Start
Omhoog

Jezus Sirach

 

<< Wijsheid Index Oude Testament Jesaja >>

 

Jezus Sirach of Ecclesiasticus

Sir. 1,1 Alle wijsheid komt van de Heer en is bij Hem tot in eeuwigheid.
Sir. 1,2 Het zand van de zeeŽn, de druppels van de regen en de dagen van de tijd: wie kan ze tellen?
Sir. 1,3 De hoogte van de hemel, de breedte van de aarde en de diepte van de zee: wie kan ze achterhalen?
Sir. 1,4 Voor alle andere dingen is de wijsheid geschapen en het denkend verstand is van eeuwigheid.
Sir. 1,5 De bron van de wijsheid, dat is het woord van God in den hoge, en haar wegen zijn eeuwige regels.
Sir. 1,6 Voor wie werd de wortel van de wijsheid blootgelegd en wie kent haar diepzinnig beleid?
Sir. 1,7 Aan wie is de kennis van de wijsheid meegedeeld en wie heeft haar rijke weten bevat?
Sir. 1,8 Een alleen is wijs en zeer te vrezen: Hij die zit op zijn troon,
Sir. 1,9 de Heer. Hij is degene die de wijsheid heeft geschapen, die haar heeft bezien en uitgemeten en haar heeft uitgestort over al zijn werken;
Sir. 1,10 in al wat leeft is zij aanwezig, zoals Hij haar geeft. Hij deelt haar toe aan wie Hem liefhebben.
Sir. 1,11 De vrees voor de Heer is eer en roem, zij is vreugde en een feestelijke krans.
Sir. 1,12 De vrees voor de Heer verkwikt het hart, zij geeft vreugde en blijdschap en lengte van dagen.
Sir. 1,13 Degene die de Heer vreest, hem zal het goed gaan, als het einde komt; op de dag van zijn dood wordt hij gelukkig geprezen.
Sir. 1,14 De Heer vrezen is het begin van de wijsheid. Zij is met de vromen, in de moederschoot met hen mee-geschapen.
Sir. 1,15 Zij heeft zich onder de mensen een woning gebouwd, voor eeuwig gegrondvest, en in hun geslacht zal zij haar vertrouwen stellen.
Sir. 1,16 De Heer vrezen is de voltooiing van de wijsheid en zij verzadigt de mensen met haar vruchten.
Sir. 1,17 Hun hele huis vult zij met kostelijkheden en hun voor raadkamers met wat zij voortbrengt.
Sir. 1,18 De vrees voor de Heer is de bekroning van de wijsheid: zij doet vrede opbloeien en gave gezondheid.
Sir. 1,19 Hij heeft haar gezien en uitgeteld; weten en inzicht heeft Hij neer doen regenen en Hij heeft de roem verhoogd van hen die haar verkregen hebben.
Sir. 1,20 De Heer vrezen is de wortel van de wijsheid en haar takken zijn lange levensdagen.
Sir. 1,21 De vrees voor de Heer drijft de zonden uit; waar zij bestendig is wendt zij alle toorn af.
Sir. 1,22 Wie ten onrechte woedend wordt is niet te rechtvaardigen; de heftigheid van zijn woede wordt zijn val.
Sir. 1,23 De geduldige mens draagt zijn leed tot het ogenblik is gekomen, waarop de vreugde voor hem opbloeit.
Sir. 1,24 Hij houdt zijn woorden in tot het ogenblik is gekomen, waarop de lippen van velen zullen gewagen van zijn inzicht.
Sir. 1,25 In de kluizen van de wijsheid liggen spreuken vol weten, maar voor de zondaar is godvrezendheid een gruwel.
Sir. 1,26 Als gij naar wijsheid verlangt, neem dan de geboden in acht, en de Heer zal u de wijsheid schenken.
Sir. 1,27 Want de vrees voor de Heer bestaat in wijsheid en tucht en de welgevalligheid aan Hem ligt in trouw en zachtmoedigheid.
Sir. 1,28 Verzet u niet tegen de vrees voor de Heer en nader haar niet in dubbelhartigheid.
Sir. 1,29 Huichel niet tegenover de mensen en let goed op uw woorden.
Sir. 1,30 Verhef u niet: anders valt gij en brengt gij schande over uzelf. Dan zal de Heer uw verborgen daden onthullen en u neerwerpen in het midden van de gemeente, omdat gij niet genaderd zijt tot de vrees voor de Heer en omdat uw hart vol bedrog was.

Sir. 2,1 Mijn zoon, wanneer gij de Heer gaat dienen, bereid u dan voor op beproevingen
Sir. 2,2 Laat uw hart de juiste weg inslaan en laat het sterk zijn, en wind u niet op als de tegenspoed komt.
Sir. 2,3 Houd u aan Hem vast en laat Hem niet los: dan zult gij uiteindelijk verheven worden.
Sir. 2,4 Alles wat u overkomt moet ge aanvaarden; gij moet geduldig zijn in de wederwaardigheden die u vernederen.
Sir. 2,5 Want goud wordt in het vuur beproefd en de aan God welgevallige mens in de oven van de vernedering.
Sir. 2,6 Vertrouw op Hem en Hij zal u helpen; bewandel rechte wegen en stel uw hoop op Hem.
Sir. 2,7 Gij die de Heer vreest, verwacht zijn erbarming en wijkt niet af van de weg: gij zoudt kunnen vallen.
Sir. 2,8 Gij die de Heer vreest, vertrouwt op Hem en uw loon blijft zeker niet uit.
Sir. 2,9 Gij die de Heer vreest, hoopt op het goede, op eeuwige blijdschap en erbarming.
Sir. 2,10 Richt uw ogen op de geslachten van vroeger en ziet: Is er iemand geweest die op de Heer vertrouwde en beschaamd werd? Heeft er iemand in de vrees voor Hem volhard die in de steek werd gelaten? Heeft iemand Hem aangeroepen zonder verhoord te worden?
Sir. 2,11 Want de Heer is barmhartig en genadig. Hij vergeeft de zonden en redt op het ogenblik van de verdrukking.
Sir. 2,12 Wee de laffe harten en de krachteloze handen en de zondaar die twee wegen bewandelt!
Sir. 2,13 Wee het krachteloze hart: omdat het geen vertrouwen heeft, daarom wordt het niet beschermd.
Sir. 2,14 Wee u, die de volharding hebt verloren! Wat zult gij doen, wanneer de Heer verantwoording komt eisen?
Sir. 2,15 Wie de Heer vrezen zijn niet ongehoorzaam aan zijn woorden. Wie Hem liefhebben nemen zijn wegen in acht.
Sir. 2,16 Wie de Heer vrezen zoeken zijn welbehagen; wie Hem liefhebben zijn vol van de wet.
Sir. 2,17 Wie de Heer vrezen houden hun hart bereid en vernederen zich voor Hem.
Sir. 2,18 Laat ons maar in de handen van de Heer vallen en niet in de handen van de mensen, want zoals zijn grootheid is, zo is ook zijn erbarming.

Sir. 3,1 Luistert, zonen, naar het oordeel van uw vader en handelt ernaar: dan wordt gij gered.
Sir. 3,2 Want de Heer heeft aan de vader aanzien gegeven bij zijn kinderen, en Hij heeft het oordeel van de moeder bindend gemaakt voor haar zonen.
Sir. 3,3 Wie zijn vader hoogacht krijgt vergeving van zijn zonden
Sir. 3,4 en wie zijn moeder eer bewijst is als iemand die schatten verzamelt.
Sir. 3,5 Wie zijn vader hoogacht zal vreugde aan zijn kinderen beleven en als hij bidt, wordt hij verhoord.
Sir. 3,6 Wie zijn vader eer bewijst, zal lang leven. en wie luistert naar de Heer zal zijn moeder aanzien geven.
Sir. 3,7 Wie de Heer vreest zal zijn vader eren en hij zal zijn ouders als zijn meesters dienen.
Sir. 3,8 Eer uw vader met woord en daad: dan zal zijn zegen over u komen.
Sir. 3,9 Want de zegen van de vader stut de huizen van de kinderen, maar de vloek van de moeder ontwortelt de fundamenten.
Sir. 3,10 Zoek uw eer niet in de smaad van uw vader want de smaad van uw vader strekt u niet tot eer.
Sir. 3,11 Want de eer van een mens komt voort uit de achting die zijn vader geniet en een geschandvlekte moeder is een blaam voor de kinderen.
Sir. 3,12 Zoon, verzorg uw vader als hij oud is, en doe hem geen verdriet, zolang hij leeft.
Sir. 3,13 Ook al is zijn verstand verzwakt, gij moet het hem niet kwalijk nemen, en hem niet verachten, gij die nog al uw kracht hebt.
Sir. 3,14 Want een weldaad, aan uw vader bewezen, wordt niet vergeten: wat de zonden afbreken, bouwt zij weer voor u op.
Sir. 3,15 Op de dag van het leed wordt aan u gedacht: zoals wanneer de zon op het ijs schijnt, zo smelten dan uw zonden weg:
Sir. 3,16 Hij die zijn vader in de steek laat staat gelijk met een godslasteraar en wie zijn moeder treitert is door de Heer ver vloekt.
Sir. 3,17 Wat gij doet, mijn zoon, doe dat met zachtheid en gij zult meer bemind worden dan iemand die geschenken geeft.
Sir. 3,18 Hoe hoger gij staat, des te kleiner moet gij u maken, en gij zult genade vinden bij de Heer.
Sir. 3,19 Velen zijn wel hoogverheven en vermaard, maar aan de zachtmoedigen openbaart Hij zijn geheimen.
Sir. 3,20 Want groot is de barmhartigheid van de Heer en aan de nederigen toont Hij zijn geheimen.
Sir. 3,21 Zoek niet wat te moeilijk voor u is en vors niet na wat uw krachten te boven gaat.
Sir. 3,22 Geef uw aandacht aan de dingen die u zijn opgedragen, want wat verborgen is brengt geen baat.
Sir. 3,23 Tob u niet af met dingen die niet tot uw taak behoren, want er is u toch al meer getoond dan mensen kunnen bevatten.
Sir. 3,24 Want zelfoverschatting heeft velen op een dwaalspoor gebracht en ongezonde inbeelding heeft hun gedachten ontwricht.
Sir. 3,25
Sir. 3,26 Een verstokt hart zal het uiteindelijk slecht vergaan, en wie het gevaar bemint, komt erin om.
Sir. 3,27 Een verstokt hart zal het zwaar te verduren krijgen en de zondaar stapelt zonde op zonde.
Sir. 3,28 Voor de kwaal van de hoogmoedige bestaat geen genezing, want de plant van de boosheid heeft wortel in hem geschoten.
Sir. 3,29 Het hart van de verstandige mens overdenkt de spreuken; wat de wijze zich wenst is een oor dat luistert.
Sir. 3,30 Een laaiend vuur wordt door water geblust en weldadigheid verzoent de zonden.
Sir. 3,31 Wie weldaden vergeldt denkt aan de toekomst; op het ogenblik dat hij gaat vallen zal hij een steun vinden.

Sir. 4,1 Mijn zoon, ontneem de behoeftige niet wat hij nodig heeft om te leven, en laat de hunkerende ogen niet wachten.
Sir. 4,2 Doe de hongerige geen pijn en verbitter geen mens die in nood is.
Sir. 4,3 Maak een verbitterd hart niet radeloos en laat de vrager niet op de gave wachten.
Sir. 4,4 Wees niet weigerachtig tegen een smekeling in nood en wend uw gezicht niet af van de bedelaar.
Sir. 4,5 Wend uw oog niet af van degene die vraagt en geef niemand reden om u te vervloeken.
Sir. 4,6 Want als hij u vervloekt in de bitterheid van zijn gemoed, zal zijn Maker zijn bede verhoren.
Sir. 4,7 Maak u bemind in de gemeente en buig uw hoofd voor de hooggeplaatste.
Sir. 4,8 Neig uw oor naar de bedelaar en sta hem vriendelijk en zachtmoedig te woord.
Sir. 4,9 Bevrijd de verdrukte uit de handen van de verdrukker en wees niet kleinmoedig, als gij recht spreekt.
Sir. 4,10 Wees als een vader voor de wezen en neem bij hun moeder de plaats van haar man in: dan zult gij zijn als een zoon van de Allerhoogste en door Hem bemind worden meer dan door uw moeder.
Sir. 4,11 De wijsheid brengt haar zonen groot en zij zorgt voor degenen die haar zoeken.
Sir. 4,12 Wie haar liefheeft heeft het leven lief en wie haar in de vroegte worden met vreugde vervuld.
Sir. 4,13 Degene die haar bemachtigt zal roem als erfdeel krijgen, en waar zij binnenkomt, daar geeft de Heer zijn zegen.
Sir. 4,14 Degenen die haar huldigen dienen de Heilige en degenen die haar beminnen worden door de Heer bemind.
Sir. 4,15 Wie naar haar luistert zal recht spreken over de volken en wie haar is toegedaan zal zich veilig in zijn woning.
Sir. 4,16 Als hij op haar vertrouwt, krijgt hij haar als erfdeel en zullen zijn nakomelingen haar blijvend bezitten.
Sir. 4,17 In het begin bewandelt zij kronkelwegen met hem; zij jaagt hem vrees en angst aan; zij toetst hem met haar tucht, totdat zij zijn gezindheid vertrouwt, en zij beproeft hem met haar bevelen.
Sir. 4,18 Daarna wendt zij zich rechtstreeks tot hem en verblijdt zij hem en openbaart zij hem haar geheimen.
Sir. 4,19 Als hij afdwaalt, laat zij hem los en levert hem over aan zijn ondergang.
Sir. 4,20 Beid uw tijd en wacht u voor het kwade en zorg, dat gij over uzelf niet beschaamd hoeft te zijn.
Sir. 4,21 Want er is een schaamte die tot zonde leidt, en er is een schaamte die een luisterrijk sieraad is.
Sir. 4,22 Wees niet overmoedig tot uw eigen schade en breng niet uw eigen val teweeg.
Sir. 4,23 Laat een woord niet ongesproken, wanneer het ogenblik erom vraagt en verberg uw wijsheid niet.
Sir. 4,24 Want iemands wijsheid maakt zich kenbaar door het woord, en in het spreken van zijn tong komt aan de dag wat hij heeft geleerd.
Sir. 4,25 Verzet u niet tegen de waarheid en wees u bewust van uw onwetendheid.
Sir. 4,26 Schaam u niet uw zonden te bekennen; probeer een stro mende rivier niet tegen te houden.
Sir. 4,27 Wees niet inschikkelijk tegenover een dwaas en zie een machthebber niet naar de ogen.
Sir. 4,28 Tot de dood toe moet ge voor de waarheid vechten: dan zal God de Heer voor u strijden.
Sir. 4,29 Wees niet driest met uw tong en tegelijk lui en traag in uw daden.
Sir. 4,30 Wees niet in uw huis een soort leeuw en wees geen ingebeelde zot tegenover uw slaven.
Sir. 4,31 Laat uw hand niet geopend zijn om te krijgen en dichtgeknepen als ze moet geven.

Sir. 5,1 Verlaat u niet op uw bezittingen en zeg niet: `Ik kan mij er wel mee redden.'
Sir. 5,2 Laat u niet meeslepen door uw eigen zin en uw kracht om te wandelen naar de begeerten van uw hart.
Sir. 5,3 Zeg niet: `Wie zal mij commanderen?' Weet wel: de Heer bestraft dat zwaar.
Sir. 5,4 Zeg niet: `Ik heb gezondigd, en is mij nu iets overkomen?' Weet wel: de Heer is lankmoedig.
Sir. 5,5 Over de verzoening moet gij niet zo luchthartig zijn, dat gij zonde op zonde gaat stapelen.
Sir. 5,6 Gij moet ook niet zeggen: `Zijn barmhartigheid is groot; Hij zal mijn vele zonden wel vergeven.' Let wel: er is bij Hem zowel barmhartigheid als toorn, en op de zondaars ligt zijn gramschap.
Sir. 5,7 Blijf niet wachten met uw terugkeer tot de Heer en stel die niet uit, van dag tot dag, want de toorn van de Heer komt plotseling los en in het uur van de bestraffing gaat gij te gronde.
Sir. 5,8 Verlaat u niet op oneerlijk verkregen bezit, want het baat u niets op de dag van de rampspoed.
Sir. 5,9 Gij moet niet wannen bij iedere wind en niet op ieder pad lopen. Dat doet de zondaar, de man met twee tongen.
Sir. 5,10 Sta vast in uw overtuiging en blijf bij uw woord.
Sir. 5,11 Wees er vlug bij om te luisteren en bedenk u lang voordat gij antwoord geeft.
Sir. 5,12 Antwoord uw naaste, als gij iets weet; zo niet, leg uw hand op uw mond.
Sir. 5,13 Van spreken komt zowel eer als schande en de tong brengt de mens ten val.
Sir. 5,14 Zorg dat ge niet een roddelaar genoemd wordt en leg geen lagen met uw tong, want schande treft de valsaard en een vernietigend vonnis wacht de man die met twee tongen spreekt.
Sir. 5,15 Bega geen misstap, groot noch klein,

Sir. 6,1 en word van vriend niet tot vijand, want het erfdeel van een slechte naam is schande en smaad: die komen over de zondaar, de man met twee tongen.
Sir. 6,2 Laat u niet overheersen door uw hartstocht: want hij wordt als een stier die uw kracht afgraast,
Sir. 6,3 uw loof wegvreet, en u achterlaat als een dorre boom.
Sir. 6,4 Kwade hartstocht wordt de ondergang van wie ermee behept is en levert hem over aan het leedvermaak van zijn vijanden.
Sir. 6,5 Minzame taal maakt overal vrienden en een hoffelijke tong krijgt overal welwillend antwoord.
Sir. 6,6 Laat velen met u in vrede leven, maar laat slechts een op de duizend uw raadsman zijn.
Sir. 6,7 Wilt gij iemand tot uw vriend maken, doe dat pas na hem beproefd te hebben en vertrouw hem niet te haastig.
Sir. 6,8 Menigeen is uw vriend, zolang het hem goed uitkomt, maar hij blijft niet trouw op de dag van de rampspoed.
Sir. 6,9 Menigeen is uw vriend, maar wordt uw vijand en brengt tot uw schande de ruzie op straat.
Sir. 6,10 Menigeen is uw vriend en zit met u aan tafel, maar hij blijft niet trouw op de dag van de rampspoed.
Sir. 6,11 In voorspoed staat hij aan uw kant en gaat hij gemeenzaam met uw bedienden om.
Sir. 6,12 Maar gaat het u slecht, dan keert hij zich tegen u en laat hij zich niet meer bij u zien.
Sir. 6,13 Houd u ver van uw vijanden en wees op uw hoede voor uw vrienden.
Sir. 6,14 Een trouwe vriend is een machtige schutsmuur; wie hem vindt, heeft een schat gevonden.
Sir. 6,15 Een trouwe vriend is niet te betalen; het is een heerlijkheid waar niets tegen opweegt.
Sir. 6,16 Een trouwe vriend is een levenskruid; wie de Heer vrezen zullen er een vinden.
Sir. 6,17 Wie de Heer vreest houdt zijn vriendschap ongekreukt, want zoals hij zelf is, is ook zijn naaste.
Sir. 6,18 Mijn zoon, aanvaard al van jongs af aan de tucht van wie u opvoeden; dan zult gij nog met grijze haren wijsheid vinden.
Sir. 6,19 Als iemand die ploegt en die zaait, zo moet gij de wijsheid benaderen, en gij moet weten te wachten op haar goede vruchten; want het werken aan haar kost u maar even moeite en al spoedig zult gij van haar vruchten eten.
Sir. 6,20 Hoe hard is de wijsheid voor wie niets geleerd hebben; de onverstandige houdt het bij haar niet uit:
Sir. 6,21 als een steen die hem zwaar op de proef stelt, zo drukt zij op hem en het duurt niet lang of hij werpt haar van zich af.
Sir. 6,22 Want de wijsheid is wat haar naam zegt; zij is maar voor weinigen weggelegd.
Sir. 6,23 Luister, mijn zoon, aanvaard mijn inzicht en wijs mijn raad niet af.
Sir. 6,24 Steek uw voeten in haar kluisters en uw nek in haar keten.
Sir. 6,25 Zet uw schouders eronder en neem haar op en laat haar banden u niet te zwaar wegen.
Sir. 6,26 Ga met heel uw ziel op haar af en volg haar wegen met al uw kracht.
Sir. 6,27 Spoor haar op en zoek haar: dan zult gij haar ontdekken; en als gij haar gegrepen hebt, laat haar dan niet meer los.
Sir. 6,28 Tenslotte zult gij rust bij haar vinden en zal zij voor u tot vreugde worden.
Sir. 6,29 Dan worden voor u haar kluisters een machtige bescherming en haar ketens een luisterrijk tooisel.
Sir. 6,30 Met goud is zij dan versierd en haar banden zijn purperen snoeren.
Sir. 6,31 Als een luisterrijk tooisel, zo doet gij haar aan, en als een vreugdekrans, zo zet gij haar op uw hoofd.
Sir. 6,32 Als gij maar wilt, mijn zoon, zult gij leren en als gij u geeft met hart en ziel, zult gij een verstandig man worden.
Sir. 6,33 Als zij graag luistert, krijgt ge iets te horen en als gij uw oor neigt, wordt ge wijs.
Sir. 6,34 Zoek het gezelschap van de ouderen en luister trouw naar hun wijsheid.
Sir. 6,35 Luister vooral naar ieder godsdienstig betoog en laat u geen wijze spreuken ontgaan.
Sir. 6,36 Als gij een verstandig mens vindt, ga hem dan al vroeg in de morgen bezoeken en laat uw voet de drempels van zijn deuren uitslijten.
Sir. 6,37 Blijf met uw gedachten bij de voorschriften van de Heer en overweeg voortdurend zijn geboden: dan zal Hij uw hart sterken en wordt u de wijsheid gegeven waarnaar gij verlangt.

Sir. 7,1 Doe geen kwaad: dan zal u geen kwaad overkomen.
Sir. 7,2 Houd u ver van het onrecht: dan zal het u uit de weg gaan.
Sir. 7,3 Zaai niet in de voren van de ongerechtigheid: dan hoeft gij van dat zaad geen zevenvoudige oogst te vrezen.
Sir. 7,4 Tracht van de Heer geen macht te krijgen en vraag van de koning geen erezetel.
Sir. 7,5 Geef u ten overstaan van de Heer niet de schijn van rechtvaardigheid en doe bij de koning niet alsof gij de wijsheid in pacht hebt.
Sir. 7,6 Streef er niet naar om rechter te worden: gij mocht eens onmachtig zijn de ongerechtigheid weg te nemen of bang worden tegenover een machthebber en uw onkreukbaarheid in gevaar brengen.
Sir. 7,7 Maak u niet schuldig tegenover het volk in de stad en verlaag u niet ter wille van de massa.
Sir. 7,8 Verstrik u niet tweemaal in een zonde, want zelfs voor eenmaal blijft gij niet ongestraft.
Sir. 7,9 Zeg niet: `Hij ziet wel naar mijn vele gaven en als ik God, de Allerhoogste, iets aanbied, dan neemt Hij het wel.'
Sir. 7,10 Wees niet karig met uw gebed en verzuim niet aalmoezen te geven.
Sir. 7,11 Kijk niet lachend neer op een man die bitter bedroefd is, want het is dezelfde die vernedert en verhoogt.
Sir. 7,12 Strooi geen leugens rond over uw broeder en evenmin over uw vriend.
Sir. 7,13 Pas ervoor op, leugen na leugen te vertellen, want voortdurend liegen brengt geen baat.
Sir. 7,14 Zwets niet in de vergadering van de ouderen en verval niet in herhalingen, als gij bidt.
Sir. 7,15 Wees niet afkerig van zwaar werk en van de landarbeid, die door de Allerhoogste is ingesteld.
Sir. 7,16 Zorg dat ge niet gerekend wordt bij de menigte van de zondaars: denk eraan dat de toorn niet uit zal blijven.
Sir. 7,17 Verootmoedig u diep, want het vuur en de worm is de straf van de goddeloze.
Sir. 7,18 Verkoop geen vriend voor geld en geen trouwe broeder voor het goud van Ofir.
Sir. 7,19 Laat een wijze, goede vrouw niet in de steek, want zij is aantrekkelijker dan goud.
Sir. 7,20 Doe een slaaf, die eerlijk zijn werk verricht, geen kwaad, en evenmin een dagloner, die zich ten volle geeft.
Sir. 7,21 Wees een verstandige slaaf van harte genegen en weiger hem de vrijheid niet.
Sir. 7,22 Hebt gij vee? Zie er dan naar om! En als het u van nut is, zorg dan dat gij het houdt.
Sir. 7,23 Hebt gij zonen? Voed hen op en buig hun nek van jongs af aan.
Sir. 7,24 Hebt gij dochters? Waak over haar, en kijk ze niet al te vriendelijk aan.
Sir. 7,25 Huw uw dochters uit - dan hebt gij iets moois verricht en geef haar aan een verstandige man.
Sir. 7,26 Hebt gij een vrouw naar uw hart? Verstoot haar niet, en als een vrouw u niet aanstaat, vertrouw u dan niet aan haar toe.
Sir. 7,27 Eer uw vader met heel uw hart en vergeet de barensweeŽn van uw moeder niet.
Sir. 7,28 Bedenk dat gij uw leven aan hen te danken hebt! En wat kunt gij hun teruggeven voor wat zij u gegeven hebben?
Sir. 7,29 Vrees de Heer met heel uw hart en hebt ontzag voor zijn priesters.
Sir. 7,30 Heb uw Maker lief met heel uw kracht en laat zijn dienaren niet in de steek.
Sir. 7,31 Vrees de Heer en eer de priester en geef hem zijn deel, zoals u bevolen is: de eerstelingen, het schuldoffer, de schouderstukken, het heiligingsoffer en de eerstelingen van heilige bijdragen.
Sir. 7,32 Strek uw hand uit naar de bedelaar: dan zal uw zegen volkomen zijn.
Sir. 7,33 Begunstig met uw gave eenieder die leeft en onthoud ook de dode uw gunst niet.
Sir. 7,34 Onttrek u niet aan hen die schreien en treur met de treurenden.
Sir. 7,35 Wees niet onwillig om een zieke te bezoeken, want door zulke daden maakt gij u geliefd.
Sir. 7,36 Denk bij al uw woorden aan uw levenseinde en gij zult uw leven lang niet zondigen.

Sir. 8,1 Weerstreef geen machtig man: gij zoudt ooit in zijn handen kunnen vallen.
Sir. 8,2 Maak geen ruzie met een rijk man, want hij zou u zijn overwicht laten voelen. Velen immers zijn aan het goud te gronde gegaan en harten van koningen zijn erdoor misleid.
Sir. 8,3 Twist niet met een kletskous: gij moet op zijn vuur geen houtblokken stapelen.
Sir. 8,4 Maak geen grappen met een onopgevoed mens, want het zou oneer brengen over uw voorouders.
Sir. 8,5 Smaad geen mens die zich van de zonde afwendt: bedenk dat wij allen straf verdienen.
Sir. 8,6 Tast geen oude man in zijn eer aan, want wij worden misschien ook wel oud.
Sir. 8,7 Verheug u niet over iemands dood: bedenk dat wij allemaal sterven.
Sir. 8,8 Sla de betogen der wijzen niet in de wind en blijf hun spreuken overdenken, want bij hen zult gij inzicht opdoen en de hooggeplaatsten leren dienen.
Sir. 8,9 Versmaad de betogen der grijsaards niet, want ook zij hebben van hun vaders geleerd: van hen zult gij begrip leren en op het juiste moment leren antwoorden.
Sir. 8,10 Wakker de vuurgloed van de zondaar niet aan: gij zoudt uzelf aan zijn vlammen branden.
Sir. 8,11 Laat u door een brutale spotter niet van de wijs brengen: gij zoudt hem de kans geven u onverhoeds in uw woorden te vangen.
Sir. 8,12 Leen geen geld uit aan iemand die sterker is dan gij: als gij het doet, beschouw het geld dan maar als verloren.
Sir. 8,13 Sta niet borg boven uw vermogen: als gij zo borg staat, reken er dan maar op dat gij moet betalen.
Sir. 8,14 Procedeer niet met een rechter, want zijn aanzien bepaalt het vonnis.
Sir. 8,15 Ga niet op weg met een waaghals: hij zou u in zware ellende brengen, want hij volgt toch zijn eigen zin en gij gaat door zijn onverstand mee te gronde.
Sir. 8,16 Ga niet vechten met een driftkop en trek niet met hem de woestijn door, want bloedvergieten is voor hem maar een kleinigheid en zodra gij geen hulp hebt, slaat hij u neer.
Sir. 8,17 Pleeg geen overleg met een dwaas want hij kan geen woord voor zich houden.
Sir. 8,18 Doe in het bijzijn van een vreemde niets dat geheim moet blijven, want gij weet niet wat ervan uitlekt.
Sir. 8,19 Leg uw hart niet open voor iedereen en probeer niet u daarmee geliefd te maken.

Sir. 9,1 Wees niet jaloers op de vrouw van uw hart en leer haar geen kwaad: het treft uzelf.
Sir. 9,2 Geef uw hart niet zo aan een vrouw, dat zij u op de kop gaat zitten.
Sir. 9,3 Kom niet in de buurt van een lichte vrouw: gij zoudt in haar netten verstrikt kunnen raken.
Sir. 9,4 Geef u niet af met een zangeres: gij zoudt voor haar verleidingen kunnen bezwijken.
Sir. 9,5 Geef niet te veel aandacht aan een jong meisje: de prijs voor haar zou u kunnen ruineren.
Sir. 9,6 Verslinger u niet aan publieke vrouwen: gij zoudt er uw erfdeel aan verspelen.
Sir. 9,7 Kijk niet rond in de straten van de stad en dwaal er niet door de stille buurten.
Sir. 9,8 Wend uw oog af van een mooie vrouw en geef niet te veel aandacht aan schoonheid die een ander toebehoort; door de schoonheid van een vrouw zijn velen op de verkeerde weg geraakt, want daardoor vat de liefde vlam, als een vuur.
Sir. 9,9 Ga nooit bij een getrouwde vrouw zitten en wees niet haar tafelgenoot bij een drinkgelag: gij zoudt uw hart aan haar kunnen verliezen en bebloed de dood intuimelen.
Sir. 9,10 Laat een oude vriend niet in de steek, want een nieuwe evenaart hem niet, een nieuwe vriend is nieuwe wijn: pas als hij belegen is, drinkt gij hem met genoegen.
Sir. 9,11 Benijd een zondaar zijn succes niet; want gij weet niet hoe zijn einde zal zijn.
Sir. 9,12 Overschat de welvaart van de goddeloze niet; denk eraan: zij worden niet gerechtvaardigd, tot aan de dood toe niet.
Sir. 9,13 Blijf uit de buurt van een man, die bij machte is te doden; dan zult gij zelfs niet vermoeden wat vrees voor de dood is. Komt gij in zijn nabijheid, doe dan niets verkeerds: hij zou u om het leven kunnen brengen. Besef dat gij te midden van valstrikken loopt en dat gij wandelt op de wallen van een stad.
Sir. 9,14 Kijk uit, zo goed als gij kunt, met wie gij verkeert en ga te rade bij wijze mensen.
Sir. 9,15 Praat met verstandige mannen en houd u in al uw gesprek ken aan de wet van de Allerhoogste.
Sir. 9,16 Zit met rechtvaardige mannen aan tafel en zoek uw roem in de vrees voor de Heer.
Sir. 9,17 Om de meesterhand van de makers wordt een werkstuk geprezen en de leider van een volk geldt als wijs om zijn woord,
Sir. 9,18 Een kletskous is de schrik van zijn stad en een flapuit wordt met de nek aangezien.

Sir. 10,1 Een wijs magistraat voedt zijn volk op en een verstandige man voert een ordelijk beleid.
Sir. 10,2 Zoals de magistraat van het volk is, zo zijn ook zijn ambtenaren; zoals de bestuurder van de stad is, zo zijn ook al haar bewoners.
Sir. 10,3 Een onbekwame koning richt zijn volk te gronde en een stad wordt een bewoonbaar oord door het verstand van zijn bestuurders.
Sir. 10,4 In de hand van de Heer ligt de macht over de aarde en te juister tijd stelt Hij over haar de geschikte man aan.
Sir. 10,5 In de hand van de Heer ligt het welvaren van een man en Hij verleent zijn luister aan het gelaat van de wetgever.
Sir. 10,6 Wrok niet tegen uw naaste, wat voor onrecht hij ook heeft gedaan, en zoek het nooit in eigenmachtige daden.
Sir. 10,7 Hoogmoed is gehaat bij de Heer en bij de mensen en voor beiden is onrecht een wanklank.
Sir. 10,8 De heerschappij verplaatst zich van volk naar volk door onrechtvaardigheden, door euveldaden en door het geld.
Sir. 10,9 Waarom is stof en as zo verwaand? Al tijdens zijn leven zitten zijn ingewanden vol bederf.
Sir. 10,10 Een onbeduidende ziekte: de dokter vindt het niet ernstig; maar wie vandaag koning is, sterft morgen.
Sir. 10,11 En als de mens sterft worden maden, ongedierte en wormen zijn erfdeel.
Sir. 10,12 Het begin van de hoogmoed bestaat hierin, dat de mens de Heer verlaat en dat zijn hart zich afwendt van zijn Maker.
Sir. 10,13 Want het begin van de hoogmoed is de zonde; wie zich in de zonde vastbijt loopt van afschuwelijkheid over. Daarom heeft de Heer hen overrompeld met zijn kastijdingen en heeft hij hen totaal vernietigd.
Sir. 10,14 Tronen van heersers heeft de Heer omvergeworpen en in hun plaats de zachtmoedigen neer doen zitten.
Sir. 10,15 De Heer heeft volkeren ontworteld en in hun plaats de nederigen geplant.
Sir. 10,16 De Heer heeft de woonplaatsen van volkeren verwoest en die vernietigd tot op hun fundamenten in de aarde.
Sir. 10,17 Hij heeft hen uit de mensenwereld weggerukt en hen vernietigd en zelfs hun aandenken heeft Hij van de aarde doen verdwijnen.
Sir. 10,18 Hoogmoed hoort niet bij de mensen en heftige toorn niet bij de kinderen van vrouwen.
Sir. 10,19 Wie worden geŽerd, welke mensenkinderen? Degenen die de Heer vrezen. Wie blijven van eer verstoken, welke mensenkinderen? Degenen die de geboden overtreden.
Sir. 10,20 Hij die de leider van zijn broeders is wordt in hun midden geŽerd.
Sir. 10,21 Zij die de Heer vrezen worden door Hem geŽerd.
Sir. 10,22 De vreemdeling, de buitenlander en de bedelaar: hun roem ligt in hun vrees voor de Heer.
Sir. 10,23 Het is niet rechtvaardig een vrome bedelaar gering te schatten en het betaamt niet een zondaar te verheerlijken.
Sir. 10,24 De vorst, de rechter, de machthebber staan in ere en toch is geen van hen groter dan hij die de Heer vreest.
Sir. 10,25 Een wijze slaaf wordt door vrije mannen gediend en een verstandig man moppert daar niet over.
Sir. 10,26 Kom niet met spitsvondigheden aan, als gij uw werk moet doen, en praal niet wanneer gij het krap hebt.
Sir. 10,27 Beter is iemand die werkt en ruimschoots van alles voorzien is, dan een die maar pralend rondwandelt en gebrek heeft aan brood.
Sir. 10,28 Mijn zoon, gij moogt uzelf met bescheidenheid prijzen en u de eer toekennen die gij verdient.
Sir. 10,29 Als iemand zichzelf onrecht aandoet, wie zal hem dan rechtvaardigen? En wie zal iemand eren die zichzelf geringschat?
Sir. 10,30 Een arme wordt geŽerd om zijn kennis en een rijke wordt geŽerd om zijn rijkdom.
Sir. 10,31 Hij die als arme man geŽerd werd, hoeveel te meer wordt hij het als rijke! En hij die als rijke man geminacht werd, hoeveel te meer wordt hij het als arme!

Sir. 11,1 Door wijsheid wordt de nederige verheven en komt hij te zitten in de kring van de machthebbers.
Sir. 11,2 Prijs niemand om zijn schoonheid en verafschuw geen mens om zijn uiterlijk.
Sir. 11,3 Klein is de bij onder de gevleugelde dieren, maar wat zij voortbrengt is het puik van alwat zoet is.
Sir. 11,4 Wees niet trots op de kleren die gij draagt en word niet verwaand, als men u eer bewijst, want de werken van de Heer zijn wonderbaar, ook al zijn ze voor de mensen verborgen.
Sir. 11,5 Veel heersers zijn op de vloer komen te zitten, terwijl de man in wie men geen erg had de diadeem te dragen kreeg.
Sir. 11,6 Veel machthebbers zijn diep in oneer geraakt en aanzien lijken zijn overgeleverd in de handen van vreemden.
Sir. 11,7 Spreek geen afkeuring uit voordat gij onderzoek hebt gedaan. Denk eerst na en geef dan pas uw berisping.
Sir. 11,8 Antwoord niet voordat gij hebt geluisterd en onderbreek niemand, terwijl hij nog aan het woord is.
Sir. 11,9 Strijd niet over een zaak die voor u geen belang heeft en ga niet met zondaars op de rechterstoel zitten.
Sir. 11,10 Mijn zoon, bemoei u niet met al te veel dingen! Doet gij te veel, dan blijft ge niet vrij van schuld; wat gij najaagt bereikt gij niet en wat gij vlucht, ontloopt gij niet.
Sir. 11,11 Er zijn er die zwoegen en werken en rennen en die des te meer achteropkomen.
Sir. 11,12 Anderen zijn sukkels, om bijstand verlegen, met tekort aan kracht en teveel aan armoe, maar de ogen van de Heer zien hen goedgunstig aan en hij richt hen op uit hun armzaligheid.
Sir. 11,13 Hij heft hun hoofden op, tot verbazing van velen.
Sir. 11,14 Wel en wee, leven en dood, armoe en rijkdom, het komt van de Heer.
Sir. 11,15
Sir. 11,16
Sir. 11,17 Wat de Heer geeft is het blijvend deel van de vromen en zijn gunst werpt altijd goede vrucht af.
Sir. 11,18 Sommigen worden rijk door hardnekkige hebzucht en het loon dat hun toevalt is,
Sir. 11,19 dat ze zeggen: `Ik ben binnen! Nu ga ik genieten van mijn bezit!' - terwijl ze niet weten wanneer hun uur zal komen: dan moeten zij alles aan anderen laten en gaan zij dood.
Sir. 11,20 Houd u aan uw verplichtingen en blijf erbij en ga voort met uw werk tot gij oud zijt.
Sir. 11,21 Vergaap u niet aan wat de zondaar doet; vertrouw op de Heer en volhard in uw werk, want voor de Heer is het een kleinigheid, een arme eensklaps rijk te maken.
Sir. 11,22 De zegen van de Heer is het loon van de vrome en zijn welslagen bloeit in een oogwenk op.
Sir. 11,23 Zeg niet: `Wat heb ik nog nodig? Wat voor goed kan ik verder nog krijgen?'
Sir. 11,24 Zeg niet: `Mijn bezit is groot genoeg! Wat voor kwaad kan mij verder nog treffen?'
Sir. 11,25 In voorspoed wordt de tegenslag vergeten, in tegenspoed weet men niet meer van de voorspoed.
Sir. 11,26 Het is voor de Heer niet moeilijk een mens op de dag van zijn dood naar zijn levenswandel te vergelden.
Sir. 11,27 Een uur lijden doet alle weelde vergeten en het eind van de mens brengt zijn daden aan het licht.
Sir. 11,28 Voor zijn dood moet ge niemand gelukkig prijzen; pas aan zijn einde wordt een man gekend.
Sir. 11,29 Haal niet iedereen in uw huis want een bedrieger zit vol slinkse streken.
Sir. 11,30 Als een lokpatrijs in een kooi, zo is het hart van de hoogmoedige en hij loert als een belager op uw val;
Sir. 11,31 listig verdraait hij goed tot kwaad en zelfs het kostbaarste bederft hij.
Sir. 11,32 Een vonk kan een groot vuur worden en een zondaar loert nu eenmaal op bloed.
Sir. 11,33 Wacht u voor de boosdoener, want hij smeedt kwaad; hij kan voorgoed een smet op u werpen.
Sir. 11,34 Als gij iemand die niet deugt in uw huis haalt, zal hij u in verwarring en dwaling brengen en u van uw verplichtingen vervreemden.

Sir. 12,1 Als gij goed doet, weet dan aan wie, en gij zult dank krijgen voor uw goedheid.
Sir. 12,2 Doe goed aan een vroom man; het zal u vergolden worden, zo niet door hemzelf, dan door de Allerhoogste.
Sir. 12,3 Hem die de zondaar goed doet, gaat het niet goed, want hij heeft zeker geen gerechtigheid beoefend.
Sir. 12,4 Geef aan een vrome man en help de zondaar niet.
Sir. 12,5 Doe goed aan wie nederig is en geef niet aan de onvrome! Geef hem geen wapen in de hand waarmee hij u de baas kan worden. Want het kwaad dat gij zult ondervinden zal dubbel zo groot zijn als al het goed dat gij hem gedaan hebt.
Sir. 12,6 Ook de Allerhoogste immers verfoeit de zondaars en Hij straft de onvromen.
Sir. 12,7 Geef aan een goed mens en help de zondaar niet.
Sir. 12,8 In voorspoed weet men niet, wie zijn vriend is, in tegenspoed blijft de vijand niet verborgen.
Sir. 12,9 Gaat het iemand goed, dan hebben zijn vijanden hartzeer, gaat het hem slecht, dan neemt ook zijn vriend de wijk.
Sir. 12,10 Vertrouw uw vijand niet, nooit van uw leven, want zoals koper groen wordt zo komt bij hem de kwaadaardigheid te voor schijn.
Sir. 12,11 Ook als hij zich vernedert en ineengedoken loopt, moet ge u in acht nemen en voor hem oppassen. Dan zult ge zijn als iemand, die een spiegel gepolijst heeft, maar goed weet dat hij steeds weer uitslaat.
Sir. 12,12 Laat hem niet naast u staan, want hij brengt u ten val en hij neemt uw plaats in. Laat hem niet aan uw rechterhand zitten, want hij zou op uw zetel uit zijn, en gij zoudt te laat mijn vermaan begrijpen en dan diep getroffen zijn door mijn woorden.
Sir. 12,13 Wie heeft er meelij met een bezweerder die door een slang gebeten wordt en met al degenen die te dicht bij wilde dieren komen?
Sir. 12,14 Datzelfde geldt ook voor iemand die met een zondaar omgaat en een smet van diens zonden meekrijgt.
Sir. 12,15 Een tijdlang zal hij bij u blijven, maar als het met u misloopt, houdt hij geen stand.
Sir. 12,16 De lippen van de vijand zijn honingzoet, maar zijn hart zint erop u in een kuil te laten tuimelen. De ogen van uw vijand staan vol tranen, maar wanneer hij de kans krijgt, is hij met geen bloed te verzadigen.
Sir. 12,17 Treft u een ongeluk, dan vindt gij hem naast u, als om te helpen, maar hij komt om u de voet te lichten.
Sir. 12,18 Dan schudt hij zijn hoofd, dan klapt hij in zijn handen en onder veel gefluister trekt hij een ander gezicht.

Sir. 13,1 Wie pek aanraakt, maakt zich vuil en wie met een hoog moedig mens omgaat wordt aan hem gelijk.
Sir. 13,2 Til geen last die voor u te zwaar is en ga niet om met iemand die sterker en rijker is dan gij. Hoe kan een pot met een ketel omgaan? Een stoot van de ketel, en de pot ligt in scherven.
Sir. 13,3 Als de rijke onrecht doet, maakt hij er ook nog ophef van. Als de arme onrecht lijdt, moet hij ook nog om hulp vragen.
Sir. 13,4 Brengt gij hem nut, dan profiteert hij van u, maar wanneer gij bezwijkt, laat hij u liggen.
Sir. 13,5 Zolang gij iets bezit, teert hij op u en hij kleedt u uit en het doet hem niets.
Sir. 13,6 Heeft hij u nodig, dan misleidt hij u, hij lacht u toe, hij geeft u hoop, hij praat vriendelijk en vraagt: `Wat is er van uw dienst?'
Sir. 13,7 Zolang hij daar baat bij heeft, drijft hij zijn spel met u; tweemaal, driemaal kleedt hij u uit en tenslotte hoont hij u. Ziet hij u naderhand weer terug, dan laat hij u links liggen en schudt hij zijn hoofd over u.
Sir. 13,8 Pas op dat gij u niet laat misleiden en door uw dwaasheid vernederd wordt.
Sir. 13,9 Als een machtig man u uitnodigt, wees dan gereserveerd: te vriendelijker zal hij u uitnodigen.
Sir. 13,10 Dring u niet op, want dan kunt gij afgewezen worden. Maar houd u ook niet teveel terug, want dan kunt gij vergeten worden.
Sir. 13,11 Probeer niet als gelijke met hem om te gaan, en ver trouw zijn vele woorden niet, want met zijn vele praten toetst hij u en met een glimlach hoort hij u uit.
Sir. 13,12 Een machthebber kent geen mededogen; hij bedreigt het leven van velen.
Sir. 13,13 Wees dus waakzaam en zeer omzichtig en ga niet om met geweldplegers.
Sir. 13,14
Sir. 13,15 Elk levend wezen heeft zijns gelijke lief en elk mens degene die hem het naast is.
Sir. 13,16 Alwat leeft sluit zich aan bij zijn soortgenoten; ook de mens voegt zich bij zijn gelijke.
Sir. 13,17 Kan een wolf samenleven met een lam? Evenmin een zondaar met een vrome!
Sir. 13,18 Kan er vrede zijn tussen een hyena en een hond? En kan er dan vrede zijn tussen een rijke en een arme?
Sir. 13,19 De ezels in de woestijn zijn een prooi voor de leeuwen. Zo zijn de armen de graasgronden van de rijken.
Sir. 13,20 Voor een hoogmoedig mens is nederigheid een gruwel. Zo is een arme een gruwel voor de rijke.
Sir. 13,21 Als een rijke wankelt, wordt hij door zijn vrienden op de been gehouden, maar als de mindere man valt, krijgt hij van zijn vrienden een trap na.
Sir. 13,22 Als een rijke struikelt, zijn er velen die hem helpen; zegt hij onbehoorlijke dingen, dan weet men het goed te praten. Struikelt de mindere man, dan maakt men hem ook nog verwijten; spreekt hij verstandige taal, dan ziet men hem niet staan.
Sir. 13,23 Spreekt de rijke, dan houden allen hun mond en verheffen ze zijn woord tot de wolken. Spreekt de arme, dan zeggen ze: `Wie is dat?' En als hij struikelt, geven ze hem nog een duw mee.
Sir. 13,24 Goed is de rijkdom die niet uit zonde voortkomt, slecht is de armoede die een gevolg is van hoogmoed.
Sir. 13,25 Met het hart van een mens verandert ook zijn gezicht, hetzij ten goede, hetzij ten kwade.
Sir. 13,26 Een opgewekt gezicht wijst op een gelukkig hart. Het vinden van spreuken vraagt moeizaam nadenken.

Sir. 14,1 Gelukkig de man, die met zijn mond niet misdaan heeft en niet wordt geplaagd door wroeging over zijn zonden.
Sir. 14,2 Gelukkig de man, die door zijn gemoed niet wordt veroordeeld en die zijn hoop niet heeft verloren.
Sir. 14,3 Een krententeller heeft niets aan zijn rijkdom, en wat moet een gierigaard met geld?
Sir. 14,4 Wie zo spaart dat hij zichzelf tekort doet, vergaart voor anderen, en van zijn goederen vieren vreemden feest.
Sir. 14,5 Wie slecht is voor zichzelf, voor wie zal hij goed zijn? Hij geniet niet eens van zijn eigen bezit.
Sir. 14,6 Niemand is slechter dan hij, die zichzelf gierig behandelt: hij betaalt zelf het loon voor zijn slechtheid.
Sir. 14,7 Als hij goed doet, doet hij het onbedoeld en uiteinde lijk verraadt hij toch zijn boosheid.
Sir. 14,8 Slecht is de man met het hebzuchtige oog, die zijn gezicht afwendt en zich om de mensen niet bekommert.
Sir. 14,9 Het oog van de hebzuchtige is niet voldaan met zijn aandeel en zijn ongerechtig oog mergelt hem uit.
Sir. 14,10 Het ongerechtig oog is karig met het brood; zo'n mens zit misdeeld aan zijn eigen tafel.
Sir. 14,11 Mijn zoon, als gij iets bezit, bedien u ervan en doe uzelf tegoed, zoveel als gij kunt.
Sir. 14,12 Bedenk, dat de dood niet draalt en dat het verdrag met het dodenrijk u niet getoond is.
Sir. 14,13 Voordat gij doodgaat, moet gij uw vriend goed doen en met uitgestrekte hand aan hem geven.
Sir. 14,14 Laat een gelukkige dag u niet ontsnappen en zorg, dat uw deel van het geluk u niet voorbijgaat,
Sir. 14,15 Zult gij uw bezit niet aan een ander nalaten en zal de vrucht van uw zwoegen niet worden verloot?
Sir. 14,16 Geef en neem en doe u te goed, want in het dodenrijk is geen genoegen meer te vinden.
Sir. 14,17 Alwat leeft verslijt als een kleed en vanouds geldt de beschikking: gij moet sterven.
Sir. 14,18 Zoals met het loof aan een tierige boom - hij laat zijn bladeren vallen en weer andere groeien - zo gaat het met de mensen van vlees en bloed: het ene geslacht gaat dood, het andere wordt geboren.
Sir. 14,19 Ieder werk wordt voos en vergaat en met het werk verdwijnt ook de maker.
Sir. 14,20 Gelukkig de man die zich op de wijsheid toelegt en die erop uit is inzicht te krijgen,
Sir. 14,21 de man, die de wegen der wijsheid in zijn hart over denkt en haar verborgenheden tracht te ontdekken,
Sir. 14,22 die op weg gaat en haar als een speurder nazit en op de loer ligt waar zij ingaat,
Sir. 14,23 die door haar ramen spiedt en aan haar deuren staat te luisteren,
Sir. 14,24 die zich neerlaat dicht bij haar woning en zijn tentpin slaat in haar muren,
Sir. 14,25 die zijn tent vlak naast haar opzet en zijn intrek neemt op een plek waar het goed is.
Sir. 14,26 Hij plaatst zijn kinderen onder haar beschutting en hij woont onder haar takken.
Sir. 14,27 Door haar wordt hij tegen de hitte beschut en onder haar luister vindt hij rust.

Sir. 15,1 Zo doet degene die de Heer vreest; wie zich houdt aan de wet zal de wijsheid verwerven.
Sir. 15,2 Als een moeder komt zij hem tegemoet en zij begroet hem als de vrouw van zijn jeugd.
Sir. 15,3 Zij geeft hem het brood van het inzicht te eten en laat hem het water van de wijsheid drinken.
Sir. 15,4 Hij steunt op haar en hij wankelt niet, hij hecht zich aan haar en hij wordt niet beschaamd.
Sir. 15,5 Zij zal hem verheffen boven zijn naasten en in het midden van de vergadering ontsluit ze zijn mond.
Sir. 15,6 Blijdschap en een vreugdekrans en een onvergankelijke naam zal zij hem schenken.
Sir. 15,7 Mensen zonder inzicht verwerven haar niet en zondaars krijgen haar nooit te zien.
Sir. 15,8 Zij houdt zich ver van de hoogmoed en leugenaars denken nooit aan haar.
Sir. 15,9 De lofprijzing in de mond van een zondaar is misplaatst, want ze is hem niet door de Heer ingegeven.
Sir. 15,10 De lofprijzing moet in wijsheid uitgesproken worden, want dan geeft de Heer er zijn zegen aan.
Sir. 15,11 Zeg niet: `Het ligt aan de Heer, dat ik mij van Hem heb afgewend!' Wat Hij verfoeit, veroorzaakt Hij niet.
Sir. 15,12 Zeg niet: `Hij heeft mij zelf misleid!' Want aan een zondaar heeft Hij geen behoefte.
Sir. 15,13 De Heer haat alles wat verfoeilijk is en Hij bespaart het aan wie Hem vrezen.
Sir. 15,14 Hij heeft vanaf het begin, toen Hij de mens maakte, die mens aan zijn eigen beslissingen onderworpen.
Sir. 15,15 Wanneer gij wilt, kunt gij de geboden onderhouden en het is ook verstandig te doen wat Hem behaagt.
Sir. 15,16 Hij heeft vuur en water voor u neergezet: gij kunt uw hand uitstrekken naar wat ge verkiest.
Sir. 15,17 Voor de mensen liggen het leven en de dood, en wat een mens behaagt wordt hem gegeven.
Sir. 15,18 Want groot is de wijsheid van de Heer, zijn macht is geweldig en Hij ziet alles.
Sir. 15,19 Zijn ogen zijn gericht op wie Hem vrezen en iedere daad van de mens is Hem bekend.
Sir. 15,20 Hij heeft niemand bevolen te zondigen en aan niemand verlof gegeven om kwaad te doen.

Sir. 16,1 Verlang niet naar veel kinderen wanneer die niet zouden deugen, en verheug u niet over onvrome zonen.
Sir. 16,2 Ook al hebt ge veel zonen, gij moet er u niet om verheugen wanneer zij de vrees voor de Heer niet hebben.
Sir. 16,3 Vertrouw er niet op, dat uw zonen in leven zullen blijven, en verlaat u niet op hun aantal, want een die Gods wil doet is beter dan duizend andere, en kinderloos sterven is beter dan onvrome kinderen te hebben.
Sir. 16,4 Want om een verstandig man blijft een stad in stand, maar een stam van tuchtelozen gaat ten onder.
Sir. 16,5 Dat soort dingen heeft mijn oog vaak gezien en nog ergere heeft mijn oor gehoord.
Sir. 16,6 In de samenscholing der zondaars laaide het vuur op en onder het ongezeglijk volk ontbrandde de toorn.
Sir. 16,7 Hij was de reuzen van de oude tijd niet genadig, toen zij met heel hun macht oproerig werden.
Sir. 16,8 Evenmin spaarde Hij de lieden bij wie Lot woonde, vanwege hun verwatenheid door de Heer verfoeid.
Sir. 16,9 Hij ontfermde zich niet over het volk dat met de ban vloek was geslagen, over hen die om hun zonden verdreven zijn.
Sir. 16,10 Zo is Hij ook opgetreden tegen de zeshonderdduizend voetknechten die om de verstoktheid van hun hart werden uitgeroeid.
Sir. 16,11 Ook al is er maar een hardnekkig, het zou verbazingwekkend zijn, als die zonder straf bleef. Er is ontferming bij Hem en toorn: Hij is machtig in genadigheid, maar Hij laat ook zijn toorn gaan.
Sir. 16,12 Zo groot als zijn ontferming is, zo groot is ook zijn strengheid. Hij oordeelt de mens naar zijn daden.
Sir. 16,13 De zondaar ontkomt niet met zijn roofgoed en de verwachting van de vrome blijft niet onvervuld.
Sir. 16,14 Wie gerechtigheid doet ontvangt wat hij verdient; eenieder krijgt loon naar zijn werken.
Sir. 16,15
Sir. 16,16
Sir. 16,17 Zeg niet: `Ik verberg mij wel voor de Heer! Wie zal daarboven aan mij denken? In de massa val ik toch niet op. Wat ben ik in die onmetelijke schepping?'
Sir. 16,18 Weet wel: de hemel, tot de hoogste hemel toe, de diepte en de aarde, zij wankelen onder zijn blik.
Sir. 16,19 De grondvesten der bergen en de fundamenten der aarde, zij trillen en beven als Hij hen aanziet.
Sir. 16,20 En toch schenkt Hij geen aandacht aan mij! Wie zal er letten op mijn wegen?
Sir. 16,21 Als ik zondig, is er geen oog dat mij ziet. En als ik in het diepte geheim misdoe, wie weet er dan van?
Sir. 16,22 De goede daden, wie praat erover? Wie wacht erop? De afrekening blijft nog lang uit!
Sir. 16,23 Dat zijn de gedachten van een kortzichtig man; een domoor, een dwaallicht denkt zulke onzin.
Sir. 16,24 Luister naar mij, mijn zoon, en laat u onderrichten en neem mijn woorden ter harte.
Sir. 16,25 Weloverwogen onderwijs zal ik geven en ik zal mijn kennis nauwgezet mededelen.
Sir. 16,26 De werken van de Heer zijn van het begin af door Hem geschapen en van hun schepping af heeft Hij aan ieder werk zijn plaats gegeven.
Sir. 16,27 Hij heeft hun werkzaamheden voor altijd geordend en hun heerschappij geregeld naar hun aard. Zij komen niet te kort en worden niet moe en leggen hun werkzaamheden nooit neer.
Sir. 16,28 Zij brengen elkaar niet in verdrukking en tot in eeuwigheid zijn zij gehoorzaam aan zijn woord.
Sir. 16,29 Daarna heeft de Heer op de aarde neergezien en haar met zijn goede gaven gevuld.
Sir. 16,30 Met allerlei levende wezens heeft Hij haar aanschijn bedekt en zij keren tot haar weer terug.

Sir. 17,1 De Heer heeft de mens uit de aarde geschapen en heeft hem weer tot haar doen terugkeren.
Sir. 17,2 Hij schonk hun een aantal dagen en een bestemde tijd en gaf hun de macht over de dingen op de aarde.
Sir. 17,3 Hij heeft hen bekleed met een kracht als de zijne en hen gemaakt naar zijn beeld.
Sir. 17,4 In al wat leeft heeft Hij de vrees voor de mens gelegd en hem tot heer gemaakt over dieren en vogels.
Sir. 17,5
Sir. 17,6 Hij heeft hun tong gevormd en hun ogen en hun oren en hun een hart gegeven om te denken.
Sir. 17,7 Hij heeft hen vervuld met onderscheidingsvermogen; Hij toonde hun het goed en het kwaad.
Sir. 17,8 Hij heeft zijn oog in hun hart geplant om hun te laten zien hoe groot zijn werken zijn,
Sir. 17,9 zodat zij van de grootheid van zijn werken gewagen
Sir. 17,10 en zijn heilige naam prijzen.
Sir. 17,11 Hij heeft hun ook kennis geschonken en Hij gaf hun de wet van het leven als erfdeel.
Sir. 17,12 Hij sloot met hen een altijddurend verbond en toonde hun zijn voorschriften.
Sir. 17,13 Hun ogen zagen de grootheid van zijn glorie en hun oor heeft de glorie van zijn stem gehoord.
Sir. 17,14 En Hij zei tot hen: `Wacht u voor alle onrecht!' En Hij schreef hun voor, wat ieder aan zijn naaste verplicht is.
Sir. 17,15 Hun wegen zijn Hem altijd bekend en blijven voor zijn ogen niet verborgen.
Sir. 17,16
Sir. 17,17 Want toen Hij de volken over heel de aarde verdeelde, stelde Hij over ieder volk een heerser aan, maar IsraŽl is het deel van de Heer.
Sir. 17,18
Sir. 17,19 Al hun werken zijn zonneklaar voor Hem en zijn ogen zijn onafgebroken op hun wegen gericht.
Sir. 17,20 Hun ongerechtigheden zijn niet voor Hem verborgen en al hun zonden zijn de Heer bekend.
Sir. 17,21
Sir. 17,22 De liefdadigheid van een man bewaart Hij als een zegel ring en iemands weldaad behoedt Hij als zijn oogappel.
Sir. 17,23 Uiteindelijk zal Hij opstaan en hun geven naar hun verdienste; wat zij verdienen zal Hij op hun hoofd doen neerkomen.
Sir. 17,24 Alleen aan hen die boetvaardig zijn staat Hij de terug keer toe en hen die versagen spoort Hij aan tot volharding.
Sir. 17,25 Bekeert u tot de Heer en laat de zonden varen! Bid voor zijn aangezicht en zorg dat gij zo weinig mogelijk aanstoot geeft.
Sir. 17,26 Keer terug tot de Allerhoogste en wend u af van de ongerechtigheid en haat hevig wat verfoeilijk is.
Sir. 17,27 Wie zal in het dodenrijk de Allerhoogste loven, zoals degenen die leven en Hem hun danklied zingen?
Sir. 17,28 Bij een dode, die als niets meer is, verstomt de lofprijzing. Prijs de Heer, terwijl gij leeft en gezond zijt!
Sir. 17,29 Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer en hoe genadig is Hij voor wie zich tot Hem bekeren!
Sir. 17,30 Want voor de mens is niet alles bereikbaar, omdat het mensenkind niet onsterfelijk is.
Sir. 17,31 Wat straalt er helderder dan de zon? En toch wordt ook zij verduisterd. Maar vlees en bloed zijn tot het kwade gezind.
Sir. 17,32 De zon overschouwt de legermacht van de hoge hemel, de mensen zijn allemaal stof en as.

Sir. 18,1 Hij die tot in eeuwigheid leeft heeft het heelal geschapen.
Sir. 18,2 Alleen de Heer wordt rechtvaardig bevonden.
Sir. 18,3
Sir. 18,4 Niemand heeft Hij in staat gesteld zijn werken voluit te verkondigen. En wie doorgrondt zijn grote daden?
Sir. 18,5 De macht van zijn majesteit, wie meet ze? En wie zal dan al de blijken van zijn barmhartigheid verhalen?
Sir. 18,6 Men doet er niets aan af, men voegt er niets aan toe: de wonderdaden van de Heer zijn niet te doorgronden.
Sir. 18,7 Als een mens is uitgedacht, staat hij nog aan het begin, en als hij ermee ophoudt ziet hij nog geen uitweg.
Sir. 18,8 Wat is de mens en waartoe deugt hij? Wat betekenen zijn goede, wat zijn kwade daden?
Sir. 18,9 Voor een mensenleven is honderd jaar heel veel.
Sir. 18,10 Een waterdrop uit de zee en een korreltje zand, dat zijn die paar jaren op de eeuwigheid.
Sir. 18,11 Daarom heeft de Heer geduld met de mensen en stort Hij over hen zijn barmhartigheid uit.
Sir. 18,12 Hij ziet en Hij weet, dat hun einde ellendig is: daarom biedt Hij rijkelijk verzoening.
Sir. 18,13 De barmhartigheid van de mens gaat uit naar zijn buur man, maar de barmhartigheid van de Heer gaat uit naar alles wat leeft; Hij wijst hen terecht, Hij tuchtigt en onderwijst hen en Hij voert hen terug als een herder zijn kudde.
Sir. 18,14 Hij ontfermt zich over hen, die zijn tuchtiging aan vaarden en zich ijverig naar zijn voorschriften voegen.
Sir. 18,15 Mijn zoon, voeg bij goede gaven geen verwijt en bij een geschenk nooit grievende woorden.
Sir. 18,16 Maakt de dauw geen eind aan de hitte? Zo is een woord ook beter dan een geschenk.
Sir. 18,17 Maar al is een woord beter dan een mooi geschenk, bij een beminnelijk man gaan ze samen.
Sir. 18,18 De dwaas krenkt door zijn hatelijke woorden en het geschenk van een wrevelig mens doet de ogen tranen.
Sir. 18,19 Voordat gij spreekt moet gij u laten onderrichten en gij moet voor uw gezondheid zorgen, voordat gij ziek wordt.
Sir. 18,20 Voordat gij wordt geoordeeld, moet gij uzelf onderzoeken om in het uur van het verhoor genadigheid te vinden.
Sir. 18,21 Voordat gij ziek wordt, moet gij u vernederen en tijdig tonen, dat gij u van uw zonden bekeerd hebt.
Sir. 18,22 Laat u niet weerhouden een gelofte bijtijds in te lossen en wacht niet tot aan uw dood om in het reine te komen.
Sir. 18,23 Voordat gij een gelofte doet moet gij u bezinnen en gij moet niet zo iemand worden die de Heer op de proef stelt.
Sir. 18,24 Denk aan de toorn, die komt in de dagen van de dood, en aan het moment van de bestraffing, als Gods aangezicht zich afwendt.
Sir. 18,25 Denk aan de tijd van de honger in tijden van overvloed en aan de armoe en het gebrek in dagen van rijkdom.
Sir. 18,26 Tussen morgen en avond wisselen de kansen: kortstondig is alles voor de Heer.
Sir. 18,27 Een wijs mens is altijd behoedzaam en in zondige tijden wacht hij zich voor een overtreding.
Sir. 18,28 Ieder verstandig mens erkent de wijsheid en hij prijst degene die haar gevonden heeft.
Sir. 18,29 Zij die woorden van wijsheid verstaan geven zelf ook blijk van wijsheid en zij laten treffende spreuken regenen.
Sir. 18,30 Loop niet achter uw begeerten aan en houd u ver van uw lusten.
Sir. 18,31 Als gij aan uw hart toestaat wat uw begeerte wenst, zal u dat tot de spot van uw vijanden maken.
Sir. 18,32 u niet in grote weelde en zoek haar gezelschap niet.
Sir. 18,33 Breng uzelf niet tot de bedelstaf door feest te vieren met geleend geld, terwijl gij niets in uw beurs hebt.

Sir. 19,1 Wie zo aan zijn drankzucht toegeeft wordt niet rijk, en wie het kleine niet eert gaat langzaam maar zeker te gronde.
Sir. 19,2 Wijn en vrouwen brengen verstandige mannen van de wijs en wie zich met hoeren afgeeft wordt steeds driester.
Sir. 19,3 Aan de maden en de wormen valt hij toe en hij wordt weggerukt, die drieste mens.
Sir. 19,4 Wie te snel vertrouwen geeft is lichtzinnig en wie zich daarna schuldig maakt misdoet tegen zichzelf.
Sir. 19,5 Wie zich in het kwaad verlustigt zal gevonnist worden.
Sir. 19,6 Wie een afkeer heeft van geroddel vermindert het kwaad.
Sir. 19,7 Nooit moet gij een verhaal verder vertellen: dan zult gij zelf ook nooit schade lijden.
Sir. 19,8 Bij vriend noch vijand moet gij het verder vertellen en als dat zonder zonde kan, moet gij het niet openbaar maken.
Sir. 19,9 Want wie het van u gehoord heeft, hij is voor u op zijn hoede en zal u te zijner tijd gaan haten.
Sir. 19,10 Hebt gij iets gehoord? Laat het met u sterven! Wees maar niet bang! Het doet u heus niet barsten!
Sir. 19,11 Een dwaas, hij krijgt weeŽn van een verhaal, zoals een vrouw die moet baren ze krijgt van haar kind.
Sir. 19,12 Als een pijl, die vastzit in het vlees van de dij, zo steekt een verhaal in het binnenste van een dwaas.
Sir. 19,13 Doe navraag bij uw vriend: hij heeft het misschien niet gedaan; en als hij het gedaan heeft, zorg dan dat hij er niet mee doorgaat.
Sir. 19,14 Doe navraag bij uw naaste: hij heeft het misschien niet gezegd; en als hij het gezegd heeft, zorg dan dat hij het niet herhaalt.
Sir. 19,15 Doe navraag bij uw vriend, want er wordt dikwijls gelasterd, en geloof niet ieder verhaal.
Sir. 19,16 Iedereen kan een fout maken, ook zonder opzet, en wie is in zijn spreken nooit tekortgeschoten?
Sir. 19,17 Doe navraag bij uw naaste voordat gij gaat dreigen en schik u naar de wet van de Allerhoogste.
Sir. 19,18
Sir. 19,19
Sir. 19,20 De vrees voor de Heer is de hele wijsheid en die wijsheid houdt het volbrengen van de wet in.
Sir. 19,21
Sir. 19,22 Ervarenheid in het kwaad is geen wijsheid en wat de zondaars beramen getuigt niet van verstand.
Sir. 19,23 Er bestaat een schranderheid die een gruwel is en er bestaan domme mensen met te weinig inzicht,
Sir. 19,24 maar beter is een godvrezend man die weinig verstand heeft dan een man van groot intellect die de wet overtreedt.
Sir. 19,25 Er bestaat een onmiskenbare schranderheid, die misdadig is en er bestaan mensen die de luister van de rechtspraak aantas ten.
Sir. 19,26 Menigeen gaat gebogen en in het zwart gehuld, maar innerlijk steekt hij vol listigheid.
Sir. 19,27 Hij loopt met zijn gezicht naar de grond en hij houdt zich doof, maar zodra er niet op hem gelet wordt, is hij u te vlug af;
Sir. 19,28 en als hij door gebrek aan kracht niet in staat is te misdoen, dan doet hij zijn kwaad zodra hij de kans krijgt.
Sir. 19,29 Aan zijn oogopslag wordt iemand gekend en aan de wijze waarop hij u aanziet wordt de verstandige man gekend.
Sir. 19,30 Iemands kleding en de lach van zijn tanden en ook de gang van een mens melden wie hij is.

Sir. 20,1 Een terechtwijzing komt soms niet op de juiste tijd en wie dan zwijgt, hij is verstandig.
Sir. 20,2 Het is beter terecht te wijzen dan te keer te gaan
Sir. 20,3 en degene die zijn schuld erkent wordt voor schade behoed.
Sir. 20,4 Als een castraat die een meisje begeert te ontmaagden, zo is hij die het recht geweld aandoet.
Sir. 20,5 Menigeen die zwijgt wordt voor wijs gehouden en menigeen maakt zich gehaat door veel te praten.
Sir. 20,6 Menigeen zwijgt omdat hij geen antwoord heeft en menig een zwijgt omdat hij zijn tijd weet.
Sir. 20,7 Een wijs mens zwijgt tot het goede moment gekomen is, maar zwetsers en domme mensen lopen aan het goede moment voorbij.
Sir. 20,8 Wie veel praat wordt verafschuwd en wie zich gezag aanmatigt maakt zich gehaat.
Sir. 20,9 In ongeluk ligt voor een mens soms voorspoed en een buitenkansje kan verlies voor hem worden.
Sir. 20,10 Er zijn geschenken die u niet baten en er zijn geschenken, die u dubbel worden terugbetaald.
Sir. 20,11 Er bestaat vernedering als gevolg van roem en er zijn ook mensen die na de vernedering het hoofd weer opheffen.
Sir. 20,12 Sommigen kopen veel voor weinig geld, en anderen betalen zeven maal te veel.
Sir. 20,13 De wijze maakt zich door zijn woorden bemind; de vriendelijkheden van de dwazen gaan verloren.
Sir. 20,14 Een geschenk van een onverstandig mens brengt u geen baat, want het ene ding dat hij geeft zien zijn ogen in veelvoud.
Sir. 20,15 Hij geeft weinig en heeft veel aan te merken en hij zet een mond op als een omroeper; vandaag leent hij uit en morgen vraagt hij terug: afschuw verdient zo iemand!
Sir. 20,16 De dwaas zegt: `Ik heb geen vriend en mijn goede daden worden niet gewaardeerd; die mijn brood eten hebben een valse tong.'
Sir. 20,17 Hoe vaak zullen velen om hem lachen!
Sir. 20,18 Uitglijden op de vloer is beter dan uitglijden met de tong; zo komen de bozen spoedig ten val.
Sir. 20,19 Als een onaangenaam persoon, zo is een verhaal op een verkeerd moment; men hoort het telkens weer uit de mond van onbeheerste mensen.
Sir. 20,20 Een spreuk uit de mond van een dwaas wordt met minachting ontvangen, omdat hij hem nooit op het juiste moment laat horen.
Sir. 20,21 Menigeen wordt door armoede van het kwade weerhouden en zijn rust wordt niet door wroeging gestoord.
Sir. 20,22 Menigeen richt zichzelf te gronde door valse schaamte en gaat door menselijk opzicht verloren.
Sir. 20,23 Menigeen doet uit schaamte zijn vriend een belofte en maakt hem nodeloos tot zijn vijand.
Sir. 20,24 Een leugen is een schandvlek op een mens; men hoort ze telkens weer uit de mond van onbeheerste mensen.
Sir. 20,25 Een dief is nog te verkiezen boven iemand die voortdurend liegt, maar de ondergang is hun beider erfdeel.
Sir. 20,26 Het gedrag van een leugenaar is iets onterends en zijn schande blijft hem voortdurend bij.
Sir. 20,27 Wie wijs is in zijn woorden brengt zichzelf vooruit en een verstandig mens geniet de gunst van de notabelen.
Sir. 20,28 Wie het land bewerkt bouwt hoge schelven en wie de gunst van de notabelen geniet kan het onrecht weer goedmaken.
Sir. 20,29 Giften en geschenken verblinden de ogen der wijzen en houden hun als een muilkorf de terechtwijzingen in de mond.
Sir. 20,30 Verborgen wijsheid en een onzichtbare schat: wat voor nut hebben die twee?
Sir. 20,31 Beter een mens die zijn dwaasheid verbergt dan een mens die zijn wijsheid verbergt.

Sir. 21,1 Mijn zoon, hebt gij gezondigd? Ga er dan niet mee door en bid ook om vergeving voor uw vroegere zonden.
Sir. 21,2 Vlucht de zonde, als een slang, want als ge haar te na komt, bijt ze u. Haar tanden zijn leeuwentanden, die mensenlevens vernietigen.
Sir. 21,3 Alle ongerechtigheid is als een tweesnijdend zwaard: de wond die zij slaat is ongeneeslijk.
Sir. 21,4 Bluf en brutaliteit richten de rijkdom te gronde: daar door wordt het huis van de verwatene verwoest.
Sir. 21,5 Het smeekbede van de arme gaat van zijn mond naar Gods oren en dan komt zijn oordeel met spoed.
Sir. 21,6 Wie afkerig is van een terechtwijzing loopt in het voetspoor van de zondaar, maar wie de Heer vreest neemt ze ter harte.
Sir. 21,7 Een snoever valt al spoedig op: een verstandig man kent hem aan zijn ontsporingen.
Sir. 21,8 Degene die zijn huis bouwt met andermans geld is als iemand die stenen bijeenbrengt voor zijn graf.
Sir. 21,9 De buit van de zondaars is als een stapel vlas en hun eind is een vlammend vuur.
Sir. 21,10 De weg van de zondaars is effen, vrij van stenen, maar aan zijn einde ligt de kuil van het dodenrijk.
Sir. 21,11 Wie de wet onderhoudt begrijpt haar zin en de volmaakte vrees voor de Heer is wijsheid.
Sir. 21,12 Wie niet schrander is laat zich niets leren, maar er is een schranderheid die veel bitterheid brengt.
Sir. 21,13 De kennis van de wijze is als een overvloed van water en zijn raad een bron van leven.
Sir. 21,14 Het innerlijk van de dwaas is als een gebroken kruik: het kan geen enkele kennis bevatten.
Sir. 21,15 Als een verstandig man een wijs woord hoort, dan prijst hij het en voegt er nog een bij, maar als een losbol het hoort, dan mishaagt het hem en werpt hij het achter zijn rug.
Sir. 21,16 Het betoog van een dwaas is als een last onderweg, maar op de lippen van een verstandig man ligt bekoorlijkheid.
Sir. 21,17 Wat uit de mond van de wijze komt wordt in de vergadering op prijs gesteld en zijn woorden worden ter harte genomen.
Sir. 21,18 Als een bouwval is de wijsheid van een dwaas en de kennis van de onverstandige is wartaal.
Sir. 21,19 Voor de dwaas is onderricht een keten aan zijn voeten en als een handboei aan zijn rechterhand.
Sir. 21,20 Een dwaas lacht luidkeels, maar een schrander man glimlacht hoogstens.
Sir. 21,21 Voor een verstandig man is onderricht als een gouden sieraad en als een armband aan zijn rechterarm.
Sir. 21,22 Een dwaas rent haastig een huis binnen, maar een levenswijs man blijft bescheiden wachten.
Sir. 21,23 Een onverstandig man gluurt aan de deur het huis binnen, maar een welopgevoed man blijft buiten staan.
Sir. 21,24 Een onbeschaafd mens luistert aan de deuren, maar voor de verstandige is dat een zware schande.
Sir. 21,25 De lippen van de praters vertellen maar raak, maar de woorden van verstandige mensen worden gewogen.
Sir. 21,26 De dwazen dragen het hart op de tong, maar de wijzen dragen hun tong in hun hart.
Sir. 21,27 Als een goddeloze zijn tegenstander vervloekt, dan vervloekt hij zichzelf.
Sir. 21,28 De roddelaar maakt alleen zichzelf vuil en hij wordt in zijn omgeving verfoeid.

Sir. 22,1 De luiaard is te vergelijken met een bevuilde steen en iedereen fluit hem uit om zijn schande.
Sir. 22,2 Met het vuil van een mesthoop is een luiaard te vergelijken: iedereen die het aanraakt slaat het van zijn hand af.
Sir. 22,3 Het is een schande voor een vader, een onbeheerste zoon te hebben verwekt, en een dochter die zo is wordt een schadepost.
Sir. 22,4 Een verstandige dochter krijgt een man die bij haar past, maar een dochter die schande brengt is een verdriet voor haar vader.
Sir. 22,5 Een brutale vrouw brengt schande over haar vader en over haar man en zij wordt door beiden veracht.
Sir. 22,6 Als feestmuziek bij rouw is een verhaal op het verkeerde moment, maar geselslagen en tucht getuigen te allen tijde van wijsheid.
Sir. 22,7
Sir. 22,8
Sir. 22,9 Wie een dwaas onderwijst is als iemand die scherven aaneenlijmt of die een slaper wekt uit een diepe slaap.
Sir. 22,10 Redeneren tegen een dwaas is als redeneren tegen iemand die maar knikkebolt en dan tenslotte vraagt: `Wat is er?'
Sir. 22,11 Schrei om een dode, want hij is verstoken van licht, en schrei om een dwaas, want hij is verstoken van verstand. Schrei zachter om een dode, want hij heeft rust gevonden, maar het leven van de dwaas is erger dan de dood.
Sir. 22,12 De rouw over een dode duurt zeven dagen, maar die om een dwaas en een goddeloze duurt al de dagen van zijn leven.
Sir. 22,13 Spreek niet te veel met een dwaas en ga niet naar een onverstandig man. Hoed u voor hem, om moeilijkheden te vermijden: dan wordt gij ook zeker niet bevuild door wat hij van zich afschudt. Ontwijk hem en gij zult rust vinden en gij zult geen last hebben van zijn verdwazing.
Sir. 22,14 Wat is zwaarder dan lood en hoe heet dat zwaardere anders dan `dwaze mens'?
Sir. 22,15 Zand, zout en een klomp ijzer zijn lichter om te dragen dan een onverstandig mens.
Sir. 22,16 Een houten gebint dat in een gebouw is vastgezet wordt bij een aardbeving niet ontwricht: zo raakt een hart, dat steunt op een weldoordacht besluit op een beslissend ogenblik niet ontzet.
Sir. 22,17 Een hart dat zich op verstandig overleg verlaat is als fraai pleisterwerk op een gepolijste muur.
Sir. 22,18 Steentjes die op een hoge plek liggen zijn niet bestand tegen de wind. Zo zal een wankelmoedig hart dat op een dwaas besluit steunt tegen geen enkele vrees bestand zijn.
Sir. 22,19 Wie het oog raakt doet tranen vloeien; wie het hart raakt verdrijft de vriendschap.
Sir. 22,20 Wie een steen naar vogels gooit jaagt ze weg, wie een vriend hoont maakt een eind aan de vriendschap.
Sir. 22,21 Als gij het zwaard tegen een vriend hebt getrokken, wanhoop dan niet, want er is nog een weg terug.
Sir. 22,22 Als gij tegen een vriend een grote mond hebt opgezet, maakt u dan geen zorgen, want er is nog verzoening mogelijk. Maar hoon en hooghartigheid, het verraden van een geheim en slinkse streken: daarvoor gaan alle vrienden op de loop.
Sir. 22,23 Verwerf het vertrouwen van uw naaste als hij arm is: dan zult gij ook volop delen in zijn voorspoed. Blijf bij hem in tijden van nood: dan zult gij delen in zijn erfenis.
Sir. 22,24 Voordat er vuur komt geeft de oven walm en rook: zo vallen er scheldwoorden voordat er bloed vloeit.
Sir. 22,25 Ik zal mij niet schamen een vriend te beschermen en ik zal mij niet verbergen als hij komt.
Sir. 22,26 En als mij door hem iets kwaads gebeurt, zal ieder die het hoort voor hem oppassen.
Sir. 22,27 Wie zet een wacht voor mijn mond en legt een zegel van omzichtigheid op mijn lippen, zodat ik er niet door ten val kom en mijn tong mij niet te gronde richt?

Sir. 23,1 Heer, vader en meester van mijn leven, laat mij niet over aan het beeld van mijn lippen en sta niet toe dat ik door hen ten val kom.
Sir. 23,2 Wie legt een zweep gereed om mijn denken te slaan en de roede van de wijsheid om mijn hart te tuchtigen? Dan zal die zweep mij niet sparen als ik domheden bega, en zal die roede nooit de fouten van mijn lippen ongestraft laten.
Sir. 23,3 Dan zullen mijn dwaasheden niet toenemen en mijn zonden niet talrijker worden; dan zal ik niet ten val komen onder het oog van mijn tegenstanders en zal mijn vijand zich niet over mij verheugen.
Sir. 23,4 Heer, vader en God van mijn leven bewaar mij voor hoog moedige ogen
Sir. 23,5 en wend de begerigheid van mij af;
Sir. 23,6 laten gulzigheid en wellust mij niet in hun greep krijgen en lever mij niet over aan schaamteloze hartstocht.
Sir. 23,7 Hoort, zonen, hoe de mond beteugeld wordt: wie zich daaraan houdt, raakt niet verstrikt.
Sir. 23,8 De zondaar wordt het slachtoffer van zijn eigen lippen, de lasteraar en de hoogmoedige komen erdoor ten val.
Sir. 23,9 Wen uw mond niet aan eden en gewen er u niet aan de naam van de Heilige te noemen.
Sir. 23,10 Want zoals aan een slaaf die voortdurend wordt verhoord de striemen niet bespaard blijven, zo zal ook hij die altijd maar zweert en de heilige naam noemt niet vrij blijven van zonde.
Sir. 23,11 De man die veel zweert belaadt zich met ongerechtigheid; de gesel zal niet wijken van zijn huis. Als hij zijn eed niet houdt, drukt zijn zonde op hem; als hij hem geringschat, zondigt hij dubbel, en als hij zonder reden zweert, wordt hij niet gerechtvaardigd: zijn huis zal met rampen overladen worden.
Sir. 23,12 Er is een manier van spreken waar de dood op staat: laat die in Jacobs erfdeel niet gevonden worden, want de vromen mogen zich met dat alles niet afgeven en zij mogen zich niet in zonden wentelen.
Sir. 23,13 Wen uw mond niet aan vunzige platheden, want dan zondigt gij door uw woorden.
Sir. 23,14 Denk aan uw vader en uw moeder, als gij te midden van de notabelen zetelt; gij moet ze in hun aanwezigheid niet vergeten en onder invloed van die omgang geen dwaas worden, zodat hij zoudt wensen niet verwekt te zijn en de dag van uw geboorte vervloekt.
Sir. 23,15 Iemand die zich went aan schampere taal wordt zijn leven lang geen beschaafd mens.
Sir. 23,16 Twee soorten mensen beladen zich met zonde en een derde soort roept de toorn af. Brandende begeerte is als een laaiend vuur: zij wordt niet geblust voor zij is opgebrand. Een mens die met zijn eigen lichaam ontucht bedrijft houdt niet op totdat het vuur hem verteert.
Sir. 23,17 Voor een ontuchtig mens is alle brood lekker: hij wordt het niet moe tot hij doodgaat.
Sir. 23,18 De man die overspel pleegt zegt bij zichzelf: `Wie ziet mij? Het is donker om mij heen, de muren houden mij verborgen en niemand ziet mij. Waarvoor zou ik bang zijn? De Allerhoogste zal mijn zonden niet gedenken!'
Sir. 23,19 Wat hij vreest zijn de ogen van de mensen en hij beseft niet, dat de ogen van de Heer tienduizendmaal zo helder zijn als de zon: zij zien alle wegen van de mensen en dringen tot in verborgen hoeken door.
Sir. 23,20 Alles was Hem bekend voordat het werd geschapen en het blijft Hem bekend nadat het voltooid is.
Sir. 23,21 Zo iemand wordt in de straten van de stad gestraft en gegrepen waar hij er niet op verdacht is.
Sir. 23,22 Zo ook de vrouw die haar man ontrouw is en hem een erfgenaam bezorgt van een vreemde.
Sir. 23,23 Ten eerste is zij ongehoorzaam geweest aan de wet van de Allerhoogste; ten tweede heeft zij zich misdragen tegenover haar man; ten derde heeft zij ontucht en echtbreuk gepleegd en haar man kinderen bezorgd die door een vreemde verwekt zijn.
Sir. 23,24 Zo'n vrouw zal voor de vergadering gebracht worden en over haar kinderen zal leed komen.
Sir. 23,25 Haar kinderen zullen geen wortel schieten en haar takken geen vrucht dragen.
Sir. 23,26 Haar nagedachtenis zal een vloek zijn en haar schande zal niet worden uitgewist.
Sir. 23,27 Zij die achter blijven zullen inzien dat niets beter is dan de vrees voor de Heer en niets zoeter dan het onderhouden van de geboden van de Heer.

Sir. 24,1 De wijsheid gaat zichzelf prijzen en zich te midden van haar volk beroemen;
Sir. 24,2 in de gemeente van de Allerhoogste zal zij haar mond openen en zich beroemen ten overstaan van zijn legermacht.
Sir. 24,3 `Uit de mond van de Allerhoogste ben ik voortgekomen en als een nevel heb ik de aarde bedekt.
Sir. 24,4 Ik sloeg mijn tent op in den hoge en mijn troon stond op een wolkenzuil.
Sir. 24,5 Ik heb het hemelrond alleen doorlopen en in de diepte van de afgrond ben ik rondgegaan.
Sir. 24,6 Op de golven van de zee en overal op aarde, en bij alle volken en stammen kreeg ik de macht.
Sir. 24,7 Bij hen allen zocht ik een rustplaats: in wiens erfdeel moest ik gaan wonen?
Sir. 24,8 Toen gaf de Schepper van alles mij zijn opdracht en wees Hij die mij geschapen heeft de plaats aan voor mijn tent. Hij sprak: Sla uw tent op in Jakob en vind in IsraŽl uw erfdeel!
Sir. 24,9 Voor de wereld, al in het begin, heeft Hij mij geschapen en zolang de wereld duurt verdwijn ik niet.
Sir. 24,10 In de heilige tent deed ik dienst voor zijn aangezicht en zo kreeg ik vaste voet op de Sion.
Sir. 24,11 In de geliefde stad gaf Hij mij eveneens een rustplaats en in Jeruzalem werd mijn heerschappij gevestigd.
Sir. 24,12 Te midden van een glorierijk volk heb ik wortel geschoten en het domein van de Heer werd mijn erfelijk bezit.
Sir. 24,13 Ik groeide als een ceder op de Libanon, als een cipres in het Hermongebergte.
Sir. 24,14 Ik groeide als een palmboom in En-gedi, als een rozen tuin in Jericho, als een schone olijfboom in de vlakte; als een plataan aan de waterkant.
Sir. 24,15 Als kaneel en balsem en als een uitgelezen mirre heb ik een heerlijke geur verspreid, als hars, kruidnagel en mirre-olie en als een wierookwolk in de tent.
Sir. 24,16 Als een terebint stak ik mijn takken uit en het waren luisterrijke, mooie takken.
Sir. 24,17 Als een wijnstok kreeg ik mooie loten en mijn bloesems werden luisterrijke, volle vruchten.
Sir. 24,18
Sir. 24,19 Komt tot mij, gij die naar mij verlangt, en verzadigt u met mijn vruchten,
Sir. 24,20 want het denken aan mij is zoeter dan honing en mij bezitten is zoeter dan honingraat.
Sir. 24,21 Wie mij eten houden nog honger naar mij en wie mij drinken wensen steeds meer.
Sir. 24,22 Hij die mij gehoorzaamt wordt niet beschaamd en zij die in mijn geest werken mislukken niet.'
Sir. 24,23 Dit alles is gegeven met het verbondsboek van de aller hoogste God, met de wet, die Mozes ons heeft opgelegd als erfdeel voor Jacobs gemeenten.
Sir. 24,24
Sir. 24,25 De wet is boordevol wijsheid, zo vol als de Pison en de Tigris in de dagen van de nieuwe vruchten.
Sir. 24,26 Zij geeft overvloed aan inzicht; zij is als de Eufraat en de Jordaan in de dagen van de oogst.
Sir. 24,27 Zij doet kennis stromen, zo rijk als de Nijl en als de Gichon in de dagen van de druivenoogst.
Sir. 24,28 De eerste leert haar niet volledig kennen en de laatste achterhaalt haar evenmin.
Sir. 24,29 Want haar gedachten zijn voller dan de zee en voller dan de diepte zijn haar besluiten.
Sir. 24,30 En ik, ik ben als een waterloop, door een rivier gevoed, en als een wetering, die een lusthof binnenkomt.
Sir. 24,31 Ik zei: `Ik ga mijn boomgaard water geven en mijn plantage bevloeien.' En zie, mijn waterloop is een rivier en mijn rivier is een zee geworden.
Sir. 24,32 Verder wil ik mijn onderricht zo helder maken als de dageraad en het tot in de verte laten stralen.
Sir. 24,33 Verder wil ik mijn leer als een profetie laten stromen en haar nalaten aan verre geslachten.
Sir. 24,34 Ik heb mij dus niet alleen voor mijzelf ingespannen, maar voor allen die de wijsheid zoeken.

Sir. 25,1 In drie dingen vindt mijn hart behagen; zij zijn welgevallig bij de Heer en de mensen: eendracht onder broers, vriend schap met de naaste en een goede verstandhouding tussen man en vrouw.
Sir. 25,2 Drie soorten mensen verfoeit mijn hart en ik erger mij diep over hun levenswijze: een verwaande bedelaar, een oneerlijke rijkaards en een overspelige grijsaard met te weinig verstand.
Sir. 25,3 Wat gij in uw jeugd niet hebt bijeengebracht hoe zoudt gij dat in uw ouderdom vinden?
Sir. 25,4 Hoe aantrekkelijk is het, als mannen met grijze haren recht spreken, en als oudere mensen goede raad weten!
Sir. 25,5 Hoe aantrekkelijk is wijsheid bij oude mensen en door zicht en goede raad bij mannen van aanzien!
Sir. 25,6 Rijke ervaring is de kroon van de oude mensen en de vrees voor de Heer is hun roem.
Sir. 25,7 Ik weet negen dingen die ik in mijn hart prijs en ook het tiende zal ik uitspreken: Een mens die vreugde beleeft aan zijn kinderen en iemand die nog bij zijn leven de val van zijn vijanden mag zien.
Sir. 25,8 Gelukkig is hij die een verstandige vrouw heeft en hij die niet met os en ezel tegelijk ploegt en hij die in zijn spreken niet uitglijdt en hij die niet zijn mindere hoeft te dienen.
Sir. 25,9 Gelukkig is hij die inzicht heeft gevonden en hij die spreekt voor oren die luisteren.
Sir. 25,10 Hoe groot is hij die wijsheid vindt! Maar niemand overtreft de man die de Heer vreest.
Sir. 25,11 De vrees voor de heer gaat alles te boven; wie haar bezit is met niemand te vergelijken.
Sir. 25,12
Sir. 25,13 Alle leed desnoods, maar geen hartenleed, alle kwaadaardigheid, maar geen kwaadaardigheid van een vrouw!
Sir. 25,14 Alle ellende desnoods, maar geen ellende van mensen die mij haten, alle afstraffingen, maar geen afstraffingen door vijanden!
Sir. 25,15 Geen erger gif dan het gif van een slang, geen erger woede dan de woede van een vrouw.
Sir. 25,16 Ik huis veel liever met een leeuw of een draak dan met een kwaadaardige vrouw.
Sir. 25,17 De kwaadaardigheid van een vrouw verandert haar oogopslag en verduistert haar gezicht tot zij er uitziet als een berin.
Sir. 25,18 Al zit haar man aan tafel tussen zijn buren, onwillekeurig moet hij bitter zuchten.
Sir. 25,19 Alle kwaad is gering vergeleken bij een kwade vrouw: het lot van de zondaar moge op haar vallen.
Sir. 25,20 Als een zandige helling voor de voeten van een grijsaard, zo is een praatzieke vrouw voor een rustige man.
Sir. 25,21 Bezwijk niet voor de schoonheid van een vrouw en zet uw zinnen niet op wat zij bezit.
Sir. 25,22 Het is een harde slavernij en een grote schande, wanneer een vrouw haar man onderhoudt.
Sir. 25,23 Een vernederd hart, een somber gezicht en hartzeer: die komen van een kwaadaardige vrouw. Slappe handen en knikkende knieŽn: die komen van een vrouw die haar man niet gelukkig maakt.
Sir. 25,24 Bij een vrouw is de zonde begonnen en door haar moeten wij allen sterven.
Sir. 25,25 Laat aan het water niet de vrije loop en aan een boos aardige vrouw niet de vrijheid van spreken.
Sir. 25,26 Als zij niet aan uw zijde wandelt, snijd haar dan af van uw vlees.

Sir. 26,1 Een goede vrouw maakt haar man gelukkig en het getal van zijn dagen wordt dubbel zo groot.
Sir. 26,2 Een flinke vrouw is een vreugde voor haar man en zij laat hem al zijn jaren in vrede doorbrengen.
Sir. 26,3 Met een goede vrouw is men goed bedeeld; wie God vrezen krijgen haar als hun deel.
Sir. 26,4 Rijk of arm, hun hart is gelukkig en hun gezicht staat altijd opgewekt.
Sir. 26,5 Voor drie dingen is mijn hart beducht en voor het vierde ben ik bang. Opspraak in de stad, een samenscholing van de massa en een valse beschuldiging zijn allemaal erger dan de dood.
Sir. 26,6 Maar een vrouw die jaloers is op een andere vrouw en de gesel van haar tong, die er iedereen in probeert te betrekken: dat geeft pijn in het hart en groot verdriet.
Sir. 26,7 Als een slingerend ossenspan is een kwaadaardige vrouw: wie haar in toom probeert te houden is als een man die een schorpioen vastpakt.
Sir. 26,8 Een vrouw die drinkt is een grote ergernis: zij verbergt haar schandelijk gedrag niet.
Sir. 26,9 De ontuchtigheid van een vrouw blijkt uit haar oogopslag en door haar gelonk verraadt zij zich.
Sir. 26,10 Houdt een rebelse vrouw terdege in het oog; anders vergooit ze zich, als ze de kans krijgt.
Sir. 26,11 Als haar ogen onbeschaamd zijn, ga dan haar gangen zorgvuldig na en verbaas u niet, wanneer zij zich tegen u mis draagt.
Sir. 26,12 Als een dorstige reiziger doet zij haar mond open en drinkt van ieder water in haar buurt, zij gaat tegenover iedere tentpaal zitten en opent haar koker voor de pijl.
Sir. 26,13 De bekoorlijkheid van de vrouw verblijdt haar man en haar vaardigheid geeft merg aan zijn gebeente.
Sir. 26,14 Een zwijgzame vrouw is een geschenk van de Heer en beschaving is iets onbetaalbaars.
Sir. 26,15 Een ingetogen vrouw is dubbel bekoorlijk en niets weegt op tegen haar zelfbeheersing.
Sir. 26,16 De zon die opgaat aan de hoge hemel van de Heer: zo is de schoonheid van een goede vrouw in haar welgeordend huis.
Sir. 26,17 Het licht dat op de heilige luchter staat te stralen: zo staat de schoonheid van haar aangezicht op haar rustige gestalte.
Sir. 26,18 Gouden zuilen op een zilveren voetstuk: zo staan haar mooie benen op de stevige hielen.
Sir. 26,19
Sir. 26,20
Sir. 26,21
Sir. 26,22
Sir. 26,23
Sir. 26,24
Sir. 26,25
Sir. 26,26
Sir. 26,27
Sir. 26,28 Over twee dingen is mijn hart bedroefd en om een derde komt toorn in mij op: een vermogend man die tot armoe vervalt, verstandige mannen die geminacht worden en iemand die van gerechtigheid tot zonde komt: de Heer zal hem voor het zwaard bestem men.
Sir. 26,29 Een zakenman blijft nauwelijks voor een misstap bewaard en ook een kleine handelaar ontkomt niet aan de zonde.

Sir. 27,1 Uit winstbejag zondigen velen en wie erop uit is rijk te worden wendt zijn ogen af.
Sir. 27,2 Zoals een pin vast komt te zitten in de voegen tussen de stenen, zo wringt de zonde zich tussen verkoop en koop.
Sir. 27,3 Als iemand niet sterk staat in de vrees voor de Heer, zal snel en onverwijld zijn huis te gronde gaan.
Sir. 27,4 Als men een zeef schudt, blijft de afval liggen: zo is de kwalijke kant van een mens in zijn berekening te vinden.
Sir. 27,5 Het vaatwerk van de pottenbakker wordt in de oven beproefd: zo toetst men een mens aan zijn berekening.
Sir. 27,6 De vrucht van de boom laat het werk van de kweker zien: zo toont de berekening de plannen in het hart van een mens.
Sir. 27,7 Voor de berekening moet ge een mens niet prijzen, want daarin wordt de mens beproefd.
Sir. 27,8 Als gij zoekt wat rechtvaardig is zult gij het vinden en het aantrekken als een luisterrijke mantel.
Sir. 27,9 Vogels nestelen bij hun soort soortgenoten en de waarheid keert steeds terug naar wie haar beoefenen.
Sir. 27,10 Een leeuw loert op zijn prooi: zo loert de zonde op hen die onrecht bedrijven.
Sir. 27,11 Het betoog van een vroom man is altijd wijsheid, maar de onverstandige is even wisselvallig als de maan.
Sir. 27,12 Als gij in het gezelschap van onverstandigen komt, moet gij de tijd in het oog houden, maar komt gij in het gezelschap van verstandige mensen, dan moet gij lang blijven.
Sir. 27,13 Het gepraat van dwazen is ergerlijk en hun gelach klinkt in zondige uitspattingen.
Sir. 27,14 De taal van wie veel zweert doet de haren te berge rijzen en om hun geruzie stopt men zich de oren toe.
Sir. 27,15 Het geruzie van de hoogmoedigen staat gelijk met bloed vergieten en hun gescheld is pijnlijk om aan te horen.
Sir. 27,16 Wie geheimen verklapt, verspeelt het vertrouwen en vindt nooit een vriend naar zijn hart.
Sir. 27,17 Houd van uw vriend en blijf hem trouw, maar als ge zijn geheimen verklapt hebt, loop dan maar niet meer achter hem aan.
Sir. 27,18 Want zoals een mens zijn erfdeel verspeelt, zo hebt gij de vriendschap van uw naaste verspeeld;
Sir. 27,19 en zoals gij een vogel uit uw hand laat ontsnappen, zo hebt gij uw naaste laten schieten en gij vangt hem niet meer.
Sir. 27,20 Ziet hem maar niet meer na, want hij is al ver weg, ontkomen als een gazelle aan het vangnet.
Sir. 27,21 Want een wond is nog te verbinden en voor een scheld woord bestaat er vergeving, maar wie geheimen verklapt, heeft niets meer te hopen.
Sir. 27,22 Wie knipoogt, is iets kwaads van plan en wie het merkt, gaat hem uit de weg.
Sir. 27,23 Als u erbij bent, praat hij heel vriendelijk en hij is vol bewondering voor uw woorden, maar achteraf praat hij anders en werpt een smet op uw woorden.
Sir. 27,24 Er zijn veel dingen die ik verfoei, maar niets zo diep als een dergelijke man, en ook de Heer verfoeit hem.
Sir. 27,25 Wie een steen omhoog gooit, die gooit hem op zijn eigen hoofd en een verraderlijke slag slaat diepe wonden.
Sir. 27,26 Wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in en wie een strik uitzet raakt er zelf in gevangen.
Sir. 27,27 Als iemand kwaad bedrijft, valt het om hemzelf terug, en hij weet niet eens, vanwaar het hem treft.
Sir. 27,28 Spot en smaad zijn weggelegd voor de verwaande en de wraak loert op hem, als een leeuw.
Sir. 27,29 Wie zich over het ongeluk van de vromen verheugen komen zelf in een valstrik terecht, en zij worden door smart verteerd, nog voor hun dood.
Sir. 27,30 Ook wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks: alleen een zondaar blijft ermee lopen.

Sir. 28,1 Wie wraak neemt, zal de wraak van de Heer voelen: Hij zag zijn zonden nooit uit het oog verliezen.
Sir. 28,2 Vergeef uw naaste zijn onrecht: dan worden, wanneer gij erom bidt, uw eigen zonden kwijtgescholden.
Sir. 28,3 Kan een mens, die tegenover een medemens in zijn gram schap volhardt, bij de Heer zijn heil komen zoeken?
Sir. 28,4 Kan hij, die onverbiddelijk is voor zijn evenmens, om vergeving bidden voor zijn eigen zonden?
Sir. 28,5 Als iemand, die zelf maar een mens is, in zijn wrok volhardt, wie zal dan verzoening bewerken voor zijn zonden?
Sir. 28,6 Denk aan het einde en houd op met haten; denk aan de ondergang en de dood en houd u aan de geboden.
Sir. 28,7 Denk aan de geboden en wrok niet tegen uw naaste; denk aan het verbond met de Allerhoogste en zie door de vingers wat maar onwetendheid is.
Sir. 28,8 Onthoud u van vechtpartijen en gij zult minder zondigen, want een driftig mens doet de strijd ontbranden.
Sir. 28,9 Een zondig mens zaait tweedracht tussen vrienden en brengt vijandschap onder hen die in vrede leven.
Sir. 28,10 Hoe meer hout er in het vuur komt, des te hoger vlamt het op; hoe hardnekkiger de strijd is, des te heviger wordt hij; hoe meer kracht iemand heeft, des te groter is zijn woede, en hoe rijker hij is, des te hoger laat hij zijn toorn oplaaien.
Sir. 28,11 Een plotselinge ontstane twist doet het vuur opvlammen en een overijlde vechtpartij doet bloed vloeien.
Sir. 28,12 Als gij op een vonk blaast, dan vlamt zij op en als gij erop spuwt, dan dooft zij uit. En toch is het een zowel als het ander het werk van uw mond. van de tong
Sir. 28,13 De roddelaar en de man met de dubbele tong, gij moet ze vervloeken, want velen die in vrede leven worden door hen in het ongeluk gestort.
Sir. 28,14 De tong van een derde heeft de rust van velen verstoord, heeft hen opgejaagd van volk tot volk, heeft sterke steden neergehaald en huizen van grote heren verwoest.
Sir. 28,15 De tong van een derde heeft kordate vrouwen verjaagd en beroofd van de vrucht van haar werk.
Sir. 28,16 Wie ernaar luistert vindt geen rust meer en woont nooit meer ongestoord.
Sir. 28,17 Een slag met een zweep maakt een striem, maar een slag met de tong breekt botten.
Sir. 28,18 Velen zijn gesneuveld door de snede van het zwaard, maar niet zoveel als er gesneuveld zijn door de tong.
Sir. 28,19 Gelukkig hij die tegen haar beschermd is, die niet het offer wordt van haar woede, die haar juk niet hoeft te torsen en door haar boeien niet gekluisterd wordt.
Sir. 28,20 want haar juk is een ijzeren juk en haar boeien zijn boeien van koper.
Sir. 28,21 De dood die zij brengt is een kwade dood en de onderwereld is beter dan zij.
Sir. 28,22 Op de vromen heeft zij geen vat en zij zullen in haar vuur niet branden.
Sir. 28,23 Degenen die de Heer verlaten vallen in haar macht en zij laait in hen op en is niet meer te blussen. Als een leeuw wordt zij op hen losgelaten en als een panter takelt zij hen toe.
Sir. 28,24 Omhein dus uw wijngaard met dorens, zet voor uw mond een deur en een grendel,
Sir. 28,25 sluit weg uw zilver en uw goud, maak voor uw woorden een weegschaal en een gewicht. Pas op, dat gij door de tong niet uitglijdt en dat gij niet ten val komt onder het oog van wie u belaagt.

Sir. 29,1 Wie barmhartig is, leent zijn geld aan zijn naaste en wie hem de helpende hand biedt, onderhoudt de geboden.
Sir. 29,2 Leen aan uw naaste, wanneer hij het nodig heeft. Geef anderzijds het geleende op tijd aan uw naaste terug.
Sir. 29,3 Houd u aan uw woord en toon u betrouwbaar in de omgang; dan vindt gij altijd wat gij nodig hebt.
Sir. 29,4 Velen beschouwen het geleende als gevonden geld en bezorgen last aan wie hen geholpen hebben.
Sir. 29,5 Zo iemand kust zijn naaste de handen totdat hij het geld heeft gekregen en vanwege zijn geld spreekt hij hem onderdanig aan, maar als het ogenblik van terugbetalen is gekomen, stelt hij het uit, betaalt hij onvriendelijke woorden terug en geeft de schuld aan de tijd.
Sir. 29,6 Ook al kan de schuldenaar best betalen, de eiser krijgt maar met moeite de helft en moet dat nog als gevonden beschouwen. Kan hij niet betalen, dan berooft hij de man van zijn geld en maakt hem nodeloos tot zijn vijand. Verwensingen en schimpscheuten betaalt hij hem terug en in plaats van eerbetoon betaalt hij hem smaad.
Sir. 29,7 Niet uit kwaadwilligheid zijn velen weigerachtig, maar uit vrees om nodeloos te worden beroofd,
Sir. 29,8 Wees toch maar grootmoedig voor de arme en laat hem niet op zijn aalmoes wachten.
Sir. 29,9 Help de arme, omdat het geboden is, en stuur hem, als hij in nood verkeert, niet met lege handen weg.
Sir. 29,10 Verlies uw geld maar aan een broer of vriend en laat het niet onder een steen verroesten en teloorgaan.
Sir. 29,11 Gebruik uw schatten volgens de geboden van de Aller hoogste, en zij brengen u meer op dan goud.
Sir. 29,12 Berg aalmoezen in uw schatkamers; die redden u uit alle ellende.
Sir. 29,13 Beter dan een sterk schild en beter dan een zware lans strijden zij voor u tegen de vijand.
Sir. 29,14 Een goed man blijft borg voor zijn naaste, maar een schaamteloze laat hem in de steek.
Sir. 29,15 Vergeet de vriendelijkheid van uw borg niet, want hij heeft zichzelf voor u gegeven.
Sir. 29,16 Wie het goed van zijn borg verkwist, is een zondaar
Sir. 29,17 en wie geen dankbaarheid voelt, laat zijn redder in de steek.
Sir. 29,18 Het borg blijven heeft veel welgestelden te gronde gericht en heeft hen heen en weer geslagen als de golven van de zee. Het heeft machtige mannen uit hun huizen verdreven zodat ze vagebonden werden onder vreemde volken.
Sir. 29,19 De zondaar stort zich op borgstellingen en in zijn zucht naar winst stort hij zich in processen.
Sir. 29,20 Help uw naaste naar vermogen, maar pas op dat gij niet ten val komt.
Sir. 29,21 De eerste levensbehoeften zijn water, brood, kleding en een huis dat de naaktheid bedekt.
Sir. 29,22 Beter is een armoedig bestaan onder een dak van planken dan heerlijke spijzen in andermans huis.
Sir. 29,23 Of gij nu weinig of veel krijgt, blijf tevreden, en gij zult u niet voor vreemdeling horen uitschelden.
Sir. 29,24 Het is een ellendig leven, van huis tot huis te gaan, want waar gij vreemdeling zijt, moogt gij uw mond niet opendoen.
Sir. 29,25 Gij moet trakteren en gij moet te drinken geven en ondank is uw loon; gij krijgt zelfs nog harde woorden te horen.
Sir. 29,26 `Kom binnen, vreemdeling! Dek de tafel maar en zet mij voor wat ge bij u hebt!'
Sir. 29,27 `Eruit vreemdeling! Mijn aanzien eist het! Mijn broer is mij bij komen logeren; ik heb het huis nodig.'
Sir. 29,28 Zwaar is dat voor een man met verstand, dat hem het huis niet gegund wordt en dat hij wordt gesmaad als was hij een schuldeiser.

Sir. 30,1 Wie zijn zoon liefheeft moet hem slagen blijven toedienen om tenslotte vreugde aan hem te beleven.
Sir. 30,2 Wie zijn zoon goed opvoedt zal er wel bij varen en zal zich op hem kunnen beroemen in de kring van zijn kennissen.
Sir. 30,3 Wie zijn zoon onderwijst maakt zijn vijand jaloers en gaat groot op hem tegenover zijn vrienden.
Sir. 30,4 Is de vader van die zoon overleden, dan is hij toch niet gestorven, want hij heeft zijn evenbeeld nagelaten.
Sir. 30,5 Bij zijn leven zag hij hem met vreugde en bij zijn overlijden had hij geen verdriet.
Sir. 30,6 Zijn vijanden heeft hij een wreker nagelaten, zijn vrienden een man die hun goedheid vergeldt.
Sir. 30,7 Als iemand zijn zoon vertroetelt zal hij zijn eigen wonden moeten verbinden en zal zijn hart beven bij iedere kreet.
Sir. 30,8 Zonder dressuur wordt een paard onhandelbaar en een zoon die men vrij laat springt uit de band.
Sir. 30,9 Verwen een kind en het zal u verbijsteren; speel met hem en hij zal u verdriet doen.
Sir. 30,10 Lach niet met hem mee, want dat brengt u leed en ten slotte maakt gij uw tanden stomp.
Sir. 30,11 Laat hem in zijn jeugd niet de volle vrijheid en ver draag zijn domme streken niet.
Sir. 30,12 Buig zijn nek in zijn jeugd en breek hem de ribben, zolang hij nog jong is; anders wordt hij onhandelbaar en gehoorzaamt hij u niet meer.
Sir. 30,13 Voed uw zoon goed op en maak zijn juk zwaar; anders struikelt gij over zijn onbehouwenheid.
Sir. 30,14 Beter een arme, die gezond is en sterk van gestel, dan een rijke, die lichamelijk een wrak is.
Sir. 30,15 Gezondheid en een goed gestel gaan alle goud te boven en een sterke geest is beter dan onmetelijke rijkdom.
Sir. 30,16 Geen rijkdom is meer waard dan een gezond lichaam en er is geen blijdschap die hartenvreugde te boven gaat.
Sir. 30,17 De dood is verkieslijker dan een bitter leven en de eeuwige rust gaat boven een slepende kwaal.
Sir. 30,18 Lekkernijen, uitgestald bij een gesloten mond, zijn als spijsoffers, neergelegd bij een afgodsbeeld.
Sir. 30,19 Wat heeft het beeld aan dat offer? Het kan immers eten noch ruiken! Zo is het ook met hem, die door de Heer vervolgd wordt.
Sir. 30,20 Hij ziet het voor zijn ogen en hij zucht, net als een castraat die een meisje omarmt.
Sir. 30,21 Geef u niet over aan droefheid en kwel u niet met uw tobberijen.
Sir. 30,22 Blijheid van hart doet een mens leven en een vrolijke man leeft lang.
Sir. 30,23 Zoek afleiding voor uw zorgen en troost uw hart en jaag de droefheid ver van uw weg. Want door droefheid zijn velen te gronde gegaan en zij dient tot niets.
Sir. 30,24 Jaloezie en toorn verkorten het leven en kommer maakt iemand oud voor de tijd.
Sir. 30,25 De slaap van de blijhartige mens is als een lekkernij en zijn eten smaakt hem goed.

Sir. 31,1 Wakker liggen over de rijkdom mergelt het lichaam uit; dergelijke zorgen houden de slaap weg.
Sir. 31,2 Zorg over het levensonderhoud weert de slaap; meer dan een zware ziekte houdt ze de slaap weg.
Sir. 31,3 De rijke spant zich in en verzamelt geld en als hij ermee ophoudt, kan hij genieten,
Sir. 31,4 De arme spant zich in en krijgt niet genoeg en als hij ermee ophoudt, is hij noodlijdend.
Sir. 31,5 Wie het goud liefheeft valt niet te rechtvaardigen en wie winst najaagt komt op een dwaalspoor.
Sir. 31,6 Velen zijn door het goud ten val gekomen en stonden eensklaps voor hun ondergang.
Sir. 31,7 Het is een struikelblok voor wie er verzot op zijn: iedere dwaas laat er zich door vangen.
Sir. 31,8 Gelukkig de rijke die onberispelijk blijkt te zijn en niet achter het goud is aangelopen.
Sir. 31,9 Wie is hij? Dan prijzen wij hem gelukkig, want hij heeft zich te midden van zijn volk bewonderenswaardig gedragen.
Sir. 31,10 Wie is er op dit punt beproefd en is volmaakt gebleken? Hij zal erom geroemd worden. Wie kon zondigen en zondigde niet? Wie kon kwaad doen en deed het niet?
Sir. 31,11 Daarom zal zijn geluk bestendigd worden en zal de vergadering van zijn weldaden gewagen.
Sir. 31,12 Mijn zoon, wanneer gij aan een rijke tafel aanzit, sper uw keelgat dan niet open en zeg niet: `Er staat zo veel op!'
Sir. 31,13 Bedenk dat een afgunstig oog iets ergs is. Iets ergers dan zo'n oog is er niet geschapen; daarom traant het ook bij alles wat het ziet.
Sir. 31,14 Als iemand met zo'n oog toekijkt, moet gij uw hand niet uitsteken en gij moet in de schotel zijn hand niet raken.
Sir. 31,15 Beoordeel de gevoelens van uw disgenoot naar uzelf en denk na bij alles wat ge doet.
Sir. 31,16 Wat voor u staat moet gij als een behoorlijk mens opeten en gij moet niet gulzig zijn: anders wekt gij weerzin op.
Sir. 31,17 Wees de eerste die ophoudt: dat is welgemanierd; en wees geen veelvraat: anders geeft gij aanstoot.
Sir. 31,18 Zit gij in een groot gezelschap aan, steek dan niet als eerste uw hand uit.
Sir. 31,19 Een welgemanierd mens neemt met zo weinig genoegen! en hij ligt ook niet te hijgen op zijn bed.
Sir. 31,20 Op matig eten volgt een gezonde slaap: hij staat vroeg op en voelt zich dan monter. Hinderlijke slapeloosheid, onpasselijkheid en maagkrampen zijn het lot van de veelvraat.
Sir. 31,21 En als men u gedwongen heeft veel te eten, sta dan op en braak het maar uit en gij zult u opgelucht voelen.
Sir. 31,22 Luister naar mij, mijn zoon, en versmaad mij niet: dan zult ge tenslotte mijn woorden wel begrijpen. Wees bescheiden in alles wat gij doet: dan overkomt u geen enkele ziekte.
Sir. 31,23 Wie goede tafelmanieren heeft wordt geprezen en het getuigenis van zijn goede manieren blijft bestaan.
Sir. 31,24 Over hem die slechte tafelmanieren heeft spreekt de hele stad schande en het getuigenis van zijn slechte manieren blijft bestaan.
Sir. 31,25 Bij het wijndrinken moet ge geen held willen zijn, want de wijn heeft velen te gronde gericht.
Sir. 31,26 De oven beproeft het staal op zijn hardheid: zo beproeft de wijn de harten, als de hoogmoedigen ruzie maken.
Sir. 31,27 Wijn staat voor de mens gelijk met leven, wanneer ge hem met mate drinkt. Wat is het leven voor iemand die geen wijn heeft? Hij is al in het begin geschapen om vreugde te geven.
Sir. 31,28 Blijdschap van hart en vreugd in de ziel: die geeft de wijn, als hij op zijn tijd met mate wordt gedronken.
Sir. 31,29 Verbittering in de ziel door twist en krakeel: die geeft de wijn, als hij overdadig wordt gedronken.
Sir. 31,30 Dronkenschap maakt het hart van de dwaas zo heftig dat hij komt te vallen: zij ondermijnt zijn kracht en bezorgt hem ook nog wonden.
Sir. 31,31 Als gij samen wijn drinkt, moet gij uw buurman geen verwijten maken en gij moet hem niet minachten, als hij vrolijk wordt. Gij moet hem dan ook niet uitschelden en hem niet lastig vallen door iets van hem terug te vragen.

Sir. 32,1 Hebben ze u de leiding van het feest gegeven, verhef u daar dan niet op; wees in hun midden als een van de gasten. Zorg eerst voor de anderen en ga dan zelf pas zitten.
Sir. 32,2 Neem plaats als gij uw taak vervuld hebt. Dan zult gij u verheugen om hun eerbetoon en een krans krijgen voor uw hoffelijk optreden.
Sir. 32,3 Neem het woord maar, grijsaard: het komt u toe. Wees echter bescheiden met uw wijsheid en stoor de muziek niet.
Sir. 32,4 Waar iets ten gehore wordt gebracht, moet gij niet overdadig praten en gij moet niet uw wijsheid ten beste geven op een ongelegen ogenblik.
Sir. 32,5 Een robijnen zegel op een gouden sieraad: dat is een concert bij het wijndrinken.
Sir. 32,6 Een zegel van smaragd in goud gevat: dat is de melodie van de muziek bij zoete wijn.
Sir. 32,7 Neem het woord alleen, jongeman, als men u wil horen en doe het hoogstens na tweemaal gevraagd te zijn.
Sir. 32,8 Spreek kort en krachtig en zeg veel met weinig woorden. Wees als iemand die weet en zwijgt.
Sir. 32,9 In een kring van notabelen moet gij u niet te veel laten gelden en waar grijsaards zijn moet gij niet breedvoerig praten.
Sir. 32,10 Voor het dondert flitst de bliksem en welgevallen gaat de bescheiden mens vooraf.
Sir. 32,11 Sta bijtijds op en treuzel niet, loop vlug naar huis en blijf niet rondhangen.
Sir. 32,12 Daar kunt gij u vermaken en doen wat u invalt, maar misdoe niet door overmoedige taal.
Sir. 32,13 En om dat alles moet gij Hem prijzen die u gemaakt heeft en die u met zijn goede gaven verzadigt.
Sir. 32,14 Wie de Heer vreest zal zijn lessen ter harte nemen en wie Hem in de vroegte zoeken zullen zijn welbehagen vinden.
Sir. 32,15 Wie de wet zoekt zal ervan vervuld worden, maar degene die zich tegen haar verzet komt door haar ten val.
Sir. 32,16 Wie de Heer vrezen zullen zijn oordelen leren kennen en zullen zijn bevelen als een licht laten schijnen.
Sir. 32,17 Een zondig mens onttrekt zich aan het vonnis en vindt een uitleg naar zijn eigen wens.
Sir. 32,18 Een bedachtzaam mens zal bezinning niet versmaden, maar de verdwaasde en hoogmoedige weet van geen vrees.
Sir. 32,19 Doe niets zonder overleg en gij zult naderhand geen spijt hebben.
Sir. 32,20 Wandel niet over een verraderlijke weg en gij zult u aan geen stenen stoten.
Sir. 32,21 Waag u niet op de weg van de zondaars;
Sir. 32,22 dan hoeft gij voor de afloop niet bezorgd te zijn.
Sir. 32,23 Neem uzelf in acht bij al uw daden, want alwie dat doet onderhoudt de geboden.
Sir. 32,24 Wie de wet onderhoudt geeft acht op zichzelf en wie op de Heer vertrouwt zal niet beschaamd worden.

Sir. 33,1 Wie de Heer vreest wordt door geen onheil getroffen, en wordt hij beproefd, hij wordt ook weer gered.
Sir. 33,2 Wie een afkeer heeft van de wet wordt nooit een wijs man; hij wordt heen en weer geslingerd als een schip in de storm.
Sir. 33,3 Een verstandig man vertrouwt op de wet; hij heeft in de wet evenveel vertrouwen als in het raadplegen van orakels.
Sir. 33,4 Bereid uw woorden voor: dan zal men naar u luisteren. Breng bijeen wat gij geleerd hebt en geef dan antwoord.
Sir. 33,5 Als een wagenrad is het hart van een dwaas, als een draaiende as is zijn denken.
Sir. 33,6 Een spottende vriend is als een dekhengst die hinnikt onder iedere berijder.
Sir. 33,7 Waarom is de ene dag beter dan de andere? Alle zonlicht komt toch het hele jaar door van de zon?
Sir. 33,8 Ze zijn van elkaar gescheiden door de wijsheid van de Heer en hij heeft de verschillende tijden en feesten gemaakt.
Sir. 33,9 Sommige dagen heeft hij verheven en geheiligd en andere tot doordeweekse dagen gemaakt.
Sir. 33,10 Zo zijn alle mensen uit de aardbodem afkomstig en is Adam uit aarde geschapen.
Sir. 33,11 Maar in de volheid van zijn weten heeft de Heer de mensen gescheiden en hun verschillende wegen gewezen.
Sir. 33,12 Sommigen van hen heeft Hij gezegend en verheven, anderen heeft Hij geheiligd en tot zich laten naderen. Weer anderen heeft Hij vervloekt en vernederd en van hun plaats verjaagd.
Sir. 33,13 Als leem, dat de pottenbakker in zijn hand heeft om het te boetseren naar zijn welbehagen: zo zijn de mensen in de hand van hun Maker, die aan ieder geeft naar zijn beslissing.
Sir. 33,14 Tegenover het kwade staat het goede, tegenover de dood het leven: zo staat tegenover de vrome de zondaar.
Sir. 33,15 En zo moet gij alle werken van de Allerhoogste bekijken: paarsgewijs, het een tegenover het ander.
Sir. 33,16 Ik voor mij, ik was de laatste die waakte, als een nalezer was ik achter de druivenplukkers.
Sir. 33,17 Door de zegen van de Heer kwam ik naar voren en ik heb als een druivenplukker de perskuip gevuld.
Sir. 33,18 Bedenkt dat ik niet voor mijzelf alleen gezwoegd heb, maar voor allen die onderrichting zoeken.
Sir. 33,19 Luistert naar mij, gij machthebbers van het volk, en gij leiders van de vergadering, knoopt het in uw oor.
Sir. 33,20 Laat zoon noch vrouw, broeder noch vriend ooit macht over u krijgen, zolang gij leeft. Geef uw geld niet aan een ander; dan hoeft gij er later niet met spijt om te bedelen.
Sir. 33,21 Zolang gij leeft en er adem in u is, moet gij u door geen mens laten overheersen.
Sir. 33,22 Het is beter dat uw kinderen u iets moeten vragen dan dat gij naar de handen van uw zonen moet kijken.
Sir. 33,23 Blijf heer en meester, bij al wat gij doet, en laat op uw eer geen smet vallen.
Sir. 33,24 Op uw laatste dag, als uw leven voleind is, ja, als de dood is gekomen, verdeel dan uw erfenis.
Sir. 33,25 Voer en de stok en lasten zijn voor de ezel, brood, kastijding en arbeid zijn voor de slaaf.
Sir. 33,26 Zet uw knecht aan het werk en gij zult rust vinden; laat zijn handen werkeloos en hij zal de vrijheid zoeken.
Sir. 33,27 Haam en halster buigen de nek en voor een kwaadwillige slaaf zijn er nog lijfstraffen en folteringen.
Sir. 33,28 Zet hem duchtig aan het werk, ander wordt hij een leegloper, want van leegloperij leert hij niets dan kwaad.
Sir. 33,29 Laat hem werken, zoals dit voor hem past, en als hij niet gehoorzaamt, zet hem dan in het blok.
Sir. 33,30 Maar gij moogt van geen mens te veel vergen en niets doen wat onbillijk is.
Sir. 33,31 Als gij een slaaf hebt, beschouw hem dan als uzelf, want gij hebt hem met bloed gekocht;
Sir. 33,32 als gij een slaaf hebt, behandel hem dan als uw broeder, want gij hebt hem nodig als uw eigen leven.
Sir. 33,33 Wanneer gij hem slecht behandelt, dan loopt hij weg, dan loopt hij verloren. En waar zult gij hem dan zoeken?

Sir. 34,1 IJDELE en bedrieglijke verwachtingen: daar lijdt een onverstandig man aan en dromen brengen de dwazen het hoofd op hol.
Sir. 34,2 Als iemand die naar een schaduw grijpt en die de wind achternazit, zo is degene die op dromen afgaat.
Sir. 34,3 Een droomgezicht is louter herhaling, tegenover het gelaat de gelijkenis van het gelaat.
Sir. 34,4 Hoe komt er iets reins uit iets onreins en hoe komt er waarheid uit leugen?
Sir. 34,5 Waarzeggerij, wichelarij en dromen zijn bedrog en het hart beeldt zich in wat het hoopt.
Sir. 34,6 Wanneer ze niet door de Allerhoogste gezonden worden, bij wijze van gunst, moet gij er geen waarde aan hechten,
Sir. 34,7 want dromen hebben al velen op een dwaalspoor gebracht en die erop bouwden zijn ten val gekomen.
Sir. 34,8 De wet komt zonder bedrog tot haar recht en de wijsheid kan volstaan met een betrouwbaar woordvoerder.
Sir. 34,9 Iemand die veel heeft rondgereisd heeft veel kennis opgedaan en een man met veel ervaring weet verstandige dingen te vertellen.
Sir. 34,10 Wie geen ervaring heeft opgedaan weet ook niet veel,
Sir. 34,11 maar wie heeft rondgereisd, hij is van alle markten thuis.
Sir. 34,12 Ik heb op mijn reizen veel gezien en ik weet meer dan mijn woorden zeggen.
Sir. 34,13 Herhaaldelijk ben ik in doodsgevaar geweest en ben ik door Gods hulp gered.
Sir. 34,14 Die de Heer vrezen zullen in leven blijven,
Sir. 34,15 want hun hoop is gericht op Hem die redt.
Sir. 34,16 Wie de Heer vreest is voor niets beducht en hij deinst nooit terug, want de Heer is zijn hoop.
Sir. 34,17 Gelukkig het hart van hem die de Heer vreest.
Sir. 34,18 Op wie bouwt hij? Wie is zijn steun?
Sir. 34,19 De ogen van de Heer zijn gericht op degenen die Hem liefhebben, een machtig schild en een sterke steun, een beschutting tegen de schroeiende wind en een scherm tegen de middagzon. Hij behoedt hen voor struikelen en helpt hen om niet te vallen.
Sir. 34,20 Hij verhoogt hun levenskracht en verlicht hun ogen. Hij heeft genezing, leven en zegen.
Sir. 34,21 Als iemand offert van onrechtmatig verkregen goed, dan is dat offer bezoedeld,
Sir. 34,22 en de gaven van wie de wet niet achten zijn niet welgevallig.
Sir. 34,23 De Allerhoogste heeft geen welgevallen in de offers van de onvromen en voor hem is de veelheid van de offers geen reden om de zonden te vergeven.
Sir. 34,24 Iemand die de zoon afslacht onder de ogen van zijn vader: dat is degene die een offer brengt van het goed van de armen.
Sir. 34,25 Van bedelaarsbrood moeten de armen leven. Wie het hun ontrooft, vergrijpt zich aan hun bloed.
Sir. 34,26 Wie het levensonderhoud van zijn naaste wegneemt, is zijn moordenaar
Sir. 34,27 en wie een dagloner van zijn loon berooft, is een man die bloed vergiet.
Sir. 34,28 Als er een opbouwt en een afbreekt, wat baat dat dan? Zij tobben zich alleen maar af.
Sir. 34,29 Als er een bidt en een vervloekt, naar wiens stem moet de Heer dan luisteren?
Sir. 34,30 Als iemand, na zich gereinigd te hebben, hetzelfde lijk toch weer aanraakt, wat baat dan het wassen?
Sir. 34,31 Zo is het ook, als een man voor zijn zonden vast en dan toch weer hetzelfde gaat doen: wie zal er dan luisteren naar zijn gebed en wat baat het hem dan, dat hij zich heeft vernederd?

Sir. 35,1 Wie de wet in acht neemt brengt vele offers,
Sir. 35,2 wie zich houdt aan de geboden, brengt daarmee een vrede offer;
Sir. 35,3 wie een weldaad bewijst, brengt een spijsoffer,
Sir. 35,4 en wie een aalmoes geeft, brengt een dankoffer.
Sir. 35,5 De Heer heeft welgevallen in het breken met de boosheid, en breken met de ongerechtigheid is verzoening.
Sir. 35,6 Verschijn niet met lege handen voor de Heer,
Sir. 35,7 want al deze dingen eist het gebod.
Sir. 35,8 Het offer van de rechtvaardige maakt het altaar vet, en de welriekende geur ervan komt voor de Allerhoogste;
Sir. 35,9 het offer van een rechtvaardige is welgevallig; en de herinnering eraan wordt niet vergeten.
Sir. 35,10 Verheerlijk de Heer met een blij gelaat en onttrek niets aan de eerstelingen die gij moet geven;
Sir. 35,11 toon bij al uw gaven een vrolijk gezicht, en heilig de tienden met vreugde.
Sir. 35,12 Geef aan de Allerhoogste naar hetgeen Hij u geschonken heeft; geef met een blij gelaat en naar uw vermogen,
Sir. 35,13 want Hij is een Heer die beloont: Hij geeft het u zevenvoudig terug.
Sir. 35,14 Probeer Hem niet om te kopen, want Hij aanvaardt het niet,
Sir. 35,15 en stel uw vertrouwen niet in een door onrecht verkregen offergave, want de Heer weet te oordelen en persoonlijk aanzien geldt niet bij Hem.
Sir. 35,16 Hij is niet partijdig ten nadele van de arme en Hij luistert naar het gebed van de ontrechte.
Sir. 35,17 Hij slaat acht op de smeekbede van de wees en op het lange verhaal, dat de weduwe doet,
Sir. 35,18 want de tranen van de weduwe stromen langs haar wangen en zij kermt over de man, die ze doet stromen.
Sir. 35,19
Sir. 35,20 Wie God dient naar zijn welbehagen, vindt genade bij Hem en zijn smeekbede reikt tot de wolken.
Sir. 35,21 Het gebed van de nederige dringt door de wolken heen. Zolang het God niet bereikt heft, is hij ontroostbaar en hij houdt aan, tot de Allerhoogste naar hem omziet
Sir. 35,22 en oordeelt ten gunste van de rechtvaardige en dat oordeel ook ten uitvoer brengt. De Heer talmt zeker niet en voor de onbarmhartigen zal Hij niet lankmoedig zijn, maar Hij zal hun de lenden breken
Sir. 35,23 en aan de volken het strafgericht voltrekken. Hij zal de menigte van de hoogmoedigen uitroeien en de scepters van de onrechtvaardigen breken.
Sir. 35,24 Hij zal de mens naar zijn daden vergelden en de werken van de mensen naar hun bedoelingen,
Sir. 35,25 Hij zal de zaak van zijn volk beslechten en Hij zal hen met zijn erbarming verblijden.
Sir. 35,26 Even welkom is zijn erbarming in de tijd van de ver drukking als regenwolken in de tijd van de droogte.

Sir. 36,1 Erbarm U over ons, Heer, God van het heelal,
Sir. 36,2 en boezem alle volkeren schrik voor U in.
Sir. 36,3 Hef uw hand op tegen de vreemde volkeren en laat hen uw macht aanschouwen.
Sir. 36,4 Voor hun ogen hebt Gij in ons uw heiligheid getoond: toon zo ook voor onze ogen in hen uw glorie.
Sir. 36,5 Laten zij weten, zoals ook wij het weten, dat er geen God is, buiten U.
Sir. 36,6 Hernieuw de tekenen, herhaal de wonderen,
Sir. 36,7 toon de majesteit van uw hand en van uw rechterarm.
Sir. 36,8 Wek uw gramschap op en stort uw toorn uit,
Sir. 36,9 vaag de tegenstander weg en verdelg de vijand.
Sir. 36,10 Verhaast uw tijd en wees uw eed indachtig en laat men gewagen van uw grote daden.
Sir. 36,11 Wie tracht te ontkomen, laat hem verslonden worden door het vuur van uw toorn, en mogen zij die uw volk schaden de dood vinden.
Sir. 36,12 Verbrijzel de koppen van de aanvoerders der vijanden, die zeggen: `er is niemand buiten ons!'
Sir. 36,13 Breng al de stammen van Jakob bijeen en geef hun het erfdeel, zoals weleer.
Sir. 36,14 Erbarm U over het volk, o Heer, dat met uw naam genoemd wordt, en over IsraŽl, dat Gij hebt verheven tot uw eerstgeborene.
Sir. 36,15 Erbarm U over de stad die U is toegeheiligd, over Jeruzalem, de plaats van uw rust.
Sir. 36,16 Vervul Sion met de faam van uw daden en uw tempel met uw glorie.
Sir. 36,17 Neem het op voor uw eerste werkstuk en vervul de profetieŽn, in uw naam gegeven.
Sir. 36,18 Beloon degenen die op U vertrouwen en laat uw profeten geloofwaardig blijken. Luister, Heer, naar het gebed van uw dienaren,
Sir. 36,19 zoals uw welbehagen in uw volk dat wil, en alle mensen op aarde zullen weten dat Gij de Heer zijt, de God van de eeuwen.
Sir. 36,20 Iedere spijs wordt door de keel geslikt, maar de ene spijs bekomt beter dan de andere.
Sir. 36,21 Het gehemelte herkent het wild aan zijn smaak: zo weet een verstandig hart leugens te onderscheiden.
Sir. 36,22 Een arglistig hart is een bron van leed, maar een ervaren man weert er zich wel tegen.
Sir. 36,23 Iedere man neemt zich een vrouw, maar de ene vrouw is mooier dan de andere.
Sir. 36,24 De schoonheid van een vrouw brengt glans op haar gelaat en overtreft alwat een mens kan verlangen;
Sir. 36,25 en heeft zij ook nog een zachte, verzoenende tong, dan is geen mensenkind met haar man te vergelijken.
Sir. 36,26 Wie zich een vrouw verwerft legt de grondslag voor zijn bezit; hij verwerft een hulp die bij hem past, een zuil die hem rust biedt.
Sir. 36,27 Waar geen omheining is wordt het bezit geroofd en waar geen vrouw is zwerft de man zwaarmoedig rond.
Sir. 36,28 Wie vertrouwt er een troep soldaten, die van stad naar stad zwermen? En wie een mens die geen nest heeft en gaat liggen waar hij 's avonds is?

Sir. 37,1 Iedere vriend zal zeggen: `Ik ben uw vriend,' maar sommige vrienden zijn het alleen maar in naam.
Sir. 37,2 Is het geen bijna dodelijk verdriet als een boezemvriend in een vijand verandert?
Sir. 37,3 Misdadige gezindheid, waar komt gij vandaan, gij die de aarde met bedrieglijkheid overdekt?
Sir. 37,4 Een slechte vriend lonkt naar de tafel, maar in tijd van nood houdt hij zich afzijdig.
Sir. 37,5 Een goede vriend strijdt mee tegen de vreemdeling en grijpt het schild tegen de vijand.
Sir. 37,6 Laat uw vriend niet alleen in de strijd en vergeet hem niet als gij buit hebt gemaakt.
Sir. 37,7 Iedere raadgever roemt zijn eigen raad, maar sommige raadgevers zijn uit op hun eigen belang.
Sir. 37,8 Wees op uw hoede voor iemand die raad geeft en ga eerst na, waar zijn belang ligt, want hij kan wel eens op zijn eigen voordeel uit zijn. Waarom zou hij zichzelf benadelen?
Sir. 37,9 Hij zegt wel: `U bent op de goede weg', maar hij gaat terzijde staan om te zien wat u zal overkomen.
Sir. 37,10 Ga niet te rade bij iemand die jaloers op u is en verberg uw plan voor wie u benijden.
Sir. 37,11 Raadpleeg geen vrouw over haar mededingster, geen lafaard over vechten geen koopman over een transactie, geen koper over koopwaar, geen querulant over dankbaarheid, geen luiaard over werk, geen losse arbeider over het afmaken van een taak, geen werkschuwe slaaf over een groot karwei. Wend u tot die mensen nooit om raad,
Sir. 37,12 maar houd u steeds aan een vroom man, die een van hart met u is, en die, als gij struikelt, deernis met u heeft.
Sir. 37,13 En geef ook acht op de raad van uw eigen hart, want geen mens verdient zozeer uw vertrouwen.
Sir. 37,14 Het hart van een mens weet soms meer te melden dan zeven wachters die hoog op een toren zitten.
Sir. 37,15 En daarbij moet gij dan de Allerhoogste bidden, dat Hij in zijn trouw uw schreden richt.
Sir. 37,16 Ieder werk begint met overleg en aan elke daad gaat een plan vooraf.
Sir. 37,17 Alle beleid wortelt in het hart,
Sir. 37,18 en daaruit schieten vier loten op; goed en kwaad, leven en dood. Maar wat over deze dingen tenslotte beslist, is de tong.
Sir. 37,19 Er zijn bekwame mensen die velen onderrichten, maar die zichzelf geen nut brengen.
Sir. 37,20 Er zijn wijze sprekers die zich door hun woorden gehaat maken; van alle genoegens zullen zij verstoken blijven.
Sir. 37,21 Want de Heer heeft hen niet begunstigd; zij zijn van alle wijsheid gespeend.
Sir. 37,22 Er zijn wijzen die wijs zijn voor zichzelf en de vruchten van hun verstand komen hunzelf ten goede.
Sir. 37,23 Een wijs man onderricht zijn volk en de vruchten van zijn verstand zijn betrouwbaar.
Sir. 37,24 Een wijs man wordt met zegen overladen en allen die hem zien prijzen hem gelukkig.
Sir. 37,25 De dagen van een mensenleven zijn te tellen, maar de dagen van IsraŽl zijn ontelbaar.
Sir. 37,26 De wijze verwerft roem bij zijn volk en zijn naam leeft tot in eeuwigheid.
Sir. 37,27 Mijn zoon, onderzoek uw levenswijze, stel vast wat slecht voor u is en geef daar dan niet aan toe.
Sir. 37,28 Want niet alles is voor iedereen goed en niet iedereen kan van alle dingen genieten.
Sir. 37,29 Wees in uw genietingen nooit overdadig en ga u niet aan lekkernijen te buiten;
Sir. 37,30 want van veel eten komt ziekte en overdaad leidt tot onpasselijkheid.
Sir. 37,31 Door overdaad zijn vele gestorven, maar wie zich in acht neemt verlengt zijn leven.

Sir. 38,1 Houd de arts in ere, want gij hebt hem nodig en ook hij is door de Heer geschapen;
Sir. 38,2 want al komt de genezing van de Allerhoogste, hij krijgt van de koning een geschenk.
Sir. 38,3 Om zijn kundigheid wordt de arts hoog geŽerd en hij wordt door de aanzienlijken bewonderd.
Sir. 38,4 De Heer laat de aarde geneeskrachtige kruiden voortbrengen en een verstandig man versmaadt die niet.
Sir. 38,5 Werd het water niet zoet gemaakt door het hout om de kracht van de Heer te tonen?
Sir. 38,6 Hijzelf heeft de mensen hun kennis gegeven om verheerlijkt te worden in zijn wonderbare werken.
Sir. 38,7 Met die kruiden stilt de arts de pijn en de apotheker maakt er balsem van.
Sir. 38,8 De werken van de Heer vinden nooit een einde en van Hem komt genezing over de aarde.
Sir. 38,9 Mijn zoon, wees niet onnadenkend als ge ziek zijt, maar bid tot de Heer, want Hij is het die geneest.
Sir. 38,10 Verzaak aan de zonden en handel rechtschapen en reinig uw hart van alle ongerechtigheid;
Sir. 38,11 brand wierook en breng een offer van fijn meel en maak uw gave zo rijk als gij kunt.
Sir. 38,12 En ook voor de arts moet gij een plaats inruimen, want ook hij is door de Heer geschapen; laat hij niet van u wijken, want ook hem hebt gij nodig.
Sir. 38,13 Er zijn immers ogenblikken, dat de goede afloop in hun handen ligt,
Sir. 38,14 want ook zij bidden er de Heer om, dat hij hun een gelukkige diagnose geeft en genezing brengt tot behoud van het leven.
Sir. 38,15 Wie zondigt tegen zijn Maker dient de moed te hebben om naar een arts te gaan.
Sir. 38,16 Mijn zoon, stort tranen over een dode, rouw en hef een klaagzang aan, begraaf zijn lichaam op passende wijze en verwaar loos zijn graf niet.
Sir. 38,17 Schrei hete tranen van bittere rouw en betuig uw leed, zoals het hem toekomt, een dag, twee dagen, om opspraak te voorkomen, en laat u dan troosten in uw verdriet,
Sir. 38,18 want uit het verdriet komt de dood voort en hartsverdriet tast uw krachten aan.
Sir. 38,19 In de rampspoed duurt het verdriet voort, en een leven in armoede is een vloek voor het hart.
Sir. 38,20 Geef uw hart niet over aan verdriet! Zet het van u af! Denk aan de gevolgen!
Sir. 38,21 Denk niet langer aan de dode, want er is voor hem geen hoop meer. Hem baat het niet en gij schaadt uzelf.
Sir. 38,22 Bedenk, dat zijn lot ook het uwe zal zijn: gisteren hij, vandaag gij.
Sir. 38,23 Als de dode rust, laat dan ook zijn nagedachtenis met rust en wees getroost over hem, nu zijn leven is heengegaan.
Sir. 38,24 De wijsheid van de schriftgeleerde hangt af van de gelegenheid tot studie en iemand die geen zware arbeid te ver richten heeft, krijgt de kans om wijs te worden.
Sir. 38,25 Hoe wordt iemand wijs die de ploeg bestuurt en fier met de prikstok zwaait, die de ossen drijft en met hen aan het werk is en het steeds maar over jonge stieren heeft?
Sir. 38,26 Met hart en ziel blijft hij voren trekken en hij offert zijn slaap op om de kalveren te kunnen voeren.
Sir. 38,27 Zo gaat het iedere werkman, iedere vakman, die dag en nacht bezig blijft. Zo gaat het de mannen die zegels graveren: ze worden niet moe altijd maar nieuwe figuren te snijden; zo'n man is met hart en ziel bezig de beeltenis gelijkend te maken en hij offert zijn slaap op om zijn werk te kunnen voltooien.
Sir. 38,28 Zo gaat het de smid, bij het aambeeld gezeten, vol aandacht voor het ijzer dat hij bewerkt; de gloed van het vuur doet zijn vlees smelten en hij zwoegt in de hitte van zijn oven; de hamerslagen dreunen hem steeds in de oren en zijn ogen blijven gericht op het model van zijn werkstuk. Met hart en ziel is hij bezig om zijn werkstukken te voltooien en hij offert zijn slaap op om iets gaafs en moois te kunnen maken.
Sir. 38,29 Zo gaat het ook de pottenbakker, bij zijn werk gezeten, die zijn voeten de schijf laat draaien, altijd door maar bezorgd voor zijn werk: al zijn verrichtingen zijn goed berekend; met zijn arm geeft hij vorm aan de leem en met zijn voeten maakt hij hem kneedbaar. Met hart en ziel is hij bezig om gaaf glazuur aan te brengen en hij offert zijn slaap op om de oven schoon te maken.
Sir. 38,30 Al deze mensen vertrouwen op hun handen en in zijn eigen werk heeft ieder zijn wijsheid.
Sir. 38,31 Zonder hen is geen stad te bewonen en komen er gasten noch reizigers. Maar voor de raad van het volk heeft men hen niet nodig
Sir. 38,32 en in de volksvergadering brengen zij het niet ver. Zij zitten niet op een rechterstoel en van de rechtsregels hebben ze geen begrip. Zij geven blijk van vorming noch oordeel en wijze spreuken zal men van hen niet horen;
Sir. 38,33 maar zij houden de goederen van deze wereld in stand en hun enige behoefte is hun ambacht uit te oefenen.

Sir. 39,1 Hij echter, die met al zijn aandacht de wet van de Allerhoogste overdenkt, hij speurt de wijsheid na van al de ouden, en hij houdt zich onledig met de profetieŽn.
Sir. 39,2 De verhalen van de vermaarde mannen bewaart hij en ingewikkelde spreuken doorgrond hij.
Sir. 39,3 Geheimzinnige gezegden verklaart hij en in raadselachtige spreuken is hij thuis.
Sir. 39,4 Hij verricht zijn dienst te midden van de hooggeplaatsten en hij verschijnt voor hen die de macht hebben. Hij trekt door de landen van vreemde volken en ervaart wat er onder mensen aan goed en aan kwaad is.
Sir. 39,5 Met hart en ziel zoekt hij in de vroege morgen de Heer die hem gemaakt heeft en bidt voor het aanschijn van de Aller hoogste. Hij opent zijn mond om te bidden en smeekt om vergeving van zijn zonden.
Sir. 39,6 Als de Heer, de machtige, het wil, wordt hij vervuld met een geest van inzicht. Hij laat de woorden van zijn wijsheid stromen en in zijn gebed prijst hij de Heer.
Sir. 39,7 Hij munt uit in beleid en in weten en overdenkt dingen, die voor hem verborgen zijn.
Sir. 39,8 Hij geeft blijk van de vorming, die hij heeft gekregen, en gaat groot op de wet van het verbond des Heren.
Sir. 39,9 Velen prijzen zijn inzicht en zijn naam wordt niet uitgewist zolang de wereld duurt. Zijn gedachtenis gaat nooit verloren en zijn naam zal leven van geslacht tot geslacht.
Sir. 39,10 Van zijn wijsheid zullen de volken gewagen en de gemeente zal zijn lof verkondigen.
Sir. 39,11 Als hij erin volhardt, zal hij een grote naam nalaten, meer dan duizend anderen, en is hij te ruste gegaan, dan komt hij niet te kort.
Sir. 39,12 Nog meer van mijn gedachten wil ik uitspreken: ik ben zo vol als de volle maan.
Sir. 39,13 Luistert naar mij, vrome zonen, en rijst op als rozen die groeien aan een waterstroom.
Sir. 39,14 Weest welriekend als wierook en bloeit als de leliŽn; verheft uw stem en zingt in koor en zegent de Heer om al zijn werken.
Sir. 39,15 Verheerlijkt zijn naam en prijst Hem met lofgezang, met liederen van uw lippen en met citers. Prijst Hem met deze woorden:
Sir. 39,16 De werken van de Heer, ze zijn alle zeer goed, en alles wat Hij beschikt gebeurt te zijner tijd.
Sir. 39,17 Men moet niet zeggen: `Wat is dit? Waartoe dient het?' Want alle dingen worden uitgezocht om te zijner tijd te gebeuren. Op zijn woord heeft het water zich als het ware opgehoopt en onder zijn bevel staan de wateropslagplaatsen.
Sir. 39,18 Hij beschikt alles naar zijn welbehagen en er is niemand die afbreuk kan doen aan zijn reddende macht.
Sir. 39,19 De daden van alle mensen liggen voor Hem open en niets blijft voor zijn ogen verborgen.
Sir. 39,20 Van eeuw tot eeuw ziet Hij toe, en zijn reddende macht is niet te meten. Niets is klein of gering voor Hem en niets is Hem te wonderbaarlijk of te groot.
Sir. 39,21 Men moet niet zeggen: `Wat is dit? Waartoe dient het?' Want alle dingen zijn geschapen om in een behoefte te voorzien.
Sir. 39,22 Zijn zegen overstroomt het dorre land als een rivier en drenkt het als een watervloed.
Sir. 39,23 Zo onterft zijn toorn de volkeren, en heeft Hij ook water in pekel veranderd.
Sir. 39,24 Zijn wegen zijn effen voor de vromen, maar voor de wettelozen vol hindernissen.
Sir. 39,25 Het goede is voor de goeden weggelegd, van het begin af, en het kwade voor de zondaars.
Sir. 39,26 De eerste levensbehoeften van de mens zijn water, vuur, ijzer, zout en tarwebloem, melk en honing, het bloed van de druif, olijfolie en kleding:
Sir. 39,27 dit alles is een weldaad voor de vromen, maar voor de zondaars verkeert het in rampspoed.
Sir. 39,28 Er zijn winden, gemaakt om te straffen, en in hun woede beuken zij er op los; als hun tijd is gekomen, ontketenen zij hun kracht en stillen de toorn van hun Schepper.
Sir. 39,29 Vuur, hagel, honger en dood: dit alles is gemaakt om te straffen;
Sir. 39,30 de tanden van wilde dieren, de schorpioenen en de adders en het wrekende zwaard, dat de goddelozen ombrengt,
Sir. 39,31 zij voeren met vreugde zijn opdracht uit; zij zijn geschapen voor de tijd dat er behoefte aan hen is; zij worden in de opslagplaatsen bewaard en te zijner tijd worden zij opgeroepen.
Sir. 39,32 Daarom was dit van het begin af mijn vaste overtuiging, die ik heb overdacht en te boek gesteld:
Sir. 39,33 de werken van de Heer zijn alle goed en Hij geeft te zijner tijd alle dingen waar behoefte aan is.
Sir. 39,34 Men moet niet zeggen: `Dit is erger dan dat.' Want op zijn tijd blijkt alles goed te zijn.
Sir. 39,35 Daarom moet gij uit heel uw hart en uit volle borst een lofzang aanheffen en de naam van de Heer zegenen.

Sir. 40,1 Veel kommer is weggelegd voor iedere mens en het juk drukt zwaar op de zonen van Adam, vanaf de dag dat zij de schoot van hun moeder verlaten tot op de dag dat zij terugkeren tot hun aller moeder.
Sir. 40,2 Hun berekeningen, de vrees voor hun hart, ze worden beheerst door zorg voor de toekomst, door de dag van de dood.
Sir. 40,3 Vanaf degene die hoog op de troon zetelt tot degene die diep in stof en as zit,
Sir. 40,4 vanaf degene die het purper en de kroon draagt tot degene die een grof linnen kiel aanheeft:
Sir. 40,5 het is altijd toorn en afgunst, verwarring en onrust, vrees voor de dood en wrok en ruzie. Zelfs op de tijd dat hij rust in zijn bed ontstelt de nachtelijke slaap nog het hart van de mens.
Sir. 40,6 Hij vindt weinig of geen rust en zo maakt hij zich in zijn slaap even moe als overdag, verbijsterd door wat zijn hart ziet, als iemand die voor de oorlog gevlucht is.
Sir. 40,7 Als de nood hoog is gestegen, ontwaakt hij en ziet verbaasd, dat er niets te vrezen viel.
Sir. 40,8 Zo gaat het bij alwat leeft, van mens tot dier, en bij de zondaars is het nog zeven keer zo erg:
Sir. 40,9 het is altijd dood en bloed en ruzie en zwaard, rampen en honger, verdrukking en zweepslagen.
Sir. 40,10 Al die dingen zijn weggelegd voor de wettelozen en om hen ook is de watervloed gekomen.
Sir. 40,11 Alwat uit de aarde komt, keert tot de aarde terug; wat uit het water komt, gaat weer terug naar de zee.
Sir. 40,12 Iedere steekpenning, ieder onrecht wordt weggevaagd, maar goede trouw houdt eeuwig stand.
Sir. 40,13 Het bezit van de onrechtvaardigen is als een rivier die uitdroogt en het gaat teloor als een donderslag in een regenbui.
Sir. 40,14 Wie met milde hand geeft wordt verblijd; even zeker gaan de zondaars voorgoed te gronde.
Sir. 40,15 De nakomelingen van de goddelozen krijgen niet veel takken; want de wortels van de zondaars liggen op de kruin van een rots;
Sir. 40,16 Ze zijn als rietgras, aan een water of aan de rand van een rivier, dat voor alle andere planeten wordt uitgeroeid.
Sir. 40,17 Goedheid echter is als een gezegend paradijs en een daad van barmhartigheid houdt altijd stand.
Sir. 40,18 Een leven bij wijn en drank is heerlijk, maar nog beter is het, een schat te vinden.
Sir. 40,19 Kinderen en een stad bestendigen iemands naam, maar nog beter is het, wijsheid te vinden. Een veestapel en akkers maken iemands naam vermaard, maar nog beter is een toegewijde vrouw.
Sir. 40,20 Wijn en drank verheugen het hart, maar nog beter is de genegenheid van vrienden.
Sir. 40,21 Fluit en harp maken heerlijke muziek, maar nog beter is een heldere stem.
Sir. 40,22 Gratie en schoonheid bekoren het oog, maar nog beter is het gewas op het veld.
Sir. 40,23 Vriend en makker wijzen te zijner tijd de weg, maar nog beter is een verstandige vrouw.
Sir. 40,24 Broeder en helper redden in tijd van nood, maar nog beter is een reddende weldaad.
Sir. 40,25 Goud en zilver steunen de voet, maar nog beter is een goede raad.
Sir. 40,26 Bezit en kracht verheffen het hart, maar nog beter is de vrees voor de Heer. Waar de vrees voor de Heer is, bestaat geen gebrek; waar zij is, daar hoeft men geen hulp meer te zoeken.
Sir. 40,27 De vrees voor de Heer is als een gezegend paradijs, een schutse van louter heerlijkheid.
Sir. 40,28 Mijn zoon, ga geen bedelaarsleven leiden; het is beter te sterven dan te bedelen.
Sir. 40,29 Een man die naar de tafel van een vreemdeling moet uitzien heeft geen leven dat die naam verdient: hij bezoedelt zijn ziel met vreemde spijzen; een verstandig en beschaafd man wacht zich daarvoor.
Sir. 40,30 De mond van een schaamteloos man weet wel vriendelijk te bedelen, maar in zijn binnenste laait een vuur.

Sir. 41,1 O dood, hoe bitter is de gedachte aan u voor de mens die in vrede leeft te midden van zijn bezittingen, voor de onbekommerde, wie het in alles wel gaat en die nog de kracht heeft van lekker eten te genieten.
Sir. 41,2 O dood, het is goed als gij verordend wordt over een mens die gebrek lijdt, die zijn krachten ziet slinken, over een afgeleefde mens, altijd door vrees geplaagd, ontmoedigd en niets meer verwachtend.
Sir. 41,3 Vrees niet, als de dood over u verordend wordt: denk aan hen die u zijn voorgegaan en aan hen die na u komen.
Sir. 41,4 De Heer heeft het zo verordend over alwat leeft. Waarom weigert gij wat de Hoogste behaagt? Of gij tien, honderd of duizend jaar geleefd hebt, in het dodenrijk kunt gij u niet beklagen over uw levensduur.
Sir. 41,5 Verfoeilijk zijn de kinderen der zondaars: zij verkeren in de kringen der onvromen.
Sir. 41,6 Het erfdeel van de kinderen der zondaars gaat verloren en op hun nageslacht rust blijvende schande.
Sir. 41,7 Kinderen verwijten het een onvrome vader, dat zij om hem gehoond worden.
Sir. 41,8 Wee u, onvrome mannen, die de wet van de Allerhoogste verlaat.
Sir. 41,9 Als gij talrijk wordt, loopt het uit op verderf, als gij verwekt, dan komt er gejammer van, als gij struikelt, dan is er geen eind aan de vreugde, en gij sterft, dan wordt gij vervloekt.
Sir. 41,10 Alwat uit de leegte komt, keert naar de leegte terug; zo komen de onvromen van niet tot niet.
Sir. 41,11 Een zucht is het lichaam van de mens, maar de naam van de vrome wordt niet uitgewist.
Sir. 41,12 Pas op voor uw naam, want die is duurzamer dan duizend grote kluizen vol goud.
Sir. 41,13 Van een goed leven zijn de dagen telbaar, maar een goede naam duurt ontelbare dagen.
Sir. 41,14 Brengt in praktijk wat gij geleerd hebt, mijn zoon, in alle vrede. Verborgen wijsheid en een onzichtbare schat, wat hebben die voor nut?
Sir. 41,15 Beter een man die zijn dwaasheid verbergt dan een man die zijn wijsheid verbergt.
Sir. 41,16 Gij moet u schamen voor de dingen die ik ga opnoemen, want het is niet passend, u voor alles te schamen en niet iedere schaamte is aanbevelenswaardig.
Sir. 41,17 Schaam u tegenover uw vader en moeder voor ontucht, tegenover een regeerder en een machthebber voor leugen,
Sir. 41,18 tegenover een rechter en een overheidspersoon voor wangedrag, tegenover de gemeente en het volk voor rebellie, tegenover een compagnon en een vriend voor onrecht,
Sir. 41,19 tegenover uw woonplaats voor diefstal. Schaam u tegen over de waarheid van God en tegenover het verbond, en schaam u ervoor, bij de maaltijd op uw elleboog te leunen, te schelden bij het nemen en geven,
Sir. 41,20 te zwijgen tegenover het die u groeten, te kijken naar een lichtekooi,
Sir. 41,21 uw gezicht af te wenden van een bloedverwant, hem zijn aandeel of geschenk af te nemen, aandacht te geven aan een gehuwde vrouw,
Sir. 41,22 al te vertrouwelijk om te gaan met uw slavin - nader haar bed niet! - tegenover vrienden scheldwoorden te gebruiken en scheld niet, als gij iets gegeven hebt!

Sir. 42,1 Schaam u ervoor verder te vertellen wat gij gehoord hebt en geheimen te verraden. Dan hebt gij de ware schaamte en zult gij bij iedereen in de gunst staan. Maar voor de volgende dingen moet gij u niet schamen en gij moet niet zondigen uit menselijk opzicht.
Sir. 42,2 Schaam u niet voor de wet van de Allerhoogste en het verbond, voor zijn gebod - met het gevolg dat gij de goddeloze rechtvaardigt
Sir. 42,3 voor de afrekening met compagnon en reisgenoot, voor het uitkeren van erfgoed en eigendom,
Sir. 42,4 voor nauwgezetheid met weegschaal en gewichten, voor het bezit van veel of van weinig,
Sir. 42,5 voor de winst op de waar van een koopman, voor een strenge opvoeding van uw kinderen, voor een bloedige afstraffing van een slechte slaaf.
Sir. 42,6 Bij een vrouw die niet deugt is het verstandig een zegel te gebruiken en waar veel handen zijn moet men sleutels gebruiken.
Sir. 42,7 Als gij iets aflevert, laat het geteld en gewogen zijn; uitgaven en inkomsten, alles moet op schrift.
Sir. 42,8 Schaam u niet voor een terechtwijzing aan een domoor en een dwaas en aan een afgeleefde grijsaard, die op ontucht uit is. Dan zult gij echt een beschaafd mens zijn, door alle mensen gewaardeerd.
Sir. 42,9 Een dochter is voor haar vader een schat die hem wakker doet liggen. Zijn slaap wordt verjaagd door zorgen over haar: als zij jong is kan haar bloei voorbijgaan. als zij getrouwd is, kan zij haar man mishagen,
Sir. 42,10 als zij maagd is, kan zij onteerd worden, als zij nog in het huis van haar vader is, kan zij zwanger worden, als zij bij haar man leeft, kan zij zich misdragen, als zij getrouwd is, kan zij onvruchtbaar blijken.
Sir. 42,11 Waak streng over een lichtzinnige dochter: zij kan u belachelijk maken bij uw vijanden, u in opspraak brengen in de stad, u de vloek van het volk bezorgen en u te schande maken bij de massa.
Sir. 42,12 Aan geen man moet zij haar schoonheid tonen en in het gezelschap van de vrouwen moet zij niet verkeren,
Sir. 42,13 want uit de kleren komt de mot te voorschijn en van de ene vrouw komt de slechtheid van de andere.
Sir. 42,14 Een lastige man is beter voor haar dan een vriendelijke vrouw. Een dochter moet voor alle schande op haar hoede zijn.
Sir. 42,15 Ik wil de werken van de Heer gedenken en verhalen wat ik gezien heb: door de woorden van de Heer bestaan zijn werken en Hij heeft beslist zoals het Hem behaagde.
Sir. 42,16 De zon ziet lichtend op alles neer en het werk van de Heer is vol van zijn heerlijkheid.
Sir. 42,17 De Heer heeft zijn heiligen niet in staat gesteld al zijn wonderwerken te verhalen, die werken, waaraan de Heer, de Almachtige, vastheid heeft gegeven, zodat het heelal in stand blijft door zijn heerlijkheid.
Sir. 42,18 Hij peilt de afgrond en het mensenhart en Hij doorziet hun diepste gedachten, want de Allerhoogste weet alles en Hij ziet tot aan de eindpaal van de tijd.
Sir. 42,19 Hij verkondigt wat voorbij is en wat komen gaat en Hij brengt de sporen van verborgen dingen aan het licht.
Sir. 42,20 Geen enkele gedachte ontgaat Hem, niet een woord blijft voor Hem verborgen.
Sir. 42,21 De meesterwerken van zijn wijsheid heeft Hij goed geordend. Hij is de Enige, al voor de tijd en tot in eeuwigheid. Er wordt aan Hem niet toegevoegd of afgedaan en Hij heeft niemand als zijn raadsman nodig.
Sir. 42,22 Hoe bekoorlijk zijn al zijn werken, en wij kunnen er slechts een vonk van zien!
Sir. 42,23 Al die dingen leven en ze blijven altijddoor; overal waar zij nodig zijn staan ze Hem ten dienste, allemaal.
Sir. 42,24 Alle schepselen bestaan in paren, het een past bij het ander, en niets heeft Hij gemaakt dat onvolledig is.
Sir. 42,25 Elk schepsel bevestigt, hoe goed het andere is. Wie krijgt er ooit genoeg van, Gods heerlijkheid te zien?

Sir. 43,1 De roem van de hoogte, dat is het heldere firmament, de hemel die zich vol luister aan onze ogen vertoont.
Sir. 43,2 De zon straalt bij haar opgang gloed uit: hoe wonderlijk is dat werkstuk van de Heer!
Sir. 43,3 Op het middaguur verzengt zij het land. Wie kan haar hitte dan verdragen?
Sir. 43,4 Wie het vuur van een oven aanwakkert heeft een heet karwei; drie keer zo heet is de zon die de bergen blakert; vurige ademstoten blaast zij uit en met haar felle stralen verblindt zij de ogen.
Sir. 43,5 Groot is de Heer die haar gemaakt heeft en op wiens woord zij voortsnelt op haar baan.
Sir. 43,6 Ook de maan straalt op geregelde tijden; zij heerst tot het einde toe en is een blijvend teken.
Sir. 43,7 De maan bepaalt de feesten; zij is een lichtbron die vol wordt en afneemt.
Sir. 43,8 De maand is naar haar genoemd; zij is wonderlijk in haar wisselingen, zij, de standaard van de legerscharen in den hoge, die straalt aan het firmament van de hemel.
Sir. 43,9 De schoonheid van de hemel, dat is de luister van de sterren, lichtende sieraden in de hoogten van de Heer,
Sir. 43,10 Op het woord van de Heilige stellen zij zich op naar zijn bevel, en zij worden niet moe op hun posten.
Sir. 43,11 Zie de regenboog aan en zegen zijn Maker! Hij is zo heerlijk en glanst zo schoon.
Sir. 43,12 Hij legt langs de hemel een cirkel van luister: de handen van de Allerhoogste hebben hem gespannen.
Sir. 43,13 Hij jaagt door zijn bevel de sneeuw omlaag en de snelle bliksemflitsen van zijn oordeel.
Sir. 43,14 Daardoor worden ook de voorraadkamers geopend en vliegen er de wolken als vogels uit.
Sir. 43,15 In zijn grootheid maakt Hij de wolken hard en brokkelen er de hagelstenen af.
Sir. 43,16 De stem van zijn donder doet de aarde sidderen en de bergen dreunen door zijn kracht:
Sir. 43,17 door zijn wil woedt de zuiderstorm, het noorden en de cycloon.
Sir. 43,18 Als vogels die dalen strooit Hij de sneeuw uit; zij komt omlaag als neerstrijkende sprinkhanen. Het oog is verbaasd over haar blanke schoonheid en het hart is verrukt als zij neervalt.
Sir. 43,19 Hij strooit ook de rijp als zout over de aarde: bevroren, wordt die als dorens zo scherp.
Sir. 43,20 De koude noordenwind blaast en het water bevriest tot ijs. Hij legt een korst op ieder watervlak en de vijver trekt een harnas aan.
Sir. 43,21 De wind verteert de bergen en schroeit de steppe, als een vuur verbrandt Hij het frisse gras.
Sir. 43,22 Maar spoedig wordt alles hersteld door de vochtige wolken; dan komt de dauw, die na de hitte verkwikt.
Sir. 43,23 Volgens zijn plan heeft Hij de watervloed bedwongen en daar eilanden in geplant.
Sir. 43,24 Degenen die de zee bevaren vertellen hoe gevaarlijk zij is, en wij zijn verbaasd over wat wij horen.
Sir. 43,25 Daar zijn die vreemde, wonderbaarlijke werken, een bonte dierenwereld, gedrochtelijke schepsels.
Sir. 43,26 Door zijn toedoen heeft zijn bode succes en alles blijft bijeen door zijn woord.
Sir. 43,27 Hoeveel wij ook zeggen, wij schieten te kort. De slotsom van onze woorden is: Hij is het al.
Sir. 43,28 Waar vinden wij de kracht om Hem te verheerlijken? Want Hij is groter dan al zijn werken.
Sir. 43,29 Geducht is de Heer en zeer groot en zijn macht is bewonderenswaardig.
Sir. 43,30 Verheerlijkt de Heer en verheft Hem, zo hoog gij maar kunt, want Hij gaat uw lof steeds te boven. Als gij Hem verheft, spant dan al uw krachten in en wordt het niet moe, want nooit doet gij genoeg.
Sir. 43,31 Wie heeft Hem gezien en beschrijft Hem? Wie maakt Hem zo groot als Hij is?
Sir. 43,32 Veel is verborgen en nog groter dan wat ons bekend is: wij zien van zijn werken zo weinig.
Sir. 43,33 De Heer heeft alles gemaakt en aan de vromen wijsheid geschonken.

Sir. 44,1 Laat ons nu de roemrijke mannen prijzen, onze vaderen, geslacht na geslacht.
Sir. 44,2 Veel roem heeft de Heer hun gegeven; zij waren groot van oudsher.
Sir. 44,3 Zij waren heersers vol koninklijke waardigheid, mannen, vermaard om hun kracht, raadgevers, rijk aan inzicht, verkondigers van profetische woorden,
Sir. 44,4 leiders van het volk door hun wijze beslissingen, heersers door hun scherpzinnigheid, geleerden die anderen onderwezen,
Sir. 44,5 bedenkers van liederen, teboekstellers van spreuken,
Sir. 44,6 machtige mannen, toegerust met kracht, vredestichters in hun woonplaatsen.
Sir. 44,7 Zij werden allen geŽerd door hun tijdgenoten en waren de roem van hun dagen.
Sir. 44,8 Sommigen onder hen hebben een naam nagelaten, zodat men hun lof verkondigt.
Sir. 44,9 Aan anderen wordt niet meer gedacht: zij zijn verdwenen, als hadden zij nooit bestaan; zij werden als waren zij niet geboren en zo ging het ook met hun kinderen na hen.
Sir. 44,10 De eerstgenoemden echter waren vrome mannen, wier rechtvaardige daden niet vergeten zijn;
Sir. 44,11 hun bezit blijft bij hun nageslacht, hun erfdeel bij de zonen van hun zonen.
Sir. 44,12 Hun nageslacht houdt zich aan het verbond; hun kinderen doen dat om hunnentwil.
Sir. 44,13 Tot in lengte van dagen blijft hun gedachtenis en hun roem wordt niet uitgewist.
Sir. 44,14 Hun lichamen zijn in vrede begraven en hun naam blijft leven van geslacht op geslacht.
Sir. 44,15 Van hun wijsheid gewaagt de vergadering. en de gemeente verkondigt hun lof.
Sir. 44,16 Henoch behaagde de Heer en werd weggenomen, een toon beeld van wijsheid voor alle geslachten.
Sir. 44,17 Noach werd onberispelijk bevonden: ten tijde van de toorn werd hij het nieuwe begin. Om wille van hem werd de aarde een rest gegund, toen de zondvloed kwam.
Sir. 44,18 Met hem werd een eeuwig verbond gesloten, dat al wat leeft niet opnieuw door een zondvloed verdelgd zou worden.
Sir. 44,19 Abraham is de grote vader van een menigte volken; op zijn roem is geen smet gevallen.
Sir. 44,20 Hij heeft de wet van de Allerhoogste onderhouden en een verbond met Hem aangegaan; hij heeft dat verbond in zijn vlees gesneden en is in de beproeving trouw bevonden.
Sir. 44,21 Daarom heeft de Heer hem onder ede beloofd, dat in zijn nageslacht de volken gezegend zouden worden, dat Hij hem talrijk zou maken als het stof van de aarde, dat Hij zijn nageslacht zo hoog als de sterren zou verheffen en hun een erfdeel zou geven dat van zee tot zee zou reiken en van de Rivier tot het einde der aarde.
Sir. 44,22 Ook aan Isaak heeft Hij dat beloofd ter wille van Abraham, zijn vader.
Sir. 44,23 De zegen over alle mensen en het verbond liet Hij rusten op het hoofd van Jakob. Hij bevestigde hem in zijn zegen en gaf hem het erfgoed, dat Hij in stukken verdeelde en toewees aan de twaalf stammen. Uit hem heeft men een vroom man laten voortkomen, die aller genegenheid won

Sir. 45,1 en geliefd was bij God en de mensen, Mozes: zijn gedachtenis zij gezegend!
Sir. 45,2 Hij heeft hem in roem aan de heiligen gelijk gemaakt en hem verheerlijkt door de schrik van de vijanden.
Sir. 45,3 Op zijn woord heeft Hij terstond wonderen verricht en Hij heeft hem groot gemaakt voor het aangezicht van koningen. Hij gaf hem bevelen voor zijn volk en toonde hem zijn heerlijkheid.
Sir. 45,4 Vanwege zijn trouw en zijn nederigheid heeft Hij hem uit alle mensen uitverkoren.
Sir. 45,5 Hij liet hem zijn stem vernemen, bracht hem in de donkere wolk en gaf hem, van aangezicht tot aangezicht, zijn geboden, de wet van het leven en van de kennis, om Jakob in het verbond te onderrichten en IsraŽl in zijn beschikkingen.
Sir. 45,6 Ašron, zijn broer uit de stam Levi, verhief Hij en Hij heiligde hem, evenals Mozes.
Sir. 45,7 Hij sloot met hem een eeuwig verbond en maakte hem tot de priester van het volk. Hij verheerlijkte hem met luister en omgordde hem met een stralend gewaad.
Sir. 45,8 Hij bekleedde hem met volmaakte schoonheid en tooide hem met de tekenen van zijn macht; Hij gaf hem het onderkleed, het lange opperkleed en de efodmantel;
Sir. 45,9 Hij omhing hem met de granaatappels, met vele gouden belletjes aan alle kanten, die moesten rinkelen als hij voort schreed en wier geluid in de tempel gehoord moest worden als teken voor de zonen van zijn volk,
Sir. 45,10 met het heilige gewaad, goud, blauw en purper, het werkstuk van een kunstenaar, met het borstschild van de beslissing, de efod en de gordel,
Sir. 45,11 uit scharlaken draad geweven, het werk van een vakman, met kostbare, als zegels gesneden stenen, in goud gevat, het werk van een steensnijder, die als herinnering moesten dienen, stenen met ingegraveerde letters overeenkomstig het aantal van de stammen van IsraŽl.
Sir. 45,12 Hij gaf hem een gouden gordel om zijn hoofddeksel met het zegel van de toewijding erop gelegd, een luisterrijk eerbewijs, een machtig werk, een lust voor de ogen, prachtig versierd.
Sir. 45,13 Zo iets heerlijks is er voor hem niet geweest en tot in eeuwigheid treft geen vreemde het aan, maar alleen Ašrons zonen en zijn afstammelingen, voor altijd.
Sir. 45,14 Zijn offers zullen volledig verbranden iedere dag twee keren, altijd door.
Sir. 45,15 Mozes stelde hem als priester aan en zalfde hem met de heilige olie; het werd voor hem een altijddurend verbond en ook voor zijn nageslacht, al de dagen dat de hemel blijft bestaan, dat hij de Heer zou dienen als priester en zijn volk zou zegenen met zijn naam.
Sir. 45,16 Uit alle levenden koos Hij hem uit om de offers aan de Heer te brengen, reukwerken en aangename geur, tot gedachtenis, om verzoening te bewerken voor het volk.
Sir. 45,17 Hij heeft hem zijn geboden gegeven en volmacht verleend in zaken van recht en wet, om aan Jakob zijn getuigenissen te leren en IsraŽl met zijn wet te verlichten.
Sir. 45,18 Onbevoegden rebelleerden tegen hem en waren afgunstig op hem, in de woestijn, de mannen van Datan en Abiram en de aanhang van Korach, in woede en toorn.
Sir. 45,19 De Heer zag het en het behaagde Hem niet en door zijn woedende toorn werden zij verdelgd. Hij verrichtte wondertekenen aan hen en verteerde hen in zijn vlammend vuur.
Sir. 45,20 Hij vermeerderde de roem van Ašron en schonk hem een erfgoed; Hij gaf hem de heilige bijdragen tot voedsel en schonk hem voedsel in overvloed,
Sir. 45,21 want zij mochten eten van de offers, aan de Heer ge bracht die Hij aan hem en aan zijn nageslacht schonk.
Sir. 45,22 Maar in het land, dat het volk kreeg, mocht hij geen erfelijk bezit ontvangen; in hun midden kreeg hij geen deel, want de Heer is zijn deel en zijn erfgoed onder de zonen van IsraŽl.
Sir. 45,23 Pinechas, de zoon van Eleazar, is de derde geweest die roem verwierf, omdat hij ijverde voor de God van alles en voor zijn volk in de bres sprong en met al zijn moed en geestdrift voor IsraŽl verzoening bewerkte.
Sir. 45,24 Daarom werd met hem een verbond van vrede gesloten: hij zou aan het hoofd staan van het heiligdom en van zijn volk en hij en zijn nageslacht zouden het hogepriesterschap vervullen, de eeuwen door.
Sir. 45,25 En terwijl bij het andere verbond, met David, de zoon van Isai uit de stam Juda, de erfopvolging van de koning alleen van zoon op zoon gaat, geldt de erfopvolging van Ašron voor zijn hele nageslacht. Zegent dus de Heer, die zo goed is en die u met luister heeft gekroond!
Sir. 45,26 Hij moge u wijsheid geven in uw hart om zijn volk in gerechtigheid te oordelen, opdat hun voorspoed niet zal verdwijnen en hun roem mag overgaan op de latere geslachten.

Sir. 46,1 Jozua, de zoon van Nun, was geweldig in de oorlog en hij volgde Mozes op in het profetenambt. Hij werd, zoals zijn naam het zegt, een groot man bij de redding van Gods uitverkorenen, de man, die de aangetreden vijanden af moest straffen, om IsraŽl zijn erfdeel te geven.
Sir. 46,2 Hoe glorieus was hij, toen hij zijn hand ophief en zijn speer uitstak tegen de steden!
Sir. 46,3 Wie heeft hem kunnen weerstaan? Hij voerde immers de oorlogen van de Heer.
Sir. 46,4 Werd door zijn hand de zon niet tegengehouden en werd een dag niet tot twee gemaakt?
Sir. 46,5 Hij riep de hoogste Heerser aan, toen zijn vijanden hem aan alle kanten benauwden, en de grote Heer verhoorde hem met hagelstenen van geweldige kracht.
Sir. 46,6 Hij deed de oorlog zwaar op dat leger neerkomen en verdelgde zijn tegenstanders op de berghelling, om de volken te laten voelen, hoe machtig zijn wapens waren, omdat hij oorlog voerde voor het aanschijn van de Heer, want inderdaad, Jozua volgde de Heerser.
Sir. 46,7 Ook in de dagen van Mozes had hij trouw getoond, hij en Kaleb, de zoon van Jefunne: zij verzetten zich tegen de gemeen schap, zij weerhielden het volk van zonde en maakten een eind aan het kwalijk gepraat.
Sir. 46,8 En alleen die twee werden behouden, uit zeshonderdduizend voetknechten, om in hun erfdeel binnengeleid te worden, in het land dat overvloeit van melk en honing.
Sir. 46,9 En de Heer gaf Kaleb kracht, die hem tot zijn oude dag bijbleef, zodat hij het bergland kon beklimmen: zijn nageslacht kreeg het als erfdeel.
Sir. 46,10 Zo konden alle zonen van IsraŽl ervaren, dat het goed is de Heer te volgen.
Sir. 46,11 En dan de Rechters, ieder met zijn eigen faam, wier hart niet ontuchtig werd en die zich niet van de Heer hebben afgewend: hun gedachtenis zij gezegend!
Sir. 46,12 Moge hun gebeente weer gaan bloeien op de plaats waar zij rusten en moge hun naam op hun zonen overgaan!
Sir. 46,13 SamuŽl, geliefd bij zijn Heer, de profeet van de Heer, stelde het koningschap in en hij zalfde heersers over zijn volk.
Sir. 46,14 Volgens de wet van de Heer sprak hij recht over het vergaderde volk en de Heer zag genadig neer op Jakob.
Sir. 46,15 Door de waarheid van zijn uitspraken bewees hij een echt profeet te zijn en om zijn woorden werd hij aanvaard als een waarachtig ziener.
Sir. 46,16 Toen zijn vijanden hem van alle kanten benauwden, riep hij de Heer aan, de Machtige, terwijl hij Hem een zuiglam offer de.
Sir. 46,17 En de Heer deed uit de hemel zijn donder klinken en liet met groot gedruis zijn stem horen.
Sir. 46,18 Hij verdelgde de veldheren van Tyrus en al de vorsten van de Filistijnen.
Sir. 46,19 En toen het ogenblik gekomen was waarop hij voor altijd ging rusten, getuigde hij ten overstaan van de Heer en van zijn gezalfde: `geen geld, zelfs geen sandaal heb ik ooit van iemand aangenomen!' En er was toen geen mens die hem beschuldigde.
Sir. 46,20 Zelfs na zijn ontslapen profeteerde hij en kondigde de koning zijn einde aan; hij verhief uit de aarde zijn stem om door zijn profetie de zonde van het volk uit te wissen.

Sir. 47,1 Na hem trad Natan op die profeteerde in de dagen van David.
Sir. 47,2 Zoals het vet wordt afgezonderd van het offer. zo werd David van de zonen van IsraŽl afgezonderd.
Sir. 47,3 Hij speelde met leeuwen alsof het bokjes waren en met beren als met lammeren.
Sir. 47,4 Heeft hij in zijn jeugd niet een reus gedood en de smaad van het volk weggenomen, doordat hij zijn hand met de slinger steen hief en de trots van Goliat fnuikte?
Sir. 47,5 Want hij had de Heer, de Allerhoogste, aangeroepen en deze had kracht in zijn rechterhand gelegd om die man, zo geweldig in de oorlog, te vellen en de macht van zijn volk te verhogen.
Sir. 47,6 Zo eerde men hem om tienduizenden en prees men hem om de zegeningen van de Heer, terwijl men hem een erekroon bracht,
Sir. 47,7 want aan alle kanten had hij de vijanden verdelgd en de Filistijnen, zijn tegenstanders, vernietigd en hun macht gebroken, tot op de dag van vandaag.
Sir. 47,8 Bij al zijn daden prees hij de Heilige, de Allerhoogste, met heerlijke woorden. Met heel zijn hart bezong hij zijn Maker en had hij Hem lief.
Sir. 47,9 Tegenover het altaar stelde hij muzikanten met hun instrumenten op om door hun klanken de schoonheid van de liederen te verhogen.
Sir. 47,10 Hij zette de feesten luister bij en gaf de hoogtijdagen een volmaakte schoonheid: dan prezen zij de heilige naam van de Heer en al vroeg in de morgen weergalmde dan het heiligdom.
Sir. 47,11 De Heer heeft zijn zonde weggenomen en zijn macht voor altijd verhoogd; Hij heeft hem het koninklijk verbond gegeven en een luisterrijke troon in IsraŽl.
Sir. 47,12 Na hem trad een wijze zoon op, die dank zij hem ongestoord kon wonen.
Sir. 47,13 Salomo regeerde in een tijd van vrede. God gaf hem rust aan alle kanten. om een huis te bouwen voor Gods naam en voor altijd een heiligdom te vestigen.
Sir. 47,14 Wat waart gij wijs in uw jonge jaren: als de Nijl, zo overlopend van inzicht!
Sir. 47,15 Uw geest bevloeide de aarde en gij hebt haar vervuld met raadselspreuken.
Sir. 47,16 Tot aan verre eilanden reikte uw naam en gij waart geliefd om uw vrede.
Sir. 47,17 Om uw liederen, spreuken en gelijkenissen en om uw verklaringen stonden hele landen verbaasd.
Sir. 47,18 In de naam van God, de Heer, van Hem, die de God van IsraŽl heet, hebt gij goud vergaard alsof het tin was en zilver opgehoopt als lood.
Sir. 47,19 Maar gij hebt uw lendenen gegeven aan de vrouwen en die over uw lichaam laten heersen.
Sir. 47,20 Gij hebt een smet geworpen op uw eer en uw bed ontheiligd, zodat gij toorn bracht over uw kinderen en zij geslagen werden om uw onverstand;
Sir. 47,21 zodat de heerschappij verdeeld werd en uit Efraim een weerspannig koningschap opkwam.
Sir. 47,22 Maar de Heer geeft zijn trouw niet prijs en laat niet een van zijn woorden vallen. Hij verdelgt het nageslacht van zijn uitverkorene niet en roeit de nazaten niet uit van degene die Hem liefheeft. Hij heeft een rest gegeven aan Jakob en aan David een wortel van zijn stam.
Sir. 47,23 Salomo ging bij zijn vaderen te ruste maar de heerser die hij naliet, groot in dwaasheid, klein van verstand, Rechabeam, bracht door zijn raadsbesluit een scheuring onder het volk teweeg.
Sir. 47,24 Toen stond Jerobeam, de zoon van Nabat, op; hij deed IsraŽl zondigen en bracht Efraim op de weg naar de ondergang. Hun zonden werden talrijk en daardoor werden zij uit hun land verjaagd.
Sir. 47,25 Alles wat kwaad was liepen zij na, totdat de straf over hen kwam.

Sir. 48,1 Toen stond Elia op, een profeet als een vuur, en zijn woord brandde als een fakkel.
Sir. 48,2 Hij bracht hongersnood over hen en door zijn ijver verminderde hij hun aantal.
Sir. 48,3 Krachtens het woord van de Heer sloot hij de hemel en bracht hij drie maal vuur naar beneden.
Sir. 48,4 Wat hebt gij een roem verworven, Elia, door uw wonderdaden! Wie kan erop roemen u te evenaren?
Sir. 48,5 Gij hebt een gestorvene opgewekt uit de dood en uit het dodenrijk, krachtens het woord van de Allerhoogste.
Sir. 48,6 Koningen hebt gij in het verderf gestort en aanzienlij ken in hun bed laten sterven.
Sir. 48,7 Op de SinaÔ hebt gij terechtwijzingen gehoord en op de Horeb strafgerichten.
Sir. 48,8 Gij hebt koningen gezalfd als vergelders en een profeet als uw opvolger.
Sir. 48,9 Gij zijt opgenomen in een wervelstorm, hemelwaarts in scharen van vuur.
Sir. 48,10 Van u staat geschreven dat gij u gereed houdt voor de vastgestelde tijd, om de toorn te stillen aleer hij gaat woeden, om de harten van de vaders naar de zonen te keren en de stammen van Jakob te herstellen.
Sir. 48,11 Gelukkig degenen die u gezien hebben en ontslapen zijn, maar veeleer gelukkig gij, omdat gij leeft.
Sir. 48,12 Dit was Elia, die in een wervelstorm verdween; en met zijn geest werd Elisa vervuld; hij heeft in zijn dagen voor geen heerser gebeefd en niemand is sterker geweest dan hij.
Sir. 48,13 Niets ging zijn kracht te boven en nog in de doodslaap profeteerde zijn lichaam.
Sir. 48,14 Bij zijn leven deed hij wonderen en ook na zijn dood waren zijn werken wonderbaarlijk.
Sir. 48,15 Met dat al bekeerde het volk zich niet en hielden zij niet op met hun zonden, totdat zij uit het land werden weggesleurd en over heel de aarde verstrooid.
Sir. 48,16 Slechts een heel klein volk bleef over. met nog een heerser in Davids huis. Sommigen van hen deden het goede, anderen gingen zich aan zonden te buiten.
Sir. 48,17 Hizkia versterkte zijn stad door het water binnen haar muren te leiden; hij doorboorde met ijzer de rotsen en legde vijvers aan voor het water.
Sir. 48,18 In zijn dagen rukte Sanherib op; hij zond zijn intendant, hief zijn hand op tegen Sion en lasterde God in zijn hoogmoed.
Sir. 48,19 Toen beefden hun harten en handen en zij sidderden als een vrouw in barensnood.
Sir. 48,20 Zij riepen de Heer aan, de barmhartige, en breidden hun handen naar Hem uit. En weldra verhoorde de Heilige hen uit de hemel en verloste hen door de hand van Jesaja.
Sir. 48,21 Hij sloeg het legerkamp van de Assyriers en zijn engel vermorzelde hen.
Sir. 48,22 Want Hizkia had gedaan wat de Heer behaagde: hij bleef trouw aan de wegen van David, zijn vader, zoals die hem waren gewezen door Jesaja, de profeet, groot en betrouwbaar in zijn visioenen.
Sir. 48,23 In zijn dagen week de zon achteruit en werd het leven van de koning verlengd.
Sir. 48,24 Door zijn machtige geest zag hij, Jesaja, de laatste dingen en troostte hij de treurenden van Sion;
Sir. 48,25 hij kondigde aan wat er ging gebeuren tot in de verre toekomst en voordat het geschiedde voorspelde hij wat nog verborgen was.

Sir. 49,1 De gedachtenis van Josia is als geurige wierook, met zout vermengd, door een reukwerker bereid. In ieders mond is zijn gedachtenis zo zoet als honing, als muziek bij een wijngelag.
Sir. 49,2 Hij was bedroefd om onze afvalligheid en maakte een einde aan de nietswaardige gruwels.
Sir. 49,3 Hij richtte zijn hart op de Heer en in de dagen van zonde beoefende hij de vroomheid.
Sir. 49,4 Met uitzondering van David, Hizkia en Josia hebben zij zich allen zeer zondig gedragen, want zij hebben de wet van de Allerhoogste verlaten, de koningen van Juda, tot de laatste toe.
Sir. 49,5 Zij hebben hun macht aan anderen verloren en hun glorie aan een vreemd volk.
Sir. 49,6 Die staken de uitverkoren stad van het heiligdom in brand en ontvolkten haar straten, vanwege Jeremia,
Sir. 49,7 want die hadden zij mishandeld. Hij was al in de moeder schoot tot profeet geheiligd om uit te roeien, af te breken en te verdelgen en ook om op te bouwen en te planten.
Sir. 49,8 EzechiŽl, hij zag een visioen van de heerlijkheid, die de Heer hem toonde op de wagen van de kerubs.
Sir. 49,9 Ook bracht hij Job in herinnering, die de rechte wegen tot het einde toe trouw bleef.
Sir. 49,10 En dan de twaalf profeten! Hun gebeente moge opbloeien uit hun rustplaats! Zij hebben Jakob gesterkt en hem door ver trouwvol geloof gered.
Sir. 49,11 Hoe zullen wij de lof zingen van Zerubbabel? Hij was als een zegelring aan de rechterhand.
Sir. 49,12 Zo was ook Jezua, de zoon van Josadak: in hun dagen richtten zij het altaar op en bouwden zij de tempel, toegewijd aan de Heer en bestemd tot zijn eeuwige glorie.
Sir. 49,13 Sterk leeft ook de gedachtenis aan Nehemia, die onze ingestorte muren herbouwde, die poorten met grendels aanbracht en onze huizen herstelde.
Sir. 49,14 Op de aarde is er niemand geschapen die was zoals Henoch, want hij werd van de aarde weggenomen.
Sir. 49,15 Ook werd er geen mens geboren zoals Jozef, een heerser over zijn broers, de steun van zijn volk, wiens gebeente met zorg bewaard werd.
Sir. 49,16 Sem en Set werden geŽerd onder de mensen, maar boven al wat leeft staat Adam in ere.

Sir. 50,1 Simon, de zoon van Onias, de hogepriester: in zijn tijd werd het godshuis hersteld en in zijn dagen de tempel versterkt.
Sir. 50,2 In zijn dagen werd de muur herbouwd en de torens van het heiligdom bij het koninklijk paleis.
Sir. 50,3 In zijn tijd werd een waterbekken uitgehouwen, een reservoir, met een omtrek als die van de Zee.
Sir. 50,4 Hij behoedde zijn volk voor de ondergang en versterkte de stad tegen belegeraars.
Sir. 50,5 Hoe stralend was hij, wanneer hij uit de tent keek en van achter het voorhangsel naar buiten trad.
Sir. 50,6 Dan was hij als een ster tussen de wolken, als de volle maan tijdens het hoogfeest,
Sir. 50,7 als de zon die schittert op een koningspaleis, als de regenboog die glanst in luisterrijke wolken,
Sir. 50,8 als een roos in het nieuwe seizoen, als lelies bij een waterbron, als een jonge twijg op de Libanon in de zomer,
Sir. 50,9 als brandende wierook op de wierookschaal, als een vaas van massief, gehamerd goud, versierd met allerlei kostbaar gesteente,
Sir. 50,10 als een olijfboom vol vruchten, als een cipres die tot aan de wolken oprijst.
Sir. 50,11 Wanneer hij zich hulde in zijn prachtige gewaad, zich met volmaakte luister bekleedde en opging naar het heilig altaar, vervulde hij de voorhof van het heiligdom met heerlijkheid.
Sir. 50,12 Wanneer hij uit de handen van de priesters de offer stukken aannam, staande bij de vuurhaard van het altaar, omringd door een krans van broeders, die als loten waren van ceders op de Libanon: als stammen van palmen stonden dan
Sir. 50,13 al de zonen van Ašron in volle luister om hem heen, met een offer voor de Heer in hun handen tegenover de hele gemeen schap van IsraŽl.
Sir. 50,14 En als hij dan het altaar geheel gereed had gemaakt en de gaven voor de Allerhoogste, de Almachtige had neergelegd,
Sir. 50,15 strekte hij zijn hand uit naar de plengschaal en plengde het bloed van de druif. Hij goot het uit aan de voet van het altaar, een welriekende geur voor de Allerhoogste, de Koning over alles.
Sir. 50,16 Dan verhieven de zonen van Ašron hun stem en bliezen zij op metalen trompetten; zij lieten een machtig geluid horen, tot een herinnering voor het aanschijn van de Allerhoogste.
Sir. 50,17 Dan haastte zich heel het volk, als een man, en vielen zij met hun aangezicht ter aarde om hun Heer te aanbidden, de almachtige God, de Allerhoogste,
Sir. 50,18 en de zangers prezen Hem met hun liederen en luid klonk hun heerlijk gezang.
Sir. 50,19 En het volk smeekte de Heer, de Allerhoogste, biddend voor het aangezicht van de Barmhartige, totdat de dienst voor de Heer ten einde was en zij hun plicht tegenover Hem vervuld hadden.
Sir. 50,20 Dan daalde hij af en strekt hij zijn handen hoog uit over de hele gemeenschap van IsraŽls zonen, om met zijn lippen de zegen van de Heer te geven en zich te tooien met zijn naam.
Sir. 50,21 Dan vielen zij een tweede maal ter aarde om de zegen van de Allerhoogste te ontvangen.
Sir. 50,22 Prijst dan nu de Heer van het heelal, die alom grote dingen doet, die van de moederschoot af de mens groot maakt en met hem handelt naar zijn barmhartigheid.
Sir. 50,23 Hij geve ons blijdschap van hart en vrede in onze dagen, in IsraŽl, zoals in de dagen van weleer.
Sir. 50,24 Moge zijn barmhartigheid ons altijd verzekerd zijn en moge Hij ons verlossen in onze dagen.
Sir. 50,25 Twee volken verfoei ik en het derde is geen volk:
Sir. 50,26 de bewoners van SeÔr, de Filistijnen en het dwaze volk dat in Sichem woont.
Sir. 50,27 Lessen in wijsheid en kennis zijn neergelegd in dit boek door Jezus, de zoon van Sirach Eleazar, uit Jeruzalem, die wijsheid liet stromen uit zijn hart.
Sir. 50,28 Zalig degene die er zich mee bezighoudt: als hij ze ter harte neemt, wordt hij wijs.
Sir. 50,29 Want wie daarnaar handelt, zal alles vermogen: de vrees voor de Heer is leven.

Sir. 51,1 Ik wil U loven, Heer, Koning, en U prijzen als mijn God en Redder. Ik wil uw naam loven,
Sir. 51,2 omdat Gij mijn beschermer en helper zijt geweest en mij hebt gered van de dood, van de strikken, door lastertongen gelegd, van de lippen die leugentaal uitslaan. Tegenover hen die mij aanvielen zijt Gij mijn helper geworden
Sir. 51,3 en groot als uw erbarmen is en uw naam, hebt Gij mij verlost uit de strikken van hen die loerden op buit, uit de hand van hen die mij naar het leven stonden, uit de vele noden die mij overkwamen,
Sir. 51,4 uit het verstikkende vuur, waarmee mij de brandstapel omgaf, midden uit de vlammen, die ik niet had aangestoken,
Sir. 51,5 uit de diepe schoot van de onderwereld, verlost van de vurige tong en het lasterlijk gepraat,
Sir. 51,6 van de scherpe pijlen van de onrechtvaardige tong. Vlak bij de dood was ik gekomen: ik stond aan de rand van het doden rijk, zo diep.
Sir. 51,7 Aan alle kanten omsingelden ze mij en er was niemand die mij hielp. Ik keek uit naar steun van mensen, maar die was er niet.
Sir. 51,8 Toen dacht ik, Heer, aan uw barmhartigheid, en aan uw weldaden, van oudsher bewezen: Gij helpt degenen die op U hopen en redt hen uit de hand van hun vijanden.
Sir. 51,9 Ik liet mijn noodkreet uit de diepte klinken en smeekte om van de dood verlost te worden.
Sir. 51,10 Ik riep tot de Heer: `Gij zijt mijn vader! Verlaat mij niet op de dag van de nood, op de dag van de rampspoed en de verlatenheid.
Sir. 51,11 Ik wil uw naam gestadig prijzen, en hem bezingen in mijn loflied.' Mijn gebed is verhoord,
Sir. 51,12 want Gij hebt mij van de ondergang gered en mij op de dag van het ongeluk geholpen. Daarom zal ik U loven en prijzen en de naam des Heren zegenen.
Sir. 51,13 Toen ik nog jong was, voordat ik mijn reizen begon, zocht ik openlijk door mijn gebed wijsheid te verkrijgen.
Sir. 51,14 Staande voor de tempel bad ik erom en tot het laatst toe zal ik haar zoeken.
Sir. 51,15 Wanneer zij gedijde, als een rijpende druif, verheugde mijn hart zich over haar. Mijn voet is de rechte weg opgegaan: van mijn jeugd af heb ik haar spoor gevolgd.
Sir. 51,16 Als ik maar even luisterde, leerde ik van haar en verwierf ik veel kennis.
Sir. 51,17 Zij heeft mij veel voordeel gebracht; degene die mij wijsheid geeft zal ik eren.
Sir. 51,18 Ik legde mij erop toe haar te beoefenen. Ik heb het goede nagestreefd en ik zal niet teleurgesteld worden.
Sir. 51,19 Ik heb om haar gestreden en de wet nauwlettend onder houden. Ik heb mijn handen ten hemel geheven en mijn onwetendheid over haar betreurd.
Sir. 51,20 Ik heb mijn zinnen op haar gezet en ik heb haar door loutering gevonden. Met haar heb ik inzicht verworven, van het begin af aan: daarom zal ik haar nooit verlaten.
Sir. 51,21 Mijn binnenste vond geen rust, ik moest haar zoeken: daarom heb ik een kostbaar goed verworven.
Sir. 51,22 De Heer gaf mij als loon een vaardige tong en daarmee zal ik Hem prijzen.
Sir. 51,23 Komt naar mij toe, gij onwetenden, en neemt uw intrek in het leerhuis.
Sir. 51,24 Waarom blijft gij nog gebrek lijden en laat gij uw zielen versmachten?
Sir. 51,25 Ik open mijn mond en ik spreek: `Verwerft u toch wijsheid, kosteloos!
Sir. 51,26 Buigt uw hals onder haar juk en laat uw hart het onder richt opnemen: het is niet ver te zoeken!
Sir. 51,27 Gij kunt met uw eigen ogen zien dat ik mij maar matig hoefde in te spannen en voor mijzelf veel rust heb gevonden.
Sir. 51,28 Neemt deel aan het onderricht en gij zult u daarvoor veel zilver en goud verwerven.
Sir. 51,29 Verheugt u in de barmhartigheid van de Heer en schaamt u niet Hem te loven.
Sir. 51,30 Verricht uw werk voor de beslissende tijd en de Heer zal u te zijner tijd uw loon geven.'

<< Wijsheid Index Oude Testament Jesaja >>