Start
Omhoog

Rechters

 

<< Jozua Index Oude Testament Ruth >>

 

Rechters

Re. 1,1 Na de dood van Jozua wendden de IsraŽlieten zich tot Jahwe met de vraag `Wie van ons moet het eerst tegen de Kanašnieten ten strijde trekken?'
Re. 1,2 Jahwe antwoordde: `Juda! Aan hem heb Ik het land overgeleverd.'
Re. 1,3 Toen zei Juda tot zijn broer Simeon: `Trek mee naar het gebied dat mij is toegewezen om met mij tegen de Kanašnieten te vechten. Dan ga ik later met u mee naar het gebied dat u is toegewezen.' Simeon ging met hem mee.
Re. 1,4 Toen de JudeeŽrs optrokken tegen de Kanašnieten en Perizzieten, leverde Jahwe die aan hen over; in Bezek doodden zij tienduizend man.
Re. 1,5 In Bezek vonden zij Adonibezek; zij vielen hem aan en brachten de Kanašnieten en Perizzieten een nederlaag toe.
Re. 1,6 Adonibezek ging op de vlucht, maar zij achtervolgden hem, namen hem gevangen en hakten hem zijn duimen en zijn grote tenen af.
Re. 1,7 Toen zei Adonibezek: `Zeventig koningen, wier duimen en grote tenen ik had afgehakt, raapten op wat er van mijn tafel viel; zoals ik met anderen gedaan heb zo doet God met mij.' Zij brachten hem naar Jeruzalem en daar stierf hij.
Re. 1,8 De JudeeŽrs vielen Jeruzalem aan; toen zij de stad ingenomen hadden, joegen zij haar over de kling en staken de stad in brand.
Re. 1,9 Daarna trokken de JudeeŽrs verder en bonden de strijd aan met de Kanašnieten in het bergland, in de Negeb en in het laag land.
Re. 1,10 Zo rukte Juda op tegen de Kanašnieten in Hebron, dat vroeger Kirjat-arba heette. en versloeg Sesai, Achiman en Talmai.
Re. 1,11 Vandaar trok hij op tegen de inwoners van Debir, dat vroeger Kirjat-sefer heette.
Re. 1,12 Kaleb beloofde: `Wie Kirjat-sefer verslaat en verovert, hem geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw.'
Re. 1,13 OtniŽl, een Kenizziet, een jongere broer van Kaleb, veroverde de stad en Kaleb gaf hem zijn dochter Aksa tot vrouw.
Re. 1,14 Toen zij bij hem aankwam, wist OtniŽl haar te bewegen van haar vader een stuk grond te vragen. Zij liet zich van de ezel glijden en Kaleb vroeg: `Wat is er?'
Re. 1,15 Zij antwoordde: `Geef mij een geschenk! Als u mij een dor land geeft, geef mij dan ook waterbronnen!' Toen gaf Kaleb haar hoog - en laaggelegen bronnen.
Re. 1,16 Samen met de JudeeŽrs trokken de zonen van Mozes' schoonvader, een Keniet, vanuit de Palmenstad naar de woestijn van Juda, in de Negeb bij Arad; daar vestigden zij zich bij de Amalekieten.
Re. 1,17 Juda trok met zijn broeder Simeon tegen Sefat op en zij doodden de Kanašnieten die daar woonden en sloegen de stad met de ban; daarom kreeg die stad de naam Chorma.
Re. 1,18 Maar Gaza, Askelon en Ekron met bijbehorende gebieden, heeft Juda niet kunnen innemen.
Re. 1,19 Juda heeft de bewoners van het bergland verdreven omdat Jahwe met hem was, maar de bewoners van de vlakte heeft hij niet kunnen verdrijven: die hadden ijzeren wagens.
Re. 1,20 Overeenkomstig de beschikking van Mozes werd Hebron aan Kaleb gegeven; deze zette de drie zonen van Enak de stad uit.
Re. 1,21 De Benjaminieten hebben de Jebusieten niet uit Jeruzalem kunnen verdrijven, zodat de Jebusieten nog in Jeruzalem met de Benjaminieten wonen, tot op de huidige dag.
Re. 1,22 Op zijn beurt rukte het huis van Jozef uit; zij trokken op tegen Betel en Jahwe wat met hen.
Re. 1,23 Het huis van Jozef ondernam een verkenningstocht naar Betel, dat vroeger Luz heette.
Re. 1,24 De verkenners zagen een man uit de stad komen en zeiden tegen hem: `Als u ons wijst hoe wij in de stad kunnen komen, dan zullen wij u sparen.'
Re. 1,25 Hij wees hun hoe ze de stad binnen konden komen. Daarop namen zij de stad in en joegen haar over de kling, maar die man met heel zijn familie lieten zij gaan.
Re. 1,26 Hij trok naar het gebied van de Hethieten, bouwde daar een stad en noemde die Luz; zo heet ze tot op de huidige dag.
Re. 1,27 Manasse heeft de volgende steden niet kunnen onderwerpen: Bet-san met de onderhorige steden, Taanak met de onderhorige steden, de inwoners van Dor met de onderhorige steden, de inwoners van Jibleam met de onderhorige steden en die van Megiddo met de onderhorige steden. De Kanašnieten hebben zich dus in dat gebied gehandhaafd.
Re. 1,28 Toen IsraŽl later machtiger werd, werden de Kanašnieten wel tot herendienst verplicht, maar niet verdreven.
Re. 1,29 Efraim heeft de Kanašnieten niet uit Gezer kunnen verdrijven, zodat dezen tussen de Efraimieten in het gebied van Gezer bleven wonen.
Re. 1,30 Zebulon heeft de inwoners van Kitron en van Nahalol niet kunnen verdrijven; de Kanašnieten bleven er wonen, maar werden tot herendienst verplicht.
Re. 1,31 Aser heeft de inwoners van Akko, Sidon, Achlab, Akzib, Chelba, Afek en Rechob niet kunnen verdrijven,
Re. 1,32 zodat de Aserieten zich gevestigd hebben bij de Kanašnieten die daar woonden want zij hebben hen niet verdreven.
Re. 1,33 Naftali heeft de inwoners van Bet-semes en Bet-anat niet kunnen verdrijven, zodat zij zich gevestigd hebben tussen de Kanašnieten die daar woonden; de bewoners van het land, de inwoners van Bet-semes en Bet-anat, werden wel tot herendienst verplicht.
Re. 1,34 De Amorieten drongen de Danieten het gebergte in en gaven hun geen kans naar de vlakte af te dalen.
Re. 1,35 De Amorieten hebben zich ook kunnen handhaven in Har-cheres. Ajjalon en Saalbim, maar toen het huis van Jozef de overhand kreeg, werden zij tot herendienst verplicht.
Re. 1,36 Het gebied van Edom strekte zich uit van de Schorpioenenpas tot Sela en verderop.

Re 2,1 De engel van Jahwe begaf zich van Gilgal naar Bokim en sprak `Ik heb u uit Egypte geleid en u gebracht naar het land dat Ik aan uw vaderen onder ede beloofd had, met de woorden: Nooit zal Ik mijn verbond met u verbreken.
Re 2,2 Maar dan moogt gij mij ook geen verbond sluiten met de bewoners van dat land en moet gij hun altaren omver halen. Gij hebt echter niet naar mijn stem geluisterd. Hoe hebt gij dat kunnen doen?
Re 2,3 Daarom verzeker Ik u: Ik zal de bewoners van het land niet voor u verdrijven; zij zullen u verdrukken, en hun goden zullen een valstrik voor u worden.'
Re 2,4 Toen de engel dit tot de IsraŽlieten gezegd had, begonnen zij luid te weeklagen.
Re 2,5 Daarom heet die plaats Bokim. Zij brachten daar offers aan Jahwe.
Re 2,6 Nadat Jozua de vergadering had ontbonden, gingen de IsraŽlieten naar het gebied dat hun was toegewezen en namen het land in bezit.
Re 2,7 Zolang Jozua leefde en zolang er na zijn dood nog oudsten waren, die getuigen waren geweest van de grote dingen die Jahwe voor IsraŽl gedaan had, bleef het volk Jahwe dienen..
Re 2,8 Maar Jozua, de zoon Van Nun, de dienaar van Jahwe, kwam te sterven, op de leeftijd van honderdtien jaar.
Re 2,9 Hij werd begraven in zijn eigen gebied te Timnat-cheres, in het bergland van Efraim, ten noorden van de berg Gaas.
Re 2,10 Ook zijn tijdgenoten werden met hun voorvaderen verenigd. Toen kwam er een nieuwe generatie, die niets meer wist van Jahwe, en die niet had meegemaakt dat Hij voor IsraŽl gedaan had.
Re 2,11 Toen begonnen de IsraŽlieten te doen wat Jahwe mishaagt. Zij vereerden de Bašls
Re 2,12 en verlieten Jahwe, de God van hun vaderen, die hen uit Egypte geleid had. Zij liepen achter andere goden aan, goden van de volken uit hun omgeving; zij bogen zich voor hen neder en krenkten Jahwe.
Re 2,13 Zij verlieten Jahwe en vereerden Bašl en de Astarten.
Re 2,14 Toen ontbrandde de toorn van Jahwe tegen IsraŽl. Hij leverde hen over aan plunderaars die hen beroofden en gaf hen prijs aan hun tegenstanders rondom, zodat zij niet langer tegen hun vijanden waren opgewassen.
Re 2,15 Alles wat zij ondernamen mislukte, omdat Jahwe tegen hen was, zoals Hij gezegd en gezworen had. Maar telkens als de nood het hoogst was
Re 2,16 liet Jahwe rechters optreden, die hen uit de greep van de plunderaars bevrijdden.
Re 2,17 Maar ook aan hun rechters bleven zij niet luisteren. Ontuchtig liepen zij achter andere goden aan en bogen zich voor hen neer. Al heel gauw weken zij weer af van de weg die hun voorvaderen gevolgd hadden: die hadden gehoorzaamd aan de geboden van Jahwe; zij deden dat niet.
Re 2,18 Als Jahwe een rechter liet optreden, stond hij de rechter bij, zolang die leefde. Jahwe bevrijdde hen uit de macht van hun vijanden, want als zij zuchtten onder het juk van hun vervolgers en verdrukkers, kreeg Hij weer medelijden met hen.
Re 2,19 Maar nauwelijks was de rechter gestorven, of zij vervielen opnieuw tot zonden, erger nog dan hun vaderen. Zij liepen achter andere goden aan, vereerden die en bogen zich voor hen neer. Zij weigerden hardnekkig met die vroegere praktijken en gewoonten te breken.
Re 2,20 In zijn toorn zei Jahwe tot IsraŽl: `Omdat dit volk het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb niet nakomt en niet naar mijn stem luistert,
Re 2,21 zal Ik geen van de volken meer verdrijven die bij de dood van Jozua nog over waren.
Re 2,22 Zo zal Ik IsraŽl op de proef stellen om te zien of zij de weg van Jahwe blijven gaan, zoals hun voorvaderen.'
Re 2,23 Jahwe heeft die volken met rust gelaten; Hij verdreef hen niet onmiddellijk en leverde hen niet aan Jozua over.
Re 2:

Re 3,1 Dit zijn de volken die Jahwe met rust heeft gelaten, om door hen de IsraŽlieten, die de oorlog in Kanašn niet hadden meegemaakt, op de proef te stellen,
Re 3,2 om aan die generaties van IsraŽlieten die geen oorlog hadden meegemaakt, de strijd te leren:
Re 3,3 de vijf vorsten van de Filistijnen, al de Kanašnieten, de Sidoniers en de Hethieten, in het Libanongebergte van Bašl-hermon tot aan de weg naar Hamat.
Re 3,4 Dezen dienden om de IsraŽlieten op de proef te stellen. Zo zou duidelijk worden of zij de geboden wilden onderhouden, die Jahwe bij monde van Mozes aan hun voorvaderen had opgelegd.
Re 3,5 En de IsraŽlieten die midden tussen de Kanašnieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten woonden,
Re 3,6 huwden met meisjes uit die volken, lieten hun eigen dochters trouwen met mannen uit die volken en vereerden hun goden.
Re 3,7 De IsraŽlieten deden wat Jahwe mishaagt: zij vergaten Jahwe hun God en vereerden de Bašls en de Astarten.
Re 3,8 Toen ontbrandde de toorn van Jahwe tegen IsraŽl. Hij gaf het prijs aan Kusan-risataim, de koning van Edom, en acht jaar bleven de IsraŽlieten aan Kusan-risataim onderworpen.
Re 3,9 Toen riepen de IsraŽlieten tot Jahwe, en Jahwe liet een redder optreden om IsraŽl te bevrijden; het was OtniŽl, de Kenizziet, een jongere broer van Kaleb.
Re 3,10 Gedreven door de geest van Jahwe trad hij op als rechter in IsraŽl en trok hij ten oorlog tegen Kusan-risataim Jahwe leverde de koning van Edom aan OtniŽl over en zo kreeg deze hem in zijn macht.
Re 3,11 Veertig jaar werd het land met rust gelaten. Toen stierf OtniŽl, de Kenizziet.
Re 3,12 Weer deden de IsraŽlieten wat Jahwe mishaagt. Toen gaf Jahwe aan Eglon, de koning van Moab macht over IsraŽl, omdat zij deden wat Jahwe mishaagt.
Re 3,13 Eglon wist de Ammonieten en Amalekieten op zijn hand te krijgen; samen trokken zij tegen IsraŽl op, versloegen het en namen de Palmenstad in.
Re 3,14 Achttien jaar bleven de IsraŽlieten onderworpen aan Eglon, de koning van Moab.
Re 3,15 Toen riepen de IsraŽlieten tot Jahwe, en Jahwe liet voor hen een redder optreden. Het was Ehud, de zoon van Gera uit Benjamin, een man die linkshandig was. Eens zonder de IsraŽlieten Ehud met de schatting naar Eglon, de koning van Moab.
Re 3,16 Ehud liet een tweesnijdend zwaard maken, een gomed lang, en hing het op de rechterheup aan zijn gordel, onder zijn kleren.
Re 3,17 Zo ging hij de schatting afdragen aan Eglon, de koning van Moab; deze was een zeer zwaarlijvig man.
Re 3,18 Zodra Ehud hem de schatting overhandigd had, liet hij de mannen die de schatting vervoerd hadden naar huis gaan.
Re 3,19 Maar hij zelf ging terug, van bij de Gebeeldhouwde Stenen in de buurt van Gilgal. Bij Eglon gekomen, liet hij hem zeggen: `Koning, ik heb u nog iets te zeggen dat strikt geheim is.' De koning zei: `Sst!' en al zijn hovelingen verwijderden zich.
Re 3,20 Ehud begaf zich naar de koning, die heel alleen in de koele bovenzaal zat, en zei: `Ik heb een woord van God voor u.' Eglon stond van zijn troon op.
Re 3,21 Toen greep Ehud met zijn linkerhand het zwaard van zijn rechterheup en stak de koning in de buik.
Re 3,22 Het zwaard drong met lemmet en al in zijn lichaam; het vet sloot zich om het lemmet, omdat Ehud het zwaard er niet uittrok. Daarop verdween hij langs een achteruitgang.
Re 3,23 Hij ging langs de zuilengang naar buiten. De deur van de bovenzaal had hij afgesloten en gegrendeld.
Re 3,24 Toen hij weg was, kwamen de dienaren van Eglon bij de bovenzaal en merkten zij dat de deur op slot zat. Zij zeiden: `Misschien doet hij zijn behoefte in het koele vertrek.'
Re 3,25 Zij bleven wachten, maar tenslotte werden ze er verlegen mee, want hij deed de deur van de bovenzaal maar niet open. Toen gingen zij de sleutel halen om de deur open te maken, en daar lag hun meester dood op de grond.
Re 3,26 Omdat zij zo lang gewacht hadden, was Ehud ontkomen; hij was de Gebeeldhouwde Stenen al voorbij en was behouden in Seira aangekomen.
Re 3,27 Zodra hij weer op IsraŽlitisch gebied was, liet hij in het bergland van Efraim de bazuin steken. Toen de IsraŽlieten de bergen afkwamen, stelde hij zich aan het hoofd en zei:
Re 3,28 `Volg mij; Jahwe levert de Moabieten, uw vijanden, aan u over.' Zij trokken met hem naar beneden en bezetten de doorwaad bare plaatsen van de Jordaan, zodat geen Moabiet er meer over kon.
Re 3,29 Zij hebben toen tienduizend Moabieten gedood, allemaal krachtige, strijdbare mannen; niemand ontkwam.
Re 3,30 Op die dag moest Moab IsraŽl als zijn meerdere erkennen en tachtig jaar werd het land met rust gelaten.
Re 3,31 Na Ehud trad Samgar, de zoon van Anat op. Hij doodde zeshonderd Filistijnen met een osseprikkel; zo bevrijdde ook hij IsraŽl.

Re 4,1 Na de dood van Ehud deden de IsraŽlieten opnieuw wat Jahwe mishaagt.
Re 4,2 En Jahwe leverde hen over aan Jabin, de koning van Kanašn, die over Hasor regeerde. Zijn legeraanvoerder heette Sisera en woonde te Charoset-haggojim.
Re 4,3 De IsraŽlieten riepen tot Jahwe, want Jabin had negenhonderd ijzeren wagens en onderdrukte de IsraŽlieten met harde hand, reeds twintig jaar lang.
Re 4,4 In die tijd trad de profetes Debora, de vrouw van Lappi dot, als rechter in IsraŽl op.
Re 4,5 Zij hield zitting onder de palm van Debora tussen Rama en Betel, in het bergland van Efraim, waar de IsraŽlieten met hun rechtszaken bij haar kwamen.
Re 4,6 Zij ontbood Barak, de zoon van Abinoam, uit Kedes van Naftali en zei hem: `Jahwe, de God van IsraŽl, geeft u dit bevel: Trek met tienduizend man uit Naftali en Zebulon naar de berg Tabor.
Re 4,7 Dan zal Ik Sisera, de legeraanvoerder van Jabin, met zijn strijdwagens en zijn troepen naar u toelokken bij de beek Kison en hem aan u overleveren.'
Re 4,8 Barak antwoordde: `Als u met mij meegaat, doe ik het, maar als u niet meegaat, doe ik het niet.'
Re 4,9 Zij zei: `Dan ga ik mee; maar de tocht die u onderneemt zal u geen roem brengen, want aan een vrouw levert Jahwe Sisera over.' Toen ging Debora met Barak naar Kedes.
Re 4,10 Nu riep Barak, Zebulon en Naftali in Kedes onder de wapenen: tienduizend man volgden hem en ook Debora ging mee.
Re 4,11 In de buurt van Kedes, bij de eik van Saannaim, had de Keniet Cheber, een zoon van Mozes' schoonvader Chobab, die zich van de overige Kenieten had afgescheiden, zijn tent opgeslagen.
Re 4,12 Toen Sisera bericht kreeg dat Barak, de zoon van Abinoam, de Tabor was opgetrokken,
Re 4,13 liet hij al zijn ijzeren strijdwagens, negenhonderd in getal, en alle manschappen waarover hij beschikken kon, van Charoset-haggojim naar de beek Kison oprukken.
Re 4,14 Toen zei Debora tot Barak: `Trek op, want vandaag levert Jahwe Sisera aan u over. Hijzelf gaat voor u uit.' En toen Barak met zijn tienduizend mannen van de Tabor naar beneden kwam,
Re 4,15 bracht Jahwe Sisera met al zijn wagens en heel zijn leger door het zwaard van Barak in verwarring. Sisera sprong van zijn wagen en trachtte te voet te ontkomen,
Re 4,16 terwijl Barak de wagens en het leger nazette tot in Charoset-haggojim. Heel het leger van Sisera viel door het zwaard; geen man werd gespaard.
Re 4,17 Sisera was intussen te voet naar de tent van JaŽl, de vrouw van de Keniet Cheber, gevlucht, want diens familie was bevriend met Jabin, de koning van Hasor.
Re 4,18 JaŽl kwam naar buiten, Sisera tegemoet, en zei tegen hem: `Kom binnen, heer, kom gerust binnen: u hoeft niet bang te zijn.' Hij ging haar tent binnen en zij dekte hem toe met een deken.
Re 4,19 Hij vroeg haar: `Geef mij alstublieft wat water: ik heb dorst.' Zij maakte de melkzak open en liet hem drinken. Toen zij hem weer toedekte,
Re 4,20 zei hij tegen haar: `Blijf voor de ingang van de tent staan, en als de een of ander komt vragen of er iemand binnen is, moet u antwoorden van niet.'
Re 4,21 Toen Sisera van uitputting in slaap was gevallen, pakte JaŽl, de vrouw van Cheber, een tentpin en een hamer, ging zachtjes naar hem toe en dreef de pin dwars door zijn slapen de grond in; hij was op slag dood.
Re 4,22 Toen zag JaŽl Barak aankomen, op zoek naar Sisera. Zij ging hem tegemoet en zei: `Kom binnen, dan zal ik u de man laten zien die u zoekt.' Barak ging naar binnen, en daar lag Sisera door op de grond, met de pin door zijn slapen.
Re 4,23 Zo onderwierp God op die dag Jabin, de koning van Kanašn, aan de IsraŽlieten.
Re 4,24 Hun macht over Jabin, de koning van Kanašn, werd op den duur zo groot dat zij hem tenslotte hebben vernietigd.

Re 5:
Re 5,1 Toen zong Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied:
Re 5,2 Als het volk van IsraŽl de haren losmaakt en zich meldt om te strijden, prijst dan Jahwe!
Re 5,3 Koningen, luistert nu; vorsten, hoort: Voor Jahwe wil ik zingen, ik, en slaan op de snaren voor IsraŽls God.
Re 5,4 Jahwe, toen gij weg zijt getrokken uit Seir, heen zijt gegaan uit de vlakte van Edom, dreunde de aarde, stroomde uit de hemelen, stroomde uit de wolken het water.
Re 5,5 Toen beefden de bergen voor Jahwe die komt van de SinaÔ, voor Jahwe, de God van IsraŽl.
Re 5,6 In de dagen van Samgar, de zoon van Anat, in de dagen van JaŽl lagen de wegen verlaten: wie vroeger de brede straten namen, gingen nu kronkelende binnenpaden.
Re 5,7 Uitgestorven lagen de dorpen, uitgestorven in IsraŽl, tot ik, Debora, opstond, opstond als moeder in IsraŽl.
Re 5,8 Zij hadden nieuwe goden gekozen: geen brood was er toen in de steden, geen schild of geen lans meer te vinden bij de veertigduizend van IsraŽl.
Re 5,9 Mijn hart gaat uit naar hen die IsraŽl leiden. Gij uit het volk die u meldt voor de strijd, prijst Jahwe!
Re 5,10 Gij berijders van witte ezelinnen, op rijke sjabrakken gezeten, gij die over de wegen gaat, blijft er van spreken,
Re 5,11 luider dan die bij de drinkplaatsen zingen, wanneer zij Jahwe's weldaden loven, de werken van Hem die in IsraŽl heerst. Toen is het volk van Jahwe naar de poorten gekomen:
Re 5,12 Sta op, sta op, Debora, sta op, sta op, zing een lied! Vooruit, Barak, kom met uw gevangenen, zoon van Abinoam!
Re 5,13 Daar kwamen de andere dapperen aan, het volk van Jahwe met zijn helden.
Re 5,14 De leiders uit Efraim daalden af naar de vlakte, uw broeder Benjamin voegde zich bij u. Ook de leiders van Makir kwamen en zij die de scepter dragen in Zebulon.
Re 5,15 De leiders van Issakar waren bij Debora. Issakar, trouw aan Barak, ging achter hem aan, de vlakte in. Onder de gelederen van Ruben was de verdeeldheid groot:
Re 5,16 waarom bleef je achter de heining zitten, bij de kudde, luisterend naar de fluiten? Onder de gelederen van Ruben was de verdeeldheid groot.
Re 5,17 Gilead kwam de Jordaan niet over, en Dan had het druk met zijn schepen. Aser bleef aan de kust van de zee en ging niet weg van zijn havens.
Re 5,18 Zebulon echter waagde zijn leven, en ook Naftali, die op de hoogvlakte woont.
Re 5,19 De koningen kwamen en streden, de koningen van Kanašn streden. Bij Taanak, bij het water van Megiddo, maar geen stukje zilver maakten zij buit.
Re 5,20 Hoog uit de hemel streden de sterren, streden zij tegen Sisera, uit hun banen.
Re 5,21 De Kison sleurde hen mee, het geweld van de Kison spoelde hen weg. Verder moet ik, onversaagd.
Re 5,22 De hoeven van de paarden hameren, in galop, in galop gaan de hengsten.
Re 5,23 Vloek Meroz, zegt de engel van Jahwe, sla met uw vloek zijn bewoners: zij hebben geen hulp geboden aan Jahwe, aan Jahwe en aan zijn krijgers.
Re 5,24 Gezegend boven alle vrouwen zij JaŽl, de vrouw van Cheber de Keniet; boven alle vrouwen in de tenten zij JaŽl gezegend.
Re 5,25 Hij vroeg haar water, zij gaf hem melk; zij bracht hem room in een feestschaal.
Re 5,26 Haar linkerhand greep een tentpin, haar rechter een timmermanshamer. Zo sloeg zij Sisera, verbrijzelde zijn hoofd. zijn verpletterde slapen doorborend.
Re 5,27 Aan haar voeten kromp hij ineen, viel hij neer en bleef hij liggen. Aan haar voeten kromp hij ineen en viel hij neer. Waar hij ineen was gekrompen, daar viel hij neer, overweldigd.
Re 5,28 Uit het venster tuurt Sisera's moeder klagend zit zij voor de tralies: `Waarom komt zijn strijdwagen niet, waar blijft het gedreun van zijn wagens?'
Re 5,29 De wijste onder haar edelvrouwen geeft haar steeds weer ten antwoord:
Re 5,30 `Zij hebben toch immers een buit bemachtigd en delen die nu: een, twee vrouwen voor elke soldaat; kleurige stoffen zijn Sisera's buit, bonte stoffen zijn deel; een, twee geborduurde doeken voor de hals van zijn vrouw.'
Re 5,31 Zo mogen te gronde gaan, Jahwe, al uw vijanden; maar die U beminnen, mogen zij zijn als de kracht van de rijzende zon. Toen had het land veertig jaren rust.

Re 6:
Re 6,1 De IsraŽlieten deden opnieuw wat Jahwe mishaagt en Hij leverde hen zeven jaar lang aan de Midjanieten over,
Re 6,2 zodat die IsraŽl in hun macht kregen. Uit vrees voor de Midjanieten richtten de IsraŽlieten in het gebergte schuilplaatsen in, holen en vestigingen.
Re 6,3 Telkens als de IsraŽlieten gezaaid hadden, rukten de Midjanieten met de Amalekieten en andere zonen van het oosten tegen hen op.
Re 6,4 Zij sloegen hun tenten op en vernielden de oogst in heel het land, tot Gaza toe. Zij lieten in IsraŽl geen voedsel meer over, en ook geen schapen, geen ossen en geen ezels.
Re 6,5 Zij trokken binnen met hun kudden en hun tenten, zo talrijk als sprinkhanen, een ontelbare massa mannen en kamelen; zij vielen het land binnen en verwoestten het.
Re 6,6 Toen de IsraŽlieten door de Midjanieten tot grote armoede waren gebracht, begonnen zij tot Jahwe te roepen.
Re 6,7 En toen de IsraŽlieten onder de druk van de Midjanieten tot Jahwe riepen,
Re 6,8 zond Hij hun een profeet, die hun zei: `Zo spreekt Jahwe, de God van IsraŽl: Ik heb u uit Egypte geleid en u weggehaald uit dat slavenhuis.
Re 6,9 Ik heb u bevrijd uit de macht van de Egyptenaren en van al uw verdrukkers. Ik heb hen voor u verdreven en u hun land gegeven.
Re 6,10 Ik heb u gezegd: Ik ben Jahwe, uw God; ook al woont gij in het land van de Amorieten, gij moogt hun goden niet vereren. Maar gij hebt niet naar mijn stem geluisterd.'
Re 6,11 Toen kwam de engel van Jahwe en zette zich neer onder de terebint van Ofra, die het eigendom was van Joas, uit het ge slacht Abiezer. Zijn zoon Gideon was juist bezig tarwe uit te kloppen in een perskuip, om niet door de Midjanieten gezien te worden.
Re 6,12 De engel van Jahwe verscheen hem daar en zei: `Jahwe is met u, dappere held.'
Re 6,13 Gideon antwoordde: `Als ik het zeggen mag, heer: Indien Jahwe met ons is, waarom is ons dit alles dan overkomen? Waar zijn de wonderen waarover deze voorvaderen ons verhaald hebben; zij zeiden toch: Jahwe heeft ons uit Egypte geleid! Maar nu heeft Jahwe ons verstoten en ons aan de Midjanieten overgeleverd.'
Re 6,14 Toen richtte Jahwe zich tot hem en zei: `Trek op tegen de Midjanieten! Gij zijt sterk genoeg om IsraŽl uit hun macht te bevrijden. Ik ben het toch die u zend.'
Re 6,15 Gideon hernam: `Als ik het zeggen mag, Heer: Hoe zou ik IsraŽl kunnen bevrijden? Mijn geslacht is het armste van heel Manasse en ik ben de jongste van de familie.'
Re 6,16 Maar Jahwe zei: `Ik zal met u zijn; gij zult de Midjanieten verslaan alsof het maar een enkele man was.'
Re 6,17 Maar Gideon hield aan: `Als ik genade heb gevonden in uw ogen, geef mij dan een teken dat Gij het zijt die met mij spreekt.
Re 6,18 En ga niet weg voor ik terug ben en U een geschenk heb aangeboden.' Jahwe antwoordde: `Ik blijf hier tot gij terug zijt.'
Re 6,19 Gideon ging naar huis, maakte een geitebokje klaar en een efa ongezuurde broden. Hij deed het vlees in een mand en de saus in een kom; die bracht hij naar Hem toe bij de terebint en bood ze Hem aan.
Re 6,20 De engel van God sprak: `Leg het vlees en de ongezuurde broden daar op dat rotsblok en giet de saus erover uit.' Gideon deed dat.
Re 6,21 De engel van Jahwe bewoog de stok die hij in zijn hand had naar het vlees en de ongezuurde broden en raakte die met de punt van de stok aan; toen laaide er uit het rotsblok een vuur op dat het vlees en de ongezuurde broden verteerde. Daarop verdween de engel van Jahwe uit zijn ogen.
Re 6,22 Nu begreep Gideon dat het de engel van Jahwe was ge weest. Hij zei: `Wee mij, Jahwe, mijn Heer, ik heb oog in oog gestaan met de engel van Jahwe.'
Re 6,23 Maar Jahwe verzekerde hem: `Vrede is uw deel; wees niet bevreesd; gij zult niet sterven.'
Re 6,24 Toen bouwde Gideon daar een altaar voor Jahwe en noemde het Jahwe-is-vrede. Dat altaar staat nog in Ofra, de stad van Abiezer, tot op de huidige dag.
Re 6,25 In die nacht zei Jahwe tot Gideon: `Neem een stier van uw vader, een vette stier van zeven jaar, verniel het altaar van Bašl dat aan uw vader behoort en hak de heilige paal om die er bij staat.
Re 6,26 Richt dan hier op de top van de versterkte plaats een goed gebouwd altaar op voor Jahwe uw God en draag de vette stier op als een brandoffer, op het hout van de omgehakte paal.'
Re 6,27 Geholpen door tien van zijn knechten voerde Gideon de opdracht van Jahwe uit. Omdat hij het niet overdag durfde doen uit vrees voor zijn familie en voor de mensen uit de stad, deed hij het 's nachts.
Re 6,28 De volgende morgen ontdekten de mensen uit de stad dat het altaar van Bašl vernield was, dat de heilige paal die er bij stond was omgehakt en dat op een nieuw gebouwd altaar een vette stier was geofferd.
Re 6,29 Zij zeiden tot elkaar: `Wie zou dat gedaan hebben?' Zij deden navraag en stelden een onderzoek in en er werd gezegd: `Gideon, de zoon van Joas, heeft het gedaan.'
Re 6,30 Daarop zeiden de mensen uit de stad tot Joas: `Lever uw zoon uit. Hij moet sterven, want hij heeft het altaar van Bašl vernield en de heilige paal die er bij stond omgehakt.'
Re 6,31 Maar Joas zei tot de omstanders: `Wilt u het soms voor Bašl opnemen? Wilt u Bašl redden? Wie het voor hem opneemt, wordt voor morgenochtend gedood. Als hij god is, laat hij dan zelf voor zijn zaak opkomen: het is zijn altaar dat vernield is.'
Re 6,32 Die dag kreeg Gideon de naam Jerubbaal, want men zei: `Laat Bašl het tegen hem opnemen, omdat hij diens altaar vernield heeft.'
Re 6,33 De Midjanieten, de Amalekieten en de andere stammen uit het oosten hadden zich aangesloten, waren de Jordaan overgetrokken hadden hun kamp opgeslagen in de vlakte van Jizreel.
Re 6,34 Toen kwam de geest van Jahwe over Gideon; hij stak de bazuin en de mannen van Abiezer sloten zich bij hem aan.
Re 6,35 Hij zond boden door heel het gebied van Manasse en ook deze stam sloot zich bij hem aan. Ook naar Aser, Zebulon en Naftali stuurde hij boden, en ook deze stammen sloten zich bij hem aan.
Re 6,36 Nu sprak Gideon tot God: `Als Gij IsraŽl werkelijk door mijn hand wilt bevrijden, zoals Gij beloofd hebt,
Re 6,37 laat dan de dauw alleen op de wollen vacht komen die ik hier op de dorsvloer leg en laat de grond eromheen droog blijven; dan weet ik dat Gij IsraŽl door mijn hand zult bevrijden, zoals Gij beloofd hebt.'
Re 6,38 En zo gebeurde het inderdaad: Toen hij de volgende morgen opstond wrong hij de dauw uit de vacht; de schaal stond vol water.
Re 6,39 Weer sprak Gideon tot God: `Laat uw toorn niet tegen mij ontbranden, als ik U nog een keer iets vraag. Ik zou nog een proef willen nemen met de vacht; laat nu alleen de vacht droog blijven, terwijl op de grond rondom de dauw valt.'
Re 6,40 En God deed dat, de volgende nacht: Alleen de vacht bleef droog, op de grond lag overal dauw.

Re 7,1 Jerubbaal, ook Gideon geheten, en zijn mannen sloegen in alle vroegte hun kamp op bij En-charod. Ten noorden daarvan lag het kamp van de Midjanieten, in de buurt van de Waarzeggersheuvel, in de vlakte.
Re 7,2 Toen zei Jahwe tot Gideon: `Uw leger is zo groot dat Ik daaraan de Midjanieten niet wil overleveren. IsraŽl zou zich tegenover Mij kunnen beroemen en zeggen: Mijn eigen kracht heeft mij gered.
Re 7,3 Deel dus aan uw mannen het volgende mee: Ieder die bang of angstig is mag naar huis gaan en de bergen van Gilboa verlaten.' TweeŽntwintig duizend mannen trokken zich terug; toen bleven er nog tienduizend over.
Re 7,4 Daarop zei Jahwe tot Gideon: `Nog is het leger te tal rijk. Laat de mannen naar het water gaan; daar zal Ik ze voor u schiften. Degene van wie Ik u zeg: Die gaat met u mee, hij gaat met u mee, degene van wie Ik zeg: Die gaat niet met u mee, hij gaat niet mee.'
Re 7,5 Toen Gideon de mannen naar het water had laten gaan, zei Jahwe tot hem: `Ge moet de mannen die het water als honden opslurpen, scheiden van degenen die bij het drinken op hun knieŽn gaan zitten.'
Re 7,6 Er waren er driehonderd die met de hand aan de mond het water opslurpten; alle anderen waren bij het drinken op hun knieŽn gaan zitten.
Re 7,7 Toen zei Jahwe tot Gideon: `Met de driehonderd man die het water hebben opgeslurpt zal Ik u bevrijden en de Midjanieten aan u overleveren; alle anderen moeten naar hun huizen gaan.'
Re 7,8 De driehonderd namen de proviand en de trompetten van de anderen. Gideon stuurde de IsraŽlieten naar hun tenten terug en hield alleen de driehonderd bij zich. Het kamp van de Midjanieten lag in de vlakte.
Re 7,9 Die nacht zei Jahwe tot Gideon: `Ga naar hun kamp; ik heb hen aan u overgeleverd.
Re 7,10 Als gij er niet alleen heen durft, neem dan uw dienaar Pura mee.
Re 7,11 Als gij gehoord hebt waarover zij praten, zult ge de moed hebben op dat kamp af te gaan.' Toen ging Gideon met zijn dienaar Pura op weg en drong door tot de buitenste wachtpost van het kamp.
Re 7,12 De Midjanieten, Amalekieten en de andere zonen van het oosten waren op de vlakte neergestreken als een menigte sprinkhanen. Hun kamelen waren niet te tellen: ze waren even talrijk als de zandkorrels aan het strand van de zee.
Re 7,13 Toen Gideon bij het kamp kwam, hoorde hij een soldaat aan een ander vertellen wat hij gedroomd had: `Hoor eens wat ik gedroomd heb! Ik zag een gerstekoek het kamp van de Midjanieten binnenrollen; hij sloeg tegen een tent aan, stootte die omver en keerde ze ondersteboven; en daar lag de tent.'
Re 7,14 De ander zei toen: `Dat kan niets anders betekenen dan het zwaard van Gideon, de zoon van de IsraŽliet Joas. God heeft de Midjanieten met heel hun kamp aan hem overgeleverd.'
Re 7,15 Toen Gideon het verhaal van de droom en de verklaring had gehoord, boog hij diep neer. Terug in het kamp van IsraŽl zei hij: `Vlug! Jahwe heeft het kamp van de Midjanieten aan u overgeleverd.'
Re 7,16 Hij verdeelde de driehonderd man in drie groepen en gaf iedere soldaat een bazuin en een lege kruik met een toorts er in.
Re 7,17 En hij beval: `Let goed op mij en doe precies wat ik doe. Als ik vlak bij het kamp ben moeten jullie precies hetzelfde doen als ik.
Re 7,18 Wanneer ik en de mannen die bij mij zijn de bazuin steken, dan moeten ook jullie rond heel het kamp de bazuin steken en roepen: Voor Jahwe en voor Gideon!'
Re 7,19 Bij het begin van de middelste nachtwake kwamen Gideon en de honderd mannen die bij hem waren bij de buitenste wachtpost van het kamp. Nauwelijks was de wacht afgelost of zij bliezen op de bazuinen en sloegen de kruiken stuk.
Re 7,20 Toen bliezen alle drie de groepen op hun bazuinen en sloegen hun kruiken stuk; de toortsen hielden ze in hun linker hand, de bazuinen waarop zij bliezen in hun rechter. En zij riepen: `Te wapen! Voor Jahwe en voor Gideon!'
Re 7,21 Terwijl ze allemaal rondom het kamp op hun plaats bleven staan, begon heel het kamp door elkaar te rennen. Onder luid geschreeuw sloegen zij op de vlucht.
Re 7,22 Terwijl de driehonderd de bazuinen bleven blazen, liet Jahwe de mannen in het kamp met het zwaard op elkaar inslaan. Het leger vluchtte tot Bet-hassitta, in de richting van Saretan, tot aan de rand van het plateau bij Abel-mechola tegenover Tabbat.
Re 7,23 Toen verzamelde zich de IsraŽlieten uit Naftali, Aser en heel Manasse en achtervolgden de Midjanieten.
Re 7,24 Gideon had boden gestuurd door heel het bergland van Efraim met de boodschap: `Komt naar beneden om de Midjanieten tegen te houden; bezet de oever van de rivier tot Bet-bara toe, om hun het oversteken te beletten.' Alle Efraimieten verzamelden zich en bezetten de oevers van de Jordaan tot aan Bet-bara.
Re 7,25 Oreb en Zeeb, de twee aanvoerders van Midjan, namen zij gevangen. Oreb en Zeeb bij de perskuip van Zeeb. Daarna achter volgden zij de Midjanieten. De hoofden van Oreb en Zeeb brachten ze naar Gideon, aan de overkant van de Jordaan.

Re 8,1 Toen vroegen de Efraimieten aan Gideon: `Waarom hebt u ons dit aangedaan, dat u ons niet hebt opgeroepen, toen u tegen de Midjanieten ten strijde trok?' Zij deden hem daarover heftige verwijten.
Re 8,2 Hij antwoordde: `Wat betekenen mijn daden, vergeleken bij de uwe? De nalezing van Efraim is beter dan de oogst van Abiezer!
Re 8,3 God heeft Oreb en Zeeb, de aanvoerders van Midjan, aan u overgeleverd. Wat ik kon doen is toch niet te vergelijken met wat u deed!' Toen hij zo gesproken had, bedaarde hun woede.
Re 8,4 Gideon kwam met zijn driehonderd mannen bij de Jordaan en stak de rivier over; ze waren uitgeput van de achtervolging.
Re 8,5 Daarom zei hij tot de burgers van Sukkot: `Geeft de soldaten die mij volgen enkele broden, want ze zijn uitgeput en ik zit Zebach en Salmunna, de koningin van Midjan achterna.'
Re 8,6 Maar de magistraten van Sukkot antwoorden: `U vraagt ons brood voor uw leger, alsof u de handpalmen van Zebach en Salmunna al in uw macht hebt.'
Re 8,7 Toen zei Gideon: `Op mijn woord, zodra Jahwe Zebach en Salmunna aan mij heeft overgeleverd, kom ik jullie lijf tuchtigen met distels en doornen uit de woestijn.'
Re 8,8 Van Sukkot trok hij verder naar PenuŽl en hij vroeg de burgers van die stad hetzelfde. Zij gaven hem hetzelfde antwoord als de burgers van Sukkot.
Re 8,9 Toen zei hij ook tot de burgers van PenuŽl: `Zodra ik behouden terugkom, haal ik deze toren omver.'
Re 8,10 Zebach en Salmunna lagen met een leger van vijftienduizend man in Karkar. Dat was alles wat er van het hele leger van de zonen van het oosten nog was overgebleven; hondertwintigduizend weerbare mannen waren gesneuveld.
Re 8,11 Gideon volgde de weg van de nomaden, oostelijk van Nobach en Jogbeha, en sloeg toen op het leger in dat zich al veilig waande.
Re 8,12 Zebach en Salmunna gingen op de vlucht; Gideon zette de achtervolging in, bracht heel hun leger in paniek en nam de koningen van Midjan, Zebach en Salmunna, gevangen.
Re 8,13 Toen Gideon, de zoon van Joas, de strijd langs de hoogvlakte van Cheres terugkeerde,
Re 8,14 greep hij daar een jongeman die afkomstig was uit Sukkot. Hij ondervroeg hem en liet hem de namen van de magistraten en oudsten van Sukkot opschrijven; het waren er zevenzeven tig.
Re 8,15 Toen ging hij naar de burgers van Sukkot en zei: `U hebt mij toen gehoond door te zeggen: U vraagt ons brood voor uw vermoeide soldaten, alsof u de handpalmen van Zebach en Salmunna al in uw macht hebt. Welnu, hier heb ik Zebach en Salmunna!'
Re 8,16 Toen greep hij de oudsten van de stad en gaf de mannen van Sukkot met doornen en distels uit de woestijn een gevoelige les.
Re 8,17 Ook haalde hij de toren van PenuŽl omver en doodde de burgers van die stad.
Re 8,18 Daarna vroeg hij aan Zebach en Salmunna: `Hoe zagen de mannen er uit die u op de Tabor vermoord hebt?' Zij antwoordden: `Ze leken op u; ieder van hen had het voorkomen van een konings zoon.'
Re 8,19 Gideon zei: `Dan waren het mijn broers, de zonen van mijn moeder. Zowaar Jahwe leeft, als u hen in leven had gelaten, zou ik u niet doden.'
Re 8,20 Toen zei hij tegen zijn oudste zoon Jeter: `Vooruit, sla hen dood.' Maar de jongen durfde zijn zwaard niet te trekken; hij was bang, hij was nog maar een jongen.
Re 8,21 Toen zeiden Zebach en Salmunna: `Slaat u ons zelf maar neer; een flinke man als u heeft daar de kracht voor.' Zo doodde Gideon en Zebach en Salmunna: de maantjes van de nekken van hun kamelen nam hij mee..
Re 8,22 Nu zeiden de IsraŽlieten tot Gideon: `U moet de heer schappij over ons aanvaarden, ook voor uw zoon en kleinzoon, want u hebt ons bevrijd uit de macht van de Midjanieten.'
Re 8,23 Maar Gideon antwoordde: `Ik zal niet over u heersen en mijn zoon evenmin; Jahwe zal over u heersen!'
Re 8,24 En hij vervolgde: `Ik wil u wel een verzoek doen. Laat ieder van u mij uit de buit die hij behaald heeft een ring geven.' Het waren IsmaŽlieten geweest en die dragen gouden ringen.
Re 8,25 Zij antwoordden: `Dat zullen wij graag doen.' Daarop spreidde men een kleed uit en ieder wierp daarop een ring uit de buit die hij behaald had.
Re 8,26 De gouden ringen die hij gevraagd had wogen samen zeventienduizend sikkel; dan waren er ook nog de maantjes, de oorringen, de purperen gewaden van de koningen van Midjan en de ketens om de nekken van hun kamelen.
Re 8,27 Van dat goud liet Gideon een efod maken, die hij plaats te in zijn stad Ofra. Met die efod pleegde heel IsraŽl ontucht en hij werd een valstrik voor Gideon en zijn familie.
Re 8,28 Zo moesten de Midjanieten de IsraŽlieten als hun meerde ren erkennen, en zij staken het hoofd niet meer op. Zolang Gideon leefde werd het land met rust gelaten, veertig jaar lang.
Re 8,29 Jerubbaal, de zoon van Joas, keerde naar zijn huis terug en bleef daar.
Re 8,30 Gideon had zeventig zonen verwekt, want hij had vele vrouwen.
Re 8,31 Ook zijn bijvrouw, die in Sichem woonde, had hem een zoon gebaard, die hij Abimelek genoemd had.
Re 8,32 Gideon, de zoon van Joas, stierf in gezegende ouderdom en werd begraven in Ofra, de stad van Abiezer, in het graf van zijn vader Joas.
Re 8,33 Zodra Gideon gestorven was, liepen de IsraŽlieten opnieuw ontuchtig achter de Bašls aan en erkenden Bašl-berit als hun god.
Re 8,34 De IsraŽlieten dachten niet meer aan Jahwe hun God, die hen bevrijd had uit de macht van al hun vijanden rondom.
Re 8,35 Ook bleven zij het huis van Jerubbaal-gideon niet dankbaar voor al het goede dat hij voor IsraŽl gedaan had.

Re 9,1 Abimelek, de zoon van Jerubbaal, ging naar de broers van zijn moeder in Sichem en zei tegen hen en de overige familie van zijn moeder:
Re 9,2 `Jullie moeten de burgers van Sichem deze vraag voorleg gen: Wat is beter voor u: dat de zonen van Jerubbaal met zeventig man over u heersen, of dat een man over u regeert? Denkt er aan, dat ik jullie eigen vlees en gebeente ben!'
Re 9,3 In die geest spraken de broers van zijn moeder met al de burgers van Sichem, zodat dezen de zijde van Abimelek kozen; ze zeiden: `Hij is onze broeder.'
Re 9,4 Zij gaven Abimelek zeventig sikkel zilver uit de tempel van Bašl-berit; hij huurde een bende leeglopers en avonturiers,
Re 9,5 ging daarmee naar het ouderlijk huis in Ofra en ver moordde zijn zeventig broers, de zonen van Jerubbaal, op een en dezelfde steen. Alleen Jotam, de jongste zoon van Jerubbaal, die zich verborgen had, bleef in leven.
Re 9,6 Toen kwamen alle burgers van Sichem en Bet-millo bijeen bij de terebint van de steen, die in Sichem staat en zij riepen daar Abimelek tot koning uit.
Re 9,7 Toen dit aan Jotam bericht werd, ging hij op de top van de Gerizzim staan en schreeuwde luid: `Burgers van Sichem, luistert naar mij, dan luistert God naar u.
Re 9,8 Eens gingen de bomen er op uit om iemand tot koning te zalven. Ze zeiden tegen de olijfboom: Wilt u koning over ons worden?
Re 9,9 Maar de olijfboom antwoordde: Moet ik dan ophouden die olie te geven, waarom de goden en de mensen mij eren en moet ik boven de andere bomen gaan zweven?
Re 9,10 Toen zeiden de bomen tegen de vijgenboom: Wilt u koning over ons worden?
Re 9,11 Maar de vijgenboom antwoordde: Moet ik dan ophouden mijn zoete en heerlijke vruchten te geven en boven de andere bomen gaan zweven?
Re 9,12 Toen zeiden de bomen tegen de wijnstok: Wilt u koning over ons worden?
Re 9,13 Maar de wijnstok antwoordde: Moet ik dan ophouden mijn most te geven, die de goden en de mensen verblijdt, en boven de andere bomen gaan zweven?
Re 9,14 Daarop zeiden alle bomen tegen de doornstruik: Wilt u koning over ons worden?
Re 9,15 En de doornstruik gaf de bomen ten antwoord: Als u mij werkelijk tot koning wilt zalven, kom dan maar schuilen onder mijn schaduw. Wilt u dat niet, dan zal er van de doornstruik een vuur uitgaan, dat zelfs de ceders van de Libanon verteert.
Re 9,16 Het is wel duidelijk, dat het niet oprecht en trouw van u was. Abimelek tot koning uit te roepen: daarmee bent u uw verplichtingen tegenover Jerubbaal en zijn familie immers nagekomen! Heeft hij dat aan u verdiend?
Re 9,17 Mijn vader was het die voor u heeft gestreden, die zijn leven voor u op het spel heeft gezet en die u uit de macht van de Midjanieten heeft bevrijd.
Re 9,18 Toch hebt u zich vandaag tegen mijn familie gekeerd. De zeventig zonen van mijn vader hebt u op een en dezelfde steen vermoord, en Abimelek, een zoon van zijn slavin, hebt u tot koning over de burgers van Sichem uitgeroepen, en dat alleen omdat hij uw broeder is.
Re 9,19 Als u meent dat u vandaag oprecht en trouw geweest bent tegenover Jerubbaal en zijn familie, dan wens ik u veel geluk met Abimelek, en hem met u!
Re 9,20 Maar als dat niet zo is, dan moge er van Abimelek een vuur uitgaan dat de burgers van Sichem en Bet-millo verteert, en van de burgers van Sichem en Bet-millo een vuur dat Abimelek ver teert.'
Re 9,21 Daarop nam Jotam de vlucht, hij week uit naar Beer en bleef daar, buiten het bereik van zijn broer Abimelek.
Re 9,22 Toen Abimelek drie jaar over IsraŽl geregeerd had,
Re 9,23 bracht God onenigheid tussen Abimelek en de burgers van Sichem zodat zij hem ontrouw werden.
Re 9,24 God wilde de gewelddaad tegen de zeventig zonen van Jerubbaal wreken en hun bloed doen neerkomen op hun broer Abimelek, die hen vermoord had, en op de burgers van Sichem, die hem bij de moord op zijn broers hadden geholpen.
Re 9,25 De burgers van Sichem begonnen het hem lastig te maken door zich in de bergen te verschuilen en iedereen die daar langs kwam te beroven. Dit werd aan Abimelek gemeld.
Re 9,26 Toen kwam Gaal, de zoon van Ebed, met zijn medestanders in Sichem aan en trok door de stad; hij wist het vertrouwen van de burgers van Sichem te winnen.
Re 9,27 Het was juist de tijd dat men naar het land ging om de vruchten van de wijngaarden te oogsten en de druiven te persen. Toen zij daarna tijdens de feestelijkheden, de tempel van hun god binnengingen en daar aten en dronken, begonnen zij Abimelek te vervloeken.
Re 9,28 Daarna nam Gaal, de zoon van Ebed, het woord: `Moet een stad als Sichem nu onderworpen zijn aan een man als Abimelek? De zoon van Jerubbaal en zijn commandant Zebul moesten eerder onderworpen zijn aan de mannen van Hemor, de vader van Sichem, dan wij onderworpen aan hem.
Re 9,29 Had ik hier de macht in handen, dan zou ik Abimelek wegjagen; ik zou hem zeggen: Kom maar op, hoe sterk je leger ook is.'
Re 9,30 Toen Zebul, de commandant van de stad, hoorde wat Gaal, de zoon van Ebed, gezegd had, werd hij woedend.
Re 9,31 In het geheim zond hij de boden naar Abimelek met de boodschap: `Gaal, de zoon van Ebed, is met zijn medestanders in Sichem gekomen en zij ruien de stad tegen u op.
Re 9,32 Kom dus en ga vannacht nog met uw soldaten buiten de stad in hinderlaag liggen;
Re 9,33 dan kunt u morgenvroeg bij zonsopgang de aanval op de stad beginnen. Als Gaal dan met zijn soldaten tegen u uittrekt, moet u de kans maar benutten.'
Re 9,34 Die nacht ging Abimelek met al zijn soldaten op weg en dicht bij Sichem legden zij zich in vier groepen in hinderlaag.
Re 9,35 Toen Gaal, de zoon van Ebed, de stad was uitgekomen en bij de poort stond, kwamen Abimelek en zijn mannen uit de hinder laag tevoorschijn.
Re 9,36 Zodra Gaal hen in het oog kreeg, zei hij tegen Zebul: `Kijk eens, daar komen mensen de berg af.' Zebul antwoordde: `U ziet de schaduwen van de bergen voor mensen aan.'
Re 9,37 Maar Gaal hield vol: `Kijk dan, daar bij de navel van het land komen mensen naar beneden en op de weg van de Waarzeggerseik loopt ook al een groep.'
Re 9,38 Toen zei Zebul: `Waar blijft u nu met uw grote mond? U hebt toch gezegd: Moeten wij aan iemand als Abimelek onderworpen zijn? Daar hebt u nu de mensen over wie u zo minachtend hebt gesproken. Vooruit, val ze dan aan!'
Re 9,39 Daarop rukte Gaal uit, aan het hoofd van de burgers van Sichem, en begon de aanval op Abimelek.
Re 9,40 Maar toen Abimelek op hem afkwam, week hij terug. Er vielen veel doden, tot vlak bij de stadspoort.
Re 9,41 Abimelek keerde vervolgens naar Aruma terug en Zebul verdreef Gaal en zijn medestanders uit Sichem, omdat hij niet wilde dat zij daar bleven.
Re 9,42 Toen Abimelek de volgende dag hoorde dat de mensen naar het land wilden gaan,
Re 9,43 verdeelde hij zijn manschappen in drie groepen en ging buiten de stad in hinderlaag liggen. Zodra hij de mensen uit de stad zag komen, overviel hij hen en dreef hen uiteen.
Re 9,44 Met zijn eigen groep wist Abimelek de stadspoort te bereiken en die bezet te houden. De twee andere groepen stortten zich op degenen die buiten de stad waren en sloegen die neer.
Re 9,45 Na een hele dag van strijd nam Abimelek de stad in; hij vermoordde de hele bevolking, maakte de stad met de grond gelijk en strooide er zout over.
Re 9,46 Toen de burgers van Migdal-sichem dit vernamen, gingen zij naar de kelder onder de tempel van El-berit.
Re 9,47 Zodra Abimelek bericht kreeg, dat de burgers van Migdal-sichem bijeen waren,
Re 9,48 ging hij met zijn mannen de berg Salmon op. Hij nam een bijl, hakte een tak van een boom en legde die op zijn schouder. Tegen zijn mannen zei hij: `Jullie zien wat ik doe; doe vlug hetzelfde.'
Re 9,49 De mannen hakten allen een tak af en gingen Abimelek achterna. Ze legden de takken boven op de kelder en staken daarmee de kelder in brand. Zo vonden ook alle mensen uit Migdal-sichem de dood; het waren er ongeveer duizend, mannen en vrouwen.
Re 9,50 Daarna trok Abimelek naar Tebes; hij belegerde de stad en nam ze in.
Re 9,51 Midden in de stad stond een toren en daarheen waren alle burgers van de stad gevlucht, mannen en vrouwen. Zij hadden de poort achter zich gesloten en waren op het dak van de toren geklommen.
Re 9,52 Abimelek drong tot vlak bij de toren door en begon de aanval. Maar toen hij bij de toegang was en die in brand wilde steken,
Re 9,53 wierp een vrouw een molensteen op zijn hoofd en verbrijzelde hem de schedel.
Re 9,54 Onmiddellijk riep hij zijn wapendrager en beval hem: `Trek je zwaard en steek me dood; anders zeggen ze nog, dat een vrouw mij gedood heeft.' Daarop stak de wapendrager hem dood.
Re 9,55 Toen de IsraŽlieten zagen, dat Abimelek dood was, gingen zij naar huis terug.
Re 9,56 Zo vergold God aan Abimelek het kwaad dat hij zijn vader had aangedaan en liet Hij de boosheid van de mannen van Sichem op hun eigen hoofd neerkomen. Aldus werd de vervloeking van Jotam, de zoon van Jerubbaal, aan hen vervuld.

Re. 10,1 Na Abimelek trad Tola, de zoon van Pua, de zoon van Dodo, uit Issakar op om IsraŽl te bevrijden. Hij woonde in Samir in het gebergte van Efraim.
Re. 10,2 DrieŽntwintig jaar was hij rechter over IsraŽl. Toen stierf hij en werd begraven in Samir.
Re. 10,3 Na hem trad Jair op, een Gileadiet; tweeŽntwintig jaar was hij rechter over IsraŽl.
Re. 10,4 Hij had dertig zonen die dertig steden bestuurden; de dertig steden die zij bezaten heten tot op de huidige dag de Dorpen van Jair; ze liggen in Gilead.
Re. 10,5 Jair stierf, en werd in Kamon begraven.
Re. 10,6 De IsraŽlieten deden opnieuw wat Jahwe mishaagt; zij dienden de Bašls en de Astarten, de goden van Aram en de goden van Sidon, de goden van Moab en de goden van de Ammonieten, en de goden van de Filistijnen; zij verlieten Jahwe en vereerden Hem niet meer.
Re. 10,7 De toorn van Jahwe ontbrandde tegen de IsraŽlieten en Hij leverde hen over aan de Filistijnen en de Ammonieten.
Re. 10,8 Van toen af begonnen die de IsraŽlieten te onderdrukken en te terroriseren, achttien jaar aan een stuk, vooral de IsraŽlieten in Gilead aan de overkant van de Jordaan, in het gebied van de Amorieten.
Re. 10,9 De Ammonieten kwamen zelfs de Jordaan over en vielen ook Juda en Benjamin en het huis van Efraim lastig, zodat IsraŽl in grote moeilijkheden kwam.
Re. 10,10 Toen riepen de IsraŽlieten tot Jahwe: `Wij hebben gezondigd tegen U; wij hebben onze God verlaten en hebben de Bašls vereerd.'
Re. 10,11 Jahwe antwoordde: `Ik heb u uit de macht van de Egypte naren, de Amorieten, de Ammonieten en de Filistijnen bevrijd.
Re. 10,12 En ook toen de Sidoniers, Amalek en Maon u verdrukten en gij tot Mij hebt geroepen, heb Ik u uit hun macht bevrijd.
Re. 10,13 Toch hebt gij Mij verlaten en zijt gij andere goden gaan vereren; daarom zal Ik u voortaan niet meer bevrijden.
Re. 10,14 Roep de goden maar aan die gij hebt gekozen; laten die u maar bevrijden nu gij in nood verkeert.'
Re. 10,15 Daarop zeiden de IsraŽlieten tot Jahwe: `Wij hebben gezondigd, doe met ons wat Gij wilt, als Gij ons nu maar bevrijd.'
Re. 10,16 Daarop deden zij de vreemde goden weg en vereerden Jahwe. Toen kon Jahwe de ellende van IsraŽl niet langer aanzien.
Re. 10,17 De Ammonieten verzamelden zich en sloegen in Gilead hun kamp op. Ook de IsraŽlieten verzamelden zich en sloegen in Mispa hun kamp op.
Re. 10,18 mensen - de leiders van Gilead - zeiden tegen elkaar: `Wie de strijd met de Ammonieten aandurft, wordt de leider van alle Gileadieten.'

Re. 11,1 De Gileadiet Jefta was een dapper man. Zijn vader, Gilead, had hem verwekt bij een publieke vrouw.
Re. 11,2 Maar Gilead had ook zonen van zijn eigen vrouw, en toen deze zonen groot geworden waren, hadden zij Jefta weggejaagd en gezegd: `Jij krijgt geen erfdeel in onze familie, want jij bent de zoon van een andere vrouw.'
Re. 11,3 Jefta was toen voor zijn broers gevlucht en was in Tob gaan wonen. Een groep leeglopers had zich bij hem aangesloten en trok er met hem op uit.
Re. 11,4 Enige tijd later begonnen de Ammonieten een oorlog tegen IsraŽl.
Re. 11,5 Bij het begin van die oorlog van de Ammonieten tegen IsraŽl gingen de oudsten van Gilead naar Tob om Jefta te halen.
Re. 11,6 Zij zeiden: `Wilt u meegaan en onze aanvoerder zijn in de strijd tegen de Ammonieten?'
Re. 11,7 Maar Jefta antwoordde de oudsten van Gilead: `Uit afgunst hebt u mij uit het ouderlijk huis gezet. En nu u in moeilijkheden zit, komt u bij mij!'
Re. 11,8 Daarop zeiden de oudsten van Gilead tot Jefta: `Op ons woord, wij komen bij u om u te vragen met ons mee te gaan en oorlog te voeren tegen de Ammonieten; dan zult u de leider worden van alle bewoners van Gilead.'
Re. 11,9 Toen zei Jefta tot de oudsten van Gilead: `Als u mij terughaalt om oorlog te voeren tegen de Ammonieten en als Jahwe hen in mijn macht geeft, dan wil ik ook uw leider blijven!'
Re. 11,10 En de oudsten van Gilead verzekerden Jefta: `Jahwe is onze getuige: Hij moge ons vonnissen als wij niet doen wat u zegt.'
Re. 11,11 Daarop ging Jefta met de oudsten van Gilead mee. Voor Jahwe in Mispa stelde het volk hem aan als leider en aanvoerder, en hij herhaalde er zijn eisen.
Re. 11,12 Toen zond Jefta boden naar de koning van de Ammonieten om te vragen: `Wat is er toch tussen ons, dat u mij op mijn eigen gebied komt bestrijden?'
Re. 11,13 De koning van de Ammonieten antwoordde de boden: `U weet dat IsraŽl, toen het uit Egypte trok, mijn land tussen de Arnon, de Jabbok en de Jordaan in bezit heeft genomen. Geef het mij vrijwillig terug.'
Re. 11,14 Opnieuw zond Jefta boden naar de koning van de Ammonieten,
Re. 11,15 met de boodschap: `Zo spreekt Jefta: IsraŽl heeft het gebied van Moab en van de Ammonieten niet in bezit genomen.
Re. 11,16 Bij zijn uittocht uit Egypte is IsraŽl door de woestijn naar de Rietzee getrokken en in Kades gekomen.
Re. 11,17 Vandaaruit heeft IsraŽl boden naar de koning van Edom gezonden met het verzoek: Sta mij toe door uw land te trekken. Maar de koning van Edom wilde daar niet van horen. Ook naar de koning van Moab heeft IsraŽl boden gestuurd, maar ook die liet het niet toe. Zo bleef IsraŽl in Kades.
Re. 11,18 Toen zijn de IsraŽlieten door de woestijn om Edom en Moab heen getrokken en hebben ten oosten van Moab aan de overzij de van de Arnon hun kamp opgeslagen. En aangezien de Arnon de grens van Moab vormt, zijn zij dus niet in Moab geweest.
Re. 11,19 Vandaar hebben de IsraŽlieten boden gezonden naar Sichon, de koning van de Amorieten in Chesbon en hem verzocht: Sta ons toe door uw land naar onze plaats van bestemming te trekken.
Re. 11,20 Maar Sichon geloofde niet dat IsraŽl alleen maar door zijn gebied wilde trekken. Hij riep zijn volk onder de wapenen, sloeg zijn kamp op in Jahas en viel IsraŽl aan.
Re. 11,21 Maar Jahwe, de God van IsraŽl, leverde Sichon en heel zijn leger aan IsraŽl over, zodat zij werden verslagen. Zo hebben de IsraŽlieten het hele land van de Amorieten veroverd die daar woonden.
Re. 11,22 Zij veroverden heel het gebied van de Amorieten, van de Arnon tot de Jabbok, van de woestijn tot de Jordaan.
Re. 11,23 Jahwe, de God van IsraŽl, heeft de Amorieten voor zijn volk IsraŽl verjaagd, en nu zoudt u IsraŽl willen verjagen?
Re. 11,24 U bezit het land dat uw god Kemos u in bezit heeft gegeven. Zo bezitten wij het land dat Jahwe, onze God, ons gegeven heeft.
Re. 11,25 Bent u soms meer dan Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab? Die heeft geen twist met IsraŽl gezocht, die heeft niet tegen IsraŽl gestreden.
Re. 11,26 Het is nu al driehonderd jaar geleden dat IsraŽl zich vestigde in Chesbon en de onderhorige steden, in Aroer en de onderhorige steden en in de steden aan de oever van de Arnon; waarom hebt u die steden toen niet bevrijd?
Re. 11,27 Ik heb u niets misdaan; u doet mij onrecht door mij te bestrijden. Laat Jahwe de Rechter heden uitspraak doen wie gelijk heeft, de IsraŽlieten of de Ammonieten.'
Re. 11,28 Maar de koning van de Ammonieten wilde niet van Jefta's voorstel horen.
Re. 11,29 Toen kwam de geest van Jahwe over Jefta; hij trok door Gilead en Manasse, door Mispa in Gilead, en vandaar naar de Ammonieten.
Re. 11,30 Toen deed Jefta aan Jahwe deze gelofte: `Als Gij de Ammonieten aan mij overlevert
Re. 11,31 en ik behouden van de Ammonieten terugkeer, zal de eerste die uit de deur van mijn huis naar mij toekomt aan Jahwe behoren; ik zal hem als brandoffer opdragen.'
Re. 11,32 Toen trok Jefta ten strijde tegen de Ammonieten. En Jahwe leverde hen aan hem over.
Re. 11,33 Hij sloeg op hen in van Aroer tot aan de weg van Minnit - twintig steden - en tot Abel-keramim; hij bracht hun een zeer zware nederlaag toe. Zo werden de Ammonieten door de IsraŽlieten vernederd.
Re. 11,34 Toen Jefta naar zijn huis in Mispa terugkeerde, kwam zijn dochter de deur uit om hem met tamboerijnen en reidansen tegemoet te gaan. Zij was zijn enig kind; buiten haar had hij geen zonen of dochters.
Re. 11,35 Zodra hij haar zag, scheurde hij zijn kleren en riep uit: `Ach mijn dochter, wat tref je me zwaar: je maakt me diep ongelukkig! Ik heb Jahwe mijn woord gegeven, ik kan niet meer terug.'
Re. 11,36 Zij antwoordde: `Vader, u hebt Jahwe uw woord gegeven. Doe dus met mij wat u beloofd hebt, want Jahwe heeft u wraak laten nemen op de Ammonieten, uw vijanden.'
Re. 11,37 En zij zei tot haar vader: `Ik vraag u alleen nog deze gunst: geef mij twee maanden om met mijn vriendinnen de bergen in te gaan en daar te rouwen omdat ik als maagd moet sterven.'
Re. 11,38 Hij antwoordde: `Doe dat,' en hij liet haar voor twee maanden gaan. En zij ging met haar vriendinnen de bergen in en rouwde daar, omdat zij als maagd moest sterven.
Re. 11,39 Toen zij na twee maanden weer bij haar vader kwam, voltrok hij aan haar de gelofte die hij gedaan had. Zij had nooit gemeenschap gehad met een man. Zo ontstond in IsraŽl de gewoonte
Re. 11,40 dat de meisjes ieder jaar vier dagen lang de dochter van Jefta, de Gileadiet, gaan herdenken.

Re. 12,1 De Efraimieten kwamen bijeen en staken over naar Safon. Zij vroegen aan Jefta: `Waarom hebt u de Ammonieten aangevallen zonder ons te roepen om mee te gaan? Wij steken uw huis boven uw hoofd in brand.'
Re. 12,2 Jefta antwoordde: `Ik en mijn volk hadden een hooglopend verschil met de Ammonieten. Ik heb uw hulp ingeroepen, maar u hebt niets gedaan om mij uit hun handen te bevrijden.
Re. 12,3 Toen ik merkte dat u mij niet te hulp kwam, ben ik met gevaar voor mijn leven tegen de Ammonieten opgerukt, en Jahwe heeft hen aan mij overgeleverd. Wat hebt u dus voor reden om nu aan te vallen?'
Re. 12,4 Jefta riep alle mannen van Gilead bijeen en viel Efraim aan. De mannen van Gilead versloegen de Efraimieten, omdat die gezegd hadden: `Jullie zijn weggelopen Efraimieten.' Gilead ligt midden tussen Efraim en Manasse.
Re. 12,5 Toen bezetten de Gileadieten de oversteekplaatsen van de Jordaan waarlangs de Efraimieten terug moesten. En telkens als Efraimitische vluchtelingen vroegen om de rivier over te mogen, zeiden de mannen van Gilead: `Ben je Efraimiet?' Als hij dan antwoordde van neen,
Re. 12,6 zeiden ze: `Zeg eens, `sjibbolet'. Sprak hij het woord verkeerd uit en zei hij `sibbolet', dan grepen ze hem vast en doodden hem bij de oversteekplaatsen van de Jordaan. Zo vonden toen tweeŽnveertigduizend mannen van Efraim de dood.
Re. 12,7 Zes jaar was Jefta rechter over IsraŽl. Toen stierf Jefta, de Gileadiet, en hij werd begraven in Gilead, in zijn eigen stad.
Re. 12,8 Na hem werd Ibsan uit Betlechem rechter over IsraŽl.
Re. 12,9 Hij had dertig zonen; zijn dertig dochters huwelijkte hij buiten zijn familie uit en voor zijn dertig zonen nam hij dertig meisjes van buiten zijn familie. Zeven jaar was Ibsan rechter over IsraŽl.
Re. 12,10 Toen stierf hij en werd begraven in Betlechem.
Re. 12,11 Na hem werd de Zebuloniet Elon rechter over IsraŽl. Tien jaar was Elon de Zebuloniet rechter.
Re. 12,12 Toen stierf hij en werd begraven in Ajjalon, in Zebulon.
Re. 12,13 Na hem werd Abdon, de zoon van Hillel, uit Piraton rechter over IsraŽl.
Re. 12,14 Hij had veertig zonen en dertig kleinzonen, die zeven tig ezelshengsten bereden. Acht jaar was hij rechter over IsraŽl.
Re. 12,15 en Abdon, de zoon van Hillel, uit Piraton, stierf en werd begraven te Piraton, in het land Efraim, in het gebergte der Amalekieten.

Re. 13,1 De IsraŽlieten deden opnieuw wat Jahwe mishaagt. En Jahwe leverde hen veertig jaar achtereen over aan de Filistijnen.
Re. 13,2 Nu woonde er in Sora een Daniet die Manoach heette. Zijn vrouw was onvruchtbaar en had nooit kinderen gekregen.
Re. 13,3 De engel van Jahwe verscheen aan die vrouw en zei: `Gij zijt altijd onvruchtbaar geweest en hebt nooit een kind gekregen, maar nu zult gij zwanger worden en een zoon ter wereld brengen.
Re. 13,4 Zorgt dat gij geen wijn of sterke drank drinkt en niets eet dat onrein is.
Re. 13,5 Gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen. Over het hoofd van de jongen mag geen scheermes gaan, omdat hij vanaf de schoot van zijn moeder aan God is gewijd. De bevrijding van IsraŽl uit de macht van de Filistijnen zal met hem beginnen.'
Re. 13,6 De vrouw ging dit aan haar man vertellen en zei: `Er is een man Gods bij mij geweest; hij zag er buitengewoon indrukwekkend uit, als een engel van God. Ik heb hem niet durven vragen waar hij vandaan kwam, en hij heeft mij zijn naam niet genoemd.
Re. 13,7 Hij zei tegen mij: Gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen. Van nu af moogt gij geen wijn of sterke drank drinken en niets eten dat onrein maakt; want de jongen zal aan God gewijd zijn vanaf de schoot van zijn moeder tot aan zijn dood.'
Re. 13,8 Toen bad Manoach tot Jahwe en zei: `Heer, laat toch de man Gods die Gij hebt gezonden nog eens bij ons komen en ons zeggen wat wij moeten doen als de jongen eenmaal geboren is.'
Re. 13,9 En God verhoorde het gebed van Manoach, en de engel van God kwam opnieuw bij de vrouw. Zij was op het veld en haar man was niet bij haar.
Re. 13,10 Haastig liep zij naar haar man en zei: `De man die onlangs bij mij geweest is verschijnt mij nu opnieuw.'
Re. 13,11 Manoach ging met zijn vrouw mee en toen hij bij de man gekomen was vroeg hij: `Bent u degene die dat gesprek met deze vrouw heeft gehad?' Hij antwoordde: `Ja, dat ben ik.'
Re. 13,12 Toen zei Manoach: `Wanneer uw belofte vervuld wordt, welke regels moeten dan met die jongen gevolgd worden en welke gedragswijze?'
Re. 13,13 De engel van Jahwe antwoordde: `Uw vrouw moet zich onthouden van alles wat ik genoemd heb:
Re. 13,14 wat van de wijnstokken komt mag zij niet eten, geen wijn of sterke drank mag zij drinken en zij mag niets eten dat haar onrein maakt. Zij moet zich onthouden van alles wat ik haar verboden heb.'
Re. 13,15 Toen zei Manoach tot de engel van Jahwe: `Wij zouden graag zien dat u nog bleef; dan kunnen wij een geitebokje voor u klaar maken.'
Re. 13,16 De engel van Jahwe antwoord de: `Al zoudt u mij hier houden, van uw spijzen eten doe ik niet. Wilt u er een brandoffer van maken, draag het dan aan Jahwe op.' Manoach had geen vermoeden dat het de engel van Jahwe was.
Re. 13,17 Hij vroeg hem: `Hoe is uw naam? Dan kunnen wij u eren als uw belofte in vervulling gaat.'
Re. 13,18 Maar de engel van Jahwe antwoordde: `Wat vraagt u naar mijn naam? Die is te wonderbaarlijk.'
Re. 13,19 Toen droeg Manoach op een rotsblok het geitebokje met een meeloffer aan Jahwe op. En deze deed voor de ogen van Manoach en zijn vrouw iets wonderbaarlijks:
Re. 13,20 in de vlam die van het altaar oplaaide steeg de engel hemelwaarts. Manoach en zijn vrouw zagen het en wierpen zich plat ter aarde.
Re. 13,21 En de engel van Jahwe liet zich aan Manoach en zijn vrouw niet meer zien. Toen begreep Manoach dat het de engel van Jahwe geweest was.
Re. 13,22 Hij zei tot zijn vrouw: `Wij zullen sterven, want wij hebben God gezien.'
Re. 13,23 Maar de vrouw antwoordde: `Als Jahwe ons wilde doden, dan had Hij geen brand - of meeloffer van ons aangenomen: dan had Hij dit alles niet laten zien en ons nu niet deze beloften laten horen.'
Re. 13,24 De vrouw bracht een zoon ter wereld en noemde hem Simson. De jongen groeide op en Jahwe zegende hem.
Re. 13,25 Voor het eerst bewoog de geest van Jahwe hem in Machane-dan, tussen Sora en Estaol.

Re. 14,1 Eens ging Simson naar Timna en hij zag daar een Filistijns meisje.
Re. 14,2 Bij zijn thuiskomst vertelde hij aan zijn ouders: `Ik heb in Timna een Filistijns meisje gezien; neem haar voor mij als vrouw.'
Re. 14,3 Maar zijn vader en zijn moeder zeiden: `Is er dan bij de dochters van je verwanten, bij heel ons eigen volk geen vrouw te vinden, dat je er een zoekt bij de Filistijnen, die onbesnedenen?' Simson antwoordde zijn vader: `Toch wil ik dat u haar neemt; zij bevalt me.'
Re. 14,4 Zijn vader en moeder wisten niet dat Jahwe er de hand in had en dat Hij een gelegenheid zocht om iets tegen de Filistijnen te doen. In die tijd heersten de Filistijnen over IsraŽl.
Re. 14,5 Zo ging Simson met zijn ouders naar Timna. Toen hij bij de wijngaarden van Timna was, kwam er een jonge leeuw brullend op hem af.
Re. 14,6 De geest van Jahwe greep Simson aan en met zijn blote handen verscheurde hij de leeuw, alsof het een geitebokje was. Aan zijn vader en moeder vertelde hij niet wat hij gedaan had.
Re. 14,7 Simson ging verder, sprak met de vrouw, en zij beviel hem.
Re. 14,8 Enige tijd later keerde hij terug om de vrouw te gaan trouwen. Toen hij even van de weg afging om naar de dode leeuw te kijken, vond hij in het kadaver van de leeuw een bijenzwerm en ook honing.
Re. 14,9 Hij liet de honing in zijn handen lopen en zijn weg vervolgend at hij ervan. Toen hij bij zijn ouders kwam, gaf hij hun ook wat honing, zonder te vertellen dat die uit het kadaver van de leeuw gekomen was.
Re. 14,10 Zijn vader ging naar de vrouw, en Simson gaf daar een feest, zoals jonge mannen doen.
Re. 14,11 Toen er na de kennismaking dertig metgezellen waren aangewezen om hem te begeleiden,
Re. 14,12 zei Simson tot hen: `Ik zal u eens een raadsel opgeven. Als u mij binnen de zeven dagen van het feest de oplossing kunt vertellen, krijgt u van mij dertig stel onder - en dertig stel bovenkleren.
Re. 14,13 Kunt u mij de oplossing niet geven, dan krijg ik van u dertig stel onder - en dertig stel bovenkleren.' Zij antwoordden hem: `Laat uw raadsel maar eens horen.'
Re. 14,14 Toen zei Simson: `Uit de verslinder komt voedsel en uit de sterke komt zoetheid. Na drie dagen hadden zij het raadsel nog niet kunnen oplossen.
Re. 14,15 De zevende dag zeiden ze tot de vrouw van Simson: `Jij moet je man zo ver brengen dat hij ons de oplossing van het raadsel vertelt' anders verbranden wij jou en je hele familie. Of heb je ons soms uitgenodigd om ons arm te maken?'
Re. 14,16 Toen kwam de vrouw schreiend bij Simson en zei: `Eigen lijk heb je een hekel aan mij; je houdt niet van me. Je hebt mijn landgenoten een raadsel opgegeven en mij de oplossing niet verteld.' Hij antwoordde haar: `Die heb ik niet eens aan mijn vader en moeder verteld!' Waarom dan aan jou?'
Re. 14,17 Maar zij bleef tot de zeven dagen van het feest onder tranen bij hem aandringen. En omdat ze zo bleef aanhouden vertel de hij haar op de zevende dag de oplossing. Zij bracht die aan haar landgenoten over,
Re. 14,18 en op die zevende dag, nog voor de zon was ondergegaan, zeiden de mannen van Timna tot Simson: `Wat is zoeter dan honing en wat is sterker dan een leeuw?' Hij antwoordde: `Als jullie niet met mijn vaars geploegd hadden, hadden jullie mijn raadsel nooit opgelost.'
Re. 14,19 Toen greep de geest van Jahwe hem aan: hij ging naar Askelon, sloeg dertig mannen dood, nam hun kleren en gaf die aan degenen die hem de oplossing van het raadsel gegeven hadden. En woedend ging hij terug naar het huis van zijn vader.
Re. 14,20 Simsons vrouw werd gegeven aan een van de metgezellen die hem begeleid hadden.

Re. 15,1 Enige tijd daarna, tijdens de tarweoogst, ging Simson zijn vrouw bezoeken; hij had een geitebokje voor haar meegebracht. Toen hij zei: `Laat mij in de kamer van mijn vrouw,' liet haar vader hem niet binnen;
Re. 15,2 hij zei: `Ik was overtuigd dat je een hekel aan haar gekregen had en toen heb ik haar aan een van je metgezellen gegeven. Maar haar jongere zuster is nog mooier dan zij. Laat die in haar plaats je vrouw worden!'
Re. 15,3 Simson zei daarop tot de Filistijnen: `Nu ga ik vrijuit, als ik jullie kwaad doe.'
Re. 15,4 Hij ging weg, ving driehonderd vossen, bond die twee aan twee met de staarten aan elkaar en stak toortsen in de staarten.
Re. 15,5 Toen maakte hij de toortsen aan en liet de vossen los op de rijpe korenvelden van de Filistijnen; zo stak hij de schoven en het ongemaaide koren in brand, en zelfs wijngaarden en olijf tuinen.
Re. 15,6 De Filistijnen vroegen: `Wie zou dat gedaan hebben?' `Simson,' zei men, `de schoonzoon van die man uit Timna; die heeft hem zijn vrouw afgenomen en haar aan een van zijn bruidsjonkers gegeven.' De Filistijnen gingen er op af en verbrandden de vrouw en haar vader.
Re. 15,7 Toen zei Simson: `Als jullie zo optreden, dan rust ik niet voor ik mij heb gewroken.'
Re. 15,8 Hij sloeg er ongenadig op los, en richtte een grote slachting aan. Toen ging hij heen en vond een onderkomen in een rotskloof bij Etam.
Re. 15,9 De Filistijnen rukten uit, sloegen hun kamp op in Juda en drongen door tot in Lechi.
Re. 15,10 De JudeeŽrs vroegen hen: `Waarom bent u tegen ons uitgerukt?' Zij antwoordden: `Om Simson in boeien te slaan en hem betaald te zetten wat hij ons heeft aangedaan.'
Re. 15,11 Daarop trokken de drieduizend JudeeŽrs naar de rots kloof bij Etam en zeiden tot Simson: `U weet toch dat de Filistijnen hier de macht in handen hebben. Hoe hebt u dit kunnen doen?' Hij antwoordde: `Ik heb hun alleen betaald gezet wat zij mij gedaan hebben.'
Re. 15,12 Toen ze zeiden: `Wij zijn hier gekomen om u in boeien te slaan en aan de Filistijnen uit te leveren,' antwoordde Simson: `Zweer dan dat jullie mij niet zelf zult doden.'
Re. 15,13 Zij antwoordden: `Welnee, wij zullen u alleen maar in boeien slaan en uitleveren aan de Filistijnen. Wij zullen u niet doden.' Toen boeiden ze hem met twee nieuwe touwen en voerden hem weg uit de rotskloof.
Re. 15,14 Toen hij in Lechi aankwam en de Filistijnen luid schreeuwend op hem toeliepen, greep de geest van Jahwe hem aan: opeens werden de touwen om zijn armen als vlasdraad dat door het vuur wordt verteerd, en de boeien smolten van zijn handen.
Re. 15,15 Toevallig lag daar een nog verse kinnebak van een ezel; hij pakte die en sloeg er duizend man mee dood.
Re. 15,16 Toen zei Simson: `Met een kinnebak van een ezel, zo maar een ezel, met een ezelskinnebak sloeg ik duizend man dood.'
Re. 15,17 Toen hij dat gezegd had, wierp hij de kinnebak weg, en hij noemde die plaats Ramat-lechi.
Re. 15,18 Simson had hevige dorst gekregen; hij riep tot Jahwe: `Gij hebt uw dienaar deze grote overwinning laten behalen. Moet ik nu van dorst omkomen en in de handen vallen van die onbesnedenen?'
Re. 15,19 Toen deed God de rots bij Lechi splijten en er kwam water uit. Nadat Simson gedronken had, keerden zijn krachten terug en leefde hij weer op. Daarom heet die bron bij Lechi `Bron van de roeper' tot op de huidige dag.
Re. 15,20 Simson was twintig jaar rechter over IsraŽl, in de tijd van de Filistijnen.

Re. 16,1 Op zekere dag ging Simson naar Gaza; daar zag hij een hoer en ging bij haar binnen.
Re. 16,2 Toen het de inwoners van Gaza ter ore kwam dat Simson in de stad was, zetten zij overal posten uit en bleven de hele nacht bij de stadspoort op hem loeren. Zolang het nacht was, deden zij verder niets; zij dachten: `Als het morgenlicht komt vermoorden wij hem.'
Re. 16,3 Tot middernacht bleef Simson slapen, maar toen stond hij op, pakte de beide deuren van de stadspoort vast, met de twee deurposten, rukte ze los, met grendel en al, en droeg ze op zijn schouders naar de top van de berg tegenover Hebron.
Re. 16,4 Enige tijd later werd hij verliefd op een vrouw uit het Sorekdal die Delila heette.
Re. 16,5 De vorsten van de Filistijnen gingen naar die vrouw toe en zeiden: `Probeert u er eens achter te komen wat het geheim is van zijn grote kracht, en hoe wij hem kunnen overmeesteren om hem in de boeien te slaan en machteloos te maken; dan krijgt u elfhonderd sikkel zilver van ieder van ons.'
Re. 16,6 Delila zei dus tegen Simson: `Toe, vertel me toch wat het geheim is van je grote kracht. Waarmee zou men je moeten boeien om je machteloos te maken?'
Re. 16,7 Simson antwoordde: `Als men mij bindt met zeven verse pezen die nog niet zijn gedroogd, dan ben ik even zwak al ieder ander.'
Re. 16,8 De vorsten van de Filistijnen bezorgden haar zeven verse pezen die nog niet gedroogd waren. Daarmee bond zij hem vast,
Re. 16,9 terwijl enkele mannen zich in het vertrek verborgen hielden. Toen riep zij tot Simson: `Daar zijn de Filistijnen!' Maar hij rukte de touwen stuk; ze knapten af als een vlasstreng die vuur ruikt. En het geheim van zijn kracht bleef verborgen.
Re. 16,10 Toen zei Delila tot Simson: `Je hebt me voor de gek gehouden. Je hebt me belogen! Zeg me nu toch waarmee je geboeid zou moeten worden.'
Re. 16,11 Hij antwoordde: `Als men mij stevig bindt met nieuwe koorden, die nog niet zijn gebruikt, dan ben ik even zwak als ieder ander.'
Re. 16,12 Delila nam dus nieuwe koorden en bond hem daarmee, terwijl enkele mannen zich in het vertrek verborgen hielden. Toen riep zij: Simson! Daar zijn de Filistijnen!' Maar hij rukte de koorden van zijn armen, alsof het draadjes waren.
Re. 16,13 Toen zei Delila tot Simson: `Je hebt me weer voor de gek gehouden! Je hebt me weer belogen! Zeg toch waarmee je geboeid zou moeten worden.' Hij antwoordde: `Je moet de zeven vlechten van het weefgetouw halen.'
Re. 16,14 Zij zette dus zijn vlechten vast aan een pin van de weefstoel en riep: `Simson! De Filistijnen!' Hij werd wakker en rukte de pin los, met schering en al.
Re. 16,15 Toen zei Delila: `Je zegt wel dat je van mij houdt, maar in je hart geef je niets om mij. Dit is nu al de derde keer dat je me voor de gek houdt en me niet vertelt wat het geheim van je grote kracht is.'
Re. 16,16 Toen zij hem bleef lastig vallen en dag in dag uit maar aanhield, kon hij het niet meer harden
Re. 16,17 en vertelde hij haar eerlijk: `Mijn hoofdhaar is nog nooit afgeschoren, omdat ik aan God gewijd ben, van de moeder schoot af. Als mijn haren worden afgeschoren verlies ik mijn kracht en ben ik even zwak als ieder ander. `
Re. 16,18 Delila begreep dat hij het haar eerlijk verteld had. Zij liet de vorsten van de Filistijnen roepen en zei hun: `Nu moet u komen, want nu heeft hij het eerlijk verteld.' Zij kwamen naar haar toe en hadden het geld bij zich.
Re. 16,19 Nadat zij Simson op haar knieŽn had laten inslapen, riep zij iemand binnen om de zeven vlechten van zijn hoofdhaar af te scheren. Zo slaagde zij er in, hem machteloos te maken en was hij zijn kracht kwijt.
Re. 16,20 Zij riep: `Simson! Daar zijn de Filistijnen!' Hij werd wakker en dacht: `Ik kom er wel uit, net als de vorige keren; ik schud ze wel van mij af.' Hij wist niet dat Jahwe van hem geweken was.
Re. 16,21 De Filistijnen grepen hem, staken hem de ogen uit, brachten hem naar Gaza en legden hem met twee bronzen kettingen vast. In de gevangenis moest hij de molen draaien.
Re. 16,22 Zijn hoofdhaar begon weer te groeien, zodra het was afgeschoren.
Re. 16,23 De vorsten van de Filistijnen kwamen bijeen om een plechtig offer te brengen aan hun god Dagon en om feest te vieren; ze zeiden: `Onze god heeft Simson, onze vijand, aan ons overgeleverd!'
Re. 16,24 De mensen gingen naar Simson kijken; zij loofden hun god en zeiden: `De grote vijand die ons land verwoestte en velen van ons gedood heeft, is door onze god aan ons overgeleverd.'
Re. 16,25 Toen zij in vrolijke stemming waren gekomen zeiden ze: `Ga Simson halen om voor ons op te treden.' Zij haalden Simson uit de gevangenis en hij trad voor hen op. Toen zij hem daarna tussen de zuilen zetten,
Re. 16,26 zei hij tegen de knecht die hem bij de hand hield: `Laat mij los; ik houd mij wel vast aan de zuilen waarop de tempel rust.'
Re. 16,27 De tempel was vol mannen en vrouwen, en ook alle vorsten van de Filistijnen waren er; en op het dak bevonden zich ongeveer drieduizend mannen en vrouwen die naar het optreden van Simson keken.
Re. 16,28 Toen riep Simson Jahwe aan: `Jahwe, mijn Heer, gedenk mij! O God, geef mij nog een keer mijn kracht terug en laat mij met een slag mij beide ogen op de Filistijnen wreken.'
Re. 16,29 Daarop tastte Simson naar de twee middelste zuilen waar de tempel op rustte en steunde met zijn rechterhand tegen de ene zuil en met zijn linkerhand tegen de andere.
Re. 16,30 Terwijl hij dacht: `Laat mij maar met de Filistijnen sterven,' duwde hij uit alle macht, en de tempel stortte in, op de vorsten en op al het volk dat zich daar bevond. Zo deed hij bij zijn dood meer mensen sterven dan tijdens heel zijn leven.
Re. 16,31 Zijn verwanten, zijn hele familie, kwamen het lijk halen en begroeven het in het graf van zijn vader Manoach tussen Sora en Estaol. Twintig jaar was Simson rechter geweest over IsraŽl.

Re. 17,1 Er was eens een man uit het gebergte van Efraim die Michajehu heette.
Re. 17,2 Deze man zei tot zijn moeder: `Die elfhonderd sikkel zilver die bij u gestolen zijn en waarover u een vloek hebt uitgesproken, die ik ook heb gehoord, dat geld heb ik; ik heb ze gestolen.' Toen zei zijn moeder: `Gezegend zij mijn zoon door Jahwe!'
Re. 17,3 Hij gaf daarop de elfhonderd sikkel aan zijn moeder terug. Deze zei: `Ik wijd dit zilver aan Jahwe en geef het aan mijn zoon om er een metalen beeld van te maken. Ik stel het je dus weer ter hand.'
Re. 17,4 Toen hij echter het geld aan zijn moeder teruggaf, nam zij tweehonderd sikkel en gaf die aan een zilversmid. Die maakte er een metalen beeld van, en dat werd opgesteld in het huis van Michajehu.
Re. 17,5 Deze Micha had een godshuis en maakte daarvoor een efod en huisgoden; een van zijn zoons wijdde hij tot priester.
Re. 17,6 In die tijd was er nog geen koning in IsraŽl; iedereen deed wat hem goeddunkte.
Re. 17,7 Nu was er een jongeman uit Betlehem in Juda, uit een Judeese familie stammend; hij was een leviet en woonde daar als vreemdeling.
Re. 17,8 Op zekere dag ging hij weg om elders een verblijf te zoeken. Op zijn tocht kwam hij bij het huis van Micha in het bergland van Efraim.
Re. 17,9 Micha vroeg hem: `Waar komt u vandaan?' Hij antwoordde: `Ik ben een leviet uit Betlehem in Juda en ik ben op zoek naar een andere verblijfplaats.'
Re. 17,10 Toen zei Micha: `Kom dan bij mij wonen; u kunt een vader en een priester voor mij zijn. Ik geef u tien sikkel per jaar, met kleding en voeding.'
Re. 17,11 Zo besloot die leviet zijn intrek bij die man te nemen, die de jongeman als zijn eigen zoon behandelde.
Re. 17,12 Micha stelde de leviet aan, en de jongeman trad op als zijn priester en woonde bij hem in huis.
Re. 17,13 Toen zei Micha: `Nu ben ik er zeker van, dat Jahwe goed voor mij zal zijn, want ik heb een leviet als priester.'

Re. 18,1 In die tijd, toen er nog geen koning was in IsraŽl, was de stam Dan op zoek naar een eigen gebied om zich daar te vestigen; zij hadden nog steeds geen grondgebied gekregen zoals de andere stammen van IsraŽl.
Re. 18,2 Daarom stuurden de Danieten vijf van hun stamgenoten uit, dappere mannen uit Sora en Estaol, om het land grondig te verkennen, kwamen zij in het bergland van Efraim bij het huis van Micha en brachten daar de nacht door.
Re. 18,3 Terwijl ze zich bij het huis van Micha ophielden, herkenden ze de stem van de jonge leviet. Ze gingen naar hem toe en vroegen: `Wie heeft u hierheen gehaald? Wat doet u hier? Wat zoekt u hier?'
Re. 18,4 Hij vertelde alles wat Micha voor hem gedaan had en besloot: `Hij heeft mij in dienst genomen en ik ben zijn priester.'
Re. 18,5 Toen zeiden ze tot hem: `Wilt u dan God voor ons raad plegen? Wij zouden graag weten of de tocht die wij nu ondernemen zal slagen.'
Re. 18,6 De priester antwoordde: `Gaat u gerust verder: uw tocht staat onder de bescherming van Jahwe.'
Re. 18,7 Toen trokken de vijf mannen verder en kwamen in Lais. Ze zagen dat de mensen van die stad veilig leefden, op de wijze van de Sidoniers, rustig en onbekommerd, en dat er in dat rijke land aan niets gebrek was. Ze woonden ver genoeg van de Sidoniers af en onderhielden met niemand betrekkingen.
Re. 18,8 Toen ze terugkwamen in Sora en Estaol vroegen hun stamgenoten: `Wat hebt u te melden?'
Re. 18,9 Zij antwoordden: `Wij moeten meteen naar Lais trekken. De streek die wij daar gezien hebben is voortreffelijk. Waar wacht u nog op? Aarzelt niet en trekt uit om dat gebied in bezit te nemen.
Re. 18,10 Als u daar komt vindt u er mensen die zich veilig voelen en een uitgestrekt gebied. God levert dat land aan u over, een land waar werkelijk aan niets gebrek is.'
Re. 18,11 Zo gingen uit Sora en Estaol zeshonderd gewapende Danieten op weg.
Re. 18,12 Op hun tocht sloegen zij hun kamp op bij Kirjat-jearim in Juda; daarom heet die plaats nog Kamp van Dan, tot op de huidige dag; ze ligt ten westen van Kirjat-jearim.
Re. 18,13 Vandaar trokken ze het bergland van Efraim in en kwamen bij het huis van Micha.
Re. 18,14 De vijf mannen die het gebied verkend hadden zeiden tegen hun stamgenoten: `Weet u dat er in een van de huizen een efod is, en huisgoden en een metalen godenbeeld? Het is duidelijk wat u te doen staat.'
Re. 18,15 Ze trokken er op af, en bij het huis van de jonge leviet gekomen, het huis van Micha, begroetten zij hem.
Re. 18,16 De zeshonderd gewapende Danieten bleven bij de deur staan.
Re. 18,17 De vijf mannen die het land verkend hadden, gingen naar binnen en namen het godenbeeld weg, de efod en de huisgoden, en het metalen beeld. De priester stond aan de deur, bij de zeshonderd gewapende mannen.
Re. 18,18 Toen zij het heiligdom van Micha binnengedrongen waren en het godenbeeld, de efod, de huisgoden en het metalen beeld wegnamen, riep de priester hun toe: `Wat doet u daar?'
Re. 18,19 Zij antwoordden: `Zwijg, houd uw mond en kom met ons mee; u kunt voor ons een vader en een priester zijn. Het is toch beter, priester te zijn bij een geslacht, een stam van IsraŽl, dan voor het heiligdom van een man?'
Re. 18,20 De priester ging er graag op in; hij nam de efod, de huisgoden en het godenbeeld, en sloot zich bij het leger aan.
Re. 18,21 Zij hervatten hun tocht, maar lieten hun kinderen, hun vee en hun bezittingen voorop gaan.
Re. 18,22 De Danieten waren al een heel eind van Micha's huis verwijderd, toen de buren van Micha te hoop liepen en achter de Danieten aan gingen.
Re. 18,23 Toen zij tegen de Danieten begonnen te schreeuwen, keerden dezen zich om en vroegen aan Micha: `Waarom hebt u al die mensen op de been gebracht?'
Re. 18,24 Hij antwoordde: `U bent er vandoor gegaan met het godenbeeld dat ik heb laten maken en ook nog met mijn priester. Ik heb niets meer over. En dan vraagt u nog: Wat wilt u?'
Re. 18,25 Maar de Danieten zeiden: `Zet niet zo'n grote mond op tegen mensen die vechten voor hun bestaan. Anders slaan wij er op, en dan zou u en uw huisgenoten het leven kosten.'
Re. 18,26 Daarop zetten de Danieten hun tocht voort. En Micha, die zag dat hij niet tegen hen was opgewassen, ging naar huis terug.
Re. 18,27 Zo namen de Danieten het beeld dat Micha had laten maken en diens priester met zich mee. Zij kwamen bij Lais; de bevolking die er rustig en onbekommerd leefde, doodden zij met het zwaard en de stad staken zij in brand.
Re. 18,28 Niemand kwam de stad te hulp, want ze lag te ver van Sidon en ze onderhield geen betrekkingen met de ArameeŽrs; ze lag in het dal van Bet-rechob. De Danieten bouwden de stad weer op, gingen er wonen,
Re. 18,29 en noemden de stad Dan, naar de naam van hun vader die een zoon van IsraŽl was; voordien heette de stad Lais.
Re. 18,30 De Danieten stelden daar het godenbeeld op. Jonatan, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, was de priester van de stam Dan, en zijn zonen bleven priesters van de stam Dan tot het volk in ballingschap ging.
Re. 18,31 Het godenbeeld dat Micha had laten maken bleef bij hen opgesteld zolang het heiligdom in Silo was.

Re. 19,1 In die tijd, toen er nog geen koning in IsraŽl was, woonde er diep in het bergland van Efraim, als vreemdeling, een leviet die een bijvrouw had uit Betlehem in Juda.
Re. 19,2 Die bijvrouw werd hem ontrouw en ging terug naar haar ouderlijk huis in Betlehem in Juda. Zij was daar vier maanden,
Re. 19,3 toen haar man met een knecht en een span ezels naar haar toe ging om haar hart te vermurwen en haar weer mee te nemen. Zij liet hem binnen in het huis van haar vader en toen de vader van de jonge vrouw hem zag, trad hij hem verheugd tegemoet.
Re. 19,4 Op aandringen van zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, bleef hij drie dagen bij hem. Zij aten en dronken en overnachtten er.
Re. 19,5 Op de ochtend van de vierde dag maakte de leviet aanstalten om te vertrekken, maar de vader zei tot zijn schoonzoon: `Verkwik je met een stuk brood voor je weggaat.'
Re. 19,6 Zij gingen weer zitten, en aten en dronken samen. Toen zei de vader van de jonge vrouw tot de man: `Blijf nog een nacht hier; gun je dat genoegen toch.'
Re. 19,7 En ofschoon de leviet al klaar stond om te vertrekken, drong zijn schoonvader zo aan dat hij toch weer bleef overnachten.
Re. 19,8 De vijfde dag wilde hij weer in alle vroegte vertrekken, maar opnieuw zei de vader van de jonge vrouw: `Verkwik je nog wat en wacht tot de namiddag.'
Re. 19,9 Toen zij dan samen hadden gegeten en de man aanstalten maakte om met zijn bijvrouw en zijn knecht te vertrekken, zei zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw: `De dag is nu bijna om: blijf toch nog een nacht. De dag is bijna voorbij; blijf toch hier; gun je dat genoegen; morgen kun je dan vroeg op weg naar huis.'
Re. 19,10 Maar de man wilde niet langer blijven. Hij ging op weg en kwam met zijn span gezadelde ezels en zijn bijvrouw ter hoogte van Jebus, dat wil zeggen Jeruzalem.
Re. 19,11 Toen zij dicht bij Jebus waren, was de dag al ver gevorderd, en de knecht zei tegen zijn heer: `Laat ons toch afslaan naar die stad daar, de stad van de Jebusieten, en laat ons daar overnachten.'
Re. 19,12 Maar zijn heer antwoordde: `Neen, we slaan niet af naar een vreemde stad waar geen IsraŽlieten wonen; we gaan door naar Gibea.'
Re. 19,13 Hij zei tegen zijn knecht: `We moeten tot Gibea of Rama zien te komen en in een van die plaatsen overnachten.'
Re. 19,14 Zij trokken dus verder en zetten hun reis voort. Toen zij in de buurt van Gibea kwamen, ging de zon onder.
Re. 19,15 Zij sloegen af om in Gibea te overnachten. Zij kwamen in de stad en bleven op het plein zitten. Niemand nam hen voor de nacht in zijn huis.
Re. 19,16 Tenslotte kwam er een oude man in de avond terug van zijn werk op het land. Hij was afkomstig uit het bergland van Efraim en woonde als vreemdeling in Gibea; de inwoners zelf waren Benjaminieten.
Re. 19,17 Toen de oude man de reiziger op het plein bemerkte, vroeg hij: `Waar gaat u heen en waar komt u vandaan?'
Re. 19,18 De leviet antwoordde: `We zijn op doorreis van Betlehem in Juda naar een plaats diep in het bergland van Efraim; daar kom ik vandaan. Ik ben naar Betlehem in Juda geweest en ben op weg naar huis; er is wel niemand die mij onderdak geeft,
Re. 19,19 maar wij hebben stro en voer voor onze ezels; ook heb ik brood en wijn voor mijzelf, voor uw dienares en voor de knecht die uw dienaar bij zich heeft. Wij komen dus niets te kort.'
Re. 19,20 Toen zei de oude man: `Wees welkom! Wat u ook nodig hebt, ik zorg ervoor; in geen geval moogt u vannacht op het plein blijven.'
Re. 19,21 Hij nam hem mee naar zijn huis; hij gaf voer aan de ezels; zij wasten hun voeten en aten en dronken.
Re. 19,22 Terwijl zij zich te goed deden werd het huis omsingeld door een troep onverlaten uit de stad; zij bonsden op de deur en riepen tegen de oude man, de eigenaar van het huis: `Breng die gast van u naar buiten; wij willen omgang met hem hebben.'
Re. 19,23 Maar de eigenaar van het huis ging naar buiten en zei: `Neen, broeders! Nu die man in mijn huis te gast is mogen jullie hem geen kwaad doen, en zo iets schandelijks mag je zeker niet doen.
Re. 19,24 Ik zal mijn dochter, die nog maagd is, en de bijvrouw van die man naar buiten brengen; verkracht die maar en doe ermee wat je wilt. Met deze man kunnen jullie zo iets schandelijks niet doen.'
Re. 19,25 De mannen wilden daar niet van horen. Maar toen de leviet zijn bijvrouw vastgreep en naar buiten bracht, hadden zij gemeenschap met haar en misbruikten haar de hele nacht door; pas tegen de ochtend lieten zij haar met rust.
Re. 19,26 Bij het aanbreken van de dag bereikte de vrouw het huis waar haar meester te gast was, maar voor de deur viel zij neer en lag daar tot het dag was.
Re. 19,27 Toen 's morgens haar meester de deur van het huis opendeed om naar buiten te gaan en zijn reis voort te zetten, zag hij daar voor de deur zijn bijvrouw liggen, met haar handen op de drempel.
Re. 19,28 Hij zei tegen haar: `Sta op, wij gaan verder. De man legde haar op zijn ezel en ging naar zijn woonplaats.
Re. 19,29 Zodra hij thuis was, nam hij een mes, sneed het lijk van zijn bijvrouw in twaalf stukken en stuurde die naar alle gebieden van IsraŽl.
Re. 19,30 Iedereen die het zag zei: `Zo iets is nog nooit gebeurd; zo iets hebben wij in IsraŽl nog niet meegemaakt, sinds de dag dat de IsraŽlieten uit Egypte wegtrokken, tot de huidige dag toe. Denkt er over na, beraadt u en neem een beslissing.'

Re. 20,1 Toen gingen alle IsraŽlieten van Dan tot Berseba en Gilead op weg en als een man kwam de hele gemeenschap samen bij Jahwe in Mispa.
Re. 20,2 De leiders van heel het volk, van alle stammen van IsraŽl namen deel aan de vergadering van het volk van God: vierhonderdduizend man voetvolk die het zwaard konden hanteren.
Re. 20,3 De Benjaminieten hoorden dat de IsraŽlieten naar Mispa waren getrokken. De IsraŽlieten zeiden: `Vertel ons hoe het misdrijf zich heeft toegedragen.'
Re. 20,4 De leviet, de man wiens vrouw vermoord was, nam het woord en zei: `Ik was met mijn bijvrouw naar Gibea in Benjamin gegaan om daar de nacht door te brengen.
Re. 20,5 Maar de burgers van Gibea kwamen op mij af en omsingelden 's nacht het huis. Mij hebben ze willen vermoorden en mijn bijvrouw hebben ze zo mishandeld dat zij eraan gestorven is.
Re. 20,6 Toen heb ik haar lijk in stukken gesneden en die gestuurd naar alle delen van het gebied van IsraŽl, omat er een misdaad begaan was, een schanddaad in IsraŽl,
Re. 20,7 IsraŽlieten, gij zijt nu allen hier, beraadt u en neemt een beslissing.'
Re. 20,8 Heel het volk stond als een man op en verklaarde: `Niemand van ons gaat terug naar zijn tent, niemand gaat naar huis!
Re. 20,9 En dit doen wij met Gibea: Wij trekken tegen de stad op in de volgorde die het lot aanwijst.
Re. 20,10 Uit alle stammen van IsraŽl wijzen wij mannen aan, tien op de honderd, honderd op de duizend, duizend op de tienduizend, om proviand te halen voor het leger. Dan zal het leger aan Gibea en Benjamin de schanddaad vergelden die het in IsraŽl begaan heeft.'
Re. 20,11 Zo sloten alle IsraŽlieten zich aaneen om gezamenlijk tegen de stad op te trekken.
Re. 20,12 De stammen van IsraŽl stuurden boden door heel de stam Benjamin en lieten zeggen: `Hoe kon zo iets ergs bij u gebeuren!
Re. 20,13 Lever die onverlaten uit Gibea aan ons over: dan brengen wij hen ter dood en roeien het kwaad in IsraŽl uit.' Maar de Benjaminieten wilden niet luisteren naar de IsraŽlieten, hun broeders.
Re. 20,14 Uit al hun steden kwamen zij naar Gibea om te gaan vechten tegen de IsraŽlieten.
Re. 20,15 Bij de telling van de Benjaminieten die toen werd gehouden, bleken er uit de andere steden zesentwintigduizend mannen te zijn die het zwaard konden hanteren, niet meegerekend de weerbare mannen van Gibea zelf, zevenhonderd in getal.
Re. 20,16 In dat leger waren zevenhonderd linkshandige soldaten, slingeraars, die met hun steen op een haar konden mikken zonder het te missen.
Re. 20,17 Ook de andere IsraŽlieten, zonder Benjamin, werden geteld: het waren vierhonderdduizend mannen die het zwaard konden hanteren, allen weerbare mannen.
Re. 20,18 De IsraŽlieten trokken naar Betel en wendden zich tot God met de vraag: `Wie van ons moet voorop gaan als wij tegen Benjamin optrekken?' Jahwe antwoordde: `Juda gaat voorop.'
Re. 20,19 De volgende morgen sloegen de IsraŽlieten hun kamp op voor Gibea.
Re. 20,20 De IsraŽlieten trokken uit tegen Benjamin en stelden zich op voor de aanval,
Re. 20,21 maar de Benjaminieten kwamen de stad uit en sloegen die dag tweeŽntwintigduizend IsraŽlieten neer.
Re. 20,22 De IsraŽlieten hielden vol en stelden zich weer op voor de strijd, op dezelfde plaats als de vorige dag.
Re. 20,23 Zij gingen naar Jahwe en weeklaagden voor het aanschijn van Jahwe tot de avond. Tenslotte raadpleegden zij Jahwe en vroegen: `Moet ik opnieuw de zonen van mijn broeder Benjamin aanvallen?' En Jahwe zei: `Ja, val hen aan.'
Re. 20,24 De volgende dag gingen de IsraŽlieten weer tot de aanval over,
Re. 20,25 maar ook die tweede dag kwam Benjamin de stad uit en opnieuw sloeg hij achttienduizend IsraŽlieten neer die het zwaard konden hanteren.
Re. 20,26 Toen gingen alle IsraŽlieten, het hele leger, naar Betel. Zij zetten zich neer voor Jahwe en weeklaagden daar. Zij vasten die dag tot de avond en droegen aan Jahwe brand - en slachtoffers op.
Re. 20,27 Tenslotte raadpleegden zij Jahwe. In die tijd stond de ark van het verbond van God in Betel; Pinechas, zoon van Eleazar, de zoon van Ašron, deed er dienst.
Re. 20,28 Zij vroegen: `Moet ik nu nog eens optrekken tegen de zonen van mijn broeder Benjamin of moet ik het opgeven?' Jahwe antwoordde: `Trek op: morgen lever Ik hen aan u over.'
Re. 20,29 Toen legden de IsraŽlieten rondom Gibea troepen in hinderlaag.
Re. 20,30 De derde dag rukten de IsraŽlieten uit tegen de Benjaminieten en stelden zich weer op voor de strijd tegen Gibea, evenals de vorige keren.
Re. 20,31 Ook nu kwamen de Benjaminieten uit de stad, het leger tegemoet; zij lieten zich daarbij ver van de stad weglokken. Eerst ging het net als de vorige keren: zij sloegen enige IsraŽlieten neer op de weg die door het open veld van Gibea naar Betel voert, een dertig man.
Re. 20,32 Toen dachten de Benjaminieten: `Wij hebben hen al weer verslagen, net als de vorige keren.' Maar de IsraŽlieten hadden afgesproken: `Wij gaan op de vlucht en lokken hen van de stad af, de wegen op.'
Re. 20,33 Zo maakten de IsraŽlieten een terugtrekkende beweging en zij stelden zich in Bašl-tamar weer op. Intussen kwamen de verdekt opgestelde IsraŽlieten uit hun schuilplaatsen bij Gibea te voorschijn.
Re. 20,34 Zij drongen door tot vlak voor Gibea, tienduizend weerbare mannen uit heel IsraŽl. De strijd was hevig en de Benjaminieten zagen niet dat hun ondergang nabij was.
Re. 20,35 Onder de ogen van IsraŽl sloeg Jahwe Benjamin en de IsraŽlieten doodden die dag vijfentwintigduizendeenhonderd Benjaminieten die het zwaard konden hanteren.
Re. 20,36 De Benjaminieten zagen dat zij verslagen waren. De IsraŽlieten trokken zich terug, omdat zij rekenden op de troepen die zij bij Gibea in hinderlaag hadden gelegd.
Re. 20,37 Deze troepen rukten snel op Gibea af, overrompelden de stad en doodden alle inwoners met het zwaard.
Re. 20,38 Zij hadden met de IsraŽlieten afgesproken dat ze uit de stad een rooksignaal zouden geven.
Re. 20,39 Nadat het gevecht begonnen was, weken de IsraŽlieten terug. De Benjaminieten, die al een dertigtal van hen gedood hadden, dachten: `Wij hebben hen opnieuw verslagen, net als in het eerste gevecht.'
Re. 20,40 Toen begon uit de stand een rookkolom op te stijgen, het afgesproken signaal. De Benjaminieten keken op en zagen de hele stad in vlammen opgaan.
Re. 20,41 De IsraŽlieten gingen opnieuw tot de aanval over; de Benjaminieten raakten in paniek, want ze zagen dat hun ondergang nabij was.
Re. 20,42 Zij sloegen voor de IsraŽlieten op de vlucht, de kant van de woestijn uit. Ze konden echter de strijd niet ontlopen. De IsraŽlieten uit de stad sneden hun de pas af en sloegen hen neer.
Re. 20,43 Zij sloten de Benjaminieten in, achtervolgden hen en joegen hen voort tot aan de oostzijde van Geba, zonder hun rust te laten.
Re. 20,44 Achttienduizend Benjaminieten sneuvelden, allen strijd bare mannen.
Re. 20,45 De Benjaminieten sloegen op de vlucht, de woestijn in, naar de rots van Rimmon, maar op de weg daarheen wisten de IsraŽlieten nog vijfduizend man van hen te doden. Bij de achtervolging tot Gibeon sloegen zij tweeduizend Benjaminieten neer.
Re. 20,46 Van Benjamin sneuvelden op die dag in totaal vijfentwintigduizend mannen die het zwaard konden hanteren, allen strijdbare mannen.
Re. 20,47 Zeshonderd man sloegen op de vlucht, de woestijn in, naar de rots van Rimmon, en op die rots hielden zij vier maanden lang stand.
Re. 20,48 De IsraŽlieten keerden terug naar de Benjaminieten in de stad en joegen die over de klingen, mensen en dieren, alles wat er te vinden was. Ook alle overige steden gaven zij prijs aan het vuur.

Re. 21,1 In Mispa hadden de IsraŽlieten gezworen dat niemand van hen zijn dochter aan een Benjaminiet ten huwelijk zou geven.
Re. 21,2 Toen ging het volk naar Betel, zette zich daar voor het aanschijn van Jahwe neer en weeklaagde met groot misbaar, tot de avond toe.
Re. 21,3 Ze zeiden: `Jahwe, God van IsraŽl, hoe heeft het zover kunnen komen in IsraŽl, dat er nu een stam van IsraŽl ontbreekt?'
Re. 21,4 De volgende morgen bouwde het volk een altaar en ze droegen brand - en slachtoffers op.
Re. 21,5 Toen vroegen de IsraŽlieten: `Welke stam van IsraŽl is niet naar de vergadering bij Jahwe gekomen?' Er was namelijk plechtig gezworen dat ieder die niet naar Jahwe in Mispa zou komen, ter dood zou gebracht worden.
Re. 21,6 De IsraŽlieten hadden medelijden met hun broeder Benjamin: `Nu is er een stam uit IsraŽl weggesneden.
Re. 21,7 Kunnen wij nog iets doen om voor de overlevenden vrouwen te vinden, ook al hebben wij bij Jahwe gezworen dat wij onze dochters niet aan hen ten huwelijk geven?'
Re. 21,8 Daarom vroegen zij: `Welke stam van IsraŽl is niet naar Jahwe in Mispa gekomen?' Het bleek dat van Jabes in Gilead niemand naar het kamp was gekomen, ter vergadering.
Re. 21,9 Het volk werd geteld: uit Jabes in Gilead was niemand aanwezig.
Re. 21,10 Daarop stuurde de vergadering er twaalfduizend strijd bare mannen heen, met het bevel: `Doodt de inwoners van Jabes in Gilead met het zwaard, ook de vrouwen en kinderen.
Re. 21,11 Zo moet u het doen: Alle mannen moet u met de ban slaan en ook de vrouwen die gemeenschap gehad hebben met een man.'
Re. 21,12 Onder de inwoners van Jabes in Gilead vonden zij vier honderd huwbare meisjes die nog geen gemeenschap met een man gehad hadden. Die namen ze mee naar het kamp in Silo, in Kanašn.
Re. 21,13 Toen zond de hele vergadering mannen naar de Benjaminieten op de rots van Rimmon om met hen te onderhandelen en vrede te sluiten.
Re. 21,14 De Benjaminieten keerden daarop terug en zij kregen de vrouwen van Jabes in Gilead die in leven waren gelaten. Maar er waren niet genoeg vrouwen voor al de Benjaminieten.
Re. 21,15 Het volk had medelijden met Benjamin, omdat Jahwe een bres had geslagen in de stammen van IsraŽl.
Re. 21,16 Daarom vroegen de oudsten in de vergadering: `Hoe kunnen wij de overlevenden aan vrouwen helpen, nu in Benjamin de vrouwen gedood zijn?'
Re. 21,17 Zij zeiden: `Het bezit van de overlevenden behoort aan Benjamin. Er mag geen stam uit IsraŽl verdwijnen.
Re. 21,18 Maar wij mogen hun onze dochters niet ten huwelijk geven, nu IsraŽl gezworen heeft: Vervloekt degene die aan een Benjaminiet een vrouw ten huwelijk geeft.'
Re. 21,19 Toen dachten ze aan het jaarlijkse feest ter ere van Jahwe in Silo. Silo ligt ten noorden van Betel, ten oosten van de weg Betel-sichem en ten zuiden van Lebona.
Re. 21,20 En zij droegen de Benjaminieten op: `Jullie gaan in de wijngaarden op de loer liggen
Re. 21,21 en als jullie de meisjes van Silo uit de stad zien komen om een rondedans uit te voeren, komen jullie te voorschijn. Dan grijpt ieder een meisje uit Silo en neemt haar als vrouw maar naar Benjamin.
Re. 21,22 En als hun vaders of broers zich bij ons komen beklagen, dan zeggen wij: Wees hun ter wille, want niet iedereen heeft in de oorlog een vrouw kunnen bemachtigen. En tenslotte hebt u ze niet zelf aan hen ten huwelijk gegeven en bezondigt u zich dus niet.'
Re. 21,23 De Benjaminieten deden dat. Ieder greep een van de dansende meisjes en zij namen die als hun vrouwen mee naar hun eigen gebied. Zij bouwden hun steden op en gingen er weer wonen.
Re. 21,24 Toen gingen de IsraŽlieten daar vandaan, ieder naar zijn eigen stam en familie. Zij gingen daar vandaan, ieder naar zijn eigen gebied.
Re. 21,25 In die tijd was er in IsraŽl nog geen koning; iedereen deed wat hem goed leek.

Ruth

Ruth. 1,1 In de tijd van de rechters brak er in het land een hongersnood uit. Een man trok weg uit Betlehem in Juda en hij vestigde zich, met zijn vrouw en zijn twee zonen, als vreemdeling in de vlakte van Moab.
Ruth. 1,2 De naam van die man was Elimelek; zijn vrouw heette Noomi; de twee zonen heetten Machlon en Kiljon. Het waren Efratieten uit Betlehem in Juda. Zij kwamen in de vlakte van Moab en bleven daar wonen.
Ruth. 1,3 Elimelek, de man van Noomi, stierf en zij bleef achter met haar zonen.
Ruth. 1,4 Dezen trouwden beiden met een Moabitische vrouw; de ene vrouw heette Orpa, de andere Ruth. h. Ongeveer tien jaar woonden zij daar.
Ruth. 1,5 Toen stierven ook Machlon en Kiljon en bleef de vrouw alleen achter, beroofd van haar beide zonen en haar man.
Ruth. 1,6 Samen met haar schoondochters vertrok zij uit de vlakte van Moab, want zij had daar gehoord dat Jahwe zich het lot van zijn volk had aangetrokken en het weer brood gaf.
Ruth. 1,7 Zij verliet dus, samen met haar beide schoondochters, de plaats waar zij gewoond had,
Ruth. 1,8 Maar op de terugweg naar Juda zei Noomi tot haar beide schoondochters ` Ga liever terug naar het huis van je moeder. Moge Jahwe tegenover jullie trouw blijven, zoals jullie het zijn gebleven tegenover de doden en mij.
Ruth. 1,9 Jahwe geve ieder van jullie een man, in wiens huis je rust zult vinden. ' Daarop kuste zij hen.
Ruth. 1,10 Maar zij begonnen luid te schreien en zeiden ` Neen, wij willen met u terugkeren naar uw volk. '
Ruth. 1,11 Maar Noomi drong aan ` Gaat toch terug, mijn dochters! Waarom zouden jullie met mij meegaan? Heb ik dan nog zonen in mijn schoot, die jullie mannen kunnen worden?
Ruth. 1,12 Gaat toch terug, mijn dochters. Ik ben immers te oud om nog een man te krijgen. En al zou ik zeggen Er is nog hoop voor mij, en al zou ik nog vannacht een man hebben en zonen krijgen,
Ruth. 1,13 wachten jullie dan tot ze groot zijn? Zouden jullie er zo lang in berusten, aan geen man toe te behoren? Neen, mijn dochters, mijn lot is te bitter voor jullie, want Jahwe's hand heeft zich tegen mij gekeerd. '
Ruth. 1,14 Maar zij bleven luid schreien. Tenslotte kuste Orpa haar schoonmoeder vaarwel, maar Ruth. h klemde zich aan haar vast.
Ruth. 1,15 Noomi zei ` Je schoonzuster keert terug naar haar volk en haar goden. Ga toch met haar mee! '
Ruth. 1,16 Maar Ruth. h antwoordde ` Dring er niet langer op aan dat ik u verlaat en terugkeer, zo ver van u weg. Waar u gaat, ga ik; waar u blijft, blijf ik. Uw volk is mijn volk, uw God mijn God.
Ruth. 1,17 Waar u sterft zal ik sterven en daar ook begraven worden. Jahwe moge mij dit aandoen en nog erger, wanneer iets anders dan de dood ons zou scheiden. '
Ruth. 1,18 Noomi zag dat Ruth. h vastbesloten was, met haar mee te gaan en zij drong niet langer aan.
Ruth. 1,19 Samen trokken zij verder tot zij in Bethlehem waren. Hun komst bracht de hele stad in beroering; de vrouwen zeiden
Ruth. 1,20 ` Maar dat is Noomi! ' Zij antwoordde ` Noem mij niet langer Noomi; noem mij liever Mara, want de Almachtige heeft mij een bitter lot gegeven.
Ruth. 1,21 Rijk ben ik hier weggegaan, met lege handen laat Jahwe mij terugkomen. Waarom mij nog Noomi noemen, nu Jahwe tegen mij heeft getuigd en de Almachtige mij zo slecht heeft behandeld? '
Ruth. 1,22 Zo keerde Noomi, samen met haar schoondochter Ruth. h, de Moabitische, uit de vlakte van Moab terug. Zij kwamen in Betlehem aan bij het begin van de gersteoogst.

Ruth. 2,1 Nu was Noomi van de kant van haar man verwant aan een zekere Boaz, een vermogend man uit de familie van Elimelek.
Ruth. 2,2 Ruth. h, de Moabitische, zei tot Noomi: ` Ik zou wel naar het land willen gaan om ergens achter een maaier, die mij dat toestaat, aren te lezen. ' Noomi antwoordde: ` Doe dat, mijn dochter. '
Ruth. 2,3 Zij ging dus naar het land om aren te lezen achter de maaiers. Het toeval wilde dat ze terecht kwam op de akker van Boaz, die man uit de familie van Elimelek.
Ruth. 2,4 In de loop van de dag kwam ook Boaz zelf uit Betlehem. Hij zei tegen de maaiers: ` Jahwe zij met u ', en de maaiers antwoordden: ` Wees gezegend door Jahwe. '
Ruth. 2,5 Boaz richtte zich tot de knecht die de leiding had over de maaiers en vroeg: ` Van wie is die jonge vrouw? '
Ruth. 2,6 De knecht die de leiding over de maaiers had antwoordde: ` Het is die jonge Moabitische, die met Noomi is meegekomen uit de vlakte van Moab.
Ruth. 2,7 Zij vroeg of zij aren mocht lezen achter de maaiers. Sinds zij vanmorgen hier is gekomen, is zij onafgebroken bezig geweest en heeft zij zich amper rust gegund. '
Ruth. 2,8 Toen richtte Boaz zich tot Ruth. h en zei: ` Hoor eens, mijn dochter, je moet niet op een andere akker gaan lezen. Ga hier niet vandaan en sluit je aan bij mijn meiden.
Ruth. 2,9 Volg ze op de voet en houd je ogen gevestigd op de akker die gemaaid wordt. Ik heb mijn knechten opdracht gegeven, je te laten begaan. En als je dorst krijgt, ga dan naar de waterkruiken en drink van het water dat de knechten geput hebben. '
Ruth. 2,10 Ruth. h wierp zich diep gebogen ter aarde en zei: ` Waaraan heb ik het verdiend dat u zo goed voor mij bent? Ik ben toch maar een vreemdeling. '
Ruth. 2,11 Boaz gaf haar ten antwoord: ` Er is mij uitvoerig verteld wat je na de dood van je man allemaal voor je schoon moeder gedaan hebt; vader, moeder en geboorteland heb je verlaten om naar een volk te gaan dat je tevoren onbekend was.
Ruth. 2,12 Jahwe, de God van IsraŽl, onder wiens vleugels je een toevlucht gezocht hebt, moge je dat vergelden en niets laten ontbreken aan je loon. '
Ruth. 2,13 Ruth. h antwoordde: ` U bent goed voor mij geweest, mijn heer, door mij gerust te stellen en zo vriendelijk tot uw dienares te spreken, terwijl ik niet eens een van uw dienaressen ben. '
Ruth. 2,14 Toen het etenstijd was, zei Boaz tot haar: ` Kom erbij, dan kun je met ons eten en je brood dopen in de azijn. ' Zij ging bij de maaiers zitten en Boaz gaf haar gepoft graan. Zij at tot ze verzadigd was en hield nog over.
Ruth. 2,15 Toen zij opstond om weer aren te gaan lezen, gaf Boaz zijn knechten bevel: ` Ook rondom de schoven mag zij lezen en jullie mogen het haar niet lastig maken;
Ruth. 2,16 integendeel, trek opzettelijk wat aren uit de schoven en laat die vallen; en als zij die opraapt maak er dan geen aanmerking op. '
Ruth. 2,17 Zo bleef zij tot de avond aren lezen op het land. Toen klopte zij de aren leeg die ze had bijeengelezen; zij had bijna een hele efa gerst
Ruth. 2,18 en ging daarmee naar de stad. Toen haar schoonmoeder zag, hoeveel zij verzameld had, en toen Ruth. h ook nog het over schot van de overvloedige maaltijd voor den dag haalde en haar dit gaf,
Ruth. 2,19 zei haar schoonmoeder: ` Waar heb jij vandaag aren gelezen? Waar heb je gewerkt? Gezegend de man die zo vriendelijk voor je geweest is. ' Ruth. h vertelde haar schoonmoeder, bij wie ze gewerkt had. ` De man bij wie ik vandaag gewerkt heb, ' zei ze, ` heet Boaz. '
Ruth. 2,20 Noomi zei tot haar schoondochter: ` Moge die man gezegend worden door Jahwe die tegenover de levenden en de doden zijn trouw handhaaft. ' Zij vervolgde: ` Die man is met ons verwant; hij is een van degenen die familieverplichtingen tegenover ons hebben. '
Ruth. 2,21 Ruth. h, de Moabitische, zei: ` Hij heeft mij zelfs gezegd dat ik mij bij zijn knechten kon aansluiten totdat zij al zijn koren gemaaid hebben. '
Ruth. 2,22 Noomi antwoordde: ` Het is goed, mijn dochter, dat je met zijn meiden meegaat. Op een andere akker zouden ze wel eens moeilijkheden kunnen maken. '
Ruth. 2,23 Ruth. h bleef dus bij de meiden van Boaz om tot het einde van de gerst - en tarweoogst aren te lezen. Zij bleef bij haar schoonmoeder wonen.

Ruth. 3,1 Op een zekere dag zei Noomi, de schoonmoeder van Ruth. h: ` Mijn dochter, ik zou voor jou toch een onderdak moeten zoeken, waar je gelukkig kunt zijn.
Ruth. 3,2 Je weet dat Boaz, bij wiens dienstmeiden jij geweest ben, een familielid is. Nu gaat hij vannacht op de dorsvloer de gerst wannen.
Ruth. 3,3 Was je en parfumeer je, doe je mantel om en ga naar de dorsvloer, maar zorg ervoor dat de man je niet opmerkt, voor hij klaar is met eten en drinken.
Ruth. 3,4 Wanneer hij zich te slapen legt, let dan goed op, waar hij gaat liggen. Dan ga jij erheen, je slaat de deken van zijn voeten op en je legt je daar neer. Hij zal je wel duidelijk maken wat je moet doen. '
Ruth. 3,5 Ruth. h antwoordde: ` Ik zal doen wat u mij zegt. '
Ruth. 3,6 Zij ging naar de dorsvloer en deed wat haar schoonmoeder had gezegd.
Ruth. 3,7 Boaz at en dronk, en welgemoed ging hij daarna slapen, tegen de schelf aan. Zachtjes liep Ruth. h naar hem toe, sloeg de deken van zijn voeten op en legde zich neer.
Ruth. 3,8 Midden in de nacht schrok Boaz wakker: hij ging overeind zitten en zag aan zijn voeten een vrouw liggen. Hij vroeg:
Ruth. 3,9 ` Wie bent u? ' Zij antwoordde: ` Ik ben Ruth. h, uw dienares. Spreid uw mantel uit over uw dienares, want u hebt familie verplichtingen tegenover mij. '
Ruth. 3,10 Hij zei: ` Mijn dochter, wees gezegend door Jahwe! Dit bewijs van trouw is nog mooier dan het vorige; je hebt geen jonge mannen nagelopen, geen arme en geen rijke.
Ruth. 3,11 Maak je niet ongerust, mijn dochter; ik zal doen wat je van mij vraagt; iedereen in de poort weet immers dat je een voortreffelijke vrouw bent.
Ruth. 3,12 Maar al is het waar dat ik familieverplichtingen tegen over je heb, er is nog iemand anders die deze verplichtingen heeft en die nader aan je verwant is dan ik.
Ruth. 3,13 BLIJF vannacht maar hier. Blijkt morgen dat die man zijn verplichtingen tegenover jou wil nakomen, goed, laat hij ze nakomen. Is hij er niet toe bereid, dan zal ik, zo waar Jahwe leeft, mijn verplichtingen tegenover jou nakomen. Slaap nu maar rustig tot het ochtend is. '
Ruth. 3,14 Zij bleef tot de ochtend aan zijn voeten liggen en nog voor het zo licht werd dat men iemand kon herkennen stond zij op, want Boaz had gezegd: ` Niemand mag weten dat de vrouw op de dorsvloer geweest is. '
Ruth. 3,15 Hij zei tot Ruth. h: ` Kom hier met je omslagdoek en houd hem open. ' Zij hield hem open en hij mat zes maten eerst af en deed die erin. Daarna ging zij naar de stad.
Ruth. 3,16 Toen zij bij haar schoonmoeder aankwam, vroeg deze: ` Hoe is het je vergaan, mijn dochter? ' Zij vertelde wat de man voor haar gedaan had en zei:
Ruth. 3,17 ` Hij heeft me zes maten gerst meegegeven en erbij gezegd: Jij mag bij je schoonmoeder niet met lege handen aankomen! '
Ruth. 3,18 Noomi antwoordde: ` Blijf nu maar hier, mijn dochter, tot je weet hoe de zaak haar beslag heeft gekregen. Die man zal niet rusten; hij brengt de zaak vandaag nog in orde.

Ruth. 4,1 Intussen was Boaz naar de stadspoort gegaan en had daar plaatsgenomen. Toen hij de man voorbij zag komen die familie verplichtingen tegenover Ruth. h had en over wie hij had gesproken, riep hij: ` Zeg Dinges, kom eens hier en ga zitten! ' De man kwam en ging zitten.
Ruth. 4,2 Daarop haalde Boaz er tien oudsten van de stad bij en verzocht hun plaats te nemen. Toen zij waren gaan zitten
Ruth. 4,3 zei hij tot de man die tegenover Ruth. h familieverplichtingen had: ` Het stuk land dat eigendom was van onze broeder Elimelek wordt te koop aangeboden door Noomi, die teruggekeerd is uit de vlakte van Moab.
Ruth. 4,4 Ik heb gemeend u dit te moeten mededelen en u te moeten zeggen: Koop dat stuk land, ten overstaan van hen die hier zitten, ten overstaan van de oudsten van het volk. Wilt u van uw recht gebruik maken, doe het dan. Wilt u het niet, zeg het mij dan, want na u heeft niemand hier rechten dan ik. ' De man antwoordde: ` Ik laat mijn recht gelden. '
Ruth. 4,5 Maar Boaz zei: ` Op het ogenblik dat u van Noomi de akker koopt, koopt u meteen Ruth. h, de Moabitische, de vrouw van de overledene, om de naam van de overledene op zijn erfdeel te laten voortbestaan. '
Ruth. 4,6 Toen verklaarde de man die familieverplichtingen had tegenover Ruth. h: ` Dan kan ik mijn recht niet laten gelden. Het zou de ondergang van mijn familiebezit worden. Neemt u mijn rechten maar over; ik kan mijn verplichtingen niet nakomen. '
Ruth. 4,7 - Bij terugkoop of ruil bestond vroeger in IsraŽl het volgende gebruik: om de zaak rechtsgeldig te maken deed de ene partij een sandaal uit en gaf die aan de andere. Zo werd in IsraŽl een overeenkomst bekrachtigd.
Ruth. 4,8 De man dus die aanspraak kon maken op de koop zei tegen Boaz: ` Koopt u die grond maar! ' En hij deed zijn sandaal uit.
Ruth. 4,9 Boaz van zijn kant zei tot de oudsten en tot heel het volk: ` Bij dezen bent u getuigen dat ik van Noomi het hele bezit van Elimelek koop, met alles wat heeft toebehoord aan Kiljon en Machlon.
Ruth. 4,10 Bij deze koop is Ruth. h ingesloten, de Moabitische, de weduwe van Machlon: ik neem haar als vrouw, om de naam van de overledene op zijn erfdeel te laten voortbestaan, zodat die naam niet verdwijnt uit zijn familie en uit de poort van zijn stad. Bij dezen bent u getuigen. '
Ruth. 4,11 Het volk dat in de poort bijeen was en de oudsten riepen uit: ` Wij zijn er getuigen van! Jahwe make van de vrouw die uw huis binnentreedt, een Rachel en een Lea, die samen het huis van IsraŽl hebben gebouwd. Werd machtig in Efrata en vestig uw naam in Betlehem.
Ruth. 4,12 Uw huis worde als dat van Peres, de zoon van Tamar en Juda, door de kinderen die Jahwe u uit deze jonge vrouw zal geven. '
Ruth. 4,13 Zo nam Boaz Ruth. h tot vrouw. Hij had gemeenschap met haar; door Jahwe's gunst werd zij zwanger en baarde een zoon.
Ruth. 4,14 Toen zeiden de vrouwen tot Noomi: ` Gezegend zij Jahwe, die u nu toch nog een erfgenaam heeft geschonken, wiens naam in IsraŽl zal gevestigd zijn.
Ruth. 4,15 Hij zal u doen herleven en u een steun zijn op uw oude dag, want uw schoondochter, die zoveel van u houdt, heeft hem gebaard: zij betekent meer voor u dan zeven zonen. '
Ruth. 4,16 Noomi nam het kind op haar schoot en verzorgde het.
Ruth. 4,17 De buurvrouwen gaven het kind een naam en zeiden: ` Noomi is een zoon geboren. ' Zij noemden het kind Obed. Hij is de vader van Isai, de vader van David.
Ruth. 4,18 Dit zijn de nakomelingen van Peres. Peres verwekte Chesron,
Ruth. 4,19 Chesron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab,
Ruth. 4,20 Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salma,
Ruth. 4,21 Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed,
Ruth. 4,22 Obed verwekte Isai en Isai verwekte David.

<< Jozua Index Oude Testament Ruth >>