk, in de tempel tot mij:
Jer. 28,2 `Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Ik breek het juk van de koning van Babel.
Jer. 28,3 Binnen twee jaar breng Ik al de schatten, die koning Nebukadnessar van Babel uit de tempel van Jahwe heeft meegenomen, hier terug.
Jer. 28,4 Ook Jekonja, zoon van Jojakim, de koning van Juda, en alle ballingen van Juda breng Ik uit Babel naar deze plaats terug - godsspraak van Jahwe -; want Ik breek het juk van de koning van Babel.'
Jer. 28,5 Toen richtte de profeet Jeremia zich in tegenwoordigheid van de priesters en van allen die zich in de tempel van Jahwe bevonden, tot de profeet Chananja
Jer. 28,6 en zei: `Ja, moge Jahwe dat doen. Moge Hij al uw voor spellingen in vervulling doen gaan en de tempelschatten en de ballingen uit Babel terugbrengen.
Jer. 28,7 Maar luister nu ook eens naar wat ik u en alle aanwezigen ga zeggen.
Jer. 28,8 De profeten die mij en u zijn voorafgegaan, hebben aan machtige landen en grote rijken steeds oorlog, honger en pest aangekondigd.
Jer. 28,9 Kondigt een profeet dus heil aan, dan kan hij pas als gezondene van Jahwe erkend worden, wanneer zijn woord in vervulling is gegaan.'
Jer. 28,10 Daarop rukte de profeet Chananja Jeremia het juk van de nek, brak het in stukken,
Jer. 28,11 en zei tot alle aanwezigen: `Dit zegt Jahwe: Zo breek Ik het juk van koning Nebukadnessar van Babel; binnen twee jaar neem Ik het van alle volken af.' De profeten Jeremia ging toen maar heen.
Jer. 28,12 Maar kort nadat de profeet Chananja dat juk had gebroken, kwam het woord van Jahwe tot Jeremia:
Jer. 28,13 `Ga naar Chananja, en zeg hem: Dit zegt Jahwe: Een houten juk hebt ge gebroken; een ijzeren juk komt er voor in de plaats.
Jer. 28,14 Want dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Een ijzeren juk leg Ik alle volken op. Zij zullen zich moeten onder werpen aan koning Nebukadnessar van Babel; zelfs over de wilde dieren geef Ik hem macht.'
Jer. 28,15 En tot Chananja zelf zei Jeremia: `Luister goed, Chananja, Jahwe heeft u niet gezonden. U wekt bij dit volk ijdele hoop.
Jer. 28,16 Daarom zegt Jahwe: Ik vaag u weg van de aarde. Nog dit jaar zult ge sterven, omdat ge opstand tegen Jahwe hebt ge preekt.'
Jer. 28,17 En de profeet Chananja stierf, in de zevende maand van dat jaar.

Jer. 29,1 Dit is de tekst van de brief die de profeet Jeremia vanuit Jeruzalem zond aan de belangrijkste oudsten in balling schap, aan de priesters, aan de profeten en aan alle mensen die Nebukadnessar naar Babel had gevoerd.
Jer. 29,2 Koning Jekonja, de koningin-moeder, de hovelingen, de edelen van Juda en Jeruzalem, de smeden en de slotenmakers waren toen reeds uit Jeruzalem weg.
Jer. 29,3 Hij gaf de brief mee aan Elasa, zoon van Safan, en aan Gemarja, zoon van Chilkia, die als gezanten van koning Sidkia van Juda naar koning Nebukadnessar van Babel gingen.
Jer. 29,4 `Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God, tot al de ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel heb gevoerd:
Jer. 29,5 Gij moet huizen bouwen en daarin gaan wonen, tuinen aanleggen en er de opbrengst van eten;
Jer. 29,6 ge moet trouwen en kinderen krijgen, vrouwen kiezen voor uw zonen en uw dochters uithuwelijken, die op hun beurt weer kinderen krijgen. Zorgt dat ge groter wordt in aantal, niet kleiner.
Jer. 29,7 Zet u in voor de welvaart van de stad, waarheen Ik u verbannen heb, en bidt voor haar tot Jahwe, want van haar wel vaart hangt de uwe af.
Jer. 29,8 Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Laat u niet misleiden door de profeten en de waarzeggers die er onder u zijn. Luistert niet naar hun dromen.
Jer. 29,9 Ze misbruiken mijn naam om leugens te verkondigen; Ik heb hen niet gezonden - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 29,10 Want dit zegt Jahwe: Eerst nadat de zeventig jaar van Babel voorbij zijn, trek Ik mij uw lot weer aan; Ik vervul de belofte die Ik u deed en breng u terug naar deze plaats.
Jer. 29,11 Ik ken de plannen die Ik met u heb: ze hebben uw heil op het oog, niet uw onheil, en bereiden u een hoopvolle toekomst.
Jer. 29,12 Als ge Mij aanroept en tot Mij bidt, zal Ik u verhoren.
Jer. 29,13 Als ge Mij zoekt, met heel uw hart zoekt, zult ge Mij vinden.
Jer. 29,14 dan laat Ik Mij vinden - godsspraak van Jahwe -. Ik herstel u weer in uw vroegere staat, uit de verstrooiing over alle volken en plaatsen breng Ik u weer samen - godsspraak van Jahwe -. Ik breng u terug naar deze plaats, waaruit Ik u heb weggevoerd.
Jer. 29,15 Dit zegt Jahwe van de legerscharen tot de koning die op de troon van David zit en tot alle mensen van deze stad, uw volksgenoten, die niet met u in ballingschap zijn gegaan:
Jer. 29,16 Ik stuur het zwaard, de honger en de pest op hen af. Ik behandel hen als slechte vijgen, te slecht om te eten.
Jer. 29,17 Ik achtervolg hen, met zwaard, honger en pest; Ik maak hen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde, een vloek, een verschrikking, een mikpunt van spot en van smaad bij de volken, waar Ik hen verstrooid heb,
Jer. 29,18 omdat ze niet naar Mij hebben geluisterd - godsspraak van Jahwe -. Telkens opnieuw heb Ik mijn dienaars de profeten tot u gezonden, maar gij hebt niet geluisterd - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 29,19 Luistert eindelijk naar het woord van Jahwe, nu Ik u uit Jeruzalem naar Babel heb verbannen.
Jer. 29,20 Omdat ge zegt: Jahwe heeft ons ook in Babel profeten gegeven,
Jer. 29,21 daarom zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God, tot Achab, zoon van Kolaja, en tot Sidkia, zoon van Maaseja, die mijn naam misbruiken om leugens te verkondigen: Ik lever hen uit aan koning Nebukadnessar van Babel, die hen voor uw ogen zal doden.
Jer. 29,22 De ballingen van Juda in Babel zullen dan ook als verwensing zeggen: Moge Jahwe met u doen, als met Sidkia en Achab, die door de koning van Babel op het vuur zijn geroosterd.
Jer. 29,23 Ze hebben een schanddaad in IsraŽl bedreven en overspel gepleegd met vrouwen van anderen. Ze hebben mijn naam misbruikt om leugens te verkondigen zonder enige opdracht van Mij. Ik weet wat Ik zeg; Ik ben getuige - godsspraak van Jahwe -.'
Jer. 29,24 Tot Semaja uit Nachlam moet gij zeggen:
Jer. 29,25 Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Gij hebt op eigen gezag aan de bevolking van Jeruzalem, aan de priester Sefanja, zoon van Maaseja, en aan de overige priester de volgende brief gezonden:
Jer. 29,26 `Jahwe heeft u tot priester aangesteld om toezicht te houden in de tempel en om iedere idioot die zich als profeet uitgeeft, in het blok te zetten en in boeien te slaan.
Jer. 29,27 Waarom bent u dan niet opgetreden tegen Jeremia uit Anatot die zich bij u als profeet uitgeeft?
Jer. 29,28 Nu heeft hij ons in Babel een brief gestuurd waarin hij zegt: Het duurt nog lang! Gij moet huizen bouwen en daarin gaan wonen, tuinen aanleggen en er de opbrengst van eten.'
Jer. 29,29 Toen de priester Sefanja deze brief voorlas aan de profeet Jeremia,
Jer. 29,30 kwam het woord van Jahwe tot hem:
Jer. 29,31 Stuur een brief aan alle ballingen en zeg hun: `Dit zegt Jahwe over Semaja uit Nachlam: Omdat Semaja bij u als profeet optreedt zonder dat Ik hem gezonden heb, en omdat hij bij u ijdele hoop wekt,
Jer. 29,32 daarom zegt Jahwe: Ik zal Semaja uit Nachlam en zijn nageslacht straffen; geen van zijn nakomelingen zal onder mijn volk blijven leven of de weldaden zien, die Ik het ga bewijzen godsspraak van Jahwe -, want hij heeft opstand tegen Jahwe gepreekt.'

Jer. 30,1 Dit woord kwam van Jahwe tot Jeremia:
Jer. 30,2 Dit zegt Jahwe, IsraŽls God: Stel alles wat Ik u gezegd heb op schrift.
Jer. 30,3 Er komt een tijd dat Ik mijn volk IsraŽl en Juda in hun vroegere staat herstel, zegt Jahwe, en hen terugbreng naar het land, dat Ik hun vaderen in bezit had gegeven, godsspraak van Jahwe -.
Jer. 30,4 Dit zijn de woorden die Jahwe tot IsraŽl en Juda heeft gesproken:
Jer. 30,5 Wij horen schreeuwen van angst, en heerst schrik en onrust.
Jer. 30,6 Vraag eens of iemand ooit mannen zag baren? Waarom zie Ik ze dan allemaal met de handen op de heupen, als een vrouw in haar weeŽn? Waarom is hun gezicht lijkbleek?
Jer. 30,7 Wee! Dit is de grote dag, met geen ander te vergelijken. Het is een angstige tijd voor Jakob, maar hij wordt er uit gered,
Jer. 30,8 Op die dag - godsspraak van Jahwe van de legerscharen haal Ik het juk van hun nek en breek hun boeien. Ze zullen geen vreemden meer dienen.
Jer. 30,9 Jahwe hun God zullen zij dienen, en David de koning, die Ik onder hen doe opstaan:
Jer. 30,10 Vrees dus niet, Jakob, mijn dienaar - godsspraak van Jahwe -, wees niet bang, IsraŽl: Ik bevrijd u en uw kinderen uit het verre land van hun gevangenschap. Dan woont Jakob weer ongestoord en veilig, zonder dat iemand hem opschrikt.
Jer. 30,11 Want Ik ben bij u om u te redden - godsspraak van Jahwe -. Met alle volken, waarover Ik u verstrooid heb, reken Ik voor goed af, maar met u doe Ik dat niet. Wel tuchtig Ik u zoals ge verdient; Ik laat u niet ongestraft.
Jer. 30,12 Dit zegt Jahwe: Uw kwaal is ongeneeslijk, uw wonden zijn niet te helen.
Jer. 30,13 Niemand verzorgt uw zweren, uw wonden sluiten zich niet.
Jer. 30,14 Al uw minnaars zijn u vergeten, ze lopen u niet meer achterna, omdat Ik als een vijand op u heb ingeslagen en u meedogenloos heb gestraft om uw vele misdaden en uw talrijke zonden.
Jer. 30,15 Wat jammert ge dan om uw wonden en uw onverdraaglijke pijnen? Om uw vele misdaden en uw talrijke zonden heb Ik u dit alles aangedaan.
Jer. 30,16 Op mijn woord, wie u verslindt, wordt zelf verslonden, al uw vijanden worden gevangen genomen, uw plunderaars worden zelf geplunderd, wie u berooft laat Ik beroven.
Jer. 30,17 Ik sluit uw wonden, uw kwalen genees Ik - godsspraak van Jahwe -. Men noemde u Sion, de verstotene naar wie niemand omziet.
Jer. 30,18 Dit zegt Jahwe: Ik herstel de tenten van Jakob, Ik ontferm Mij over zijn huizen. De stad wordt herbouwd op zijn puinhoop, de burcht komt weer op zijn vroegere plaats.
Jer. 30,19 Een loflied weerklinkt, men hoort hen weer lachen. Ik maak hen talrijk, nooit nemen ze in aantal af. Ik breng hen tot aanzien, nooit worden ze meer veracht.
Jer. 30,20 Hun zonen zijn voor Mij weer als vroeger, hun gemeen schap blijft altijd bestaan. Hun onderdrukkers straf Ik.
Jer. 30,21 Hun vorst is een van hen, hun heerser komt voort uit hun midden. Ik laat hem bij Mij komen, hij mag tot Mij naderen. Wie anders zou met gevaar voor zijn leven tot Mij durven naderen - godsspraak van Jahwe -?
Jer. 30,22 Gij zult mijn volk en Ik zal uw God zijn.
Jer. 30,23 De stormwind van Jahwe steekt op, een wervelstorm breekt los boven het hoofd van de boosdoeners.
Jer. 30,24 De toorn van Jahwe komt niet tot bedaren, voordat Hij al zijn plannen ten uitvoer heeft gebracht. Later zal u dit duidelijk worden.

Jer. 31,1 In die tijd - godsspraak van Jahwe - zal Ik de God zijn van alle stammen van IsraŽl en zij zullen mijn volk zijn.
Jer. 31,2 Dit zegt Jahwe: Het volk dat ontkwam aan het zwaard vond genade in de woestijn. Aan IsraŽl, op zoek naar rust,
Jer. 31,3 is Jahwe reeds van verre verschenen. Mijn liefde voor u duurt eeuwig, Ik blijf u altijd trouw.
Jer. 31,4 IsraŽl, Ik richt u weer op. Weer slaan uw jonge vrouwen de tamboerijn en gaan vrolijk ten dans.
Jer. 31,5 Weer legt ge wijngaarden aan op de bergen van Samaria; die ze planten, zullen er de vruchten van eten.
Jer. 31,6 De dag breekt aan dat de wachters in het gebergte van EfraÔm roepen: `Kom, wij trekken naar Sion, naar Jahwe onze God.'
Jer. 31,7 Want dit zegt Jahwe: Jubel van vreugde om Jakob, juich om de heerser der volken. Verkondig overal Gods lof met deze woorden: `Jahwe heeft redding gebracht aan zijn volk, aan wat van IsraŽl nog rest.'
Jer. 31,8 Ik haal hen terug uit het noorden; van het einde der aarde breng Ik hen bijeen, ook de blinden en lammen, de zwangere en barende vrouwen. In dichte drommen keren zij terug.
Jer. 31,9 Bedroefd gingen zij heen, getroost leid Ik hen terug. Ik voer hen naar stromende beken, over gebaande wegen waarop ze niet struikelen. Ik immers ben IsraŽls vader en EfraÔm is mijn eerst geborene.
Jer. 31,10 Volken, hoor het woord van Jahwe; maak het op de verste eilanden bekend: Hij die het volk van IsraŽl verstrooid heeft, brengt het ook weer bijeen. Hij hoedt het als een herder zijn kudde.
Jer. 31,11 Jahwe heeft Jakob verlost en van zijn overheersers bevrijd.
Jer. 31,12 Zingend trekken zij naar de hoogten van Sion, stralend van vreugde om de goede gaven van Jahwe, om het koren, de wijn en de olie, de schapen en de runderen. Ze voelen zich als een besproeide tuin die het nooit aan water ontbreekt.
Jer. 31,13 Dan dansen de meisjes van vreugde; de mannen doen mee, jong en oud. Hun droefheid verander Ik in blijdschap, Ik troost hen en geef hun vreugde na verdriet.
Jer. 31,14 Ik schenk de priesters veel vet van de offers en het volk overstelp Ik met mijn gaven - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 31,15 Dit zegt Jahwe: Hoor het klagen in Rama, het droeve geween: Rachel schreit om haar kinderen en wil niet worden getroost, omdat ze er niet meer zijn.
Jer. 31,16 Dit zegt Jahwe: Houd op met schreien, droog uw tranen. Er is uitkomst voor uw lijden - godsspraak van Jahwe -: uw kinderen keren terug uit het land van de vijand.
Jer. 31,17 Er is hoop voor de toekomst: ze komen terug naar hun eigen land.
Jer. 31,18 Ik hoor EfraÔm aldoor klagen: `Gij hebt mij geslagen om mij als een wilde stier te temmen. Breng mij nu terug, Jahwe, Gij zijt toch mijn God.
Jer. 31,19 Ik ben nu bekeerd en heb berouw; ik ben tot bezinning gekomen en sla mij op de borst. Ik sta diep beschaamd en ga gebukt onder de zonden van mijn jeugd.'
Jer. 31,20 Is dan mijn zoon EfraÔm Mij zo lief en zo dierbaar, dat Ik na ieder hard woord toch aan hem blijf denken en zo met hem meevoel, dat Ik weer medelijden krijg - godsspraak van Jahwe -?
Jer. 31,21 Zet bakens uit, richt mijlpalen op, let goed op de weg die ge volgt. Keer terug, IsraŽl, jonkvrouw, keer terug naar uw steden.
Jer. 31,22 Waarom al maar uw eigen weg zoeken, opstandige? Jahwe maakt iets heel nieuws op aarde: Een vrouw zoekt een man.
Jer. 31,23 Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Wanneer Ik hen in hun vroegere staat herstel, zullen ze in de steden van Juda weer zeggen: Jahwe zegene u, zetel van gerechtigheid, heilige berg. Heel Juda woont daar weer samen: stedelingen, boeren en herders.
Jer. 31,24
Jer. 31,25 Die uitgeput waren, verkwik Ik, Ik les de dorst van hen die versmachten.
Jer. 31,26 Daarop werd Ik wakker, had een visioen en opnieuw overviel mij de slaap.
Jer. 31,27 De tijd komt - godsspraak van Jahwe -, dat Ik IsraŽl en Juda weer met mensen en dieren bevolk.
Jer. 31,28 Eerst had Ik er alles op gezet hen uit te rukken en af te breken, hen te verwoesten en te vernielen met ramp op ramp, maar nu heb Ik er alles op gezet hen op te bouwen en te planten godsspraak van Jahwe -.
Jer. 31,29 In die tijd zegt men niet meer: De vaders eten onrijpe druiven, de kinderen krijgen er de bittere smaak van in de mond.
Jer. 31,30 Neen! Iedereen sterft door zijn eigen schuld. Ieder die onrijpe druiven eet, krijgt zelf de bittere smaak in zijn mond.
Jer. 31,31 Er komt een tijd - godsspraak van Jahwe - dat Ik met IsraŽl en Juda een nieuw verbond sluit;
Jer. 31,32 geen verbond zoals Ik met hun voorvaderen gesloten heb, toen Ik hen bij de hand heb genomen om hen uit Egypte te leiden. Want dit verbond hebben zij verbroken, ofschoon Ik hun meester was - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 31,33 Dit is het nieuwe verbond dat Ik in de toekomst met IsraŽl sluit: Ik schrijf mijn wet hun binnenste, Ik grif ze in hun hart. Ik zal hun God, en zij zullen mijn volk zijn.
Jer. 31,34 Dan hoeft niemand een ander nog voor te houden: `Leer Jahwe kennen.' Want iedereen, groot en klein, kent Mijn al godsspraak van Jahwe -. Ik vergeef hun misstappen, Ik denk niet meer aan hun zonden.
Jer. 31,35 Dit zegt Jahwe, die de zon heeft gemaakt als het licht voor de dag, de maan en de sterren als het licht in de nacht; die de zee opzweept dat de golven bruisen, die heet: Jahwe van de legerscharen:
Jer. 31,36 Als deze orde ophoudt te bestaan - godsspraak van Jahwe - dan blijft ook IsraŽl niet langer mijn volk.
Jer. 31,37 Dit zegt Jahwe: Evenmin als iemand de hemel boven kan meten of de grondvesten der aarde beneden kan peilen, evenmin verwerp Ik ooit het geslacht van IsraŽl, ondanks alles wat het misdaan heeft - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 31,38 De tijd komt - godsspraak van Jahwe - dat de stad van Jahwe wordt herbouwd van de toren van Chananel tot aan de Hoek poort.
Jer. 31,39 Nog verder loopt het meetsnoer, rechtdoor tot de hoogte van Gareb alvorens af te buigen naar Goa.
Jer. 31,40 Heel het dal met de lijken en de as, heel het gebied langs de Kedron tot aan de hoek van de Paardepoort in het oosten wordt aan Jahwe gewijd. Het wordt nooit meer vernield of ver woest.

Jer. 32,1 In het tiende regeringsjaar van koning Sidkia, het achttiende van Nebukadnessar, kwam het woord van Jahwe tot Jeremia.
Jer. 32,2 Het leger van de koning van Babel had toen Jeruzalem omsingeld en de profeet Jeremia zat gevangen in het kwartier van de paleiswacht.
Jer. 32,3 Koning Sidkia had hem daar laten opsluiten, omdat hij verkondigde: `Dit zegt Jahwe: Ik geef de stad in de macht van de koning van Babel; hij zal ze innemen.
Jer. 32,4 Koning Sidkia van Juda zal niet aan de ChaldeeŽn ontsnappen. Hij wordt uitgeleverd aan de koning van Babel. Dan kan hij persoonlijk met hem spreken, onder vier ogen.
Jer. 32,5 Hij wordt door hem naar Babel gevoerd; daar blijft hij tot Ik Mij over hem bekommer - godsspraak van Jahwe -. Ook als telt ge u tegen de ChaldeeŽn te weer, het is tevergeefs.'
Jer. 32,6 Jeremia zei: Het woord van Jahwe kwam tot mij:
Jer. 32,7 `Chananel, een zoon van uw oom Sallum, komt u vragen: Wil je mijn akker in Anatot kopen? Jij hebt er het eerst recht op.'
Jer. 32,8 Mijn neef Chananel kwam inderdaad bij mij in het kwartier van de wacht, zoals Jahwe gezegd had, en vroeg: `Wil je mijn akker in Anatot kopen? Als oudste verwant heb je daar recht op. Je kunt hem dus kopen.' Toen begreep ik dat dit de wens van Jahwe was.
Jer. 32,9 Ik kocht dus van mijn neef Chananel de akker in Anatot en betaalde de prijs: zeventien zilveren sikkels.
Jer. 32,10 Ik maakte de koopakte op, verzegelde die in tegenwoordigheid van getuigen en woog het geld af.
Jer. 32,11 De koopakte, zowel die volgens vast gebruik was verzegeld als de niet verzegelde akte,
Jer. 32,12 overhandigde ik in tegenwoordigheid van mijn neef Chananel, van de getuigen die het contract hadden ondertekend, en van de JudeeŽrs die in het kwartier van de wacht aanwezig waren, aan Baruch, zoon van Neria, zoon van Machseja.
Jer. 32,13 In hun aanwezigheid gaf ik hem de opdracht:
Jer. 32,14 `Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Leg deze akten, de verzegelde en de nietverzegelde, in een aarden kruik, zodat ze lange tijd bewaard blijven.
Jer. 32,15 Want dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Men zal in dit land weer huizen, akkers en wijngaarden kopen.'
Jer. 32,16 Nadat ik de akte aan Baruch, zoon van Neria, had gegeven, bad ik tot Jahwe:
Jer. 32,17 `Ach, Jahwe mijn Heer! Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt in uw grote macht, met opgestoken arm. Niets is onmogelijk voor U
Jer. 32,18 die aan duizenden genade schenkt, maar de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen. Gij zijt een grote, sterke God, uw naam is Jahwe van de legerscharen.
Jer. 32,19 Uw plannen zijn groot, uw daden machtig. Alles wat de mensen doen, ligt open voor U; gij vergeldt ieder naar zijn gedrag, naar de vrucht van zijn werk.
Jer. 32,20 Gij hebt wondertekenen gedaan vanaf het verblijf in Egypte tot heden toe voor IsraŽl en voor heel de mensheid, zodat uw naam nu overal bekend is.
Jer. 32,21 Gij hebt uw volk, IsraŽl, uit Egypte gevoerd met tekenen en wonderen, met sterke hand en opgestoken arm, onder grote verschrikkingen.
Jer. 32,22 Gij hebt hun dit land gegeven, het land van melk en honing dat Gij aan hun voorvaderen onder ede beloofd had.
Jer. 32,23 Maar toen zij daar aankwamen en het in bezit namen, luisterden ze niet naar U. Ze leefden niet volgens uw voorschriften en voerden uw bevelen niet uit. Daarom hebt Gij over hen al deze rampen gebracht.
Jer. 32,24 De belegeringswallen reiken al tot de stad; ze wordt ingenomen, ze valt in de handen van de ChaldeeŽn die haar bestor men; ze bezwijkt door het zwaard, de honger en de pest. Wat Gij hebt aangekondigd, gaat nu gebeuren. Gij ziet het zelf.
Jer. 32,25 En toch, Jahwe mijn Heer, hebt Gij tot mij gezegd: Koop de akker en betaal de prijs in tegenwoordigheid van getuigen. En dit, terwijl de stad in de `handen van de ChaldeeŽn dreigt te vallen.'
Jer. 32,26 Toen kwam het woord van Jahwe tot Jeremia:
Jer. 32,27 Ik ben Jahwe, de God van al wat leeft. Niets is onmogelijk voor Mij.
Jer. 32,28 Daarom zegt Jahwe: Ik lever deze stad over aan de ChaldeeŽn, aan koning Nebukadnessar van Babel: hij zal ze innemen.
Jer. 32,29 De ChaldeeŽn die de stad belegeren, dringen er binnen, steken ze in brand en leggen ze in de as met al de huizen waar men Mij beledigde door op de daken wierook te branden voor Bašl en plengoffers te brengen aan andere goden.
Jer. 32,30 De IsraŽlieten en de JudeeŽrs hebben van het begin af alleen gedaan wat Mij mishaagt, en Mij beledigd met hun eigengemaakte beelden - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 32,31 Vanaf de dag dat deze stad gebouwd werd tot nu toe, heeft ze zozeer mijn toorn en mijn woede opgewekt, dat Ik ze laat verdwijnen.
Jer. 32,32 De IsraŽlieten en de JudeeŽrs hebben Mij allen beledigd door het kwaad dat ze bedreven hebben: hun koningen en edelen, hun priesters en profeten, de bevolking van Juda en de inwoners van Jeruzalem.
Jer. 32,33 Ze hebben Mij steeds de rug toegekeerd, niet hun ge zicht. Steeds weer heb Ik hen onderricht, maar niemand wilde luisteren of zich laten gezeggen.
Jer. 32,34 Ze hebben het huis dat mijn naam draagt, met hun afgodsbeelden onteerd.
Jer. 32,35 Ze hebben in het Ben-hinnom-dal offerhoogten voor Bašl gebouwd en er hun zonen en dochters aan Moloch geofferd, ofschoon Ik dat niet had aanbevolen; nooit heb Ik gewild dat ze Juda door een dergelijke wandaad tot zonde zouden verleiden.
Jer. 32,36 Over de stad waarvan gij zegt: `Zij is in de handen gevallen van de koning van Babel door het zwaard, de honger en de pest', zegt Jahwe, IsraŽls God nu:
Jer. 32,37 Ik breng haar bewoners bijeen uit alle landen waarheen Ik hen in mijn grimmige toorn en mijn grote woede verdreven heb; Ik breng hen terug naar deze plaats en laat hen er veilig wonen.
Jer. 32,38 Zij zullen mijn volk zijn en Ik hun God.
Jer. 32,39 Ik maak hen een van hart en een van zin, zodat ze Mij altijd zullen vereren, voor hun eigen welzijn en dat van hun kinderen.
Jer. 32,40 Ik sluit met hen een eeuwig verbond; Ik keer Mij nooit meer van hen af en blijf hen goed doen. De eerbied voor Mij leg Ik in hun hart, zodat ze Mij nooit meer verlaten.
Jer. 32,41 Ik zal er vreugde in vinden hen gelukkig te maken. Met heel mijn hart en heel mijn ziel plant Ik hen voorgoed in dit land.
Jer. 32,42 Dit zegt Jahwe: Zoals Ik nu zware rampen over dit volk heb gebracht, zo zal Ik over hen de weldaden brengen, die Ik beloofde.
Jer. 32,43 In dit land waarvan gij zegt: `Het is een wildernis, verlaten van mens en dier: het is in de handen gevallen van de ChaldeeŽn, zullen weer akkers worden gekocht.
Jer. 32,44 Men betaalt de prijs, maakt de koopakte op en verzegelt die, in tegenwoordigheid van getuigen: in Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem, in de steden van Juda, van het bergland, van de Sefela en van de Negeb. Want Ik herstel ze in hun vroegere staat - godsspraak van Jahwe -.

Jer. 33,1 Voor de tweede keer kwam het woord van Jahwe tot Jeremia, toen hij nog in het kwartier van de wacht zat opgesloten:
Jer. 33,2 Dit zegt Jahwe die de aarde schiep en ze vorm gaf, Jahwe is zijn naam -.
Jer. 33,3 Roep Mij aan en Ik verhoor u. Grote, ondoorgrondelijke dingen maak Ik u bekend.
Jer. 33,4 Over de huizen van deze stad en over de koninklijke paleizen, die zijn verwoest tijdens de belegering
Jer. 33,5 door de ChaldeeŽn en nu vol lijken liggen, omdat Ik Mij in mijn grimmige toorn wegens hun slechtheid van deze stad heb afgekeerd, zegt Jahwe, IsraŽls God:
Jer. 33,6 Ik verzorg hen, Ik heel hun wonden; Ik genees hen weer en schenk hun een onvermoed duurzaam geluk.
Jer. 33,7 Ik keer het lot van Juda en IsraŽl en herstel hen weer in hun vroegere staat.
Jer. 33,8 Ik zuiver hen van alle zonden die ze tegen Mij hebben bedreven; Ik vergeef hun schuld en hun ontrouw.
Jer. 33,9 De stad wordt mijn trots en mijn vreugde, mijn roem en mijn glorie bij alle volken op aarde, die zullen horen van de weldaden die Ik haar bewijs. Zij zullen versteld staan, verbaasd om de welvaart en de voorspoed die Ik haar geef.
Jer. 33,10 Dit zegt Jahwe: In dit land waarvan gij zegt: `Het ligt vernield, verlaten van mens en dier', in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem die zijn verwoest, waar geen mens of dier meer woont,
Jer. 33,11 hoort men weer de kreten van blijdschap en vreugde, het zingen voor bruidegom en bruid; weer klinkt het lied: `Loof Jahwe van de legerscharen, want Jahwe is goed, zijn genade duurt eeuwig.' Weer brengt men dankoffers naar de tempel van Jahwe. Ik herstel het land in zijn vroegere staat, zegt Jahwe.
Jer. 33,12 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: In het land dat vernield is, verlaten van mens en dier, zal bij alle steden weer weidegrond liggen, waar de herders met hun schapen kunnen rusten:
Jer. 33,13 bij de steden van het bergland, van de Sefela, de Negeb, in Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem en bij de andere steden van Juda. Weer zullen de schapen doorgaan onder de hand van de teller, zegt Jahwe.
Jer. 33,14 De tijd komt - godsspraak van Jahwe -, dat Ik de belofte vervul die Ik IsraŽl en Juda gedaan heb.
Jer. 33,15 In die dagen, in die tijd schenk Ik aan David een wettelijke afstammeling die het land rechtvaardig en eerlijk bestuurt.
Jer. 33,16 In die dagen wordt Juda gered en is Jeruzalem veilig. En de stad zal heten `Jahwe, onze gerechtigheid'.
Jer. 33,17 Dit zegt Jahwe: Het zal David nooit aan een opvolger ontbreken, die op de troon van IsraŽl zetelt.
Jer. 33,18 Ook zullen er altijd levitische priesters blijven, die Mij dagelijks brandoffers opdragen, meeloffers en slachtoffers.
Jer. 33,19 Het woord van Jahwe kwam tot Jeremia:
Jer. 33,20 Dit zegt Jahwe: Als iemand ooit mijn verbond met de dag en de nacht zou verbreken, zodat het niet meer op tijd dag en nacht wordt,
Jer. 33,21 dan wordt ook mijn verbond verbroken met mijn dienaar David; dan zal hij geen zoon meer hebben om hem op de troon op te volgen. Dit geldt ook voor mijn verbond met de levitische priesters die in mijn dienst staan.
Jer. 33,22 Zo ontelbaar als de sterren aan de hemel, zo onmetelijk als het zand aan de zee, maak Ik het nageslacht van mijn dienaar David en van de levieten die in mijn dienst staan.
Jer. 33,23 Het woord van Jahwe kwam tot Jeremia:
Jer. 33,24 Hebt gij gemerkt wat de volken zeggen: `De twee stammen die Jahwe had uitverkoren, heeft Hij verworpen.' Ze verachten mijn volk; het is in hun ogen geen natie meer.
Jer. 33,25 Maar nu zegt Jahwe: Zowaar als Ik een verbond heb gesloten met de dag en de nacht en aan hemel en aarde vaste wetten heb gegeven,
Jer. 33,26 zowaar zal Ik nooit het nageslacht van Jakob en van mijn dienaar David verwerpen; steeds weer kies Ik iemand uit zijn geslacht om over de nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob te heersen. Ik herstel hen in hun vroegere staat en ontferm Mij over hen.

Jer. 34,1 Dit woord kwam van Jahwe tot Jeremia, toen koning Nebukadnessar van Babel, met heel zijn leger en dat van alle koninkrijken en volken waarover hij heerste, oorlog voerde tegen Jeruzalem en de steden in de omgeving:
Jer. 34,2 Dit zegt Jahwe, IsraŽls God: Ga aan koning Sidkia van Juda zeggen: Dit zegt Jahwe: Ik lever deze stad over aan de koning van Babel, hij zal haar in de as leggen.
Jer. 34,3 Ook gij zult hem niet ontsnappen; ge wordt gegrepen en aan hem uitgeleverd. Onder vier ogen zult ge persoonlijk met de koning van Babel spreken en dan gaat ge naar Babel.
Jer. 34,4 Maar luister naar het woord van Jahwe, Sidkia, koning van Juda. Dit zegt Jahwe over u: Ge komt niet om door het zwaard,
Jer. 34,5 ge zult een vredige dood sterven. Zoals men ter ere van uw voorvaderen, de koningen die u voorafgingen, het dodenvuur ontstak, zo zal men dat ook doen ter ere van u en het klaaglied `Ach heer!' over u zingen. Dit is mijn woord - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 34,6 Toen de profeet Jeremia al deze woorden in Jeruzalem overbracht aan koning Sidkia van Juda,
Jer. 34,7 had de koning van Babel troepen ingezet tegen Jeruzalem en tegen Lakis en Azeka, de enige vestingen van Juda die nog stand hielden.
Jer. 34,8 Dit woord kwam van Jahwe tot Jeremia, nadat koning Sidkia met alle inwoners van Jeruzalem was overeengekomen, alle Hebreeuwse slaven en slavinnen
Jer. 34,9 vrij te laten, zodat niemand nog een andere JudeeŽr in dienst zou houden.
Jer. 34,10 Al de edelen en burgers die waren overeengekomen hun slaaf of hun slavin vrij te laten en niet langer in dienst te houden, hadden dit ook gedaan.
Jer. 34,11 Maar later waren zij op hun beslissing teruggekomen; ze hadden de slaven en de slavinnen die ze hadden vrijgelaten, gedwongen terug te keren en hen weer te dienen.
Jer. 34,12 Toen kwam het woord van Jahwe tot Jeremia:
Jer. 34,13 Dit zegt Jahwe, IsraŽls God: Toen Ik uw voorvaderen uit het slavenhuis van Egypte voerde, heb Ik met hen dit verbond gesloten:
Jer. 34,14 `Elk zevende jaar moet ieder van u de HebreeŽr, die zich aan u moest verkopen, vrijlaten. Als hij u zes jaar gediend heeft, moet ge hem vrijlaten.' Maar uw voorvaderen hebben naar Mij niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd.
Jer. 34,15 Nu had gij u bekeerd; ge had gedaan wat Ik verlang en uw volksgenoten vrijgelaten. In mijn tegenwoordigheid, in het huis dat mijn naam draagt, had ge dat op u genomen.
Jer. 34,16 Maar gij zijt op uw beslissing teruggekomen en hebt daardoor mijn naam onteerd. Gij hebt de slaaf en de slavin die gij vrij had gelaten, gedwongen terug te keren en u weer als slaaf en slavin te dienen.
Jer. 34,17 Daarom zegt Jahwe: Omdat ge niet naar Mij hebt geluisterd en de vrijlating van uw volksgenoten hebt ingetrokken, daarom laat Ik het zwaard, de pest en de honger los tegen u godsspraak van Jahwe -. Ik maak u tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde.
Jer. 34,18 De mannen die mijn verbond geschonden hebben en zich niet hebben gehouden aan de overeenkomst die ze in mijn tegenwoordigheid hadden gesloten, behandel Ik als de stieren die ze in stukken hebben gesneden om er tussen door te gaan:
Jer. 34,19 de edelen van Juda en Jeruzalem, de hovelingen, de priesters en de burgers van het land, allen die tussen de stukken zijn doorgegaan.
Jer. 34,20 Ik lever hen over aan de vijanden die hen naar het leven staan. De vogels en de dieren azen op hun lijken.
Jer. 34,21 Ook koning Sidkia van Juda en zijn edelen lever Ik uit aan de vijanden die hen naar het leven staan, aan het leger van de koning van Babel dat nu is weggetrokken.
Jer. 34,22 Op mijn bevel - godsspraak van Jahwe - keren ze terug naar deze stad, die ze belegeren, innemen en in de as leggen. Van de steden van Juda maak Ik een wildernis waar niemand meer woont.

Jer. 35,1 Dit woord kwam van Jahwe tot Jeremia in de tijd van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda:
Jer. 35,2 Ga naar de Rekabieten, overreed hen om met u mee te gaan naar de tempelhallen en bied hun daar wijn aan.
Jer. 35,3 Ik slaagde erin Jaazanja, zoon van Jirmeja, zoon van Chabassinja, met zijn broers en zijn zonen, de hele stam van de Rekabieten,
Jer. 35,4 naar de tempel van Jahwe te brengen, in het verblijf van de zonen van Chanan, zoon van Jigdalja, de man Gods. Dit lag naast het verblijf van de edelen, boven dat van Maaseja, zoon van Sallum, de tempelwachter.
Jer. 35,5 Ik zette de Rekabieten kannen wijn voor en bekers en nodigde hen uit te drinken.
Jer. 35,6 Maar zij antwoordden: `Wij drinken geen wijn; onze vader Jonadab, zoon van Rekab, heeft ons dat verboden. Hij heeft gezegd: Je mag geen wijn drinken, ook je zonen mogen dat niet.
Jer. 35,7 Je mag geen huizen bouwen, je mag niet zaaien, geen wijnstokken planten of in eigendom hebben. Altijd moet je in tenten wonen; dan zul je lang leven in het land waar je als vreemdeling verblijft.
Jer. 35,8 AL deze bevelen van onze vader Jonadab, zoon van Rekab, hebben wij opgevolgd. Wij drinken ons hele leven geen wijn, ook onze vrouwen en kinderen niet.
Jer. 35,9 Wij bouwen geen huizen, wij hebben geen wijngaarden, geen akkers, geen zaaigoed
Jer. 35,10 en wij wonen in tenten. Wij houden ons aan alles wat onze vader Jonadab heeft voorgeschreven.
Jer. 35,11 Pas toen koning Nebukadnessar van Babel dit land was binnengevallen, hebben wij gezegd: Laat ons naar Jeruzalem gaan om aan de legers van de ChaldeeŽn en van de ArameeŽn te ontkomen: en zo leven wij nu in Jeruzalem.'
Jer. 35,12 Toen kwam het woord van Jahwe tot Jeremia:
Jer. 35,13 Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Ga de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem zeggen: Hier kunt ge leren, hoe ge mijn woorden moet gehoorzamen - godsspraak van Jahwe.
Jer. 35,14 Het bevel van Jonadab, zoon van Rekab, die zijn zonen verbood wijn te drinken, wordt nageleefd. Tot vandaag toe drinken ze geen wijn, uit eerbied voor het bevel van hun stamvader. Maar naar de woorden die Ik telkens opnieuw tot u richt, luistert ge niet.
Jer. 35,15 Telkens opnieuw heb Ik mijn dienaren, de profeten, tot u gezonden met de boodschap: Bekeer u en beter uw leven. Loop geen andere goden na en vereer ze niet. Dan blijft ge wonen in het land, dat Ik u en uw voorvaderen gegeven heb. Maar ge hebt niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd.
Jer. 35,16 De afstammelingen van Jonadab, zoon van Rekab, hebben het bevel van hun stamvader uitgevoerd. Maar dit volk heeft naar Mij niet geluisterd.
Jer. 35,17 Daarom zegt Jahwe, de God van de legerscharen, IsraŽls God: Ik breng over Juda en de inwoners van Jeruzalem al de rampen waarmee Ik hen bedreigd heb; want Ik heb tot hen gesproken, maar ze hebben niet geluisterd; Ik heb tot hen geroepen, maar zij hebben niet geantwoord.
Jer. 35,18 En tot de Rekabieten zei Jeremia: `Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Omdat gij uw stamvader Jonadab gehoorzaamt, al zijn voorschriften onderhoudt en doet wat hij u heeft opgedragen,
Jer. 35,19 daarom zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Nooit zal het Jonadab, zoon van Rekab, aan nakomelingen ontbreken, die in mijn dienst staan.'

Jer. 36,1 In het vierde regeringsjaar van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van Jahwe tot Jeremia:
Jer. 36,2 Neem een boekrol en teken er alles in op wat ik heb gezegd over IsraŽl, over Juda en over de volken, toen Ik tot u begon te spreken, vanaf de tijd van Josia tot nu toe.
Jer. 36,3 Misschien bekeert het huis van Juda zich bij het horen van al de rampen die Ik hun wil aandoen, en kan Ik hun misdaden en zonden vergeven.
Jer. 36,4 Jeremia liet Baruch, zoon van Neria, roepen en deze tekende in de boekrol alle woorden van Jahwe op die Jeremia dicteerde.
Jer. 36,5 Daarop gaf Jeremia aan Baruch de opdracht: `Nu men mij belet naar de tempel te gaan,
Jer. 36,6 ga jij er heen en lees uit de boekrol voor alle aanwezigen op de vastendag de woorden van Jahwe die ik gedicteerd heb, ook voor de JudeeŽrs uit de andere steden.
Jer. 36,7 Misschien bidden ze dan tot Jahwe en bekeren ze zich, want Jahwe is zeer vertoornd op dit volk.'
Jer. 36,8 Baruch, zoon van Neria, deed wat de profeet Jeremia hem had opgedragen en las in de tempel uit de boekrol de woorden van Jahwe voor.
Jer. 36,9 In de negende maand van het vijfde regeringsjaar van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda, vastten de inwoners van Jeruzalem en de JudeeŽrs uit de andere steden ter ere van Jahwe.
Jer. 36,10 Toen las Baruch in de tempel voor alle aanwezigen uit de boekrol alle woorden van Jeremia voor. Dit gebeurde op het bovenste plein in het verblijf van Gemarja, zoon van de schrijver Safan, vlak bij de Nieuwpoort.
Jer. 36,11 Toen Michajehu, zoon van Gemarja, zoon van Safan, alle woorden van Jahwe hoorde die in de boekrol stonden,
Jer. 36,12 begaf hij zich naar het kabinet van de schrijver in het koninklijk paleis. Alle edelen waren daar in zitting bijeen: de schrijver Elisama, Delaja, zoon van Semaja, Elnatan, zoon van Akbor, Gemarja, zoon van Safan, Sidkia, zoon van Chananja, en de overige edelen.
Jer. 36,13 Michajehu deelde hun mee wat hij Baruch uit de boekrol aan alle aanwezigen had horen voorlezen.
Jer. 36,14 Daarop stuurden de edelen Jehudi, zoon van Netanja, zoon van Selemja, zoon van Kusi, naar Baruch met het bevel: `Kom hierheen met de boekrol die u het volk hebt voorgelezen.' En Baruch, zoon van Neria, ging met de boekrol naar hen toe.
Jer. 36,15 Ze zeiden hem: `Ga zitten en lees.' En Baruch begon te lezen.
Jer. 36,16 Toen ze alles hadden gehoor, waren ze diep onder de indruk en zeiden tot Baruch: `Wij moeten de koning onmiddellijk op de hoogte brengen.'
Jer. 36,17 En zij vroegen Baruch: `Vertel eens: waar komt alles wat u geschreven hebt vandaan?'
Jer. 36,18 Hij antwoordde: `Van Jeremia, hij dicteerde mij en ik schreef alles met inkt in de boekrol.'
Jer. 36,19 Toen zeiden de edelen tot Baruch: `Verberg u samen met Jeremia en laat niemand weten waar u bent.'
Jer. 36,20 Zij gingen naar het hof en brachten de koning van alles op de hoogte; de boekrol hadden ze in het kabinet van de schrijver Elisama achtergelaten.
Jer. 36,21 De koning stuurde Jehudi daarheen om de boekrol te halen en deze las hem voor aan de koning en aan de aanwezige edelen.
Jer. 36,22 De koning zat in het winterpaleis bij het vuur; het was december.
Jer. 36,23 Telkens als Jehudi drie of vier kolommen had gelezen, sneed de koning ze met een pennemes af en wierp ze in het vuur, totdat de hele rol was verbrand.
Jer. 36,24 Noch de koning noch zijn hovelingen raakten onder de indruk bij het horen van alles wat er in stond; niemand scheurde zijn kleren.
Jer. 36,25 Elnatan, Delaja en Gemarja smeekten de koningen nog de boekrol niet te verbranden, maar hij luisterde niet naar hem.
Jer. 36,26 Zelfs gaf hij aan zijn zoon Jerachmeel, aan Seraja, zoon van Azriel, en aan Selamja, zoon van Abdeel, bevel de schrijver Baruch en de profeet Jeremia gevangen te nemen. Maar Jahwe hield hen verborgen.
Jer. 36,27 Toen de koning de rol met alles wat Jeremia aan Baruch had gedicteerd, verbrand had, kwam het woord van Jahwe tot Jeremia:
Jer. 36,28 Neem een andere rol en schrijf er opnieuw alles in, wat er in de rol stond die koning Jojakim van Juda verbrand heeft.
Jer. 36,29 En tot koning Jojakim van Juda moet ge zeggen: Dit zegt Jahwe: Ge hebt die boekrol verbrand en gezegd: Waarom hebt u daarin geschreven: De koning van Babel komt dit land verwoesten, zodat er geen mens of dier overblijft?
Jer. 36,30 Daarom zegt Jahwe over koning Jojakim van Juda: Geen van zijn nakomelingen zal op de troon van David zitten. Zijn lijk zal blijven liggen overdag in de hitte, 's nachts in de kou.
Jer. 36,31 Ik zal zijn misdaden straffen, die van zijn nageslacht en van zijn hof; Ik breng over hen, over de inwoners van Jeruzalem en over de burgers van Juda alle rampen die Ik heb aangekondigd, zonder dat ze hebben geluisterd.
Jer. 36,32 Jeremia stelde de schrijver Baruch een nieuwe boekrol ter hand. Deze schreef daarin wat Jeremia dicteerde: alles wat in de boekrol gestaan had die door koning Jojakim van Juda was verbrand en nog vele andere woorden van dezelfde strekking.

Jer. 37,1 Koning Sidkia, zoon van Josia, was Konja, de zoon van Jojakim, opgevolgd; hij was door koning Nebukadnessar van Babel als koning van Juda aangesteld.
Jer. 37,2 Hij luisterde niet naar de woorden die Jahwe bij monde van de profeet Jeremia sprak, evenmin als zijn hovelingen en burgers.
Jer. 37,3 Eens zond koning Sidkia Jehukal, zoon van Selemja, en de priester Sefanja, zoon van Maaseja, naar de profeet Jeremia met het verzoek: `Bid voor ons tot Jahwe onze God.'
Jer. 37,4 Jeremia was toen nog vrij; hij was nog niet gevangen gezet.
Jer. 37,5 De legers van Farao rukten uit Egypte op, en de ChaldeeŽn die Jeruzalem belegerden waren bij het horen daarvan wegge trokken.
Jer. 37,6 Toen kwam het woord van Jahwe tot de profeet Jeremia:
Jer. 37,7 Dit zegt Jahwe, IsraŽls God: Aan de koning van Juda, die u zendt om Mij te raadplegen, moet ge zeggen: De legers van Farao die oprukken om u te helpen, trekken weer naar Egypte af.
Jer. 37,8 Dan komen de ChaldeeŽn terug, vallen deze stad aan, nemen ze in en leggen ze in de as.
Jer. 37,9 Dit zegt Jahwe: Maak u niets wijs en zeg niet: De ChaldeeŽn zijn voorgoed weg, want ze zijn niet weg.
Jer. 37,10 Al zoudt ge ook het leger van de ChaldeeŽn dat u aanvalt verslaan, zodat er alleen gewonden over zijn, dan zouden die nog uit hun tent komen en deze stad in de as leggen.
Jer. 37,11 Toen het leger van de ChaldeeŽn van Jeruzalem was weggetrokken, omdat de legers van Farao in aantocht waren,
Jer. 37,12 wilde Jeremia de stad uitgaan om in Benjamin met zijn familie een erfenis te regelen.
Jer. 37,13 Bij de Benjaminpoort hield de officier van de wacht, Jiria, zoon van Selemja, zoon van Chananja, de profeet aan en beschuldigde hem: `U wilt overlopen naar de ChaldeeŽn.'
Jer. 37,14 Jeremia antwoordde: `Dat is niet waar. Ik loop niet over naar de ChaldeeŽn.' Maar Jiria luisterde niet naar Jeremia; hij arresteerde hem en leidde hem voor de edelen.
Jer. 37,15 De edelen waren woedend op Jeremia: zij lieten hem stokslagen toedienen en hem in het huis van de schrijver Jonathan opsluiten. Dat was als gevangenis ingericht.
Jer. 37,16 Zo kwam Jeremia in de ondergrondse kerker terecht, waar hij geruime tijd zou blijven.
Jer. 37,17 Eens liet koning Sidkia hem in het geheim naar zijn paleis brengen en vroeg hem: `Is er een woord van Jahwe?' Jeremia antwoordde: `Jazeker! U wordt uitgeleverd aan de koning van Babel.'
Jer. 37,18 Toen vroeg Jeremia aan de koning: `Wat heb ik misdaan, uw hovelingen of uw onderdanen, dat u mij in de kerker geworpen hebt?
Jer. 37,19 Waar zijn nu uw profeten die verkondigen: De koning van Babel rukt niet op tegen u en tegen dit land?
Jer. 37,20 Luister dan, heer koning, wijs mijn verzoek niet af en stuur mij niet terug naar het huis van de schrijver Jonatan, want dat zou mijn dood zijn.'
Jer. 37,21 Toen gaf koning Sidkia bevel Jeremia vast te houden in het kwartier van de wacht. Hij kreeg iedere dag een brood uit de bakkerstraat, tot al het brood in de stad op was, maar hij moest in het kwartier van de wacht blijven.

Jer. 38,1 Sefanja, zoon van Mattan, Gedalja, zoon van Paschur, Jukal, zoon van Selemja, en Paschur, zoon van Malkia hoorden dat Jeremia aan iedereen bleef verkondigen:
Jer. 38,2 `Dit zegt Jahwe: Wie in de stad blijft, komt om door het zwaard, de honger en de pest; wie overloopt naar de ChaldeeŽn blijft behouden; hij brengt het er levend af.
Jer. 38,3 Dit zegt Jahwe: Deze stad wordt overgeleverd aan het leger van de koning van Babel; ze wordt door hem ingenomen.'
Jer. 38,4 De edelen zeiden daarom tot de koning: `Die man moet sterven. Door zo te spreken tast hij het moreel aan van de soldaten die nog in de stad zijn en van de hele bevolking. Die man zoekt niet het welzijn van het volk, maar zijn ondergang.'
Jer. 38,5 Koning Sidkia antwoordde: `Goed, hij is in uw macht; ik kan niet tegen u op.'
Jer. 38,6 Toen grepen ze Jeremia en wierpen hem in de put van prins Malkia, in het kwartier van de wacht; aan touwen lieten ze hem neer. In de put stond wel geen water, maar Jeremia zakte weg in de modder.
Jer. 38,7 De EthiopiŽr Ebed-melek, een ambtenaar aan het hof, vernam dat Jeremia in de put was geworpen. Terwijl de koning zitting hield in de Benjaminpoort,
Jer. 38,8 kwam hij uit het paleis naar hem toe en zei:
Jer. 38,9 `Heer koning, die mannen hebben een misdaad begaan door de profeet Jeremia in de put te werpen: hij zal daar sterven van honger, want in de stad is al het brood op.'
Jer. 38,10 Daarop gaf de koning aan de EthiopiŽr Ebed-melek de opdracht: `Neem drie mannen met u mee en haal de profeet Jeremia uit de put, eer hij sterft.'
Jer. 38,11 Ebed-melek ging met drie mannen naar het koninklijk paleis, haalde uit het magazijn lappen versleten en gescheurde kleren en liet die met touwen neer in de put tot bij Jeremia.
Jer. 38,12 Hij zei tegen Jeremia: `Doe die lappen rond het touw onder uw oksels', en Jeremia deed dat.
Jer. 38,13 Toen trokken ze hem aan de touwen uit de put omhoog. Jeremia verbleef nu weer in het kwartier van de wacht.
Jer. 38,14 Koning Sidkia liet de profeet Jeremia bij zich brengen bij de derde ingang van de tempel en zei tegen hem: `Ik heb u iets te vragen, verberg mij niets.'
Jer. 38,15 Maar Jeremia zei tegen Sidkia: `Als ik niets verberg, laat u mij doden, en als ik u een raad geef, luistert u niet.'
Jer. 38,16 Koning Sidkia verzekerde hem daarop in het diepste geheim: `Bij Jahwe, die ons het leven heeft gegeven, ik laat u niet doden; ik lever u niet uit aan uw vijanden.'
Jer. 38,17 Daarop zei Jeremia tot Sidkia: `Dit zegt Jahwe, de God van de machten, IsraŽls God: Als gij u overgeeft aan de bevelhebbers van de koning van Babel, blijft ge leven en de stad wordt niet in de as gelegd. Ge blijft leven met heel uw gezin.
Jer. 38,18 Maar als ge u niet overgeeft aan de bevelhebber van de koning van Babel, valt de stad in handen van de ChaldeeŽn. Die leggen ze in de as en gijzelf zult niet ontsnappen.'
Jer. 38,19 Maar koning Sidkia zei tot Jeremia: `Ik ben bang voor de JudeeŽrs die al naar de ChaldeeŽn zijn overgelopen. Als men mij aan hen uitlevert, zullen ze mij gruwelijk mishandelen.'
Jer. 38,20 Jeremia antwoordde: `Dat zal niet gebeuren. Luister toch naar wat Jahwe u door mij laat zeggen; dan zal het u goed gaan en blijft u in leven.
Jer. 38,21 Maar als u zich niet overgeeft, dan gebeurt wat Jahwe mij liet zien.
Jer. 38,22 Alle vrouwen die nog in het paleis van de koning van Juda zijn, worden weggevoerd naar de bevelhebbers van de koning van Babel. Dan zullen ze zeggen: Ze hebben u bedrogen en overweldigd, die goede vrienden van u. Nu uw voeten wegzakken in de modder, trekken zij zich terug.
Jer. 38,23 Uw vrouwen en kinderen worden weggevoerd naar de ChaldeeŽn en ook uzelf zult niet ontkomen. U wordt gevangen genomen door de koning van Babel en deze stad wordt in de as gelegd.'
Jer. 38,24 Daarop zei Sidkia: `Als uw leven u lief is, laat dan niemand hier iets van te weten komen.
Jer. 38,25 Als de edelen toch van ons onderhoud zouden horen en dan bij u komen en vragen: Laat horen wat je tegen de koning gezegd hebt; als je ons niets verzwijgt, zullen wij je niet doden; of als zij vragen: Wat heeft de koning gezegd?,
Jer. 38,26 dan moet u antwoorden: Ik heb de koning gesmeekt mij niet terug te sturen naar het huis van Jonatan om daar te ster ven.'
Jer. 38,27 Toen de edelen inderdaad bij Jeremia kwamen en hem trachtten uit te horen, zei hij hun precies wat de koning hem had opgedragen. Ze moesten hem toen wel met rust laten, want niemand had het gesprek gehoord.
Jer. 38,28 Jeremia bleef in het kwartier van de wacht, totdat Jeruzalem werd ingenomen; bij de inneming was hij daar nog.

Jer. 39,1 In het negende regeringsjaar van koning Sidkia van Juda, in de tiende maand, was koning Nebukadnessar van Babel met heel zijn leger voor Jeruzalem gekomen en had de stad ingesloten.
Jer. 39,2 In het elfde jaar, de negende dag van de vierde maand namen zij de stad stormenderhand in.
Jer. 39,3 De bevelhebbers van de koning van Babel namen plaats bij de Middenpoort: de opperbevelhebbers Negal-sareser van Sin-magir, de hofmaarschalk Nebusazban en de andere bevelhebbers van de koning van Babel.
Jer. 39,4 Toen koning Sidkia van Juda en alle soldaten dit zagen, namen zij de vlucht. In de nacht wisten zij aan de kant van de koninklijke tuin door de poort tussen de beide muren de stad uit te komen en vluchtten de Araba in.
Jer. 39,5 Maar het leger van de ChaldeeŽn zette de achtervolging in en achterhaalde Sidkia in de vlakte van Jericho. Hij werd gevangen genomen en naar koning Nebukadnessar van Babel gebracht in Ribla, in het gebied van Chamat. Daar velde de koning van Babel het vonnis over hen.
Jer. 39,6 Sidkia's zonen liet hij voor diens ogen in Ribla ter dood brengen; ook de edelen van Juda liet hij afslachten.
Jer. 39,7 Sidkia zelf liet hij de ogen uitsteken, in koperen ketenen slaan en wegvoeren naar Babel.
Jer. 39,8 De ChaldeeŽn staken het koninklijk paleis en de huizen van de bevolking in brand en sloopten de muren van Jeruzalem.
Jer. 39,9 Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, voerde de rest van de mensen gevangen naar Babel; de mensen die nog in de stad waren, en degenen die naar hem waren overgelopen.
Jer. 39,10 Alleen de armsten van het volk, die geen eigen bezit hadden, liet Nebukadnessar in het land achter en gaf hun wijn gaarden en akkers.
Jer. 39,11 Met betrekking tot Jeremia gaf koning Nebukadnessar van Babel aan Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, het volgende bevel:
Jer. 39,12 `Neem Jeremia onder uw bescherming, zorg dat hem niets overkomt en doe alles wat hij vraagt.'
Jer. 39,13 Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, gaf dit bevel door aan de hofmaarschalk Nebusazban, aan de opperbevelheb ber Nergal-sareser en aan de andere bevelhebbers van de koning van Babel.
Jer. 39,14 Zij haalden Jeremia uit het kwartier van de wacht en vertrouwden hem toe aan Gedalja, zoon van Achikam, zoon van Safan, die hem mee naar huis nam. Zo bleef Jeremia bij het volk.
Jer. 39,15 Toen Jeremia nog in het kwartier van de wacht zat opgesloten, kwam dit woord van Jahwe tot hem:
Jer. 39,16 Ga de EthiopiŽr Ebed-melek zeggen: Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Alles wat Ik over deze stad heb gezegd, laat Ik in vervulling gaan tot zijn ondergang en niet tot zijn heil; voor uw ogen zal het gebeuren.
Jer. 39,17 Maar u red Ik op die dag - godsspraak van Jahwe -; gij wordt niet uitgeleverd aan hen voor wie gij zo bang zijt.
Jer. 39,18 Ik zal u redden; ge zult niet vallen door het zwaard; ge brengt het er levend af, omdat ge op Mij hebt vertrouwd godsspraak van Jahwe

Jer. 40,1 Het woord van Jahwe kwam tot Jeremia, nadat Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, hem in Rama had vrijgelaten. Deze had hem daar geboeid aangetroffen tussen de ballingen van Jeruzalem en Juda die naar Babel werden weggevoerd.
Jer. 40,2 Hij liet Jeremia bij zich brengen en zei hem: `Jahwe uw God heeft de rampen die Hij deze stad had aangekondigd
Jer. 40,3 voltrokken en gedaan wat Hij gezegd had. Omdat u tegen Jahwe hebt gezondigd en niet naar Hem geluisterd, zijn deze rampen over u gekomen.
Jer. 40,4 Ik maak nu uw boeien los. Als u met mij naar Babel wilt gaan, doe dat gerust; ik zal persoonlijk voor u zorgen. Als u niet met mij naar Babel wenst te gaan, ook goed. Het hele land ligt voor u open. U kunt gaan waar u wilt.
Jer. 40,5 Als u hier wenst te blijven, kunt u naar Gedalja, zoon van Achikam, zoon van Safan, gaan, die door de koning van Babel is aangesteld als gouverneur over de steden van Juda. U kunt bij hem blijven onder uw volksgenoten of gaan waar u verkiest.' Daarop gaf de commandant van de lijfwacht aan Jeremia levensmid delen en geschenken en liet hem gaan.
Jer. 40,6 Jeremia ging naar Gedalja, zoon van Achikam, in Mispa, en bleef bij zijn volksgenoten die in het land waren achtergebleven.
Jer. 40,7 De officieren en manschappen die nog te velde waren, vernamen dat Gedalja, zoon van Achikam, door de koning van Babel als gouverneur was aangesteld en dat hij belast was met de zorg voor de armsten van het land, mannen, vrouwen en kinderen die niet in ballingschap naar Babel waren weggevoerd.
Jer. 40,8 JismaŽl, zoon van Netanja, Jochanan en Jonatan, zonen van Kareach, Seraja, zoon van Tanchumet, de zonen van Efai uit Netofa, en Jezanja, de Maakatiet, trokken met hun manschappen naar Gedalja, in Mispa.
Jer. 40,9 Gedalja, zoon van Achikam, zoon van Safan, bezwoer hen: `Onderwerp u gerust aan de ChaldeeŽn. Blijf in het land en onder werp u aan de koning van Babel; u zult er wel bij varen.
Jer. 40,10 Ik zelf blijf hier in Mispa om te onderhandelen met de ChaldeeŽn die naar ons toekomen. U moet de wijn, de vijgen en de olie oogsten en in vaten doen; u kunt u vestigen in de steden die u verkiest.'
Jer. 40,11 Ook de JudeeŽrs in Moab, Ammon en Edom en overal elders hadden gehoord, dat de koning van Babel een deel van de bevolking in Juda had achtergelaten en dat Gedalja, zoon van Achikam, zoon van Safan, als gouverneur was aangesteld.
Jer. 40,12 Zij kwamen uit de streken waar zij verspreid waren, terug naar Juda, naar Gedalja in Mispa. Er werd een rijke oogst aan wijn en vruchten binnengehaald.
Jer. 40,13 Jochanan, zoon van Kareach, en de andere officieren te velde kwamen naar Gedalja in Mispa
Jer. 40,14 en vroegen: `Weet u, dat koning Bašlis van Ammon, JismaŽl, zoon van Netanja, heeft uitgestuurd met de opdracht u om het leven te brengen?' Maar Gedalja, zoon van Achikam, geloofde hem niet.
Jer. 40,15 Daarop deed Jochanan, zoon van Kareach, hem te Mispa in het geheim dit voorstel: `Laat mij begaan; ik zal JismaŽl, zoon van Netanja, doden zonder dat iemand het weet. Of wilt u dat hij u om het leven brengt, dat de JudeeŽrs die zich rond u hebben ge schaard, verstrooid worden en ook de rest van Juda ten onder gaat?'
Jer. 40,16 Maar Gedalja, zoon van Achikam, antwoordde hem: `Dat mag u niet doen. Wat u over JismaŽl zegt, is niet waar.'

Jer. 41,1 In de zevende maand kwam JismaŽl, zoon van Netanja, zoon van Elisama, die van koninklijke afkomst was, met tien man naar Gedalja, zoon van Achikam, in Mispa. Ze zaten daar samen aan tafel,
Jer. 41,2 toen JismaŽl, zoon van Netanja, en zijn tien handlangers plotseling opstonden en Gedalja, zoon van Achikam, zoon van Safan, met het zwaard neerstaken. Zo vermoordde hij de man, die door de koning van Babel als gouverneur van het land was aange steld.
Jer. 41,3 Ook de JudeeŽrs die bij Gedalja in Mispa waren, en de soldaten van het Chaldeese garnizoen bracht hij om.
Jer. 41,4 Daags na de moord op Gedalja, toen nog niemand het wist,
Jer. 41,5 kwamen er tachtig mannen aan uit Sichem, Silo en Samaria. Ze hadden hun baard afgeschoren, droegen gekleurde kleren en hadden zich wonden toegebracht. Ze wilden in het huis van Jahwe meeloffers en wierook aanbieden.
Jer. 41,6 JismaŽl, zoon van Netanja, ging de stad uit, trad wenend op hen toe en zei: `Welkom bij Gedalja, zoon van Achikam.'
Jer. 41,7 Maar toen zij in de stad kwamen, slachtten JismaŽl en zijn mannen hen af en wierpen hen in een regenput.
Jer. 41,8 Maar tien van hen zeiden tot JismaŽl: `Dood ons niet. Wij hebben op het land verborgen voorraden: tarwe, gerst, olie en honing.' Deze mannen spaarde hij dus en doodde hen niet zoals hun gezellen.
Jer. 41,9 De put waar JismaŽl de lijken van de vermoorde mannen in wierp, was de grote put die koning Asa had aangelegd tijdens de oorlog met koning BaŽsa van IsmaŽl, zoon van Netanja, gooide hem vol met de lijken.
Jer. 41,10 De hele bevolking van Mispa, ook de prinsessen en de mensen die in Mispa waren achtergebleven en die Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, aan de zorgen van Gedalja, zoon van Achikam, had toevertrouwd, werd door JismaŽl, zoon van Netanja, gevangen genomen. Hij wilde ze meevoeren naar Ammon.
Jer. 41,11 Toen Jochanan, zoon van Kareach, en de andere officie ren hoorden wat JismaŽl, zoon van Netanja, had aangericht,
Jer. 41,12 verzamelden zij hun manschappen en rukten tegen hem uit. Bij de grote vijver van Gibeon vonden ze hem.
Jer. 41,13 Toen de mensen die JismaŽl uit Mispa had meegevoerd Jochanan, zoon van Kareach, en de andere officieren zagen, waren zij blij.
Jer. 41,14 Ze liepen onmiddellijk naar hem over.
Jer. 41,15 JismaŽl zelf en acht anderen wisten aan Jochanan te ontsnappen en vluchtten naar Ammon.
Jer. 41,16 Jochanan, zoon van Kareach, en de officieren die hem vergezelden, aanvaardden vanuit Gibeon de terugtocht met de mannen, de vrouwen, de kinderen en de hovelingen, alle mensen die JismaŽl, zoon van Netanja, na de moord op Gedalja uit Mispa had meegevoerd.
Jer. 41,17 Onderweg hielden ze halt in Gerut-kimham, bij Betlehem. Vandaar trokken ze naar Egypte
Jer. 41,18 uit vrees voor de ChaldeeŽn, vanwege de moord van JismaŽl, zoon van Netanja, op Gedalja, zoon van Achikam, die de koning van Babel tot gouverneur van het land had aangesteld.

Jer. 42,1 De officieren, onder wie Jochanan, zoon van Kareach, en Azarja, zoon van Hosaaja, en alle anderen, groot en klein, kwamen
Jer. 42,2 bij de profeet Jeremia en zeiden: `Wij smeken u tot Jahwe uw God te bidden voor ons die nog over zijn. Wij waren zeer talrijk; nu zijn we maar met weinigen meer, zoals uzelf kunt zien.
Jer. 42,3 Vraag Jahwe uw God dat Hij ons wijst, welke weg wij moeten gaan en wat wij moeten doen.'
Jer. 42,4 De profeet Jeremia antwoordde: `Goed, ik zal tot Jahwe uw God bidden, zoals u verlangt. Ik zal u het antwoord van Jahwe laten horen zonder iets te verzwijgen.'
Jer. 42,5 Van hun kant verzekerden zij Jeremia: `Waarachtig, Jahwe uw God moge tegen ons getuigen, als wij niet alles doen wat u ons namens Hem zegt.
Jer. 42,6 Of het ons aangenaam is of niet, wij zullen gehoorzamen aan Jahwe onze God tot wie wij u zenden, want daarvan hangt ons geluk af. U kunt ervan op aan: wij zullen Hem gehoorzamen.'
Jer. 42,7 Tien dagen later kwam het woord van Jahwe tot Jeremia.
Jer. 42,8 Hij riep Jochanan, zoon van Kareach, de officieren die hem vergezelden, en alle anderen, groot en klein, bij zich
Jer. 42,9 en zei: `Dit zegt Jahwe, IsraŽls God, tot wie ik op uw verzoek heb gebeden:
Jer. 42,10 Als gij in dit land blijft wonen, bouw Ik u op en breek u niet af, Ik plant u en ruk u niet uit, want Ik heb spijt over het kwaad dat Ik u heb aangedaan.
Jer. 42,11 Gij hoeft de koning van Babel niet langer te vrezen: vreest hem werkelijk niet - godsspraak van Jahwe -; Ik ben bij u om u te redden en u uit zijn macht te bevrijden.
Jer. 42,12 Als Ik u genadig ben, zal ook hij u genadig zijn en u terug laten gaan naar uw land.
Jer. 42,13 Maar als gij Jahwe uw God niet gehoorzaamt en zegt: Wij blijven niet in dit land,
Jer. 42,14 wij gaan naar Egypte en daar blijven we. Wij willen geen oorlog en heen honger meer lijden,
Jer. 42,15 luistert dan naar het woord van Jahwe, allen die van Juda zijt overgebleven: Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Als gij met alle geweld naar Egypte wilt gaan en daar blijven,
Jer. 42,16 zal het zwaard waarvoor ge zo bang zijt, u daar achter volgen en ge zult er de dood vinden.
Jer. 42,17 Iedereen die besloten heeft naar Egypte te gaan en daar te blijven, komt om door het zwaard, de honger en de pest. Niemand van hen ontkomt aan de rampen die Ik over hen zend.
Jer. 42,18 Want dit zegt Jahwe van de legerscharen, IsraŽls God: Zoals mijn toorn en mijn woede zijn neergekomen op de inwoners van Jeruzalem, zo zal mijn woede neerkomen op u, als ge naar Egypte gaat. Een vloek zult ge zijn, een schrikbeeld, een mikpunt van schimp en van smaad en dit land ziet ge nooit meer terug.'
Jer. 42,19 Jahwe heeft u dus gezegd, allen die van Juda zijn overgebleven: Ga niet naar Egypte. Ik heb u vandaag duidelijk gewaarschuwd,
Jer. 42,20 dat u een grote misstap begaat. Uzelf hebt mij naar Jahwe uw God gezonden en gevraagd: Bid voor ons tot Jahwe uw God; deel ons mee wat Jahwe onze God zegt, en wij zullen het doen.
Jer. 42,21 Maar nu ik u heb meegedeeld wat Jahwe uw God mij heeft opgedragen, luistert u niet.
Jer. 42,22 Wees er dan ook van overtuigd dat u door het zwaard, de honger en de pest zult sterven in het land waar u wilt gaan wonen.'

Jer. 43,1 Nauwelijks had Jeremia deze woorden namens Jahwe hun God gesproken
Jer. 43,2 of Azarja, zoon van Hosaaja, Jochanan, zoon van Kareach, en verschillende andere mannen schreeuwden hem brutaal toe: `U liegt! Jahwe onze God heeft u niet opgedragen te zeggen, dat wij niet naar Egypte mogen gaan en daar blijven wonen.
Jer. 43,3 Baruch, zoon van Neria, heeft u tegen ons opgezet, omdat gij ons aan de ChaldeeŽn wil uitleveren, in de hoop dat zij ons doden of in ballingschap naar Babel wegvoeren.'
Jer. 43,4 Jochanan, zoon van Kareach, de overige officieren en alle anderen wilden Jahwe niet gehoorzamen en in Juda blijven.
Jer. 43,5 Heel de rest van Juda werd door Jochanan en de overige officieren meegesleept: degenen die uit de streken waar zij verspreid waren naar Juda waren teruggekeerd om daar te blijven,
Jer. 43,6 en ook de mannen, de vrouwen, de kinderen en de prinses sen die Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, had achter gelaten bij Gedalja, zoon van Achikam, zoon van Safan. Ook de profeet Jeremia en Baruch, zoon van Neria, namen zij mee.
Jer. 43,7 Zonder acht te slaan op het woord van Jahwe hun God trokken zij naar Egypte en kwamen aan in Tachpanches.
Jer. 43,8 In Tachpanches kwam het woord van Jahwe tot Jeremia:
Jer. 43,9 Neem een paar grote stenen en metsel die in het bijzijn van de JudeeŽrs in de lemen vloer van het plein voor het paleis van Farao in Tachpanches.
Jer. 43,10 Dan moet ge hun zeggen: Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Ik ontbied mijn dienaar Nebukadnessar, de koning van Babel, hij zal zijn troon plaatsen op de stenen die Ik hier ingemetseld heb, en er zijn koningstent opslaan.
Jer. 43,11 Hij zal Egypte verslaan: Wie voor de dood is bestemd, treft de dood, wie voor de ballingschap, de ballingschap; wie voor het zwaard, het zwaard.
Jer. 43,12 De tempels van de Egyptische goden laat hij opgaan in de vlammen, hun godenbeelden verbrandt hij of voert hij mee; iedereen haalt hij uit Egypte, zoals een herder de luizen uit zijn mantel haalt. Dan keert hij ongehinderd terug.
Jer. 43,13 De obelisken van de zonnetempel in Egypte slaat hij stuk, de tempels van de Egyptische goden legt hij in de as.

Jer. 44,1 Dit woord kwam tot Jeremia voor al de JudeeŽrs die in Egypte woonden, in de steden Migdol, Tachpanches en Nof en in de streek van Patros:
Jer. 44,2 Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Gij hebt zelf de rampen gezien die Ik over Jeruzalem en de andere steden van Juda gebracht heb. Ze zijn nu een puinhoop waar niemand meer woont.
Jer. 44,3 Dat komt, omdat ze Mij door hun misdaden hebben getart: ze hebben offers gebracht en eer bewezen aan andere goden die ze niet kenden, evenmin als gij of hun voorvaderen.
Jer. 44,4 Steeds opnieuw heb Ik mijn dienaars, de profeten, gezonden met de boodschap: `Laat die afschuwelijke praktijken varen; Ik walg ervan.'
Jer. 44,5 Maar ze hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd; ze hebben zich niet bekeerd en zijn offers blijven brengen aan andere goden.
Jer. 44,6 Toen is mijn toorn losgebarsten, mijn woede ontvlamd tegen de steden van Juda en de straten van Jeruzalem. Zo zijn ze de puinhoop en de wildernis geworden die ze nu zijn.
Jer. 44,7 Welnu dan, dit zegt Jahwe, de God van de machten, IsraŽls God: Waarom doet ge uzelf dit aan? Waarom wilt ge de ondergang van de mannen en vrouwen, de kinderen en zuigelingen van Juda, zodat er niemand meer overblijft?
Jer. 44,8 Waarom tart ge Mij met uw eigengemaakte beelden en brengt ge in Egypte waar ge nu woont, offers aan andere goden? Of wilt ge zelf ook ten onder gaan en een vloek en een schimp worden voor alle volken op aarde?
Jer. 44,9 Zijt ge dan het kwaad vergeten van uw vaderen, van de koningen van Juda en hun vrouwen, of hetgeen gijzelf en uw vrouwen in Juda en in de straten van Jeruzalem bedreven hebt?
Jer. 44,10 Tot op heden heeft niemand berouw, niemand vreest Mij of leeft volgens de wet en de voorschriften die Ik u en uw voorvaderen gegeven heb.
Jer. 44,11 Daarom zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Ik heb besloten rampen over u te brengen; heel Juda roei Ik uit.
Jer. 44,12 De rest van Juda die besloot naar Egypte te gaan om daar te wonen, vernietig Ik. Ze komen allemaal om in Egypte door het zwaard en de honger; ze worden tot een vloek, een schrik beeld, een voorwerp van spot en van smaad.
Jer. 44,13 Al degenen die in Egypte wonen, straf Ik door het zwaard, de honger en de pest, zoals Ik met Jeruzalem heb gedaan.
Jer. 44,14 Van de rest van Juda die in Egypte is gaan wonen, zal niemand ontsnappen of ontkomen; niemand behalve een enkele vluchteling zal terugkeren naar Juda, hoe graag ze dat ook zouden willen.
Jer. 44,15 Maar alle mensen die in Patros in Egypte woonden, al de mannen die wisten dat hun vrouwen offers brachten aan andere goden, en de vrouwen die in groten getale aanwezig waren, antwoordden Jeremia:
Jer. 44,16 `Wij luisteren niet naar wat ons in naam van Jahwe hebt gezegd.
Jer. 44,17 Wij houden ons aan onze beloften: we brengen reukoffers en plengoffers aan de koningin van de hemel, zoals wij vroeger deden in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem, wij en onze voorvaderen, onze koningen en edelen. Toen hadden wij eten in overvloed; het ging ons goed en rampen kenden wij niet.
Jer. 44,18 Maar sinds wij daarmee zijn opgehouden, hebben wij aan alles gebrek en komen wij om door het zwaard en de honger.'
Jer. 44,19 En de vrouwen voegden er aan toe: `Wij blijven reukoffers en plengoffers brengen aan de koningin van de hemel en koeken bakken met haar beeltenis erop. En dat doen wij met instemming van onze mannen.'
Jer. 44,20 Toen zei Jeremia tot alle aanwezigen die hem zo hadden geantwoord, tot de mannen en de vrouwen:
Jer. 44,21 `Denkt u dat Jahwe de offers vergeten is die u en uw voorvaderen, uw koningen, uw edelen en burgers in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem hebben gebracht? Denkt u dat dit Hem niets heeft gedaan?
Jer. 44,22 Hij kon die gruwelijke misdaden van u niet meer verdragen. Daarom is uw land geworden wat het nu is: een puinhoop waar niemand meer woont, een schrikbeeld, een vloek.
Jer. 44,23 U hebt door die offers tegen Jahwe gezondigd en niet naar Hem geluisterd; u hebt zijn wet, zijn voorschriften en bepalingen niet nageleefd; daarom zijn nu deze rampen over u gekomen.'
Jer. 44,24 Tot de vrouwen zei Jeremia: `Luistert naar het woord van Jahwe:
Jer. 44,25 Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Vrouwen, u blijft bij wat u beloofd hebt. U zegt: Wij houden de belofte die wij hebben gedaan; wij brengen reukoffers en plengoffers aan de koningin van de hemel. Houdt die belofte dan maar en komt ze na.
Jer. 44,26 Luistert echter naar het woord van Jahwe, mensen van Juda die in Egypte woont: Ik heb bij mijn grote naam gezworen, zegt Jahwe: In heel Egypte zal geen enkele JudeeŽr nog mijn naam aanroepen of zeggen: Zowaar Jahwe leeft!
Jer. 44,27 Want Ik ben op hun onheil uit, niet op hun heil; alle JudeeŽrs in Egypte komen om door het zwaard en de honger en worden vernietigd.
Jer. 44,28 Slechts enkelen zullen aan het zwaard ontkomen en uit Egypte terugkeren naar Juda. Al de anderen die zich in Egypte hebben gevestigd zullen ondervinden, wiens woord waar blijkt, het mijne of het hunne.
Jer. 44,29 Door dit teken zult ge weten - godsspraak van Jahwe -, dat Ik u hier ter plaatse straf en dat mijn bedreigingen tegen u uitkomen:
Jer. 44,30 Dit zegt Jahwe: Ik lever Farao Chofra, de koning van Egypte, uit aan de vijanden die hem naar het leven staan, zoals Ik ook koning Sidkia van Juda heb uitgeleverd aan koning Nebukadnessar van Babel, de vijand die hem naar het leven stond.'

Jer. 45,1 Toen Baruch, zoon van Neria, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda, alles wat Jeremia dicteerde in de boekrol had geschreven, richtte de profeet tot hem dit woord:
Jer. 45,2 Dit zegt Jahwe, IsraŽls God, tot u, Baruch:
Jer. 45,3 Gij hebt gezegd: `Wee mij! Jahwe maakt mijn lijden steeds erger. Ik kreun van de pijn, ik ben op, maar nergens vind ik verlichting.'
Jer. 45,4 Dit zegt Jahwe: Ik breek af wat Ik had opgebouwd; Ik ruk uit wat Ik had geplant; bedoeld is het hele land.
Jer. 45,5 En gij hebt voor uzelf grote verwachtingen. Verwacht niet te veel; want rampen breng Ik over alle stervelingen godsspraak van Jahwe -. Wees dus blij dat Ik uw leven spaar waar ge ook heengaat.

Jer. 46,1 Dit woord van Jahwe kwam tot de profeet Jeremia, aan gaande de volken.
Jer. 46,2 Over Egypte. Over het leger van Farao Neko, de koning van Egypte, dat bij Karkemis aan de Eufraat door koning Nebukadnessar van Babel verslagen werd, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda:
Jer. 46,3 Klaar met schild en rondas, op tot de strijd.
Jer. 46,4 Span de paarden in, stijg op de wagens. In het gelid, de helmen op, de lansen gescherpt, de pantsers aan.
Jer. 46,5 Maar wat gebeurt er? Ze raken in paniek, ze trekken terug. Het machtige leger stort ineen, het slaat op de vlucht. Verschrikking alom - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 46,6 De snelste man kan niet ontvluchten, de dapperste niet ontkomen. In het noorden, aan de oever van de Eufraat, struikelen zij en vallen ze neer.
Jer. 46,7 Wie rolt daar als de Nijl, als een bruisende stroom?
Jer. 46,8 Egypte rolt aan als de Nijl, als een bruisende stroom. Het zegt: `Daar komt ik, ik zal de aarde overspoelen, steden en inwoners vernietigen.'
Jer. 46,9 Hop, paarden. Wagens, vooruit. Soldaten er op los, Kusieten en PutiŽrs, het schild in de hand, LydiŽrs, de bogen gespannen.'
Jer. 46,10 Maar deze dag is de dag van Jahwe, de God van de leger scharen, de dag dat Hij zich op zijn vijanden wreekt. Het zwaard verslindt alles, tot het verzadigd is, tot het zich zat heeft gedronken aan hun bloed. Want Jahwe, de God van de legerscharen, houdt een slachting, in het noorden, bij de Eufraat.
Jer. 46,11 Ga maar met Gilead, jonkvrouw; ga balsem halen, Egypte; al uw geneesmiddelen dienen tot niets, uw wonden zijn niet te helen.
Jer. 46,12 De volken hebben uw roepen gehoord, de aarde is vol van uw klagen, want de ene soldaat struikelt over de andere en beiden storten ze neer.
Jer. 46,13 Dit woord van Jahwe kwam tot de profeet Jeremia toen koning Nebukadnessar van Babel oprukte tegen Egypte:
Jer. 46,14 Meld het in Egypte, geef het door in Migdol, in Nof en Tachpanches en roep: In het gelid, houd u paraat, want het zwaard verslindt alles in uw omgeving.
Jer. 46,15 Waarom is Apis gevlucht, waarom hield uw sterke god geen stand? Omdat Jahwe hem heeft geslagen,
Jer. 46,16 totdat hij struikelde en viel. Toen zeiden ze tot elkaar: `We gaan terug naar ons eigen volk, naar ons geboorte land, om aan het moordende zwaard te ontkomen.'
Jer. 46,17 En Farao, de koning van Egypte, noemden zij: `druktemaker, die zijn kans laat voorbijgaan.'
Jer. 46,18 Zowaar Ik leef - godsspraak van de koning, wiens naam is Jahwe van de legerscharen -: Zoals de Tabor boven de bergen uitrijst en de Karmel zich verheft boven de zee, zo doemt hij op.
Jer. 46,19 Maak alles klaar voor de ballingschap, inwoners van Egypte, want Nof wordt een wildernis, een ruÔne zonder bewoners.
Jer. 46,20 Egypte leek op een prachtige vaars, waar horzels uit het noorden op afkomen.
Jer. 46,21 Zijn huurlingen leken op vette kalveren. Maar ook zij lieten hun hielen zien, ze sloegen op de vlucht en hielden geen stand, want de ongeluksdag, de tijd van hun straf was gekomen.
Jer. 46,22 Egypte kruipt sissend terug als een slang, nu de legers er tegen oprukken. Met bijlen gewapend komen de houthakkers aan.
Jer. 46,23 Ze vellen de bossen die ondoordringbaar leken - godsspraak van Jahwe -. Talrijker zijn ze dan de sprinkhanen, ze zijn niet te tellen.
Jer. 46,24 Zo wordt Egypte vernederd, overweldigd door een volk uit het noorden.
Jer. 46,25 Dit zegt Jahwe van de legerscharen, IsraŽls God: Straffen zal ik Amon, de god van No, Egypte met zijn goden en koningen, Farao en degenen die op hem vertrouwen.
Jer. 46,26 Ik lever hen uit aan degenen die hen naar het leven staan, aan koning Nebukadnessar van Babel en zijn officieren. Maar later zal Egypte weer leven als in vroegere tijden - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 46,27 Vrees dus niet, Jakob mijn dienaar, wees niet bang, IsraŽl; Ik bevrijd u en uw kinderen uit het verre land van hun gevangenschap. Dan woont Jakob weer ongestoord en veilig, zonder dat iemand hem opschrikt.
Jer. 46,28 Wees dus niet bang, Jakob mijn dienaar - godsspraak van Jahwe -, want Ik ben bij u. Met alle volken waaronder Ik u verstrooid heb reken Ik af; maar met u doe Ik dat niet. Wel tuchtig Ik u zoals ge verdient; Ik laat u niet ongestraft.

Jer. 47,1 Dit woord kwam van Jahwe tot de profeet Jeremia aangaande de Filistijnen, voordat Farao Gaza had ingenomen.
Jer. 47,2 Dit zegt Jahwe: Daar rollen wateren aan uit het noorden, een rivier die buiten zijn oevers treedt en het land en al wat er is overstroomt, steden en inwoners. De mensen schreeuwen het uit, de bewoners heffen een klaaglied aan,
Jer. 47,3 Bij het horen van de trappelende hoeven der hengsten, van de ratelende wagens en de dreunende wielen. De vaders laten hun kinderen in de steek, de moed is hun ontzonken.
Jer. 47,4 Want de dag is aangebroken, dat alle Filistijnen worden vernietigd, dat Tyrus en Sidon worden uitgeroeid tot de laatste man. Jahwe vernietigt de Filistijnen, van de afstammelingen van Kreta blijft niemand meer over.
Jer. 47,5 Gaza scheert zich kaal, Askelon treurt; hoelang u nog wonden toebrengen, laatste der Enakieten?
Jer. 47,6 Ach, zwaard van Jahwe, komt ge nooit meer tot rust? Keer terug in uw schede, blijf rustig en stil.
Jer. 47,7 Hoe kan het tot rust komen, als Jahwe het uitzendt tegen Askelon en heel de kuststreek?

Jer. 48,1 Over Moab. Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Wee Nebo, het is verwoest, wee Kirjataim, het is veroverd. De vestingen zijn vernederd, neergehaald.
Jer. 48,2 Weg is de glorie van Moab. In Chesbon werd zijn onder gang beslist: `Dat volk roeien we uit!' Madmen, ook gij komt ten val, het zwaard zit u op de hielen.
Jer. 48,3 In Choronaim weerklinkt de kreet: `Wat een ramp, wat een vreselijke verwoesting!'
Jer. 48,4 Moab ligt verpletterd, zijn geschreeuw dringt door tot in Soar.
Jer. 48,5 Men treurt over de ramp op de helling van Luchit, men klaagt bij de pas van Choronaim.
Jer. 48,6 `Vlucht, red uw leven, kale struik in de woestijn.'
Jer. 48,7 Ge hebt al uw vertrouwen gesteld op uw vestingen, daarom worden ze ingenomen: Kemos gaat de ballingschap in met zijn priesters en edelen.
Jer. 48,8 De verwoester dringt alle steden binnen, geen enkele ontkomt. De vlakte wordt vernield, het hoogland verwoest, zoals Jahwe heeft gezegd.
Jer. 48,9 Bouw een graftombe voor Moab, want het wordt een puin hoop. Zijn steden worden een wildernis, waar niemand meer woont.
Jer. 48,10 Vervloekt, wie deze opdracht van Jahwe nalatig vol voert, vervloekt wie het zwaard belet bloed te vergieten.
Jer. 48,11 Van jongs af was Moab zonder zorgen, het was als wijn, die rustig ligt op zijn droesem, die nooit in een ander vat werd overgegoten; nooit ging het in ballingschap. Zo heeft het zijn smaak behouden, zijn aroom niet verloren.
Jer. 48,12 Voorwaar, de tijd komt - godsspraak van Jahwe - dat Ik mensen op hen afzend, die de wijn overgieten, de vaten leeghalen en de kruiken verbrijzelen.
Jer. 48,13 Dan schaamt Moab zich over Kemos, zoals IsraŽl zich geschaamd heeft over Betel, waarop het vertrouwde.
Jer. 48,14 Hoe durft ge zeggen: `Wij zijn soldaten, dappere soldaten?'
Jer. 48,15 Moab en zijn steden zijn verwoest; de keur van zijn jeugd is afgeslacht - godsspraak van de koning, wiens naam is Jahwe van de legerscharen.
Jer. 48,16 De ondergang van Moab is nabij; met rasse schreden nadert zijn ongeluk.
Jer. 48,17 Hef dit klaaglied aan, alle buren, die hem kent bij zijn naam: `Helaas, de machtige scepter, de schitterende staf ligt gebroken!'
Jer. 48,18 Kom af van uw heerlijke troon, zet u neer in het vuil, bewoners van Dibon. De verwoester van Moab trekt tegen u op en haalt uw vestigen neer.
Jer. 48,19 Ga langs de weg op de uitkijk staan, inwoners van Aroer; vraag de vluchtelingen die zijn ontkomen, wat er is gebeurd.
Jer. 48,20 `Moab is vernederd, verpletterd. Huil en schreeuw, vertel het bij de Arnon: Moab is verwoest.'
Jer. 48,21 Het vonnis is geveld over het hoogland, over Cholon, Jahas en Mefaat,
Jer. 48,22 over Dibon, Nebo en Bet-diblataim,
Jer. 48,23 over Kirjataim, Bet-gamul en Bet-meon,
Jer. 48,24 over Bo, Keriot en Bosra: over alle steden van Moab, veraf en dichtbij.
Jer. 48,25 `De hoorn van Moab is afgehouwen zijn kracht is gebroken' - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 48,26 Maak Moab dronken, omdat hij zich tegen Jahwe heeft verheven. Dan wentelt hij zich in zijn eigen braaksel en wordt op zijn beurt uitgelachen.
Jer. 48,27 Hebt ge zelf IsraŽl niet uitgelachen? Was het dan een dievenbende dat gij u steeds weer spottend over hem moest uitlaten?
Jer. 48,28 `Verlaat uw steden, ga in de rotsen huizen, inwoners van Moab. Nestel u als een duif, hoog tegen de rots.'
Jer. 48,29 Wij hebben gehoord van de hoogmoed, de grote hoogmoed van Moab, van zijn trots, zijn eigenwaan, zijn arrogantie, zijn aanmatiging.
Jer. 48,30 Ik ken zijn verwaandheid - godsspraak van Jahwe -, zijn gezwets en gedaas steunt nergens op.
Jer. 48,31 Daarom schrei ik over Moab, ik treur over heel Moab, en jammer over de mensen van Kir-cheres.
Jer. 48,32 Ik rouw meer over u dan over Jazer, wijnstok van Sibma, Uw ranken reikten tot aan de zee, ze kwamen tot Jazer. Nu heeft de verwoester zich op uw tuinen en wijngaarden gestort.
Jer. 48,33 Uit de vruchtbare velden van Moab zijn vreugde en jubel verdwenen; geen wijn is er meer in de kuipen, de druivenpersers zijn weg, hun vrolijk lied is verstorven.
Jer. 48,34 De kreten van Chesbon dringen door tot Elale, tot Jahas weerklinkt het geschreeuw, van Soar tot Choronaim en Eglat-seli sia. Ook de oase van Nimrim wordt woestijn.
Jer. 48,35 Ik maak het Moab onmogelijk aan zijn goden nog langer offers te brengen op de hoogten - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 48,36 Daarom is mijn hart als een fluit die een treurlied speelt over Moab en de mensen van Kir-cheres, want alles wat zij hadden vergaard, is verloren gegaan.
Jer. 48,37 Alle hoofden zijn kaal, de baarden geschoren, de armen doorkorven, de lenden in boetekleed gehuld.
Jer. 48,38 Overal rouw op de daken en pleinen van Moab. Ik heb hen verbrijzeld als vaten die nergens voor deugen - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 48,39 Ach, hoe jammerlijk is Moab verslagen, hoe beschaamd wendt het zich af. Een mikpunt van spot, een schrikbeeld is het voor heel de omgeving.
Jer. 48,40 Dit zegt Jahwe: Zie, de arend stort zich op Moab, de vleugels gespreid.
Jer. 48,41 De steden worden ingenomen, de vestingen overmeesterd. Op die dag wordt het hart van Moabs soldaten als dat van een vrouw in haar weeŽn.
Jer. 48,42 Als volk wordt Moab uitgeroeid, omdat het zich tegen Jahwe heeft verheven.
Jer. 48,43 Schrik, kuil en strik wachten u, bewoners van Moab godsspraak van Jahwe -.
Jer. 48,44 Wie vlucht voor de schrik, valt in de kuil; wie uit de kuil klimt, wordt gevangen in de strik. Dit alles breng Ik over Moab in het jaar van de straf.
Jer. 48,45 In de schaduw van Chesbon hielden de vluchtelingen uitgeput halt. Een vuur is uit Chesbon geslagen, een vlam uit het huis van Sichon, die het slapen van Moab, de schedel van die druktemakers verschroeide.
Jer. 48,46 Wee u, Moab, verloren zijt gij, volk van Kemos. Uw zonen worden gevangen genomen, uw dochters gaan de ballingschap in.
Jer. 48,47 eenmaal herstel Ik Moab in zijn vroegere staat - godsspraak van Jahwe -. Tot zover het oordeel over Moab.

Jer. 49,1 Over Ammon. Dit zegt Jahwe: Heeft IsraŽl geen zonen, geen erfgenamen meer, Dat Milkom bezit kon nemen van Gad en zijn volk zich kon vestigen in zijn steden?
Jer. 49,2 Op mijn woord de tijd zal komen dat Ik Rabbat-ammon doe dreunen van krijgsrumoer - godsspraak van Jahwe -. Een verlaten puinhoop wordt het en al zijn steden gaan in vlammen op. IsraŽl overwint zijn bezetters, zegt Jahwe.
Jer. 49,3 Jammer, Chesbon, verwoeste stad, schrei luid, vrouwen van Rabba, trek het rouwkleed aan, zing het klaaglied en zwerf rond met wonden overdekt. Want Milkom gaat in ballingschap met zijn priesters en edelen.
Jer. 49,4 Wat roemt ge nog op uw kracht, uw kwijnende kracht, verwaande dochter, die zo op uw vestigingen vertrouwt dat ge zegt: `Niemand dringt hier binnen!'
Jer. 49,5 Van alle kanten laat Ik de verschrikkingen over u komen - godsspraak van de Heer, Jahwe van de legerscharen -. Ge slaat op de vlucht en niemand die u bij elkaar brengt.
Jer. 49,6 Maar later herstel Ik Ammon in zijn vroegere staat godsspraak van Jahwe -.
Jer. 49,7 Over Edom. Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Is er dan in Teman geen wijsheid meer? Weten de verstandigen geen raad, is hun inzicht verschraald?
Jer. 49,8 Vlucht zo snel mogelijk, houdt u goed verborgen, inwoners van Dedan, want rampen breng Ik over Esau, als de tijd van de straf is gekomen.
Jer. 49,9 Als de druivenplukkers komen, valt er niets meer te oogsten. Als 's nachts de dieven inbreken, vernielen zij al wat zij willen.
Jer. 49,10 Ik zelf plunder Esau helemaal kaal, Ik leg zijn schuil plaats bloot, zodat hij zich nergens kan verbergen. Zijn nakomelingen en verwanten worden uitgeroeid; niemand van zijn buren zegt:
Jer. 49,11 `Ik zorg voor uw wezen, uw weduwen kunnen op mijn rekenen.'
Jer. 49,12 Want dit zegt Jahwe: Ook zij die het niet verdienen, moeten de beker drinken: En gij dacht eraan te ontkomen? Dat nooit: Drinken zult ge.
Jer. 49,13 Ik heb bij Mezelf gezworen - godsspraak van Jahwe -: Bosra wordt tot een schrikbeeld, tot een voorwerp van smaad, verlaten en vervloekt; de andere steden zullen een puinhoop blijven.
Jer. 49,14 Ik heb van Jahwe een boodschap ontvangen, een bode heeft aan de volken gemeld: `Verzamelt u, trekt op tegen Edom, klaar voor de strijd!'
Jer. 49,15 Ik maak van u een onbetekend volk, door de mensen veracht.
Jer. 49,16 Iedereen had ontzag voor u; dat heeft misleid, ge zijt overmoedig geworden. Ge hebt u in de rotsen genesteld en de hoogste heuvels bezet. Maar al is uw nest ongenaakbaar als dat van de adelaar, Ik haal u naar beneden - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 49,17 Edom wordt tot een schrikbeeld. Iedereen die er door heen trekt, staat versteld, met stomheid geslagen door al de rampen.
Jer. 49,18 Het wordt verwoest als de streek van Sodom en Gomorra, zegt Jahwe. Niemand woont er meer, geen mens houdt er zich op.
Jer. 49,19 Zoals een leeuw uit de bossen bij de Jordaan de kudden overvalt, zo jaag Ik hen in een oogwenk uiteen en roof de vetste bokken. Want wie is Mij gelijk, Wie kan Mij ter verantwoording roepen, welke herder kan tegen Mij op?
Jer. 49,20 Luister daarom naar Jahwe's besluit over Edom, naar zijn plannen met de inwoners van Teman: Ook de jongste dieren worden weggesleept, zodat zelfs de weiden ontsteld staan.
Jer. 49,21 De aarde beeft bij hun dreunende val, tot aan de Rietzee hoort men hun gejammer.
Jer. 49,22 Als een adelaar stijgt hij op en stort neer op Bosra, de vleugels gespreid. Op die dag wordt het hart van de soldaten als dat van een vrouw in haar weeŽn.
Jer. 49,23 Over Damascus. Hamat en Arpad staan versteld over de onheilspellende berichten. De zorgen laten hen niet met rust, zoals de zee niet tot rust komt.
Jer. 49,24 Damascus heeft de moed verloren en slaat op de vlucht. Het raakt in paniek het is overweldigd door angst als een vrouw in haar weeŽn.
Jer. 49,25 Hoe verlaten ligt nu die roemrijke stad, de burcht, zo vol leven.
Jer. 49,26 Op die dag sneuvelen de jongemannen in de straten, de soldaten komen om - godsspraak van Jahwe van de legerscharen -.
Jer. 49,27 Ik steek de vesting Damascus in brand, de burcht van Ben-hadad gaat op in vlammen.
Jer. 49,28 Over Kedar en de koninkrijken van Chasor, die door koning Nebukadnessar van Babel werden veroverd. Dit zegt Jahwe: Trek op tegen Kedar, vernietig de mensen uit het Oosten.
Jer. 49,29 Hun tenten en hun kudden, al wat zij bezitten wordt geroofd. Men steelt hun kamelen en schreeuwt tegen hen: `Verschrikking overal!'
Jer. 49,30 Vlucht zo snel mogelijk houdt u goed verborgen, inwoners van Chasor - godsspraak van Jahwe -, want het besluit van koning Nebukadnessar van Babel staat vast, zijn plannen tegen u liggen klaar.
Jer. 49,31 `Trek op tegen dat zorgeloze volk dat zich veilig waant - godsspraak van Jahwe -, dat geen deuren of grendels kent en in afzondering leeft.
Jer. 49,32 Hun kamelen worden geroofd, hun talrijke kudden worden buitgemaakt.' Naar alle windstreken verstrooi Ik die mannen met geschoren slapen. Van alle kanten laat Ik de ondergang over hen komen - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 49,33 Chasor wordt een streek waar jakhalzen huizen, voor altijd een wildernis. Niemand woont er, geen mens houdt er zich op.
Jer. 49,34 Dit woord van Jahwe kwam tot de profeet Jeremia over Elam, in het eerste regeringsjaar van koning Sidkia van Juda:
Jer. 49,35 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Ik breek de bogen van Elam, hun sterkste wapens.
Jer. 49,36 De vier winden zend Ik uit over het land uit de vier hoeken der aarde. Daarmee verstrooi Ik hen in alle windstreken; geen volk waar de vluchtelingen uit Elam niet komen.
Jer. 49,37 In de strijd met de vijanden die hen naar het leven staan, verpletter Ik Elam. Rampen breng Ik over hen in mijn grimmige toorn, godsspraak van Jahwe -. Ik laat hen met het zwaard achtervolgen, totdat Ik hen heb vernietigd.
Jer. 49,38 Dan richt Ik mijn troon op in Elam en breng koningen en edelen om - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 49,39 Maar eens herstel Ik Elam in zijn vroegere staat godsspraak van Jahwe

Jer. 50,1 Dit woord heeft de profeet Jeremia gesproken tot Babel en het land van de ChaldeeŽn:
Jer. 50,2 Maak het de volken bekend, laat het horen, verkondig overal: Babel is veroverd, Bel is vernederd, Merodak verslagen. Ook de andere goden zijn vernederd, de idolen verpletterd.
Jer. 50,3 Een volk is opgerukt uit het noorden en heeft het land tot een wildernis gemaakt waar niemand meer woont; mens en dier zijn gevlucht.
Jer. 50,4 In die tijd, in die dagen - godsspraak van Jahwe - gaan IsraŽlieten en JudeeŽrs weer samen op weg; onder tranen zoeken zij Jahwe hun God.
Jer. 50,5 Zij vragen de weg naar Sion en trekken erheen: `Komt, wij verbinden ons met Jahwe in een eeuwig verbond dat nooit wordt vergeten.'
Jer. 50,6 De kudde van mijn volk was verloren gelopen, door zijn herders misleid. Ze zwierf rond in de bergen, ze raakte verdwaald en vergat haar kooi.
Jer. 50,7 Ze was voor iedereen een gemakkelijke prooi Haar vijanden zeiden: `Ons treft geen schuld, want ze heeft gezondigd tegen Jahwe, tegen de zetel der gerechtigheid, de hoop van haar vaderen.'
Jer. 50,8 Vlucht uit Babel, het land van de ChaldeeŽn; trek weg, als bokken die voor de kudde uitlopen.
Jer. 50,9 Machtige volken uit het noorden laat Ik gezamenlijk tegen Babel oprukken; zij belegeren het en nemen het in. Ze schieten als geoefende soldaten en missen hun doel niet.
Jer. 50,10 Chaldea wordt leeggeroofd, de plunderaars doen zich te goed - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 50,11 Wees maar vrolijk en blij, plunderaars van mijn bezit, spring als kalveren in de wei en bries als hengsten.
Jer. 50,12 Schande komt over uw moeder en diepe vernedering. Babel wordt het uitschot van de volken, een dorre en droge woestijn;
Jer. 50,13 de toorn van Jahwe maakt het onbewoond, een grote ruÔne. Iedereen die er langs komt, staat verbijsterd en houdt de adem in bij het zien van die rampen.
Jer. 50,14 Boogschutters, omsingel Babel, beschiet het, spaar uw pijlen niet, want het heeft tegen Jahwe gezondigd.
Jer. 50,15 Hef rondom de stad de zegekreet aan: Ze geeft zich over, de torens storten in, de muren vallen om. Dat is de wraak van Jahwe. Wreek u dus op Babel handel ermee, zoals het zelf heeft gehandeld.
Jer. 50,16 Vernietig de zaaiers en maaiers van Babel in de tijd van de oogst. Voor het moordende zwaard slaat iedereen op de vlucht en keert terug naar zijn land.
Jer. 50,17 IsraŽl is een verstrooide kudde, door leeuwen opgejaagd. Eerst is het door de koning van Assur verslonden, daarna heeft koning Nebukadnessar van Babel de botten afgekloven.
Jer. 50,18 Daarom zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Ik ga de koning van Babel en zijn land straffen, zoals Ik de koning van Assur gestraft heb.
Jer. 50,19 Dan breng Ik IsraŽl terug naar zijn weide; het zal weer grazen op de Karmel en in Basan, zich te goed doen in het berg land van EfraÔm en Gilead.
Jer. 50,20 In die tijd, in die dagen - godsspraak van Jahwe zoekt men tevergeefs naar de schuld van IsraŽl, de zonden van Juda zijn onvindbaar, want Ik schenk vergeving aan hen die Ik spaar.
Jer. 50,21 `Trek op tegen Merataim en de inwoners van Pekod. Steekt ze neer, moordt ze uit - godsspraak van Jahwe -, doet wat Ik u beveel.'
Jer. 50,22 Krijgsrumoer heerst in het land, alles kraakt in zijn voegen.
Jer. 50,23 De hamer van heel de aarde is gebroken; Babel is een schrikbeeld voor de volken geworden.
Jer. 50,24 Voordat ge het wist, Babel, zat ge gevangen in de strik die ge zelf hebt gezet. Ge zit erin vast, omdat ge u tegen Jahwe hebt verzet.
Jer. 50,25 Jahwe heeft zijn arsenaal geopend en in zijn toorn de wapens te voorschijn gehaald. Wat in het land van de ChaldeeŽn gebeurt is het werk van Jahwe, de God van de legerscharen.
Jer. 50,26 Trekt op tegen Babel van alle kanten, gooit zijn graan schuren open. Werpt alles op een hoop en vernietigt het tot er niets meer van over is.
Jer. 50,27 Maakt alle stieren af, voert ze naar de slachtbank. Wee hen, want hun dag, de tijd van hun straf is gekomen.
Jer. 50,28 Hoort de vluchtelingen die uit Babel ontkwamen; ze verhalen in Sion over de wraak van Jahwe onze God, de wraak over zijn tempel.
Jer. 50,29 Roept de schutters op tegen Babel, allen die de boog hanteren. Sluit het van alle kanten in, zodat er niemand ontsnapt. Straft het zoals het verdient, handelt ermee zoals het zelf heeft gehandeld. Want het heeft zich onbeschaamd tegen Jahwe, de Heilige van IsraŽl, verzet.
Jer. 50,30 Op die dag sneuvelen de jongemannen in de straten, de soldaten komen om - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 50,31 Ja, Ik kom eraan, onbeschaamde, - godsspraak van de Heer, Jahwe van de legerscharen -; uw dag, de tijd van uw straf is gekomen.
Jer. 50,32 De onbeschaamde struikelt en valt en niemand helpt hem op. Ik steek zijn steden in brand, het vuur verslindt heel de omgeving.
Jer. 50,33 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: IsraŽlieten en JudeeŽrs worden verdrukt; die hen wegvoerden, houden hen vast en willen hen niet laten gaan.
Jer. 50,34 Maar hun verlosser is sterk: Zijn naam is Jahwe van de legerscharen. Zelf neemt Hij het voor hen op. Hij herstelt de rust op de aarde; maar over de inwoners van Babel brengt Hij onrust.
Jer. 50,35 Het zwaard treft de ChaldeeŽn - godsspraak van Jahwe -, de inwoners van Babel, zijn edelen en wijzen.
Jer. 50,36 Het zwaard treft zijn waarzeggers; ze raaskallen. Het zwaard treft zijn soldaten: ze verstijven van schrik.
Jer. 50,37 Het zwaard treft zijn paarden en wagens, zijn huurlingen worden als vrouwen.
Jer. 50,38 Het zwaard treft zijn rivieren: ze drogen uit. Want het was een land van idolen, door hun afgoden zijn ze verblind.
Jer. 50,39 Nu huizen er spoken en geesten, en er leven struisvogels. Het wordt nooit meer bewoond.
Jer. 50,40 Het wordt als de streek van Sodom en Gomorra, die door God is verwoest - godsspraak van Jahwe -. Niemand woont er, geen mens houdt er zich op.
Jer. 50,41 Daar komt een volk uit het noorden, een grote natie met machtige koningen van het einde der aarde,
Jer. 50,42 gewapend met sabel en boog, meedogenloos, zonder erbarmen. Als het geraas van de onstuimige zee is de hoefslag van hun aanstormende paarden. Ze staan in slagorde geschaard tegen u, Babel.
Jer. 50,43 Toen de koning van Babel dit bericht ontving, ontzonk hem de moed. Angst greep hem aan, pijn, als een vrouw in haar weeŽn.
Jer. 50,44 Zoals een leeuw uit de bossen bij de Jordaan de kudden overvalt, zo jaag Ik hen in een oogwenk uiteen en roof de beste bokken. Want wie is Mij gelijk, wie kan Mij ter verantwoording roepen, welke herder kan tegen Mij op?
Jer. 50,45 Luister daarom naar Jahwe's besluit over Babel, naar zijn plannen met het land van de ChaldeeŽn. Ook de jongste dieren worden weggesleept, zodat zelfs de weiden ontsteld staan.
Jer. 50,46 Toen gemeld werd: Babel is gevallen, beefde de aarde, het gejammer drong door tot alle volken.

Jer. 51,1 Dit zegt Jahwe: Ik laat over Babel en de inwoners van Leb-kamai een vernielende storm opsteken.
Jer. 51,2 Ik zend op Babel mensen af die het land als koren wannen en het leeg achterlaten. Als de onheilsdag aanbreekt, slaan ze het beleg rond de stad.
Jer. 51,3 Tevergeefs spannen zijn schutters hun bogen, tevergeefs worden de wapenen opgenomen. Spaart de soldaten niet, moordt het hele leger uit.
Jer. 51,4 Ze sneuvelen in het land van de ChaldeeŽn, doorstoken liggen zij in de straten.
Jer. 51,5 Maar IsraŽl en Juda worden door hun God, Jahwe van de legerscharen, niet als weduwen achtergelaten ondanks hun schuld tegen de Heilige van IsraŽl.
Jer. 51,6 Ga, red uw leven, vlucht uit Babel anders komt ge om door zijn schuld. Want het moment voor de wraak is gekomen: Jahwe vergeldt Babel zoals het verdient.
Jer. 51,7 Babel was in de hand van Jahwe als een gouden beker waar de hele aarde zich aan bedronk. Alle volken dronken de wijn en verloren er hun verstand bij.
Jer. 51,8 Nu is Babel gevallen, onverwachts is het verwoest: Zingt een klaaglied, neemt balsem mee voor zijn wonden, misschien is het nog te genezen.
Jer. 51,9 Wij hebben Babel verzorgd, maar het was niet meer te genezen. Ga de stad uit, terug naar uw land, want de schuld van Babel reikt tot de hemel, tot hoog in de wolken.
Jer. 51,10 Ons heeft Jahwe verlossing gebracht: Wij zullen in Sion verhalen wat Jahwe onze God heeft gedaan.
Jer. 51,11 Scherpt de pijlen, houdt de schilden gereed. Jahwe heeft de koning van de Meden aangezet om Babel te verwoesten. Dat is de wraak van Jahwe, over de verwoesting van zijn tempel.
Jer. 51,12 Plant de standaard voor de muren van Bel, versterkt de bewaking, zet wachtposten uit, legt troepen in hinder laag. Want Jahwe voert de bedreigingen tegen de inwoners van Babel uit.
Jer. 51,13 Gij woont in een waterrijk land, ge bezit grote rijk dom. Maar nu is het einde gekomen, uw levensdraad wordt afgeknipt.
Jer. 51,14 Jahwe van de legerscharen heeft bij zichzelf gezworen: uw land wordt overstroomd met mensen, talrijk als sprinkhanen; ze heffen de triomfkreet aan.
Jer. 51,15 Hij vormde de aarde door zijn kracht, bracht in zijn wijsheid de wereld tot stand, spande kundig de hemel.
Jer. 51,16 Zijn donder dreunt: het water ruist neer uit de hemel. Wolken haalt hij op van het eind van de aarde. Bij de regen smeedt Hij bliksems, Hij roept de wind uit zijn schuren te voorschijn.
Jer. 51,17 De mensen staan verstomd, ze begrijpen het niet. De goudsmid schaamt zich over zijn beelden, zijn gietsels zijn leugens, ze bezitten geen levenskracht.
Jer. 51,18 Ze betekenen niets, ze zijn bespottelijk maakwerk. Als de tijd van de straf komt, gaan ze ten onder.
Jer. 51,19 De God van Jakob is niet zoals zij: Hij is schepper van het heelal en IsraŽl is zijn eigen bezit. Zijn naam is: Jahwe van de legerscharen.
Jer. 51,20 Mijn hamer zijt gij geweest, mijn oorlogswapen. Met u verbrijzelde Ik volken, met u sloeg Ik koninkrijken neer.
Jer. 51,21 Maar u verbrijzelde Ik paarden en ruiters, wagens en menners,
Jer. 51,22 mannen en vrouwen. grijsaards en kinderen, jongens en meisjes,
Jer. 51,23 herders en kudden, boeren en ossen, bestuurders en regenten.
Jer. 51,24 Maar nu zal ik Babel en de inwoners van Chaldea open lijk straffen voor het kwaad tegen Sion bedreven - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 51,25 Ik kom op u af, berg van bederf die de hele aarde hebt bedorven - godsspraak van Jahwe -. Ik hef mijn hand tegen u op, Ik werp u van de rotsen naar beneden en maak van u een ver schroeide berg.
Jer. 51,26 Men kapt geen hoeksteen of fundament meer uit u, ge zult voor altijd een wildernis zijn - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 51,27 Plant de standaard op aarde, blaas de bazuin bij alle volken. Maak ze klaar voor de strijd, roep tegen Babel de koninkrijken op: Ararat, Minni en Askenaz. Laat de schrijvers nagaan, of niemand ontbreekt; laat de paarden aanrukken als een leger sprinkhanen.
Jer. 51,28 Maak de volken klaar voor de strijd: de koning van de Meden, zijn bestuurders en regenten en heel het land waarover hij heerst.
Jer. 51,29 De aarde siddert en beeft, want Jahwe voert zijn plannen tegen Babel uit: het land wordt tot een schrikbeeld, zonder bewoners.
Jer. 51,30 De soldaten van Babel staken de strijd, zij verschansen zich in ontoegankelijke burchten. Hun kracht begeeft het, ze worden als vrouwen. De huizen staan in brand, de grendels en poorten zijn ingeslagen.
Jer. 51,31 De ene bode komt na de andere, de boodschappers volgen elkaar op, om de koning van Babel te melden: de stad is veroverd,
Jer. 51,32 de doorwaadbare plaatsen zijn bezet, het moerasriet is platgebrand, de soldaten zijn in paniek.
Jer. 51,33 Dit zegt Jahwe van de machten, IsraŽls God: Babel lijkt op een dorsvloer, die moet worden aangestampt: het is tijd voor de oogst.
Jer. 51,34 Koning Nebukadnessar van Babel heeft van mij gegeten, geschranst en de lege schotel laten staan. Hij heeft mij geslokt als een monster, zijn buik met lekkernijen gevuld en mij dan weggegooid.
Jer. 51,35 `Het geweld mij aangedaan, kome over Babel', zegt de bevolking van Sion; `mijn bloed over de inwoners van Chaldea', zegt Jeruzalem.
Jer. 51,36 Daarom zegt Jahwe: Ik neem het voor u op, Ik zal u wreken. Zijn stromen leg Ik droog, zijn bronnen droog Ik uit.
Jer. 51,37 Babel wordt een puinhoop, een plaats waar de jakhalzen huizen, een schrikbeeld, een mikpunt van spot, zonder bewoners.
Jer. 51,38 Ze brullen wel als jonge leeuwen, ze grommen als welpen;
Jer. 51,39 maar als ze hittig zijn, richt Ik een drinkgelag aan; Ik maak hen dronken dat ze lallen. Dan vallen ze voorgoed in slaap, om nooit meer te ontwaken - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 51,40 Als lammeren leid Ik hen naar de slachtbank, als rammen en bokken.
Jer. 51,41 Ach, Sesak is ingenomen, de roem van de aarde veroverd. Ach, Babel is bij de volken tot een schrikbeeld geworden.
Jer. 51,42 De zee heeft Babel bedolven het is overspoeld door de bruisende golven.
Jer. 51,43 Alle steden zijn tot een schrikbeeld geworden, het land is uitgedroogd en dor, een streek waar niemand woont, geen mens trekt er doorheen.
Jer. 51,44 Mijn straf treft Bel, de god van Babel; wat hij opslok te, haal ik uit zijn mond. Er stromen geen volken meer naar hem toe, de muren van Babel zijn geslecht.
Jer. 51,45 Trek hiervandaan, mijn volk, red uw leven van Jahwe's brandende toorn.
Jer. 51,46 Aarzel niet en wees niet bang voor de geruchten in het land. Het ene jaar gaat dit gerucht, het jaar daarop weer een ander: Vol geweld is het land, heerser staat op tegen heerser.
Jer. 51,47 Geloof mij, de tijd komt, dat Ik de afgoden van Babel bestraf; heel het land wordt vernederd, overal liggen de gesneuvelden.
Jer. 51,48 Wanneer de verwoesters aanrukken uit het noorden, juichen hemel en aarde en alles wat ze bevatten over de ondergang van Babel - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 51,49 Babel valt als vergelding voor de doden van IsraŽl, zoals over de hele aarde doden zijn gevallen voor Babel.
Jer. 51,50 Gij die aan het zwaard zijt ontsnapt, loopt door, blijft niet staan. Denkt reeds van verre aan Jahwe, houdt Jeruzalem in uw gedachten.
Jer. 51,51 `Wij waren vernederd, hoe schaamden wij ons, toen wij hoorden dat vreemden binnendrongen in het heiligdom en de tempel van Jahwe onteerden.'
Jer. 51,52 De tijd komt - godsspraak van Jahwe -, dat Ik mij op zijn afgoden wreek en dat de gewonden kermen over het hele land.
Jer. 51,53 Al stijgt Babel op naar de hemel, al verheft het zijn macht nog zo hoog, Ik zend er de verwoesters op af - godsspraak van Jahwe -.
Jer. 51,54 Jammerkreten weerklinken in Babel, en in heel het land van de ChaldeeŽn.
Jer. 51,55 Het is Jahwe die Babel verwoest, en al het lawaai doet verstommen. Hoe hoog de golven zich verheffen, hoe luid zij rumoeren,
Jer. 51,56 over Babel komt de verwoesting. Zijn soldaten worden gevangen genomen, hun bogen worden gebroken, want Jahwe is een God van vergelding die loon geeft naar werken.
Jer. 51,57 Zijn edelen en wijzen, zijn bestuurders en regenten, zijn soldaten voer Ik dronken. Ze vallen voorgoed in slaap, en nooit zullen ze meer ontwaken - godsspraak van de koning, Jahwe van de legerscharen -.
Jer. 51,58 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: De dikke muren van Babel worden geslecht; de hoge poorten gaan op in vlammen. De volken hebben zich voor niets uitgesloofd: Hun inspanning vergaat in het vuur.
Jer. 51,59 Aan de hofmaarschalk Seraja, zoon van Neria, zoon van Machseja, die met koning Sidkia van Juda, in diens vierde regeringsjaar, naar Babel ging gaf Jeremia de volgende opdracht mee.
Jer. 51,60 Nadat hij al de rampen die over Babel zouden komen, alles wat hier over Babel geschreven staat, had opgetekend,
Jer. 51,61 zei hij tot Seraja: `Wanneer u in Babel komt, moet u dit alles voorlezen.
Jer. 51,62 U moet zeggen: Jahwe, Gij hebt aangekondigd dat Ge deze stad zult verwoesten, zodat er niemand meer woont, mens noch dier, en dat ze voor altijd een wildernis wordt.
Jer. 51,63 Als u alles hebt voorgelezen, bind dan deze profetie vast aan een steen, gooi die in de Eufraat
Jer. 51,64 en zeg: Zo zal Babel zinken, het komt de rampen die Ik over de stad breng, nooit meer te boven.' Tot zover de woorden van Jeremia.

Jer. 52,1 Sidkia was eenentwintig jaar toen hij koning werd en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Chamutal en was een dochter van Jirmeja uit Libna.
Jer. 52,2 Hij deed wat Jahwe mishaagt, juist zoals Jojakim gedaan had.
Jer. 52,3 Want Jahwe was zo vertoornd op Jeruzalem en Juda, dat Hij besloot ze te verstoten. Zo kwam Sidkia in opstand tegen de koning van Babel.
Jer. 52,4 In het negende jaar van diens regering, op de tiende dag van de tiende maand, trok koning Nebukadnessar van Babel met heel zijn leger op tegen Jeruzalem. Ze sloegen het beleg rond de stad en wierpen er een wal tegen op.
Jer. 52,5 De belegering duurde tot het elfde regeringsjaar van Sidkia.
Jer. 52,6 Op de negende dag van de vierde maand, toen de hongersnood in de stad al zo nijpend was geworden dat er voor de bevolking geen brood meer was,
Jer. 52,7 werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Ofschoon de ChaldeeŽn rondom de stad lagen, wisten de soldaten te vluchten; in de nacht verlieten ze de stad door de poort tussen de beide muren bij de koninklijke tuin en trokken in de richting van de Araba.
Jer. 52,8 Maar het leger van de ChaldeeŽn zette koning Sidkia achterna en haalde hem in op de vlakte van Jericho, nadat zijn hele leger uiteengevallen was.
Jer. 52,9 Ze namen hem gevangen en brachten hem naar de koning van Babel in Ribla, in het gebied van Chamat. Deze sprak het vonnis over hem uit.
Jer. 52,10 De koning van Babel liet de zonen van Sidkia voor zijn ogen afslachten. Ook de edelen van Juda liet hij in Ribla uit moorden.
Jer. 52,11 Sidkia zelf liet hij de ogen uitsteken, in boeien slaan en naar Babel voeren, waar hij hem tot zijn dood in de gevangenis liet zetten.
Jer. 52,12 De tiende dag van de vijfde maand, in het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babel, trok Nebuzaradan, commandant van de lijfwacht en adjudant van de koning van Babel, Jeruzalem binnen.
Jer. 52,13 Hij stak de tempel van Jahwe, het koninklijk paleis en alle huizen van Jeruzalem in brand; alle grote gebouwen liet hij in vlammen opgaan.
Jer. 52,14 Het leger onder bevel van de commandant van de lijf wacht sloopte de muren van Jeruzalem.
Jer. 52,15 Behalve de armen werden alle mensen die nog in de stad waren gebleven, degenen die naar de koning van Babel waren overgelopen en de achtergebleven vaklui, door Nebuzaradan in ballingschap weggevoerd.
Jer. 52,16 Alleen de armen van het land liet de commandant van de lijfwacht achter om te zorgen voor de wijngaarden en akkers.
Jer. 52,17 De bronzen zuilen van de tempel, de onderstellen en de bronzen Zee in de tempel, sloegen de ChaldeeŽn stuk en het brons brachten ze over naar Babel.
Jer. 52,18 Ook de potten, scheppen, messen, offerschalen, schotels en alle andere bronzen voorwerpen die voor de eredienst werden gebruikt, namen ze mee.
Jer. 52,19 Al het goud en zilver, offerschalen, potten, kandelaars, schotels en kommen, nam de commandant van de lijfwacht zelf mee.
Jer. 52,20 Het brons van al die voorwerpen, van de beide zuilen, van de Zee met de twaalf ossen eronder en van de onderstellen die koning Salomo voor de tempel had laten maken, was niet te wegen.
Jer. 52,21 Beide zuilen waren achttien el hoog, de omtrek bedroeg twaalf el, ze waren vier duim dik, van binnen waren ze hol.
Jer. 52,22 Er bovenop rustte een bronzen kapiteel, vijf el hoog, en rond het kapiteel was een vlechtwerk aangebracht met granaat appels, alles van brons. Ook de tweede zuil was met granaatappels bewerkt.
Jer. 52,23 Zesennegentig granaatappels hingen vrij; in totaal zaten er honderd in het vlechtwerk.
Jer. 52,24 De commandant van de lijfwacht nam de hogepriester Seraja, diens plaatsvervanger Sefanja en de drie dorpelwachters gevangen.
Jer. 52,25 Bovendien nam hij in de stad een kamerheer gevangen die het bevel voerde over een legerafdeling, vijf ambtenaren van het hof die zich nog in de stad bevonden, de schrijver van de opper bevelhebber die het volk van het land onder de wapenen riep, en zestig man uit het volk van het land die zich nog in de stad bevonden.
Jer. 52,26 Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, nam ze gevangen en voerde ze naar de koning van Babel in Ribla.
Jer. 52,27 Deze liet hem in Ribla, in de streek van Chamat, ter dood brengen. Zo werd Juda uit zijn land in ballingschap gevoerd.
Jer. 52,28 In het zevende jaar werden door Nebukadnessar drieduizend drieŽntwintig JudeeŽrs in ballingschap weggevoerd;
Jer. 52,29 in het achttiende jaar achthonderd tweeŽndertig mensen uit Jeruzalem;
Jer. 52,30 in het drieŽntwintigste jaar voerde Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, zevenhonderd vijf en veertig JudeeŽrs in ballingschap weg; in totaal dus vierduizend zeshonderd mensen.
Jer. 52,31 In het zevenendertigste jaar van de ballingschap van koning Jojakin van Juda, op de vijfentwintigste van de twaalfde maand, verleende koning Ewil-merodak van Babel, in het jaar van zijn troonsbestijging, gratie aan koning Jojakin van Juda. Hij ontsloeg hem uit de gevangenis,
Jer. 52,32 verzekerde hem van zijn welwillendheid en gaf hem een ereplaats onder de koningen die met hem in Babel waren.
Jer. 52,33 Hij mocht zijn gevangeniskleding afleggen en at voortaan aan de koninklijke tafel, zijn leven lang.
Jer. 52,34 In opdracht van de koning van Babel werd dagelijks in zijn onderhoud voorzien heel zijn leven, tot aan zijn dood.

<< Jesaja Index Oude Testament Klaagliederen >>