Start
Omhoog

Numeri

 

<< Leviticus Index Oude Testament Deuteronomium >>

 

Numeri

Num. 1,1 Jahwe sprak tot Mozes, in de woestijn van de SinaÔ, in de tent van de samenkomst. Het was de eerste dag van de tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte. Jahwe zei:
Num. 1,2 In heel de gemeenschap van de IsraŽlieten moet gij, naar geslachten en families, een telling houden van alle mannelijke personen zonder uitzondering,
Num. 1,3 van de weerbare mannen in IsraŽl die twintig jaar en ouder zijn. Samen met Ašron moet gij hen inschrijven volgens de afdelingen waartoe zij behoren.
Num. 1,4 Een man van iedere stam moet u behulpzaam zijn, iemand die het hoofd van een familie is.
Num. 1,5 Dit zijn de namen van de mannen die u ter zijde moeten staan: voor Ruben Elisur, zoon van Sedeur;
Num. 1,6 voor Simeon SelumiŽl, zoon van Surisaddai;
Num. 1,7 voor Juda Nachson, zoon van Amminadab;
Num. 1,8 voor Issakar Netanel, zoon van Suar;
Num. 1,9 voor Zebulon Eliab, zoon van Chelon;
Num. 1,10 voor de afstammelingen van Jozef: voor Efraim Elisama, zoon van Ammihud, en voor Manasse GamliŽl, zoon van Pedasur;
Num. 1,11 voor Benjamin Abidan, zoon van Gidoni;
Num. 1,12 voor Dan AchiŽzer, zoon van Ammisaddai;
Num. 1,13 voor Aser PagiŽl, zoon van Okran;
Num. 1,14 voor Gad Eljasaf, zoon van DeŁel;
Num. 1,15 voor Naftali Achira, zoon van Enan.
Num. 1,16 Dat waren degenen die in de gemeenschap werden aangewezen; het waren vooraanstaande mannen in de stammen van hun vaderen, hoofden van geslachten in IsraŽl.
Num. 1,17 Mozes en Ašron namen de met name aangewezen mannen als helpers en
Num. 1,18 riepen de hele gemeenschap bijeen op de eerste dag van de tweede maand. Alle personen van twintig jaar en ouder werden zonder uitzondering naar geslachten en families ingeschreven.
Num. 1,19 Zo schreef Mozes hen in, overeenkomstig het bevel van Jahwe, in de woestijn van de SinaÔ.
Num. 1,20 De afstammelingen van Ruben, de eerstgeborene van IsraŽl, volgens geslachten en families, alle mannelijke personen zonder uitzondering, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder,
Num. 1,21 die ingeschreven werden in de stam Ruben, waren zesenveertigduizendvijfhonderd in getal.
Num. 1,22 De afstammelingen van Simeon volgens geslachten en families, alle mannelijke personen zonder uitzondering, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder,
Num. 1,23 die ingeschreven werden in de stam Simeon, waren negenenvijftigduizenddriehonderd in getal.
Num. 1,24 De afstammelingen van Gad volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,25 die ingeschreven werden in de stam Gad, waren vijfenveertigduizendzeshonderdvijftig in getal.
Num. 1,26 De afstammelingen van Juda volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,27 die ingeschreven werden in de stam Juda, waren vierenzeventigduizendzeshonderd in getal.
Num. 1,28 De afstammelingen van Issakar volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,29 die ingeschreven werden in de stam Issakar, waren vierenvijftigduizendvierhonderd in getal.
Num. 1,30 De afstammelingen van Zebulon, volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,31 die ingeschreven werden in de stam Zebulon waren zevenenvijftigduizendvierhonderd in getal.
Num. 1,32 Wat de zonen van Jozef betrof, de afstammelingen van Efraim volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,33 die ingeschreven werden in de stam Efraim, waren veertigduizendvijfhonderd in getal;
Num. 1,34 de afstammelingen van Manasse volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,35 die ingeschreven werden in de stam Manasse, waren tweeŽndertigduizendtweehonderd in getal.
Num. 1,36 De afstammelingen van Benjamin volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,37 die ingeschreven werden in de stam Benjamin, waren vijfendertigduizendvierhonderd in getal.
Num. 1,38 De afstammelingen van Dan volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,39 die ingeschreven werden in de stam Dan, waren tweeŽnzes tigduizendzevenhonderd in getal.
Num. 1,40 De afstammelingen van Aser volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,41 die ingeschreven werden in de stam Aser waren eenenveertigduizendvijfhonderd in getal.
Num. 1,42 De afstammelingen van Naftali volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,43 die ingeschreven werden in de stam Naftali waren drieŽn vijftigduizendvierhonderd in getal.
Num. 1,44 Dat waren degenen die Mozes en Ašron inschreven, bijgestaan door de twaalf vooraanstaande mannen uit IsraŽl, de vertegenwoordigers van hun families.
Num. 1,45 Het aantal IsraŽlieten van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen in IsraŽl die volgens families werden ingeschreven,
Num. 1,46 bedroeg in totaal zeshonderddrieduizendvijfhonderdvijf tig.
Num. 1,47 De levieten echter werden niet met de anderen volgens hun afstamming ingeschreven,
Num. 1,48 want Jahwe had tot Mozes gezegd:
Num. 1,49 De stam Levi moogt gij niet inschrijven en bij de IsraŽlieten tellen.
Num. 1,50 Gij moet de levieten aanstellen over de woning met de verbondsakte en over heel de inboedel en alle toebehoren. Zij moeten de woning en heel de inboedel vervoeren. Zij zullen er dienst doen en rondom de woning hun kamp opslaan.
Num. 1,51 Wanneer de woning optrekt, moeten de levieten ze uit elkaar nemen en wanneer de woning halt houdt, moeten de levieten ze weer opslaan. Een onbevoegde die er te dicht bij komt, moet gedood worden.
Num. 1,52 De afdelingen van de IsraŽlieten moeten zich in hun eigen kamp en bij hun eigen banier legeren,
Num. 1,53 maar de levieten moeten zich legeren rondom de woning met de verbondsakte; dan zal geen toorn de gemeenschap van de IsraŽlieten treffen. Zo moeten de levieten dienst doen bij de woning met de verbondsakte.
Num. 1,54 Alles wat Jahwe aan Mozes had bevolen, brachten de IsraŽlieten stipt ten uitvoer.

Num 2,1 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Num 2,2 De IsraŽlieten moeten zich legeren bij de tekens van hun families, ieder bij zijn eigen banier. Zij legeren zich rondom de tent van de samenkomst, maar op enige afstand.
Num 2,3 Aan de oostkant, daar waar de zon opgaat, legeren zich de groepen die onder de banier van het kamp Juda behoren. De leider van de JudeeŽrs was Nachson, zoon van Amminadab.
Num 2,4 Zijn leger bestond uit vierenzeventigduizendzeshonderd ingeschrevenen.
Num 2,5 Naast hen moet de stam Issakar zich legeren. De leider van de Issakarieten was Netanel, zoon van Suar.
Num 2,6 Zijn leger bestond uit vierenvijftigduizendvierhonderd ingeschrevenen.
Num 2,7 Dan komt de stam Zebulon. De leider van de Zebulonieten was Eliab, zoon van Chelon.
Num 2,8 Zijn leger bestond uit zevenenvijftigduizend ingeschrevenen.
Num 2,9 Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp Juda bedroeg in totaal honderdzesentachtigduizend. Zij moeten het eerst opbreken.
Num 2,10 Aan de zuidkant moet de banier staan van het kamp van de Rubenieten, naar hun groepen geordend.
Num 2,11 De leider van de Rubenieten was Elisur, zoon van Sedeur. Zijn leger bestond uit zesenveertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen.
Num 2,12 Naast hen moet zich de stam Simeon legeren. De leider van de Simeonieten was SelumiŽl, zoon van Surisaddai.
Num 2,13 Zijn leger bestond uit negenenvijftigduizenddriehonderd ingeschrevenen.
Num 2,14 Dan komt de stam Gad. De leider van de Gadieten was Eljasaf, zoon van ReuŽl.
Num 2,15 Zijn leger bestond uit vijfenveertigduizendzeshonderd vijftig ingeschrevenen.
Num 2,16 Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp van Ruben bedroeg in totaal honderdeenenvijftigduizendvierhonderdvijftig. Hun onderdeel breekt als tweede op.
Num 2,17 Dan wordt de tent van de samenkomst opgebroken, het kamp van de levieten dat in het midden ligt. De volgorde waarin zij gelegerd zijn, ieder bij zijn banier, moet ook bij het opbreken gehandhaafd worden.
Num 2,18 Aan de westkant moet de banier staan van het kamp van de Efraimieten, naar hun groepen geordend. De leider van de Efraimieten was Elisama, zoon van Ammihud.
Num 2,19 Zijn leger bestond uit veertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen.
Num 2,20 Naast hen moet zich de stam Manasse legeren. De leider van de Manassieten was GamliŽl, zoon van Pedasur.
Num 2,21 Zijn leger bestond uit tweeŽndertigduizendtweehonderd ingeschrevenen.
Num 2,22 Dan komt de stam Benjamin. De leider van de Benjaminieten was Abidan, zoon van Gidoni.
Num 2,23 Zijn leger bestond uit vijfendertigduizendvierhonderd ingeschrevenen.
Num 2,24 Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp van Efraim bedroeg in totaal honderdachtduizendhonderd. Hun onderdeel breekt als derde op.
Num 2,25 Aan de noordkant moet de banier staan van het kamp van de Danieten, naar hun groepen geordend. De leider van de Danieten was AchiŽzer, zoon van Ammisaddai.
Num 2,26 Zijn leger bestond uit tweeŽnzestigduizendzevenhonderd ingeschrevenen.
Num 2,27 Naast hen moet zich de stam Aser legeren. De leider van de Aserieten was PagiŽl, zoon van Okran.
Num 2,28 Zijn leger bestond uit eenenveertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen.
Num 2,29 Dan komt de stam Naftali. De leider van de Naftalieten was Achira, zoon van Enan.
Num 2,30 Zijn leger bestond uit drieŽnvijftigduizendvierhonderd ingeschrevenen.
Num 2,31 Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp van Dan bedroeg in totaal honderdzevenenvijftigduizendzeshonderd. Zij moeten als laatste groep opbreken. Naar de volgorde van de banieren breekt hun onderdeel als laatste op.
Num 2,32 Het aantal van de IsraŽlieten die, in de kampen naar groepen geordend, volgens hun families werden ingeschreven, bedroeg in totaal zeshonderddrieduizendvijfhonderdvijftig.
Num 2,33 Zoals Jahwe aan Mozes bevolen had, werden de levieten niet bij de IsraŽlieten ingeschreven.
Num 2,34 De IsraŽlieten hielden zich aan alles wat Jahwe aan Mozes bevolen had. Verdeeld naar hun banieren sloegen zij hun kamp op en op dezelfde wijze braken zij weer op, ieder bij zijn geslacht en bij zijn familie.

Num 3,1 Dit waren de afstammelingen van Ašron en Mozes toen Jahwe op de berg SinaÔ tot Mozes sprak.
Num 3,2 De namen van de zonen van Ašron zijn Nadab, de eerstgeborene, en Abihu, Eleazar en Itamar.
Num 3,3 Zo heetten de zonen van Ašron, de gezalfde priesters, die aangesteld waren om de priesterlijke bediening te vervullen.
Num 3,4 Nadab en Abihu stierven voor het aanschijn van Jahwe, toen zij in de woestijn van de SinaÔ met ongewijd vuur voor Hem verschenen. Zonen hadden zij niet. Zo bleven alleen Eleazar en Itamar het priesterschap uitoefenen, onder toezicht van hun vader Ašron.
Num 3,5 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 3,6 Laat de stam Levi naderbij komen en stel hen in dienst van Ašron, de priester.
Num 3,7 Voor hem en de hele gemeenschap moeten zij hun taak vervullen bij de tent van de samenkomst door dienst te doen bij de woning.
Num 3,8 Zij zullen zorg dragen voor heel de inboedel van de tent van de samenkomst en in naam van de IsraŽlieten een taak vervullen door dienst te doen bij de woning.
Num 3,9 Gij moet de levieten aan Ašron en zijn zonen ter beschikking stellen. Zij moeten hem onvoorwaardelijk, namens de IsraŽlieten, ten dienste staan.
Num 3,10 Ašron zelf en zijn zonen moet gij opdragen de priesterlijke bediening te vervullen. Zou een onbevoegde dat doen, dan moet hij gedood worden.
Num 3,11 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 3,12 Bij dezen zonder Ik uit de IsraŽlieten de levieten af als plaatsvervangers van alle eerstgeborenen, van allen die bij hen de moederschoot openen. De levieten behoren Mij toe,
Num 3,13 want Mij behoren alle eerstgeborenen; op de dag dat ik in Egypte als eerstgeborenen sloeg, heb Ik alles wat in IsraŽl het eerst geboren wordt, bij mens en dier, voor Mijzelf bestemd. Mij behoren zij toe. Ik ben Jahwe.
Num 3,14 Jahwe sprak tot Mozes in de woestijn van de SinaÔ:
Num 3,15 Gij moet alle mannelijke levieten van een maand en ouder inschrijven volgens hun families en geslachten.
Num 3,16 Mozes schreef hen in, zoals Jahwe hem bevolen had.
Num 3,17 Dit zijn de namen van de zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari.
Num 3,18 Dit zijn de namen van de geslachten van de Gersonieten: Libni en Simi;
Num 3,19 de geslachten van de Kehatieten zijn Amram, Jishar, Chebron en UzziŽl;
Num 3,20 de geslachten van de Merarieten zijn Machli en Musi. Dat zijn de geslachten van de levieten.
Num 3,21 Tot Gerson behoorden de geslachten van de Libnieten en de Simieten; dat waren de geslachten van de Gersonieten.
Num 3,22 Het aantal mannelijke ingeschrevenen van een maand en ouder bedroeg in totaal zevenduizendvijfhonderd.
Num 3,23 De geslachten van de Gersonieten hadden hun kamp aan de westkant van de woning.
Num 3,24 De leider van de Gersonieten was Eljasaf, zoon van LaŽl.
Num 3,25 De Gersonieten moesten bij de tent van de samenkomst, bij de woning zowel als bij de tent, zorgen voor het dekkleed, voor het tapijt aan de ingang van de tent van de samenkomst,
Num 3,26 voor de gordijnen van de voorhof, voor het tapijt aan de ingang van de voorhof die rondom de woning en het altaar lag, en voor de touwen die daarbij nodig waren. Dat was hun werk.
Num 3,27 Tot Kehat behoorden de geslachten van de Amramieten, de Jisharieten, de Chebronieten en de UzziŽlieten; dat waren de geslachten van de Kehatieten.
Num 3,28 Het aantal mannelijke ingeschrevenen van een maand en ouder bedroeg in totaal achtduizendzeshonderd. Zij moesten zorgen voor het heiligdom.
Num 3,29 De geslachten van de Kehatieten hadden hun kamp aan de zuidkant van de woning.
Num 3,30 De leider van de geslachten van de Kehatieten was Elisafan, zoon van UzziŽl.
Num 3,31 Zij moesten zorgen voor de ark, de tafel, de luchter, de altaren, de heilige voorwerpen die bij de dienst gebruikt worden, en het voorhangsel. Dat was hun werk.
Num 3,32 De voornaamste leider van de levieten was Eleazar, zoon van de priester Ašron. Hij had het toezicht over hen die met de zorg voor het heiligdom belast waren.
Num 3,33 Tot Merari behoorden de geslachten van de Machlieten en de Musieten; dat waren de geslachten van Merari.
Num 3,34 Het aantal mannelijke ingeschrevenen van een maand en ouder bedroeg in totaal zesduizendtweehonderd.
Num 3,35 De leider van de geslachten van Merari was SuriŽl, zoon van Abichail. Zij hadden hun kamp aan de noordkant van de woning.
Num 3,36 Aan de zorg van de Merarieten werden toevertrouwd de schotten van de woning, de bindlatten, de palen en de voetstukken en alle verdere benodigdheden. Dat was hun werk.
Num 3,37 Bovendien de palen van de omringende voorhof met voet stukken, pinnen en touwen.
Num 3,38 Aan de oostkant van de woning, voor de tent van de samenkomst, aan de kant waar de zon opgaat, hadden Mozes en Ašron en diens zonen hun kamp. Zij waren belast met de bediening van het heiligdom in naam van de IsraŽlieten. Zou een onbevoegde dat doen, dan moest hij gedood worden.
Num 3,39 Het aantal mannelijke levieten van een maand en ouder, die Mozes en Ašron op bevel van Jahwe volgens hun geslachten hadden ingeschreven, bedroeg in totaal tweeŽntwintigduizend.
Num 3,40 Jahwe zei tot Mozes: Gij moet alle mannelijke eerstgeboren IsraŽlieten van een maand en ouder inschrijven en hun aantal vaststellen.
Num 3,41 Gij moet voor Mij - Ik ben Jahwe - de levieten afzonde ren als plaatsvervangers van alle eerstgeboren IsraŽlieten en het vee van de levieten in plaats van al het eerstgeborene van het vee van de IsraŽlieten.
Num 3,42 Mozes schreef alle eerstgeboren IsraŽlieten in, zoals Jahwe hem bevolen had.
Num 3,43 Het aantal mannelijke eerstgeborenen van een maand en ouder, dat ingeschreven werd, bedroeg in totaal tweeŽntwintigduizendtweehonderddrieŽnzeventig.
Num 3,44 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 3,45 Neem de levieten als plaatsvervangers van alle eerstgeboren IsraŽlieten en het vee van de levieten in plaats van hun vee. De levieten behoren Mij toe. Ik ben Jahwe.
Num 3,46 Voor de tweehonderddrieŽnzeventig eerstgeboren IsraŽlieten die er meer zijn dan het aantal levieten,
Num 3,47 moet gij vijf sikkel de man als losprijs innen, in sikkels van het heiligdom, twintig gera de sikkel.
Num 3,48 Dat geld moet gij aan Ašron en zijn zonen geven als losprijs voor hen die er meer waren dan het aantal dat vrijgekocht is.
Num 3,49 Mozes inde dat losgeld voor hen die het aantal van hen die door de levieten waren vrijgekocht, te boven gingen.
Num 3,50 Hij inde dat geld van de eerstgeboren IsraŽlieten, duizenddriehonderdvijfenzestig sikkel in sikkels van het heilig dom,
Num 3,51 en gaf het aan Ašron en diens zonen, zoals Jahwe hem bevolen had.

Num 4,1 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Num 4,2 Onder de levieten moet gij een telling houden van de Kehatieten tussen dertig en vijftig jaar volgens hun geslachten en families,
Num 4,3 van allen die in aanmerking komen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst.
Num 4,4 De taak van de Kehatieten bij de tent van de samenkomst is de zorg voor het Allerheiligste.
Num 4,5 Wanneer het kamp wordt opgebroken, gaan Ašron en zijn zonen naar binnen, nemen het afsluitend voorhangsel weg en bedekken daarmee de ark met de verbondsakte.
Num 4,6 Zij leggen er een dekkleed van fijn leer over, spreiden daarover een blauwpurperen kleed uit en brengen de draagstokken aan.
Num 4,7 Over de tafel van de toonbroden spreiden zij een blauw purperen kleed uit en plaatsen daarop de schotels, schalen, kommen en kannen voor het plengoffer; de toonbroden moeten erop liggen.
Num 4,8 Daaroverheen spreiden zij een karmozijnen kleed uit, bedekken dit met een kleed van fijn leer en brengen de draagstok ken aan.
Num 4,9 Met een blauwpurperen kleed bedekken zij de luchter, samen met zijn lampen, snuiters, bakjes en alles wat voor het branden van olie nodig is.
Num 4,10 Zij omhullen die luchter met alle toebehoren met een kleed van fijn leer en zetten alles op een draagbaar.
Num 4,11 Over het gouden altaar spreiden zij een blauwpurperen kleed uit, bedekken het met een kleed van fijn leer en brengen de draagstokken aan.
Num 4,12 Alles wat zij bij hun dienst in het heiligdom gebruiken, plaatsen zij op een blauwpurperen kleed, bedekken het met een kleed van fijn leer en zetten het op een draagbaar.
Num 4,13 Het altaar reinigen zij van de vettige as en spreiden er een karmijnrood kleed over uit.
Num 4,14 Alles wat zij bij de dienst van het altaar gebruiken, zetten zij daarop: de vuurpotten, de vorken, de schoppen en de offerschalen, al de benodigdheden voor het altaar. Zij spreiden er een kleed van fijn leer over uit en brengen de draagstokken aan.
Num 4,15 Wanneer het kamp opbreekt, moeten Ašron en zijn zonen klaar zijn met het bedekken van het heilige en van alle heilige voorwerpen; dan pas mogen de Kehatieten binnenkomen om ze te dragen. Zij mogen het heilige niet aanraken: zij zouden sterven. Deze voorwerpen van de tent van de samenkomst moeten de Kehatieten dragen.
Num 4,16 Eleazar, de zoon van de priester Ašron, heeft toezicht op de olie voor de lampen, op het geurige reukwerk, op het dagelijks meeloffer en op de zalfolie, op heel de woning en al wat er in is, het heilige en al wat erbij hoort.
Num 4,17 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Num 4,18 Gij moet er voor zorgen, dat de Kehatitische tak van de levieten niet uitsterft.
Num 4,19 Willen zij in leven blijven en niet omkomen, wanneer zij het hoogheilige naderen, dan moet gij het volgende voor hen doen. Ašron en zijn zonen moeten aan ieder van hen zijn taak bij het dragen aanwijzen.
Num 4,20 Zij mogen er niet binnengaan. Zij zouden sterven, als zij het heilige maar een ogenblik zagen.
Num 4,21 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 4,22 Houd een telling van de Gersonieten volgens hun families en geslachten.
Num 4,23 Alle mannen van dertig tot vijftig jaar, die in aanmerking komen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst, moet gij inschrijven.
Num 4,24 Het werk van de geslachten van de Gersonieten, hun taak bij het vervoer, bestaat hierin:
Num 4,25 zij moeten de tentkleden van de woning, de tent van de samenkomst, dragen: het dekkleed en het kleed van fijn leer dat daaroverheen ligt, het tapijt aan de ingang van de tent van de samenkomst,
Num 4,26 de gordijnen van de voorhof, het tapijt aan de ingang van de voorhof die om de woning en het altaar ligt, en de touwen die erbij horen. Alles wat voor het werk nodig is, moeten zij verrichten.
Num 4,27 Al het werk van de Gersonieten, al hun werk bij het vervoer moet gebeuren volgens de aanwijzingen van Ašron en zijn zonen. Gij moet alles wat zij te dragen hebben, nauwkeurig aangeven.
Num 4,28 Dat is de taak van de geslachten van de Gersonieten bij de tent van de samenkomst. Bij de uitoefening van hun dienst staan zij onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Ašron.
Num 4,29 Ook de Merarieten moet gij volgens hun geslachten en families inschrijven.
Num 4,30 Alle mannen van dertig tot vijftig jaar, die in aanmerking komen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst, moet gij inschrijven.
Num 4,31 Hun taak bij het vervoer en hun dienst bij de tent van de samenkomst bestaat hierin: zij moeten zorgen voor de schotten van de woning met de bindlatten, palen en voetstukken,
Num 4,32 voor de palen van de rondom liggende voorhof met de voetstukken, pinnen, touwen en alles wat daarbij hoort. Dat is hun werk. Alle voorwerpen waarvan zij het vervoer te verzorgen hebben, moet gij nauwkeurig aangeven.
Num 4,33 Dat is de taak van de geslachten van de Merarieten, geheel hun werk bij de tent van de samenkomst, onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Ašron.
Num 4,34 Mozes en Ašron en de leiders van de gemeenschap schreven de Kehatieten in volgens hun geslachten en families,
Num 4,35 allen van dertig tot vijftig jaar, allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst.
Num 4,36 Het aantal van hen die volgens hun geslachten waren ingeschreven, bedroeg tweeduizendzevenhonderdvijftig.
Num 4,37 Dat waren degenen van de geslachten van de Kehatieten die dienst moeten doen bij de tent van de samenkomst en die door Mozes en Ašron volgens het bevel van Jahwe waren ingeschreven.
Num 4,38 Het aantal Gersonieten van dertig tot vijftig jaar die, volgens hun geslachten en families,
Num 4,39 waren ingeschreven, allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst
Num 4,40 en die volgens hun geslachten en families waren ingeschreven, bedroeg tweeduizendzeshonderdzestig.
Num 4,41 Dat waren degenen van de geslachten van de Gersonieten die dienst moeten doen bij de tent van de samenkomst en die door Mozes en Ašron volgens het bevel van Jahwe waren ingeschreven.
Num 4,42 Het aantal Merarieten van dertig tot vijftig jaar die, volgens hun geslachten en families,
Num 4,43 waren ingeschreven, het aantal van allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst
Num 4,44 en die volgens hun geslachten en families waren ingeschreven, bedroeg drieduizendtweehonderd.
Num 4,45 Dat waren degenen van de geslachten van de Merarieten, die Mozes en Ašron hadden ingeschreven, volgens het bevel van Jahwe dat door Mozes was overgebracht.
Num 4,46 Het aantal levieten die Mozes en Ašron en de leiders van IsraŽl volgens hun geslachten hadden ingeschreven,
Num 4,47 allen van dertig tot vijftig jaar, het aantal van allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst en voor het vervoer,
Num 4,48 bedroeg in totaal achtduizendvijfhonderdtachtig.
Num 4,49 Op bevel van Jahwe werd onder leiding van Mozes aan ieder van hen zijn taak bij het vervoer aangewezen. Zij werden aangesteld zoals Jahwe het aan Mozes bevolen had.

Num 5,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 5,2 Geef de IsraŽlieten het volgend bevel: zij moeten iedere melaatse, ieder die aan druiper lijdt en ieder die onrein is geworden door contact met een lijk, uit het kamp sturen.
Num 5,3 Dat geldt voor mannen en vrouwen. Gij moet hen het kamp uitsturen, want anders verontreinigen zij het kamp, waar Ik in hun midden woon.
Num 5,4 De IsraŽlieten deden dit en stuurden hen het kamp uit. Wat Jahwe tot Mozes gezegd had, brachten de IsraŽlieten ten uitvoer.
Num 5,5 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 5,6 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer een man of vrouw een zonde tegen zijn evenmens bedrijft en daardoor tegen Jahwe misdoet, dan laadt die persoon schuld op zich.
Num 5,7 Dan moeten zij de zonde die zij bedreven hebben, belijden en de hele schuld vermeerderd met een vijfde terugbetalen aan degene die zij benadeeld hebben.
Num 5,8 Heeft de benadeelde geen erfgenaam aan wie het verschuldigde terugbetaald kan worden, dan moet het aan Jahwe betaald worden en de priester ten goede komen, afgezien van de ram waarmee deze voor hem de verzoening voltrekt.
Num 5,9 Van alle heilige gaven waarmee de IsraŽlieten naar de priester komen, is een deel voor de priester bestemd.
Num 5,10 Verder blijven de heilige gaven eigendom van de persoon die ze aanbiedt, en krijgt de priester nog wat men hem wil geven.
Num 5,11 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 5,12 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer iemands vrouw zich heeft vergeten en ontrouw is geweest,
Num 5,13 doordat een andere man gemeenschap met haar heeft gehad, en haar eigen man het niet weet, omdat haar misstap verborgen is gebleven en geen getuige haar heeft betrapt en aangeklaagd,
Num 5,14 en wanneer haar man haar in een vlaag van jaloezie gaat verdenken, terwijl ze de misstap inderdaad heeft begaan, of ook wanneer hij haar in een vlaag van jaloezie gaat verdenken, terwijl ze die misstap niet heeft begaan,
Num 5,15 dan moet die man zijn vrouw bij de priester brengen en voor haar een tiende efa gerstemeel als offergave meebrengen. Hij giet er geen olie over uit en voegt er geen wierook aan toe, want het is een offer van jaloezie, dat de zonde in herinnering brengt.
Num 5,16 De priester roept de vrouw naar voren en plaatst haar voor Jahwe.
Num 5,17 Vervolgens neemt hij een aarden kruik met heilig water en voegt wat stof van de vloer van de woning bij het water.
Num 5,18 Wanneer de priester de vrouw dan voor Jahwe heeft geplaatst, maakt hij haar hoofdhaar los en legt in haar handen het herinneringsoffer - het offer van de jaloezie - terwijl hijzelf het bittere, vloekbrengende water in de hand houdt.
Num 5,19 Dan spreekt de priester over de vrouw een bezwering uit en zegt tot haar: `Indien geen andere man gemeenschap met u heeft gehad en u zich als gehuwde vrouw niet misdragen of verontreinigd hebt, zal dit bittere vloekbrengende water u niet deren.
Num 5,20 Maar indien u zich als gehuwde vrouw wel misdragen of verontreinigd hebt, doordat een andere man gemeenschap met u gehad heeft
Num 5,21 nu bezweert de priester de vrouw met de vloek en zegt tot haar - dan zal Jahwe uw naam bij uw volk tot een vloek en verwensing maken: hij zal uw heupen laten invallen en uw buik laten opzwellen.
Num 5,22 Als dit vloekbrengende water in uw ingewanden komt, zal uw buik opzwellen en zullen uw heupen invallen.' Daarop moet de vrouw zeggen: `Amen! Amen!'
Num 5,23 De priester schrijft deze vloek op, wist hem met het bittere water af,
Num 5,24 en geeft de vrouw het bittere vloekbrengende water te drinken, zodat dit water in haar binnenste dringt en daar zijn bitter werk verricht.
Num 5,25 De priester neemt het offer van jaloezie uit de hand van de vrouw, biedt dit Jahwe aan en gaat er mee naar het altaar.
Num 5,26 Dan neemt hij er een handvol af - als teken van het geheel - en laat die op het altaar in rook opgaan; daarna geeft hij de vrouw het water te drinken.
Num 5,27 Heeft zij de misstap begaan en is zij haar man ontrouw geweest, dan zal het vloekbrengend water dat hij haar laat drinken, zijn bitter werk in haar verrichten; de buik van de vrouw zal opzwellen, haar heupen zullen invallen en die vrouw zal bij haar volk een vloek worden.
Num 5,28 Heeft de vrouw de misstap niet begaan en heeft zij zich onberispelijk gedragen, dan gebeurt haar niets en kan zij nog kinderen krijgen.
Num 5,29 Zo moet in een geval van jaloezie gehandeld worden. Indien een gehuwde vrouw zich vergeten heeft en een misstap heeft begaan,
Num 5,30 of indien een man in een vlaag van jaloezie zijn vrouw is gaan verdenken, en hij haar voor Jahwe heeft gebracht en de priester alles met haar gedaan heeft zoals het hier is voorgeschreven,
Num 5,31 dan treft de man geen verwijt; de vrouw moet boeten voor hetgeen zij gedaan heeft.

Num 6,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 6,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer een man of een vrouw iets bijzonders wil verrichten en aan Jahwe de gelofte van nazireaat doet,
Num 6,3 dan heeft hij zich te onthouden van wijn en andere drank. Hij mag geen azijn uit wijn of uit andere drank drinken. Hij mag ook geen sap van druiven drinken en geen verse of gedroogde druiven eten.
Num 6,4 Heel de duur van zijn nazireaat mag hij niets eten van wat van de wijnstok komt, zelfs de pit of het vel niet.
Num 6,5 Zolang zijn gelofte duurt, mag geen scheermes zijn hoofd aanraken. Tot de tijd waarvoor hij zich aan Jahwe gewijd heeft, voorbij is, is hij heilig en moet hij zijn hoofdhaar laten groeien.
Num 6,6 Heel de duur van zijn wijding aan Jahwe mag hij bij geen dode komen.
Num 6,7 Zelfs als zijn vader of moeder, zijn broer of zuster komen te sterven, mag hij zich aan hen niet verontreinigen, want zijn hoofd draagt het teken van zijn toewijding aan God.
Num 6,8 Tot de tijd van zijn nazireaat voorbij is, is hij Jahwe gewijd.
Num 6,9 Wanneer iemand in de nabijheid van de nazireeŽr plotseling en onvoorzien komt te sterven en zo diens gewijde hoofd verontreinigt, dan moet de nazireeŽr op de zevende dag, de dag van zijn reiniging, zijn hoofdhaar scheren,
Num 6,10 en op de achtste moet hij twee tortels of twee duiven naar de priester brengen bij de tent van de samenkomst.
Num 6,11 De priester zal de ene als zondeoffer en de andere als brandoffer opdragen en verzoening voor hem bewerken, vanwege de schuld die hij door de dode heeft opgelopen. Diezelfde dag moet hij zijn hoofd weer heiligen;
Num 6,12 hij moet zich opnieuw aan Jahwe wijden voor de dagen van het nazireaat en hij moet een mannelijk lam van nog geen jaar als schuldoffer aanbieden. De vorige dagen tellen niet meer mee, omdat zijn nazireaat onrein is geworden.
Num 6,13 Voor de nazireeŽr geldt het volgend voorschrift. Op de dag dat de tijd van zijn nazireaat ten einde is, wordt hij naar de ingang van de tent van de samenkomst geleid.
Num 6,14 Hij biedt aan Jahwe de volgende offergave aan: een gaaf mannelijk lam van nog geen jaar als brandoffer, een gaaf ooilam van nog geen jaar als zondeoffer en een gave ram als slachtoffer:
Num 6,15 vervolgens een korf met ongezuurde broden van meelbloem, koeken met olie aangemaakt en ongezuurde platte broden met olie bestreken en de daarbij behorende meel - en plengoffers.
Num 6,16 De priester brengt de offergave voor Jahwe en hij voltrekt voor de nazireeŽr het zondeoffer en het brandoffer.
Num 6,17 De ram biedt hij als slachtoffer aan Jahwe aan, tegelijk met de ongezuurde broden in de korf; ook het daarbij behorende meeloffer en plengoffer voltrekt hij voor hem.
Num 6,18 Dan scheert de nazireeŽr aan de ingang van de tent van de samenkomst zijn gewijde hoofd en werpt de haren in het vuur dat onder het slachtoffer brandt.
Num 6,19 Als hij dat gedaan heeft, neemt de priester het gekookte schouderstuk van de ram, een ongezuurde koek uit de korf en een ongezuurd plat brood en legt die in de handen van de nazireeŽr.
Num 6,20 Staande voor Jahwe bestemt hij deze tot aandeel van de priesters: het is heilig en komt dus de priester toe, evenals het borststuk dat voor de priester bestemd is en de schenkel die als bijdrage wordt afgestaan. Daarna mag de nazireeŽr weer wijn drinken.
Num 6,21 Voor de nazireeŽr die boven zijn nazireaat een gave aan Jahwe beloofd heeft, geldt - afgezien van wat hij verder nog doen wil - het volgende: de inhoud van de afgelegde gelofte bepaalt wat hij meer moet doen dan het voorschrift van het nazireaat gebiedt.
Num 6,22 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 6,23 Zeg aan Ašron en zijn zonen: Als gij de IsraŽlieten zegent, doe het dan met deze woorden:
Num 6,24 `Moge Jahwe u zegenen en u behoeden!
Num 6,25 Moge Jahwe de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn!
Num 6,26 Moge Jahwe zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken!'
Num 6,27 Als zij zo mijn naam over de IsraŽlieten uitspreken, zal Ik hen zegenen.

Num 7,1 Toen Mozes gereed was met het opbouwen van de woning, zalfde hij die met al wat er in stond, en ook het altaar met al zijn toebehoren. Na die zalving en heiliging
Num 7,2 kwamen IsraŽls leiders, de hoofden van de verschillende families, de leiders van de stammen, degenen die de inschrijving geleid hadden, geschenken aanbieden.
Num 7,3 Zij brachten hun gave voor het aanschijn van Jahwe: zes overdekte wagens en twaalf runderen, van elke twee leiders een wagen en van elke leider een rund. Die brachten zij voor de woning.
Num 7,4 Jahwe zei tot Mozes:
Num 7,5 `Neem deze geschenken van hen aan; zij kunnen dienen voor de werkzaamheden die de tent van de samenkomst vraagt. Stel ze ter beschikking van de levieten zoals hun werk het vraagt.'
Num 7,6 Mozes nam dus de wagens en runderen in ontvangst en stelde ze ter beschikking van de levieten.
Num 7,7 Twee wagens en vier runderen stelde hij ter beschikking van de Gersonieten zoals hun werk het vroeg.
Num 7,8 Vier wagens en acht runderen stelde hij ter beschikking van de Merarieten zoals hun werk het vroeg dat zij onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Ašron verrichtten.
Num 7,9 Aan de Kehatieten gaf hij niets, omdat zij belast waren met de dienst van het heilige, dat zij op de schouders moeten dragen.
Num 7,10 Toen het altaar gezalfd was, kwamen de leiders inwijdingsgaven aanbieden. Zij brachten hun gaven voor het altaar.
Num 7,11 Jahwe had tot Mozes gezegd: Laat elke dag een leider zijn gave voor de inwijding van het altaar aanbieden.
Num 7,12 Nachson, zoon van Amminadab, van de stam Juda, bood de eerste dag zijn gave aan.
Num 7,13 Zij bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,14 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,15 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,16 een geitenbok voor een zondeoffer,
Num 7,17 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Nachson, zoon van Amminadab.
Num 7,18 Op de tweede dag bood Netanel, zoon van Suar, leider in Issakar, zijn gave aan.
Num 7,19 De gave die hij aanbood bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,20 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,21 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,22 een geitenbok voor een zondeoffer,
Num 7,23 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Netanel, zoon van Suar.
Num 7,24 Op de derde dag kwam de leider van de Zebulonieten, Eliab, zoon van Chelon.
Num 7,25 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,26 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,27 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,28 een geitenbok voor een zondeoffer,
Num 7,29 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Eliab, zoon van Chelon.
Num 7,30 Op de vierde dag kwam de leider van de Rubenieten, Elisur, zoon van Sedeur.
Num 7,31 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,32 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,33 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,34 een geitenbok voor een zondeoffer,
Num 7,35 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Elisur, zoon van Sedeur.
Num 7,36 Op de vijf de dag kwam de leider van de Simeonieten, SelumiŽl, zoon van Surisaddai.
Num 7,37 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,38 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,39 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar, voor een brandoffer;
Num 7,40 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,41 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van SelumiŽl, zoon van Surisaddai.
Num 7,42 Op de zesde dag kwam de leider van de Gadieten, Eljasaf, zoon van DeŁel.
Num 7,43 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,44 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,45 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,46 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,47 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Eljasaf, zoon van DeŁel.
Num 7,48 Op de zevende dag kwam de leider van de Efraimieten, Elisama, zoon van Ammihud.
Num 7,49 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,50 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,51 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,52 een geitenbok voor een zondeoffer en
Num 7,53 voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Elisama, zoon van Ammihud.
Num 7,54 Op de achtste dag kwam de leider van de Manasieten, GamliŽl, zoon van Pedasur.
Num 7,55 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,56 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,57 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,58 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,59 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van GamliŽl, zoon van Pedasur.
Num 7,60 Op de negende dag kwam de leider van de Benjaminieten, Abidan, zoon van Gidoni.
Num 7,61 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,62 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,63 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,64 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,65 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Abidan, zoon van Gidoni.
Num 7,66 Op de tiende dag kwam de leider van de Danieten, AchiŽzer, zoon van Ammisaddai.
Num 7,67 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,68 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,69 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,70 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,71 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van AchiŽzer, zoon van Ammisaddai.
Num 7,72 Op de elfde dag kwam de leider van de Aserieten, PagiŽl, zoon van Okran.
Num 7,73 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,74 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,75 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,76 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,77 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van PagiŽl, zoon van Okran.
Num 7,78 Op de twaalfde dag kwam de leider van de Naftalieten, Achira, zoon van Enan.
Num 7,79 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,80 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,81 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,82 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,83 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Achira, zoon van Enan.
Num 7,84 Dit waren de inwijdingsgaven, die de leiders van IsraŽl bij de zalving van het altaar aanboden: twaalf zilveren schotels en twaalf zilveren schalen en twaalf gouden schalen.
Num 7,85 Iedere zilveren schotel woog honderddertig sikkel en iedere zilveren schaal zeventig; het zilver van die voorwerpen woog in totaal tweeduizendvierhonderd sikkel, gerekend naar de sikkel van het heiligdom.
Num 7,86 Dan waren er de twaalf gouden schalen gevuld met wie rook. Elke schaal woog tien sikkel, gerekend naar de sikkel van het heiligdom. Het goud van de schalen woog in totaal honderd twintig sikkel.
Num 7,87 Dan was er het vee voor de brandoffers: in totaal twaalf jonge stieren, twaalf mannelijke lammeren van nog geen jaar met de daarbij behorende meeloffers, en voor de zondeoffers: twaalf geitenbokken.
Num 7,88 Aan vee voor de slachtoffers waren er in totaal vieren twintig jonge stieren, zestig rammen, zestig bokken en zestig mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat waren de inwijdingsgaven bij de zalving van het altaar.
Num 7,89 Telkens als Mozes de tent van de samenkomst binnenging om met Hem te spreken, hoorde hij zijn stem vanaf de dekplaat op de ark met de verbondsakte, tussen de twee kerubs. Zo sprak Hij tot hem.

Num 8,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 8,2 Zeg tot Ašron: `Gij moet de lampen zo opstellen, dat het licht van alle zeven aan de voorkant van de luchter valt.'
Num 8,3 Ašron deed dat en stelde de lampen zo op, dat hun licht aan de voorkant van de luchter viel, zoals Jahwe aan Mozes had opgedragen.
Num 8,4 De luchter met schacht en bloemwerk was een werkstuk van gedreven goud. Hij was gemaakt naar het model dat Jahwe aan Mozes had laten zien.
Num 8,5 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 8,6 Gij moet de levieten afzonderen van de overige IsraŽlieten en hen reinigen
Num 8,7 door hen te besprenkelen met reinigingswater. Als zij dan heel hun lichaam geschoren en hun kleren gewassen hebben, zijn zij rein.
Num 8,8 Daarna moeten zij een jonge stier nemen met het daarbij behorend meeloffer van bloem met olie aangemaakt, terwijl gijzelf een tweede jonge stier neemt voor een zondeoffer.
Num 8,9 Laat dan de levieten naar de tent van de samenkomst gaan en roep heel de gemeenschap van de IsraŽlieten in vergadering bijeen.
Num 8,10 Als gij de levieten voor Jahwe hebt laten komen, moeten de IsraŽlieten hun de handen opleggen.
Num 8,11 Uit naam van de IsraŽlieten, moet Ašron dan de levieten met een plechtige ceremonie aan Jahwe aanbieden; daarmee zijn zij bestemd voor de dienst van Jahwe.
Num 8,12 Dan leggen de levieten hun handen op de koppen van de beide stieren; de ene stier offert gij als zondeoffer en de andere als brandoffer aan Jahwe op om voor de levieten verzoening te bewerken.
Num 8,13 Laat de levieten voor Ašron en diens zonen gaan staan en bied hen met een plechtige ceremonie aan Jahwe aan.
Num 8,14 Zo zondert gij de levieten van de overige IsraŽlieten af en behoren ze Mij toe.
Num 8,15 Daarna kunnen de levieten de dienst bij de tent van de samenkomst beginnen. Gij hebt hen immers gereinigd en plechtig aangeboden,
Num 8,16 want zij zijn van de IsraŽlieten afgezonderd en zonder voorbehoud aan Mij afgestaan. Als plaatsvervangers van alles wat de moederschoot opent, van de eerstgeborenen van alle IsraŽlieten, heb Ik hen voor Mijzelf bestemd.
Num 8,17 Alle eerstgeborenen bij de IsraŽlieten, zowel van mensen als van dieren, zijn mijn eigendom. Ik heb hen aan Mij toegewijd, toen Ik alle eerstgeborenen in Egypte sloeg.
Num 8,18 Ik heb de levieten genomen uit de IsraŽlieten als plaatsvervangers van alle eerstgeborenen
Num 8,19 en hen blijvend gegeven aan Ašron en diens zonen. Zij zullen als vertegenwoordigers van de IsraŽlieten dienst doen bij de tent van de samenkomst en voor hen verzoening bewerken. En er zal geen ramp meer over de IsraŽlieten komen, wanneer die het heiligdom naderen.
Num 8,20 Mozes en Ašron en heel de gemeenschap van de IsraŽlieten voerden alles uit wat Jahwe over de levieten aan Mozes bevolen had.
Num 8,21 De levieten reinigden zich van zonde en wasten hun kleren. Ašron bood hen plechtig aan Jahwe aan en voltrok voor hen de verzoening om hen te reinigen.
Num 8,22 Daarna aanvaardden de levieten hun dienst bij de tent van de samenkomst, onder toezicht van Ašron en zijn zonen. Al wat Jahwe over de levieten aan Mozes bevolen had, hebben zij ook met hen gedaan.
Num 8,23 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 8,24 Voor de levieten geldt het volgende: Wie vijfentwintig jaar of ouder is, moet zijn dienst komen doen bij de tent van de samenkomst.
Num 8,25 Wie vijftig jaar is, trekt zich terug. Hij behoeft geen dienst meer te doen.
Num 8,26 Wel mag hij zijn broeders bij de tent van de samenkomst behulpzaam zijn bij het vervullen van hun taak, maar hij is tot geen dienst meer verplicht. Zo moet gij de bediening van de levieten regelen.

Num 9,1 In het tweede jaar na de uittocht uit Egypte, in de eerste maand, sprak Jahwe tot Mozes in de woestijn van de SinaÔ:
Num 9,2 De IsraŽlieten moeten op de vastgestelde tijd pasen vieren.
Num 9,3 Gij moet het vieren op de veertiende dag van deze maand, tegen de avond, op de vastgestelde tijd, met inachtneming van al de daarbij geldende voorschriften en wetten.
Num 9,4 Mozes gebood dus de IsraŽlieten pasen te vieren.
Num 9,5 Op de veertiende dag van de eerste maand, tegen de avond, vierden zij pasen in de woestijn van de SinaÔ. De IsraŽlieten deden alles wat Jahwe aan Mozes had bevolen.
Num 9,6 Nu waren er mannen die door contact met een lijk van een mens onrein waren geworden en daardoor op die dag geen pasen konden vieren. Zij kwamen op die dag naar Mozes en Ašron
Num 9,7 en zeiden: `Wij zijn door contact met een lijk van een mens onrein geworden. Waarom belet men ons nu om samen met de overige IsraŽlieten op de vastgestelde tijd de offergave aan Jahwe te brengen?'
Num 9,8 Mozes zei tot hen: `Blijf hier wachten, dan ga ik horen wat Jahwe van u verwacht.'
Num 9,9 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 9,10 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer iemand door contact met een lijk onrein is geworden of een verre reis maakt, dan moet hij toch voor Jahwe pasen vieren. Dat geldt voor u en voor uw nageslacht.
Num 9,11 Men moet het vieren op de veertiende dag van de tweede maand, tegen de avond, en daarbij ongezuurde broden en bittere kruiden eten.
Num 9,12 Daarvan mag men niets overlaten tot de volgende morgen en men mag er geen been van breken. De gehele wet op de paasviering moet men in acht nemen.
Num 9,13 Als iemand nalaat pasen te vieren, terwijl hij rein is, dan moet die man uit zijn volk verwijderd worden, omdat hij de offergave voor Jahwe niet op de vastgestelde dag gebracht heeft. Zo iemand heeft de gevolgen van zijn zonde te dragen.
Num 9,14 Vreemdelingen die bij u verblijven en voor Jahwe pasen vieren, moeten de gehele wet op de paasviering in acht nemen. Voor hen en voor de geboren IsraŽlieten gelden dezelfde bepalingen.
Num 9,15 Zodra de woning was opgebouwd, overdekte de wolk de woning, de tent met de verbondsakte. 's Avonds leek zij er als vuur boven te hangen, en dat bleef tot de volgende morgen.
Num 9,16 Zo bleef het steeds: overdag overdekte de wolk de woning en 's nachts vertoonde zij zich als vuur.
Num 9,17 Telkens als de wolk boven de tent omhoogging, braken de IsraŽlieten op, en waar de wolk dan neerdaalde daar sloegen zij hun kamp op.
Num 9,18 Op aanwijzing van Jahwe zetten de IsraŽlieten zich in beweging en op het teken van Jahwe sloegen zij hun kamp op. Zolang de wolk boven de woning rustte, bleven zij in hun kamp.
Num 9,19 Bleef de wolk lange tijd boven de woning hangen, dan hielden de IsraŽlieten zich aan die aanwijzing van Jahwe; zij braken niet op.
Num 9,20 Bleef de wolk maar enkele dagen boven de woning, dan hielden zij zich bij het opslaan of opbreken van hun kamp aan die aanwijzing van Jahwe.
Num 9,21 Bleef de wolk er alleen van de avond tot de morgen, dan braken zij op, zodra de wolk in de morgen omhoogging. Of het overdag was of 's nachts, zodra de wolk omhoogging, braken zij op;
Num 9,22 of het twee dagen, een maand of nog langer duurde, zolang de wolk boven de woning bleef hangen, bleven de IsraŽlieten in hun kamp en braken niet op. Wanneer de wolk omhoogging, braken zij op.
Num 9,23 Op de aanwijzing van Jahwe sloegen zij hun kamp op en op de aanwijzing van Jahwe zetten zij zich in beweging. Zij hielden zich aan de aanwijzingen van Jahwe, die Jahwe hun door Mozes gegeven had.

Num. 10,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 10,2 Gij moet twee trompetten van gedreven zilver maken. Zij zullen dienen voor het bijeenroepen van de gemeenschap en voor het opbreken van de legerkampen.
Num. 10,3 Wordt er op beide trompetten geblazen, dan moet de hele gemeenschap bij u samenkomen aan de ingang van de tent van de samenkomst.
Num. 10,4 Wordt er op een trompet geblazen, dan moeten de leiders, de stamhoofden van IsraŽl, bij u samenkomen.
Num. 10,5 Bij een langgerekt signaal moeten de legerkampen aan de oostkant opbreken.
Num. 10,6 Wordt het voor de tweede maal gegeven, dan moeten de legerkampen aan de zuidkant opbreken. Dit langgerekt signaal moet altijd gegeven worden, als men moet opbreken.
Num. 10,7 Voor het bijeenroepen van de gemeenschap wordt wel geblazen, maar geen langgerekt signaal gegeven.
Num. 10,8 De priesters, de zonen van Ašron, moeten op de trom petten blazen. Dit is een eeuwige wet voor al uw geslachten.
Num. 10,9 Wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen een vijand die u verdrukt, dan moet gij met de trompetten een langgerekt signaal geven. Jahwe, uw God, zal u dan indachtig zijn en u van uw vijanden redden.
Num. 10,10 Ook op de dagen van vreugde, op de feesten en bij nieuwe maan moet gij bij uw brandoffers en slachtoffers op de trompetten blazen. Zij zullen de aandacht van God op u vestigen. Ik ben Jahwe, uw God.
Num. 10,11 In het tweede jaar, op de twintigste dag van de tweede maand, ging de wolk boven de woning met de verbondsakte omhoog.
Num. 10,12 Toen vertrokken de IsraŽlieten in de voorgeschreven orde uit de woestijn van de SinaÔ. In de woestijn Paran bleef de wolk rusten.
Num. 10,13 Dit was de eerste keer dat zij vertrokken volgens de aanwijzing die Jahwe door Mozes had gegeven.
Num. 10,14 Eerst vertrokken degenen die onder de banier van het kamp van de JudeeŽrs hoorden, naar groepen geordend. De leiding van het leger van Juda had Nachson, zoon van Amminadab;
Num. 10,15 de leiding van het leger van de stam van de Issakarieten had Netanel, zoon van Suar;
Num. 10,16 de leiding van het leger van de stam van de Zebulonieten had Eliab, zoon van Chelon.
Num. 10,17 Vervolgens werd de woning afgebroken en vertrokken de Gersonieten en Mararieten die de woning vervoerden.
Num. 10,18 Daarna vertrokken degenen die onder de banier van het kamp van Ruben hoorden, naar groepen geordend. De leiding van het leger van Ruben had Elisur, zoon van Sedeur;
Num. 10,19 de leiding van het leger van de stam van de Simeonieten had SelumiŽl, zoon van Surisaddai;
Num. 10,20 de leiding van het leger van de stam van de Gadieten had Eljasaf, zoon van DeŁel.
Num. 10,21 Nu pas vertrokken de Kehatieten met de heilige voorwerpen, zodat men de woning weer kon opbouwen, voor dat zij aankwamen.
Num. 10,22 Daarna vertrokken degenen die onder de banier van het kamp van de Efraimieten hoorden, naar groepen geordend. De leiding van het leger van Efraim had Elisama, zoon van Ammihud;
Num. 10,23 de leiding van het leger van de stam van de Manassieten had GamliŽl, zoon van Pedasur;
Num. 10,24 de leiding van het leger van de stam van de Benjaminieten had Abidan, zoon van Gidoni.
Num. 10,25 Als laatsten van allen vertrokken, naar groepen geordend, degenen die onder de banier van het kamp van de Danieten hoorden. De leiding van het leger van Dan had AchiŽzer, zoon van Ammisaddai;
Num. 10,26 de leiding van het leger van de stam van de Aserieten had PagiŽl, zoon van Okran;
Num. 10,27 de leiding van het leger van de stam van de Naftalieten had Achira, zoon van Enan.
Num. 10,28 Dat was de volgorde waarin de afdelingen van de IsraŽlieten vertrokken.
Num. 10,29 Mozes zei tot de Midjaniet Chobab, de zoon van ReuŽl, de schoonvader van Mozes: `Wij vertrekken naar de plaats die Jahwe ons heeft toegezegd. Ga met ons mee. Wij zullen goed voor u zijn, want Jahwe heeft IsraŽl geluk beloofd.'
Num. 10,30 Maar hij zei tot Mozes: `Ik ga niet mee; ik ga weer naar het land waar ik geboren ben.'
Num. 10,31 Mozes zei: `U kunt ons toch niet verlaten! U weet waar wij in de woestijn ons kamp kunnen opslaan en kunt daarom onze gids zijn.
Num. 10,32 Als u met ons meegaat, zullen wij u doen delen in het geluk dat Jahwe ons schenkt.'
Num. 10,33 Van de berg van Jahwe trokken zij drie dagen verder, terwijl de ark van het verbond van Jahwe gedurende die drie dagen voor hen uitging om een rustplaats te zoeken.
Num. 10,34 Telkens als zij opbraken en verder trokken, hing overdag de wolk van Jahwe boven hen.
Num. 10,35 Bij het vertrek van de ark zei Mozes: `Sta op, Jahwe, dat uw vijanden uiteenstuiven en uw tegenstanders voor U vluchten!'
Num. 10,36 En als de ark stilhield, zei hij: `Keer terug, Jahwe, naar de tienduizend maal duizend van IsraŽl!'

Num. 11,1 Eens jammerde het volk tot Jahwe, dat het hun slecht ging. Toen Jahwe dat hoorde, ontstak Hij in toorn. Het vuur van Jahwe laaide bij hen op en verteerde een hoek van het kamp.
Num. 11,2 Toen wendde het volk zich tot Mozes. Mozes bad tot Jahwe en het vuur doofde uit.
Num. 11,3 Men noemde die plaats Tabera, omdat het vuur van Jahwe bij hen was opgelaaid.
Num. 11,4 Het samenraapsel van volk dat met hen meetrok, gaf zich over aan zijn gulzige begeerte en ook de IsraŽlieten begonnen opnieuw te jammeren. Zij zeiden: `Wie kan ons aan vlees helpen!
Num. 11,5 Wij hebben heimwee naar de vis die wij in Egypte voor niets te eten kregen, naar de komkommers en de meloenen, naar de prei, de uien en het knoflook.
Num. 11,6 Wij drogen uit! Er is niets! Wij krijgen alleen maar manna te zien.'
Num. 11,7 Het manna geleek op korianderzaad en zag er uit als balsemhars.
Num. 11,8 Het volk verspreidde zich om het bijeen te rapen. Dan maalden zij het met een handmolen en stampten het fijn in een vijzel. Ze kookten het in een pot en maakten er koeken van, zodat het smaakte als oliegebak.
Num. 11,9 Met de dauw viel 's nachts ook het manna op het kamp neer.
Num. 11,10 Toen Mozes hoorde, hoe het volk, familie voor familie, bij de ingang van de tenten zat te jammeren, en toen Jahwe in hevige toorn ontstak, werd hij ontstemd.
Num. 11,11 Hij vroeg Jahwe: `Waarom doet Gij uw dienaar dit verdriet aan? Zijt Gij mij zo weinig genegen, dat Gij mij de last van heel dat volk laat dragen?
Num. 11,12 Het lijkt wel of ik van heel dat volk zwanger ben geweest en het ter wereld heb gebracht, dat Gij mij zegt: Draag het aan uw hart, zoals een voedster een zuigeling draagt, en dat Gij mij beveelt het naar het land te brengen dat Gij zijn vaderen onder ede beloofd hebt.
Num. 11,13 Waar haal ik vlees vandaan voor heel dat volk? Het jammert tegen mij: Geef ons toch vlees te eten!
Num. 11,14 Ik kan de last van heel dat volk niet alleen dragen. Het is mij te zwaar!
Num. 11,15 Indien Gij zo met mij blijft doen, dood mij dan maar, als Gij mij genadig wilt zijn. Dan hoef ik mijn ellende niet langer te zien.'
Num. 11,16 Jahwe zei tot Mozes: `Breng van de oudsten van het volk hier zeventig mannen samen, van wie gij weet dat zij werkelijk oudsten en leiders van het volk zijn. Leid hen naar de tent van de samenkomst en laten zij zich daar bij u opstellen.
Num. 11,17 Dan daal ik neer om met u te spreken en leg op hen een deel van de geest die op u rust. Zo zullen zij samen met u de last van het volk dragen en draagt gij die niet langer alleen.
Num. 11,18 Aan het volk zult gij zeggen: Zorg dat gij morgen heilig zijt; dan zult gij vlees eten. Gij hebt immers tegen Jahwe gejammerd: Wie kan ons aan vlees helpen! In Egypte hadden wij het goed! Jahwe zal u vlees geven en eten zult gij,
Num. 11,19 niet een enkele dag, niet twee dagen, niet vijf dagen, niet tien dagen, niet twintig dagen,
Num. 11,20 maar een volle maand, tot het uw neus uitkomt en gij er onpasselijk van wordt. Want ofschoon Jahwe bij u is, hebt gij Hem geminacht door tegen Hem te jammeren: Waarom zijn wij toch uit Egypte weggegaan!'
Num. 11,21 Mozes zei: `Zeshonderdduizend voetgangers telt het volk waaronder ik leef en gij zegt: Ik zal hun vlees geven en zij zullen eten, een volle maand lang.
Num. 11,22 Al werden alle schapen en runderen geslacht, dan hadden zij nog niet genoeg. Al werden alle vissen van de zee voor hen gevangen, dan hadden zij nog niet genoeg.'
Num. 11,23 Maar Jahwe zei tot Mozes: `Is Jahwe soms niet machtig genoeg? Gij zult zien of inderdaad gebeurt wat Ik u gezegd heb.'
Num. 11,24 Mozes ging naar buiten en deelde het volk mee wat Jahwe gezegd had. Hij bracht zeventig van de oudsten van het volk bijeen en stelde hen op om de tent.
Num. 11,25 Toen daalde Jahwe neer in een wolk, sprak tot hen en legde een deel van de geest die op Mozes rustte, op die zeventig oudsten. En toen de geest op hen rustte, profeteerden zij, maar later hebben zij het niet meer gedaan.
Num. 11,26 Nu waren er twee mannen in het kamp gebleven. De een heette Eldad, de ander Medad. Ook op hen rustte de geest - zij stonden op de lijst al waren zij niet naar de tent gegaan - en zij profeteerden in het kamp.
Num. 11,27 Een jongen ging het ijlings aan Mozes vertellen en zei: `Eldad en Medad zijn aan het profeteren in het kamp!'
Num. 11,28 Jozua, de zoon van Nun, die reeds als jongeman in Mozes' dienst gekomen was, zei daarop tot Mozes: `Mijn heer, dat moet u hun verbieden.'
Num. 11,29 Mozes zei hem: `Waarom komt u voor mij op? Ik zou willen, dat heel het volk van Jahwe profeteerde en dat Jahwe zijn geest op hen legde.'
Num. 11,30 Daarna keerde Mozes met de oudsten van IsraŽl in het kamp terug.
Num. 11,31 Op bevel van Jahwe stak er een wind op uit de richting van de zee. Die wind voerde kwartels mee en liet ze neervallen over het kamp. Aan alle kanten lagen ze rondom het kamp, een dagreis ver en ongeveer twee el hoog.
Num. 11,32 Heel die dag en heel die nacht en ook heel de volgende dag was het volk op de been om de kwartels te verzamelen. Wie weinig raapte had toch nog tien ezelslasten. Zij spreidden ze uit rondom het kamp.
Num. 11,33 Het vlees zat nog tussen hun tanden, niet fijn gekauwd, toen Jahwe reeds in toorn tegen het volk ontstak en een zeer grote slachting onder hen aanrichtte.
Num. 11,34 Men noemde die plaats Kibrot-hattaawa, want daar werd het volk begraven, dat zich door gulzige begeerte had laten meeslepen.
Num. 11,35 Van Kibrot-hattaawa trok het volk verder naar Chaserot.

Num. 12,1 Tijdens hun verblijf te Chaserot, keerden Mirjam en Ašron zich tegen Mozes, omdat hij een Kusitische vrouw had genomen: hij was inderdaad met een Kusitische gehuwd.
Num. 12,2 Zij zeiden: `Heeft Jahwe alleen maar door Mozes gesproken? Heeft hij ook door ons niet gesproken?' Jahwe hoorde dat
Num. 12,3 en omdat Mozes een zeer bescheiden man was, de bescheidenste van alle mensen op aarde,
Num. 12,4 zei Jahwe terstond tot Mozes, Ašron en Mirjam: `Ga met u drieŽn naar de tent van de samenkomst.' Zij gingen er met hun drieŽn heen.
Num. 12,5 Nu daalde Jahwe in een wolkkolom neer, nam plaats bij de ingang van de tent en riep Ašron en Mirjam, die beiden naar voren traden.
Num. 12,6 Hij zei: `Luister naar wat Ik te zeggen heb. Aan uw profeten maak Ik mij in visioenen bekend en Ik spreek tot hen in dromen.
Num. 12,7 Met mijn dienaar Mozes doe Ik dat niet. Hij is mijn vertrouweling, in heel mijn huis.
Num. 12,8 Met hem spreek Ik van mond tot mond, duidelijk en niet in raadsels. Hij aanschouwt de gestalte van Jahwe. Hoe hebt gij u tegen mijn dienaar Mozes durven keren?'
Num. 12,9 Toornig ging Jahwe van hen heen.
Num. 12,10 De wolk was nog niet van de tent van de samenkomst geweken, of Mirjam zat vol uitslag; het leek wel sneeuw. Toen Ašron zich naar Mirjam keerde, stond daar een melaatse.
Num. 12,11 Ašron zei tot Mozes: `Ach heer, laat ons toch niet lijden voor de zonde die wij in onze dwaasheid begaan hebben.
Num. 12,12 Laat Mirjam toch niet zijn als een doodgeboren kind dat half vergaan uit de moederschoot komt.'
Num. 12,13 Mozes riep tot Jahwe: `O God, maak haar weer gezond!'
Num. 12,14 Jahwe zei tot Mozes: `Als haar vader haar in het gezicht gespuwd had, zou zij dan niet zeven dagen geschandvlekt zijn? Zij moet dus zeven dagen buiten het kamp gesloten worden. Daarna mag zij er weer in.'
Num. 12,15 Mirjam werd zeven dagen buiten het kamp gesloten. Het volk ging niet verder, voordat Mirjam weer was toegelaten.
Num. 12,16 Daarna vertrok het volk uit Chaserot en sloeg zijn kamp op in de woestijn Paran.

Num. 13,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 13,2 `Zend mannen uit om Kanašn te verkennen, het land dat Ik aan de IsraŽlieten geef; een man uit elke stam; het moeten mannen van aanzien zijn.'
Num. 13,3 Vanuit de woestijn Paran zond Mozes hen op het bevel van Jahwe uit; het waren allen vooraanstaande mannen onder de IsraŽlieten.
Num. 13,4 Dit zijn hun namen: voor de stam Ruben Sammua, zoon van Zakkur;
Num. 13,5 voor de stam Simeon Safat, zoon van Chori;
Num. 13,6 voor de stam Juda Kaleb, zoon van Jefunne;
Num. 13,7 voor de stam Issakar Jigal, zoon van Jozef;
Num. 13,8 voor de stam Efraim Hosea, zoon van Nun;
Num. 13,9 voor de stam Benjamin Palti, zoon van Rafu;
Num. 13,10 voor de stam Zebulon GaddiŽl, zoon van Sodi;
Num. 13,11 voor de stam Jozef: voor de stam Manasse Gaddi, zoon van Susi;
Num. 13,12 voor de stam Dan AmmiŽl, zoon van Gemalli;
Num. 13,13 voor de stam Aser Setur, zoon van MichaŽl;
Num. 13,14 voor de stam Naftali Nachbi, zoon van Wofsi;
Num. 13,15 voor de stam Gad GeuŽl, zoon van Maki.
Num. 13,16 Dat zijn de namen van de mannen die Mozes uitzond om het land te verkennen. Aan Hosea, de zoon van Nun, gaf Mozes de naam Jozua.
Num. 13,17 Toen Mozes hen uitzond om Kanašn te verkennen, gaf hij hun deze opdracht: `Trek eerst de Negeb door en ga dan het bergland in.
Num. 13,18 Stel vast wat het voor een land is, of het volk er sterk is of zwak, gering in aantal of talrijk;
Num. 13,19 of het land waarin het woont, goed is of slecht, en of het volk in open plaatsen of in versterkte steden woont;
Num. 13,20 of de grond vruchtbaar is, of schraal, en of er bomen zijn of niet. Gij moet u moedig gedragen en ook wat vruchten van het land meebrengen.' Het was juist de tijd van de eerste druiven.
Num. 13,21 Zij trokken uit en verkenden het land van de woestijn Sin tot aan Rechob, waar de weg naar Hamat begint.
Num. 13,22 Zij trokken de Negeb in en drongen door tot Hebron waar de Enakieten Achiman, Sesai en Talmai woonden. - Hebron is zeven jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte.
Num. 13,23 Zij drongen door in het dal Eskol en sneden daar een wijnrank af met een druiventros, die zij met twee man aan een stok moesten dragen; bovendien namen zij enige granaatappels en vijgen mee.
Num. 13,24 Eskol heeft zijn naam te danken aan de druiventros die de IsraŽlieten daar hebben afgesneden.
Num. 13,25 Na veertig dagen keerden zij van hun verkenningstocht terug.
Num. 13,26 Zij begaven zich naar Mozes en Ašron en naar heel de gemeenschap van de IsraŽlieten in de woestijn Paran te Kades. Zij brachten aan hen en aan heel de gemeenschap verslag uit en lieten hun de vruchten van het land zien.
Num. 13,27 Zij vertelden: `Wij zijn in het land geweest waarheen u ons gestuurd hebt en het vloeit werkelijk over van melk en honing. Kijk maar eens naar deze vruchten.
Num. 13,28 Maar het volk dat er woont, is buitengewoon sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot. Wij hebben er zelfs Enakieten gezien.
Num. 13,29 In de Negeb wonen Amalekieten, in het gebergte Hethieten. Chiwwieten, Jebusieten en Amorieten, en aan de zee en langs de Jordaan wonen Kanašnieten.'
Num. 13,30 Kaleb trachtte het volk tot volgzaamheid tegenover Mozes te bewegen en zei: `Wij kunnen gerust optrekken om het te veroveren, want wij zijn er zeker toe in staat.'
Num. 13,31 Maar de mannen die met hem waren uitgetrokken, zeiden: `Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken; het is te sterk voor ons.'
Num. 13,32 Zij verspreidden onder de IsraŽlieten ook allerlei praatjes over het land dat zij verkend hadden. Zij zeiden: `Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben, is een land dat zijn bewoners verslindt, en de mensen die wij er gezien hebben waren geweldig groot.
Num. 13,33 Wij hebben er de reuzen gezien - de Enakieten behoren tot de reuzen -. Wij voelden ons sprinkhanen en daarvoor moeten zij ons ook hebben aangezien.'

Num. 14,1 Toen begon de hele gemeenschap luid te roepen en bleef heel de nacht jammeren.
Num. 14,2 Alle IsraŽlieten morden tegen Mozes en Ašron en heel de gemeenschap zei tot hen: `Waren wij maar in Egypte gestorven of anders hier in de woestijn! Waren wij maar dood!
Num. 14,3 Jahwe voert ons naar dat land om er door het zwaard te vallen, terwijl onze vrouwen en kleine kinderen buitgemaakt worden. Is het niet beter naar Egypte terug te gaan?'
Num. 14,4 En zij zeiden tot elkaar: `Laten wij een aanvoerder kiezen en naar Egypte teruggaan.'
Num. 14,5 Toen wierpen Mozes en Ašron zich voor heel de verzamelde gemeenschap van de IsraŽlieten ter aarde.
Num. 14,6 Jozua, zoon van Nun, en Kaleb, zoon van Jefunne, die ook het land verkend hadden, scheurden hun kleren
Num. 14,7 en zeiden tot heel de gemeenschap van de IsraŽlieten: `Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben is een prachtig land.
Num. 14,8 Als Jahwe behagen in ons heeft, zal Hij ons dat land binnenvoeren en het ons geven, dat land van melk en honing.
Num. 14,9 Maar u moet niet in opstand komen tegen Jahwe en ook niet bang zijn voor de bevolking van dat land, want die krijgen wij als spijs. Van hen is de beschermende schaduw geweken maar bij ons is Jahwe. U hoeft niet bang te zijn voor hen!'
Num. 14,10 Toen de hele gemeenschap hen wilde stenigen verscheen de heerlijkheid van Jahwe voor alle IsraŽlieten boven de tent van de samenkomst.
Num. 14,11 En Jahwe zei tot Mozes: `Dit volk blijft Mij maar versmaden! Zij geloven nog steeds niet in Mij ondanks al de wondertekenen die Ik bij hen verricht heb!
Num. 14,12 Ik zal het slaan met de pest en het uitroeien en van u zal Ik een volk maken, groter en machtiger dan dit.'
Num. 14,13 Maar Mozes zei tot Jahwe: `De Egyptenaren weten, dat Gij dit volk door uw kracht uit hun land hebt geleid;
Num. 14,14 Bovendien hebben alle bewoners van dit land hier gehoord, dat Gij, Jahwe, bij dit volk woont, dat Gij, Jahwe, aan hen verschijnt, dat uw wolk boven hen staat, dat Gij voor hen uitgaat overdag in een wolkkolom en 's nachts in een vuurzuil.
Num. 14,15 Wanneer Gij nu dit volk als een man doodt, dan zeggen de volken die van uw faam gehoord hebben:
Num. 14,16 Jahwe was niet bij machte dit volk in het land te brengen, dat Hij hun onder ede beloofd had. Daarom heeft Hij hen in de woestijn omgebracht.
Num. 14,17 Laat nu de grote macht van mijn Heer zich tonen. Gij hebt immers gezegd:
Num. 14,18 Jahwe is lankmoedig, rijk aan erbarmen, misdaad en zonde vergeeft Hij; al laat Hij ook niets ongestraft; de misdaad van de vader wreekt Hij op zijn kinderen, tot het derde en vierde geslacht.
Num. 14,19 Wil toch in uw grote barmhartigheid de misdaad van dit volk vergeven, zoals Gij het steeds vergiffenis geschonken hebt, van Egypte tot hier.'
Num. 14,20 Toen zei Jahwe: `Ik schenk vergiffenis zoals gij vraagt.
Num. 14,21 Maar zowaar Ik leef en heel de aarde vervuld is van de heerlijkheid van Jahwe:
Num. 14,22 geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben en de wondertekenen die Ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die Mij wel tienmaal getart hebben door niet naar Mij te luisteren,
Num. 14,23 geen van die mannen zal het land zien dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb. Niemand van die Mij versmaad hebben, zal het zien.
Num. 14,24 Maar mijn dienaar Kaleb was van een andere geest bezield en Mij steeds trouw gebleven. Daarom zal Ik heb in het land brengen waarin hij is doorgedrongen, en zijn nakomelingen zullen het bezitten.
Num. 14,25 - De Amalekieten en Kanašnieten wonen in de vlakte. Ga daarom morgen opnieuw de woestijn in, naar de Rietzee toe.'
Num. 14,26 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Num. 14,27 `Mijn geduld met deze verdorven gemeenschap die tegen Mij mort, is uitgeput! Dat voortdurend gemor van de IsraŽlieten heb Ik nu genoeg gehoord.
Num. 14,28 Zeg hun: Zo waar Ik leef - aldus spreekt Jahwe - wat Ik u heb horen zeggen, dat zal Ik ook met u doen.
Num. 14,29 In deze woestijn zullen de lijken liggen van allen die tegen Mij hebben gemord, van al uw ingeschrevenen, van ieder boven twintig jaar.
Num. 14,30 Gij zult het land dat Ik u met opgeheven hand als woonplaats heb toegezegd, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, zoon van Jefunne, en Jozua, zoon van Nun.
Num. 14,31 Maar uw kleine kinderen van wie gij gezegd hebt, dat zij buitgemaakt zouden worden, die zal Ik er binnenvoeren en zij zullen het land leren kennen dat gij versmaad hebt.
Num. 14,32 Uw lijken zullen in deze woestijn komen te liggen,
Num. 14,33 en veertig jaren zullen uw zonen in de woestijn als herders rondzwerven en boeten voor uw ontrouw totdat uw lijken in de woestijn vergaan zijn.
Num. 14,34 Voor elke dag van de veertig dat gij het land verkend hebt, zult gij een jaar uw misdaden boeten, veertig jaar in totaal, zodat gij weet wat het betekent u tegen Mij te verzetten.
Num. 14,35 Ik Jahwe heb gesproken. Dit zal Ik zeker doen met heel deze verdorven gemeenschap die tegen Mij heeft samengespannen: in deze woestijn zullen zij tot de laatste man sterven.'
Num. 14,36 En de mannen die Mozes had uitgezonden om het land te verkennen en die na hun terugkeer heel de gemeenschap tegen hem aan het morren hadden gebracht door allerlei praatjes over het land te verspreiden,
Num. 14,37 die verspreiders van allerlei boze praatjes stierven door Jahwe's ingrijpen een plotselinge dood.
Num. 14,38 Van de mannen die uitgetrokken waren om het land te verkennen, bleven allen Jozua, zoon van Nun, en Kaleb, zoon van Jefunne in leven.
Num. 14,39 Mozes bracht de woorden van Jahwe over aan alle IsraŽlieten en het volk was diep terneergeslagen.
Num. 14,40 De volgende morgen wilden zij de berg opgaan. Zij zeiden: `Wij staan klaar om op te trekken naar de plaats van Jahwe's belofte. Wij hebben gezondigd.'
Num. 14,41 Maar Mozes zei: `Waarom tegen Jahwe's bevelen ingaan? Dat is tot mislukking gedoemd.
Num. 14,42 Trek de bergen niet in: Jahwe is niet bij u; gij wordt door uw vijanden verslagen.
Num. 14,43 De Amalekieten en de Kanašnieten zullen zich tegen u keren en ge zult vallen door het zwaard. Gij hebt u nu eenmaal van Jahwe afgekeerd en daarom zal Hij u niet bijstaan.'
Num. 14,44 Eigengereid als zij waren, gingen zij toch de berg op, maar de ark van Jahwe's verbond en Mozes kwamen het kamp niet uit.
Num. 14,45 De Amalekieten en de Kanašnieten die in het gebergte woonden, kwamen naar beneden, brachten hun een verpletterende nederlaag toe en zaten hen na tot Chorma.

Num. 15,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 15,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer gij het land, dat Ik u als woonplaats schenk, zijt binnengegaan
Num. 15,3 en gij als geurige gave die Jahwe behaagt een offer van uw runderen of kleinvee brengt, een brandoffer of een slachtoffer, voor het vervullen van een gelofte of als vrijwillige gave of bij gelegenheid van uw feesten,
Num. 15,4 dan moet degene die Jahwe zijn gave aanbiedt bij brand en slachtoffer een meeloffer van een issaron bloem voegen, aangemaakt met een kwart hin olie,
Num. 15,5 en een plengoffer van een kwart hin wijn; dit geldt voor elk lam.
Num. 15,6 Bij een ram moet gij een meeloffer van twee issaron bloem voegen, aangemaakt met een derde hin olie,
Num. 15,7 en een plengoffer van een derde hin wijn. Dan is het een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 15,8 Wanneer gij aan Jahwe een rund als brandoffer of als slachtoffer brengt ter vervulling van een gelofte of om een andere reden
Num. 15,9 dan moet men bij het rund een meeloffer van drie issaron aanbieden, aangemaakt met een halve hin olie
Num. 15,10 en een plengoffer van een halve hin wijn. Dan is het een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 15,11 Zo moet er gedaan worden bij elke stier, bij elke ram, bij elk stuk kleinvee, schaap of geit.
Num. 15,12 Bij elk dier moet gij het doen, hoeveel gij er ook aanbiedt.
Num. 15,13 Iedere geboren IsraŽliet moet dit doen, wanneer hij Jahwe een offer wil aanbieden, een geurige gave die Hem behaagt.
Num. 15,14 Wanneer een vreemdeling die nu of in de toekomst bij u woont, aan Jahwe een geurige gave wil aanbieden die Hem behaagt, dan moet hij hetzelfde doen als gij.
Num. 15,15 In de gemeente geldt voor u en voor de vreemdeling die bij u woont, alle geslachten door hetzelfde voorschrift. Gij en de vreemdeling zijt voor Jahwe gelijk.
Num. 15,16 Dezelfde wet en dezelfde regel gelden dus voor u en voor de vreemdeling die bij u woont.
Num. 15,17 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 15,18 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer gij in het land komt waar Ik u heenbreng
Num. 15,19 en het brood van dat land eet, dan moet gij daarvan een deel aan Jahwe afstaan.
Num. 15,20 Van het eerste deeg dat gij maakt, moet gij een koek afstaan. Het is de bijdrage van de dorsvloer.
Num. 15,21 Van het eerste deeg dat gij maakt, moet gij ook in de komende geslachten een deel aan Jahwe afstaan.
Num. 15,22 Wanneer gij door onoplettendheid nalaat een van de geboden te volbrengen, die Jahwe aan Mozes gegeven heeft,
Num. 15,23 welke van die geboden ook, van het eerste ogenblik dat Jahwe geboden gaf tot in uw verre nageslachten,
Num. 15,24 en het is buiten weten van de gemeenschap gebeurd, dan moet de hele gemeenschap Jahwe een jonge stier aanbieden als brandoffer, een geurige gave die hem behaagt, met het daarbij voorgeschreven meel - en plengoffer, alsmede een geitenbok als zondeoffer.
Num. 15,25 De priester zal voor de hele gemeenschap van de IsraŽlieten verzoening bewerken en dan zal hun vergiffenis geschonken worden, want het was onoplettendheid en daarvoor hebben zij aan Jahwe een zondeoffer gebracht.
Num. 15,26 Het zal vergeven worden aan de hele gemeenschap van de IsraŽlieten en aan de vreemdelingen die bij u wonen, want het is een onoplettendheid die het hele volk is overkomen.
Num. 15,27 Wanneer een enkele persoon door onoplettendheid zondigt, dan moet hij een geitje van nog geen jaar als zondeoffer aanbieden.
Num. 15,28 De priester zal voor de persoon die door onoplettendheid gezondigd heeft, voor het aanschijn van Jahwe verzoening bewerken en door deze verzoening wordt hem vergiffenis geschonken.
Num. 15,29 Voor de geboren IsraŽliet en voor de vreemdeling die bij u woont, geldt bij een zonde door onoplettendheid dezelfde wet.
Num. 15,30 Maar wanneer een geboren IsraŽliet of een vreemdeling met opzet een gebod overtreedt, dan hoont hij Jahwe en moet hij uit zijn volk verwijderd worden.
Num. 15,31 Hij heeft Jahwe's woord geminacht en zijn gebod ge schonden. Zo iemand moet onherroepelijk verwijderd worden. Hij moet de gevolgen van zijn zonde dragen.
Num. 15,32 Tijdens hun verblijf in de woestijn betrapten de IsraŽlieten iemand die op sabbat hout sprokkelde.
Num. 15,33 Degenen die hem daarop betrapt hadden, brachten hem bij Mozes en Ašron en heel de gemeenschap.
Num. 15,34 Hij werd in bewaring gesteld, omdat nog niet bepaald was wat er met hem moest gebeuren.
Num. 15,35 Jahwe zei tot Mozes: `Die man moet ter dood gebracht worden. Heel de gemeenschap moet hem buiten het kamp stenigen.'
Num. 15,36 Toen voerde heel de gemeenschap hem buiten het kamp en stenigden hem dood, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Num. 15,37 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 15,38 Zeg aan de IsraŽlieten, dat zij en hun nageslacht aan de slippen van hun kleed kwasten moeten bevestigen met een blauwpurperen draad erin.
Num. 15,39 Die kwasten zullen voor u een teken zijn: bij het zien daarvan zult gij alle geboden van Jahwe gedenken; gij zult die geboden volbrengen en niet meer de begeerten van uw hart en uw ogen volgen, die gij nu trouweloos naloopt.
Num. 15,40 Zij zullen u helpen er aan te denken al mijn geboden te volbrengen en uw God toegewijd te blijven.
Num. 15,41 Ik ben Jahwe, uw God, die u uit Egypte geleid heb om uw God te zijn. Ik ben Jahwe, uw God.

Num. 16,1 Korach zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, Datan en Abiram, de zonen van Eliab, en On, zoon van Pelet, de zoon van Ruben,
Num. 16,2 kwamen tegen Mozes in opstand, samen met tweehonderd vijftig IsraŽlieten, leiders van de gemeenschap, leden van de vergadering en mannen van aanzien.
Num. 16,3 Zij kwamen met zijn allen op Mozes en Ašron af en zeiden: `U matigt u teveel aan! Alle leden van de gemeenschap zijn heilig en in hun midden is Jahwe. Waarom verheft u zich dan boven de gemeente van Jahwe?'
Num. 16,4 Toen Mozes dit hoorde, wierp hij zich ter aarde.
Num. 16,5 Hij sprak tot Korach en heel zijn aanhang: `Morgen zal Jahwe bekend maken wie de man van zijn keuze is; de heilige, degene die Hij uitkiest, zal Hij tot zich laten naderen.
Num. 16,6 Korach en aanhangers, hoort wat gij morgen moet doen. Gij moet komen met vuurpannen,
Num. 16,7 er vuur in doen en daar wierook op leggen voor Jahwe. Degene die Jahwe dan uitkiest, is heilig. Zonen van Levi, gij matigt u teveel aan.'
Num. 16,8 Mozes zei tot Korach: `Luister, zonen van Levi.
Num. 16,9 Is het u niet genoeg, dat de God van IsraŽl u van de gemeenschap heeft afgezonderd en u tot zich heeft laten naderen om dienst te doen in de woning van Jahwe en de gemeenschap ten dienste te staan?
Num. 16,10 Hij heeft u met al uw medelevieten tot zich toegelaten en nu eist u ook het priesterschap?
Num. 16,11 U spant met uw aanhangers samen tegen Jahwe. Wat bete kent Ašron dat u tegen hem zoudt morren?'
Num. 16,12 Mozes liet Datan en Abiram, de zonen van Eliab, roepen. Maar zij antwoordden: `Wij komen niet!
Num. 16,13 Het is al erg genoeg dat u ons uit een land van melk en honing hebt gehaald om ons te laten sterven in de woestijn! Wilt u zich nu ook nog als heerser over ons opwerpen!
Num. 16,14 U hebt ons werkelijk niet in een land van melk en honing gebracht en hebt ons ook geen akkers en wijngaarden in eigendom gegeven! Denkt u, dat u ons nog iets kunt wijsmaken? Wij komen niet!'
Num. 16,15 Mozes werd daar zeer verontwaardigd om en zei tot Jahwe: `Sla geen acht op hun meeloffer. Ik heb hun geen ezel ontnomen en niemand van hen onrecht gedaan.'
Num. 16,16 Mozes zei tot Korach: `U moet morgen met heel uw aanhang voor Jahwe verschijnen, samen met Ašron.
Num. 16,17 Ieder moet komen met een vuurpan, daar wierook op doen en die voor Jahwe plaatsen, tweehonderdvijftig in totaal. Dat geldt ook voor uzelf en voor Ašron.'
Num. 16,18 Allen brachten een vuurpan mee. Zij deden er vuur in, legden daar wierook op en gingen met Mozes en Ašron bij de ingang van de tent van de samenkomst staan.
Num. 16,19 Toen Korach heel de gemeenschap bij de tent van de samenkomst tegen hen bijeengebracht had, verscheen hun de heerlijkheid van Jahwe.
Num. 16,20 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Num. 16,21 `Ga van deze gemeenschap weg, dan zal Ik hen in een oogwenk vernietigen.'
Num. 16,22 Toen wierpen zij zich ter aarde en zeiden: `O God, gij die aan alle mensen het leven schenkt, laat gij, als een man zondigt, uw toorn op heel de gemeenschap neerkomen?'
Num. 16,23 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 16,24 `Zeg aan de gemeenschap: Ga weg van de woning van Korach, Datan en Abiram.'
Num. 16,25 Gevolgd door de oudsten van IsraŽl begaf Mozes zich naar Datan en Abiram.
Num. 16,26 Hij richtte zich tot de gemeenschap en zei: `Ga toch weg bij de tenten van die goddeloze mannen en raak niets aan wat hun toebehoort; anders worden hun zonden u noodlottig.'
Num. 16,27 Datan en Abiram waren naar buiten gekomen en met hun vrouwen, zonen en kleine kinderen bij de ingang van hun tenten gaan staan.
Num. 16,28 Toen zei Mozes: `Nu zult u weten, dat Jahwe mij gezonden heeft om dit alles te doen en dat het niet van mij afkomstig is.
Num. 16,29 Wanneer die mannen de dood van alle mensen sterven en hen het lot van alle mensen treft, dan heeft Jahwe mij niet gezonden,
Num. 16,30 maar doet Jahwe iets volkomen ongehoords, spert de grond zijn muil open en verslindt hij hen met alles wat hun toebehoort, zodat zij levend in het dodenrijk neerdalen, dan weet u, dat zij Jahwe gehoond hebben.'
Num. 16,31 Nauwelijks was hij uitgesproken of de grond onder hen scheurde vaneen,
Num. 16,32 de aarde opende zich en verslond hen en hun gezinnen, alle mensen die bij Korach hoorden en heel hun bezit.
Num. 16,33 Zij daalden met al de hunnen levend in het dodenrijk neer. De aarde sloot zich boven hen en zij waren uit de gemeente verdwenen.
Num. 16,34 Toen de IsraŽlieten die eromheen stonden hun kreten hoorden, vluchtten zij allen weg, want zij dachten: `Anders verslindt de aarde ook ons nog!'
Num. 16,35 Toen kwam er van Jahwe een vuur en verteerde de twee honderdvijftig man die wierook offerden.

Num. 17,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 17,2 `Zeg aan Eleazar, de zoon van de priester Ašron, dat hij de vuurpannen uit de vlammen haalt en het vuur eruit werpt, want de vuurpannen zijn heilig geworden.
Num. 17,3 Maak van de vuurpannen die die zondaars het leven gekost hebben, dunne platen om er het altaar mee te bedekken. Omdat zij voor Jahwe gebracht zijn, zijn ze heilig. Zo zullen zij voor de IsraŽlieten een teken zijn.'
Num. 17,4 De priester Eleazar nam dus de bronzen vuurpannen, afkomstig van degenen die verbrand waren, maakte er dunne platen van en bekleedde daarmee het altaar.
Num. 17,5 Zij brengen de IsraŽlieten in herinnering dat een onbevoegde, iemand die niet tot het geslacht van Ašron behoort, niet naar voren mag komen om Jahwe een reukoffer te brengen. Het zou hem vergaan als Korach en zijn aanhangers, zoals Jahwe door Mozes aan Korach had aangekondigd.
Num. 17,6 Maar de volgende dag morde heel de gemeenschap tegen Mozes en Ašron en zei: `U hebt het volk van Jahwe gedood!'
Num. 17,7 Terwijl heel de gemeenschap tegen Mozes en Ašron te hoop liep en naar de tent van de samenkomst keek, zagen zij dat de wolk er boven hing en dat de heerlijkheid van Jahwe verscheen.
Num. 17,8 Toen begaven Mozes en Ašron zich naar de tent van de samenkomst.
Num. 17,9 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 17,10 `Ga van deze gemeenschap weg, dan zal Ik hen in een oogwenk vernietigen.' Maar zij wierpen zich ter aarde.
Num. 17,11 Mozes zei tot Ašron: `Neem een vuurpan, doe er vuur van het altaar in, leg daar wierook op, ga onmiddellijk naar de gemeenschap en bewerk verzoening voor hen, want Jahwe laat zijn toorn de vrije loop en de ramp is al begonnen.'
Num. 17,12 Ašron spoedde zich op Mozes' bevel met de vuurpan naar de gemeenschap, en de ramp was inderdaad al onder het volk begonnen. Hij deed er wierook op en bewerkte voor het volk verzoening.
Num. 17,13 Hij ging tussen de doden en de levenden staan en de ramp werd gestuit.
Num. 17,14 Tengevolge van die ramp waren er veertienduizendzeven honderd doden, afgezien van degenen die door de schuld van Korach de dood gevonden hadden.
Num. 17,15 Nadat de ramp was gestuit, ging Ašron terug naar Mozes bij de tent van de samenkomst.
Num. 17,16 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 17,17 `Spreek met de IsraŽlieten en vraag van de leiders van elke stam een staf, samen twaalf staven. Schrijf ieders naam op zijn staf
Num. 17,18 op die van Levi moet gij de naam van Ašron schrijven want voor ieder stamhoofd moet er een eigen staf zijn.
Num. 17,19 Gij moet ze voor de verbondsakte neerleggen in de tent van de samenkomst, waar Ik met u samenkom.
Num. 17,20 De staf van de man die Ik uitkies, zal dan gaan bloei en. Zo zal Ik het gemor van de IsraŽlieten tegen u tot zwijgen brengen en het niet meer horen.'
Num. 17,21 Mozes sprak met de IsraŽlieten, en de leider van elke stam gaf hem een staf, er waren er twaalf, en de staf van Ašron was er ook bij.
Num. 17,22 Mozes legde ze voor het aanschijn van Jahwe in de tent met de verbondsakte.
Num. 17,23 Toen Mozes de volgende dag in de tent met de verbonds akte kwam, zag hij, dat de staf van Ašron uit de stam Levi was gaan bloeien. Hij had bloemen en blad gekregen en droeg nu amandelen.
Num. 17,24 Mozes nam al de staven bij Jahwe weg en bracht ze naar de IsraŽlieten. Toen zij het gezien hadden, kreeg ieder zijn staf terug.
Num. 17,25 Jahwe zei tot Mozes: `Breng de staf van Ašron weer bij de verbondsakte en laat hem daar blijven als waarschuwing voor de weerspannigen; dan zullen zij ophouden met hun gemor tegen Mij, zodat zij niet zullen sterven.'
Num. 17,26 Mozes deed alles wat Jahwe hem had opgedragen.
Num. 17,27 De IsraŽlieten zeiden tot Mozes: `Dat is onze onder gang! Wij zijn verloren, wij zijn allen verloren.
Num. 17,28 Wie te dicht bij de woning van Jahwe komt, vindt de dood. Dat is de ondergang van ons allen!'

Num. 18,1 Jahwe zei tot Ašron: Gijzelf, uw zonen en uw familie, draagt de verantwoordelijkheid voor wat in het heiligdom verkeerd wordt gedaan. Gij draagt met uw zonen de verantwoordelijkheid voor de fouten in de priesterlijke bediening.
Num. 18,2 Maar laat ook uw broeders, de stam Levi, de stam van uw vader, naderen tot de tent met de verbondsakte om zich bij u aan te sluiten en u met uw zonen behulpzaam zijn bij de tent met de verbondsakte.
Num. 18,3 Zij kunnen u helpen door dienst te doen bij de tent, maar tot de heilige voorwerpen en het altaar mogen zij niet naderen, want dat zal de dood betekenen voor hen en voor u.
Num. 18,4 Zij moeten zich bij u aansluiten en een taak volbrengen bij de tent van de samenkomst naar gelang de dienst het vraagt. Een onbevoegde mag u niet komen helpen.
Num. 18,5 De taak bij het heiligdom en bij het altaar moet gijzelf blijven vervullen; dan zal geen toorn de IsraŽlieten treffen.
Num. 18,6 Bij dezen zonder Ik uw broeders, de levieten, van de IsraŽlieten af. Zij zijn aan Jahwe afgestaan om dienst te doen bij de tent van de samenkomst en zij staan tot uw beschikking.
Num. 18,7 Maar gij met uw zonen moet alle priesterlijke handelingen aan het altaar en achter voor voorhangsel verrichten. Daar ligt uw werk. Uw priesterlijke taak is een geschenk dat Ik u geef. De onbevoegde die er zich in mengt, moet gedood worden.
Num. 18,8 Jahwe zei tot Ašron: De zorg voor mijn aandeel in alle heilige gaven van de IsraŽlieten vertrouw Ik u bij dezen toe. Ik schenk die aan u en uw zonen als een blijvend recht, op grond van uw zalving.
Num. 18,9 Van de hoogheilige gaven, voorzover zij niet verbrand worden, is het volgende voor u: al de meeloffers, de zondeoffers en de schuldoffers die men Mij teruggeeft; als hoogheilig komen zij u en uw zonen toe,
Num. 18,10 en als hoogheilig moet gij ze eten. Alle mannelijke personen mogen ervan eten en gij moet ze als heilig behandelen.
Num. 18,11 Gij krijgt ook dit nog. Van alle gaven van de IsraŽlieten die met uitgestrekte handen worden aangeboden geef Ik een vast deel aan u, aan uw zonen en aan uw dochters, als een blijvend recht. Ieder van uw huisgenoten mag daarvan eten, als hij maar rein is.
Num. 18,12 Het beste van de olie en het beste van de most en het koren, het puik van alles wat zij aan Jahwe afstaan, Ik geef het allemaal aan u.
Num. 18,13 De eerstelingen van al hun veldvruchten zijn voor u. Ieder van uw huisgenoten mag ervan eten, als hij maar rein is.
Num. 18,14 Alwat in IsraŽl door de ban gewijd is, is voor u.
Num. 18,15 Alle eerstgeborenen van mens of dier die men Jahwe aanbiedt, zijn voor u. Maar de eerstgeborene van de mensen moet gij steeds laten loskopen; ook het eerstgeborene van onreine dieren moet gij laten loskopen.
Num. 18,16 Zodra de eerstgeborene een maand oud is, moet gij hem laten loskopen voor een bedrag van vijf sikkel zilver in heilige munt, twintig gera de sikkel.
Num. 18,17 Maar het eerstgeborene van een rund, schaap of geit moogt gij niet laten loskopen, want zij zijn heilig. Hun bloed moet gij op het altaar sprenkelen en hun vet in rook doen opgaan als een offer, als een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 18,18 Het vlees van die dieren is voor u, evenals de borst die gij Mij aanbiedt, en de rechterschenkel.
Num. 18,19 Van alle heilige gaven geef Ik u, uw zonen en uw dochters een vast deel als een blijvend recht. Het geldt bij Jahwe als een altijddurend verbond met zout bekrachtigd, voor u en evenzo voor uw nageslacht.
Num. 18,20 Jahwe zei tot Ašron: Gij zult geen grondbezit hebben en geen deel van het land krijgen zoals zij; Ik ben uw aandeel en uw bezit onder de IsraŽlieten.
Num. 18,21 Aan de levieten ken Ik bij deze alle tienden in IsraŽl als eigendom toe, om het werk te belonen dat zij verrichten bij de tent van de samenkomst.
Num. 18,22 De IsraŽlieten immers mogen de tent van de samenkomst niet meer naderen, want dan zouden zij schuld op zich laden en sterven.
Num. 18,23 Het werk bij de tent van de samenkomst moet door de levieten gedaan worden. Zij dragen daarvoor de verantwoordelijkheid. Dit is een eeuwige wet voor al uw geslachten. Grondbezit onder de IsraŽlieten zullen de levieten niet krijgen.
Num. 18,24 De tiende die de IsraŽlieten aan Jahwe afdragen, ken Ik hun als eigendom toe. Daarom heb Ik bepaald, dat zij geen eigen stuk grond krijgen, zoals de overige IsraŽlieten.
Num. 18,25 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 18,26 Zeg aan de levieten: Wanneer gij van de IsraŽlieten de tiende ontvangt, die Ik u als eigendom heb toegekend, dan moet gij daarvan een vast deel aan Jahwe afdragen, een tiende van de tiende.
Num. 18,27 Het aandeel dat gij afdraagt, zal op een lijn gesteld worden met de tiende van het koren van de dorsvloer en van de inhoud van de perskuip.
Num. 18,28 Zo moet ook gij van al de tienden die gij van de IsraŽlieten ontvangt, uw deel aan Jahwe afdragen. Gij moet dat deel voor Jahwe aan de priester Ašron geven.
Num. 18,29 Van de beste stukken die u gegeven worden, moet gij een vast deel als heilige gave aan Jahwe afdragen.
Num. 18,30 Zeg hun: wanneer gij, levieten, de beste stukken af draagt, zullen die op een lijn gesteld worden met het beste van de opbrengst van dorsvloer en perskuip.
Num. 18,31 Op alle plaatsen moogt gij met uw gezinnen de tienden eten, want het is uw loon, een vergoeding voor uw werk bij de tent van de samenkomst,
Num. 18,32 en wanneer gij dan de beste stukken daarvan afdraagt, treft u in dezen geen schuld. Dan ontwijdt gij de heilige gaven van de IsraŽlieten niet en zult gij niet sterven.

Num. 19,1 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Num. 19,2 Jahwe geeft het volgende wettelijke voorschrift: Zeg aan de IsraŽlieten, dat zij u een gave rode koe brengen, zonder enig gebrek, die nog geen juk heeft gedragen.
Num. 19,3 Gij moet ze aan de priester Eleazar geven; ze wordt buiten het kamp gebracht en in zijn tegenwoordigheid geslacht.
Num. 19,4 De priester Eleazar doopt dan zijn vinger in het bloed van de koe en sprenkelt zevenmaal in de richting van de voorzijde van de tent van de samenkomst.
Num. 19,5 Daarna wordt de koe voor zijn ogen verbrand met huid, vlees, bloed en darmen.
Num. 19,6 De priester werpt cederhout, hysop en karmozijn in het vuur waarin de koe verbrand wordt.
Num. 19,7 Dan wast de priester zijn kleren, maar tot de avond blijft hij onrein.
Num. 19,8 Ook degene die de koe verbrand heeft, moet zijn kleren wassen en een bad nemen, maar hij blijft tot de avond onrein.
Num. 19,9 Iemand die rein is, moet de as van de koe verzamelen en op een reine plaats buiten het kamp leggen. Die as moet bewaard blijven om er reinigingswater mee te maken voor de gemeenschap van de IsraŽlieten. De koe heeft als een zondeoffer gediend.
Num. 19,10 Degene die de as van de koe verzameld heeft, moet zijn kleren wassen en blijft tot de avond onrein. Dat is voor de IsraŽliet en voor de vreemdeling die bij u woont, een blijvende wet.
Num. 19,11 Wie het lijk van een mens aanraakt is zeven dagen onrein.
Num. 19,12 Op de derde en op de zevende dag moet hij zich met reinigingswater zuiveren; daarna is hij weer rein. Zuivert hij zich niet op de derde en de zevende dag, dan wordt hij niet rein.
Num. 19,13 Ieder die een dode, het lijk van een mens, aanraakt en zich niet zuivert, verontreinigt de woning van Jahwe. Die persoon moet uit IsraŽl worden verwijderd. Omdat hij niet met het reinigingswater is besprenkeld, is en blijft hij onrein.
Num. 19,14 Aldus luidt de wet: Wanneer iemand in een tent sterft, wordt ieder die de tent binnengaat of zich daarin bevindt, voor zeven dagen onrein.
Num. 19,15 Alle open vaten die niet met een deksel zijn afgesloten, worden onrein.
Num. 19,16 Ieder die in het open veld iemand aanraakt die vermoord of gestorven is, wie mensenbeenderen of een graf aanraakt, wordt voor zeven dagen onrein.
Num. 19,17 Men moet wat stof van de verbrande koe nemen, het in een vat doen en daarop bronwater gieten.
Num. 19,18 Een man die rein is, moet een hysoptakje in dat water dopen, daarmee de tent besprenkelen en ook de vaten en de mensen die erin waren. Hetzelfde doet hij met hem die met beenderen, met een vermoorde, met een gestorvene of met een graf in aanraking is geweest.
Num. 19,19 De reine moet de onreine op de derde en de zevende dag besprenkelen. Nadat hij hem op de zevende dag gezuiverd heeft, moet hij zijn kleren wassen en een bad nemen. `s Avonds is hij weer rein.
Num. 19,20 Iemand die onrein wordt, maar zich niet zuivert, moet uit de gemeenschap verwijderd worden, omdat hij het heiligdom van Jahwe verontreinigt. Omdat hij niet met het reinigingswater is besprenkeld, blijft hij onrein.
Num. 19,21 Dit is voor hen een blijvende wet. Wie het reinigingswater sprenkelt, moet zijn kleren reinigen; wie het reinigingswater aanraakt is tot de avond onrein.
Num. 19,22 Alles wat de onreine aanraakt, wordt onrein en degene die ermee in aanraking komt, is tot de avond onrein.

Num. 20,1 In de eerste maand kwam heel de gemeenschap van de IsraŽlieten in de woestijn Sin. Tijdens het verblijf van het volk in Kades overleed Mirjam en werd ter plaatse begraven.
Num. 20,2 Eens was er geen water voor de gemeenschap. Het volk liep toen te hoop tegen Mozes en Ašron
Num. 20,3 en begon Mozes verwijten te doen. Zij zeiden: `Waren wij maar door ingrijpen van Jahwe gestorven zoals onze broeders!
Num. 20,4 Hebt u de gemeente van Jahwe naar deze woestijn geleid om er mens en dier de dood te laten vinden?
Num. 20,5 Waarom hebt u ons uit Egypte geleid naar dit ellendig oord waar geen koren is, geen vijg, geen wijnstok, geen granaat appel, en zelfs geen water?'
Num. 20,6 Toen verwijderden Mozes en Ašron zich van de gemeente en gingen naar de ingang van de tent van de samenkomst en wierpen zich ter aarde. De heerlijkheid van Jahwe verscheen hun
Num. 20,7 en Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 20,8 `Neem de staf en roep met uw broer Ašron de gemeenschap bijeen. Gij moet in hun bijzijn de rots gebieden water te geven; dan zult gij uit die rots water doen stromen en de gemeenschap en het vee laten drinken.'
Num. 20,9 Mozes nam de staf uit het heiligdom, zoals Jahwe hem gezegd had.
Num. 20,10 Toen riepen Mozes en Ašron de gemeente voor de rots bijeen. Mozes zei tot hen: `Luistert, weerspanningen! Zullen wij voor mensen als jullie water uit deze rots laten stromen?'
Num. 20,11 Mozes hief zijn hand op en sloeg met zijn staf op de rots, tweemaal: toen stroomde er volop water uit zodat de gemeen schap en het vee konden drinken.
Num. 20,12 Maar Jahwe zei tot Mozes en Ašron: `Uw vertrouwen op Mij is niet zo groot geweest, dat gij tegenover de IsraŽlieten mijn heiligheid hebt hooggehouden. Daarom zult gij deze gemeente niet binnenleiden in het land, dat Ik hun gegeven heb.'
Num. 20,13 Dat water is het water van Meriba, waar de IsraŽlieten Jahwe verwijten deden en Hij bij hen zijn heiligheid openbaarde.
Num. 20,14 Van Kades uit zond Mozes boden naar de koning van Edom met de boodschap: `Zo spreekt uw broeder IsraŽl. U kent alle wederwaardigheden die ons zijn overkomen.
Num. 20,15 Onze voorouders zijn naar Egypte getrokken en wij hebben daar lange tijd gewoond. Maar de Egyptenaren hebben ons, evenals onze voorouders, slecht behandeld.
Num. 20,16 Toen hebben wij tot Jahwe geroepen en heeft Hij ons verhoord. Hij zond een engel en voerde ons uit Egypte. Nu zijn wij in Kades, een stad aan de grens van uw gebied.
Num. 20,17 Sta ons toe door uw land te trekken. Wij zullen niet door uw akkers en wijngaarden trekken en uit uw putten geen water drinken. Wij zullen de koninklijke weg houden, zonder naar rechts of links af te wijken, tot wij door uw gebied heen zijn.'
Num. 20,18 Maar Edom zei hem: `Ik verleen u geen doortocht door mijn gebied. Trekt u er toch door dan kom ik met het zwaard op u af.'
Num. 20,19 De IsraŽlieten zeiden: `Wij zullen de grote weg houden. Mochten wij of ons vee water nodig hebben, dan zullen wij u daarvoor betalen. Het enige dat wij van u vragen is dat wij te voet door uw land mogen trekken.'
Num. 20,20 Maar Edom antwoordde: `Ik verleen u geen doortocht.' Hij kwam met een talrijk leger en een sterke macht op IsraŽl af.
Num. 20,21 Toen Edom geen doortocht verleende, trok IsraŽl van zijn gebied weg.
Num. 20,22 Heel de gemeenschap van de IsraŽlieten vertrok van Kades en kwam bij de berg Hor.
Num. 20,23 Bij de berg Hor, aan de grens van Edom, zei Jahwe tot Mozes en Ašron:
Num. 20,24 `Aaron zal met zijn voorvaderen verenigd worden. Hij zal het land dat Ik aan de IsraŽlieten schenk niet binnengaan, omdat gij u bij het water van Meriba allebei tegen mijn bevel hebt verzet.
Num. 20,25 Ga met Ašron en zijn zoon Eleazar de berg Hor op.
Num. 20,26 Daar moet gij Ašron zijn gewaden laten afleggen en er zijn zoon Eleazar mee bekleden. Ašron zal daar met zijn voorvaderen verenigd worden en sterven.'
Num. 20,27 Mozes deed wat Jahwe bevolen had. Ten aanschouwen van heel de gemeenschap gingen zij de berg Hor op.
Num. 20,28 Mozes liet Ašron zijn gewaden afleggen en bekleedde er diens zoon Eleazar mee. Daar, op de top van de berg, overleed Ašron. Toen Mozes en Eleazar van de berg naar beneden kwamen,
Num. 20,29 begreep heel de gemeenschap dat Ašron overleden was. Heel het huis van IsraŽl beweende Ašron dertig dagen.

Num. 21,1 De Kanašnieten in de Negeb, met name de koning van Arad, hoorden dat de IsraŽlieten langs de weg naar Atarim oprukten. Zij vielen hen aan en namen enigen van hen gevangen.
Num. 21,2 Toen deed IsraŽl Jahwe deze belofte: `Als Gij mij dit volk uitlevert, zal ik hun steden met de ban slaan.'
Num. 21,3 Jahwe verhoorde het gebed van IsraŽl en leverde de Kanašnieten aan hen uit. IsraŽl sloeg de ban aan hen en aan hun steden. Men noemde die plaats Chorma.
Num. 21,4 Van de berg Hor trokken zij in de richting van de Riet zee, want zij wilden om Edom heentrekken. Maar onderweg werd het volk ongeduldig.
Num. 21,5 Het keerde zich tegen God en tegen Mozes: `Hebt u ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn? Er is geen brood, er is geen water en dat minderwaardige eten staat ons tegen.'
Num. 21,6 Toen zond Jahwe giftige slangen op het volk af. Deze beten de IsraŽlieten en velen van hen vonden de dood.
Num. 21,7 Nu kwam het volk naar Mozes en zei: `Wij hebben gezondigd, want wij hebben ons tegen Jahwe en tegen u gekeerd. Bid Jahwe, dat Hij die slangen van ons wegneemt.' Toen bad Mozes voor het volk
Num. 21,8 en Jahwe zei tot hem: `Maak zo'n giftige slang en zet die op een paal. Iedereen die gebeten is en er naar opziet, zal in leven blijven.'
Num. 21,9 Mozes maakte een bronzen slang en zette die op een paal. Ieder die door een slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte, bleef in leven.
Num. 21,10 De IsraŽlieten trokken verder en sloegen hun kamp op te Obot.
Num. 21,11 Van Obot trokken zij verder en sloegen hun kamp op te Ijje-haabarim, in de woestijn ten oosten van Moab.
Num. 21,12 Vandaar trokken zij verder en sloegen hun kamp op in het dal van de Zered.
Num. 21,13 Vandaar trokken zij verder en sloegen hun kamp op aan de overkant van de Arnon, die door de woestijn stroomt en uit het gebied van de Amorieten komt; de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en de Amorieten.
Num. 21,14 Daarom wordt in het boek van de oorlogen van Jahwe gezegd: Waheb in Sufa, het dal van de Arnon,
Num. 21,15 de helling die loopt tot Ar en leunt tegen de grens van Moab.
Num. 21,16 Vandaar naar Beer. Dat is de put waarbij Jahwe tot Mozes zei: `Roep het volk bijeen, dan zal Ik hun water geven.'
Num. 21,17 Toen zong IsraŽl dit lied: Geef water, put! Laten wij hem bezingen
Num. 21,18 de put, gedolven door vorsten, gegraven door de groten van het volk, met scepter en met staf. Van de woestijn trokken zij naar Mattana,
Num. 21,19 van Mattana naar NachaliŽl, van NachaliŽl naar Bamot,
Num. 21,20 van Bamot naar het dal in Moab, bij de top van de Pisga, die de Jordaanvallei beheerst.
Num. 21,21 Toen zond IsraŽl boden naar Sichon, de koning van de Amorieten, met het verzoek:
Num. 21,22 `Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet van de weg afgaan; wij zullen niet op uw akkers en wijngaarden komen en uit uw putten geen water drinken; wij zullen de koninklijke weg houden tot wij door uw gebied heen zijn.'
Num. 21,23 Maar Sichon verleende IsraŽl geen doortocht door zijn gebied. Hij verzamelde heel zijn leger en trok de woestijn in, IsraŽl tegemoet. Bij Jahas viel hij IsraŽl aan.
Num. 21,24 Maar IsraŽl versloeg hem met het zwaard en nam zijn land in bezit van de Arnon tot aan de Jabbok, tot aan de Ammonitische grens, want die was versterkt.
Num. 21,25 IsraŽl nam al de steden van de Amorieten in en vestigde zich daar, ook in Chesbon en al haar onderhorige steden.
Num. 21,26 Chesbon was de stad van Sichon, de koning van de Amorieten, die oorlog had gevoerd met de vorige koning van Moab en hem al zijn land tot aan de Arnon had ontnomen.
Num. 21,27 Daarom zeggen de dichters: Kom naar Chesbon. Laat Sichons stad herbouwd en versterkt worden.
Num. 21,28 Want een vuur is uit Chesbon geslagen, een vlam uit de stad van Sichon; de steden van Moab heeft zij verteerd en de heersers van de hoogten de Arnon.
Num. 21,29 Wee u, Moab! Verloren zijt gij, volk van Kemos! Vluchten moesten zijn zonen, zijn dochters werden buitgemaakt door Sichon, de koning van de Amorieten.
Num. 21,30 Toen wij hen met pijlen beschoten, ging alles verloren, van Chesbon tot Dibon. Verwoesting richtten wij aan tot Nofach, in heel de streek van Medeba.
Num. 21,31 IsraŽl vestigde zich in het land van de Amorieten.
Num. 21,32 Mozes liet Jazer verkennen. Zij namen haar onderhorige steden in en verdreven de Amorieten die er woonden.
Num. 21,33 Daarna sloegen zij de weg in naar Basan. Maar Og, de koning van Basan, rukte met heel zijn leger tegen hen uit om slag te leveren bij Edrei.
Num. 21,34 Jahwe zei tot Mozes: `Vrees hem niet, want Ik lever hem aan u uit met heel zijn leger en zijn land. Gij moet hem op dezelfde wijze behandelen als Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon woonde.'
Num. 21,35 Zij versloegen hem met zijn zonen en heel zijn leger tot de laatste man en namen zijn land in bezit.

Num. 22,1 De IsraŽlieten trokken verder en sloegen hun kamp op in de vlakte van Moab, aan de overkant van de Jordaan bij Jericho.
Num. 22,2 Balak, de zoon van Sippor, had alles gezien wat IsraŽl met de Amorieten gedaan had.
Num. 22,3 Moab was zeer bevreesd, omdat het volk zo talrijk was. In zijn angst voor de IsraŽlieten
Num. 22,4 zei Moab tegen de oudsten van Midjan: `Nu gaat die mensenmassa onze hele omgeving afgrazen, zoals de runderen het groen van het veld afgrazen.' Balak, de zoon van Sippor, was koning van Moab in die tijd.
Num. 22,5 Hij zond gezanten naar Petor aan de Eufraat in het land van de Amawieten, om Bileam, de zoon van Beor, te ontbieden. Zij moesten zeggen: `Er is uit Egypte een volk gekomen; het hele land ziet er zwart van, en dat volk ligt nu aan mijn grenzen.
Num. 22,6 Kom naar mij toe en vervloek dat volk, want het is machtiger dan ik. Misschien kan ik het dan verslaan en uit het land verdrijven. Ik weet immers: wie gij zegent, is gezegend en wie gij vervloekt, is vervloekt.'
Num. 22,7 De oudsten van Moab en de oudsten van Midjan gingen op weg met het loon voor de ziener bij zich. Zij kwamen bij Bileam en brachten hem het verzoek van Balak over.
Num. 22,8 Hij zei tot hen: `U moet hier eerst overnachten: daarna zal ik u meedelen wat Jahwe mij zegt.' De aanzienlijke mannen van Moab overnachtten dus bij Bileam.
Num. 22,9 Toen kwam God tot Bileam en zei: `Wie zijn die mannen in uw huis?'
Num. 22,10 Bileam zei tot God: `Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, heeft mij laten berichten:
Num. 22,11 Een volk dat uit Egypte gekomen is, overdekt het hele land. Kom dus en spreek er een vloek over uit. Misschien kan ik het dan bestrijden en verdrijven.'
Num. 22,12 Maar God zei tot Bileam: `Gij moogt niet met hen meegaan. Gij moogt dat volk niet vervloeken, want het is gezegend.'
Num. 22,13 De volgende morgen zei Bileam tot de afgezanten van Balak: `U moet naar uw land terugkeren. Jahwe geeft mij geen toestemming om met u mee te gaan.'
Num. 22,14 De aanzienlijke mannen van Moab gingen dus op weg en toen ze bij Balak kwamen, zeiden ze: `Bileam heeft geweigerd met ons mee te gaan.'
Num. 22,15 Opnieuw zond Balak aanzienlijke mannen, talrijker en voornamer dan de eerste.
Num. 22,16 Zij kwamen bij Bileam en zeiden tot hem: `Zo spreekt Balak, de zoon van Sippor: Laat u toch niet weerhouden naar mij toe te komen!
Num. 22,17 Ik zal u rijk belonen en alles doen wat u zegt. Kom toch en vervloek voor mij dat volk.'
Num. 22,18 Maar Bileam gaf de dienaren van Balak ten antwoord: `Al gaf Balak mij al het zilver en goud van zijn huis, het bevel van Jahwe kan ik in geen geval overtreden.
Num. 22,19 Maar ook u moet hier blijven overnachten. Dan kan ik vernemen wat Jahwe mij verder te zeggen heeft.'
Num. 22,20 In die nacht kwam God tot Bileam en zei hem: `Nu deze mannen u zijn komen ontbieden, kunt gij met hen meegaan, maar gij moogt alleen doen wat Ik u zeg.'
Num. 22,21 De volgende morgen zadelde Bileam zijn ezelin en ging met de aanzienlijke mannen van Moab mee.
Num. 22,22 Toen hij vertrok, ontstak God in toorn. De engel van Jahwe ging op de weg staan om hem tegen te houden. Terwijl hij op zijn ezelin voortreed met zijn twee knechten,
Num. 22,23 zag de ezelin de engel van Jahwe, met getrokken zwaard in de hand, op de weg staan. Toen ging zij van de weg af, het veld in. Bileam sloeg de ezelin weer de weg op.
Num. 22,24 Nu ging de engel van Jahwe in een holle weg staan, die tussen de wijngaarden lag, met aan weerszijden een muur.
Num. 22,25 Toen de ezelin de engel van Jahwe zag, drukte zij zich tegen de muur en daarbij raakte de voet van Bileam bekneld. Hij sloeg haar opnieuw.
Num. 22,26 Nogmaals ging de engel van Jahwe een eind verder en hield stil op een plek die zo nauw was, dat men rechts noch links kon.
Num. 22,27 Toen de ezelin de engel van Jahwe zag, ging zij met Bileam in het zadel op de grond liggen. Bileam werd woedend en sloeg de ezelin met een stok.
Num. 22,28 Nu liet Jahwe de ezelin spreken. Zij zei tot Bileam: `Waaraan heb ik het verdiend, dat je mij nu al driemaal geslagen hebt?'
Num. 22,29 Bileam zei tot de ezelin: `Omdat je mij belachelijk maakt. Het is maar goed dat ik geen zwaard in mijn hand had, want dan had ik je gedood!'
Num. 22,30 Toen zei de ezelin tot Bileam: `Ben ik niet de ezelin op wie je heel je leven tot nu toe gereden hebt? Heb ik jou ooit zo behandeld?' Hij antwoordde: `Neen.'
Num. 22,31 Toen opende Jahwe de ogen van Bileam en deze zag de engel met het getrokken zwaard in de hand op de weg staan. Toen knielde Bileam neer en wierp zich ter aarde.
Num. 22,32 De engel van Jahwe zei hem: `Waarom hebt gij die ezelin van u tot driemaal toe geslagen? Ik ben gekomen om u tegen te houden, want Ik zie dat deze onderneming verkeerd afloopt.
Num. 22,33 De ezelin zag Mij en ging Mij driemaal uit de weg. Had zij dat niet gedaan, dan had Ik u gedood en haar in leven gelaten.'
Num. 22,34 Bileam zei tot de engel van Jahwe: `Ik heb verkeerd gedaan. Ik wist immers niet, dat Gij tegenover mij op de weg stond. Als Gij vindt, dat ik verkeerd doe, dan ga ik terug.'
Num. 22,35 Maar de engel van Jahwe zei tot Bileam: `Ga met die mannen mee, maar zeg alleen wat Ik u zeggen zal.' Zo ging Bileam met de afgezanten van Balak mee.
Num. 22,36 Toen Balak hoorde dat Bileam in aantocht was, ging hij hem tegemoet tot de stad in Moab die aan de uiterste rand van het gebied van de Arnon lag.
Num. 22,37 Balak zei tot Bileam: `Ik had toch gezanten gezonden om u te ontbieden! Waarom bent u dan niet naar mij toe gekomen? Dacht u soms dat ik u niet kon belonen?'
Num. 22,38 Maar Bileam zei tot Balak: `Ik ben nu wel naar u toe gekomen, maar ik weet niet, of ik iets zal kunnen zeggen. Wat Jahwe mij in de mond legt, dat zal ik zeggen.'
Num. 22,39 Bileam ging met Balak mee en zij kwamen te Kirjat-chusot.
Num. 22,40 Balak offerde runderen en schapen en liet er stukken van brengen naar Bileam en de aanzienlijke mannen die bij hem waren.
Num. 22,41 De volgende morgen ging Balak met Bileam de Bamot-baal op, vanwaar hij een deel van het volk kon zien.

Num. 23,1 Toen zei Bileam tot Balak: `Bouw hier voor mij zeven altaren en maak hier zeven stieren en zeven rammen gereed voor een offer.'
Num. 23,2 Balak deed wat Bileam gezegd had en offerde - met Bileam - een stier en een ram op elk altaar.
Num. 23,3 Nu zei Bileam tot Balak: `Blijf bij uw brandoffer staan, terwijl ik heenga. Misschien treedt Jahwe mij tegemoet. Wat Hij mij zal laten zien, zal ik u meedelen.' Bileam ging daarop naar een eenzame plaats.
Num. 23,4 Daar openbaarde God zich aan hem. Bileam zei tot Hem: `Zeven altaren heb ik laten oprichten en op elk altaar een stier en een ram laten offeren.'
Num. 23,5 Toen legde Jahwe een woord in de mond van Bileam en zei: `Keer naar Bala terug en breng hem over wat Ik u gezegd heb.'
Num. 23,6 Toen Bileam terugkwam, stond Balak met al de aanzienlijke mannen van Moab nog bij het brandoffer.
Num. 23,7 Bileam hief het volgende lied aan en sprak: Uit Aram ben ik door Balak ontboden, van de bergen in het Oosten door de koning van Moab: Kom! Vervloek voor mij Jakob, kom en verwens IsraŽl.
Num. 23,8 Hoe kan ik vervloeken, waar God niet vervloekt? Hoe kan ik verwensen, waar God niet verwenst?
Num. 23,9 Van de top van de rotsen af zie ik het, van de heuvels af neem ik het waar, een volk dat niet bij de andere volken woont en zich niet beschouwt als een van hen.
Num. 23,10 Wie telt die stofwolk, die Jakob is, of wie becijfert maar een kwart van IsraŽl? Ik zou willen sterven als die recht vaardigen, een einde vinden als zij.
Num. 23,11 Toen zei Balak tot Bileam: `Wat hebt u mij nu gedaan! Ik heb u gehaald om mijn vijanden te vervloeken en nu hebt u een loflied over hen gezongen!'
Num. 23,12 Bileam antwoordde: `Moet mijn enige zorg niet zijn te zeggen wat Jahwe mij in de mond legt?'
Num. 23,13 Hierop zei Balak tot hem: `Kom dan met mij mee naar een andere plaats waar u hen kunt zien, wel niet het hele volk maar toch een deel; en van die plaats af moet gij het dan vervloeken.'
Num. 23,14 Hij nam hem mee naar het Spiedersveld op de top van de Pisga, bouwde zeven altaren en offerde op elk altaar een stier en een ram.
Num. 23,15 Bileam zei tot Balak: `Blijf hier bij uw brandoffer staan, terwijl ik ginds een nieuwe ontmoeting afwacht.'
Num. 23,16 Jahwe trad Bileam tegemoet, legde hem een woord in de mond en zei: `Keer terug en breng hem over wat Ik u gezegd heb.'
Num. 23,17 Toen Bileam bij Balak kwam, stond deze met de aanzienlijke mannen van Moab nog bij het brandoffer. Balak vroeg hem: `Wat heeft Jahwe gezegd?'
Num. 23,18 Toen hief Bileam het volgende lied aan: Wees aandachtig, Balak, en luister, wend uw oor naar mij, zoon van Sippor,
Num. 23,19 God is geen mens, Hij liegt niet, geen mensenkind, Hij krijgt van zijn woord geen spijt. Hij zou zeggen en niet doen? Hij beloven en niet volbrengen?
Num. 23,20 Hij heeft mij bevolen te zegenen en geeft Hij zegen, dan keer ik die niet.
Num. 23,21 Geen onheil valt te ontwaren bij Jakob, geen ramp is te zien bij IsraŽl. Jahwe, zijn God, is met hem. Hij is de koning die IsraŽl toejuicht.
Num. 23,22 Hij is de God, die hen uit Egypte gevoerd heeft, Hij is voor hen als de horens van een buffel.
Num. 23,23 Geen bezwering heeft kracht tegen Jakob, geen waarzeg gerij tegen IsraŽl. Nu is het de tijd dat Jakob verneemt, dat IsraŽl hoort wat God met hen voor heeft.
Num. 23,24 Hier is een volk dat zich opricht als een leeuw en zich verheft als de koning der dieren. Hij rust niet voor hij zijn buit heeft verslonden en het bloed van zijn prooi heeft gedronken.
Num. 23,25 Nu zei Balak tot Bileam: `Als u niet wilt vervloeken, zegen dan tenminste niet!'
Num. 23,26 Maar Bileam antwoordde Balak: `Ik heb u toch gezegd, dat ik alles zou doen wat Jahwe mij opdraagt!'
Num. 23,27 Balak zei tot Bileam: `Kom, ik neem u mee naar een andere plaats. Misschien behaagt het God, dat u vanaf die plaats het volk vervloekt.'
Num. 23,28 Balak nam Bileam mee naar de top van de Peor, die de Jordaanvallei beheerst.
Num. 23,29 Bileam zei tot Balak: `Bouw hier zeven altaren en maak hier zeven stieren en zeven rammen gereed.'
Num. 23,30 Balak deed wat Bileam gezegd had en offerde op elk altaar een stier en een ram.

Num. 24,1 Bileam begreep, dat het Jahwe behaagde IsraŽl te zegenen. Daarom ging hij niet zoals de vorige keren op aanwijzingen uit, maar keerde hij zich in de richting van de woestijn.
Num. 24,2 Toen hij de ogen opsloeg en IsraŽl stam bij stam gelegerd zag, kwam de geest van God over hem.
Num. 24,3 Hij hief het volgende lied aan: Dit is het orakel van Bileam, zoon van Beor, het orakel van de man die geheimen mocht zien,
Num. 24,4 de godsspraak van hem die God hoort spreken, die schouwt wat de Almachtige ontsluiert, en in extase openbaringen ontvangt.
Num. 24,5 Hoe schoon zijn uw tenten, Jakob, hoe mooi uw woningen, IsraŽl:
Num. 24,6 als dalen liggen zij uitgespreid, als tuinen langs een rivier, als aloŽbomen door Jahwe geplant, als ceders die staan aan het water.
Num. 24,7 Zijn emmers stromen over van water; wat hij zaait wordt volop bevloeid. Zijn koning komt hoger dan Agag; zijn koningschap zal zich verheffen.
Num. 24,8 De God die hem uit Egypte geleid heeft, is voor hem als een buffel met opgestoken horens. Vijandige volken verslindt hij, verbrijzelt hun beenderen, breekt hun lenden.
Num. 24,9 Hij vleit zich neer als een roofdier; hij ligt als de koning der dieren; wie durft hem te wekken? Gezegend die u zegenen, vervloekt die u vervloeken.
Num. 24,10 Nu werd Balak woedend op Bileam. Hij sloeg zijn handen tegen elkaar en zei: `Ik heb u gehaald om mijn vijanden te vervloeken en nu hebt u al driemaal zegenwoorden uitgesproken.
Num. 24,11 Maak dat u wegkomt, terug naar uw land. Ik had beloofd u rijk te belonen, maar Jahwe is schuld dat de beloning u ontgaat.'
Num. 24,12 Toen zei Bileam tot Balak: `Ik had toch al tegen uw gezanten gezegd:
Num. 24,13 `Al gaf Balak mij al het zilver en goud van zijn huis, het bevel van Jahwe kan ik in geen geval overtreden. Ik kan alleen zeggen wat Jahwe zegt.
Num. 24,14 Goed, ik ga weer naar mijn land, maar eerst ga ik u meedelen, wat dit volk in de toekomst uw volk zal aandoen.'
Num. 24,15 Toen hief hij het volgende lied aan. Dit is de godsspraak van Bileam, zoon van Beor, de godsspraak van de man die geheimen mocht zien,
Num. 24,16 de godsspraak van hem die God hoort spreken, die weet wat de Allerhoogste weet, die schouwt wat de Almachtige ontsluiert en in vervoering openbaringen ontvangt.
Num. 24,17 Ik zie hem, maar niet in het heden, ik aanschouw hem, maar niet van nabij; een ster komt op uit Jakob, een scepter rijst op uit IsraŽl. Hij verbrijzelt de slapen van Moab, de schedel van al de zonen van Set.
Num. 24,18 Edom zal een wingewest zijn, een wingewest Seir, zijn vijand, maar IsraŽl zal macht ontplooien,
Num. 24,19 Een die uit Jakob komt, zal heersen, hij verdelgt wie ontsnapt was uit Ar.
Num. 24,20 Toen hij Amalek zag, hief hij dit lied aan: Amalek staat onder de volken vooraan, toch gaat hij ten slotte te gronde,
Num. 24,21 Toen hij de Kenieten zag, hief hij dit lied aan: Uw zetel mag vast zijn en sterk, uw nest gebouwd op een rots,
Num. 24,22 toch wordt gij weggevaagd, Kain! Weldra sleept Assur u weg.
Num. 24,23 Ook het volgende lied hief hij nog aan: Helaas, wie blijft er in leven, als God zijn plannen volvoert?
Num. 24,24 Van de kust van de Kittiers komen de schepen; zij vernederen Assur, vernederen Eber. Ook zij gaan te gronde.
Num. 24,25 Toen ging Bileam terug naar zijn woonplaats; ook Balak ging zijns weegs.

Num. 25,1 Toen IsraŽl in Sittim verbleef, begon het volk ontucht te plegen met Moabitische vrouwen,
Num. 25,2 die het volk uitnodigden op de offers van hun goden. Het volk nam daaraan deel en boog zich voor haar goden neer.
Num. 25,3 Zo gaf IsraŽl zich af met Bašl-peor en ontstak Jahwe in toorn tegen IsraŽl.
Num. 25,4 Hij zei tot Mozes: `Grijp alle leiders van het volk en steek ze op klaarlichte dag voor Jahwe aan palen; dan zal de gloed van zijn toorn zich van IsraŽl afwenden.'
Num. 25,5 Mozes zei tot de rechters van IsraŽl: `Ieder moet diegenen van zijn mannen doden die zich met Bašl-peor hebben afgegeven.'
Num. 25,6 Terwijl Mozes en heel de gemeenschap bij de tent van de samenkomst weeklaagden, zagen zij hoe een IsraŽliet met een Midjanitische vrouw naar hen toekwam.
Num. 25,7 Toen Pinechas, zoon van Eleazar, de zoon van de priester Ašron, dit zag, verliet hij de gemeenschap, greep een lans,
Num. 25,8 ging de IsraŽliet tot in het slaapvertrek achterna en stak hem en de vrouw door het onderlijf. Toen week de plaag van de IsraŽlieten.
Num. 25,9 Tengevolge van die plaag waren er vierentwintigduizend doden.
Num. 25,10 Jahwe zei tot Mozes:
Num. 25,11 `Pinechas, zoon van Eleazar, de zoon van de priester Ašron, heeft mijn toorn van de IsraŽlieten afgewend door onder hen voor Mij te ijveren, zodat Ik de IsraŽlieten niet in mijn ijverzucht verdelgd heb.
Num. 25,12 Zeg daarom: bij dezen sluit Ik met hem een verbond van vriendschap
Num. 25,13 dat hem en zijn nageslacht voor altijd het priester schap waarborgt. Hij heeft immers voor zijn God geijverd en voor de IsraŽlieten verzoening bewerkt.'
Num. 25,14 De IsraŽliet die samen met de Midjanitische vrouw gedood werd, heette Zimri. Hij was een zoon van Sallu, het hoofd van een familie uit Simeon.
Num. 25,15 De Midjanitische vrouw die gedood werd, heette Kozbi; zij was een dochter van Sur, een stamhoofd van de Midjanieten.
Num. 25,16 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 25,17 `Behandel de Midjanieten als vijanden en sla hen neer,
Num. 25,18 want zij hebben u als vijanden behandeld door de sluwe plannen die zij tegen u gesmeed hebben. Dat is in Peor gebleken en in het geval van Kozbi, de dochter van een vooraanstaand Midjaniet, hun stamgenote, die bij de plaag te Peor gedood werd.'

Num. 26,1 Toen de plaag voorbij was, sprak Jahwe tot Mozes en Eleazar, de zoon van de priester Ašron:
Num. 26,2 `Houd een telling van de hele gemeenschap van de IsraŽlieten, van alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, volgens hun families.'
Num. 26,3 In de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho hielden Mozes en de priester Eleazar een telling
Num. 26,4 van hen die twintig jaar waren of ouder, zoals Jahwe het aan Mozes had bevolen. Dit zijn de IsraŽlieten die uit Egypte zijn getrokken:
Num. 26,5 Ruben, de eerstgeborene van IsraŽl. De zonen van Ruben: van Chanok het geslacht van de Chanokieten; van Pallu het ge slacht van de Palluieten;
Num. 26,6 van Chesron het geslacht van de Chesronieten; van Karmi het geslacht van de Karmieten.
Num. 26,7 Dat zijn de geslachten van de Rubenieten. Zij telden drieŽnveertigduizendzevenhonderddertig ingeschrevenen.
Num. 26,8 De zonen van Pallu: Eliab;
Num. 26,9 de zonen van Eliab: NemuŽl, Datan en Abiram. Die Datan en Abiram, vooraanstaande mannen in de gemeenschap, hadden zich tegen Mozes en Ašron verzet, toen de bende van Korach in opstand kwam tegen Jahwe.
Num. 26,10 De aarde had zich toen geopend en hen verslonden, evenals Korach die met zijn aanhangers de dood had gevonden, toen het vuur tweehonderdvijftig man verteerde. Zo waren zij een waarschuwend teken geworden.
Num. 26,11 Maar de zonen van Korach waren niet omgekomen.
Num. 26,12 De zonen van Simeon met hun geslachten: van NemuŽl het geslacht van de NumuŽlieten; van Jamin het geslacht van de Jaminieten; van Jakin het geslacht van de Jakinieten;
Num. 26,13 van Zerach het geslacht van de Archieten; van Saul het geslacht van de Saulieten.
Num. 26,14 Dat zijn de geslachten van de Simeonieten: zij telden tweeŽntwintigduizendtweehonderd man.
Num. 26,15 De zonen van Gad met hun geslachten: van Sefon het geslacht van de Sefonieten; van Chaggi het geslacht van de Chaggieten; van Suni het geslacht van de Sunieten;
Num. 26,16 van Ozni het geslacht van Oznieten; van Eri het geslacht van de Erieten;
Num. 26,17 van Arod het geslacht van de Arodieten; van Areli het geslacht van de Arelieten.
Num. 26,18 Dat zijn de geslachten van de Gadieten. Zij telden veertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,19 Er en Onan waren zonen van Juda, maar Er en Onan waren in Kanašn gestorven.
Num. 26,20 De zonen van Juda met hun geslachten: van Peres het geslacht van de Parsieten; van Zerach het geslacht van de Zarchieten.
Num. 26,21 De zonen van Peres: van Chesron het geslacht van de Chesronieten; van Chamul het geslacht van de Chamulieten.
Num. 26,22 Dat zijn de geslachten van Juda: zij telden zesenzeventigduizendvijfhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,23 De zonen van Issakar met hun geslachten: van Tola het geslacht van de Tolaieten; van Puwwa het geslacht van de Punieten;
Num. 26,24 van Jasub het geslacht van Jasubieten; van Simron het geslacht van de Simronieten.
Num. 26,25 Dat zijn de geslachten van Issakar: zij telden vieren zestigduizenddriehonderd ingeschrevenen.
Num. 26,26 De zonen van Zebulon met hun geslachten: van Sered het geslacht van de Sardieten; van Elon het geslacht van de Elonieten; van Jachleel het geslacht van de Jachleelieten.
Num. 26,27 Dat zijn de geslachten van de Zebulonieten: zij telden zestigduizendvijfhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,28 De zonen van Jozef met hun geslachten: Manasse en Efraim.
Num. 26,29 De zonen van Manasse: van Makir het geslacht van de Makirieten. Makir was de vader van Gilead. Van Gilead het ge slacht van de Gileadieten.
Num. 26,30 Dit zijn de zonen van Gilead: van Iezer het geslacht van de Iezrieten; van Chelek het geslacht van de Chalkieten;
Num. 26,31 van AsriŽl het geslacht van de AsriŽlieten; van Sekem het geslacht van de Sikmieten;
Num. 26,32 van Semida het geslacht van de Semidaieten; van Chefer het geslacht van de Cheferieten.
Num. 26,33 Selofchad, zoon van Chefer, had geen zonen, alleen dochters. De dochters van Selofchad heetten Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa.
Num. 26,34 Dat zijn de geslachten van Manasse: zij telden tweeŽn vijftigduizendzevenhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,35 Dit zijn de zonen van Efraim met hun geslachten: van Sutelach het geslacht van de Sutalchieten; van Beker het geslacht van de Bakrieten; van Tachan het geslacht van de Tachnieten.
Num. 26,36 Dit zijn de zonen van Sutelach: van Eran het geslacht van de Eranieten.
Num. 26,37 Dat zijn de geslachten van de zonen van Efraim: zij telden tweeŽndertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. Dat zijn de zonen van Jozef met hun geslachten.
Num. 26,38 De zonen van Benjamin met hun geslachten: van Bela het geslacht van de Balieten; van Asbel het geslacht van de Asbelie ten; van Achiram het geslacht van de Achiramieten;
Num. 26,39 van Sufam het geslacht van de Sufamieten; van Chufam het geslacht van de Chufamieten.
Num. 26,40 De zonen van Bela waren Ard en Naaman: van Ard het geslacht van de Ardieten; van Naaman het geslacht van de Naamieten.
Num. 26,41 Dat zijn de zonen van Benjamin met hun geslachten: zij telden vijfenveertigduizendzeshonderd ingeschrevenen.
Num. 26,42 Dit zijn de zonen van Dan met hun geslachten: van Suchan het geslacht van de Suchanieten. Dat zijn de geslachten van Dan.
Num. 26,43 Alle geslachten van de Suchanieten telden vierenzestigduizendvierhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,44 Dit zijn de zonen van Aser met hun geslachten: van Jimna het geslacht van de Jimnaieten; van Jiswa het geslacht van de Jiswieten; van Beria het geslacht van de Beriieten.
Num. 26,45 Van de zonen van Beria: van Cheber het geslacht van de Chabrieten; van MalkiŽl het geslacht van de MalkiŽlieten.
Num. 26,46 De dochter van Aser heette Serach.
Num. 26,47 Dat zijn de geslachten van de zonen van Aser: zij telden drieŽnvijftigduizendvierhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,48 De zonen van Naftali met hun geslachten: van Jachseel het geslacht van de Jachseelieten; van Guni het geslacht van de Gunieten;
Num. 26,49 van Jeser het geslacht van de Jisrieten; van Sillem het geslacht van de Sillemieten.
Num. 26,50 Dat zijn de geslachten van Naftali: zij telden vijfenveertigduizendvierhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,51 De IsraŽlieten telden zeshonderdeenduizendzevenhonderddertig ingeschrevene.
Num. 26,52 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 26,53 `Dat zijn degenen aan wie bij de verdeling een stuk grond moet worden toegewezen, naar gelang hun aantal.
Num. 26,54 Voor een groter aantal moet bij een groter bezit toewijzen, voor een kleiner aantal een kleiner. Volgens het aantal ingeschrevenen moet aan iedere groep een stuk grond in bezit gegeven worden.
Num. 26,55 Het land moet door het lot verdeeld worden, waarbij elke voorvaderlijke stam een stuk grond krijgt toegewezen overeenkomstig het aantal personen.
Num. 26,56 Ieder stuk grond zal volgens het lot verdeeld worden, zowel voor de grotere als voor de kleinere groepen.'
Num. 26,57 Dit zijn de ingeschreven levieten volgens hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten, van Kehat het geslacht van de Kehatieten; van Merari het geslacht van de Merarieten.
Num. 26,58 Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht van de Libnieten, het geslacht van de Chebronieten, het geslacht van de Machlieten, het geslacht van de Musieten, het geslacht van de Korchieten. Kehat verwekte Amram.
Num. 26,59 De vrouw van Amram heette Jokebed, een dochter van Levi. Haar moeder had haar in Egypte aan Levi geschonken. De kinderen die Jokebed aan Amram baarde, waren Ašron, Mozes en hun zuster Mirjam.
Num. 26,60 De zonen van Ašron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar.
Num. 26,61 Nadab en Abihu stierven, toen zij ongewijd vuur voor Jahwe brachten.
Num. 26,62 Het aantal mannelijke personen van een maand en ouder die bij hen waren ingeschreven, bedroeg drieŽntwintigduizend. Zij waren niet met de IsraŽlieten ingeschreven, omdat aan hen geen stuk grond was toegewezen zoals aan de overige IsraŽlieten.
Num. 26,63 Dat zijn de IsraŽlieten die in de vlakte van Moab, aan de Jordaan bij Jericho, door Mozes en de priester Eleazar werden ingeschreven.
Num. 26,64 Onder hen bevond zich niemand meer van de IsraŽlieten die in de woestijn van de SinaÔ door Mozes en de priester Ašron waren ingeschreven,
Num. 26,65 want van hen had Jahwe gezegd: In de woestijn zullen zij sterven! Niemand van hen was nog in leven behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.

Num. 27,1 Eens kwamen Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa, de dochters van Selofchad, zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Makir, de zoon van Manasse naar voren. Zij behoorden tot een geslacht van Manasse, de zoon van Jozef.
Num. 27,2 Zij verschenen voor Mozes, voor de priester Eleazar, voor de leiders en voor de hele gemeenschap bij de ingang van de tent van de samenkomst en zeiden:
Num. 27,3 `Onze vader is gestorven in de woestijn. Hij heeft niet tot de aanhangers van Korach behoord die samenspanden tegen Jahwe; maar hij is om zijn eigen zonden gestorven. Hij had geen zonen.
Num. 27,4 Moet nu de naam van onze vader uit zijn geslacht verdwijnen, omdat hij geen zoon had? Wij verzoeken u ons toch een stuk grond toe te wijzen evenals aan de broers van onze vader.'
Num. 27,5 Mozes bracht hun zaak voor Jahwe
Num. 27,6 en Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 27,7 `De dochters van Selofchad hebben gelijk. Gij moet haar zonder bedenken een stuk grond in eigendom geven, evenals aan de broers van hun vader en gij moet datgene wat hun vader toekomt, aan haar overdragen.
Num. 27,8 Tot de IsraŽlieten moet ge zeggen: Als iemand geen zoon heeft, moet gij na zijn dood zijn bezit overdragen aan zijn dochter.
Num. 27,9 Heeft hij geen dochter, dan moet gij zijn bezit aan zijn broers overdragen.
Num. 27,10 Heeft hij geen broers, dan moet gij zijn bezit overdragen aan de broers van zijn vader.
Num. 27,11 Heeft zijn vader geen broers, dan moet gij zijn bezit overdragen aan het naaste familielid; die zal het erven.' Dat is voor de IsraŽlieten een wettelijke bepaling, door Jahwe aan Mozes gegeven.
Num. 27,12 Jahwe zei tot Mozes: `Bestijg het Abarimgebergte dat hier voor u ligt, en aanschouw het land dat Ik aan de IsraŽlieten geef.
Num. 27,13 Wanneer gij het aanschouwd hebt, zult gij met uw voorvaderen verenigd worden, evenals uw broer Ašron.
Num. 27,14 Bij de opstand van de gemeenschap in de woestijn Sin, toen het om water ging, hebt gij u immers tegen mijn bevel verzet en tegenover hen mijn heiligheid niet hoog gehouden.' Bedoeld is het water van Meribat-kades in de woestijn Sin.
Num. 27,15 Mozes sprak tot Jahwe:
Num. 27,16 `Laat dan Jahwe, de God die aan alle mensen het leven schenkt, over de gemeenschap iemand aanstellen
Num. 27,17 die hen uitleidt en thuisbrengt; anders wordt de gemeenschap van Jahwe een kudde zonder herder.'
Num. 27,18 Toen zei Jahwe tot Mozes: `Leg Jozua, zoon van Nun, een man die van geest vervuld is, de handen op:
Num. 27,19 laat hem voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap van de IsraŽlieten plaats nemen en draag hem in hun aanwezigheid uw taak over.
Num. 27,20 Laat hem delen in uw waardigheid. Dan zal de hele gemeenschap van de IsraŽlieten naar hem luisteren.
Num. 27,21 Hij moet zich echter vervoegen bij de priester Eleazar en deze zal in het heiligdom van Jahwe voor hem een uitspraak van de oerim vragen. Naar Jahwe's uitspraak zullen hij en de hele gemeenschap van de IsraŽlieten dan handelen.'
Num. 27,22 Mozes bracht Jahwe's bevel ten uitvoer. Hij liet Jozua halen, plaatste hem voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap,
Num. 27,23 legde hem de handen op en droeg hem zijn taak over, juist zoals Jahwe door Mozes had gesproken.

Num. 28,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 28,2 Beveel de IsraŽlieten. Men moet er op letten dat men mijn offer, mijn spijs, de geurige gave die Mij behaagt, op de vastgestelde tijd aanbiedt.
Num. 28,3 Gij moet hun zeggen: Dit is de offergave die gij Jahwe moet aanbieden: elke dag twee gave lammeren van nog geen jaar als dagelijks brandoffer.
Num. 28,4 Het ene lam moet gij 's morgens offeren, het andere tegen de avond.
Num. 28,5 Daarbij komt als meeloffer een tiende efa bloem, aangemaakt met een kwart hin gestoten olie.
Num. 28,6 Dat is het dagelijks brandoffer, ingesteld op de berg SinaÔ, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 28,7 Bij elk lam hoort een plengoffer van een kwart hin wijn. Dat plengoffer van gegiste drank moet gij in het heiligdom voor Jahwe uitgieten.
Num. 28,8 Het tweede lam moet gij tegen de avond offeren met eenzelfde meeloffer als 's morgens en met het bijbehorend pleng offer, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 28,9 Op de sabbat moet gij twee gave lammeren van nog geen jaar offeren, met een meeloffer van twee issaron bloem, aangemaakt met olie, en met het bijbehorend plengoffer.
Num. 28,10 Dat brandoffer van de sabbat komt elke sabbat bij het dagelijks brandoffer en het bijbehorend plengoffer.
Num. 28,11 Op de eerste dag van iedere maand moet gij Jahwe als brandoffer aanbieden: twee stieren, een ram en zeven gave lamme ren van nog geen jaar.
Num. 28,12 Bij elke stier komt een meeloffer van drie issaron bloem, aangemaakt met olie, bij de ram een meeloffer van twee issaron bloem, aangemaakt met olie
Num. 28,13 en bij elk lam een meeloffer van een issaron bloem, aangemaakt met olie. Dat is het brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 28,14 Bij de stier hoort een plengoffer van een halve hin wijn, bij de ram een derde hin en bij het lam een kwart hin. Dat is het maandelijks brandoffer dat iedere maand van het jaar gebracht moet worden.
Num. 28,15 Verder moet er een geitenbok geofferd worden als zonde offer voor Jahwe. Dat alles moet geofferd worden naast het dagelijks brandoffer en het daarbij behorend plengoffer.
Num. 28,16 Op de veertiende dag van de eerste maand is het pasen voor Jahwe
Num. 28,17 en op de vijftiende van die maand is het feest. Zeven dagen moet er ongezuurd brood gegeten worden.
Num. 28,18 De eerste dag is een heilige dag: dan moogt gij niet werken.
Num. 28,19 Gij moet dan aan Jahwe een brandoffer aanbieden van twee stieren, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar - gave dieren
Num. 28,20 en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie; bij elke stier een van drie issaron, bij de ram een van twee issaron
Num. 28,21 en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron;
Num. 28,22 verder een bok als zondeoffer om verzoening voor u te bewerken.
Num. 28,23 Dat alles moet gij opdragen naast het brandoffer dat iedere dag in de morgen gebracht wordt.
Num. 28,24 Dezelfde offers moet gij op ieder van die zeven dagen opdragen. Zij zijn een spijs, een geurige gave die Jahwe behaagt. Gij moet die opdragen naast het dagelijks brandoffer en het daarbij behorend plengoffer.
Num. 28,25 De zevende dag moet eer een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken.
Num. 28,26 De dag van de eerstelingen, waarop gij Jahwe een meeloffer van de nieuwe oogst aanbiedt, het wekenfeest, moet een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken.
Num. 28,27 Dan moet gij als geurige gave die Jahwe behaagt, een brandoffer aanbieden van twee stieren, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar
Num. 28,28 en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie: bij elke stier een van drie issaron, bij de ram een van twee issaron
Num. 28,29 en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron;
Num. 28,30 verder een geitenbok als zondeoffer om verzoening voor u te bewerken.
Num. 28,31 Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brand en meeloffer met de daarbij behorende plengoffers. De offerdieren moeten gaaf zijn.

Num. 29,1 De eerste dag van de zevende maand moet een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken. Dat zal een dag zijn die gevierd wordt met trompetgeschal.
Num. 29,2 Dan moet gij als geurige gave die Jahwe behaagt, een brandoffer aanbieden van een stier, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar
Num. 29,3 en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie: bij de stier een van drie issaron, bij de ram van een van twee issaron
Num. 29,4 en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron;
Num. 29,5 verder een geitenbok als zondeoffer om verzoening voor u te bewerken.
Num. 29,6 Dat alles moet gij opdragen naast het maandelijks en dagelijks brandoffer en naast het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 29,7 De tiende dag van de zevende maand moet een heilige dag zijn. Dan moet gij u kastijden en moogt gij niet werken.
Num. 29,8 Als geurige gave die Jahwe behaagt moet gij dan een brandoffer aanbieden van een stier, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar - gave dieren
Num. 29,9 en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie: bij de stier een van drie issaron, bij de ram een van twee issaron
Num. 29,10 en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron;
Num. 29,11 verder een geitenbok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het zondeoffer voor de verzoening en het dagelijks brandoffer met het bijbehorende meeloffer en de bijbehorende plengoffers.
Num. 29,12 De vijftiende van de zevende maand moet een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken. Gij moet dan feest vieren ter ere van Jahwe, zeven dagen lang.
Num. 29,13 Als geurige gave die Jahwe behaagt moet bij een brand offer aanbieden van dertien stieren, twee rammen en veertien lammeren van nog geen jaar - gave dieren
Num. 29,14 en ook de bijbehorende meeloffers, aangemaakt met olie; bij elk van de dertien stieren een van drie issaron, bij elk van de rammen een van twee issaron
Num. 29,15 en bij elk van de veertien lammeren een van een issaron;
Num. 29,16 verder een geitenbok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer en het bijbehorend meel en plengoffer.
Num. 29,17 Op de tweede dag twaalf stieren, twee rammen en veer tien gave lammeren van nog geen jaar
Num. 29,18 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren;
Num. 29,19 verder een geitenbok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer en het meeloffer met de daarbij behorende plengoffers.
Num. 29,20 Op de derde dag elf stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar
Num. 29,21 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren;
Num. 29,22 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel - en plengoffer.
Num. 29,23 Op de vierde dag tien stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar
Num. 29,24 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren;
Num. 29,25 verder een geitenbok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel - en plengoffer.
Num. 29,26 Op de vijfde dag negen stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar
Num. 29,27 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren;
Num. 29,28 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel - en plengoffer.
Num. 29,29 Op de zesde dag acht stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar
Num. 29,30 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren;
Num. 29,31 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel - en plengoffer.
Num. 29,32 Op de zevende dag zeven stieren, twee rammen en veer tien gave lammeren van nog geen jaar,
Num. 29,33 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren;
Num. 29,34 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel - en plengoffer.
Num. 29,35 Op de achtste dag moet gij het slotfeest houden; dan moogt gij niet werken.
Num. 29,36 Als geurige gave die Jahwe behaagt moet gij een brand offer aanbieden van een stier, een ram en zeven gave lammeren van nog geen jaar
Num. 29,37 met het meeloffer en de plengoffers die volgens voor schrift horen bij de stier, de ram en de lammeren, naar hun aantal
Num. 29,38 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel - en plengoffer.
Num. 29,39 Deze offers moet gij op uw feesten aan Jahwe brengen naast de brandoffers, meeloffers, plengoffers en slachtoffers die gij krachtens gelofte of als vrijwillige gaven aanbiedt.

Num. 30,1 Mozes bracht aan de IsraŽlieten al de bevelen over die Jahwe gegeven had.
Num. 30,2 Mozes sprak tot de stamhoofden van de IsraŽlieten: Dit heeft Jahwe geboden.
Num. 30,3 Wanneer iemand aan Jahwe een gelofte doet of door een eed een verplichting op zich neemt, dan mag hij zijn woord niet schenden; hij moet alles volbrengen wat over zijn lippen is gekomen.
Num. 30,4 Wanneer een vrouw aan Jahwe een gelofte doet en zich een verplichting oplegt, terwijl zij als jong meisje nog in het huis van haar vader woont
Num. 30,5 en haar vader dan van haar gelofte en van de aangegane verplichting hoort en er niets over zegt, dan blijven haar geloften en de aangegane verplichting van kracht.
Num. 30,6 Maar wanneer haar vader er van hoort en bezwaar maakt, dan blijft geen enkele van haar geloften of aangegane verplichtingen van kracht. Jahwe scheldt ze haar kwijt, omdat haar vader bezwaar gemaakt heeft.
Num. 30,7 Is zij bij de huwelijkssluiting gebonden door geloften of door een verplichting die zij ondoordacht op zich heeft genomen
Num. 30,8 en zegt haar man er niets van wanneer hij het hoort, dan blijven de geloften en de aangegane verplichting van kracht.
Num. 30,9 Maakt haar man echter bezwaar wanneer hij het hoort, dan ontheft hij haar daardoor van de gelofte en van de verplichting die zij ondoordacht op zich heeft genomen.
Num. 30,10 De gelofte van een weduwe of van een verstoten vrouw, iedere verplichting die zij op zich genomen heeft, blijft van kracht.
Num. 30,11 Heeft een vrouw in het huis van haar man een gelofte gedaan of zich onder ede tot iets verplicht,
Num. 30,12 en zegt haar man er niets van wanneer hij het hoort, en maakt hij geen bezwaar, dan blijven haar gelofte en alle verplichtingen van kracht.
Num. 30,13 Verklaart haar man ze echter ongeldig wanneer hij ze hoort, dan blijft niets van kracht van alles wat over haar lippen gekomen is, noch de geloften noch de verplichtingen. Haar man heeft ze ongeldig verklaard en Jahwe scheldt ze haar kwijt.
Num. 30,14 Elke gelofte en elke verplichting tot onthouding die zij onder ede op zich neemt, kan door haar man ofwel erkend ofwel ongeldig verklaard worden.
Num. 30,15 Wanneer haar man er tot de volgende dag niets van gezegd heeft, dan heeft hij alle geloften en alle verplichtingen die zij zich heeft opgelegd, erkend. Hij heeft ze erkend door er niets van te zeggen toen hij het hoorde.
Num. 30,16 Verklaart hij ze later ongeldig, dan draagt hij de verantwoording.
Num. 30,17 Dat zijn de voorschriften die Jahwe aan Mozes gegeven heeft met betrekking tot een man en zijn vrouw en tot een vader en zijn dochter die nog als jong meisje in zijn huis woont.

Num. 31,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 31,2 `Wreek de IsraŽlieten op de Midjanieten. Daarna zult gij met uw voorvaderen verenigd worden.'
Num. 31,3 Toen sprak Mozes tot het volk: `Laat een deel van uw mannen zich uitrusten voor de strijd tegen Midjan om de wraak van Jahwe aan Midjan te voltrekken.
Num. 31,4 Van elke stam van IsraŽl moet gij duizend man in het veld brengen.'
Num. 31,5 Zo werden uit elke stam van IsraŽl duizend man gerekRut eerd, twaalfduizend weerbare mannen.
Num. 31,6 Toen liet Mozes hen uitrukken, duizend van elke stam, samen met Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, die de heilige voorwerpen en de signaaltrompetten bij zich droeg.
Num. 31,7 Zij trokken ten strijde tegen de Midjanieten zoals Jahwe aan Mozes had bevolen, en doodden alle mannen.
Num. 31,8 Bij de slachtoffers bevonden zich ook de koningen van Midjan: Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba, vijf koningen van Midjan: ook Bileam, zoon van Beor, doodden zij met het zwaard.
Num. 31,9 De vrouwen en kinderen van Midjan namen zij gevangen en zij maakten zich meester van al hun runderen en schapen en heel hun bezit.
Num. 31,10 De steden in hun gebied en al hun kampementen staken zij in brand.
Num. 31,11 Alle goederen en heel de buit aan mensen en dieren namen zij mee
Num. 31,12 en brachten de gevangenen en de buitgemaakte goederen bij Mozes, de priester Eleazar en de gemeenschap van de IsraŽlieten in het kamp, in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
Num. 31,13 Mozes, de priester Eleazar en alle leiders van de gemeenschap gingen hun buiten het kamp tegemoet.
Num. 31,14 Maar Mozes werd kwaad op de bevelhebbers, de aanvoerders van duizend en honderd, die van de krijgstocht terugkwamen.
Num. 31,15 Mozes vroeg hun: `Hebt u de vrouwen in leven gelaten?
Num. 31,16 Zij zijn het juist geweest die de IsraŽlieten te Peor tot ontrouw verleid hebben op raad van Bileam, zodat een plaag de gemeenschap van Jahwe trof.
Num. 31,17 Dood daarom alle jongens en ook alle vrouwen die met een man gemeenschap gehad hebben.
Num. 31,18 Maar de meisjes die nog geen gemeenschap met een man gehad hebben, kunt u in leven laten.
Num. 31,19 Zeven dagen lang moet u buiten het kamp blijven en ieder die iemand gedood heeft of een gesneuvelde aangeraakt, moet zich op de derde en de zevende dag reinigen; dat geldt voor uzelf en voor de krijgsgevangenen.
Num. 31,20 Ook alle kleren, alle voorwerpen, alwat uit geitenhaar is vervaardigd en alle voorwerpen van hout moet u reinigen.'
Num. 31,21 De priester Eleazar zei tot de mannen die aan de strijd hadden deelgenomen: Dit schrijft de wet voor, die Jahwe aan Mozes heeft gegeven:
Num. 31,22 Goud en zilver, brons, ijzer, tin en lood,
Num. 31,23 alles wat tegen het vuur bestand is, moet gij door het vuur halen. Dan is het na zuivering met reinigingswater weer rein. Maar alles wat niet tegen het vuur bestand is, moet gij door het water halen.
Num. 31,24 Op de zevende dag moet gij uw kleren wassen, dan zijt gij weer rein en moogt gij weer in het kamp komen.'
Num. 31,25 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 31,26 `Met de priester Eleazar en de familiehoofden van de gemeenschap moet gij tellen wat er aan mensen en dieren is buitgemaakt
Num. 31,27 en daarvan moet gij de ene helft geven aan de mannen die aan de strijd hebben deelgenomen, de andere helft aan de rest van de gemeenschap.
Num. 31,28 Leg de mannen die aan de strijd hebben deelgenomen, een schatting voor Jahwe op van een op de vijfhonderd van de mensen, de runderen, de ezels en de schapen.
Num. 31,29 Gij moet dat van hun aandeel afhouden en als schatting voor Jahwe aan de priester Eleazar geven.
Num. 31,30 Van het aandeel van de overige IsraŽlieten moet ge zowel van de mensen als van de runderen, de ezels en de schapen, van alle dieren, een op de vijftig afhouden en die aan de levieten geven die dienst doen bij de woning van Jahwe.'
Num. 31,31 Mozes en de priester Eleazar deden wat Jahwe aan Mozes had bevolen.
Num. 31,32 Afgezien van de goederen die het krijgsvolk bemachtigd had, bedroeg de buit zeshonderdvijfenzeventigduizend schapen,
Num. 31,33 tweeŽnzeventigduizend runderen,
Num. 31,34 eenenzestigduizend ezels,
Num. 31,35 tweeŽndertigduizend mensen, vrouwen die nog geen gemeenschap met een man gehad hadden.
Num. 31,36 De helft, het aandeel van degenen die aan de strijd hadden deelgenomen bedroeg dus driehonderdzevenendertigduizend vijfhonderd schapen
Num. 31,37 waarvan zeshonderdvijfenzeventig als schatting voor Jahwe;
Num. 31,38 zesendertigduizend runderen waarvan tweeŽnzeventig als schatting voor Jahwe;
Num. 31,39 dertigduizendvijfhonderd ezels waarvan eenenzestig als schatting voor Jahwe;
Num. 31,40 zestienduizend mensen, waarvan tweeŽndertig als schatting voor Jahwe.
Num. 31,41 Mozes gaf deze schatting, het deel van Jahwe, aan de priester Eleazar, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had.
Num. 31,42 De andere helft die Mozes bestemd had voor de IsraŽlieten die niet ten strijde waren getrokken
Num. 31,43 bedroeg eveneens driehonderdzevenendertigduizendvijfhonderd schapen,
Num. 31,44 zesendertigduizend runderen,
Num. 31,45 dertigduizendvijfhonderd ezels
Num. 31,46 en zestienduizend mensen.
Num. 31,47 Van de helft voor de IsraŽlieten hield Mozes een op de vijftig af, zowel van mensen als van dieren, en gaf die - zoals Jahwe aan Mozes had bevolen - aan de levieten die dienst doen bij de woning van Jahwe.
Num. 31,48 Toen traden de bevelhebbers, de aanvoerders van duizend en honderd, op Mozes toe
Num. 31,49 en zeiden: `Uw dienaren hebben een telling gehouden van de mannen die onder ons bevel stonden en niet een van hen wordt vermist.
Num. 31,50 Daarom bieden wij de gouden voorwerpen die ieder van ons heeft buitgemaakt, armbanden, gespen, vingerringen, oorringen en halssieraden als gave aan Jahwe aan om bij Jahwe verzoening voor ons te bewerken.'
Num. 31,51 Mozes en de priester Eleazar namen de gouden voorwerpen in ontvangst.
Num. 31,52 Het goud dat de aanvoerders van de duizend en honderd als gave aan Jahwe aanboden, woog in totaal zestienduizendzevenhonderdvijftig sikkel.
Num. 31,53 Het krijgsvolk had ook op eigen gelegenheid geplunderd.
Num. 31,54 Mozes en de priester Eleazar namen van de aanvoerders van duizend en honderd het goud in ontvangst en brachten het naar de tent van de samenkomst, als een herinnering aan de IsraŽlieten bij Jahwe.

Num. 32,1 De Rubenieten en de Gadieten bezaten grote kudden vee. Toen de Gadieten en Rubenieten zagen dat het gebied van Jazer en Gilead een goede streek voor het vee was,
Num. 32,2 gingen zij naar Mozes, de priester Eleazar en de leiders van de gemeenschap en zeiden:
Num. 32,3 `Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesbon, Elale, Sebam, Nebo en Beon,
Num. 32,4 het land dat Jahwe voor de ogen van de gemeenschap van IsraŽl heeft veroverd, is een goed land voor het vee en uw dienaren bezitten vee.
Num. 32,5 Bewijs ons uw gunst, zeiden zij, en geef uw dienaren dit land in bezit en laat ons niet over de Jordaan trekken.'
Num. 32,6 Maar Mozes zei tot de Gadieten en Rubenieten: `Wat! Uw broeders ten strijde trekken en u hier blijven!
Num. 32,7 Wilt u de IsraŽlieten de moed ontnemen om over te steken naar het land dat Jahwe hun geschonken heeft?
Num. 32,8 Dat hebben ook jullie vaderen gedaan, toen ik hen van Kades-barnea uitzond om het land te verkennen.
Num. 32,9 Zij zijn tot het dal Eskol doorgedrongen en hebben het land verkend, maar toen hebben zij de IsraŽlieten de moed ontnomen om het land binnen te trekken, dat Jahwe hun geschonken had.
Num. 32,10 Daarom is Jahwe toen in toorn ontstoken en heeft gezworen:
Num. 32,11 Nooit zullen de mannen van twintig jaar en ouder die uit Egypte zijn getrokken, het land zien, dat Ik aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob onder ede beloofd heb, omdat zij niet volledig trouw zijn geweest,
Num. 32,12 met uitzondering van de Kenizziet Kaleb, de zoon van Jefunne en Jozua, de zoon van Nun, want zij zijn Jahwe volledig trouw geweest.
Num. 32,13 Zo ontstak Jahwe in toorn tegen IsraŽl en liet hen veertig jaar lang rondzwerven in de woestijn tot heel het ge slacht dat zich tegen Jahwe misdragen had, verdwenen was.
Num. 32,14 En nu komt u als een nieuw geslacht van zondaars de plaats van jullie vaders innemen om Jahwe's heftige toorn tegen IsraŽl nog aan te wakkeren!
Num. 32,15 Als u zich van Hem afwendt, zodat Hij dit volk nog langer in de woestijn laat, dan bent u de schuld van zijn onder gang.'
Num. 32,16 Weer kwamen zij naar hem toe en zeiden: `Wij willen hier schaapskooien bouwen voor onze kudden en steden voor onze kinderen,
Num. 32,17 maar zelf zullen wij gewapend uittrekken, aan de spits van de IsraŽlieten, tot wij hen op de plaats van hun bestemming gebracht hebben. Intussen kunnen onze kinderen, veilig voor de bewoners van het land, in die versterkte steden wonen.
Num. 32,18 Wij zullen niet naar huis teruggaan, voordat ieder van de IsraŽlieten zijn deel heeft ontvangen.
Num. 32,19 Wij willen helemaal geen bezit hebben bij hen aan de overkant van de Jordaan in het land dat verderop ligt, wanneer wij het krijgen aan deze kant van de Jordaan, de oostkant.'
Num. 32,20 Toen zei Mozes tot hen: `Als u dat doet en voor Jahwe uit gewapend ten strijde trekt
Num. 32,21 en voor Jahwe uit gewapend de Jordaan oversteekt en niet terugkeert voordat Jahwe zijn vijanden verdreven heeft
Num. 32,22 en het land aan Hem onderworpen is, dan gaat u vrij uit voor Jahwe en voor IsraŽl en dan zal deze streek ten overstaan van Jahwe uw eigendom zijn.
Num. 32,23 Doet u dat niet, dan zondigt u tegen Jahwe; en weet, dat de straf van uw zonde u zal vinden.
Num. 32,24 Bouw dus steden voor uw kinderen en kooien voor uw schapen, maar volbreng wat u beloofd hebt.'
Num. 32,25 Toen spraken de Gadieten en de Rubenieten tot Mozes: `Uw dienaren zullen alles doen wat mijn heer beveelt.
Num. 32,26 Onze kinderen en onze vrouwen, onze kudden en al onze runderen zullen in de steden van Gilead blijven,
Num. 32,27 maar uw dienaren zullen allen gewapend voor Jahwe uit oversteken om te vechten, zoals mijn heer beveelt.'
Num. 32,28 Daarop gaf Mozes zijn orders over hen aan de priester Eleazar, aan Jozua, zoon van Nun, en aan de familiehoofden van de stammen van de IsraŽlieten.
Num. 32,29 Hij zei tot hen: `Als alle Gadieten en Rubenieten voor Jahwe uit gewapend met u de Jordaan oversteken, dan moet u wanneer het land aan u onderworpen is, Gilead aan hen in eigendom geven.
Num. 32,30 Maar als zij niet gewapend met u oversteken, dan krijgen zij hun eigendom bij u in Kanašn.'
Num. 32,31 De Gadieten en de Rubenieten antwoordden: `Wat Jahwe uw dienaren bevolen heeft, zullen wij doen.
Num. 32,32 Wij zullen voor Jahwe uit gewapend naar Kanašn overste ken, maar dan moeten wij aan deze zijde van de Jordaan grond in bezit krijgen.'
Num. 32,33 Toen gaf Mozes aan de Gadieten, aan de Rubenieten en aan de helft van de stam Manasse, de zoon van Jozef, het rijk van Sichon, de koning van de Amorieten, en het rijk van Og, de koning van Basan, het land met de steden binnen de grenzen en met de steden die er rondom liggen.
Num. 32,34 De Gadieten herbouwden de versterkte steden Dibon, Atarot, Aroer,
Num. 32,35 Atrot-sofan, Jazer, Jogbeha,
Num. 32,36 Bet-nimra, Bet-haran, en zij herstelden de schaapskooi en.
Num. 32,37 De Rubenieten herbouwden Chesbon, Elale, Kirjataim,
Num. 32,38 Nebo, Bašl-maon - met verandering van naam - en Sibma. Aan de steden die zij gebouwd hadden, gaven zij namen.
Num. 32,39 De zonen van Makir, de zoon van Manasse, trokken naar Gilead, veroverden het en verdreven de Amorieten die daar woon den.
Num. 32,40 Mozes gaf Gilead aan Makir, de zoon van Manasse, die zich daar vestigde.
Num. 32,41 Ook Jair, de zoon van Manasse, trok er op uit, verover de hun dorpen en noemde ze dorpen van Jair.
Num. 32,42 Ook Nobach trok er op uit, veroverde Kenat met de onderhorige plaatsen en gaf het zijn eigen naam Nobach.

Num. 33,1 Dit zijn de etappes waarin de IsraŽlieten die onder leiding van Mozes en Ašron in groepen uit Egypte zijn getrokken.
Num. 33,2 Op bevel van Jahwe heeft Mozes de vertrekplaatsen van de etappes opgeschreven. En dit zijn de etappes met de plaatsen van vertrek.
Num. 33,3 Zij vertrokken van Raamses op de vijftiende dag van de eerste maand. Daags na pasen trokken de IsraŽlieten onder Jahwe's machtige bescherming voor de ogen van de Egyptenaren weg,
Num. 33,4 terwijl deze bezig waren de eerstgeborenen die Jahwe bij hen gedood had, te begraven. Ook aan hun goden had Jahwe zijn vonnis voltrokken.
Num. 33,5 De IsraŽlieten vertrokken dus van Raamses en sloegen hun kamp op te Sukkot.
Num. 33,6 Van Sukkot vertrokken zij en sloegen hun kamp op te Etam aan de rand van de woestijn.
Num. 33,7 Zij vertrokken van Etam in de richting van Pi-hachirot, dat dicht bij Bašl-sefon ligt, en sloegen hun kamp op voor Migdol.
Num. 33,8 Zij vertrokken van Pi-hachirot, gingen door de zee heen de woestijn in, trokken drie dagreizen de woestijn van Etam in en sloegen hun kamp op te Mara.
Num. 33,9 Zij vertrokken van Mara en kwamen in Elim. In Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmen. Daar sloegen zij hun kamp op.
Num. 33,10 Zij vertrokken van Elim en sloegen hun kamp op aan de Rietzee.
Num. 33,11 Zij vertrokken van de Rietzee en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin.
Num. 33,12 Zij vertrokken van de woestijn Sin en sloegen hun kamp op te Dofka.
Num. 33,13 Zij vertrokken van Dofka en sloegen hun kamp op te Alus.
Num. 33,14 Zij vertrokken van Alus en sloegen hun kamp op te Refidim. Daar had het volk geen water om te drinken.
Num. 33,15 Zij vertrokken van Refidim en sloegen hun kamp op in de woestijn van de SinaÔ.
Num. 33,16 Zij vertrokken van de woestijn van de SinaÔ en sloegen hun kamp op te Kibrot-hattaawa.
Num. 33,17 Zij vertrokken van Kibrot-hattaawa en sloegen hun kamp op te Chaserot.
Num. 33,18 Zij vertrokken van Chaserot en sloegen hun kamp o te Ritma.
Num. 33,19 Zij vertrokken van Ritma en sloegen hun kamp op te Rimmon-peres.
Num. 33,20 Zij vertrokken van Rimmon-peres en sloegen hun kamp op te Libna.
Num. 33,21 Zij vertrokken van Libna en sloegen hun kamp op te Rissa.
Num. 33,22 Zij vertrokken van Rissa en sloegen hun kamp op te Keheleta.
Num. 33,23 Zij vertrokken van Keheleta en sloegen hun kamp op bij de berg Sefer.
Num. 33,24 Zij vertrokken van de berg Sefer en sloegen hun kamp op te Charada.
Num. 33,25 Zij vertrokken van Charada en sloegen hun kamp op te Makhelot.
Num. 33,26 Zij vertrokken van Makhelot en sloegen hun kamp op te Tachat.
Num. 33,27 Zij vertrokken van Tachat en sloegen hun kamp op te Terach.
Num. 33,28 Zij vertrokken van Terach en sloegen hun kamp op te Mitka.
Num. 33,29 Zij vertrokken van Mitka en sloegen hun kamp op te Chasmona.
Num. 33,30 Zij vertrokken van Chasmona En zij sloegen hun kamp op te Moserot.
Num. 33,31 Zij vertrokken van Moserot en sloegen hun kamp op te Bene-jaakan.
Num. 33,32 Zij vertrokken van Bene-jaakan en sloegen hun kamp op te Chor-haggidgad.
Num. 33,33 Zij vertrokken van Chor-haggidgad en sloegen hun kamp op te Jotbata.
Num. 33,34 Zij vertrokken van Jotbata en sloegen hun kamp op te Abrona.
Num. 33,35 Zij vertrokken van Abrona en sloegen hun kamp op te Esjon-geber.
Num. 33,36 Zij vertrokken van Esjon-geber. En zij sloegen hun kamp op in de woestijn Sin, in Kades.
Num. 33,37 Zij vertrokken van Kades en sloegen hun kamp op bij de berg Hor aan de grens van Edom.
Num. 33,38 Op bevel van Jahwe besteeg toen de priester Ašron de berg Hor en stierf daar in het veertigste jaar na de uittocht van de IsraŽlieten uit Egypte, op de eerste dag van de vijfde maand.
Num. 33,39 Ašron was honderddrieŽntwintig jaar, toen hij op de berg Hor stierf.
Num. 33,40 De Kanašnieten in de Negeb in Kanašn, met name de koning van Arad, hoorden van de komst van de IsraŽlieten.
Num. 33,41 Zij vertrokken van de berg Hor En zij sloegen hun kamp op te Salmona.
Num. 33,42 Zij vertrokken van Salmona en sloegen hun kamp op te Punon.
Num. 33,43 Zij vertrokken van Punon en sloegen hun kamp op te Obot.
Num. 33,44 Zij vertrokken van Obot en sloegen hun kamp op te Ijje-haabarim aan de grens van Moab.
Num. 33,45 Zij vertrokken van Ijje-haabarim en sloegen hun kamp o te Dibon - Gad.
Num. 33,46 Zij vertrokken van Dibon-gad en sloegen hun kamp op te Almon-diblataim.
Num. 33,47 Zij vertrokken van Almon-diblataim en sloegen hun kamp op in het Abarimgebergte vlak bij Nebo.
Num. 33,48 Zij vertrokken van het Abarimgebergte en sloegen hun Kamp op in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
Num. 33,49 Zij sloegen hun kamp op langs de Jordaan van Bet-hajjesimot tot aan Abel - Hassittim in de vlakte van Moab.
Num. 33,50 Jahwe sprak tot Mozes in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
Num. 33,51 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer gij de Jordaan over steekt naar Kanašn,
Num. 33,52 moet gij alle bewoners uit het land verdrijven. Al hun stenen beelden, en al hun metalen beelden moet gij vernietigen en al hun offerhoogten verwoesten.
Num. 33,53 Dan zult gij het land in bezit nemen om er te wonen, want Ik geef het u in bezit.
Num. 33,54 Gij moet het land door loting onder uw geslachten verdelen. Aan een groot geslacht moet gij een groot stuk grond, aan een klein geslacht een klein stuk toewijzen. Volgens de aanwijzing van het lot krijgt ieder zijn deel. De verdeling moet geschieden naar de stammen van uw vaderen.
Num. 33,55 Wanneer gij echter de bewoners niet uit het land ver drijft, dan zullen degenen die gij overlaat, dorens in uw ogen en stekels in uw zijden worden. In het land waar gij gaat wonen, zullen zij u onderdrukken.
Num. 33,56 Dan zal Ik met u doen, wat Ik hun had toegedacht.

Num. 34,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 34,2 Geef de IsraŽlieten deze aanwijzing: Wanneer gij in Kanašn komt, dan zullen de grenzen van dat land de grenzen van uw bezit zijn.
Num. 34,3 De zuidgrens loopt van de woestijn Sin langs de grens van Edom. Deze grens begint in het oosten bij de uiterste punt van de Zoutzee,
Num. 34,4 gaat in een bocht zuidelijk om de pas van Akrabbim, loopt door naar Sin en komt uit ten zuiden van Kades-barnea; zij gaat dan verder naar Chasar-addar en loopt door tot Asmon.
Num. 34,5 Van Asmon buigt de grens om naar de beek van Egypte en loopt uit op de zee.
Num. 34,6 De westgrens wordt gevormd door de Grote Zee; dat is dus de westgrens.
Num. 34,7 De noordgrens loopt als volgt: vanaf de Grote Zee moet gij een lijn trekken naar de berg Hor
Num. 34,8 en van de berg Hor tot de weg naar Hamat. De grens komt uit bij Sedad,
Num. 34,9 gaat vandaar naar Zifron en eindigt bij Chasar-enan. Dat is de noordgrens.
Num. 34,10 Voor de oostgrens moet gij een lijn trekken van Chasar-enan naar Sefam.
Num. 34,11 Van Sefam daalt de grens naar Ribla ten oosten van Ain, loopt vlak langs de bergketen ten oosten van het meer Kinneret
Num. 34,12 en daalt dan naar de Jordaan om te eindigen met de Zoutzee. Dat zijn de grenzen van uw land.
Num. 34,13 Mozes gaf de IsraŽlieten de volgende aanwijzing: Dat is het land dat gij door het lot moet verdelen en dat volgens bevel van Jahwe aan de negen en een halve stam moet gegeven worden.
Num. 34,14 Want de families van de stam der Rubenieten en van de stam der Gadieten hebben hun deel al ontvangen; ook de helft van de stam Manasse heeft zijn deel al ontvangen.
Num. 34,15 Deze hebben samen hun deel gekregen aan de oostkant van de Jordaan bij Jericho, in het oosten waar de zon opgaat.
Num. 34,16 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 34,17 Dit zijn de namen van degenen die voor u het land moeten verdelen: de priester Eleazar en Jozua, zoon van Nun.
Num. 34,18 Bovendien moet gij voor het verdelen van het land in elke stam een leider aanwijzen.
Num. 34,19 Hier volgen hun namen: voor de stam Juda Kaleb, zoon van Jefunne;
Num. 34,20 voor de stam van de Simeonieten SemuŽl, zoon van Ammihud;
Num. 34,21 voor de stam van de Benjaminieten Elidad, zoon van Kislon;
Num. 34,22 als leider van de stam van de Danieten Bukki, zoon van Jogli;
Num. 34,23 voor de Jozefieten, als leider van de stam van de Manassieten ChanniŽl, zoon van Efod,
Num. 34,24 en als leider van de stam van de Efraimieten KemuŽl, zoon van Siftam;
Num. 34,25 als leider van de stam van de Zebulonieten Elisafan, zoon van Parnak;
Num. 34,26 als leider van de stam van de Issakarieten PaltiŽl, zoon van Azzan;
Num. 34,27 als leider van de stam van de Aserieten Achiud, zoon van Selomi;
Num. 34,28 als leider van de stam van de Naftalieten PedaŽl, zoon van Ammihud.
Num. 34,29 Dat zijn degenen aan wie Jahwe de opdracht gaf Kanašn onder de IsraŽlieten te verdelen.

Num. 35,1 Jahwe sprak tot Mozes in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho:
Num. 35,2 Beveel de IsraŽlieten van hun eigen bezit steden af te staan aan de levieten, waar zij kunnen wonen, met weidegrond er omheen.
Num. 35,3 In de steden kunnen zij wonen; de weidegronden zijn voor de runderen die zij bezitten en voor al hun overige dieren.
Num. 35,4 De weidegronden van de steden die gij aan de levieten moet afstaan, moeten zich van de stadsmuur af duizend el in het rond uitstrekken.
Num. 35,5 Gij moet van de rand van de stad af aan de oostkant tweeduizend el afmeten, aan de zuidkant tweeduizend el, aan de westkant tweeduizend el en aan de noordkant tweeduizend el, met de stad in het midden. Dat zullen de weidegronden bij hun steden zijn.
Num. 35,6 De steden die gij aan de levieten moet afstaan, zijn de zes vrijsteden die gij als wijkplaats moet aanwijzen voor iemand die doodslag gepleegd heeft, en bovendien nog tweeŽnveertig andere steden.
Num. 35,7 In het geheel moet gij dus achtenveertig steden met de weidegronden aan de levieten afstaan.
Num. 35,8 Van de IsraŽlieten die veel bezitten, moet gij meer steden nemen en van hen die weinig bezitten minder, dus naar de omvang van het bezit dat ieder gekregen heeft.
Num. 35,9 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 35,10 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer gij over de Jordaan naar Kanašn trekt,
Num. 35,11 moet gij enkele steden als vrijsteden aanwijzen. Daar heen kan iemand die een ander zonder opzet heeft gedood, de wijk nemen.
Num. 35,12 Die steden zullen dienen als wijkplaats tegen de bloed wreker, om te voorkomen dat iemand die doodslag heeft begaan, de dood vindt alvorens hij voor de gemeenschap terecht heeft ge staan.
Num. 35,13 Zes steden moet gij als vrijsteden aanwijzen:
Num. 35,14 drie aan de overzijde van de Jordaan en drie in Kanašn. Het zullen vrijsteden zijn.
Num. 35,15 Zowel voor de IsraŽlieten als voor de vreemdelingen en buitenlanders bij u zullen die zes steden tot wijkplaats dienen, waarheen ieder de wijk kan nemen, die iemand zonder opzet heeft gedood.
Num. 35,16 Heeft iemand een ander met een ijzeren voorwerp geslagen en is deze daaraan gestorven, dan is hij een moordenaar; de moordenaar moet ter dood gebracht worden.
Num. 35,17 Heeft hij met een steen in de hand iemand zo geslagen dat deze er aan sterven kon en er inderdaad aan gestorven is, dan is hij een moordenaar en moet hij ter dood gebracht worden.
Num. 35,18 Heeft hij met een houten voorwerp in de hand iemand zo geslagen, dat deze er aan sterven kon en er inderdaad aan gestorven is, dan is hij een moordenaar en moet hij ter dood gebracht worden.
Num. 35,19 De bloedwreker zelf moet de moordenaar doden. Zodra hij hem aantreft, kan hij hem doden.
Num. 35,20 Stoot iemand een ander uit haat of gooit hij naar hem met voorbedachten rade met het gevolg dat de ander sterft,
Num. 35,21 of slaat hij hem uit vijandschap zo met de vuist dat de ander sterft, dan moet degene die geslagen heeft, ter dood gebracht worden, want hij is een moordenaar. De bloedwreker kan de moordenaar doden, zodra hij hem aantreft.
Num. 35,22 Maar heeft iemand een ander onopzettelijk, zonder dat er van vijandschap sprake kon zijn, neergestoten of zonder voorbedachten rade een of ander voorwerp naar hem gegooid,
Num. 35,23 of heeft iemand zonder het te merken een steen die de dood kon veroorzaken op hem laten vallen, terwijl er van vijand schap geen sprake was en hij hem geen kwaad wilde, en sterft de ander daaraan,
Num. 35,24 dan moet de gemeenschap uitspraak doen tussen hem die de dood heeft veroorzaakt, en de bloedwreker. Daarbij gelden de volgende regels.
Num. 35,25 De gemeenschap moet hem die de dood heeft veroorzaakt, uit de hand van de bloedwreker redden en hem weer naar de vrije stad brengen waarheen hij de wijk had genomen. Hij moet daar blijven tot de dood van de hogepriester die met heilige olie gezalfd is.
Num. 35,26 Indien hij die de dood veroorzaakt heeft, het grondgebied van de vrijstad waarheen hij gevlucht is, verlaat
Num. 35,27 en de bloedwreker hem vindt buiten het gebied van de vrijstad en hem neerslaat, dan rust er op de bloedwreker geen schuld.
Num. 35,28 De ander had tot de dood van de hogepriester in de vrijstad moeten blijven. Maar na de dood van de hogepriester kan hij terugkeren naar de grond die hij bezit.
Num. 35,29 Dat zijn de wettelijke voorschriften die gelden voor u en voor alle toekomstige geslachten, waar gij ook woont.
Num. 35,30 Heeft iemand een mens doodgeslagen, dan brengt men, op verklaring van getuigen, de moordenaar ter dood; een getuige volstaat echter niet om over iemand het doodvonnis uit te spreken.
Num. 35,31 Gij moogt geen losprijs aannemen voor het leven van een moordenaar die de dood verdiend heeft; hij moet ter dood gebracht worden.
Num. 35,32 Ook moogt gij geen losprijs aannemen voor iemand die naar een vrijstad moest uitwijken wanneer die voor de dood van de hogepriester weer op zijn grond wil gaan wonen.
Num. 35,33 Gij moogt het land waarin gij woont, niet ontwijden. Bloed ontwijdt het land en wanneer er bloed vergoten is wordt voor het land geen verzoening bewerkt, tenzij door het bloed van hem die het vergoten heeft.
Num. 35,34 Bezoedel dus het land niet waar gij woont en waar ook Ik verblijf, want Ik, Jahwe, verblijf te midden van de IsraŽlieten.

Num. 36,1 De familiehoofden van het geslacht van de zonen van Gilead, zoon van Makir, de zoon van Manasse, een van de geslachten van de Jozefieten, kwamen naar Mozes en naar de leiders, de familiehoofden van de IsraŽlieten. Zij namen het woord
Num. 36,2 en zeiden: `Jahwe heeft mijn heer bevolen door loting het land toe te wijzen aan de IsraŽlieten en aan mijn heer is door Jahwe bevolen het bezit van onze broeder Selofchad aan zijn dochters te geven.
Num. 36,3 Indien zij huwen met mannen uit andere IsraŽlitische stammen, dan wordt dat bezit afgenomen van het bezit van onze vaderen en gevoegd bij het bezit van de stam waartoe zij gaan behoren; het wordt afgenomen van het bezit dat ons door het lot is toegewezen.
Num. 36,4 Wanneer de IsraŽlieten het jubeljaar vieren, zou haar bezit voorgoed gevoegd worden bij het bezit van de stam waartoe zij behoren en zou haar bezit voorgoed worden afgenomen van het bezit van de stam van onze vaderen.'
Num. 36,5 Toen gaf Mozes in opdracht van Jahwe aan de IsraŽlieten het volgende bevel: `Wat de stam van de Jozefieten zegt, is juist.
Num. 36,6 Daarom schrijft Jahwe met betrekking tot de dochters van Selofchad het volgende voor: Zij kunnen huwen met wie zij willen, als het maar met iemand is uit een geslacht van haar eigen stam.
Num. 36,7 Het erfbezit mag namelijk niet van de ene stam op de andere overgaan. De IsraŽlieten moeten het bezit van de stam van hun vaderen behouden.
Num. 36,8 Ieder meisje, dat onder de stammen van de IsraŽlieten bezit verwerft, moet huwen met iemand uit een geslacht van haar eigen stam, zodat alle IsraŽlieten het bezit van hun vader behouden.
Num. 36,9 Het mag niet van de ene stam op de andere overgaan, maar de stammen van de IsraŽlieten moeten elk hun eigen bezit behouden.'
Num. 36,10 De dochters van Selofchad deden wat Jahwe aan Mozes bevolen had.
Num. 36,11 Machla, Tirsa, Chogla, Milka en Noa, de dochters van Selofchad, huwden met de zonen van haar ooms.
Num. 36,12 Zij huwden in de geslachten van de zonen van Manasse, de zoon van Jozef, zodat haar bezit bleef bij de stam waartoe het geslacht van haar vader behoorde.
Num. 36,13 Dat zijn de bevelen en voorschriften die Jahwe door Mozes aan de IsraŽlieten heeft gegeven in de vlakte van Moab, aan de Jordaan bij Jericho.

<< Leviticus Index Oude Testament Deuteronomium >>