Start
Omhoog

Op onderstaande pagina vind je de volledige Bijbel.

Misschien handig voor bijbelstudie of om dingen op te zoeken.

 

HET OUDE TESTAMENT

 

Genesis

Gen. 1,1 In het begin schiep God de hemel en de aarde.
Gen. 1,2 De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de Geest van God zweefde over de wateren.
Gen. 1,3 Toen sprak God: `Er moet licht zijn!' En er was licht.
Gen. 1,4 En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis;
Gen. 1,5 het licht noemde God dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de eerste dag.
Gen. 1,6 God sprak: `Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.'
Gen. 1,7 En God maakte het uitspansel; Hij scheidde het water onder het uitspansel van het water erboven. Zo gebeurde het.
Gen. 1,8 Het uitspansel noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de tweede dag.
Gen. 1,9 God sprak: `Het water onder de hemel moet naar een plaats samenvloeien, zodat het droge zichtbaar wordt.' Zo gebeurde het.
Gen. 1,10 Het droge noemde God land, en het samengevloeide water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was.
Gen. 1,11 God sprak: `Het land moet zich tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.' Zo gebeurde het.
Gen. 1,12 En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was.
Gen. 1,13 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de derde dag.
Gen. 1,14 God sprak: `Er moeten lichten zijn aan het hemelgewelf, die de dag van de nacht zullen scheiden; zij moeten als tekens dienen, zowel voor de feesten als voor de dagen en de jaren
Gen. 1,15 en tevens als lampen aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten.' Zo gebeurde het.
Gen. 1,16 God maakte de twee grote lampen, de grootste om over de dag te heersen, de kleinste om te heersen over de nacht, en Hij maakte ook de sterren.
Gen. 1,17 God gaf ze een plaats aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten,
Gen. 1,18 om te heersen over de dag en over de nacht, en om het licht en de duisternis uiteen te houden. En God zag dat het goed was.
Gen. 1,19 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vierde dag.
Gen. 1,20 God sprak: `Het water moet wemelen van dieren, en boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf.'
Gen. 1,21 Toen schiep God de grote gedrochten van de zee en al de krioelende dieren, waar het water van wemelt, soort na soort, en al de gevleugelde dieren, soort na soort. En God zag dat het goed was.
Gen. 1,22 God zegende ze en Hij sprak: `Wees vruchtbaar en word talrijk; gij moet het water van de zee bevolken, en de vogels moeten talrijk worden op het land.'
Gen. 1,23 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vijfde dag.
Gen. 1,24 God sprak: `Het land moet levende wezens voortbrengen van allerlei soort: tamme dieren, kruipende dieren en wilde beesten van allerlei soort.' Zo gebeurde het.
Gen. 1,25 God maakte de wilde beesten, soort na soort, de tamme dieren soort na soort, en alles wat over de grond kruipt, soort na soort. En God zag dat het goed was.
Gen. 1,26 God sprak: `Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.'
Gen. 1,27 En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.
Gen. 1,28 God zegende hen, en God sprak tot hen: `Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.'
Gen. 1,29 En God sprak: `Hierbij geef Ik alle zaadvormende gewassen op de hele aardbodem aan u, en alle bomen met zaaddragende vruchten; zij zullen u tot voedsel dienen.
Gen. 1,30 Maar aan alle wilde beesten, aan alle vogels van de lucht en aan alles wat over de grond kruipt, aan al wat dierlijk leven heeft, geef Ik al het groene gewas als voedsel. Zo gebeurde het.
Gen. 1,31 God bezag alles wat Hij gemaakt had, en Hij zag dat het heel goed was. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de zesde dag.
Gen. 2,1 Zo werden de hemel en de aarde voltooid, en alles waarmee ze toegerust zijn.
Gen. 2,2 Op de zevende dag bracht God het werk dat Hij verricht had tot voltooiing. Hij rustte op de zevende dag van al het werk dat Hij verricht had.
Gen. 2,3 God zegende de zevende dag en maakte hem heilig, want op die dag rustte God van al het werk dat Hij scheppend tot stand had gebracht.
Gen. 2,4 Dit is de geschiedenis van het ontstaan van de hemel en aarde, zoals ze geschapen zijn. Toen Jahwe God de aarde en de hemel maakte,
Gen. 2,5 waren er op aarde nog geen wilde planten en groeide er geen enkel veldgewas, want Jahwe God had nog geen regen op de aarde laten vallen en er was nog geen mens om de grond te bebouwen,
Gen. 2,6 om het water uit de aarde omhoog te halen en de aardbodem te bevloeien.
Gen. 2,7 Toen boetseerde Jahwe God de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen.
Gen. 2,8 Daarna legde Jahwe God een tuin aan in Eden, ergens in het oosten, en daarin plaatste hij de mens die Hij geboetseerd had.
Gen. 2,9 Jahwe God liet uit de grond allerlei bomen opschieten, aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten; daarbij was ook de boom van het leven midden in de tuin en de boom van de kennis van goed en kwaad.
Gen. 2,10 Uit Eden stroomt de rivier die water geeft aan de tuin; hij splitst zich in vier armen.
Gen. 2,11 De naam van de eerste is Pison, hij stroomt om geheel Chawila heen, waar goud is;
Gen. 2,12 het goud van dat land is voortreffelijk; en ook balsem hars en edelstenen worden er gevonden.
Gen. 2,13 De tweede heet Gichon, hij stroomt om geheel Kus heen.
Gen. 2,14 De derde heet Tigris; hij loopt ten oosten van Assur. De vierde is de Eufraat.
Gen. 2,15 Toen bracht Jahwe God de mens in de tuin van Eden, om die te bewerken en te beheren.
Gen. 2,16 En Jahwe God gaf de mens dit gebod: `Van al de bomen in de tuin moogt ge vrij eten,
Gen. 2,17 maar van de boom van de kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten, want op de dag dat gij daarvan eet, moet ge sterven.'
Gen. 2,18 Jahwe God sprak: `Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past.
Gen. 2,19 Toen boetseerde Jahwe God uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht, en bracht die bij de mens, om te zien hoe zij ze noemen zou: zoals de mens ze zou noemen, zo zouden ze heten.
Gen. 2,20 De mens gaf dus namen aan al de tamme dieren en aan al de vogels van de lucht en aan al de wilde beesten; maar een hulp die bij hem paste vond de mens niet.
Gen. 2,21 Toen liet Jahwe God de mens in een diepe slaap vallen; en terwijl hij sliep, nam Hij een van zijn ribben weg en zette er vlees voor in de plaats.
Gen. 2,22 Daarna vormde Jahwe God uit de rib die Hij bij de mens had weggenomen, een vrouw, en bracht haar naar de mens.
Gen. 2,23 Toen sprak de mens: `Eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees! Mannin zal zij heten, want uit een man is zij genomen.'
Gen. 2,24 Zo komt het dat een man zijn vader en zijn moeder verlaat en zich zo aan zijn vrouw hecht, dat zij volkomen een worden.
Gen. 2,25 Zij waren beiden naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij voelden geen schaamte voor elkaar.
Gen. 3,1 Van alle dieren, die Jahwe God gemaakt had, was er geen zo sluw als de slang. Ze zei tot de vrouw: `Heeft God werkelijk gezegd dat u van geen enkele boom in de tuin mag eten?'
Gen. 3,2 De vrouw zei tot de slang: `Wij mogen wel eten van de vruchten van de bomen in de tuin.
Gen. 3,3 God heeft alleen gezegd: Van de vruchten van de boom die midden in de tuin staat moogt ge niet eten; gij moogt ze zelfs niet aanraken; anders zult gij sterven.'
Gen. 3,4 Maar de slang zei tot de vrouw: 'U zult helemaal niet sterven!
Gen. 3,5 God weet dat uw ogen open zullen gaan als u eet van die boom, en dat u dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad.'
Gen. 3,6 Toen zag de vrouw dat het goed eten was van die boom, en dat hij een lust was voor het oog, en hoe aantrekkelijk het was er inzicht door te krijgen. Zij plukte dus een vrucht en zij at ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at ervan.
Gen. 3,7 Nu gingen hun beiden de ogen open en zij ontdekten dat zij naakt waren. Daarom hechtten ze vijgenbladen aaneen en maakten daar lendenschorten van.
Gen. 3,8 Toen zij, bij het opkomen van de middagwind, de donder van Jahwe God in de tuin hoorden klinken, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor Jahwe God tussen de bomen van de tuin.
Gen. 3,9 Maar Jahwe God riep de mens en vroeg hem: `Waar zijt gij?'
Gen. 3,10 Hij antwoordde: `Ik hoorde uw donder in de tuin, en toen werd ik bang, omdat ik naakt ben; daarom heb ik mij verborgen.'
Gen. 3,11 Maar Hij zei: `Wie heeft u verteld dat gij naakt zijt? Hebt ge soms gegeten van de boom die ik u verboden heb?'
Gen. 3,12 De mens antwoordde: `De vrouw die Gij mij als gezellin gegeven hebt, zij heeft mij van die boom gegeven, en toen heb ik gegeten.'
Gen. 3,13 Daarop vroeg Jahwe God aan de vrouw: `Hoe hebt gij dat kunnen doen?' De vrouw zei: `De slang heeft mij verleid, en toen heb ik gegeten.'
Gen. 3,14 Jahwe God zei toen tot de slang: `Omdat ge dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt, onder alle tamme dieren en onder alle wilde beesten! Op uw buik zult ge kruipen en stof zult ge vreten, alle dagen van uw leven!
Gen. 3,15 Vijandschap sticht ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare. Het zal uw kop bedreigen, en gij zijn hiel!'
Gen. 3,16 En tot de vrouw heeft Hij gezegd: `Zeer zwaar zal ik maken de lasten van uw zwangerschap: met pijn zult gij kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, hoewel hij over u heerst.'
Gen. 3,17 En tot de man heeft Hij gezegd: `Omdat gij hebt geluisterd naar uw vrouw en hebt gegeten van de boom die Ik u had verboden, zal de grond vervloekt zijn omwille van u! Zwoegend zult gij van hem eten, alle dagen van uw leven.
Gen. 3,18 Distels en doornen zal hij voortbrengen, met veldgewas moet gij u voeden.
Gen. 3,19 In het zweet zult ge werken voor uw brood, tot gij terugkeert naar de grond, waaruit gij zijt genomen: gij zijt stof, en tot stof keert gij terug.'
Gen. 3,20 De mens noemde zijn vrouw Eva, want zij is de moeder geworden van alle levenden.
Gen. 3,21 En Jahwe God maakte kleren van huiden voor de mens en zijn vrouw en Hij deed hun die aan.
Gen. 3,22 En Jahwe God zei: `Nu de mens in de kennis van goed en kwaad als een van Ons is geworden, wil Ik voorkomen dat hij nog plukt van de boom van het leven; door daarvan te eten, zou hij eeuwig blijven leven!'
Gen. 3,23 Daarom verwees Jahwe God hem uit de tuin van Eden, en moest hij de grond gaan bebouwen waaruit hij was genomen.
Gen. 3,24 Hij verjoeg dus de mens uit de tuin, en aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij de kerubs en de vlam van het wentelend zwaard, om de weg naar de boom van het leven te bewaken.
Gen. 4,1 De mens had gemeenschap met zijn vrouw Eva; zij werd zwanger en bracht KaÔn ter wereld, en zij sprak: `Door Jahwe's gunst heb ik een mannelijk kind voortgebracht.'
Gen. 4,2 Vervolgens baarde zij Abel, zijn broer. Abel werd schaap herder en KaÔn landbouwer.
Gen. 4,3 Na verloop van tijd bracht KaÔn een offer aan Jahwe van de vrucht en van de grond.
Gen. 4,4 Ook Abel bracht een offer, de eerstgeborenen van zijn beste schapen. Jahwe zag genadig neer op Abel en zijn offer,
Gen. 4,5 maar op KaÔn en zijn offer sloeg Hij geen acht. Een wilde woede greep KaÔn aan, en zijn gezicht werd grimmig.
Gen. 4,6 Nu zei Jahwe tot KaÔn: `Waarom zijt gij woedend en waarom staat uw gezicht zo grimmig?
Gen. 4,7 Als gij het goede doet, is er opgewektheid; maar doet gij het goede niet, dan loert de zonde als belager aan uw deur, begerig u te grijpen. Zult gij hem meester kunnen blijven?'
Gen. 4,8 Daarop zei KaÔn tot zijn broer Abel: `Laten we gaan wandelen.' En toen zij buiten waren, viel KaÔn zijn broer aan en vermoordde hem.
Gen. 4,9 Nu zei Jahwe tot KaÔn: `Waar is uw broer Abel?' Hij antwoordde: `Ik weet het niet. Moet ik dan op mijn broer passen?'
Gen. 4,10 Toen zei Hij: `Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broer roept uit de grond tot mij!
Gen. 4,11 Daarom zult gij vervloekt zijn, verbannen van de grond die zijn mond heeft geopend om uit uw hand het bloed van uw broer te ontvangen!
Gen. 4,12 De grond die gij bewerkt zal niets meer opbrengen; een zwerver en een vagebond zult ge zijn op de aarde!'
Gen. 4,13 Toen zei KaÔn tot Jahwe: `Die straf is te zwaar om te dragen.
Gen. 4,14 Gij verdrijft mij van de bebouwde grond, en ik zal ver van U moeten blijven. Ik zal een zwerver en een vagebond zijn op de aarde, en ieder die mij ontmoet kan mij doden.'
Gen. 4,15 Maar Jahwe antwoordde hem: `Neen! Wie het ook is die KaÔn doodt, hij zal het zevenvoudig boeten!' En Jahwe gaf KaÔn een merkteken, om te voorkomen dat ieder die hem ontmoette hem doden zou.
Gen. 4,16 Daarna trok KaÔn weg uit Jahwe's nabijheid en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden.
Gen. 4,17 KaÔn had gemeenschap met zijn vrouw; zij werd zwanger en baarde Henoch. Hij stichtte een stad, en noemde die stad naar zijn zoon Henoch.
Gen. 4,18 Aan Henoch werd Irad geboren. Irad verwekte MechujaŽl; MechujaŽl verwekte MetusaŽl, en MetusaŽl verwekte Lamech.
Gen. 4,19 Lamech huwde twee vrouwen; de ene heette Ada, de andere Silla.
Gen. 4,20 Ada baarde Jabal; hij werd de stamvader van allen die in veehoederstenten wonen.
Gen. 4,21 Zijn broer heette Jubal; hij werd de stamvader van allen, die op de citer en de fluit spelen.
Gen. 4,22 Ook Silla kreeg kinderen; zij baarde Tubal-kain, de stamvader van de smeden, van allen die het brons en het ijzer bewerken. De zuster van Tubal-kain, de stamvader van de smeden, van allen die het brons en het ijzer bewerken. De zuster van Tubal-kain heette Naama.
Gen. 4,23 Eens zei Lamech tot zijn vrouwen: `Ada en Silla, hoort wat ik zeg: vrouwen van Lamech, luistert naar mijn woord! Word ik gewond, dan dood ik een man; krijg ik een schram, dan neem ik een kind.
Gen. 4,24 Wordt KaÔn zevenvoudig gewroken. Lamech zevenenzeventigvoudig!'
Gen. 4,25 Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw; zij baarde een zoon en noemde hem Set. `Want,' zei ze, `God heeft mij een andere zoon geschonken in de plaats van Abel, die door KaÔn is vermoord.'
Gen. 4,26 Ook Set kreeg een zoon en hij noemde hem Enos. Dat was de tijd dat men de naam van Jahwe begon aan te roepen.
Gen. 5,1 Dit is de lijst van de nakomelingen van Adam. Op de dag dat God Adam schiep, maakte Hij hem op God gelijkend.
Gen. 5,2 Man en vrouw schiep hij hen; hij zegende hen en noemde hen mens, op de dag dat zij geschapen werden.
Gen. 5,3 Toen Adam honderddertig jaar was, verwekte hij een zoon, die op hem geleek en zijn beeld was, en hij noemde hem Set.
Gen. 5,4 Adam leefde na de geboorte van Set na achthonderd jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,5 Heel de levensduur van Adam bedroeg negenhonderddertig jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,6 Toen Set honderdvijf jaar was, verwekte hij Enos.
Gen. 5,7 Set leefde na de geboorte van Enos nog achthonderdzeven jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,8 Heel de levensduur van Set bedroeg negenhonderdtwaalf jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,9 Toen Enos negentig jaar was, verwekte hij Kenan.
Gen. 5,10 Enos leefde na de geboorte van Kenan nog achthonderd vijftien jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,11 Heel de levensduur van Enos bedroeg negenhonderdvijf jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,12 Toen Kenan zeventig jaar was, verwekte hij Mahalalel.
Gen. 5,13 Kenan leefde na de geboorte van Mahalalel nog achthonderdveertig jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,14 Heel de levensduur van Kenan bedroeg negenhonderdtien jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,15 Toen Mahalalel vijfenzestig jaar was, verwekte hij Jered.
Gen. 5,16 Mahalalel leefde na de geboorte van Jered nog achthonderddertig jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,17 Heel de levensduur van Mahalalel bedroeg achthonderd vijfennegentig jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,18 Toen Jered honderdtweeŽnzestig jaar was, verwekte hij Henoch.
Gen. 5,19 Jered leefde na de geboorte van Henoch nog achthonderd jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,20 Heel de levensduur van Jered bedroeg negenhonderdtweeŽnzestig jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,21 Toen Henoch vijfenzestig jaar was, verwekte hij Metuselach.
Gen. 5,22 Henoch leefde na de geboorte van Metuselach nog driehonderd jaar; hij richtte zijn schreden naar God, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,23 Heel de levensduur van Henoch bedroeg driehonderdvijfenzestig jaar.
Gen. 5,24 Henoch richtte zijn schreden naar God; zo kwam het dat hij verdween, omdat God hem wegnam.
Gen. 5,25 Toen Metuselach honderdzevenentachtig jaar was, verwekte hij Lamech.
Gen. 5,26 Metuselach leefde na de geboorte van Lamech nog zeven honderdtweeŽntachtig jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,27 Heel de levensduur van Metuselach bedroeg negenhonderd negenenzestig jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,28 Toen Lamech honderdtweeŽntachtig jaar was, verwekte hij een zoon.
Gen. 5,29 Hij noemde hem Noach, want hij zei: Uit de grond die door Jahwe vervloekt is zal hij ons vertroosting brengen bij ons werken en zwoegen.
Gen. 5,30 Lamech leefde na de geboorte van Noach nog vijfhonderd vijfennegentig jaar, en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 5,31 Heel de levensduur van Lamech bedroeg zevenhonderdzevenenzeventig jaar. Toen stierf hij.
Gen. 5,32 Toen Noach vijfhonderd jaar was, verwekte hij Sem, Cham en Jafet.
 
Gen. 6,1 Toen de mensen talrijk begonnen te worden op de aardbodem en dochters kregen,
Gen. 6,2 zagen de zonen van God hoe mooi de dochters van de mensen waren, en zij kozen zich uit die dochters ieder een vrouw.
Gen. 6,3 Maar Jahwe zei: `Mijn levensgeest zal niet altijd bij de mens blijven, want hij is maar een nietig wezen; de duur van zijn leven zal honderdtwintig jaar bedragen.'
Gen. 6,4 In die dagen - en ook nog daarna - leefden er reuzen op de aarde, doordat de zonen van God gemeenschap hadden gehad met de dochters van de mensen die hun zonen hadden gebaard. Zij waren de befaamde geweldenaars van de oude tijd.
Gen. 6,5 Toen Jahwe zag hoezeer op de aarde de boosheid van de mensen was toegenomen en hoezeer de begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging,
Gen. 6,6 kreeg Hij spijt dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en Hij was er zeer verdrietig om.
Gen. 6,7 En Jahwe zei: `Ik ga de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee en de kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Mij dat Ik ze gemaakt heb.'
Gen. 6,8 Alleen Noach vond genade in de ogen van Jahwe.
Gen. 6,9 Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef te midden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God.
Gen. 6,10 Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafet.
Gen. 6,11 De aarde was voor de ogen van God verdorven en vol gewelddaden.
Gen. 6,12 En God zag hoe bedorven de aarde was, want alle mensen op de aarde gingen verkeerde wegen.
Gen. 6,13 God zei tot Noach: `De dagen van de mensen zijn geteld, want zij zijn er de schuld van dat de aarde vol gewelddaden is. Ik ga hen met de aarde vernietigen.
Gen. 6,14 Gij moet een ark van pijnhout bouwen; met riet moet gij de ark maken, en ze van binnen en van buiten met pek bestrijken.
Gen. 6,15 Als volgt moet gij ze maken: de ark moet driehonderd el lang zijn, vijftig el breed en dertig el hoog.
Gen. 6,16 Het dak dat gij op de ark aanbrengt moet een el naar buiten uitsteken. In een van de zijden moet gij een deur aanbrengen; ook moet gij een onderste, een tweede en een derde ruim maken.
Gen. 6,17 Want Ik sta op het punt een watervloed over de aarde te brengen, die alle levende wezens onder de hemel zal verdelgen; alles wat zich op de aarde bevindt, zal omkomen.
Gen. 6,18 Met u echter zal ik een verbond aangaan; gij moet u inschepen in de ark, met uw zonen, met uw vrouw en met de vrouwen van uw zonen.
Gen. 6,19 Van alle levende wezens moet gij verder een paar in de ark brengen, om ze met u samen in leven te doen blijven; een mannelijk en een vrouwelijk dier moet het zijn.
Gen. 6,20 Van de verschillende soorten vee, van de verschillende soorten dieren die over de grond kruipen, moet een paar met u meegaan en aldus in leven blijven.
Gen. 6,21 Breng verder allerlei etenswaar bijeen en leg daar een voorraad van aan, zodat gijzelf en de dieren te eten hebt.'
Gen. 6,22 Noach deed dit; alles wat God hem geboden had, voerde hij uit.
 
Gen. 7,1 Jahwe zei tot Noach: `Ga in de ark met heel uw gezin, want van dit geslacht zijt gij de enige die in mijn ogen rechtschapen is.
Gen. 7,2 Neem van alle reine dieren zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje; maar van de onreine dieren een paar, telkens een mannetje en een wijfje;
Gen. 7,3 ook van de vogels in de lucht zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje. Zo zult gij hun soort in stand houden op de gehele aarde.
Gen. 7,4 Want over zeven dagen laat Ik het regenen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten, en Ik ga alles wat bestaat, alles wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem wegvagen.'
Gen. 7,5 En Noach deed alles wat Jahwe hem geboden had.
Gen. 7,6 Noach was zeshonderd jaar, toen de vloed over de aarde kwam.
Gen. 7,7 Om zich te beschermen tegen het water van de vloed gingen Noach, zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen de ark binnen.
Gen. 7,8 Van de reine en van de onreine dieren, van de vogels en van al wat over de grond kruipt,
Gen. 7,9 kwamen er telkens twee, een mannelijk en een vrouwelijk dier, bij Noach in de ark, juist zoals God geboden had.
Gen. 7,10 En op de zevende dag stortte het water van de vloed over de aarde neer.
Gen. 7,11 Het was in het zeshonderdste levensjaar van Noach, de zeventiende dag van de tweede maand; op die dag braken alle bronnen van de diepte los, de sluizen van de hemel gingen open,
Gen. 7,12 en regen viel op de aarde, veertig dagen en veertig nachten achtereen.
Gen. 7,13 Op die eigen dag ging Noach de ark binnen met Sem, Cham en Jafet, de zonen van Noach, en met zijn vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen;
Gen. 7,14 en samen met hen kwamen ook al de verschillende soorten wilde beesten, al de verschillende soorten tamme dieren, al de verschillende soorten kruipende dieren, al de verschillende soorten vogels, al het gevogelte, alles wat vleugels heeft.
Gen. 7,15 Van alle levende wezens kwamen er telkens twee bij Noach in de ark.
Gen. 7,16 Er kwamen mannelijke en vrouwelijke dieren, van alle levende wezens, zoals God had geboden. En Jahwe deed de deur achter hem dicht.
Gen. 7,17 Veertig dagen lang hield de vloed over de aarde aan. Het water steeg en tilde de ark op, tot hoog boven de aarde.
Gen. 7,18 Het water nam toe en kwam hoog boven de aarde te staan, en de ark dreef op het water.
Gen. 7,19 Het water bleef zo toenemen op de aarde dat het al de hoge bergen onder de hemel bedekte.
Gen. 7,20 Vijftien el daarboven steeg het water, zodat het de bergen bedekte.
Gen. 7,21 Alle levende wezens die zich op de aarde bewogen, vogels, tamme en wilde dieren, en alle dieren die over de grond kruipen, en ook alle mensen kwamen om.
Gen. 7,22 Alles wat levensadem in zijn neus had, alles wat op het droge leefde, vond de dood.
Gen. 7,23 Al wat op de aardbodem bestond werd verdelgd: de mensen, de viervoetige dieren, de kruipende dieren en de vogels in de lucht werden van de aarde verdelgd. Alleen Noach, en die bij hem in de ark waren, bleven in leven.
Gen. 7,24 Het water bleef stijgen op de aarde, honderdvijftig dagen achtereen.
 
Gen. 8,1 Toen dacht God aan Noach, en aan al de wilde en tamme dieren, die bij hem in de ark waren. En God deed over de aarde een wind gaan, waardoor het water begon te zakken.
Gen. 8,2 De bronnen van de diepte en de sluizen van de hemel werden gesloten, en de regen uit de hemel hield op.
Gen. 8,3 Het water zakte gestadig van de aarde weg. Na verloop van honderdvijftig dagen begon het te verminderen.
Gen. 8,4 Op de zeventiende dag van de zevende maand kwam de ark op de bergen van Ararat te liggen.
Gen. 8,5 Het water nam geleidelijk af tot de tiende maand; op de eerste dag van de tiende maand werden de toppen van de bergen zichtbaar.
Gen. 8,6 Na verloop van veertig dagen opende Noach het venster dat hij in de ark had aangebracht.
Gen. 8,7 Hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen tot het water op de aarde was opgedroogd.
Gen. 8,8 Toen liet hij een duif los, om te zien of het water al van de aardbodem was weggezakt.
Gen. 8,9 Maar de duif vond geen plek waar haar pootjes konden rusten, en keerde bij hem terug in de ark; want het water bedekte nog heel de aardbodem. Noach stak zijn hand uit, pakte de duif en haalde ze weer bij zich in de ark.
Gen. 8,10 Nu wachtte hij nog eens zeven dagen, en liet toen opnieuw een duif uit de ark los.
Gen. 8,11 Toen de duif tegen de avond bij hem terugkwam, droeg zij een groen olijfblad in de bek. Toen begreep Noach dat het water van de aarde weggezakt moest zijn.
Gen. 8,12 Hij wachtte nog eens zeven dag en, en liet toen opnieuw een duif los; maar deze duif keerde niet meer bij hem terug.
Gen. 8,13 In het zeshonderdeneerste jaar, op de eerste dag van de eerste maand, begon het water boven de aarde op te drogen. Nu schoof Noach het dak van de ark opzij en keek naar buiten; en zie, de aardbodem was droog.
Gen. 8,14 Op de zevenentwintigste dag van de tweede maand was de aarde droog.
Gen. 8,15 Toen sprak God tot Noach en zei:
Gen. 8,16 `Ga uit de ark, met uw vrouw, uw zonen en de vrouwen van uw zonen.
Gen. 8,17 Laat alle dieren die bij u zijn mee naar buiten komen, alle levende wezens, vogels, viervoetige dieren en kruipende dieren; dan kunnen zij weer de aarde bevolken, weer vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.'
Gen. 8,18 Toen ging Noach met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen naar buiten.
Gen. 8,19 Ook alle viervoetige dieren, alle kruipende dieren, alle vogels en al wat op de grond kruipt, soort bij soort, verlieten de ark.
Gen. 8,20 Toen bouwde Noach een altaar ter ere van Jahwe; hij deed een keuze uit de reine dieren en uit de reine vogels, en droeg op het altaar brandoffers op.
Gen. 8,21 Jahwe rook de aangename geur en zei bij zichzelf: `Nooit meer zal Ik de aardbodem vervloeken vanwege de mensen: het hart van de mens is immers geneigd tot het kwade van jongs af aan. Ook de andere levende wezens zal Ik nooit meer treffen, zoals Ik nu gedaan heb.
Gen. 8,22 Zolang de aarde bestaat, blijft er zaaitijd en oogst tijd, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht. Nooit houdt dat op.'
 
Gen. 9,1 Toen zegende God Noach met zijn zonen en zei tot hem: `Wees vruchtbaar, word talrijk en bevolk de aarde.
Gen. 9,2 Er zal vrees en schrik voor u zijn bij alle dieren op de aarde, bij alle vogels in de lucht, bij alles wat op de grond kruipt en bij alle vissen in de zee; onder uw heerschappij zijn ze gesteld.
Gen. 9,3 Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen; dat alles schenk Ik u naast het groene gewas.
Gen. 9,4 Alleen vlees met de ziel - vlees met het bloed er nog in - moogt gij niet eten.
Gen. 9,5 Ook uw eigen bloed zal Ik terugeisen: van alle dieren zal Ik het terugeisen en ook van de mensen, van de mensen onderling, zal Ik het leven van de mens terugeisen.
Gen. 9,6 Wie het bloed van een mens vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want als zijn beeld heeft God de mens gemaakt.
Gen. 9,7 Wees dan vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en word er talrijk.
Gen. 9,8 God zei tot Noach en zijn zonen:
Gen. 9,9 `Nu ga Ik mijn verbond aan met u en met uw nageslacht,
Gen. 9,10 en met alle levende wezens die bij u zijn, met de vogels en de viervoetige dieren, met alle dieren van de aarde die bij u zijn, al wat uit de ark is gekomen, al het gedierte van de aarde.
Gen. 9,11 Ik ga met u een verbond aan, dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid, en dat er zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.'
Gen. 9,12 En God zei: `Dit is het teken van het verbond, dat Ik instel tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, voor alle geslachten.
Gen. 9,13 Ik zet mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde.
Gen. 9,14 Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak en de boog in de wolken zichtbaar wordt,
Gen. 9,15 dan zal Ik denken aan het verbond tussen Mij en u en alle levende wezens, alles wat leven heeft. De wateren zullen nooit meer zwellen tot een vloed om al wat leeft te verdelgen.
Gen. 9,16 Als de boog in de wolken staat, zal Ik hem zien en daarbij denken aan het altijddurend verbond tussen God en alle levende wezens, alles wat op de aarde leeft.'
Gen. 9,17 En God zei tot Noach: `Dat is het teken van het verbond dat Ik heb ingesteld tussen Mij en alles wat leeft op de aarde.'
Gen. 9,18 De zonen van Noach die met hem uit de ark gekomen waren, heetten Sem, Cham en Jafet; Cham is de vader van Kanašn.
Gen. 9,19 Deze drie waren de zonen van Noach, en door hen werd de gehele aarde bevolkt.
Gen. 9,20 Noach was landbouwer en hij was de eerste die een wijngaard plantte.
Gen. 9,21 Toen hij van de wijn gedronken had, werd hij dronken en kwam naakt in zijn tent te liggen.
Gen. 9,22 Cham, de vader van Kanašn, zag de schaamte van zijn vader en vertelde het buiten aan zijn twee broers.
Gen. 9,23 Maar Sem en Jafet haalden een mantel, legden die op hun schouders, liepen achteruit en bedekten met afgewend gelaat de schaamte van hun vader, zodat zij de schaamte van hun vader niet zagen.
Gen. 9,24 Toen Noach uit zijn roes ontwaakte en te weten kwam, wat zijn jongste zoon hem had aangedaan,
Gen. 9,25 zei hij: `Vervloekt zij Kanašn: de minste knecht zal hij zijn van zijn broers.'
Gen. 9,26 En hij vervolgde: Gezegend zij Jahwe, de God van Sem, Kanašn zal zijn dienstknecht zijn!
Gen. 9,27 Moge God ruimte geven aan Jafet; hij moge wonen in de tenten van Sem; Kanašn zal zijn knecht zijn!'
Gen. 9,28 Noach leefde na de vloed nog driehonderdvijftig jaar.
Gen. 9,29 Heel de levensduur van Noach bedroeg negenhonderdvijftig jaar. Toen stierf hij.
 
Gen. 10,1 Nu volgt de geslachtslijst van de zonen van Noach, van Sem, Cham en Jafet; dit zijn de zonen die hun na de vloed zijn geboren.
Gen. 10,2 Zonen van Jafet: Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesek en Tiras.
Gen. 10,3 Zonen van Gomer: Askenaz, Rifat en Togarma.
Gen. 10,4 Zonen van Jawan: Elisa, Tarsis, de Kittiers en de Roda nieten;
Gen. 10,5 van hen stammen al diegenen af die zich over de eilanden verspreid hebben. Dat zijn dus de zonen van Jafet volgens hun land, taal, stam en volk.
Gen. 10,6 Zonen van Cham: Kus, Egypte, Put en Kanašn.
Gen. 10,7 Zonen van Kus: Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. Zonen van Rama: Seba en Dedan.
Gen. 10,8 Kus verwekte Nimrod. Deze was de eerste machtige heerser op aarde;
Gen. 10,9 hij was een geweldig jager voor Jahwe. Vandaar dat men zegt: `Een geweldig jager voor Jahwe, net als Nimrod.'
Gen. 10,10 Oorspronkelijk lag zijn rijk in Babel, Erek, Akkad en Kalne, in Sinear;
Gen. 10,11 vanuit dat land trok hij naar Assur. Hij bouwde Nineve, Rechobot-ir. Kalach,
Gen. 10,12 en Resen, tussen Nineve - de grote stad - en Kalach.
Gen. 10,13 Egypte verwekte de Ludieten, Anamieten, Lehabieten, Naftuchieten,
Gen. 10,14 Patrusieten, Kasluchieten en Kaftorieten, waar de Filistijnen van afstammen.
Gen. 10,15 Kanašn verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet,
Gen. 10,16 de Jebusieten, Amorieten, Girgasieten,
Gen. 10,17 Chiwwieten, Arkieten, Sinieten,
Gen. 10,18 Arwadieten, Semarieten en Hamatieten. Later hebben de Kanašnitische stammen zich verspreid.
Gen. 10,19 De grens van de Kanašnieten loopt van Sidon af over Gerar naar Gaza, en dan in de richting van Sodom, Gomorra, Adma en Seboim, tot Lesa.
Gen. 10,20 Dat zijn dus de zonen van Cham, volgens hun stammen, talen, landen en volken.
Gen. 10,21 Ook Sem kreeg kinderen. Hij was de stamvader van alle zonen van Eber en de oudste broer van Jafet.
Gen. 10,22 Zonen van Sem: Elam, Assur, Arpaksad, Lud en Aram.
Gen. 10,23 Zonen van Aram: Us, Chul, Geter en Mas.
Gen. 10,24 Arpaksad verwekte Selach, en Selach verwekte Eber.
Gen. 10,25 Eber kreeg twee zonen; de eerste heette Peleg, omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd; de tweede heette Joktan.
Gen. 10,26 Joktan verwekte Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach,
Gen. 10,27 Hadoram, Uzal, Dikla,
Gen. 10,28 Obal, AbimaŽl, Seba,
Gen. 10,29 Ofir, Chawila en Jobab, allen zonen van Joktan.
Gen. 10,30 Hun woonplaats in het gebied vanaf Mesa in de richting van Sefar, het gebergte in het oosten.
Gen. 10,31 Dat zijn dus de zonen van Sem, volgens hun families, talen, landen en volken.
Gen. 10,32 Dat zijn de families van de zonen van Noach, volgens hun geslachten; van hen stammen de volken af, die zich na de vloed over de aarde verspreid hebben.

Gen. 11,1 Alle mensen op aarde spraken eenzelfde taal en gebruik ten dezelfde woorden.
Gen. 11,2 Nadat ze uit het oosten weggetrokken waren, vonden ze een vlakte in Sinear en vestigden zich daar.
Gen. 11,3 Zij zeiden tot elkaar: `Kom, laten wij tegels maken en ze harden in het vuur.' De tegels gebruikten zij als bouwstenen, met asfalt als mortel.
Gen. 11,4 Nu zeiden ze: `Laten wij een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan krijgen wij naam en worden wij niet over de aardbodem verspreid.'
Gen. 11,5 Toen Jahwe neerdaalde om de stad en de toren die de mensen bouwden in ogenschouw te nemen,
Gen. 11,6 zei Hij: `Nu zijn ze een volk en spreken zij allen dezelfde taal. Wat zij nu doen is nog maar een begin; later zal geen enkel van hun plannen meer te stuiten zijn.
Gen. 11,7 Laten Wij neerdalen en verwarring brengen in hun taal, zodat de een niet meer verstaat wat de ander zegt.'
Gen. 11,8 En Jahwe dreef hen vandaar naar alle kanten de hele aardbodem over, en er kwam een einde aan de bouw van de stad.
Gen. 11,9 Daarom noemt men die stad Babel, want Jahwe heeft daar verwarring gebracht in de taal van alle mensen en hen vandaar over de hele aardbodem verspreid.
Gen. 11,10 Dit zijn de nakomelingen van Sem. Toen Sem honderd jaar was, verwekte hij Arpaksad, twee jaar na de vloed.
Gen. 11,11 Sem leefde na de geboorte van Arpaksad nog vijfhonderd vijfendertig jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,12 Arpaksad was vijfendertig jaar toen hij Selach verwek te.
Gen. 11,13 Arpaksad leefde na de geboorte van Selach nog vierhonderddrie jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,14 Toen Selach dertig jaar was, verwekte hij Eber.
Gen. 11,15 Selach leefde na de geboorte van Eber nog vierhonderd drie jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,16 Toen Eber vierendertig jaar was, verwekte hij Peleg.
Gen. 11,17 Eber leefde na de geboorte van Peleg nog vierhonderd dertig jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,18 Toen Peleg dertig jaar was, verwekte hij Reu.
Gen. 11,19 Peleg leefde na de geboorte van Reu nog tweehonderdnegen jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,20 Toen Reu tweeŽndertig jaar was, verwekte hij Serug.
Gen. 11,21 Reu leefde na de geboorte van Serug nog tweehonderdzeven jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,22 Toen Serug dertig jaar was, verwekte hij Nachor.
Gen. 11,23 Serug leefde na de geboorte van Nachor nog tweehonderd jaar en hij kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,24 Toen Nachor negenentwintig jaar was, verwekte hij Terach.
Gen. 11,25 Nachor leefde na de geboorte van Terach nog honderdnegentien jaar en kreeg zonen en dochters.
Gen. 11,26 Toen Terach zeventig jaar was, verwekte hij Abram, Nachor en Haran.
Gen. 11,27 Dit zijn de nakomelingen van Terach. Terach verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot.
Gen. 11,28 Haran stierf nog bij het leven van zijn vader Terach in zijn geboorteland, te Ur in Chaldea.
Gen. 11,29 Abram en Nachor huwden beiden een vrouw. De vrouw van Abram heette Sarai en de vrouw van Nachor heette Milka; zij was de dochter van Haran, de vader van Milka en Jiska.
Gen. 11,30 Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen.
Gen. 11,31 Terach nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, weg uit Ur in Chaldea, en ging op weg naar Kanašn. Toen zij echter in Haran aangekomen waren, bleven zij daar.
Gen. 11,32 Heel de levensduur van Terach bedroeg tweehonderdvijf jaar. Toen stierf Terach in Haran.
 
Gen. 12,1 Jahwe zei tot Abram: `Trek weg uit uw land, uw stam en uw familie, naar het land dat Ik u aan zal wijzen.
Gen. 12,2 Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen en uw naam groot maken, zodat gij een zegen zult zijn.
Gen. 12,3 Ik zal zegenen die u zegenen, maar die u versmaadt zal Ik vervloeken. Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde.'
Gen. 12,4 Toen trok Abram weg, zoals Jahwe hem had opgedragen, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar toen hij Haran verliet.
Gen. 12,5 Met zijn vrouw Sarai en met Lot, de zoon van zijn broer, met al hun bezittingen en met degenen die zij in Haran in dienst hadden genomen, ging Abram op weg naar Kanašn. In Kanašn aangekomen,
Gen. 12,6 trok Abram het land in, tot bij de heilige plaats van Sichem, de eik van More. Toentertijd waren de Kanašnieten nog in het land.
Gen. 12,7 Daar verscheen Jahwe aan Abram en zei: `Aan uw nageslacht zal Ik dit land in bezit geven.' Toen richtte hij daar een altaar op ter ere van Jahwe, die hem verschenen was.
Gen. 12,8 Vandaar trok hij verder naar het gebergte ten oosten van Betel, sloeg zijn tent op tussen Betel in het westen en Ai in het oosten, richtte een altaar op ter ere van Jahwe en riep de naam van Jahwe aan.
Gen. 12,9 Daarna trok Abram verder naar de Negeb toe.
Gen. 12,10 er eens hongersnood in het land kwam, begaf Abram zich naar Egypte om daar een tijdlang te blijven, want de hongersnood drukte zwaar op het land.
Gen. 12,11 Voor hij Egypte binnentrok, zei hij tot zijn vrouw Sarai: `Luister eens; ik weet dat je mooi bent.
Gen. 12,12 Als de Egyptenaren je zien en denken dat je mijn vrouw bent, zullen ze mij vermoorden en jou in leven laten.
Gen. 12,13 Zeg liever dat je mijn zuster bent; dan zal ik er goed afkomen en om jou in leven blijven.'
Gen. 12,14 Zodra Abram in Egypte kwam, zagen de Egyptenaren hoe uitzonderlijk mooi zijn vrouw was.
Gen. 12,15 De hovelingen van Farao die haar gezien hadden gaven tegenover Farao hoog van haar op. Toen liet Farao haar in zijn huis brengen.
Gen. 12,16 Omwille van haar behandelde hij ook Abram goed en schonk hem schapen, runderen en ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen.
Gen. 12,17 Maar Jahwe bracht Farao en zijn hovelingen zware slagen toe om wat er gebeurd was met Sarai, de vrouw van Abram.
Gen. 12,18 Toen ontbood Farao Abram en zei: `Wat hebt u mij aangedaan!
Gen. 12,19 Waarom hebt u mij niet verteld dat zij uw vrouw is? Waarom hebt u gezegd dat ze uw zuster is, zodat ik haar als vrouw heb genomen? Hier is uw vrouw, neem haar mee en ga heen!'
Gen. 12,20 In opdracht van Farao brachten enigen van zijn mannen Abram en zijn vrouw met al zijn bezittingen de grens over.
 
Gen. 13,1 Zo trok Abram met zijn vrouw en al zijn bezittingen uit Egypte weg, de Negeb in; Lot ging met hen mee.
Gen. 13,2 Abram was een rijk man die zeer veel vee, zilver en goud bezat.
Gen. 13,3 Van de Negeb trok hij verder naar Betel, naar de plek tussen Betel en Ai, waar zijn tent ook tevoren gestaan had,
Gen. 13,4 naar de heilige plaats, waar hij vroeger een altaar had opgericht; daar riep Abram de naam van Jahwe aan.
Gen. 13,5 Ook Lot, die met Abram was meegekomen, bezat schapen, runderen en tenten.
Gen. 13,6 Het land liet evenwel niet toe dat ze bij elkaar bleven, want hun bezit was zo omvangrijk, dat ze niet bij elkaar konden blijven.
Gen. 13,7 Dit veroorzaakte botsingen tussen de herders van Abram en die van Lot. Bovendien woonden toentertijd ook de Kanašnieten en de Perizzieten nog in het land.
Gen. 13,8 Daarom zei Abram tegen Lot: `Laten wij geen ruzie met elkaar maken en onze herders evenmin; wij zijn toch broers van elkaar.
Gen. 13,9 Het hele land ligt voor je. Het is werkelijk beter dat je weggaat; ga jij links, dan ga ik rechts; ga jij rechts, dan ga ik links.'
Gen. 13,10 Toen liet Lot zijn blik rondgaan; hij zag, hoe rijk aan water het land langs de Jordaan was. Want voordat Jahwe Sodom en Gomorra verwoest had, was deze streek, tot Soar toe, als de tuin van Jahwe, even waterrijk als Egypte.
Gen. 13,11 Daarom koos Lot al het land langs de Jordaan en ging oostwaarts. Zo scheidden de beide broers.
Gen. 13,12 Abram bleef in Kanašn wonen, maar Lot zocht zich een woonplaats bij de steden in de Jordaanstreek en sloeg zijn tent op in de nabijheid van Sodom.
Gen. 13,13 De Sodomieten bedreven veel kwaad en zondigden tegen Jahwe.
Gen. 13,14 Nadat Lot was weggegaan zei Jahwe tot Abram: `Laat uw blik rondgaan en kijk vanaf de plaats waar gij staat naar het noorden en het zuiden, het oosten en het westen.
Gen. 13,15 Al het land dat gij ziet, schenk Ik aan u en aan uw nageslacht, voor altijd.
Gen. 13,16 Ik zal uw nakomelingen maken als het zand op de aarde. Alleen iemand die het zand van de aarde kan tellen, zal uw nakomelingen kunnen tellen.
Gen. 13,17 Ga het hele land door in de lengte en in de breedte, want Ik schenk het aan u!'
Gen. 13,18 Toen sloeg Abram zijn tent op en ging wonen bij de eik van More te Hebron; daar richtte hij een altaar op ter ere van Jahwe.
 
Gen. 14,1 Het was in de dagen van Amrafel de koning van Sinear, van Arjok de koning van Ellasar, van Kedorlaomer de koning van Elam, en van Tidal de koning van Goim.
Gen. 14,2 Deze koningen waren in oorlog met Bera de koning van Sodom, Birsa de koning van Gomorra, Sinab de koning van Adma, Semeber de koning van Seboim, en met de koning van Bela, dat ook Soar heet.
Gen. 14,3 Deze koningen trokken gezamenlijk op naar het dal van Siddim, nu Zoutzee geheten.
Gen. 14,4 Na twaalf jaar aan Kedorlaomer onderworpen te zijn geweest, waren zij in het dertiende jaar in opstand gekomen.
Gen. 14,5 In het veertiende jaar rukte Kedorlaomer op, samen met de koningen die zijn bondgenoten waren. Zij versloegen de Refaieten bij Asterot-karnaim, de Zuzieten bij Ham, de Emieten in de vlakte van Kirjataim,
Gen. 14,6 en de Churrieten. Ze achtervolgden hen door het Seir-gebergte tot bij de eik van Paran, aan de rand van de woestijn.
Gen. 14,7 Daarna maakten zij een zwenking naar En-mispad, ook Kades geheten, en richtten een slachting aan in heel het gebied van de Amalekieten en onder de Amorieten in Chaseson-tamar.
Gen. 14,8 Toen trokken de koningen van Sodom, van Gomorra, van Seboim, en van Bela, ook Soar geheten, ten strijde, en in het dal van Siddim raakten zij slaags met hen,
Gen. 14,9 met Kedorlaomer de koning van Elam, Tidal de koning van Goim, Amrafel de koning van Sinear en Arjok de koning van Ellasar: vier koningen tegen vijf.
Gen. 14,10 In het dal van Siddim waren veel asfaltputten. De koningen van Sodom en Gomorra sloegen op de vlucht; daarbij vielen sommigen in die putten, terwijl de overigen de bergen in vluchtten.
Gen. 14,11 De vijand maakte zich meester van al het bezit van Sodom en Gomorra en van al hun voedselvoorraden. Daarna trok hij af.
Gen. 14,12 Bij zijn aftocht voerde hij ook Lot mee, de zoon van Abrams broer, met zijn bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom.
Gen. 14,13 Een vluchteling bracht het nieuws aan Abram, de HebreeŽr, hij woonde op dat ogenblik bij de eik van Mamre de Amoriet, een broer van Eskol en Aner, beiden bondgenoten van Abram.
Gen. 14,14 Toen Abram vernam dat zijn broer gevangen was genomen, riep hij de geoefende mannen die in zijn huis waren geboren te wapen - het waren er driehonderdachttien -, en ging de vijanden achterna tot bij Dan.
Gen. 14,15 Met zijn dienaren viel hij hen in de nacht van ver schillende kanten aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, ten noorden van Damascus.
Gen. 14,16 Hij heroverde alle goederen; ook zijn broer Lot en diens bezittingen, alsmede de vrouwen en het krijgsvolk bracht hij terug.
Gen. 14,17 Na zijn terugkeer uit de slag tegen Kedorlaomer en zijn koninklijke bondgenoten trok de koning van Sodom Abram tegemoet tot in het dal van Sawe, ook het dal van de koning geheten.
Gen. 14,18 En Melchisedek, de koning van Salem, bood hem brood en wijn aan. Daar hij priester was van God de Allerhoogste,
Gen. 14,19 zegende hij hem met deze woorden: `Gezegend zij Abram door God de Allerhoogste, die de hemel en de aarde gemaakt heeft,
Gen. 14,20 en gezegend zij God de Allerhoogste, die uw vijand aan u heeft overgeleverd!' En Abram gaf hem van alles een tiende deel.
Gen. 14,21 De koning van Sodom zei tot Abram: `Geef mij alleen de mensen terug, de buit kunt u zelf houden.'
Gen. 14,22 Maar Abram zei tot de koning van Sodom: `Met opgeheven hand zweer ik bij Jahwe, God de Allerhoogste, die de hemel en de aarde gemaakt heeft:
Gen. 14,23 ik wil niets van u hebben, geen draad en geen schoen riem, niets van wat u toebehoort. U moet niet kunnen zeggen dat u Abram rijk hebt gemaakt.
Gen. 14,24 Niets daarvan. Ik vraag alleen maar wat de mannen verteerd hebben, en het deel van Aner, Eskol en Mamre, die met mij zijn uitgetrokken; laat hen nemen wat hun toekomt.'
 
Gen. 15,1 Na deze gebeurtenissen klonk het woord van Jahwe in een visioen tot Abram: `Gij moet niet vrezen, Abram, Ik zal uw schild zijn. Uw loon zal zeer groot zijn!'
Gen. 15,2 Toen zei Abram: `Jahwe, mijn Heer, wat baten mij uw gaven? Want ik blijf maar kinderloos en de Damasceen Eliezer zal de bezitter van mijn huis worden.'
Gen. 15,3 Abram zei: `Gij hebt mij toch geen nakomelingen geschonken, en een onderhorige zal mijn erfgenaam zijn.'
Gen. 15,4 Toen werd het woord van Jahwe tot hem gericht: `Niet hij wordt uw erfgenaam, uw erfgenaam zal iemand zijn die gij zult verwekken.'
Gen. 15,5 Hij leidde hem naar buiten en zei: `Kijk naar de hemel en tel de sterren, als ge kunt.' En Hij verzekerde hem: `Zo talrijk wordt uw nageslacht.
Gen. 15,6 Abram geloofde Jahwe, en deze rekende hem dat als gerechtigheid aan.
Gen. 15,7 Toen zei Hij tot hem: `Ik ben Jahwe, die u uit Ur in Chaldea heb geleid om u dit land in bezit te geven.'
Gen. 15,8 Abram vroeg: `Jahwe, mijn Heer, hoe kan ik weten dat ik het inderdaad zal krijgen?'
Gen. 15,9 Hij zei tot hem: `Haal een driejarige koe, een driejarige bok, een driejarige ram, een tortel en een jonge duif.'
Gen. 15,10 Hij haalde dit alles, sneed de dieren middendoor, en legde de stukken tegenover elkaar; alleen de vogels sneed hij niet door.
Gen. 15,11 Er kwamen roofvogels op de dode dieren af, maar Abram joeg ze weg.
Gen. 15,12 Bij zonsondergang viel Abram in een diepe slaap; hevige angst en duisternis overviel hem.
Gen. 15,13 En Jahwe zei tot Abram: `Gij moet goed weten dat uw nakomelingen als vreemden zullen wonen in een land dat niet van hen is. Zij zullen dienstbaar zijn en men zal hen onderdrukken, vierhonderd jaar lang.
Gen. 15,14 Maar het volk waaraan zij dienstbaar zijn zal Ik vonnissen, en daarna zullen zij wegtrekken met rijke bezittingen.
Gen. 15,15 Gij zelf zult in vrede tot uw vaderen gaan; pas in gezegende ouderdom zult gij begraven worden.
Gen. 15,16 Het vierde geslacht zal hier terugkeren, want dan is de maat van de schuld van de Amorieten pas vol.'
Gen. 15,17 Toen de zon was ondergegaan, en het helemaal donker was geworden, zag Abram een rokende oven en een vurige fakkel, die tussen de stukken door gingen.
Gen. 15,18 Op die dag sloot Jahwe een verbond met Abram. Hij zei: `Aan uw nakomelingen schenk Ik dit land, vanaf de beek van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat,
Gen. 15,19 het gebied van de Kenieten, Kenizzieten, Kadmonieten,
Gen. 15,20 Hethieten, Perizzieten, Refaieten.
Gen. 15,21 Amorieten, Kanašnieten, Girgasieten en Jebusieten.'
 
Gen. 16,1 Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen ge schonken. Nu had zij een Egyptische slavin, die Hagar heette.
Gen. 16,2 Sarai zei tot Abram: `Je weet dat Jahwe mijn schoot heeft gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen. Ga dus naar mijn slavin: misschien krijg ik een zoon van haar.' En Abram stemde in met Sarai's voorstel.
Gen. 16,3 Sarai, de vrouw van Abram, gaf dus Hagar, haar Egyptische slavin, aan haar man Abram als vrouw; Abram woonde toen al tien jaar in Kanašn.
Gen. 16,4 Hij had gemeenschap met Hagar en zij werd zwanger. Toen zij dat bemerkte, begon zij haar meesteres hooghartig te behandelen.
Gen. 16,5 Daarom zei Sarai tot Abram: `Jij bent aansprakelijk voor het onrecht dat mij wordt aangedaan. Ik heb mijn slavin in jouw armen gelegd; en nu zij ziet dat ze zwanger is word ik door haar hooghartig behandeld. Jahwe moge oordelen, wie van ons beiden in zijn recht staat.'
Gen. 16,6 Daarop zei Abram tot Sarai: `Je kunt over je slavin beschikken: doe met haar wat je wilt.' Toen begon Sarai haar het leven zo onaangenaam te maken dat zij van haar wegliep.
Gen. 16,7 De engel van Jahwe vond haar bij een waterbron in de woestijn, de bron die aan de weg naar Sur ligt.
Gen. 16,8 Hij zei: `Hagar, slavin van Sarai, waar komt gij vandaan en waar gaat gij heen?' Zij zei: `Ik ben weggelopen bij mijn meesteres Sarai.'
Gen. 16,9 De engel van Jahwe zei tot haar: `Ga naar uw meesteres terug en wees haar onderdanig.'
Gen. 16,10 De engel van Jahwe zei ook nog tot haar: `Uw nakomelingen zal ik zeer talrijk maken, zo talrijk dat zij niet meer te tellen zijn.'
Gen. 16,11 De engel van Jahwe verzekerde haar: `Gij zijt nu zwanger; bij zult een zoon baren en hem IsmaŽl noemen; want Jahwe heeft u verhoord in uw ellende.
Gen. 16,12 Een wilde ezel in de steppe wordt hij, zijn hand gaat omhoog tegen allen, de handen van allen tegen hem; al zijn broers trotseert hij!'
Gen. 16,13 Toen gaf zij Jahwe, die tot haar gesproken had een naam: `Gij zijt een God die ik zie.' Want, dacht zij, `ik heb God werkelijk gezien, en ik leef nog, nadat ik hem gezien heb.'
Gen. 16,14 Vandaar dat die put de put van Lachai-roi heet; hij ligt tussen Kades en Bered.
Gen. 16,15 Toen baarde Hagar aan Abram een zoon en hij noemde die zoon IsmaŽl.
Gen. 16,16 Abram was zesentachtig jaar, toen Hagar hem IsmaŽl baarde.
 
Gen. 17,1 Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen Jahwe hem en zei: `Ik ben God almachtig, richt uw schreden naar Mij en gedraag u onberispelijk.
Gen. 17,2 Ik wil een verbond met u aangaan en u zeer talrijk maken.'
Gen. 17,3 Toen wierp Abram zich ter aarde, en God sprak tot hem:
Gen. 17,4 `Dit is mijn verbond met u: Gij zult de vader worden van een menigte volken.
Gen. 17,5 Gij zult niet langer Abram heten; uw naam zal Abraham zijn, want Ik maak u tot vader van een menigte volken.
Gen. 17,6 Ik zal u zeer vruchtbaar maken, volken zal Ik van u maken, zelfs koningen zullen uit u voortkomen.
Gen. 17,7 Ik sluit een verbond met u en uw nakomelingen, geslacht na geslacht, een altijddurend verbond: Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen.
Gen. 17,8 Geheel Kanašn, het land waar gij nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn.'
Gen. 17,9 Verder zei God nog tot Abraham: `Gij van uw kant moet mijn verbond onderhouden, gij en uw nakomelingen, geslacht na ge slacht.
Gen. 17,10 Dit is mijn verbond, dat gij moet onderhouden, mijn verbond met u en uw nakomelingen: Alle mannelijke personen moeten besneden worden.
Gen. 17,11 Uw voorhuid moet gij besnijden: dat zal het teken zijn van mijn verbond met u.
Gen. 17,12 Al uw mannelijke kinderen moeten, als ze acht dagen oud zijn, besneden worden, geslacht na geslacht. Dit geldt ook voor degenen die niet van uw geslacht zijn, maar die in uw huis zijn geboren, of van vreemden gekocht zijn.
Gen. 17,13 Ieder die dus in uw huis is geboren of door u gekocht is moet besneden worden. Zo zal mijn verbond, in uw lichaam getekend, een blijvend verbond zijn.
Gen. 17,14 Iedere onbesnedene, iedere mannelijke persoon die zijn voorhuid niet heeft laten besnijden, moet uit zijn stam verwijderd worden; hij heeft mijn verbond gebroken.'
Gen. 17,15 Nu zei God tot Abraham: `Sarai, uw vrouw, moet gij niet meer Sarai noemen; haar naam zal Sara zijn.
Gen. 17,16 Ik zal haar zegenen, en ook uit haar zal Ik u een zoon schenken. Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken zal uitgroei en; koningen van volken zullen uit haar voortkomen.'
Gen. 17,17 Toen wierp Abraham zich ter aarde en lachte, want hij zei bij zichzelf: `Zou een man van honderd jaar nog een zoon krijgen, en zou Sara die negentig is nog een kind ter wereld brengen?'
Gen. 17,18 Daarom zei hij tot God: `Laat IsmaŽl liever uw gunst genieten.'
Gen. 17,19 God antwoordde: `Neen, uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isaak noemen. Met hem en met zijn nakomelingen zal Ik een verbond aangaan, een altijddurend verbond.
Gen. 17,20 Maar ook uw verzoek betreffende IsmaŽl verhoor Ik. Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaarheid geven en hem zeer talrijk maken. Twaalf vorsten zal hij verwekken en een groot volk zal Ik van hem maken.
Gen. 17,21 Maar mijn verbond zal Ik aangaan met Isaak, die Sara u het volgend jaar op deze tijd zal baren.'
Gen. 17,22 Toen God dit alles gezegd had, ging Hij van Abraham heen.
Gen. 17,23 Toen besneed Abraham zijn zoon IsmaŽl en allen die bij hem in huis geboren waren of die hij gekocht had, alle mannelijke personen in zijn huis; nog diezelfde dag besneed hij hun voor huid, zoals God hem bevolen had.
Gen. 17,24 Abraham was negenennegentig jaar, toen zijn voorhuid besneden werd;
Gen. 17,25 zijn zoon IsmaŽl was dertien jaar, toen zijn voorhuid besneden werd.
Gen. 17,26 Op dezelfde dag werden Abraham en zijn zoon IsmaŽl besneden.
Gen. 17,27 Met hem werden ook al zijn huisgenoten besneden, degenen die in zijn huis geboren waren of die hij van vreemden had gekocht.
 
Gen. 18,1 Eens verscheen Jahwe aan Abraham bij de eik van Mamre, toen Abraham op het heetst van de dag bij de ingang van zijn tent zat.
Gen. 18,2 Hij sloeg zijn ogen op en zag plotseling drie mannen voor zich staan. Meteen liep hij van de ingang van zijn tent naar hen toe; hij boog diep
Gen. 18,3 en zei: `Wees zo welwillend, heer, uw dienaar niet voorbij te gaan.
Gen. 18,4 Ik zal water laten halen; was uw voeten en rust hier onder de boom.
Gen. 18,5 Nu u bij uw dienaar bent zal ik brood voor u halen om u te sterken voor uw verdere reis.' Zei zeiden: `Heel graag.'
Gen. 18,6 Abraham ging haastig de tent in naar Sara en zei: `Neem gauw drie schepel fijn meel, kneed het en bak er koeken van.'
Gen. 18,7 Daarna liep Abraham naar de kudde, zocht een lekker mals kalf uit en gaf het aan zijn knecht om het snel klaar te maken.
Gen. 18,8 Toen bracht hij hun wrongel en melk, en het kalf dat hij had laten toebereiden, en zette hun dat alles voor; terwijl zij aten bleef hij bij hen staan, onder de boom.
Gen. 18,9 Toen vroegen ze hem: `Waar is Sara, uw vrouw?' Hij antwoordde: `Daar, in de tent.'
Gen. 18,10 Toen zei Hij: `Over een jaar kom Ik weer bij u terug; dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben.' Sara stond te luisteren bij de ingang van de tent, achter hem.
Gen. 18,11 Nu waren Abraham en Sara oud en bejaard, en Sara ging het niet meer naar de wijze van de vrouwen.
Gen. 18,12 Daarom moest Sara bij zichzelf lachen, want zij dacht: `Zal ik dan nog liefde genieten, nu ik verwelkt ben en ook mijn heer al oud is?'
Gen. 18,13 Maar Jahwe zei tot Abraham: `Waarom lacht Sara en vraagt zij zich af: Zou ik op mijn leeftijd werkelijk nog een kind krijgen?
Gen. 18,14 Is er voor Jahwe dan iets te moeilijk? Over een jaar, precies op deze tijd, kom Ik bij u terug, en dan zal Sara een zoon hebben.'
Gen. 18,15 Toen zei Sara: `Ik heb niet gelachen,' want zij was bang geworden. Maar Hij zei: `Jawel, gij hebt gelachen!'
Gen. 18,16 Toen de mannen verder trokken, zagen zij in de diepte Sodom liggen. Abraham ging met hen mee om hen uitgeleide te doen.
Gen. 18,17 Jahwe dacht: `Zou Ik voor Abraham geheim houden wat Ik van plan ben?
Gen. 18,18 Want Abraham wordt zeker een groot en machtig volk, en door hem zullen alle volken van de aarde zegen ontvangen.
Gen. 18,19 Ik heb hem immers uitverkoren; zijn zonen en zijn nageslacht moet hij leren, zich door een rechtschapen en deugdzaam leven aan de weg van Jahwe te houden, dan kan Jahwe zijn plan met Abraham verwerkelijken.'
Gen. 18,20 Daarom zei Jahwe: `Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde!
Gen. 18,21 Ik ga naar beneden om te zien, of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het weten.'
Gen. 18,22 Toen gingen de mannen op weg in de richting van Sodom. Jahwe bleef echter nog bij Abraham staan.
Gen. 18,23 Abraham trad op Hem toe en zei: `Wilt Gij werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen?
Gen. 18,24 Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult gij die dan verdelgen? Zult Gij de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen?
Gen. 18,25 Zoiets kunt Gij toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt Ge toch niet doen! Zal Hij, die de hele aarde oordeelt, geen recht doen?'
Gen. 18,26 En Jahwe zei: `Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken.'
Gen. 18,27 Abraham begon weer en zei: `Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof en as ben?
Gen. 18,28 Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zult Gij dan toch om die vijf de hele stad verwoesten?' En Hij zei: `Ik zal haar niet verwoesten, als Ik er vijfenveertig vind.'
Gen. 18,29 Opnieuw sprak hij tot Hem: `Misschien zijn er maar veertig te vinden.' En Hij zei: `Ik zal het niet doen, omwille van die veertig.'
Gen. 18,30 Nu zei hij: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog eens aandring: misschien zijn er maar dertig te vinden.' En Hij zei: `Ik zal het niet doen, als Ik er dertig vind.'
Gen. 18,31 Hij zei opnieuw: `Ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen; maar misschien worden er maar twintig gevonden.' En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die twintig.'
Gen. 18,32 Hij zei: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog een keer spreek; misschien zijn er maar tien te vinden.' En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die tien.'
Gen. 18,33 Zodra Jahwe zijn gesprek met Abraham beŽindigd had, ging Hij heen, en Abraham keerde naar zijn woonplaats terug.
 
Gen. 19,1 De twee engelen kwamen tegen de avond te Sodom aan, terwijl Lot bij de stadspoort zat. Toen Lot hen zag aankomen, stond hij op, ging hun tegemoet, boog diep
Gen. 19,2 en zei: `Ik bid u, mijne heren, neem uw intrek in het huis van uw dienaar en breng daar de nacht door; was uw voeten, dan kunt ge morgenochtend uw reis voortzetten.' Ze zeiden: `Neen, wij zullen buiten overnachten.'
Gen. 19,3 Maar hij bleef zo aandringen dat ze bij hem hun intrek namen. Toen zij in zijn huis gekomen waren, richtte hij met ongezuurde broden die hij had laten bakken een maaltijd voor hen aan en zij aten ervan.
Gen. 19,4 Zij hadden zich nog niet te rusten gelegd, toen de mannen van de stad, de Sodomieten, om het huis te hoop liepen, jong en oud, de hele bevolking, allemaal samen.
Gen. 19,5 Zij riepen Lot en zeiden: `Waar zijn die mannen, die voor vannacht bij u hun intrek hebben genomen? Breng ze naar buiten, dan kunnen wij omgang met hen hebben.'
Gen. 19,6 Lot kwam naar buiten, maar de deur deed hij achter zich dicht.
Gen. 19,7 Hij zei: `Doe toch geen kwaad, broeders.
Gen. 19,8 Luister eens; ik heb twee dochters, die nog nooit bij een man zijn geweest. Die wil ik wel naar buiten brengen; dan kunnen jullie met haar doen wat je wilt. Maar laat die mannen met rust, want zij staan onder de bescherming van mijn huis.'
Gen. 19,9 Ze zeiden: `Ga opzij.' En ze voegden eraan toe: `Dat is hier als vreemdeling komen wonen en wil nog de wet voorschrijven ook. Het zal je nog slechter vergaan dan die anderen.' Heftig duwden zij Lot achteruit en wilden de deur al openbreken.
Gen. 19,10 Maar de mannen binnen grepen Lot vast, trokken hem het huis in en deden de deur dicht.
Gen. 19,11 Degenen die voor de deur stonden, klein en groot, sloegen zij met blindheid, zodat zij de deur niet meer konden vinden.
Gen. 19,12 Nu zeiden de mannen tot Lot: `Hebt gij hier in de stad nog verwanten? Uw zonen en dochters en al de uwen moet gij naar buiten brengen, weg uit deze plaats.
Gen. 19,13 Wij gaan de stad verwoesten: de roep om wraak over de bewoners klinkt zo luid, dat Jahwe ons heeft gezonden om de stad te verwoesten.'
Gen. 19,14 Toen ging Lot praten met zijn toekomstige schoonzoons, de mannen die met zijn dochters wilden trouwen; hij zei: `Maak dat je wegkomt, vlucht uit deze plaats, want Jahwe gaat de stad verwoesten.' Maar zijn schoonzoons lachten hem uit.
Gen. 19,15 Toen de dageraad aanbrak, zetten de engelen Lot tot spoed aan en zeiden: `Vooruit, neem uw vrouw en uw beide dochters mee; anders wordt gij het slachtoffer van de bestraffing van de stad.'
Gen. 19,16 Toen Lot nog aarzelde, grepen de mannen hem zelf, zijn vrouw en zijn beide dochters bij de hand, want Jahwe wilde hem sparen, en zij brachten hem buiten de stad.
Gen. 19,17 En toen zij hen de stad uit gebracht hadden, zei een van hen: `Breng uzelf in veiligheid, want uw leven staat op het spel; kijk niet om, blijf nergens in de buurt staan, maar vlucht de bergen in, anders komt gij om.'
Gen. 19,18 Maar Lot zei tot hen: `Dat niet, heer!
Gen. 19,19 Zeker, gij zijt zeer goed voor uw dienaar geweest en hebt mij een grote weldaad bewezen door mij in leven te laten, maar ik kan onmogelijk naar de bergen vluchten. Daar zou het onheil mij achterhalen en zou ik toch de dood vinden.
Gen. 19,20 Kijk, daar ligt een stad niet ver van hier; daar wil ik wel heen vluchten: het is een kleine stad. Laat mij daarheen de wijk nemen; zij is toch maar klein. En dan zal ik het er levend afbrengen.'
Gen. 19,21 Hij sprak tot hem: `Ook hierin zal ik u terwille zijn; de stad die gij bedoelt zal ik niet verwoesten.
Gen. 19,22 Vlucht er nu haastig heen, want ik kan niets doen, zolang gij daar niet aangekomen zijt.' Zo komt het dat die stad Soar heet.
Gen. 19,23 Zodra de zon was opgegaan en Lot in Soar was aangekomen,
Gen. 19,24 liet Jahwe uit de hemel zwavel en vuur over Sodom en Gomorra neerregenen.
Gen. 19,25 Hij verwoestte die steden en de hele streek, met alle bewoners en al wat er groeide.
Gen. 19,26 De vrouw van Lot, die achter hem liep, keek om en veranderde in een zoutklomp.
Gen. 19,27 Vroeg in de ochtend begaf Abraham zich naar de plaats, waar hij met Jahwe gestaan had.
Gen. 19,28 Hij keek omlaag naar Sodom en Gomorra en heel de Jordaanstreek, en zag een walm van de aarde opstijgen, als de rook van een smeltoven.
Gen. 19,29 Zo hield God bij de verwoesting van de steden van die landstreek rekening met Abrahams wens en liet hij Lot ontkomen, toen Hij de steden verwoestte waar deze gewoond had.
Gen. 19,30 Lot verliet echter Soar en vestigde zich met zijn beide dochters in de bergen, omdat hij niet in Soar durfde blijven. Hij ging wonen in een grot, samen met zijn beide dochters.
Gen. 19,31 Nu zei de oudste tot de jongste: `Vader wordt oud; en er is geen man in het land die bij ons kan komen zoals dat overal elders gebeurt.
Gen. 19,32 Kom, wij laten vader wijn drinken en gaan bij hem liggen, in de hoop dat wij van hem kinderen krijgen.'
Gen. 19,33 Zij lieten dus hun vader die nacht wijn drinken, en de oudste ging bij haar vader liggen; hij merkte niets, noch toen zij kwam liggen, noch toen zij weer opstond.
Gen. 19,34 De volgende morgen zei de oudste tot de jongste: `De afgelopen nacht heb ik bij vader gelegen. Wij zullen hem ook vannacht weer wijn laten drinken, dan kun jij bij hem gaan liggen, in de hoop dat wij van hem kinderen krijgen.'
Gen. 19,35 Ook die nacht lieten zij hun vader wijn drinken, en nu ging de jongste bij hem liggen; hij merkte niets, noch toen zij kwam liggen, noch toen zij weer opstond.
Gen. 19,36 Zo werden de beide dochters van Lot zwanger van hun vader.
Gen. 19,37 De oudste baarde een zoon en noemde hem Moab; hij werd de vader van de huidige Moabieten.
Gen. 19,38 Ook de jongste baarde een zoon en noemde hem Ben-ammi; hij is de vader van de tegenwoordige Ammonieten.
 
Gen. 20,1 Abraham trok vandaar naar de Negeb; hij vestigde zich tussen Kades en Sur en woonde als vreemdeling in Gerar.
Gen. 20,2 Van zijn vrouw Sara vertelde Abraham dat ze zijn zuster was. Zo kwam het dat Abimelek, de koning van Gerar, haar liet schaken.
Gen. 20,3 Maar God kwam 's nachts in een droom tot Abimelek en zei hem: `De dood staat u te wachten, omdat gij deze vrouw ontvoerd hebt; want zij heeft al een man.'
Gen. 20,4 Abimelek had echter nog geen omgang met haar gehad. Daarom zei hij: `Heer, wilt gij een onschuldige doden?
Gen. 20,5 Hij heeft immers verklaard dat het zijn zuster is; en ook zij heeft beweerd dat hij haar broer is. Ik heb in alle onschuld en te goeder trouw zo gehandeld.'
Gen. 20,6 En God zei tot hem in de droom: `Ik wist wel dat gij dit in alle onschuld hebt gedaan; daarom heb Ik u ervoor bewaard tegen Mij te zondigen, en heb Ik u belet haar aan te raken.
Gen. 20,7 Geef dus die man zijn vrouw terug; hij is een profeet en zal voor u bidden dat gij in leven blijft. Maar als gij haar niet teruggeeft, weet dan, dat ge zult sterven, gij en al de uwen.'
Gen. 20,8 De volgende ochtend riep Abimelek al zijn hovelingen samen en vertelde hun alles; en zij werden door vrees bevangen.
Gen. 20,9 Toen liet Abimelek Abraham roepen en zei hem: `Wat hebt u ons aangedaan? Heb ik soms iets tegen u misdreven, dat u op mij en mijn koninkrijk zo'n zware schuld geladen hebt? Dat is toch geen manier van doen.'
Gen. 20,10 En Abimelek vroeg Abraham: `Met welke bedoeling hebt u dat toch gedaan?'
Gen. 20,11 Abraham antwoordde: `Ik dacht: veronderstel dat men hier God niet vreest, dan kon men mij wel eens om mijn vrouw vermoorden.
Gen. 20,12 Zij is trouwens inderdaad mijn zuster: zij is een dochter van mijn vader, maar niet van mijn moeder; zo is zij mijn vrouw geworden.
Gen. 20,13 En toen God mij ver van mijn verwanten liet rondzwerven, heb ik haar gezegd: Wees zo goed om overal waar wij komen te zeggen, dat ik je broer ben.'
Gen. 20,14 Toen gaf Abimelek aan Abraham schapen en runderen, slaven en slavinnen ten geschenke. Ook gaf hij hem zijn vrouw Sara terug.
Gen. 20,15 En Abimelek zei: `Mijn land ligt voor u open; u kunt gaan wonen waar u wilt.'
Gen. 20,16 En tot Sara zei hij: `Ik geef uw broer nu duizend zilverstukken; dan weet heel uw omgeving dat u onschuldig bent en blijft uw eer volkomen ongerept.'
Gen. 20,17 Abraham bad toen tot God, en God genas Abimelek, zijn vrouw en zijn slavinnen, zo dat zij weer kinderen konden krijgen,
Gen. 20,18 want Jahwe had iedere schoot in het huis van Abimelek gesloten, vanwege het gebeurde met Sara, de vrouw van Abraham.
 
Gen. 21,1 Jahwe begunstigde Sara, zoals hij gezegd had, en vervulde de belofte die hij haar gedaan had.
Gen. 21,2 Sara werd zwanger en schonk Abraham op zijn oude dag een zoon, op het tijdstip dat God genoemd had.
Gen. 21,3 Abraham gaf aan de zoon die hem geboren werd en die hem door Sara werd geschonken de naam Isaak.
Gen. 21,4 Volgens Gods bevel besneed Abraham zijn zoon Isaak, toen deze acht dagen oud was.
Gen. 21,5 Abraham was honderd jaar, toen zijn zoon Isaak geboren werd.
Gen. 21,6 Sara zei: `God heeft gemaakt dat ik lachen kon, en ieder die het hoort, zal meelachen.'
Gen. 21,7 En ze voegde eraan toe: `Wie zou Abraham hebben durven voorspellen, dat Sara nog kinderen zou voeden? En nu heb ik hem op zijn oude dag een zoon geschonken!'
Gen. 21,8 Het kind groeide op en werd van de borst genomen. Op de dag dat Isaak van de borst genomen werd, gaf Abraham een groot feest.
Gen. 21,9 Maar toen Sara de zoon die Hagar, de Egyptische, aan Abraham geschonken had, eens zag lachen,
Gen. 21,10 zei ze tot Abraham: `Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van die slavin mag geen mede-erfgenaam worden van mijn zoon Isaak.'
Gen. 21,11 Abraham vond deze eis zeer ongepast, omdat het toch om een zoon van hem ging.
Gen. 21,12 God echter zei hem: `Wat Sara ten aanzien van de jongen en uw slavin eist, moet gij niet als ongepast beschouwen. Luister naar alles wat zij u zegt: want alleen door Isaak krijgt gij een nageslacht dat uw naam draagt.
Gen. 21,13 Maar ook de zoon van de slavin zal Ik tot een volk maken, omdat ook hij een kind van u is.'
Gen. 21,14 Abraham voorzag Hagar de volgende morgen van brood en een zak water, zette het kind op haar schouder en zond hen weg. Maar onderweg verdwaalde zij in de woestijn van Berseba.
Gen. 21,15 Toen de waterzak leeg was, legde zij het kind onder een struik
Gen. 21,16 en ging op een boogschot afstand zitten, want zij dacht: `Ik kan mijn kind niet zien sterven.' Ze bleef daar zitten en schreide luid.
Gen. 21,17 God hoorde het schreien van de jongen en de engel van God riep uit de hemel tot Hagar: `Wat is er, Hagar? Wees niet bang, want God heeft in zijn verblijf het schreien van uw kind gehoord.
Gen. 21,18 Sta op, neem de jongen en houd hem goed vast, want Ik zal een groot volk van hem maken.'
Gen. 21,19 Toen opende God haar ogen, zodat zij een waterput zag; zij vulde de zak weer met water en gaf de jongen te drinken.
Gen. 21,20 En God beschermde de jongen. Toen hij groot was geworden, leefde hij in de woestijn en werd een ervaren boogschutter.
Gen. 21,21 Hij ging wonen in de woestijn van Paran, en zijn moeder koos voor hem een vrouw uit Egypte.
Gen. 21,22 In die tijd zei Abimelek - en zijn legeroverste Pikol tot Abraham: `God staat u bij in alles wat u doet.
Gen. 21,23 Zweer daarom hier bij God, dat u mij, mijn geslacht en mijn stam, niet in de steek zult laten; u moet mij en het land waar u gastvrijheid geniet dezelfde vriendschap bewijzen die ik u bewezen heb.'
Gen. 21,24 En Abraham zei: `Dat zweer ik!'
Gen. 21,25 Abraham beklaagde er zich bij Abimelek over, dat diens knechten zich een waterput hadden toegeeigend.
Gen. 21,26 Abimelek zei: `Ik weet niet wie dat gedaan heeft; u hebt er mij nooit over gesproken en ik heb er tot nu toe niets over gehoord.'
Gen. 21,27 Daarop haalde Abraham schapen en runderen, bood die Abimelek aan, en zij sloten een verbond met elkaar.
Gen. 21,28 Maar Abraham zette zeven lammeren apart.
Gen. 21,29 Toen vroeg Abimelek: `Wat betekenen die zeven lammeren die u apart hebt gezet?'
Gen. 21,30 Hij antwoordde: `Deze zeven lammeren moet u van mij aannemen; zij moeten als bewijs dienen dat ik deze put gegraven heb.'
Gen. 21,31 Zo komt het dat deze plaats Berseba heet; want daar hebben zij beiden een eed gezworen.
Gen. 21,32 Nadat zij te Berseba een verbond hadden gesloten, keerde Abimelek met zijn legeroverste Pikol naar het land van de Filistijnen terug.
Gen. 21,33 Abraham plantte te Berseba een tamarisk en riep daar de naam aan van Jahwe, de God van eeuwigheid.
Gen. 21,34 En Abraham verbleef geruime tijd in het land van de Filistijnen.
 
Gen. 22,1 Hierna gebeurde het dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tot hem: `Abraham.' En hij antwoordde: `Hier ben ik.'
Gen. 22,2 Hij zei: `Ga met Isaak, uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, naar het land van de Moria, en draag hem daar, op de berg die Ik u zal aanwijzen, als brandoffer op.'
Gen. 22,3 De volgende morgen zadelde Abraham zijn ezel, nam twee knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, en kloofde hout voor het brandoffer. Daarna begaf hij zich op weg naar de plaats die God hem aangewezen had.
Gen. 22,4 Op de derde dag zag Abraham in de verte de plaats liggen.
Gen. 22,5 Toen zei Abraham tot zijn knechten: `Jullie blijven hier bij de ezel; ik ga met de jongen daarginds heen. Nadat wij ons in aanbidding neergebogen hebben, komen wij weer terug.'
Gen. 22,6 Daarop gaf Abraham zijn zoon Isaak het hout voor het brandoffer te dragen; zelf droeg hij het vuur en het offermes. Zo gingen zij samen op weg.
Gen. 22,7 Toen zei Isaak tot zijn vader Abraham: `Vader.' Hij antwoordde: `Ja, mijn zoon.' Isaak zei: `Wij hebben wel vuur en hout, maar waar is het offerdier?'
Gen. 22,8 Abraham antwoordde: `God zelf zal wel voor het offerdier zorgen, mijn zoon.' En samen gingen zij verder.
Gen. 22,9 Toen zij de plaats bereikt hadden die God hem had aangewezen, bouwde Abraham daar een altaar, stapelde er het hout op, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, boven op het hout.
Gen. 22,10 Toen Abraham echter zijn hand uitstak naar het mes om daarmee zijn zoon de keel af te snijden,
Gen. 22,11 riep de engel van Jahwe hem van uit de hemel toe: `Abraham, Abraham!' En hij antwoordde: `Hier ben ik.'
Gen. 22,12 Hij zei: `Raak de jongen met geen vinger aan en doe hem niets! Ik weet nu dat gij god vreest, want gij hebt Mij uw zoon, uw enige, niet willen onthouden.'
Gen. 22,13 Abraham keek om zich heen en bemerkte een ram, die met zijn horens in het struikgewas vastzat. Hij greep de ram en droeg die als brandoffer op, in plaats van zijn zoon.
Gen. 22,14 Abraham noemde die plaats `Jahwe zal erin voorzien'; vandaar dat men nu nog zegt: `Op de berg van Jahwe zal erin voorzien worden.'
Gen. 22,15 Toen riep de engel van Jahwe voor de tweede maal uit de hemel tot Abraham
Gen. 22,16 en zei: `Bij Mijzelf heb Ik gezworen - spreekt Jahwe -, omdat gij dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet hebt onthouden,
Gen. 22,17 daarom zal Ik u overvloedig zegenen en uw nakomelingen even talrijk maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels op het strand van de zee. Uw nakomelingen zullen de poort van hun vijand bezitten.
Gen. 22,18 Door uw nakomelingen komt zegen over alle volken van de aarde, omdat gij naar mijn stem hebt geluisterd.'
Gen. 22,19 Daarop keerde Abraham naar zijn knechten terug; samen trokken zij naar Berseba. En Abraham bleef in Berseba wonen.
Gen. 22,20 Na deze gebeurtenissen kreeg Abraham dit bericht: Ook Milka heeft aan uw broer Nachor zonen geschonken:
Gen. 22,21 Us, zijn eerstgeborene, diens broer Buz, KemuŽl, de vader van Aram,
Gen. 22,22 Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en BetuŽl,
Gen. 22,23 die de vader werd van Rebekka. Deze acht kinderen schonk Milka aan Nachor, de broer van Abraham.
Gen. 22,24 Hij had ook een bijvrouw, Reuma genaamd, en deze schonk het leven aan Tebach, Gacham, Tachas en Maaka.
 
Gen. 23,1 Sara bereikte de leeftijd van honderdzevenentwintig jaar.
Gen. 23,2 Toen stierf zij in Kirjat-arba, ook Hebron geheten, in Kanašn. Abraham hield eerst de rouwklacht over Sara en beweende haar.
Gen. 23,3 Daarna liet hij zijn afgestorvene alleen en richtte het woord tot de Hethieten.
Gen. 23,4 Hij zei: `Ik ben hier maar een vreemdeling; daarom vraag ik u: Geef mij een eigen begraafplaats, waar ik mijn overleden vrouw kan begraven.'
Gen. 23,5 De Hethieten gaven Abraham ten antwoord:
Gen. 23,6 `Heer, luister naar ons: u bent voor ons een vorst van God; begraaf uw overledene in het mooiste graf dat wij hebben; niemand van ons zal u zijn graf weigeren of beletten dat u daarin uw overleden vrouw begraaft.'
Gen. 23,7 Toen stond Abraham op, boog diep voor de Hethieten, de ingezetenen van het land,
Gen. 23,8 en richtte het woord tot hen: `Als u er mee instemt dat ik mijn overleden vrouw begraaf, luister dan naar mij, en wend uw invloed aan bij Efron, de zoon van Sochar,
Gen. 23,9 dat hij de grot van Makpela, die zijn eigendom is en die aan de rand van zijn akker ligt, aan mij verkoopt; laat hij die in uw bijzijn voor de volle prijs aan mij verkopen, zodat ik een eigen begraafplaats heb.'
Gen. 23,10 Onder de aanwezige Hethieten bevond zich ook Efron zelf. En Efron de Hethiet gaf Abraham, ten aanhoren van alle Hethieten die zitting hielden bij de stadspoort, ten antwoord:
Gen. 23,11 `Geen sprake van, heer. Luister naar mij: Het stuk land schenk ik u, en de grot die erop ligt geef ik u ook; ten over staan van mijn volksgenoten geef ik ze u: begraaf er uw dode.'
Gen. 23,12 Opnieuw boog Abraham diep voor de ingezetenen van het land;
Gen. 23,13 ten aanhoren van hen richtte hij het woord tot Efron: `Wees zo goed naar mij te luisteren. Ik wil voor de grond de volle prijs betalen. Neem die van mij aan; dan kan ik mijn dode daar begraven.'
Gen. 23,14 Maar Efron antwoordde Abraham:
Gen. 23,15 `Kijk eens, heer: een stuk grond van vierhonderd sikkel zilver, wat maakt dat nu uit voor mij of voor u? Begraaf dus uw dode.'
Gen. 23,16 Abraham ging op Efrons aanbod in en woog het zilver af, dat Efron ten aanhoren van de Hethieten genoemd had: vierhonderd sikkels, zoals ze in de handel gangbaar zijn.
Gen. 23,17 Zo werd in het bijzijn van alle Hethieten die zitting hielden bij de stadspoort, het stuk grond van Efron in Makpela, ten oosten van Mamre - de grond met de grot en al het geboomte op het gehele terrein
Gen. 23,18 eigendom van Abraham.
Gen. 23,19 Daarop begroef Abraham zijn vrouw Sara in de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre of Hebron, in Kanašn.
Gen. 23,20 Zo werd het stuk grond met de grot door de Hethieten aan Abraham overgedaan en kreeg hij een eigen begraafplaats.
 
Gen. 24,1 Abraham was oud en hoogbejaard, en Jahwe had hem in alles gezegend.
Gen. 24,2 Nu zei Abraham tot zijn oudste dienaar, die het toezicht had over heel zijn bezit: `Leg je hand onder mijn heup.
Gen. 24,3 Bij Jahwe, de God van de hemel en de aarde, moet je mij zweren dat je voor mijn zoon geen vrouw zult zoeken uit de meisjes van Kanan waar ik woon,
Gen. 24,4 maar dat je zult gaan naar mijn land en mijn familie, om daar een vrouw voor mijn zoon Isaak te zoeken.'
Gen. 24,5 De dienaar zei: `En als er nu eens geen vrouw is die met mij mee wil gaan naar dit land? Moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land dat u verlaten hebt?'
Gen. 24,6 Abraham antwoordde: `Neen, dat niet, je mag mijn zoon daar nooit terugbrengen.
Gen. 24,7 Jahwe, de God van de hemel, heeft mij uit mijn familie en uit mijn geboorteland laten wegtrekken en mij beloofd, ja gezworen: Aan uw nakomelingen zal Ik dit land schenken. Hij zal zijn engel voor je uitzenden, en je zult daar een vrouw voor mijn zoon meekregen.
Gen. 24,8 Zou er geen vrouw met je mee willen, dan ben je ontsla gen van de eed, die ik je laat zweren; maar in geen geval mag je mijn zoon naar dat land terugbrengen.'
Gen. 24,9 Toen legde de dienaar zijn hand onder de heup van zijn meester Abraham en beloofde onder ede wat hij gevraagd had.
Gen. 24,10 Toen begaf de dienaar zich met tien kamelen van zijn meester en met allerlei kostbare geschenken op weg; hij trok naar de stad van Nachor, in Aram-naharaim.
Gen. 24,11 Op een avond, tegen de tijd dat de vrouwen de stad uitkomen om water te putten, liet hij zijn kamelen neerknielen bij de put
Gen. 24,12 en zei: `Jahwe, God van mijn meester Abraham, laat mij heden slagen, en wees mijn meester Abraham gunstig gezind.
Gen. 24,13 Ik sta hier nu bij de waterbron en aanstonds komen de meisjes uit de stad water halen.
Gen. 24,14 Wanneer het meisje tot wie ik zeg: Reik mij uw kruik aan om te drinken, antwoordt: Drink maar gerust, en ik zal uw kamelen ook nog te drinken geven, dan zal dat het meisje zijn, dat gij voor uw dienaar Isaak bestemd hebt; daaraan zal ik zien dat gij mijn meester gunstig gezind zijt.'
Gen. 24,15 Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka aan, de dochter van BetuŽl, de zoon van Milka, de vrouw van Abrahams broer Nachor; zij droeg een kruik op haar schouders.
Gen. 24,16 Het was een mooi meisje; zij had de huwbare leeftijd, maar geen man had nog omgang met haar gehad. Zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik en kwam weer naar boven.
Gen. 24,17 De dienaar van Abraham liep vlug naar haar toe en vroeg: `Mag ik alstublieft wat drinken uit uw kruik?'
Gen. 24,18 Zij antwoordde: `Drinkt u maar, meneer.' Meteen liet zij de kruik op haar hand glijden en gaf hem te drinken.
Gen. 24,19 Toen zij hiermee klaar was, zei ze: `Ik zal ook water halen voor uw kamelen, tot ze genoeg gedronken hebben.'
Gen. 24,20 Vlug goot zij haar kruik in de drinkbak leeg en liep opnieuw naar de put; zo haalde zij water voor al zijn kamelen.
Gen. 24,21 De man sloeg haar zwijgend gade om te zien, of Jahwe zijn reis met succes bekroond had of niet.
Gen. 24,22 Zodra de kamelen genoeg gedronken hadden, haalde hij een gouden neusring ter waarde van een halve sikkel te voorschijn en deed twee armbanden ter waarde van tien sikkel goud om haar polsen.
Gen. 24,23 Hij zei: `Vertel eens: Wiens dochter bent u? Zou er in het huis van uw vader plaats zijn om te overnachten?'
Gen. 24,24 Zij antwoordde: `Ik ben een dochter van BetuŽl, de zoon die Milka aan Nachor geschonken heeft.'
Gen. 24,25 Zij voegde er aan toe: `Stro en voer hebben wij in overvloed, en er is ook plaats om te overnachten.'
Gen. 24,26 Toen viel de man op zijn knieŽn, boog zich diep voor Jahwe neer
Gen. 24,27 en zei: `Gezegend zij Jahwe, de God van mijn meester Abraham, die hem zijn genade en trouw niet heeft onthouden en mij regelrecht naar het huis van de broer van mijn meester gebracht heeft.'
Gen. 24,28 Het meisje was reeds naar huis gesneld en had daar aan haar moeder verteld wat er gebeurd was.
Gen. 24,29 Nu had Rebekka een broer die Laban heette; deze Laban liep vlug naar de man bij de bron.
Gen. 24,30 Nadat hij de ring en de armbanden om de polsen van zijn zuster had gezien, en haar hele verhaal had gehoord, ging hij meteen naar hem toe; hij stond daar nog met zijn kamelen bij de bron.
Gen. 24,31 Laban zei: `Neem bij ons uw intrek, gezegende van Jahwe; waarom blijft u buiten staan? Ik heb het huis voor u in gereedheid gebracht en er is een stal voor de kamelen.'
Gen. 24,32 Toen ging de man mee naar zijn huis. Men zadelde de kamelen af, gaf ze stro en voer; voor hemzelf en de mannen die hem vergezelden bracht men water om de voeten te wassen.
Gen. 24,33 Maar toen het eten was opgediend, zei hij: `Ik wil niet eten voor ik mijn woord gedaan heb.' En Laban antwoordde: `Ga uw gang!'
Gen. 24,34 Hij zei toen: `Ik ben een dienaar van Abraham.
Gen. 24,35 Jahwe heeft mijn meester overvloedig gezegend, zodat hij rijk is. Hij heeft hem schapen en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels geschonken.
Gen. 24,36 En Sara, de vrouw van mijn meester, heeft hem een zoon gebaard toen zij reeds oud was; al wat hij bezit heeft hij voor deze zoon bestemd.
Gen. 24,37 Mijn meester heeft mij een eed laten zweren en mij deze opdracht gegeven: Zoek voor mijn zoon geen vrouw onder de meisjes van Kanašn, waar ik woon.
Gen. 24,38 Je moet naar mijn ouderlijk huis en mijn familie gaan en daar een vrouw voor mijn zoon zoeken.
Gen. 24,39 Ik zei tot mijn meester: Misschien zal de vrouw niet met mij mee willen.
Gen. 24,40 Hij antwoordde mij: Jahwe, naar wie ik steeds mijn schreden richt, hij zal zijn engel met je mee zenden en je reis doen slagen. Je moet voor mijn zoon een vrouw zoeken uit mijn familie en mijn ouderlijk huis.
Gen. 24,41 Pas dan ben je van je eed ontslagen, wanneer je bij mijn familie bent geweest en men je daar geen vrouw heeft willen geven; in dat geval ben je van de eed ontslagen.
Gen. 24,42 Toen ik vandaag bij de bron gekomen was, zei ik: Jahwe, God van mijn meester Abraham, wil toch de reis, die ik ondernomen heb, met succes bekronen.
Gen. 24,43 Ik sta hier nu bij de waterbron; wanneer een meisje water komt halen en ik tot haar zeg: Mag ik alstublieft wat drinken uit uw kruik,
Gen. 24,44 en antwoordt: Drink eerst zelf, daarna zal ik ook voor uw kamelen water halen, dan zal dat meisje de vrouw zijn die Jahwe voor de zoon van mijn meester heeft bestemd.
Gen. 24,45 Ik was nog niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka aan, met een kruik op haar schouder, en daalde af naar de bron om water te halen. Ik vroeg haar: Mag ik alstublieft wat drinken?
Gen. 24,46 Dadelijk liet zij de kruik van haar schouder glijden en zei: Drink maar gerust; en ik zal ook uw kamelen nog te drinken geven. Ik dronk; ook de kamelen gaf ze te drinken.
Gen. 24,47 Ik vroeg haar: Van wie bent u een dochter? Zij antwoordde: Van BetuŽl, de zoon van Nachor, die Milka hem geschonken heeft. Toen deed ik een ring in haar neus en armbanden om haar polsen.
Gen. 24,48 Ik viel op mijn knieŽn, boog mij voor Jahwe neer en zegende Jahwe, de God van mijn meester Abraham, die mij langs de juiste weg had geleid, zodat ik voor de zoon van mijn meester de dochter van diens broer mocht vinden.
Gen. 24,49 Als ik mijn meester uw vriendschap en trouw wilt betonen, zeg het mij dan; zo niet, zeg het dan eveneens; dan kan ik ergens anders gaan zoeken. '
Gen. 24,50 Daarop antwoordde Laban en diens familie: `Dit is een beschikking van Jahwe; wij kunnen er niets tegen inbrengen.
Gen. 24,51 Rebekka staat voor u gereed; neem haar met u mee als vrouw voor de zoon van uw meester, zoals Jahwe geschikt heeft.'
Gen. 24,52 Toen de dienaar van Abraham dit antwoord hoorde, boog hij diep voor Jahwe neer.
Gen. 24,53 Daarna haalde de dienaar zilveren en gouden sieraden en gewaden te voorschijn en gaf ze aan Rebekka; ook aan haar broer en haar moeder overhandigde hij kostbare geschenken.
Gen. 24,54 Zij aten en dronken, hijzelf en de mannen die hem vergezelden, en brachten daar de nacht door. Zodra zij de volgen de ochtend opgestaan waren, zei hij: `Laat mij naar mijn meester gaan.'
Gen. 24,55 Maar de broer en de moeder van het meisje zeiden: `Laat haar nog een dag of tien bij ons blijven; daarna kan zij ver trekken.'
Gen. 24,56 Maar hij zei tot hen: `Houd mij niet op, nu Jahwe mijn reis heeft doen slagen; laat mij vertrekken naar mijn meester.'
Gen. 24,57 Zij zeiden: `Wij zullen het meisje roepen en het haar zelf vragen.'
Gen. 24,58 Zij riepen dus Rebekka en vroegen haar: `Wil je met deze man meegaan?' Zij antwoordde: `Ik ga mee.'
Gen. 24,59 Toen lieten zij hun zuster Rebekka vertrekken, samen met haar voedster, en met de dienaar van Abraham en zijn mannen.
Gen. 24,60 Zij namen afscheid van Rebekka en wensten haar toe: `Zuster, moogt u worden tot duizendmaal tienduizend en moge uw nageslacht de poort van zijn vijanden bezitten!'
Gen. 24,61 Toen maakten Rebekka en haar slavinnen zich gereed; zij bestegen hun kamelen en volgden de man. De dienaar begaf zich met Rebekka op reis.
Gen. 24,62 Isaak was teruggekomen van de bron Lachai-roi; hij woonde toen in de Negeb.
Gen. 24,63 Bij het vallen van de avond ging hij buiten wat afleiding zoeken; toen hij zijn ogen opsloeg, zag hij ineens kamelen aankomen.
Gen. 24,64 Ook Rebekka keek op, en toen zij Isaak zag, liet zij zich van haar kameel glijden
Gen. 24,65 en vroeg aan de dienaar: `Wie is die man daar, die over het veld naar ons toekomt?' De dienaar antwoordde: `Dat is mijn meester.' Toen deed zij haar sluier voor.
Gen. 24,66 De dienaar vertelde aan Isaak alles wat hij gedaan had.
 
Gen. 24,67 Daarop bracht Isaak Rebekka in zijn tent en nam haar tot vrouw. Isaak kreeg haar lief en vond troost voor het verlies van zijn moeder.
 
Gen. 25,1 Abraham huwde nog een andere vrouw, Ketura genaamd.
Gen. 25,2 Zij schonk hem Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach.
Gen. 25,3 Joksan was de vader van Seba en Dedan. De zonen van Dedan zijn de Assurieten, de Letusieten en de Leummieten.
Gen. 25,4 De zonen van Midjan zijn Efa, Efer, Chanok, Abida en Eldaa. Dat zijn allen nakomelingen van Ketura.
Gen. 25,5 Abraham vermaakte alles wat hij bezat aan Isaak.
Gen. 25,6 Aan de zonen van zijn bijvrouwen gaf Abraham wel ge schenken, maar hij zond ze nog tijdens zijn leven weg uit de omgeving van zijn zoon Isaak, naar het oosten toe.
Gen. 25,7 Abraham bereikte de leeftijd van honderdvijfenzeventig jaar.
Gen. 25,8 Toen gaf Abraham de geest en stierf in gezegende ouder dom, oud en verzadigd van jaren, en hij werd met zijn voorvaderen verenigd.
Gen. 25,9 Zijn zonen Isaak en IsmaŽl begroeven hem in de grot van Makpela, op de akker van Efron, de zoon van de Hethiet Sochar, ten oosten van Mamre.
Gen. 25,10 Het was de akker, die Abraham van de Hethiet gekocht had; daar werden Abraham en zijn vrouw Sara begraven.
Gen. 25,11 Na Abrahams dood zegende God zijn zoon Isaak. Isaak had zich bij de put van Lachai-roi gevestigd.
Gen. 25,12 Dit zijn de nakomelingen van IsmaŽl, Abrahams zoon, die Hagar, Sara's Egyptische slavin, aan Abraham geschonken had.
Gen. 25,13 Dit zijn de namen van IsmaŽls zonen, opgenoemd naar hun geslachten; De eerstgeborene van IsmaŽl is Nebajot; dan volgen Kedar, Adbeel, Mibsam,
Gen. 25,14 Misma, Duma, Massa,
Gen. 25,15 Chadad, Tema, Jetur, Nafis en Kedema.
Gen. 25,16 Zo heten de zonen van IsmaŽl, afgaande op hun nederzet tingen en kampementen, twaalf vorsten van twaalf stammen.
Gen. 25,17 IsmaŽl bereikte de leeftijd van honderdzevenendertig jaar. Toen gaf hij de geest en stierf, en werd met zijn voorvaderen verenigd.
Gen. 25,18 De IsmaŽlieten woonden tussen Chawila en Sur, van vlak bij Egypte tot aan Assur toe. Al zijn broers trotserend had IsmaŽl daar vaste voet gekregen.
Gen. 25,19 Dit zijn de nakomelingen van Isaak, de zoon van Abraham. Abraham verwekte Isaak.
Gen. 25,20 Isaak was veertig jaar, toen hij Rebekka, de dochter van BetuŽl, de ArameeŽr uit Paddan-aram, de zuster van de ArameeŽr Laban, tot vrouw nam.
Gen. 25,21 Isaak bad tot Jahwe omdat zijn vrouw onvruchtbaar bleef. Jahwe verhoorde zijn gebed en zijn vrouw Rebekka werd zwanger.
Gen. 25,22 Toen echter de kinderen in haar schoot tegen elkaar stootten, dacht ze: `Als het zo gaat, wat staat mij dan te wachten?' Daarom ging zij Jahwe raadplegen.
Gen. 25,23 En Jahwe sprak tot haar: `Twee volken zijn het, die gij draagt; twee naties die uiteengaan reeds in uw schoot. Een van de twee zal machtiger zijn: de oudste dient de jongste.'
Gen. 25,24 Toen de tijd van de bevalling was gekomen, was er inderdaad een tweeling in haar schoot.
Gen. 25,25 De eerste die te voorschijn kwam was rossig en van top tot teen zo behaard als een mantel; hij kreeg de naam Esau.
Gen. 25,26 Na hem kwam zijn broer te voorschijn. Hij hield met zijn hand de hiel van Esau vast; om die reden kreeg hij de naam Jakob. Isaak was zestig jaar, toen zij geboren werden.
Gen. 25,27 Toen de jongens groot geworden waren, werd Esau een kundig jager, een man die er altijd op uit trok. Jakob daarentegen was een rustig man, die in zijn tenten bleef.
Gen. 25,28 Isaak had een voorkeur voor Esau, want hij at graag wildbraad; maar Rebekka hield meer van Jakob.
Gen. 25,29 Toen Jakob eens aan het koken was, kwam Esau uitgeput van een van zijn tochten terug.
Gen. 25,30 Hij zei tegen Jakob: `Geef mij eens gauw wat van die rode brij, want ik ben doodop.' Zo kreeg hij de naam Edom.
Gen. 25,31 Jakob antwoordde: `Dan moet je mij je eerstgeboorte recht verkopen.'
Gen. 25,32 Daarop zei Esau: `Man, ik ga dood, wat kan mij mijn eerstgeboorterecht schelen?'
Gen. 25,33 Jakob drong aan: `Zweer daar dan eerst een eed op.' En Esau legde de eed af en verkocht zo zijn eerstgeboorterecht aan Jakob.
Gen. 25,34 Toen gaf Jakob hem brood en linzenbrij. Hij at en dronk en ging weer weg. Zo weinig gaf Esau om zijn eerstgeboorterecht.
 
Gen. 26,1 Eens kwam er een hongersnood in het land - niet te verwarren met die uit de tijd van Abraham -, en Isaak begaf zich naar Abimelek, de koning van de Filistijnen, in Gerar.
Gen. 26,2 Hier verscheen hem Jahwe, die zei: `Trek niet naar Egypte, maar ga wonen in het land dat Ik u aanwijs.
Gen. 26,3 Vestig u in dit land hier, Ik zal met u zijn en u zegenen. Want aan u en aan uw nakomelingen zal Ik heel dit gebied geven, en Ik zal de eed gestand doen die Ik uw vader Abraham gezworen heb.
Gen. 26,4 Ik zal uw nakomelingen talrijk maken als de sterren aan de hemel, en aan uw nageslacht zal Ik heel dit gebied schenken. Door uw nakomelingen zal zegen komen over alle volken van de aarde,
Gen. 26,5 omdat Abraham geluisterd heeft naar mijn woord en zich heeft gehouden aan wat Ik hem voorhield, aan mijn geboden, verordeningen en wetten.'
Gen. 26,6 Zo kwam het dat Isaak zich in Gerar vestigde.
Gen. 26,7 Toen de burgers van die stad hem vragen stelden over zijn vrouw, zei hij: `Het is mijn zuster.' Hij durfde namelijk niet te zeggen dat het zijn vrouw was, want hij dacht: `Anders vermoorden de burgers van die stad mij omwille van Rebekka, want zij is een mooie vrouw.'
Gen. 26,8 Toen hij daar al geruime tijd woonde, keek Abimelek, de koning van de Filistijnen, eens door het venster naar binnen en zag tot zijn verbazing, dat Isaak zijn vrouw Rebekka aan het liefkozen was.
Gen. 26,9 Daarop ontbood Abimelek Isaak en zei tot hem: `Wat zie ik? Het is uw vrouw! Hoe hebt u dan kunnen zeggen dat het uw zuster is?' Isaak zei hem: `Ik was bang dat ik om haar mijn leven zou verliezen.'
Gen. 26,10 Toen zei Abimelek: `Hoe hebt u ons dat kunnen aandoen? Hoe licht had iemand van het volk met uw vrouw gemeenschap kunnen hebben, en dan had u schuld over ons gebracht.'
Gen. 26,11 En Abimelek gebood heel het volk: `Wie deze man of zijn vrouw te na komt, wordt onherroepelijk ter dood gebracht.'
Gen. 26,12 Isaak had in die streek gezaaid en hij oogstte dat jaar honderdvoudig, want Jahwe zegende hem.
Gen. 26,13 Hij werd steeds rijker en was ten slotte schatrijk.
Gen. 26,14 Hij bezat kudden schapen en runderen, en zoveel knechten dat de Filistijnen afgunstig op hem werden.
Gen. 26,15 Daarom verstopten de Filistijnen al de putten die de knechten van zijn vader Abraham indertijd gegraven hadden, en gooiden ze dicht met zand.
Gen. 26,16 En Abimelek zei tot Isaak: `Ga bij ons weg, want u bent ons veel te machtig geworden.'
Gen. 26,17 Toen trok Isaak daar weg. Hij sloeg zijn tent op in het dal van Gerar en bleef daar wonen.
Gen. 26,18 Hij groef de waterputten weer open, die men in de tijd van zijn vader Abraham gegraven had, en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgegooid. Hij gaf ze dezelfde namen die zijn vader ze gegeven had.
Gen. 26,19 Terwijl nu Isaaks knechten in het dal van Gerar aan het graven waren, stootten ze daar op een put met stromend water.
Gen. 26,20 Maar de herders van Gerar kregen onenigheid met die van Isaak; zij zeiden: `Dat water is van ons.' Daarom noemde hij die put Esek, omdat ze daar ruzie gemaakt hadden.
Gen. 26,21 Toen zij een andere put groeven, kregen zij ook daar over onenigheid; om die reden noemde hij hem Sitna.
Gen. 26,22 Daarop verliet hij die plaats en groef een andere put; daarover kregen ze geen ruzie meer. Die put gaf hij de naam Rechobot, want hij zei: `Nu heeft Jahwe ons ruimte gegeven, zodat wij kunnen groeien in dit land.'
Gen. 26,23 Vandaar trok hij naar Berseba.
Gen. 26,24 Op een nacht verscheen hem Jahwe en zei: `Ik ben de God van uw vader Abraham; vrees niet, want Ik sta u bij. Ik zal u zegenen en uw nakomelingen talrijk maken terwille van mijn dienaar Abraham.'
Gen. 26,25 Isaak richtte op die plaats een altaar op en riep de naam van Jahwe aan. Hij sloeg daar zijn tent op en zijn knechten groeven er een put.
Gen. 26,26 Nu ging Abimelek vanuit Gerar naar hem toe, in gezel schap van zijn vertrouweling Achuzzat en zijn legeroverste Pikol.
Gen. 26,27 Isaak vroeg hem: `Waarom komt u naar mij toe? U bent mij toch vijandig gezind en u hebt mij toch weggejaagd?'
Gen. 26,28 Zij antwoordden: `Wij zien nu duidelijk dat Jahwe met u is, en wij dachten dat het goed zou zijn een verdrag met u te sluiten. Laat ons een verbond aangaan,
Gen. 26,29 dat u ons geen kwaad zult doen; wij hebben het u ook niet lastig gemaakt, doch u enkel goed gedaan en u ongedeerd laten gaan. En nu rust Jahwe's zegen op u.'
Gen. 26,30 Hierop richtte Isaak voor hen een feestmaal aan en zij aten en dronken.
Gen. 26,31 De volgende ochtend legden zij beiden hun eed af. Toen deed Isaak hen uitgeleide en zij gingen als vrienden bij hem vandaan.
Gen. 26,32 Diezelfde dag kwamen de knechten van Isaak met het bericht dat zij een put gegraven hadden en zeiden: `Wij hebben water gevonden.'
Gen. 26,33 Hij noemde die plaats Siba; daarom heet die stad tot op heden Berseba.
Gen. 26,34 Toen Esau veertig jaar was, huwde hij Jehudit, de dochter van de Hethiet Beeri, en Basemat, de dochter van de Hethiet Elon.
Gen. 26,35 Deze vrouwen waren een kwelling voor Isaak en Rebekka.
 
Gen. 27,1 Isaak was oud geworden en zijn ogen werden zo zwak dat hij niet meer kon zien. Daarom riep hij zijn oudste zoon Esau bij zich en zei: `Mijn zoon.' Hij antwoordde: `Wat wilt u?'
Gen. 27,2 Isaak zei: `Hoor eens, ik ben een oud man en ik weet niet hoelang ik nog te leven heb.
Gen. 27,3 Neem daarom je wapens, je pijlkoker en je boog, ga erop uit en schiet een stuk wild voor mij.
Gen. 27,4 Maak dan een smakelijk maal gereed, zoals ik het graag heb, en dien het mij op, zodat ik ervan kan eten; daardoor zal ik de kracht krijgen om je mijn zegen te geven, voordat ik sterf.'
Gen. 27,5 Tijdens dat gesprek van Isaak met zijn zoon Esau had Rebekka staan luisteren. Zodra Esau erop uit was gegaan om een stuk wild voor zijn vader te schieten,
Gen. 27,6 zei Rebekka tot haar zoon Jakob: `Hoor eens, ik heb je vader tegen je broer Esau horen zeggen:
Gen. 27,7 Breng mij een stuk wild en maak een smakelijk maal voor mij gereed, zodat ik ervan kan eten; dan zal ik je met Jahwe's goedvinden mijn zegen kunnen geven, voordat ik sterf.
Gen. 27,8 Daarom, mijn zoon, moet je luisteren naar wat ik je zeg.
Gen. 27,9 Ga naar de kudden en haal daar twee malse geitebokjes; dan maak ik een smakelijk maal voor je vader, zoals hij dat graag heeft.
Gen. 27,10 Dat ga je dan aan je vader aanbieden, zodat hij ervan kan eten; daardoor zal hij de kracht krijgen om je zijn zegen te geven, voordat hij sterft.'
Gen. 27,11 Maar Jakob zei tot zijn moeder Rebekka: `Dat gaat niet; mijn broer Esau is ruigbehaard en ik helemaal niet.
Gen. 27,12 Als vader mij gaat betasten, denkt hij vast dat ik met hem spot, en in plaats van zegen zal ik dan vloek over mij doen komen.'
Gen. 27,13 Zijn moeder antwoordde hem: `Jongen, die vloek neem ik op me, luister naar mij en ga de bokjes halen.'
Gen. 27,14 Jakob ging ze dus halen en bracht ze aan zijn moeder; en zij maakte een smakelijk maal gereed, zoals zijn vader het graag had.
Gen. 27,15 Daarop haalde Rebekka de beste kleren van haar oudste zoon Esau, die zij in huis bewaarde, en liet haar jongste zoon Jakob die aantrekken.
Gen. 27,16 Over zijn handen en zijn gladde hals trok zij de vellen van de geitebokjes.
Gen. 27,17 Vervolgens gaf zij het smakelijke maal met het brood dat zij toebereid had haar zoon Jakob in handen.
Gen. 27,18 Die ging naar zijn vader toe en zei: `Vader.' Isaak antwoordde: `Ja, wie ben je, mijn zoon?'
Gen. 27,19 Jakob zei tot zijn vader: `Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan wat u mij opgedragen hebt. Ga overeind zitten en eet van mijn wildbraad, dan zult u de kracht krijgen om mij uw zegen te geven.'
Gen. 27,20 Maar Isaak zei tot zijn zoon: `Hoe heb je dat wild zo gauw kunnen vinden, mijn zoon?' Jakob gaf ten antwoord: `Jahwe, uw God, heeft het op mijn weg gebracht.'
Gen. 27,21 Daarop zei Isaak tot Jakob: `Kom eens wat dichterbij, ik wil je betasten, mijn zoon, om te zien of je werkelijk mijn zoon Esau bent.'
Gen. 27,22 Jakob kwam bij zijn vader Isaak staan. Deze betastte hem en zei: `De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Esau'.
Gen. 27,23 Hij herkende Jakob niet, omdat diens handen even behaard waren als die van zijn broer Esau. Toen was hij bereid hem zijn zegen te geven,
Gen. 27,24 en vroeg nog eens: `Ben jij werkelijk mijn zoon Esau?' Hij antwoordde: `Dat ben ik.'
Gen. 27,25 Toen sprak Isaak: `Dien dan maar op. Ik wil eten van het wildbraad van mijn zoon; dan zal ik de kracht krijgen om je mijn zegen te geven.' Jakob diende op en zijn vader begon te eten; daarna bracht hij hem wijn en hij dronk.
Gen. 27,26 Daarop sprak zijn vader Isaak tot hem: `Kom hier, mijn zoon, en kus mij.'
Gen. 27,27 Hij kwam naderbij en kuste hem. Toen Isaak de geur van zijn kleren rook, sprak hij over hem deze zegen uit: `Ja, de geur van mijn zoon is als de geur van een akker die door Jahwe is gezegend,
Gen. 27,28 Dauw van de hemel zal God je geven, vruchtbare grond, met overvloed van koren en most.
Gen. 27,29 Volken zullen je dienen naties voor je buigen; je moet heersen over je broers, en de zonen van je moeder moeten voor jou buigen! Wie jou vervloekt, hij zij vervloekt; wie jou zegent, hij zij gezegend!'
Gen. 27,30 Toen Isaak over Jakob deze zegen had uitgesproken, ging Jakob weg bij zijn vader Isaak. Op datzelfde ogenblik kwam zijn broer Esau van de jacht terug.
Gen. 27,31 Ook hij maakte een smakelijk maal gereed. Toen hij het binnenbracht, zei hij tot zijn vader: `Kom overeind, vader, en eet van het wildbraad van uw zoon; dan zult u de kracht krijgen om mij uw zegen te geven.'
Gen. 27,32 Zijn vader Isaak vroeg: `Wie ben je?' hij antwoordde: `Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Esau.'
Gen. 27,33 Isaak schrok hevig en riep uit: `Maar wie was dan degene die dat ander stuk wild had geschoten en het mij gebracht heeft? Juist voor jij binnenkwam heb ik daarvan gegeten. Hem heb ik mijn zegen gegeven en die zegen zal hij ook houden.'
Gen. 27,34 Toen Esau dat van zijn vader hoorde, brak hij in luide en bittere jammerklachten uit en smeekte zijn vader: `Vader, geef mij ook uw zegen!'
Gen. 27,35 Maar hij antwoordde: `Je broer is met een listige leugen bij mij aangekomen en heeft zich van jouw zegen meester gemaakt.'
Gen. 27,36 Toen zei Esau: `Terecht heet hij Jakob, want hij heeft mij nu al tweemaal bedrogen. Eerst heeft hij zich mijn eerstgeboorterecht toegeeigend en nu bovendien nog mijn zegen.' En hij drong aan: `Hebt u dan voor mij geen zegen meer?'
Gen. 27,37 Isaak antwoordde en zei tot Esau: `Ik heb hem nu eenmaal tot heerser over jou aangesteld, ik heb al zijn broers tot zijn dienstknechten gemaakt en koren en most aan hem gegeven. Wat kan ik nog doen voor jou, mijn zoon?'
Gen. 27,38 Maar Esau zei tot zijn vader: `Was dat dan uw enige zegen, vader? Vader, geef mij toch ook een zegen!' En Hij begon luid te jammeren.
Gen. 27,39 Daarop nam zijn vader Isaak het woord en zei: `Ver van de vruchtbare grond zul je wonen, ver van de dauw uit de hemel van boven.
Gen. 27,40 Van je zwaard zul je leven, en je broers zul je dienen. Maar als je je losrukt, schudt je zijn juk van je nek!'
Gen. 27,41 Esau was hevig op Jakob gebeten vanwege de zegen die zijn vader over hem had uitgesproken. En Esau zei bij zichzelf: `De tijd is niet ver meer dat er over mijn vader gerouwd wordt; dan ga ik mijn broer Jakob vermoorden.'
Gen. 27,42 Toen Rebekka te weten kwam wat haar oudste zoon Esau van plan was, riep zij haar jongste zoon Jakob bij zich en zei hem: `Je broer Esau zint op wraak en wil je vermoorden.
Gen. 27,43 Luister dus naar mij, mijn zoon. Maak je gereed en neem de wijk naar mijn broer Laban in Haran.
Gen. 27,44 Blijf daar een tijdlang tot de woede van je broer bekoeld is.
Gen. 27,45 Als zijn woede over is, zal ik iemand sturen om je terug te halen. Waarom zou ik jullie alle twee op een dag moeten verliezen?'
Gen. 27,46 Rebekka zei eens tot Isaak: `Het leven valt mij zwaar met die Hethitische vrouwen. Als Jakob nu ook nog trouwt met meisjes van hier, met die Hethitische, dan heb ik helemaal geen


Gen. 28,1 Toen liet Isaak Jakob bij zich komen, zegende hem en gaf hem deze opdracht: `Je moet niet trouwen met een meisje uit Kanašn.
Gen. 28,2 Ga op reis naar Paddan-aram, naar het huis van BetuŽl, de vader van je moeder en huw daar met een van de dochters van Laban, de broer van je moeder.
Gen. 28,3 Moge God Almachtig je zegenen en je vruchtbaar maken en talrijk, zodat je uitgroeit tot een grote menigte volken.
Gen. 28,4 Moge Hij aan jou en je nakomelingen de zegen van Abraham schenken, zodat je het land in bezit kunt nemen waar je nu als vreemdeling vertoeft, het land dat God aan Abraham gegeven heeft.'
Gen. 28,5 Zo liet Isaak Jakob gaan, en deze begaf zich op weg naar Paddan-aram, naar Laban, de zoon van de ArameeŽr BetuŽl en de broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau.
Gen. 28,6 Esau merkte dat Isaak Jakob met zijn zegen naar Paddan-aram gestuurd had om er een vrouw te zoeken; hij kwam te weten dat hij hem bij zijn zegen verboden had een Kanašnitische vrouw te huwen,
Gen. 28,7 en dat Jakob daarom volgens de wens van zijn vader en moeder naar Paddan-aram was gegaan.
Gen. 28,8 Zo merkte Esau dat de vrouwen uit Kanašn zijn vader Isaak niet bevielen.
Gen. 28,9 Daarom begaf hij zich naar IsmaŽl en nam naast de vrouwen die hij reeds had, ook nog Machalat, een dochter van Abrahams zoon IsmaŽl en een zuster van Nebajot, tot vrouw.
Gen. 28,10 Jakob vertrok uit Berseba en ging naar Haran.
Gen. 28,11 Op een bepaalde plaats gekomen, wilde hij daar over nachten, nadat de zon reeds was ondergegaan. Een van de stenen die daar lagen nam hij als hoofdkussen en viel op die plaats in slaap.
Gen. 28,12 Hij kreeg een droom en zag een ladder die op de aarde stond en waarvan de top tot in de hemel reikte. Langs die ladder gingen Gods engelen op en af.
Gen. 28,13 Ineens stond Jahwe bij hem en zei: `Ik ben Jahwe, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak. Het land, waar gij op ligt, zal Ik aan u en aan uw nakomelingen geven.
Gen. 28,14 Uw nageslacht zal zijn als het stof van de aarde; gij zult u uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden; door u en uw nakomelingen zal zegen komen over alle geslachten van de aarde.
Gen. 28,15 Ik ben met u; Ik zal u behoeden waar gij ook gaat, en u terugvoeren naar dit land. Want Ik zal u niet verlaten tot Ik mijn belofte heb vervuld.'
Gen. 28,16 Jakob werd wakker en riep uit: `Waarlijk, Jahwe is op deze plaats en ik wist het niet.'
Gen. 28,17 Hij werd bevreesd en zei: `Ontzagwekkend is deze plaats! Dit kan niet anders zijn dan het huis van God en de poort van de hemel.'
Gen. 28,18 De volgende morgen zette Jakob de steen waar hij met zijn hoofd op had gelegen, overeind als een wijsteen en goot er olie over uit.
Gen. 28,19 Hij noemde die plaats Betel; vroeger heette die stad Luz.
Gen. 28,20 Jakob legde de volgende gelofte af: `Als God met mij is en mij beschermt op de reis die ik nu onderneem, als hij mij voedsel geeft om te eten en kleding om mij te bedekken,
Gen. 28,21 en als ik behouden naar mijn ouderlijk huis terugkeer, dan zal Jahwe mijn God zijn.
Gen. 28,22 En deze steen, die ik als heilige steen opricht, zal het huis van God zijn; en van alles wat Gij mij schenkt, zal ik u tienden geven.'
 
Gen. 29,1 Toen Jakob zijn reis had hervat en verder trok naar het gebied van de Oosterlingen,
Gen. 29,2 zag hij op een gegeven ogenblik ergens in het veld een put. Drie kudden schapen lagen daar te wachten, omdat uit die put de kudden te drinken kregen. Op de put lag een grote steen,
Gen. 29,3 en pas als alle herders daar waren samengekomen, rolde men de steen van de opening; zodra men de schapen had laten drinken, legde men de steen weer op de put.
Gen. 29,4 Jakob vroeg hen: `Broeders, waar komt u vandaan?' Zij antwoordden: `Wij komen van Haran.'
Gen. 29,5 Hij vervolgde: `Kent u dan Laban, de zoon van Nachor?' Zij antwoordden: `Ja zeker.'
Gen. 29,6 Hij vroeg verder: `Hoe maakt hij het?' En zij antwoord den: `Uitstekend. Daar komt net zijn dochter Rachel aan met de schapen.'
Gen. 29,7 Toen zei hij: `Het is nog volop dag en nog lang geen tijd om de kudden bijeen te drijven: geef dus de schapen te drinken en laat ze dan nog wat grazen.'
Gen. 29,8 Zij zeiden: `Dat kunnen wij niet voordat alle schapen bijeen zijn: pas dan wordt de steen van de put afgerold en kunnen wij de schapen te drinken geven.'
Gen. 29,9 Hij stond nog met hen te praten, toen Rachel aankwam met de schapen van haar vader, want zij was herderin.
Gen. 29,10 Zodra Jakob Rachel zag, de dochter van zijn oom Laban, met de schapen van zijn oom, ging hij naar de put toe, rolde de steen weg en liet de schapen van zijn oom Laban drinken.
Gen. 29,11 Daarop kuste Jakob Rachel en weende luid.
Gen. 29,12 Toen Jakob Rachel bekend gemaakt had dat hij een bloed verwant van haar vader was, de zoon van Rebekka, ging rachel het gauw aan haar vader vertellen.
Gen. 29,13 Zodra Laban het nieuws over Jakob, de zoon van zijn zuster, gehoord had, liep hij vlug naar hem toe: hij omhelsde en kuste hem en nam hem mee naar huis. Daar vertelde Jakob Laban alles wat er gebeurd was.
Gen. 29,14 Toen zei Laban: `Waarlijk, jij bent mijn gebeente en mijn vlees.' En Jakob bleef een volle maand bij hem.
Gen. 29,15 Daarop zei Laban tot Jakob: `Al ben je van mijn familie, je hoeft toch niet voor niets bij mij te werken. Laat maar horen wat je wilt verdienen.'
Gen. 29,16 Nu had Laban twee dochters: de oudste heette Lea, de jongste Rachel.
Gen. 29,17 Lea had fletse ogen, Rachel was welgevormd en mooi,
Gen. 29,18 zodat Jakob verliefd was op Rachel. Daarom stelde hij voor: `Ik blijf zeven jaar bij u werken voor uw jongste dochter Rachel.'
Gen. 29,19 Laban zei: `Ik geef haar liever aan jou dan aan iemand anders; blijf dus maar bij mij.'
Gen. 29,20 Zo kwam het dat Jakob zeven jaar werkte om rachel te krijgen. Die jaren leken hem maar enkele dagen; zoveel hield hij van haar.
Gen. 29,21 Toen zei Jakob tot Laban: `Geef me mijn vrouw, want mijn tijd is om en ik wil met haar gaan samenleven.'
Gen. 29,22 Daarop nodigde Laban alle burgers van de stad uit en richtte een feestmaal aan.
Gen. 29,23 's Avonds echter bracht hij zijn dochter Lea bij Jakob; en deze had gemeenschap met haar.
Gen. 29,24 Laban schonk zijn slavin Zilpa aan zijn dochter Lea.
Gen. 29,25 De volgende morgen zag Jakob dat het Lea was. Nu zei hij tot Laban: `Wat hebt u nu met mij uitgehaald? Ik heb toch gewerkt om Rachel te krijgen? Waarom hebt u mij bedrogen?'
Gen. 29,26 Laban antwoordde: `Het is bij ons geen gewoonte, de jongste uit te huwelijken voor de oudste.
Gen. 29,27 Breng dus eerst met haar de bruiloftsweek door; de andere kun je ook krijgen, als je nog eens zeven jaar bij mij wilt werken.'
Gen. 29,28 Dat deed Jakob; hij bracht met Lea de bruiloftsweek door, en Laban gaf hem zijn dochter Rachel als vrouw.
Gen. 29,29 Laban schonk zijn slavin Bilha aan Rachel.
Gen. 29,30 Jakob had ook gemeenschap met Rachel; hij hield meer van haar dan van Lea. Zo werkte hij nog eens zeven jaar bij Laban.
Gen. 29,31 Toen Jahwe zag dat Lea minder bemind werd, opende Hij haar schoot, terwijl Rachel onvruchtbaar bleef.
Gen. 29,32 Lea werd zwanger, baarde een zoon en noemde hem Ruben; want, zei ze, `Jahwe heeft neergezien op mijn ellende; nu zal mijn man wel van mij gaan houden.'
Gen. 29,33 Zij werd opnieuw zwanger, baarde een zoon en zei: `Jahwe heeft gehoord dat ik minder bemind word; daarom heeft Hij mij ook dit kind gegeven.' En zij noemde hem Simeon.
Gen. 29,34 Zij werd nog eens zwanger, baarde weer een zoon en zei: `Ditmaal zal mijn man zich wel aan mij gaan hechten, want ik heb hem drie zonen geschonken.' Daarom kreeg hij de naam Levi.
Gen. 29,35 Zij werd nog eens zwanger, baarde een zoon en zei: `Ditmaal zal ik Jahwe prijzen.' Daarom noemde zij hem Juda. Daarna kreeg zij geen kinderen meer.
 
Gen. 30,1 Toen Rachel zag dat zij Jakob geen kinderen schonk, werd ze jaloers op haar zuster en zei tot Jakob: `Geef mij toch kinderen, anders ga ik dood.'
Gen. 30,2 Toen werd Jakob kwaad op Rachel en zei: `Neem ik soms de plaats in van God, die je geen kinderen laat krijgen?'
Gen. 30,3 Daarop zei ze: `Hier is mijn slavin Bilha; heb gemeen schap met haar; dan kan zij op mijn knieŽn baren en kan ik kinderen krijgen door haar.'
Gen. 30,4 Zij gaf hem dus haar slavin Bilha tot vrouw en Jakob had gemeenschap met haar.
Gen. 30,5 Bilha werd zwanger en schonk Jakob een zoon.
Gen. 30,6 Toen zei Rachel: `God heeft mij recht gedaan. Hij heeft mijn gebed verhoord en mij een zoon geschonken.' Daarom noemde zij hem Dan.
Gen. 30,7 Rachels slavin Bilha werd opnieuw zwanger en schonk Jakob een tweede zoon.
Gen. 30,8 Rachel zei: `Een harde strijd heb ik met mijn zuster gestreden en ik heb overwonnen.' Daarom noemde zij hem Naftali.
Gen. 30,9 Toen Lea merkte, dat ze geen kinderen meer kreeg, gaf zij haar slavin Zilpa aan Jakob als vrouw.
Gen. 30,10 En ook Zilpa, de slavin van Lea, schonk Jakob een zoon.
Gen. 30,11 Toen zei Lea: `Het geluk is gekomen.' Daarom noemde zij hem Gad.
Gen. 30,12 Lea's slavin Zilpa schonk Jakob een tweede zoon.
Gen. 30,13 Nu zei Lea: `Ik ben wel gelukkig, de meisjes zullen mij gelukkig prijzen.' Daarom noemde zij hem Aser.
Gen. 30,14 In de dagen van de tarweoogst ging Ruben er eens op uit en vond liefdesappels, ergens op het veld, en bracht die naar zijn moeder Lea. Nu zei Rachel tot Lea: `Geef mij ook een paar van die liefdesappels van je zoon.'
Gen. 30,15 Maar zij antwoordde: `Is het niet genoeg dat je me mijn man afneemt? Wil je nu ook nog beslag leggen op die liefdesappels van mijn zoon?' Rachel zei: `Als je mij de liefdesappels van je zoon geeft, mag Jakob vannacht bij jou slapen.' Toen Jakob dus 's avonds van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet
Gen. 30,16 en zei: `Je moet bij mij komen slapen, want ik heb eerlijk voor je betaald met de liefdesappels van mijn zoon.' Die nacht ging hij dus bij haar slapen.
Gen. 30,17 En God verhoorde Lea: zij werd zwanger en schonk Jakob een vijfde zoon.
Gen. 30,18 Toen zei Lea: `God heeft mij beloond, omdat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven.' Daarom noemde zij die zoon Issakar.
Gen. 30,19 Lea werd nog eens zwanger en schonk Jakob een zesde zoon.
Gen. 30,20 Toen zei Lea: `God heeft mij een mooi geschenk gegeven; ditmaal zal mijn man wel bij mij blijven, want ik heb hem zes zonen geschonken.' En zij noemde die zoon Zebulon.
Gen. 30,21 Daarna bracht zij nog een dochter ter wereld en noemde haar Dina.
Gen. 30,22 Toen dacht God aan Rachel: Hij verhoorde haar en opende haar schoot.
Gen. 30,23 Zij werd zwanger, baarde een zoon, en zei: `God heeft mijn schande weggenomen.'
Gen. 30,24 Zij noemde hem Jozef, daarbij denkend: `Moge Jahwe mij nog een zoon toevoegen.'
Gen. 30,25 Toen Rachel Jozef gebaard had, zei Jakob tot Laban: `Laat mij teruggaan naar mijn woonplaats en vaderland.
Gen. 30,26 Geef mij mijn vrouwen en kinderen voor wie ik bij u gewerkt heb, en laat mij gaan; u weet zelf hoe hard ik voor u gewerkt heb.'
Gen. 30,27 Maar Laban zei tot Jakob: `Je moet toch ook met mij rekening houden; ik heb uit tekenen opgemaakt dat Jahwe mij om jou gezegend heeft.'
Gen. 30,28 En hij voegde eraan toe: `Zeg maar welk loon je van mij wenst, en ik geef het.'
Gen. 30,29 Jakob antwoordde: `U weet zelf hoe hard ik voor u gewerkt heb en hoe het onder mijn beheer met uw kudde gegaan is.
Gen. 30,30 Voor mijn komst was uw bezit maar klein; het heeft zich sterk uitgebreid, omdat Jahwe u gezegend heeft, bij elke stap die ik zette. Wanneer zal ik nu eens voor mijn eigen gezin kunnen werken?'
Gen. 30,31 Daarop zei Laban: `Wat moet ik je geven?' Jakob antwoordde: `U hoeft mij niets te geven; ik ben bereid opnieuw uw kudde te hoeden, als u het volgende voorstel aanvaardt.
Gen. 30,32 Ga vandaag al uw kleinvee langs, zet alle gevlekte en gespikkelde dieren bijeen en zonder ook alle zwarte schapen af. Als loon wil ik enkel de gespikkelde en gevlekte geiten.
Gen. 30,33 U kunt mij vertrouwen; als u in de toekomst mijn loon in ogenschouw komt nemen, mogen alle geiten, niet gevlekt of gespikkeld en alle niet-zwarte schapen gelden als door mij gestolen.'
Gen. 30,34 Laban zei: `Goed, ik neem je voorstel aan.'
Gen. 30,35 Nog diezelfde dag zette Laban de gestreepte en gespikkelde bokken en alle gevlekte en gespikkelde geiten bijeen, alles waar maar iets wits aan was, en ook alle zwarte schapen. Hij vertrouwde die kudde toe aan zijn zonen.
Gen. 30,36 Hij bepaalde dat er tussen hem en Jakob een afstand van drie dagreizen moest blijven; en Jakob mocht alleen het kleinvee van Laban weiden dat nog over was.
Gen. 30,37 Toen haalde Jakob verse takken van populieren, amandel bomen en platanen, en bracht er witte strepen op aan, door het wit van de takken bloot te leggen.
Gen. 30,38 De takken die hij zo bewerkt had, legde hij vlak voor het kleinvee in de troggen en drinkbakken. De dieren waren namelijk gewoon te paren als ze daar kwamen drinken.
Gen. 30,39 De dieren die bij de takken gepaard hadden wierpen gestreepte, gevlekte en gespikkelde jongen.
Gen. 30,40 De aldus verkregen jongen hield Jakob apart; met deze gevlekte en zwarte dieren liet hij Labans kleinvee paren en op deze wijze vormde hij zich een eigen kudde, die hij niet bij Labans kudde liet komen.
Gen. 30,41 Alleen voor de sterke dieren die bronstig werden legde Jakob zijn takken in de troggen, om ze bij die takken te laten paren.
Gen. 30,42 Voor de zwakke dieren legde hij ze er niet in. Zodoende kreeg Laban alleen zwakke dieren en Jakob sterke.
Gen. 30,43 Zo werd Jakob buitengewoon rijk. Hij kreeg grote kudden, slavinnen en slaven, kamelen en ezels.
 
Gen. 31,1 Eens hoorde Jakob dat de zonen van Laban zeiden: `Jakob heeft onze vader heel zijn bezit afhandig gemaakt, ten koste van hem heeft hij al die rijkdom verworven.'
Gen. 31,2 Jakob zag aan het gezicht van Laban dat deze hem niet meer zo goed gezind was als vroeger.
Gen. 31,3 Toen sprak Jahwe tot Jakob: `Keer terug naar het land van uw vaderen en naar uw bloedverwanten; Ik zal met u zijn.'
Gen. 31,4 Daarop riep Jakob Rachel en Lea naar buiten bij zijn kudde,
Gen. 31,5 en zei hun: `Ik zie aan het gezicht van je vader dat hij me niet meer zo goed gezind is als vroeger; maar de God van mijn vader is nu eenmaal met mij geweest,
Gen. 31,6 en jullie weten goed dat ik naar beste vermogen voor je vader gewerkt heb,
Gen. 31,7 ofschoon hij me bedrogen en mijn loon wel tienmaal gewijzigd heeft. Maar God heeft niet toegelaten dat hij me benadeelde.
Gen. 31,8 Toen Laban vaststelde dat de gevlekte dieren mijn loon zouden uitmaken, wierp al het kleinvee gevlekte jongen; toen hij bepaalde dat de gestreepte dieren mijn loon zouden zijn, wierp al het kleinvee gestreepte jongen.
Gen. 31,9 Op deze wijze heeft God de dieren aan jullie vader ontnomen en ze aan mij gegeven.
Gen. 31,10 In de tijd dat het vee paarde zag ik plotseling in een droom, dat de bokken die de schapen en geiten besprongen gestreept, gespikkeld of gevlekt waren.
Gen. 31,11 In die droom sprak Gods engel tot mij: Jakob. En ik antwoordde: Hier ben ik.
Gen. 31,12 En Hij zei: Kijk rond, en zie hoe alle bokken die de schapen en de geiten bespringen gestreept, gespikkeld of gevlekt zijn. Want Ik heb gezien hoe Laban u steeds weer behandelt.
Gen. 31,13 Ik ben de God van Betel, waar gij een heilige steen met olie begoten hebt en mij een belofte hebt gedaan. Trek daarom weg uit dit land en keer terug naar uw geboortegrond.'
Gen. 31,14 Rachel en Lea antwoordden hem: `Wij krijgen of erven toch niets meer uit het vaderlijk huis.
Gen. 31,15 Vader beschouwt ons immers als vreemdelingen, want hij heeft ons verkocht en het geld bovendien nog opgemaakt.
Gen. 31,16 Maar het vermogen dat God aan vader ontnomen heeft, behoort geheel aan ons en onze kinderen. Doe dus maar wat God van je vraagt.'
Gen. 31,17 Toen maakte Jakob zich reisvaardig, liet zijn kinderen en vrouwen plaats nemen op de kamelen,
Gen. 31,18 voerde zijn hele veestapel en alle bezittingen die hij in Paddan-aram verworven had, met zich mee en begaf zich op weg naar zijn vader Isaak in Kanašn.
Gen. 31,19 Terwijl Laban afwezig was om de schapen te scheren, pakte Rachel de huisgoden van haar vader weg.
Gen. 31,20 Ook Jakob bedroog de ArameeŽr Laban door zijn vlucht voor hem verborgen te houden.
Gen. 31,21 Jakob ging op de vlucht met al zijn bezittingen; hij stak de rivier over en trok in de richting van het gebergte van Gilead.
Gen. 31,22 Op de derde dag kwam Laban te weten dat Jakob gevlucht was.
Gen. 31,23 Met zijn verwanten zette hij hem na, zeven dagreizen, en haalde hem tenslotte in bij het gebergte van Gilead.
Gen. 31,24 Maar in die nacht verscheen God aan de ArameeŽr Laban en zei hem: `Wacht u ervoor dreigementen te uiten tegen Jakob.'
Gen. 31,25 Toen Laban Jakob had ingehaald, sloeg deze zijn tenten op in het gebergte; ook Laban en de zijnen sloegen in het gebergte van Gilead hun tenten op.
Gen. 31,26 Laban zei toen tot Jakob: `Wat heeft je toch bezield om mij zo te bedriegen en mijn dochters als gevangenen mee te voeren?
Gen. 31,27 Waarom ben je heimelijk gevlucht, waarom heb je mij bedrogen en mij niets gezegd? Met gejubel en gezang, met tamboerijn en citer zou ik je uitgeleide hebben gedaan.
Gen. 31,28 Je hebt mij niet eens de kans gegeven mijn zonen en dochters vaarwel te kussen. Je gedrag is wel zonderling!
Gen. 31,29 Ik zou het je zeer lastig kunnen maken, maar de God van je vader heeft mij vannacht gewaarschuwd: Wacht u ervoor dreigementen te uiten tegen Jakob.
Gen. 31,30 Als je overigens vertrokken bent omdat je zo vurig naar je ouderlijk huis verlangt, waarom heb je dan mijn goden gestolen?'
Gen. 31,31 Jakob gaf Laban ten antwoord: `Ik was bang dat u mij anders uw dochters zou ontnemen.
Gen. 31,32 Maar als u bij een van ons uw goden vindt, zal die het er niet levend afbrengen. In het bijzijn van onze verwanten moet u maar kijken of ik iets van u heb, en dat nemen.' Jakob wist namelijk niet dat Rachel de huisgoden had gestolen.
Gen. 31,33 Laban ging dus Jacobs tent binnen, en ook die van Lea en van de beide slavinnen, maar hij vond niets. Van de tent van Lea ging hij naar die van Rachel.
Gen. 31,34 Rachel echter had de huisgoden in het zadel van haar kameel verstopt en was erop gaan zitten. Laban doorzocht de hele tent, zonder iets te vinden.
Gen. 31,35 Ze zei tot haar vader: `Mijn heer, neem mij niet kwalijk dat ik blijf zitten, want ik ben ongesteld.' Hoe hij ook zocht, hij vond de huisgoden niet.
Gen. 31,36 Toen werd Jakob kwaad; hij voer tegen Laban uit en zei: `Wat heb ik misdreven, wat voor kwaad heb ik gedaan, dat u mij zo verwoed achtervolgt?
Gen. 31,37 U hebt nu mijn hele huisraad doorzocht. Hebt u iets gevonden dat van u is? Leg het dan voor mijn en uw verwanten neer en laat hen zeggen wie van ons beiden gelijk heeft.
Gen. 31,38 Twintig jaar ben ik nu bij u geweest; uw schapen en geiten hebben geen misdracht gehad en van de rammen van uw kudde heb ik nooit gegeten.
Gen. 31,39 Wat door wilde dieren verscheurd was, heb ik niet bij u gebracht, maar ik heb het zelf vergoed. Uit mijn eigen bezit hebt u teruggeeist wat mij overdag of's nachts ontstolen werd.
Gen. 31,40 Overdag verging ik van de hitte,'s nachts van de kou, en ik heb mijn ogen geen slaap gegund.
Gen. 31,41 Twintig jaar heb ik nu in uw huis doorgebracht; veer tien jaar heb ik voor u gewerkt om uw twee dochters, zes jaar om uw vee; en wel tienmaal hebt u mijn loon gewijzigd.
Gen. 31,42 Als de God van mijn vader, de God van Abraham en de Gevreesde van Isaak, mij niet had bijgestaan, dan had u mij nu met lege handen weggestuurd. God heeft echter neergezien op mijn ellende en mijn zwoegen, en vannacht is hij tussenbeide gekomen.'
Gen. 31,43 Laban antwoordde Jakob: `Het gaat om mijn eigen dochters, mijn eigen kinderen en mijn eigen vee; al wat je hier ziet is wel van mij! Wat voor kwaad zou ik mijn eigen dochters of de kinderen die zij gebaard hebben willen aandoen?
Gen. 31,44 Kom, laat ons een verbond met elkaar sluiten, dan hebben wij beiden een bewijsstuk.'
Gen. 31,45 Toen zette Jakob een heilige steen overeind.
Gen. 31,46 En Jakob zei tot zijn verwanten: `Raap stenen bijeen.' Zij haalden stenen, maakten daar een steenhoop van, en hielden bij de steenhoop een maaltijd.
Gen. 31,47 Laban noemde hem Jegar-sahaduta, en Jakob noemde hem Galed.
Gen. 31,48 En Laban zei: `Deze steenhoop moet heden het bewijsstuk voor ons beiden zijn.' Daarom heet hij Gal-ed,
Gen. 31,49 en ook Mispa, omdat hij zei: `Moge Jahwe de wacht houden tussen mij en jou, wanneer wij uit elkaar zijn gegaan.
Gen. 31,50 Je mag mijn dochters niet slecht behandelen en geen andere vrouwen huwen. En al is er ook niemand die ons ziet, God is onze getuige.'
Gen. 31,51 En Laban zei tot Jakob: `Dit is de steenhoop, dit is de heilige steen, die ik heb opgericht tussen mij en jou.
Gen. 31,52 Bewijsstuk is deze steenhoop, bewijsstuk is deze gedenksteen: ik zal deze steenhoop nooit met kwade bedoelingen passeren om naar jou te komen en jij niet om naar mij te komen.
Gen. 31,53 De God van Abraham en de God van Nachor - de goden van hun vaders - mogen onze rechters zijn.' En Jakob legde zijn eed af bij de Gevreesde van zijn vader Isaak.
Gen. 31,54 Toen slachtte Jakob op de berg een offerdier en nodigde zijn verwanten bij de maaltijd uit. Na de maaltijd bleven zij op de berg overnachten.
 
Gen. 32,1 De volgende morgen kuste Laban zijn zonen en dochters vaarwel, gaf hun zijn zegen en keerde naar zijn woonplaats terug.
Gen. 32,2 Toen Jakob zijn reis voortzette, kwamen hem engelen van God tegemoet.
Gen. 32,3 En zodra hij die bemerkte, zei Jakob: `Het is hier de legerplaats van God.' Daarom noemde hij die plaats Machanaim.
Gen. 32,4 Nu zond Jakob boden voor zich uit naar zijn broer Esau in Seir, het gebied van Edom,
Gen. 32,5 met de opdracht: `Dit moeten jullie aan mijn heer Esau zeggen: Zo spreekt uw dienaar Jakob: Ik heb bij Laban gewoond en ben daar tot nu toe gebleven.
Gen. 32,6 Ik heb runderen, ezels en schapen, slaven en slavinnen verworven. Ik laat u dit weten om bij mijn heer een gunstig onthaal te vinden.'
Gen. 32,7 Bij hun terugkeer zeiden de boden tot Jakob: `We zijn bij uw broer Esau geweest; hij is nu al met vierhonderd man naar u onderweg.'
Gen. 32,8 Jakob schrok hevig, en in zijn angst verdeelde hij de mensen die bij hem waren, evenals de schapen, runderen en kamelen, in twee groepen.
Gen. 32,9 Hij dacht: `Als Esau op de ene groep afkomt en die neerslaat, dan kan de andere tenminste ontkomen.'
Gen. 32,10 En Jakob bad: `O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaak, Jahwe die mij gezegd hebt: Keer terug naar uw land en uw verwanten, en Ik zal u weldoen:
Gen. 32,11 uw dienaar is al uw gunstbewijzen en al uw blijken van trouw niet waardig. Ik had alleen maar een stok, toen ik de Jordaan hier overtrok, en nu ben ik tot twee groepen uitgegroeid.
Gen. 32,12 Maar red mij nu ook uit de greep van mijn broer Esau, want ik ben bang, dat hij mij met moeder en kinderen komt neer slaan.
Gen. 32,13 Gij hebt mij toch beloofd: Ik zal u met weldaden overladen, en uw nageslacht zal Ik maken als het zand aan de zee, zo talrijk dat het niet te tellen is.'
Gen. 32,14 En hij bracht daar de nacht door. Toen nam hij uit zijn bezit geschenken voor Esau:
Gen. 32,15 tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd schapen en twintig rammen,
Gen. 32,16 dertig zogende kamelen met hun jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten.
Gen. 32,17 Dat alles verdeelde hij in afzonderlijke kudden en vertrouwde die toe aan zijn knechten, met de opdracht: `Trek voor mij uit, maar met telkens een afstand tussen de kudden.'
Gen. 32,18 en hij beval aan de voorste: `Als mijn broer Esau je tegenkomt en je vraagt bij wie je hoort, waarheen je gaat en van wie de dieren zijn die je voor je uitdrijft,
Gen. 32,19 dan moet je zeggen: Van uw dienaar Jakob; zij zijn een geschenk voor mijn heer Esau. Hij zelf komt achter ons aan.'
Gen. 32,20 Aan de tweede en de derde en aan allen die de leiding van de kudden hadden, gaf hij eveneens opdracht: `Zeg Esau hetzelfde, als jullie hem tegenkomen.
Gen. 32,21 Zeg hem: Uw dienaar Jakob komt achter ons aan.' Want hij dacht: `Laat ik hem gunstig stemmen door geschenken te sturen; als ik hem daarna onder de ogen kom, zal hij mij misschien vriendelijk ontvangen.'
Gen. 32,22 Zo gingen de geschenken vooruit, terwijl hijzelf die nacht nog in het kamp bleef.
Gen. 32,23 Maar tijdens die nacht stond hij op en stak met zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn elf kinderen het wed van de Jabbok over.
Gen. 32,24 Toen Jakob hen met zijn bezittingen over de rivier gebracht had,
Gen. 32,25 bleef hij alleen achter. En een man worstelde met hem, tot het aanbreken van de dageraad.
Gen. 32,26 Toen de man gewaar werd dat hij Jakob niet aankon, stootte hij hem bij de worsteling boven tegen de heup, zodat die ontwricht werd.
Gen. 32,27 Daarop zei de man: `Laat mij gaan, want de dageraad is aangebroken.' Maar hij antwoordde: `Ik laat u niet gaan, wanneer gij mij niet zegent.'
Gen. 32,28 Hij vroeg: `Hoe is uw naam?' Hij gaf ten antwoord: `Jakob.'
Gen. 32,29 Toen zei hij: `Voortaan zult gij geen Jakob meer heten, maar IsraŽl, want gij hebt met God gestreden en met mensen en gij hebt hen overwonnen.'
Gen. 32,30 Nu vroeg Jakob: `Maak mij uw naam bekend.' Maar hij zei: `Waarom vraagt ge naar mijn naam?' Toen gaf hij hem ter plaatse zijn zegen.
Gen. 32,31 Jakob noemde die plaats Peniel, `want - zo zei hij - ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en ik ben toch in leven gebleven.'
Gen. 32,32 De zon ging op, zodra hij Peniel voorbij was. Sindsdien was hij mank aan zijn heup.
Gen. 32,33 Vandaar dat de IsraŽlieten tot op de huidige dag de spier die boven aan de heup ligt niet eten, omdat God Jakob boven tegen de heup, tegen de spier van het heupgewricht had gestoten.
 
Gen. 33,1 Toen Jakob opkeek, zag hij Esau met vierhonderd man op zich afkomen. Hij verdeelde zijn kinderen over Lea en Rachel en de twee slavinnen.
Gen. 33,2 De slavinnen met hun kinderen zette hij voorop, dan Lea met haar kinderen, en tenslotte Rachel met Jozef achteraan.
Gen. 33,3 Zelf ging hij voor hen uit en boog zevenmaal tot op de grond, tot hij bij zijn broer kwam.
Gen. 33,4 Esau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem, en zij werden beiden tot tranen toe bewogen.
Gen. 33,5 Toen Esau opkeek en de vrouwen en kinderen zag, vroeg hij: `Wie zijn dat daar?' Jakob antwoordde: `Het zijn de kinderen die God uw dienaar geschonken heeft.'
Gen. 33,6 Toen kwamen de slavinnen met haar kinderen naderbij en bogen diep.
Gen. 33,7 Ook Lea met haar kinderen trad naderbij en boog diep; ten slotte kwamen Jozef en Rachel en ze bogen diep.
Gen. 33,8 Toen sprak hij: `Wat moeten toch al die kudden die mij tegemoet zijn gekomen?' Hij antwoordde: `Ik wilde mijn heer gunstig stemmen.'
Gen. 33,9 Maar Esau zei: `Ik ben rijk genoeg, mijn broer; wat van u is moet van u blijven.'
Gen. 33,10 Maar Jakob drong aan: `Geen sprake van! Als u mij werkelijk goed gezind bent, neem dan dit geschenk van mij aan. Ik heb tegen u opgezien, zoals men tegen God opziet, maar u hebt mij welwillend ontvangen.
Gen. 33,11 Aanvaard toch het huldeblijk dat ik u aanbied; God is goed voor mij geweest, zodat mij niets ontbreekt.' Toen hij zo bleef aandringen, nam Esau het aan.
Gen. 33,12 Toen zei deze: `Laten wij verder trekken; ik zal voor u uitgaan.'
Gen. 33,13 Maar Jakob zei hem: `Mijn heer weet, hoe teer de kinderen zijn. Ook heb ik nog zogende schapen en runderen bij me; als die dieren een dag teveel opgejaagd worden, bezwijken ze.
Gen. 33,14 Laat mijn heer voor zijn dienaar uitgaan; dan zal ik op mijn gemak mijn tocht vervolgen, en mij schikken naar het vee dat voorop gaat en naar de kinderen, totdat ik mijn heer in Seir treft.'
Gen. 33,15 Toen zei Esau: `Dan zal ik enige van mijn mensen bij u achterlaten.' Maar hij antwoordde: `Waarom toch? Ik ben al blij dat mijn heer zo welwillend voor mij is geweest.'
Gen. 33,16 Daarop aanvaardde Esau nog diezelfde dag de terugtocht naar Seir.
Gen. 33,17 Jakob echter trok de richting van Sukkot uit; daar bouwde hij een huis voor zichzelf, en voor zijn vee maakte hij hutten. Zo heeft die plaats de naam Sukkot gekregen.
Gen. 33,18 Vanuit Paddan-aram kwam Jakob behouden aan in de stad Sichem, in Kanašn; hij sloeg zijn tenten op ten oosten van de stad.
Gen. 33,19 Hij wist van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd geldstukken het land te kopen waarop hij zijn tent had neergezet.
Gen. 33,20 Hij richtte daar een altaar op en noemde het: `De God van IsraŽl is God.'
 
Gen. 34,1 Dina, de dochter die Lea aan Jakob geschonken had, was eens op bezoek gegaan bij de meisjes van de streek.
Gen. 34,2 Toen Sichem, de zoon van de Chiwwiet Hemor, de vorst van het land, haar gezien had, ontvoerde hij haar, ging bij haar liggen en onteerde haar.
Gen. 34,3 Hij verloor zijn hart aan Jakobs dochter Dina; hij hield veel van het meisje en zocht haar genegenheid te winnen.
Gen. 34,4 Daarom zei hij tot zijn vader Hemor: `Zorg dat het meisje mijn vrouw wordt.'
Gen. 34,5 Nu had Jakob wel gehoord dat zijn dochter Dina onteerd was, maar omdat zijn zonen buiten bij de kudde verbleven, zei hij er niets van tot zij weer thuis waren.
Gen. 34,6 Hemor, de vader van Sichem, kwam met Jakob onderhandelen.
Gen. 34,7 Zodra Jakobs zonen van de zaak hoorden, kwamen zij van buiten terug. Zij voelden zich beledigd en waren woedend, want door het samenzijn met Jakobs dochter had Sichem een schanddaad in IsraŽl begaan, iets ongehoords.
Gen. 34,8 Hemor sprak met hen en zei: `Mijn zoon Sichem is hevig verliefd op uw dochter; ik verzoek u haar aan hem ten huwelijk te geven.
Gen. 34,9 Knoop familiebanden met ons aan. Als u ons uw dochters ten huwelijk geeft, kunt u die van ons krijgen.
Gen. 34,10 U kunt ook bij ons blijven wonen: het land ligt voor u open. Blijf maar hier; u kunt rondtrekken of ergens gaan wonen.'
Gen. 34,11 En Sichem zei tot Dina's vader en tot haar broers: `Als u mij terwille bent, kunt u van mij krijgen wat u wenst.
Gen. 34,12 Al stelt u de bruidsprijs en het geschenk nog zo hoog, ik betaal wat u vraagt, als u mij het meisje maar geeft.'
Gen. 34,13 Toen gaven Jakobs zonen, wier zuster Dina onteerd was, aan Sichem en aan zijn vader Hemor dit arglistige antwoord:
Gen. 34,14 `Dat kunnen wij niet doen; wij kunnen onze zuster niet aan een onbesnedene geven, want dat is een schande voor ons.
Gen. 34,15 Slechts op een voorwaarde kunnen wij u terwille zijn: u moet worden zoals wij, en al uw mannen moeten zich laten besnijden.
Gen. 34,16 Dan zullen wij u onze dochters ten huwelijk geven en kunnen wij die van u nemen; dan blijven wij bij u wonen en worden samen een volk.
Gen. 34,17 Als u zich echter niet wilt laten besnijden, dan nemen wij onze dochter mee terug en gaan heen.'
Gen. 34,18 Hun voorstel beviel Hemor en zijn zoon Sichem;
Gen. 34,19 en de jonge man trachtte het onmiddellijk ten uitvoer te brengen, want hij had zijn zinnen gezet op Jakobs dochter en genoot veel aanzien in zijn ouderlijk huis.
Gen. 34,20 Hemor en zijn zoon Sichem begaven zich dus naar de stadspoort en richtten het woord tot de burgers van hun stad. Zij zeiden:
Gen. 34,21 `Deze mensen zijn ons goed gezind. Zij mogen in het land blijven wonen en er rondtrekken; er is immers ruimte genoeg voor hen in het land. Wij kunnen hun dochters tot vrouw nemen en hun onze dochters geven.
Gen. 34,22 Maar slechts op een voorwaarde zijn deze mensen bereid bij ons te blijven en met ons een volk te vormen: al onze mannen moeten zich laten besnijden, want zij zijn zelf ook besneden.
Gen. 34,23 Hun bezit, hun goederen en hun vee zullen ons eigendom worden. Laten we dus op hun voorstel ingaan; dan blijven zij bij ons.'
Gen. 34,24 Allen die toegang hadden tot de stadspoort gaven gehoor aan Hemor en zijn zoon Sichem en lieten zich besnijden.
Gen. 34,25 Maar op de derde dag, toen zij hevige pijn hadden, grepen Simeon en Levi, de twee zonen van Jakob die broers van Dina waren, naar hun zwaard, overvielen de op niets verdachte stad en vermoordden alle mannen.
Gen. 34,26 Ook Hemor en zijn zoon Sichem doodden zij met het zwaard. Daarop haalden ze Dina uit Sichems huis en trokken af.
Gen. 34,27 De zonen van Jakob stortten zich op de verslagenen en plunderden de stad, omdat men hun zuster onteerd had.
Gen. 34,28 Schapen, runderen en ezels, al wat in de stad of op het land was, maakten zij buit.
Gen. 34,29 Al wat zij bezaten, al hun kleine kinderen en hun vrouwen, namen zij gevangen en zij plunderden de huizen leeg.
Gen. 34,30 Toen zei Jakob tegen Simeon en Levi: `Jullie hebben mij in grote moeilijkheden gebracht door mij in opspraak te brengen bij de bewoners van het land, de Kanašnieten en Perizzieten. Ik heb maar weinig mannen tot mijn beschikking. Als zij gezamenlijk tegen mij optrekken, verslaan ze mij en brengen ze mij om, met mijn gezin.'
Gen. 34,31 Maar zij zeiden: `Moest hij dan onze zuster als een lichte vrouw behandelen?'
 
Gen. 35,1 God zei tot Jakob: `Trek naar Betel en vestig u daar. Richt er een altaar op voor de God die u verschenen is, toen gij vluchtte voor uw broer Esau.'
Gen. 35,2 Jakob sprak toen tot zijn gezin en tot allen die met hem meetrokken: `Doe de vreemde goden weg die jullie bij je hebben, reinig je en trek andere kleren aan.
Gen. 35,3 Wij gaan naar Betel; ik wil daar een altaar oprichten voor de God die mij verhoord heeft, toen ik in moeilijkheden verkeerde, en die mij beschermd heeft op mijn reis.'
Gen. 35,4 Toen gaven zij aan Jakob al de vreemde goden die zij hadden, en ook de oorringen die ze droegen; en Jakob begroef alles onder de terebint bij Sichem.
Gen. 35,5 Toen zij opbraken, werden de steden in de omtrek door God met schrik geslagen, zodat zij de zonen van Jakob niet durfden achtervolgen.
Gen. 35,6 toen Jakob met al zijn mensen te Luz - of Betel - in Kanašn was aangekomen,
Gen. 35,7 bouwde hij daar een altaar en noemde de plaats `God van Betel', omdat God zich daar aan hem geopenbaard had, toen hij op de vlucht was voor zijn broer.
Gen. 35,8 Daarna stierf Debora, de voedster van Rachel; zij werd begraven ten zuiden van Betel, onder de eik die Allon-bakut genoemd wordt.
Gen. 35,9 Toen Jakob uit Paddan-aram terugkeerde, verscheen God hem opnieuw en sprak deze zegen over hem uit:
Gen. 35,10 `Uw naam is Jakob; voortaan zult gij echter geen Jakob meer heten, maar IsraŽl.' Zo gaf Hij hem de naam IsraŽl.
Gen. 35,11 Ook sprak God tot hem: `Ik ben God Almachtig. Wees vruchtbaar en word talrijk, een volk, een menigte van volken zal uit u voortkomen, en koningen zullen uit uw lenden uitgaan.
Gen. 35,12 Het land dat Ik aan Abraham en Isaak heb gegeven, geef Ik aan u en ook aan uw nakomelingen.'
Gen. 35,13 God steeg op van de plaats waar Hij met hem gesproken had.
Gen. 35,14 Op de plaats waar God met Jakob had gesproken, richtte deze een heilige steen op; op deze steen goot hij een plengoffer van olie uit.
Gen. 35,15 Aan de plaats waar God tot hem gesproken had gaf Jakob de naam Betel.
Gen. 35,16 Na hun vertrek uit Betel, even voor Efrata, bracht Rachel een kind ter wereld. De bevalling was moeilijk.
Gen. 35,17 Tijdens die zware bevalling zei de vroedvrouw tot haar: `Wees maar niet bang, want u krijgt weer een zoon.'
Gen. 35,18 Toen het leven van haar week en zij op sterven lag, noemde zij hem Ben-oni; maar zijn vader gaf hem de naam Benjamin.
Gen. 35,19 Toen Rachel gestorven was, werd zij begraven langs de weg naar Efrata of Betlehem.
Gen. 35,20 Jakob plaatste een gedenkteken op haar graf; deze gedenksteen op het graf van Rachel staat er vandaag nog.
Gen. 35,21 Toen trok IsraŽl verder, en hij sloeg even voorbij Migdal-eder zijn tent op.
Gen. 35,22 Terwijl IsraŽl in dat gebied verbleef, had Ruben gemeenschap met Bilha, de bijvrouw van zijn vader; en IsraŽl kwam dat te weten. Jakobs zonen waren twaalf in getal.
Gen. 35,23 De zonen van Lea waren Ruben, Jakobs eerstgeboren. Simeon, Levi, Juda, Issakar en Zebulon.
Gen. 35,24 De zonen van Rachel waren Jozef en Benjamin.
Gen. 35,25 De zonen van Bilha, de slavin van Rachel, waren Dan en Naftali.
Gen. 35,26 De zonen van Zilpa, de slavin van Lea, waren Gad en Aser. Dat zijn de zonen van Jakob, die in Paddan-aram geboren zijn.
Gen. 35,27 Jakob begaf zich naar zijn vader Isaak, te Mamre bij Kirjat-arba - ook Hebron geheten -, de woonplaats van Abraham en Isaak.
Gen. 35,28 Toen Isaak honderdtachtig jaar was,
Gen. 35,29 gaf hij de geest en stierf; oud en verzadigd van jaren werd hij met zijn voorvaderen verenigd; zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem.
 
Gen. 36,1 Dit zijn de nakomelingen van Esau, ook Edom geheten.
Gen. 36,2 Esau was gehuwd met Kanašnitische vrouwen, met Ada, een dochter van de Hethiet Elon, met Oholibama, een dochter van Ana, de zoon van de Chiwwiet Sibon,
Gen. 36,3 en met Basemat, een dochter van IsmaŽl en een zuster van Nebajot.
Gen. 36,4 Ada schonk Esau Elifaz; Basemat schonk hem ReuŽl,
Gen. 36,5 en Oholibama schonk hem Jeus, Jalam en Korach. Dat zijn de zonen van Esau, die in Kanašn geboren werden.
Gen. 36,6 Esau nu verliet zijn broer Jakob, met zijn vrouwen, zonen en dochters en al zijn huisgenoten, met zijn bezittingen, met al zijn vee en alle eigendommen die hij in Kanašn verworven had, en trok naar een ander land.
Gen. 36,7 Hun bezit was zo groot, dat zij niet bij elkaar konden blijven; het land waar ze rondzwierven, kon hen en hun kudden niet onderhouden.
Gen. 36,8 Esau - ofwel Edom - vestigde zich in het Seirgebergte.
Gen. 36,9 Dit zijn de nakomelingen van Esau, de vader van Edom, in het Seirgebergte.
Gen. 36,10 De namen van Esau's zonen zijn Elifaz, zoon van Esau's vrouw Ada, en ReuŽl, de zoon van Esau's vrouw Basemat.
Gen. 36,11 Elifaz' zonen zijn Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenaz.
Gen. 36,12 Timna, een bijvrouw van Esau's zoon Elifaz, baarde Amalek. Dat zijn de zonen van Esau's vrouw Ada.
Gen. 36,13 ReuŽls zonen zijn Nachat, Zerach, Samma en Mizza. Dat zijn de zonen van Esau's vrouw Basemat.
Gen. 36,14 Zonen van Esau's vrouw Oholibama, de dochter van Ana, de zoon van Sibon, zijn Jeus, Jalam en Korach.
Gen. 36,15 Dit zijn de stamhoofden van de zonen van Esau. De zonen van Elifaz, Esau's eerstgeborene, zijn de stamhoofden Teman, Omar, Sefo, Kenaz,
Gen. 36,16 Korach, Gatam en Amalek; deze zonen van Ada zijn de stamhoofden van Elifaz in Edom.
Gen. 36,17 Zonen van Esau's zoon ReuŽl zijn de stamhoofden Nachat, Zerach, Samma en Mizza; deze zonen van Esau's vrouw Basemat zijn de stamhoofden van ReuŽl in Edom.
Gen. 36,18 Zonen van Esau's vrouw Oholibama zijn de stamhoofden Jeus, Jalam en Korah; dit zijn de stamhoofden van Esau's vrouw Oholibama, dochter van Ana.
Gen. 36,19 Dat zijn dus de zonen van Esau of Edom, en dat zijn hun stamhoofden.
Gen. 36,20 Dit zijn de zonen van de Churriet Seir, de oorspronkelijke bewoners van het land: Lotan, Sobal, Sibon, Ana,
Gen. 36,21 Dison, Eser en Disan. Dit zijn de stamhoofden van de Churrieten, de zonen van Seir, in Edom.
Gen. 36,22 Zonen van Lotan zijn Chori en Hemam; Timna is Lotans zuster.
Gen. 36,23 Zonen van Sobal zijn Alwan, Manachat, Ebal, Sefo en Onam.
Gen. 36,24 Zonen van Sibon zijn Ajja en Ana; deze laatste ontdekte de hete bronnen in de woestijn, toen hij de ezels van zijn vader Sibon weidde.
Gen. 36,25 Zonen van Ana zijn Dison en Oholibama, eigenlijk Ana's dochter.
Gen. 36,26 Zonen van Dison zijn Chemdan, Esban, Jitram en Keran.
Gen. 36,27 Zonen van Eser zijn Bilhan, Zaawan en Akan.
Gen. 36,28 Zonen van Disan zijn Us en Aran.
Gen. 36,29 Zij allen zijn stamhoofden van de Churrieten: Lotan, Sobal, Sibon, Ana,
Gen. 36,30 Dison, Eser en Disan. Dat zijn de stamhoofden van de verschillende Churrietenstammen in Seir.
Gen. 36,31 En dit zijn de koningen, die in Edom geregeerd hebben, voordat de IsraŽlieten een koning hadden.
Gen. 36,32 Koning in Edom was Bela, zoon van Beor; zijn stad heette Dinhaba.
Gen. 36,33 Bela werd na zijn dood opgevolgd door Jobab, zoon van Zerach, uit Bosra.
Gen. 36,34 Jobab werd na zijn dood opgevolgd door Chusam, uit het gebied van de Temanieten.
Gen. 36,35 Chusam werd na zijn dood opgevolgd door Hadad, zoon van Bedad, die Midjan in de vlakte van Moab verslagen heeft; zijn stad heette Awit.
Gen. 36,36 Hadad werd na zijn dood opgevolgd door Samla, uit Masreka.
Gen. 36,37 Samla werd na zijn dood opgevolgd door Saul, uit Recho bot aan de rivier.
Gen. 36,38 Saul werd na zijn dood opgevolgd door Bašl-chanan, zoon van Akbor,
Gen. 36,39 Bašl-chanan, zoon van Akbor, werd na zijn dood opge volgd door Hadad; zijn stad heette Pau; zijn vrouw heette Meheta bel; zij was een dochter van Matred, de dochter van Me-zahab.
Gen. 36,40 Dit zijn de namen van Esau's stamhoofden, gerangschikt naar familie, woonplaats en naam: Timna, Alwa, Jetet,
Gen. 36,41 Oholibama, Ela, Pinon,
Gen. 36,42 Kenaz, Teman, Mibsar,
Gen. 36,43 Magdiel en Iram. Dat zijn de stamhoofden van Edom met de woonplaatsen die ze in het land bezetten. Dat is de stam van Esau, de vader van de Edomieten.
 
Gen. 37,1 Jakob woonde in Kanašn, waar ook zijn vader rondgetrokken had.
Gen. 37,2 Dit is de geschiedenis van Jakob. Jozef was een jongeman van zeventien jaar, toen hij met zijn broers, de zonen van Bilha en Zilpa, de vrouwen van zijn vader, de kudde hoedde. Hij bracht de kwade geruchten die over zijn broers in omloop waren aan hun vader over.
Gen. 37,3 IsraŽl hield meer van Jozef dan van al zijn andere zonen, omdat hij hem nog op zijn oude dag had gekregen. Hij had voor hem een prachtig kleed laten maken.
Gen. 37,4 De broers bemerkten dat hun vader meer van Jozef hield dan van hen, en zij gingen hem zo haten dat ze geen goed woord meer voor hem over hadden.
Gen. 37,5 Eens had Jozef een droom. Hij vertelde die aan zijn broers en daardoor gingen zij hem nog meer haten.
Gen. 37,6 Hij zei: `Hoor toch eens wat voor droom ik gehad heb.
Gen. 37,7 Wij waren aan het schoven binden op het veld. Mijn schoof kwam overeind en bleef rechtop staan; jullie schoven kwamen er omheen staan en bogen voor mijn schoof.'
Gen. 37,8 Zijn broers zeiden: `Wou je soms koning over ons worden of over ons heersen?' Zo raakten ze steeds heviger op hem gebeten vanwege de dromen die hij vertelde.
Gen. 37,9 Later had hij nog een droom en ook die vertelde hij aan zijn broers. `Ik heb weer een droom gehad,' zei hij. `Ik zag dat de zon, de maan en elf sterren zich voor mij bogen.'
Gen. 37,10 Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, gaf zijn vader hem een berisping. Hij zei: `Wat moet dat met die droom van jou? Moeten ik, je moeder en je broers zich soms voor jou ter aarde buigen?'
Gen. 37,11 Daardoor werden zijn broers nog afgunstiger op hem, maar zijn vader onthield het gebeurde.
Gen. 37,12 Eens waren zijn broers bij Sichem de kudden van hun vader gaan weiden,
Gen. 37,13 toen IsraŽl tot Jozef zei: `Je weet dat je broers de kudde weiden bij Sichem. Zou je niet naar hen toe willen gaan?' Hij antwoordde: `Dat wil ik graag doen.'
Gen. 37,14 IsraŽl zei: `Ga dan eens kijken of alles in orde is met je broers en met het vee, en kom het mij dan vertellen.' Zo liet hij hem uit het dal van Hebron vertrekken. Toen hij in de buurt van Sichem kwam
Gen. 37,15 en daar buiten aan het ronddwalen was, kwam iemand op hem af en vroeg hem: `Wat zoekt u?'
Gen. 37,16 Hij antwoordde: `Ik ben op zoek naar mijn broers. Kunt u mij misschien zeggen waar zij hun kudde weiden?'
Gen. 37,17 De man antwoordde: `Ze zijn van hier vertrokken en ik heb ze horen zeggen: Laten we naar Dotan gaan.' Jozef ging daarop zijn broers achterna en vond hen inderdaad in Dotan.
Gen. 37,18 Zij hadden hem al in de verte zien aankomen, en voor hij bij hen was, smeedden zij het plan om hem te doden.
Gen. 37,19 Ze zeiden tot elkaar: `Daar komt hij aan, de grote dromer!
Gen. 37,20 Nu hebben we de kans. We vermoorden hem en gooien hem in een put. We kunnen zeggen dat een wild beest hem verslonden heeft. Dan zullen we eens kijken wat er van zijn dromen terecht komt!'
Gen. 37,21 Toen Juda dit hoorde, probeerde hij hem uit hun handen te redden en zei: `We mogen hem niet doden.'
Gen. 37,22 Ruben zei tot hen: `Vergiet toch geen bloed! Ginds in de steppe is een put; gooi hem daarin, maar sla niet de hand aan hem.' Hij wilde hem uit hun handen redden en bij zijn vader terugbrengen.
Gen. 37,23 Zodra Jozef bij zijn broers kwam, trokken zij hem het kleed uit, het prachtige kleed dat hij droeg,
Gen. 37,24 grepen hem en wierpen hem in de put. De put was leeg en er stond geen water in.
Gen. 37,25 Terwijl ze zaten te eten, zagen zij ineens een karavaan van IsmaŽlieten, die van Gilead kwam. De kamelen waren beladen met gom, balsem en hars; zij waren op weg naar Egypte om de koopwaar daar af te leveren.
Gen. 37,26 Nu zei Juda tot zijn broers: `Wat hebben we eraan, die broer van ons te vermoorden en zijn bloed te bedekken!
Gen. 37,27 Laten wij hem liever aan de IsmaŽlieten verkopen en niet de hand aan hem slaan; hij is toch een broer van ons, ons eigen vlees.' Zijn broers stemden daarmee in.
Gen. 37,28 Toen Midjanitische kooplieden voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sikkel zilver aan de IsmaŽlieten. De kooplieden voerden Jozef naar Egypte.
Gen. 37,29 Toen Ruben weer bij de put kwam en merkte dat Jozef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren.
Gen. 37,30 Hij kwam terug bij zijn broers en zei: `De jongen is weg! Wat moet ik nu beginnen?'
Gen. 37,31 Zij namen het prachtige kleed van Jozef, slachtten een geitebokje en doopten het kleed in het bloed.
Gen. 37,32 Toen lieten zij het naar hun vader brengen met de boodschap: `Dit hebben we gevonden. Kijk eens goed. Is het misschien het kleed van uw zoon?'
Gen. 37,33 Hij herkende het en zei: `Het is het kleed van mijn zoon; een wild dier heeft hem verslonden. Jozef is vast en zeker verscheurd.'
Gen. 37,34 En Jakob scheurde zijn kleren, deed een zak om zijn lenden en treurde lange tijd om zijn zoon.
Gen. 37,35 Al zijn zonen en dochters deden hun best om hem te troosten, maar hij liet zich niet troosten en zei: `Treurend daal ik af naar mijn zoon in het dodenrijk.' En zijn vader bleef hem bewenen.
Gen. 37,36 Intussen hadden de Midjanieten Jozef in Egypte verkocht aan een zekere Potifar, een hoveling van Farao, de overste van de lijfwacht.
 
Gen. 38,1 In die tijd trok Juda van zijn broers weg en nam zijn intrek bij een man in Adullam, Chira genaamd.
Gen. 38,2 Daar zag Juda een Kanašnitische, Sua geheten; hij huwde haar en had gemeenschap met haar.
Gen. 38,3 Zij werd zwanger, baarde een zoon en noemde hem Er.
Gen. 38,4 Zij werd opnieuw zwanger, baarde een zoon en noemde hem Onan.
Gen. 38,5 Daarop baarde zij nog een zoon en noemde hem Sela. Juda bevond zich te Kezib, toen zij Sela baarde.
Gen. 38,6 Juda koos voor Er, zijn eerstgeborene, een vrouw die Tamar heette.
Gen. 38,7 Maar Er, Juda's eerstgeborene, was slecht in Jahwe's ogen, zodat deze hem liet sterven.
Gen. 38,8 Toen zei Juda tot Onan: `Ga naar de vrouw van je broer, sluit met haar een zwagerhuwelijk en zorg dat je een kind verwekt voor je broer.'
Gen. 38,9 Maar Onan wist dat dit kind niet van hem zou zijn; daarom liet hij, telkens als hij met de vrouw van zijn broer samen was, het zaad op de grond verloren gaan, om voor zijn broer geen kind te verwekken.
Gen. 38,10 Zijn gedrag was slecht in Jahwe's ogen, zodat deze ook hem liet sterven.
Gen. 38,11 Toen zei Juda tot zijn schoondochter Tamar: `Ga als weduwe naar het huis van je vader terug, totdat mijn zoon Sela volwassen is.' Want hij dacht: `Anders sterft ook hij, net als zijn broers.' Tamar ging dus naar het huis van haar vader terug.
Gen. 38,12 Geruime tijd later stierf Juda's vrouw Batsua. Toen de rouwtijd voorbij was, ging Juda eens naar Timna op bezoek bij de scheerders van zijn schapen, samen met zijn vriend Chira, uit Adullam.
Gen. 38,13 Toen Tamar vernam dat haar schoonvader naar Timna kwam om de schapen te scheren,
Gen. 38,14 legde zij haar weduwendracht af, hulde zich in een sluier, parfumeerde zich en ging bij de Enaimpoort aan de weg naar Timna zitten. Want zij had gemerkt dat Juda haar niet aan Sela tot vrouw gaf, ofschoon die de volwassen leeftijd bereikt had.
Gen. 38,15 Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een publieke vrouw, daar zij haar gezicht bedekt had.
Gen. 38,16 Hij ging naar haar toe, langs de weg, en vroeg: `Kan ik bij je terecht?' Hij wist niet dat het zijn schoondochter was. Zij antwoordde: `Wat geeft u mij, als u bij me mag komen?'
Gen. 38,17 Hij antwoordde: `Ik zal je een geitebokje van mijn kudde sturen.' Zij antwoordde: `Geef mij dan een pand, tot u mij het bokje gestuurd hebt.'
Gen. 38,18 Hij zei: `Wat voor een pand moet ik je geven?' Zij gaf ten antwoord: `Uw zegel, uw snoer, en de staf die u bij u hebt.' Hij gaf ze haar, had omgang met haar en zij werd zwanger.
Gen. 38,19 Daarop ging zij heen, legde haar sluier af en trok haar weduwendracht weer aan.
Gen. 38,20 Door bemiddeling van zijn vriend uit Adullam probeerde Juda de vrouw het geitebokje te doen toekomen, om het pand van haar terug te krijgen. Maar zijn vriend kon haar niet vinden.
Gen. 38,21 Hij deed navraag bij de inwoners van haar stad: `Waar is de publieke vrouw, die hier bij Enaim langs de weg zat?' Maar zij antwoordden: `Er is hier geen publieke vrouw geweest.'
Gen. 38,22 Toen hij bij Juda terugkwam, zei hij: `Ik heb haar niet kunnen vinden; en bovendien beweren de mensen uit de buurt dat daar geen publieke vrouw geweest is.'
Gen. 38,23 Toen zei Juda: `Dan moet ze het pand maar houden; anders maken wij ons nog belachelijk. Ik heb geprobeerd haar het bokje te geven; maar je hebt haar nu eenmaal niet kunnen vinden.'
Gen. 38,24 Ongeveer drie maanden later werd aan Juda meegedeeld: `Uw schoondochter Tamar heeft ontucht bedreven en ze is nu zwanger.' Juda sprak: `Breng haar dan weg om verbrand te worden.'
Gen. 38,25 Terwijl men haar wegbracht liet zij echter aan haar schoonvader zeggen: `Van de man, aan wie deze dingen behoren, ben ik zwanger.' En zij voegde eraan toe: `Ga eens na van wie dit zegel, dit snoer en deze staf zijn.'
Gen. 38,26 Juda herkende ze en zei: `Zij staat tegenover mij in haar recht, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven.' Verder heeft Juda geen gemeenschap met haar gehad.
Gen. 38,27 Toen de tijd van de bevalling gekomen was, bleek er een tweeling in haar schoot te zijn.
Gen. 38,28 Tijdens het baren stak een van de beide kinderen een handje naar buiten; de vroedvrouw greep die, bond er een scharlaken draad omheen en zei: `Deze is het eerst gekomen.'
Gen. 38,29 Maar het kind trok zijn hand terug, en toen kwam zijn broer te voorschijn. Toen sprak zij: `Jij hebt voor een flinke bres gezorgd.' Daarom noemde men hem Peres.
Gen. 38,30 Daarna kwam zijn broer met de scharlaken draad om zijn hand. Hem noemde men Zerach.
 
Gen. 39,1 Jozef werd naar Egypte gebracht en de Egyptenaar Potifar, een hoveling van Farao, de overste van de lijfwacht, kocht hem van de IsmaŽlieten, die hem daar gebracht hadden.
Gen. 39,2 Jahwe was met Jozef, zodat het hem zeer voorspoedig ging. Terwijl hij in het huis van zijn Egyptische meester woonde,
Gen. 39,3 zag deze dat Jahwe met hem was en hem in al zijn onder nemingen deed slagen.
Gen. 39,4 Daardoor kwam Jozef bij hem in de gunst en werd zijn naaste medewerker. Hij gaf hem het toezicht over zijn huis, en heel zijn bezit vertrouwde hij hem toe.
Gen. 39,5 Vanaf het ogenblik dat hij hem had aangesteld over zijn huis en over heel zijn bezit, zegende Jahwe het huis van de Egyptenaar omwille van Jozef, en Jahwe's zegen rustte op alles wat hem toebehoorde, in huis en daarbuiten.
Gen. 39,6 Toen liet hij heel zijn bezit aan Jozef's zorgen over; nu hij hem had bemoeide hij zich nergens meer mee dan met zijn eten. Jozef was mooi en welgebouwd.
Gen. 39,7 Het duurde niet lang of de vrouw van zijn meester kon haar ogen niet meer van Jozef afhouden. Zij vroeg hem: `Kom toch bij me liggen.'
Gen. 39,8 Maar hij weigerde en antwoordde haar: `U weet toch dat mijn meester, nu ik in huis ben, zich nergens meer mee bemoeit en heel zijn bezit aan mij heeft toevertrouwd.
Gen. 39,9 Hier in huis is hij niet machtiger dan ik; niets heeft hij mij onthouden dan alleen u, zijn vrouw. Hoe zou ik dan dat grote kwaad kunnen bedrijven en zondigen tegen God?'
Gen. 39,10 En ofschoon zij dag in dag uit bij Jozef bleef aandringen, wilde hij niet ingaan op haar wens om bij haar te slapen en omgang met haar te hebben.
Gen. 39,11 Op zekere dag echter, toen hij het huis binnenkwam om zijn werk te doen, was er niemand anders in het huis.
Gen. 39,12 Toen greep zij hem bij zijn kleed en zei: `Kom toch bij me liggen.' Maar hij liet zijn kleed in haar handen achter, ging op de vlucht en rende naar buiten.
Gen. 39,13 Toen het tot haar doordrong dat hij zijn kleed in haar handen had achtergelaten en naar buiten was gevlucht,
Gen. 39,14 riep zij haar huisgenoten en zei tot hen: `Stel je voor, de HebreeŽr die we nu in huis gekregen hebben, begint zich tegenover ons wel vrijpostig te gedragen. Hij kwam naar mij toe om met mij te slapen, maar hij begon hard te roepen.
Gen. 39,15 Toen hij hoorde dat ik begon te roepen, liet hij zijn kleed bij mij achter, sloeg op de vlucht en rende naar buiten.'
Gen. 39,16 Daarop legde zij het kleed naast zich neer, totdat zijn meester thuis kwam.
Gen. 39,17 Ook aan hem deed zij hetzelfde verhaal en zei: `Die Hebreeuwse slaaf die jij in huis gehaald hebt, is met oneerbare bedoelingen naar mij toegekomen.
Gen. 39,18 Maar toen ik luidkeels begon te roepen, liet hij zijn kleed bij mij achter en vluchtte naar buiten.'
Gen. 39,19 Toen de meester van zijn vrouw hoorde, hoe zijn slaaf haar behandeld had, werd hij woedend.
Gen. 39,20 Hij liet Jozef grijpen en in de gevangenis zetten, daar waar de gevangenen van de koning opgesloten zaten. Zo kwam Jozef daar in de gevangenis.
Gen. 39,21 Maar Jahwe was met Jozef. Hij bewees hem zijn goedheid door te zorgen dat hij bij het hoofd van de gevangenis in de gunst kwam.
Gen. 39,22 Deze vertrouwde allen die in de gevangenis zaten aan Jozef toe; alle werk dat daar verricht werd gebeurde onder Jozefs verantwoordelijkheid.
Gen. 39,23 Het hoofd van de gevangenis hoefde geen zorg te hebben over datgene wat aan Jozef was toevertrouwd. Want Jahwe was met hem en deed hem slagen bij alles wat hij ondernam.
 
Gen. 40,1 Enige tijd daarna begingen zowel de schenker van de koning van Egypte als de bakker een misstap tegen hun heer, de koning van Egypte.
Gen. 40,2 Farao werd zo kwaad op zijn beide hovelingen, de opper schenker en de eerste van de bakkers,
Gen. 40,3 dat hij ze in hechtenis zette in het huis van de overste van de lijfwacht, in de gevangenis waar Jozef opgesloten zat.
Gen. 40,4 De overste van de lijfwacht wees Jozef aan om voor hen te zorgen. Ze bleven lange tijd in hechtenis.
Gen. 40,5 De schenker zowel als de bakker van de koning van Egypte, die in de gevangenis zaten opgesloten, hadden beiden in dezelfde nacht een droom, ieder zijn eigen droom met een eigen betekenis.
Gen. 40,6 Toen Jozef 's morgens bij hen kwam, zag hij aanstonds dat ze somber gestemd waren.
Gen. 40,7 Hij vroeg de hovelingen van Farao, die met hem in het huis van zijn meester in hechtenis zaten: `Waarom kijkt u zo somber vandaag?'
Gen. 40,8 Zij antwoordden hem: `Wij hebben een droom gehad, en er is niemand die hem kan uitleggen.' Toen zei Jozef tot hen: `Alleen God kan uitleg geven. Laat mij de dromen eens horen.'
Gen. 40,9 De opperschenker vertelde toen zijn droom aan Jozef en zei: `Ik zag in mijn droom een wijnstok,
Gen. 40,10 en aan die wijnstok drie ranken. Zodra hij begon uit te lopen, zette hij bloesem en droegen zijn trossen rijpe druiven.
Gen. 40,11 Ik had Farao's beker in mijn hand, plukte de druiven, perste ze uit in de beker en reikte hem die aan.'
Gen. 40,12 Toen zei Jozef: `Dit is de verklaring: De drie ranken zijn drie dagen.
Gen. 40,13 Over drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen en u in uw ambt herstellen; dan zult u Farao opnieuw de beker reiken, zoals u deed toen u zijn schenker was.
Gen. 40,14 Maar als het u weer goed gaat, denk dan ook eens aan mij en bewijs ook mij een dienst; doe bij Farao een goed woord voor mij en zorg dat ik uit dit huis vandaan kom.
Gen. 40,15 Want ik ben met geweld weggesleept uit het land van de HebreeŽn, en ik heb ook hier niets misdaan, waarvoor men mij in deze kerker moest opsluiten.'
Gen. 40,16 Toen de eerste van de bakkers zag hoe gunstig de uitleg was, zei hij: `Ik heb ook een droom gehad. In die droom zag ik drie broodkorven op mijn hoofd.
Gen. 40,17 In de bovenste korf lagen spijzen voor Farao, allerlei soorten gebak; maar de vogels pikten alles weg uit de korf die ik op mijn hoofd droeg.'
Gen. 40,18 Jozef antwoordde: `Dit is de verklaring: De drie korven zijn drie dagen.
Gen. 40,19 Over drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen en u aan een paal hangen, en de vogels zullen uw vlees verslinden.'
Gen. 40,20 Drie dagen later, op de verjaardag van Farao, richtte deze een feestmaal aan voor zijn hovelingen. Zowel van de opper schenker als van de eerste van de bakkers verhief hij het hoofd.
Gen. 40,21 De opperschenker herstelde hij in zijn ambt, om hem opnieuw de beker te reiken,
Gen. 40,22 maar de eerste van de bakkers hing hij op, volgens de uitleg die Jozef hun had gegeven.
Gen. 40,23 De opperschenker dacht echter niet meer aan Jozef; hij vergat hem gewoon.
 
Gen. 41,1 Twee jaar later kreeg Farao de volgende droom. Hij stond bij de Nijl
Gen. 41,2 en hij zag uit de Nijl zeven koeien omhoog komen, mooie welige dieren, die gingen grazen in het oevergras.
Gen. 41,3 Daarna kwamen zeven andere koeien uit de Nijl omhoog, lelijke, magere dieren; zij voegden zich bij de andere aan de oever van de Nijl.
Gen. 41,4 En de lelijke, magere dieren vraten de zeven mooie, welige op. Toen werd Farao wakker.
Gen. 41,5 Toen hij weer ingeslapen was, had hij opnieuw een droom. Uit een halm kwamen zeven zware, prachtige aren.
Gen. 41,6 Maar daarna groeiden zeven andere aren op, spichtig en door de oostenwind verzengd.
Gen. 41,7 En de spichtige aren slokten de zeven zware, volle aren op. Toen werd Farao wakker en hij begreep dat het een droom was geweest.
Gen. 41,8 De volgende morgen liet Farao, in hevige opwinding, alle geleerden van Egypte en alle wijzen uit het land bijeenroepen. Hij vertelde hun wat hij gedroomd had, maar er was niemand die uitleg kon geven.
Gen. 41,9 Toen sprak de opperschenker tot Farao: `Nu moet ik wel bekennen dat ik nalatig ben geweest.
Gen. 41,10 Indertijd is Farao vertoornd geweest op zijn hovelingen; hij heeft mij toen gevangen gezet in het huis van de overste van de lijfwacht, en samen met mij de eerste van de bakkers.
Gen. 41,11 In dezelfde nacht hadden wij beiden toen een droom, elk met een eigen betekenis.
Gen. 41,12 Nu was daar in ons gezelschap een jonge HebreeŽr, een dienaar van de overste van de lijfwacht. Toen wij hem vertelden wat we gedroomd hadden, wist hij voor beide dromen de juiste uitleg te geven.
Gen. 41,13 En zoals hij het ons had uitgelegd, zo is het ook uitgekomen: ik ben in mijn ambt hersteld en hij is opgehangen.'
Gen. 41,14 Toen liet Farao Jozef ontbieden. Men haalde hem haastig uit de kerker, en nadat hij geschoren was en andere kleren had aan getrokken begaf hij zich naar Farao.
Gen. 41,15 En Farao sprak tot Jozef: `Ik heb een droom gehad en niemand kan hem uitleggen. Nu heb ik horen vertellen, dat u, zodra u een droom hoort, er de uitleg van kunt geven.'
Gen. 41,16 Jozef gaf Farao ten antwoord: `Uit mijzelf kan ik niets; maar God kan aan Farao bekend maken, wat goed voor hem is.'
Gen. 41,17 Nu zei Farao tot Jozef: `In mijn droom stond ik aan de oever van de Nijl,
Gen. 41,18 en zag zeven koeien, welige, mooie dieren, uit de Nijl omhoog komen. Zij gingen grazen in het oevergras.
Gen. 41,19 Daarna kwamen zeven andere koeien omhoog, lelijke magere scharminkels, zo lelijk als ik ze in heel Egypte nog nooit gezien heb.
Gen. 41,20 De magere, lelijke koeien vraten de zeven welige op.
Gen. 41,21 Nadat ze die hadden opgeslokt, was er niets van te merken; ze bleven er even erbarmelijk uitzien als tevoren. toen werd ik wakker.
Gen. 41,22 Nog iets anders zag ik in mijn droom. Uit een halm kwamen zeven aren op, vol en prachtig.
Gen. 41,23 Daarna schoten er zeven andere aren op, dor en spichtig en door de oostenwind verzengd.
Gen. 41,24 En de spichtige aren slokten de zeven prachtige aren op. Ik heb die dromen aan de geleerden verteld, maar niemand kan mij de uitleg geven.'
Gen. 41,25 Toen sprak Jozef tot Farao: `De twee dromen van Farao betekenen hetzelfde. God heeft Farao aangekondigd wat hij gaat doen.
Gen. 41,26 De zeven vette koeien zijn zeven jaren; de zeven volle aren zijn eveneens zeven jaren. De dromen betekenen hetzelfde.
Gen. 41,27 Ook de zeven magere, lelijke koeien, die daarna omhoog kwamen, zijn zeven jaren; en de zeven spichtige, door de oosten wind verzengde aren zijn eveneens zeven jaren, jaren van hongers nood.
Gen. 41,28 Ik heb al gezegd dat God daarmee aan Farao meedeelt wat hij gaat doen.
Gen. 41,29 Eerst komen er zeven jaren van overvloed in heel Egypte.
Gen. 41,30 Dan komen er zeven jaren van hongersnood, waarin heel de overvloed van Egypte vergeten raakt en hongersnood het land verteert.
Gen. 41,31 Zo groot zal de hongersnood zijn, dat er dan van de overvloed niets meer te bekennen valt.
Gen. 41,32 Dat Farao het twee keer gedroomd heeft, betekent dat Gods besluit onwrikbaar vaststaat en dat hij het spoedig ten uitvoer zal brengen.
Gen. 41,33 Laat Farao dus uitzien naar een verstandig en wijs man, en die aanstellen over heel Egypte.
Gen. 41,34 Farao moet maatregelen nemen en opzichters aanstellen in heel Egypte, om tijdens de zeven jaren van overvloed in heel het land een vijfde van de opbrengst te vorderen.
Gen. 41,35 Al het voedsel van de komende goede jaren moeten zij verzamelen. Onder het beheer van Farao moeten zij het koren opslaan in de steden en het goed bewaren.
Gen. 41,36 Dat voedsel kan dan in de behoefte van het land voor zien tijdens de zeven jaren van hongersnood die Egypte te wachten staan; zo zal het land niet van honger omkomen.'
Gen. 41,37 Farao en al zijn hovelingen waren met dit plan zeer ingenomen.
Gen. 41,38 Hij vroeg zijn hovelingen: `Zou er wel iemand anders te vinden zijn die zo vervuld is van de geest van God als deze man?'
Gen. 41,39 En Farao zei tot Jozef: `Aangezien God u al die dingen heeft bekend gemaakt, is er niemand zo verstandig en wijs als u.
Gen. 41,40 U zult dus de leiding over mijn huis krijgen en aan uw bevel zal heel mijn volk zich onderwerpen; alleen door mijn koningstroon zal ik uw meerdere zijn.'
Gen. 41,41 Verder zei Farao tot Jozef: `Ik stel u hierbij aan over geheel Egypte.'
Gen. 41,42 En hij trok de zegelring van zijn vinger, stak die aan Jozefs hand, liet hem linnen kleren aantrekken en hing een gouden keten om zijn hals.
Gen. 41,43 Toen liet hij hem op zijn tweede wagen plaats nemen en voor hem uitroepen: `Breng hulde!' Zo stelde hij hem aan over geheel Egypte.
Gen. 41,44 En Farao zei tot Jozef: `Ik blijf Farao, maar buiten u om zal niemand in heel Egypte een hand verroeren of een voet verzetten.'
Gen. 41,45 Hij gaf Jozef de naam Safenat-paneach, en Asenat, de dochter van Potifera, een priester van On, gaf hij hem tot vrouw. Zo kreeg Jozef volmacht over heel Egypte.
Gen. 41,46 Jozef was dertig jaar, toen hij bij Farao, de koning van Egypte, in dienst kwam. Jozef verliet het paleis van Farao en trok Egypte door.
Gen. 41,47 In de zeven jaren van overvloed was de oogst in het land overstelpend groot.
Gen. 41,48 In de zeven jaren dat er overvloed was in Egypte, verzamelde Jozef alle mogelijke levensmiddelen; in elke stad sloeg hij het voedsel op dat de velden rondom die stad opbrachten.
Gen. 41,49 Jozef hoopte het koren op als het zand aan de zee; het was zo'n overvloed dat men ophield met meten; er was geen meten meer aan.
Gen. 41,50 Voordat het eerste jaar van de hongersnood kwam, kreeg Jozef twee zonen; het waren de kinderen die Asenat, dochter van Potifera, de priester van On, hem schonk.
Gen. 41,51 Jozef noemde de eerstgeborene Manasse, want hij zei: `Al mijn ellende en het gemis van mijn hele familie heeft God mij doen vergeten.'
Gen. 41,52 De tweede noemde hij Efraim, want hij zei: `God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ongeluk.'
Gen. 41,53 Toen de zeven jaren van overvloed in Egypte verstreken waren,
Gen. 41,54 braken de zeven jaren van hongersnood aan, juist zoals Jozef voorspeld had. In alle landen werd honger geleden, maar in Egypte was overal voedsel.
Gen. 41,55 toen ook heel Egypte honger kreeg en het volk Farao om brood smeekte, zei Farao tot alle Egyptenaren: `Ga maar naar Jozef en doe wat hij u zeggen zal.'
Gen. 41,56 Toen er honger was in heel het land, stelde Jozef de hele voorraad koren ter beschikking en verkocht het aan de Egyptenaren, naarmate de honger in Egypte nijpender werd.
Gen. 41,57 Uit alle landen kwam men naar Egypte om bij Jozef graan te kopen; want de hongersnood woedde hevig in de hele wereld.
 
Gen. 42,1 Toen ook Jakob hoorde dat er in Egypte graan te krijgen was, zei hij tot zijn zonen: `Wat zitten jullie elkaar aan te kijken?
Gen. 42,2 Ik heb gehoord dat er in Egypte graan te krijgen is. Ga daar toch heen om graan te kopen, zodat wij in leven blijven en niet sterven.'
Gen. 42,3 Zo gingen tien broers van Jozef op weg om in Egypte graan te kopen.
Gen. 42,4 Alleen Benjamin, de broer van Jozef, liet Jakob niet met zijn broers meegaan, want, dacht hij: `Er mocht hem eens een ongeluk overkomen.'
Gen. 42,5 Zo kwamen IsraŽls zonen graan kopen, evenals vele anderen: want er heerste hongersnood in Kanašn.
Gen. 42,6 Jozef was degene die toen het land bestuurde en aan al de bewoners graan verkocht; naar hem gingen de broers van Jozef dus toe en zij bogen voor hem tot op de grond.
Gen. 42,7 Zodra Jozef zijn broers zag, herkende hij hen, maar hij maakte zich niet aan hen bekend. Op strenge toon sprak hij hen toe: `Waar komt u vandaan?' Zij antwoordden: `Uit Kanašn, om graan te kopen.'
Gen. 42,8 Jozef had zijn broers wel herkend, maar zij hem niet.
Gen. 42,9 Denkend aan zijn dromen over hen, zei Jozef: `U bent spionnen; u probeert te weten te komen waar het land open en onbeschermd ligt.'
Gen. 42,10 gaven hem ten antwoord: `Geen sprake van, heer: uw dienaren komen voedsel kopen.
Gen. 42,11 Wij zijn allen zonen van een man en wij zijn betrouwbare mensen; uw dienaren zijn geen spionnen.'
Gen. 42,12 Maar hij zei tot hen: `Neen, neen! U probeert te weten te komen waar het land open en onbeschermd ligt.'
Gen. 42,13 Zij antwoordden: `Uw dienaren waren met zijn twaalven. Wij zijn broers, zonen van een man in Kanašn; de jongste is bij vader gebleven, en een is er niet meer.'
Gen. 42,14 Nu zei Jozef tot hen: `Ik blijf bij wat ik gezegd heb: U bent spionnen.
Gen. 42,15 Maar op een manier kan uw betrouwbaarheid blijken: Bij het leven van Farao, u komt hier niet vandaan, tenzij uw jongste broer hier verschijnt.
Gen. 42,16 Laat dus een van u die broer gaan halen; ondertussen blijven de anderen hier als gevangenen. Zo zal komen vast te staan of u inderdaad de waarheid spreekt. Zo niet, bij het leven van Farao, dan bent u spionnen.'
Gen. 42,17 Daarop liet hij ze voor drie dagen gevangen zetten.
Gen. 42,18 Op de derde dag zei Jozef tot hen: `Als u in leven wilt blijven, doe dan wat ik nu ga zeggen, want ik ben een godvrezend man.
Gen. 42,19 Als u betrouwbaar bent, laat een van uw broers dan achter in het huis waar u gevangen hebt gezeten; de anderen kunnen gaan en graan meenemen voor de honger van uw gezinnen;
Gen. 42,20 maar u moet uw jongste broer bij mij brengen. Dan zal de waarheid van uw woorden blijken en zult u niet sterven.' Dat deden zij.
Gen. 42,21 Ze zeiden tot elkaar: `Helaas, wij hebben dit aan onze broer verdiend. Wij zagen hoe hij angstig om genade smeekte, maar wij hebben niet willen luisteren. Daarom treft ons dit ongeluk.'
Gen. 42,22 En Ruben zei: `Ik had jullie toch gezegd, je niet aan de jongen te vergrijpen; maar jullie hebt niet willen luisteren. En nu zien we hoe zijn bloed wordt teruggeeist.'
Gen. 42,23 Omdat zij zich van een tolk bedienden wisten zij niet dat Jozef hen verstond.
Gen. 42,24 Hij wendde zich van hen af, en de tranen sprongen hem in de ogen. Maar daarna kwam hij bij hen terug en zette het gesprek met hen voort. Een van hen, Simeon, liet hij grijpen en voor hun ogen in boeien slaan.
Gen. 42,25 Nu gaf hij bevel hun zakken met graan te vullen maar in iedere zak het geld terug te leggen, en hun voor onderweg proviand mee te geven. Zo gebeurde het ook.
Gen. 42,26 Zij laadden het graan op de ezels en gingen op weg.
Gen. 42,27 Toen een van hen op de plaats waar zij overnachtten zijn zak openmaakte om zijn ezel te voeren, zag hij het geld zo maar boven in de zak liggen.
Gen. 42,28 Hij zei tot zijn broers: `Ik heb mijn geld terug; kijk maar, het ligt in mijn zak.' Zij stonden verslagen, en angstig zeiden zij tot elkaar: `Waarom heeft God zo met ons gedaan?'
Gen. 42,29 Toen zij bij hun vader Jakob in Kanašn terugkwamen, vertelden zij hem alles wat hun overkomen was. Zij zeiden:
Gen. 42,30 `Die man, de heer van het land, heeft ons bars toegesproken en ons voor spionnen uitgemaakt.
Gen. 42,31 Wij hebben hem geantwoord: Wij zijn betrouwbare mensen en geen spionnen.
Gen. 42,32 We zijn met zijn twaalven geweest, broers van elkaar en zonen van een vader, een van ons is er niet meer en de jongste is bij vader in Kanašn gebleven.
Gen. 42,33 Maar de man die het land bestuurt heeft ons gezegd: Om te bewijzen dat u te vertrouwen bent moet u een van uw broers bij mij achterlaten. U kunt voedsel meenemen voor de honger van uw gezinnen,
Gen. 42,34 maar u moet uw jongste broer bij mij brengen. Dan ben ik er zeker van, dat u geen spionnen bent, maar betrouwbare mensen. Dan zal ik uw broer teruggeven en zult u vrij door het land mogen trekken.'
Gen. 42,35 Toen zij dan hun zakken leegmaakten, vond ieder zijn buidel met geld in zijn zak; en toen zij en hun vader de buidels met geld zagen, werden zij bang.
Gen. 42,36 Hun vader Jakob zei tot hen: `Jullie maken mij kinderloos. Jozef is weg, Simeon is weg, en nu willen jullie Benjamin meenemen. Dat mij dat allemaal moet overkomen!'
Gen. 42,37 Maar nu zei Ruben tot zijn vader: `U mag mijn beide zonen doden, als ik Benjamin niet bij u terugbreng. Vertrouw hem aan mij toe, en ik zal hem bij u terugbrengen.'
Gen. 42,38 Maar hij gaf ten antwoord: `Mijn zoon gaat niet met jullie mee; zijn broer is al dood, en hij is de enige die ik nog over heb. Wanneer hem onderweg een ongeluk overkomt, zouden jullie de grijsaard die ik ben jammerend in het dodenrijk doen neerdalen.'
 
Gen. 43,1 De hongersnood bleef het land zwaar teisteren.
Gen. 43,2 Zodra zij het graan uit Egypte opgemaakt hadden, zei hun vader: `Jullie moeten nog eens proberen wat voedsel te kopen.'
Gen. 43,3 Juda antwoordde: `Die man heeft ons uitdrukkelijk gewaarschuwd: Kom mij niet onder ogen zonder uw broer.
Gen. 43,4 Als u dus onze broer met ons laat meegaan, zullen wij voedsel gaan kopen,
Gen. 43,5 maar als u hem niet mee laat gaan, vertrekken wij niet. Want die man heeft ons gezegd: Kom mij niet onder ogen zonder uw broer.'
Gen. 43,6 IsraŽl antwoordde: `Waarom hebben jullie het mij zo moeilijk gemaakt door aan die man te vertellen dat je nog een broer hebt?'
Gen. 43,7 Zij antwoordden: `Die man stelde ons allerlei vragen over onszelf en over onze familie. Hij vroeg: Leeft uw vader nog? Hebt u geen andere broer meer? Wij hebben hem alles naar waarheid verteld. Konden wij soms weten dat hij zou zeggen: Breng uw broer hier?'
Gen. 43,8 Juda zei tot zijn vader IsraŽl: `Laat de jongen gerust met mij meegaan en laat ons alstublieft vertrekken, dan blijven wij tenminste in leven en sterven wij niet met zijn allen, wij, uzelf en onze kleine kinderen.
Gen. 43,9 Ik blijf borg voor hem: van mij moogt u hem terugeisen. Als ik hem niet bij u terugbreng en weer voor u plaats, sta ik mijn verdere leven bij u in de schuld.
Gen. 43,10 Als wij niet zo lang gewacht hadden, waren wij al weer terug geweest.'
Gen. 43,11 Toen zei hun vader IsraŽl: `Als het niet anders kan, doe het dan zo: Neem het beste van het land in je zakken mee en bied het die man als geschenk aan: gom en honing, parfum en hars, pimpernoten en amandelen.
Gen. 43,12 Neem ook twee keer zoveel geld mee, want ook het geld dat in je zakken teruggelegd was moet je mee terugnemen; misschien was het een vergissing.
Gen. 43,13 En neem ook je broer dan maar mee, en ga opnieuw naar die man toe.
Gen. 43,14 God Almachtig moge zorgen dat die man jullie goed ontvangt en dat hij je andere broer en Benjamin met jullie laat terugkeren. Als ik mijn kinderen toch moet verliezen, dan moet het maar zo zijn!'
Gen. 43,15 Met de geschenken, met de dubbele som geld en ook met Benjamin trokken de mannen naar Egypte. Zij werden door Jozef ontvangen,
Gen. 43,16 en toen deze zag dat Benjamin er ook bij was, zei hij tot zijn hofmeester: `Breng die mannen naar mijn huis, laat het nodige slachten en toebereiden, want zij zijn vanmiddag mijn gasten.'
Gen. 43,17 De hofmeester deed wat Jozef hem opgedragen had en bracht de bezoekers naar diens paleis.
Gen. 43,18 Maar de mannen werden bang, omdat zij naar het paleis van Jozef gebracht werden, en zeiden: `Ze houden ons hier vanwege het geld dat de vorige keer in onze zakken terechtgekomen is; ze willen ons overrompelen en overvallen, ons tot slaven maken en onze ezels in beslag nemen.'
Gen. 43,19 Zij gingen dus naar de hofmeester van Jozef toe en spraken hem aan bij de ingang van het paleis.
Gen. 43,20 Zij zeiden hem: `Met uw verlof, heer, wij zijn hier al eerder geweest om voedsel te kopen.
Gen. 43,21 Maar toen wij ergens overnachtten en onze zakken opendeden, lag daar ieders geld boven in de zak, bij elk van ons het volle bedrag. Dat hebben wij nu mee teruggebracht,
Gen. 43,22 en bovendien hebben wij ander geld meegenomen om voedsel te kopen. Wij weten niet wie dat geld in onze zakken gestopt heeft.'
Gen. 43,23 Hij antwoordde: `Alles is in orde: wees maar niet bang. Uw God en de God van uw vader heeft een schat in uw zakken verborgen; uw geld heb ik wel degelijk ontvangen.' Hij bracht Simeon bij hen.
Gen. 43,24 Toen leidde hij hen het paleis van Jozef binnen, gaf hun water om zich de voeten te wassen en liet voer halen voor de ezels.
Gen. 43,25 Zij legden daarop hun geschenken gereed en bleven wachten tot Jozef 's middags thuiskwam, want zij hadden vernomen dat zij daar zouden blijven eten.
Gen. 43,26 Toen Jozef binnenkwam, boden zij hem de geschenken aan die ze bij zich hadden en bogen zich voor hem neer tot op de grond.
Gen. 43,27 Hij vroeg hoe het met hen ging en zei: `Hoe maakt het uw oude vader, over wie u mij gesproken hebt? Is hij nog goed gezond?'
Gen. 43,28 Zij antwoordden: `Onze vader, uw dienaar, maakt het goed en is nog gezond.' Daarop knielden zij en bogen zich neer.
Gen. 43,29 Toen hij rondzag en zijn jongste broer Benjamin bemerk te, de zoon van zijn moeder, zei hij: `En dat is dan uw jongste broer, over wie u mij gesproken hebt?' En hij zei: `God zij u genadig, mijn zoon.'
Gen. 43,30 Toen trok Jozef zich haastig terug, want zijn hart was geroerd bij het zien van zijn broer en hij zocht een gelegenheid om zijn tranen de vrije loop te laten. Hij begaf zich naar zijn kamer en huilde daar uit.
Gen. 43,31 voor hij de kamer verliet, waste hij zijn gezicht. Hij was zijn ontroering nu meester en beval de maaltijd op te dienen.
Gen. 43,32 Men diende afzonderlijk op voor Jozef, afzonderlijk voor zijn broers en afzonderlijk voor de Egyptenaren die bij hem te gast waren, want het is de Egyptenaren niet mogelijk met HebreeŽn samen te eten; zij hebben daar een afkeer van.
Gen. 43,33 Toen de mannen, van de eerstgeborene af tot de jongste toe, op Jozefs aanwijzing een plaats kregen, precies volgens hun leeftijd, keken zij elkaar verwonderd aan.
Gen. 43,34 Men gaf hun van de gerechten die op Jozefs tafel stonden, maar de portie van Benjamin was vijfmaal zo groot als die van de anderen. Zij dronken met hem en werden vrolijk.
 
Gen. 44,1 Daarop gaf Jozef aan zijn hofmeester deze opdracht: `Laat de zakken van die mannen met voedsel vullen, zoveel zij kunnen vervoeren, en leg bij ieder het geld boven in de zak.
Gen. 44,2 Mijn eigen zilveren beker moet u boven in de zak van de jongste verbergen, bij het geld voor het graan.' De hofmeester deed wat Jozef hem opgedragen had.
Gen. 44,3 De volgende ochtend liet men de mannen met hun ezels vertrekken.
Gen. 44,4 Zij waren echter nog niet ver buiten de stad, of Jozef zei tot zijn hofmeester: `Ga vlug achter die mannen aan en als u ze ingehaald hebt, moet u zeggen: Waarom vergeldt u mij goed met kwaad? Waarom hebt u mijn zilveren beker gestolen?
Gen. 44,5 Het is nog wel die, waar mijn heer uit drinkt, en waarin hij de toekomst schouwt. Daar hebt u geen goed aan gedaan!'
Gen. 44,6 Toen de hofmeester hen had ingehaald, zei hij alles wat hem opgedragen was.
Gen. 44,7 Zij gaven ten antwoord: `Hoe is het mogelijk dat mijn heer zoiets kan zeggen? Uw dienaren zouden er nooit aan denken zoiets te doen!
Gen. 44,8 Wij hebben immers het geld dat wij boven in onze zakken gevonden hadden, uit Kanašn teruggebracht; hoe kunt u dan denken dat wij zilver of goud stelen uit het huis van uw heer?
Gen. 44,9 Als er bij een van uw dienaren iets wordt gevonden, zal hij sterven en zullen wij de slaven zijn van uw heer.'
Gen. 44,10 Toen zei hij: `Goed, het zal gebeuren zoals u zegt. Degene bij wie de beker gevonden wordt, zal mijn slaaf zijn; maar de overigen gaan vrij uit.'
Gen. 44,11 Ieder van hen haastte zich zijn zak op de grond te zetten en deed die open.
Gen. 44,12 Hij controleerde ze, te beginnen bij de oudste en eindigend bij de jongste. In de zak van Benjamin werd de beker ontdekt.
Gen. 44,13 Zij scheurden allen hun kleren, laadden hun zakken weer op de ezels en keerden naar de stad terug.
Gen. 44,14 Toen Juda en zijn broers in het paleis kwamen, waar Jozef nog aanwezig was, wierpen zij zich voorover op de grond.
Gen. 44,15 Jozef vroeg hun: `Waarom hebt u dat nu gedaan? Begrijpt u dan niet dat een man als ik verborgen dingen achterhaalt?'
Gen. 44,16 Juda antwoordde: `Wat kunnen wij tot onze heer zeggen, wat kunnen wij aanvoeren en hoe kunnen wij ons zelf rechtvaardigen? God heeft de schuld van uw dienaren aan het licht gebracht. Wij zijn dus de slaven van mijn heer, wij allen, samen met hem bij wie de beker gevonden is.'
Gen. 44,17 Maar hij antwoordde: `Dat in geen geval! Alleen de man bij wie de beker gevonden is, zal mijn slaaf zijn. De overigen kunnen ongedeerd naar hun vader terugkeren.'
Gen. 44,18 Nu trad Juda op hem toe en zei: `Heer, sta uw dienaar toe een enkel woord tot u te richten, zonder dat u kwaad wordt op uw dienaar, want u bent de gelijke van Farao.
Gen. 44,19 Mijn heer heeft aan zijn dienaren gevraagd: Hebt u nog een vader en een broer?
Gen. 44,20 Wij hebben toen onze heer geantwoord: Wij hebben een oude vader en er is nog een jonge zoon, die in diens ouderdom geboren is. Omdat zijn broer gestorven is, is hij de enig overgeblevene van zijn moeder, en zijn vader heeft hem lief.
Gen. 44,21 Toen hebt u tot uw dienaren gezegd: Breng hem bij mij, dat ik hem kan zien.
Gen. 44,22 Wij hebben onze heer geantwoord: De jongen kan zijn vader niet alleen laten; zijn vader zou sterven als hij door hem alleen gelaten werd.
Gen. 44,23 Maar u hebt tot uw dienaren gezegd: Als uw jongste broer niet met u meekomt, hoeft u mij niet meer onder ogen te komen.
Gen. 44,24 We zijn naar uw dienaar, onze vader, teruggekeerd en hebben hem verteld wat mijn heer gezegd heeft.
Gen. 44,25 En toen onze vader vroeg, opnieuw voedsel te gaan kopen,
Gen. 44,26 hebben wij geantwoord: Zo kunnen wij niet gaan. Alleen als onze jongste broer met ons meegaat, zullen wij vertrekken; want wij kunnen die man niet onder ogen komen, als onze jongste broer niet bij ons is.
Gen. 44,27 Toen zei uw dienaar, onze vader, tot ons: Jullie weten dat mijn vrouw mij maar twee zonen geschonken heeft.
Gen. 44,28 De ene is van mij weggegaan, en ik moet wel aannemen dat hij is verscheurd, want ik heb hem tot nog toe niet weergezien.
Gen. 44,29 Als jullie ook deze nog van mij wegnemen, en er zou hem een dodelijk ongeluk overkomen, dan zouden jullie de grijsaard die ik ben jammerend in het dodenrijk doen neerdalen.
Gen. 44,30 Wanneer ik dus bij uw dienaar, mijn vader, terugkom zonder de jongen, aan wie hij zo gehecht is,
Gen. 44,31 dan zal hij sterven, zodra hij ziet dat de jongen niet bij ons is. Dan zijn uw dienaren de oorzaak dat onze vader, uw dienaar, jammerend in het dodenrijk neerdaalt.
Gen. 44,32 Uw dienaar is bij mijn vader borg gebleven voor de jongen en heeft hem verzekerd: Als ik hem niet bij u terugbreng, sta ik mijn leven lang bij u in de schuld.
Gen. 44,33 Laat dus uw dienaar als slaaf van mijn heer achterblijven in plaats van deze jongen; maar laat hem terugkeren met zijn andere broers.
Gen. 44,34 Hoe zou ik zonder de jongen bij mijn vader durven terugkomen? Het leed dat mijn vader dan treft, zou ik niet kunnen aanzien.'
 
Gen. 45,1 Nu kon Jozef zich voor de overige omstanders niet langer goedhouden en hij riep uit: `Stuur iedereen weg.' Zo was er niemand meer bij, toen Jozef zich aan zijn broers bekend maakte.
Gen. 45,2 Hij huilde zo luid, dat de Egyptenaren het hoorden; ook in het huis van Farao werd het bekend.
Gen. 45,3 Jozef zei tot zijn broers: `Ik ben Jozef. Maakt vader het nog goed?' Maar zijn broers kon den geen woord uitbrengen, zo ontsteld waren zij over hem.
Gen. 45,4 Jozef echter zei tot zijn broers: `Kom toch dichterbij.' Toen ze dichterbij gekomen waren, zei hij: `Ik ben Jozef, de broer die jullie naar Egypte verkocht hebben.
Gen. 45,5 Je hoeft niet zo terneergeslagen te zijn en jezelf niet meer te verwijten dat jullie mij hierheen verkocht hebben, want God heeft mij voor jullie uitgezonden om jullie in leven te houden.
Gen. 45,6 Er heerst nu al twee jaar hongersnood in het land en er komen nog vijf jaren dat het ploegen geen oogst oplevert.
Gen. 45,7 God heeft mij vooruit gezonden, om jullie voortbestaan op aarde te verzekeren en om velen het leven te redden.
Gen. 45,8 Niet jullie hebben mij hier gebracht, maar God zelf. Hij heeft mij tot een vader voor Farao gemaakt, tot heer over heel zijn huis en tot heerser over heel Egypte.
Gen. 45,9 Ga haastig naar mijn vader en zeg hem: Zo spreekt uw zoon Jozef: God heeft mij aangesteld tot heer over heel Egypte; kom zonder uitstel naar mij toe.
Gen. 45,10 U kunt zich in Gosen vestigen; dan zult u dicht bij mij wonen, samen met uw kinderen en kleinkinderen, uw schapen en runderen en uw hele bezit.
Gen. 45,11 Ik zal zorgen, dat u daar niets te kort komt, want er komen nog vijf jaren van hongersnood; dan zult u niet tot armoede vervallen, noch uw familie of iemand van de uwen.
Gen. 45,12 Jullie hier en mijn broer Benjamin zien zelf dat ik in eigen persoon tot jullie spreek.
Gen. 45,13 Ga dus mijn vader vertellen hoe groot het aanzien is dat ik in Egypte geniet, en wat jullie allemaal is overkomen. Breng hem dan zo spoedig mogelijk hier.'
Gen. 45,14 Hij viel zijn broer Benjamin schreiend om de hals, en ook zijn broer Benjamin schreide terwijl hij hem omhelsde.
Gen. 45,15 Hij kuste zijn andere broers en schreide toen hij ze omhelsde. toen pas durfden zijn broers met hem spreken.
Gen. 45,16 Toen het nieuws van de komst van Jozefs broers in het paleis van Farao was doorgedrongen, was er grote blijdschap bij hem en bij zijn hof.
Gen. 45,17 En Farao zei tot Jozef: `Geef uw broers de volgende opdracht: Zadel de dieren, ga naar Kanašn,
Gen. 45,18 om uw vader en uw gezinnen te halen, en kom dan naar mij toe. Ik zal u het beste van Egypte schenken, en u zult eten van het vette van het land.
Gen. 45,19 Dring bij hen ook op het volgende aan: Neem uit Egypte wagens mee voor uw kleine kinderen en voor uw vrouwen; u moet er ook uw vader mee vervoeren en hierheen komen.
Gen. 45,20 Maak u geen zorgen om uw huisraad, want het beste van heel Egypte staat tot uw beschikking.'
Gen. 45,21 Zo deden de zonen van IsraŽl. Jozef gaf hun op bevel van Farao wagens en proviand voor de reis.
Gen. 45,22 Aan elk van hen gaf hij een stel nieuwe kleren; maar aan Benjamin schonk hij driehonderd zilverstukken en vijf stel nieuwe kleren.
Gen. 45,23 Aan zijn vader zond hij eveneens geschenken: tien ezels, beladen met de beste gaven van Egypte, en tien ezelinnen, beladen met graan, brood en spijzen, als proviand voor zijn vader.
Gen. 45,24 Zo liet hij dan zijn broers vertrekken en bij het afscheid zei hij tot hen: `Maak je onderweg geen zorgen.'
Gen. 45,25 Zij vertrokken uit Egypte en kwamen in Kanašn bij hun vader Jakob.
Gen. 45,26 toen zij hem vertelden: `Jozef leeft nog, en hij is heerser over heel Egypte', bleef hij bij dat nieuws onbewogen; hij kon het niet geloven.
Gen. 45,27 Toen zij hem echter meedeelden wat Jozef hun gezegd had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had om hem naar Egypte te brengen, leefde de geest van hun vader Jakob weer op.
Gen. 45,28 En IsraŽl sprak: `Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog: Ik wil naar hem toe en hem zien, voor ik doodga!'
 
Gen. 46,1 Toen ging IsraŽl op weg met al de zijnen. Hij kwam in Berseba en droeg daar slachtoffers op aan de God van zijn vader Isaak.
Gen. 46,2 En God sprak tot IsraŽl in een nachtelijk visioen: `Jakob, Jakob!' Hij antwoordde: `Hier ben ik.'
Gen. 46,3 God zei: `Ik ben God, de God van uw vader. Gij moet er niet tegen opzien naar Egypte te trekken; want Ik zal daar een groot volk van u maken.
Gen. 46,4 Ikzelf zal u naar Egypte vergezellen en Ik zal u ook weer terugbrengen. Jozef zal u de ogen sluiten.'
Gen. 46,5 Toen verliet Jakob Berseba, IsraŽls zonen lieten hun vader Jakob, hun kleine kinderen en hun vrouwen reizen op de wagens die Farao daarvoor had meegegeven.
Gen. 46,6 Ook hun veestapel en hun bezittingen namen ze mee, al wat ze in Kanašn verworven hadden. Zo trok Jakob met al zijn nakomelingen naar Egypte.
Gen. 46,7 Zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters, al zijn nakomelingen nam hij mee naar Egypte.
Gen. 46,8 Dit zijn de namen van de zonen van IsraŽl, die naar Egypte trokken, Jakob en zijn zonen. Jakobs oudste zoon was Ruben.
Gen. 46,9 Rubens zonen waren Chanok, Pallu, Chesron en Karmi.
Gen. 46,10 Zonen van Simeon waren JemuŽl, Jamin, Ohad, Jakin, Sochar en Saul, de zoon van een Kanašnitische vrouw.
Gen. 46,11 Zonen van Levi waren Gerson, Kehat en Merari.
Gen. 46,12 Zonen van Juda waren Er, Onan, Sela, Peres en Zerach. Er en Onan waren in Kanašn gestorven. Zonen van Peres waren Chesron en Chamul.
Gen. 46,13 Zonen van Issakar waren Tola, Puwwa, Job en Simron.
Gen. 46,14 Zonen van Zebulon waren Sered, Elon en Jachleel.
Gen. 46,15 Dat waren de zonen die Lea in Paddan-aram aan Jakob geschonken had; verder was er nog zijn dochter Dina. Samen waren het drieŽndertig zonen en dochters.
Gen. 46,16 Zonen van Gad waren Sifjon, Chaggi, Suni, Esbon, Eri, Arodi en Areli.
Gen. 46,17 Zonen van Aser waren Jimma, Jiswa, Jiswi en Beria; hun zuster was Serach. Zonen van Beria waren Cheber en Malkiel.
Gen. 46,18 Dat waren de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; zij schonk hen aan Jakob. Het waren er zestien.
Gen. 46,19 Zonen van Jakobs vrouw Rachel waren Jozef en Benjamin.
Gen. 46,20 Jozef kreeg in Egypte de zonen die Asenat, dochter van Potifera, de priester van On, hem schonk: Manasse en Efraim.
Gen. 46,21 Zonen van Benjamin waren Bela, Beker, Asbel, Gera, Naaman, Echi, Ros, Muppim, Chuppim en Ard.
Gen. 46,22 Dat waren de zonen die Jakob bij Rachel kreeg, samen waren het er veertien.
Gen. 46,23 Zoon van Dan was Chusim.
Gen. 46,24 Zonen van Naftali waren Jachseel, Guni, Jeser en Sillem.
Gen. 46,25 Dat waren de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel had gegeven. Deze zonen had zij Jakob geschonken, samen zeven.
Gen. 46,26 De rechtstreekse afstammelingen van Jakob die met hem naar Egypte trokken - de vrouwen van Jakobs zonen worden dan niet meegerekend -, waren zesenzestig in getal.
Gen. 46,27 Daarbij komen nog de twee zonen van Jozef, die deze in Egypte gekregen had. De familie van Jakob die naar Egypte ging bestond uit zeventig personen.
Gen. 46,28 Jakob stuurde Juda naar Jozef met het verzoek, in Gosen bij hem te komen. Toen zij in Gosen aangekomen waren,
Gen. 46,29 liet Jozef zijn wagen inspannen en reed naar Gosen om zijn vader IsraŽl te begroeten. Toen hij hem ontmoette, viel hij hem om de hals en bleef lange tijd op zijn schouders schreien.
Gen. 46,30 IsraŽl sprak tot Jozef: `Laat de dood nu maar komen! Ik heb jou nu weer gezien en weet dat je nog leeft!'
Gen. 46,31 Daarop zei Jozef tot zijn broers en de familie van zijn vader: `Ik zal Farao gaan zeggen: Mijn broers en de familie van mijn vader, die in Kanašn woonden, zijn bij mij aangekomen.
Gen. 46,32 Het zijn schaapherders en veehouders; hun schapen en runderen en heel hun bezit hebben zij meegebracht.
Gen. 46,33 Als Farao jullie ontbiedt en naar je beroep vraagt,
Gen. 46,34 moeten jullie dus antwoorden: Uw dienaren zijn van jongs af veehouders geweest, evenals hun voorvaderen. Dan krijgen jullie wel verlof om in Gosen te gaan wonen; want de Egyptenaren hebben een afkeer van alles wat schaapherder is.'
 
Gen. 47,1 Jozef ging dus aan Farao melden: `Mijn vader en mijn broers zijn met hun schapen en runderen en met hun hele bezit uit Kanašn aangekomen en bevinden zich nu in Gosen.'
Gen. 47,2 Hij had vijf van zijn broers meegenomen en stelde hen aan Farao voor.
Gen. 47,3 Farao vroeg aan zijn broers: `Wat is uw beroep?' Ze gaven hem ten antwoord: `Uw dienaren zijn schaapherders, evenals hun voorvaderen.'
Gen. 47,4 Ze zeiden tot Farao: `Wij zijn gekomen omdat wij hoopten in dit land gastvrijheid te vinden. Want in Kanašn is geen weide grond meer voor het vee van uw dienaren, omdat er grote hongers nood heerst. Uw dienaren zouden daarom graag in Gosen willen gaan wonen.'
Gen. 47,5 Daarop sprak Farao tot Jozef: `Uw broers en uw vader zijn nu bij u aangekomen.
Gen. 47,6 Egypte staat tot uw beschikking. Laat uw vader en uw broers in het beste deel van het land wonen en zich in Gosen vestigen. Ziet u bekwame mannen onder hen, dan moet u die aan stellen over mijn eigen veestapel.'
Gen. 47,7 Jozef liet zijn vader Jakob halen en stelde hem aan Farao voor. Nadat Jakob Farao met een zegenwens begroet had,
Gen. 47,8 zei deze tot Jakob: `Hoe oud bent u?'
Gen. 47,9 Jakob gaf ten antwoord: `Honderddertig jaar duurt mijn zwerven; mijn levensdagen zijn kort en ongelukkig geweest en ik ben nog niet zo oud als mijn voorvaderen in hun tijd.'
Gen. 47,10 Toen nam Jakob afscheid van Farao en trok zich terug.
Gen. 47,11 Jozef wees zijn vader en zijn broers een woonplaats aan en volgens de wens van Farao schonk hij hun een stuk grond, in het beste deel van Egypte, in het gebied van Ramses.
Gen. 47,12 Jozef voorzag zijn vader en broers en heel de familie van voedsel tot de kleine kinderen toe.
Gen. 47,13 Door de zware hongersnood was er nergens in het land nog brood, en zowel Egypte als Kanašn raakten uitgeput van de honger.
Gen. 47,14 Door de graanverkoop kreeg Jozef al het geld in handen, dat zowel in Egypte als in Kanašn te vinden was, en hij stortte dat in de schatkist van het paleis.
Gen. 47,15 Toen al het geld in Egypte en Kanašn op was, kwamen de Egyptenaren bij Jozef en zeiden: `Geef ons brood! Moeten wij onder uw ogen sterven? Ons geld is op!'
Gen. 47,16 Jozef antwoordde: `Als u geen geld meer hebt, geef dan uw vee maar; in ruil daarvoor geef ik u dan brood.'
Gen. 47,17 Zij brachten dus hun kudden bij Jozef; en deze gaf brood in ruil voor hun paarden, hun schapen en hun ezels. Hij voorzag de mensen dat jaar van brood, in ruil voor al hun kudden.
Gen. 47,18 Toen dat jaar om was, kwamen ze het volgend jaar opnieuw naar hem toe en zeiden: `Wij behoeven voor onze heer niet te verhelen dat ons geld op is en dat onze veestapel in zijn bezit is overgegaan; wij kunnen onze heer alleen nog onszelf en onze grond aanbieden.
Gen. 47,19 Moeten wij onder uw ogen ontkomen, met grond en al? Neem onszelf en onze grond in ruil voor brood; met grond en al willen wij Farao dienstbaar zijn. Geef ons zaaigoed, dan zullen wij in leven blijven en niet sterven, en zal ook de grond niet onvruchtbaar worden.'
Gen. 47,20 Toen kocht Jozef al de grond van Egypte voor Farao op, want door de honger gedreven, deden alle Egyptenaren hun lande rijen van de hand. Zo kwam het hele land in Farao's bezit,
Gen. 47,21 en bracht Jozef ook het volk in zijn dienst, van het ene eind van Egypte tot het andere.
Gen. 47,22 Alleen de grond van de priesters kon hij niet opkopen, want de priesters beschikten over een vaste toelage van Farao, en omdat ze konden leven van de toelage die Farao hun schonk, hoefden zij hun grond niet te verkopen.
Gen. 47,23 Nu zei Jozef tot het volk: `Ik heb nu u zelf en uw grond voor Farao gekocht; hier is zaaigoed om het land te bezaai en.
Gen. 47,24 Van de opbrengst moet u een vijfde aan Farao afstaan; vier vijfde kunt u zelf houden als zaad voor uw akkers en als voedsel voor uzelf, uw familie en uw kinderen.'
Gen. 47,25 En zij zeiden: `U hebt ons het leven gered. Blijf ons uw gunst schenken, heer, wij zullen Farao dienstbaar zijn.'
Gen. 47,26 Zo vaardigde Jozef de wet uit die hedentendage voor het akkerland van Egypte geldt, dat namelijk een vijfde voor Farao is. Alleen de grond van de priesters kwam niet in Farao's bezit.
Gen. 47,27 IsraŽl vestigde zich in Egypte, in Gosen. Zij kregen daar vaste bezittingen, waren vruchtbaar en werden zeer talrijk.
Gen. 47,28 Jakob leefde nog zeventien jaar in Egypte, zodat hij honderdzevenenveertig jaar oud werd.
Gen. 47,29 Toen het ogenblik van zijn dood naderde, liet IsraŽl zijn zoon Jozef roepen en zei hem: `Als ik een beroep mag doen op je genegenheid, zweer dan met je hand onder mijn heup dat je mij dit blijk van trouwe liefde zult schenken: begraaf mij niet in Egypte,
Gen. 47,30 maar laat mij rusten bij mijn vaderen. Je moet mij uit Egypte overbrengen en in hun graf begraven.' Hij antwoordde: `Ik zal doen wat u vraagt.'
Gen. 47,31 Hij drong aan: `Zweer het mij.' Hij zwoer het hem en IsraŽl boog zich neer aan het hoofdeinde van het bed.
 
Gen. 48,1 Enige tijd daarna ontving Jozef bericht: `Uw vader is ziek.' Hij ging met zijn zonen Manasse en Efraim naar hem toe.
Gen. 48,2 En toen men Jakob zei: `Uw zoon Jozef is gekomen,' verzamelde IsraŽl al zijn krachten en ging op zijn bed overeind zit ten.
Gen. 48,3 En Jakob zei tot Jozef: `God Almachtig is mij verschenen te Luz in Kanašn en heeft mij gezegend.
Gen. 48,4 Hij heeft mij gezegd: Ik zal u vruchtbaar maken en talrijk; een menigte volken zal Ik van u maken. Dit land zal Ik aan uw nageslacht voor eeuwig in bezit geven.
Gen. 48,5 Jouw beide zonen die in Egypte geboren zijn, voordat ik in Egypte bij je kwam, zijn mijn zonen: Efraim en Manasse zijn in mijn ogen gelijk aan Ruben en Simeon.
Gen. 48,6 Maar de kinderen die je daarna gekregen hebt, blijven jouw kinderen en zullen samen met hun broers erven.
Gen. 48,7 Toen ik uit Paddan-aram terugkwam, is je moeder Rachel mij in Kanašn dicht bij Efrat door de dood ontvallen; ik heb haar daar begraven aan de weg naar Efrat, dat is Betlehem.'
Gen. 48,8 Bij het zien van Jozefs beide zonen vroeg IsraŽl: `Wie zijn dat?'
Gen. 48,9 Jozef zei tot zijn vader: `Dat zijn de zonen die God mij hier gegeven heeft.' IsraŽl zei: `Laat ze bij me komen, ik wil hun mijn zegen geven.'
Gen. 48,10 IsraŽls ogen waren van ouderdom zo zwak geworden dat hij niet goed meer kon zien. Toen Jozef hen bij hem gebracht had, kuste en omhelsde hij hen.
Gen. 48,11 IsraŽl sprak tot Jozef: `Ik had niet kunnen vermoeden dat ik je nog zou terugzien; en nu laat God mij ook nog je kinderen zien.'
Gen. 48,12 Toen verwijderde Jozef hen van zijn vaders knieŽn en boog met zijn gezicht tot op de grond.
Gen. 48,13 Daarop nam Jozef met zijn rechterhand Efraim vast voor IsraŽl was dat links - en met zijn linkerhand Manasse - voor IsraŽl was dat rechts -; zo bracht hij beiden tot vlak bij hem.
Gen. 48,14 Toen strekte IsraŽl de rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraim, ofschoon hij de jongste was; en zijn linkerhand legde hij op het hoofd van Manasse, - ofschoon Manasse de eerstgeborene was; hij kruiste dus zijn handen.
Gen. 48,15 Toen zegende hij Jozef en sprak: `De God naar wie mijn vaderen Abraham en Isaak hun schreden gericht hebben, de God die mij mijn leven lang tot heden toe geweid heeft,
Gen. 48,16 de engel die mij verlost heeft uit alle nood, moge deze jongens zegenen. Moge in hen mijn naam en de naam van mijn voorvaderen Abraham en Isaak voortleven,
Gen. 48,17 Toen Jozef merkte dat zijn vader de rechterhand op het hoofd van Efraim gelegd had, vond hij dat verkeerd; hij greep de hand om ze van Efraims hoofd te verwijderen en ze op het hoofd van Manasse te leggen.
Gen. 48,18 Hij zei tot zijn vader: `Niet zo, vader, want dit is de oudste; op zijn hoofd moet u uw rechterhand leggen.'
Gen. 48,19 Maar zijn vader weigerde en zei: `Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij zal tot een volk uitgroeien en groot worden, maar zijn jongere broer zal groter zijn dan hij, en zijn nageslacht groeit uit tot een menigte volken.'
Gen. 48,20 En hij sprak op die dag deze zegen over hen uit: `Met jouw naam zal IsraŽl zegen afsmeken en men zal zeggen: God make u gelijk aan Efraim en Manasse.' Zo plaatste hij Efraim voor Manasse.
Gen. 48,21 Nu zei IsraŽl tot Jozef: `Ik ga sterven; God zal je beschermen en je naar het land van je vaderen terugbrengen.
Gen. 48,22 Aan jou geef ik iets meer dan aan je broers: een berg rug, die ik met zwaard en boog op de Amorieten veroverd hebt.'
 
Gen. 49,1 Jakob ontbood zijn zonen en sprak: `Komt bij elkaar, ik ga jullie zeggen wat jullie wacht in de dagen die komen.
Gen. 49,2 Komt nu bijeen en luister, zonen van Jakob, luistert naar IsraŽl, jullie vader.
Gen. 49,3 Ruben, jij bent mijn eerstgeborene, de eerste vrucht van mijn mannenkracht. Vooraanstaan moest je in hoogheid, vooraan staan in macht;
Gen. 49,4 maar onstuimig ben je als water, je zult niet vooraan staan! Want het bed van je vader heb je bestegen. de legerstee van zijn bijvrouw onteerd.
Gen. 49,5 Simeon en Levi zijn broers van elkaar, hun messen zijn moordtuig!
Gen. 49,6 Bij hen wil mijn ziel niet te rade gaan; waar zij bijeen zijn, laat ik mij niet zien. In hun woede hebben zij mannen vermoord, in hun moedwil die stieren verminkt.
Gen. 49,7 Vervloekt hun woede, zo hevig; vervloekt hun drift, zo wild! Verdelen zal ik hen over Jakob, hen over IsraŽl verstrooi en!
Gen. 49,8 Juda, jou prijzen je broers; jouw hand drukt de nek van je vijanden neer, voor jou staan de zoons van je vader gebogen.
Gen. 49,9 De welp van een leeuw is Juda; met roof ben je opwaarts gekomen, mijn zoon! Hij vlijt zich neer, hij ligt als een leeuw, als de koning der dieren; wie waagt hem te wekken?
Gen. 49,10 Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf niet verdwijnen tussen zijn voeten, totdat hij verschijnt die hem voeren mag; hem zijn de volken gehoorzaam.
Gen. 49,11 Aan de wijnstok bindt hij zijn ezel, aan de wingerd zijn edele volbloed; hij wast zijn gewaad in de wijn, in het bloed van de druiven zijn mantel.
Gen. 49,12 Zijn ogen zijn donkerder dan wijn, zijn tanden witter dan melk.
Gen. 49,13 Zebulon woont aan de zeekant, hij woont aan het strand bij de schepen, zijn flank leunt aan tegen Sidon.
Gen. 49,14 Issakar is een bonkige ezel, die neerligt tussen zijn lasten.
Gen. 49,15 Hij ziet hoe heerlijk de rust is en hoe lieftallig het land; hij buigt zijn schouders om lasten te torsen, en wordt een slaaf, die werkt onder dwang.
Gen. 49,16 Dan is rechter over zijn volk, als een van IsraŽls stammen.
Gen. 49,17 Een slang op de weg moet Dan zijn, een adder op het pad, hij bijt het paard in de hiel en de wagenmenner slaat achterover.
Gen. 49,18 Op uw redding hoop ik, Jahwe!
Gen. 49,19 Gad: een troep valt hem aan, maar hij zit hen op de hielen!
Gen. 49,20 Aser: rijk is zijn brood; heerlijke spijzen biedt hij de vorsten.
Gen. 49,21 Naftali is een uitgelaten hinde, die schone jongen werpt.
Gen. 49,22 Een jonge stier is Jozef, een jonge stier bij een bron, die door de heining van zijn graaswei breekt.
Gen. 49,23 De boogschutters hebben hem getergd hem uitgedaagd en strijd met hem gezocht.
Gen. 49,24 Maar hun bogen werden gebroken door de Bestendige, de spieren van hun handen gescheurd door de handen van Jakobs Machtige, door Hem die zijn herder heet, IsraŽls rots.
Gen. 49,25 De God van je vader zal je helpen; God Almachtig zal je zijn zegen schenken: de zegen van de hemel boven, de zegen van de diepten beneden, de zegen van de borsten en de schoot.
Gen. 49,26 Je vaders zegen gaat verder nog dan de zegeningen van de oude bergen, dan het heerlijkste van de eeuwige heuvels. Op Jozefs hoofd kome die zegen, op de schedel van hem, de gewijde onder zijn broers.
Gen. 49,27 Benjamin is een verscheurende wolf, in de morgen verslindt hij zijn prooi, in de avond verdeelt hij zijn buit.'
Gen. 49,28 Dat zijn al de stammen van IsraŽl, twaalf in getal, met de zegen die hun vader over hen heeft uitgesproken: aan ieder van hen gaf hij een eigen zegen.
Gen. 49,29 Daarna gaf hij hun de volgende opdracht: `Als ik met mijn voorvaderen verenigd word, begraaf mij dan bij mijn vaderen in de grot op de akker van de Hethiet Efron,
Gen. 49,30 in de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre, in Kanašn. Het is de akker die Abraham als eigen begraaf plaats van de Hethiet Efron gekocht heeft.
Gen. 49,31 Daar zijn Abraham en zijn vrouw Sara begraven, daar zijn Isaak en zijn vrouw Rebekka bijgezet, en daar heb ik Lea begraven.
Gen. 49,32 De akker met de grot die erop ligt is gekocht van de Hethieten.'
Gen. 49,33 Toen Jakob zijn zonen deze laatste opdracht gegeven had, trok hij zijn voeten terug op het bed, gaf de geest en werd met zijn voorvaderen verenigd.
 
Gen. 50,1 Toen wierp Jozef zich op zijn vader, weende over hem en kuste hem.
Gen. 50,2 En hij gebood de geneesheren die in zijn dienst waren zijn vader IsraŽl te balsemen; en de geneesheren deden dat.
Gen. 50,3 Dit nam veertig dagen in beslag, want zolang duurt de balseming. De Egyptenaren rouwden over hem, zeventig dagen lang.
Gen. 50,4 Toen de rouwtijd voorbij was, zei Jozef tot Farao's hovelingen: `Wees mij ter wille en doe voor mij een goed woord bij Farao. Zeg hem:
Gen. 50,5 Mijn vader heeft mij onder ede doen beloven: Ik ga nu sterven; je moet mij begraven in het graf dat ik in Kanašn heb uitgehouwen. Laat mij dus mijn vader gaan begraven; daarna kom ik terug.'
Gen. 50,6 Farao zei: `Ga uw vader begraven, zoals hij u heeft laten beloven.'
Gen. 50,7 Jozef ging dus zijn vader begraven; alle hovelingen van Farao, de oudsten van zijn huis, en alle oudsten van Egypte vergezelden hem;
Gen. 50,8 verder heel de familie van Jozef, zijn broers en de familie van zijn vader. Alleen de kleine kinderen en de schapen en runderen lieten zij in Gosen achter.
Gen. 50,9 Ook wagens en wagenmenners reden met hen mee, zodat het een indrukwekkende stoet was.
Gen. 50,10 Toen zij aangekomen waren bij de Doornendorsvloer, bij de Jordaan, hielden zij een grote, plechtige rouwklacht; zeven dagen lang liet hij over zijn vader rouw bedrijven.
Gen. 50,11 De Kanašnitische bewoners van het land zagen die rouw plechtigheden op de Doornendorsvloer en zeiden: Egypte houdt indrukwekkende rouwklachten; zo komt het dat die plaats aan de overzijde van de Jordaan Abel-misraim heet.
Gen. 50,12 Daarna volvoerden Jakobs zonen de opdracht die hij hun gegeven had.
Gen. 50,13 Zij brachten hem over naar Kanašn en begroeven hem in de grot op de akker van Makpela. Abraham had die akker ten oosten van Mamre als eigen begraafplaats gekocht van de Hethiet Efron.
Gen. 50,14 Nadat Jozef zijn vader begraven had, keerde hij naar Egypte terug, samen met zijn broers en allen die hem vergezeld hadden bij de begrafenis van zijn vader.
Gen. 50,15 Toen Jozefs broers zagen dat hun vader gestorven was, zeiden ze: `Als Jozef zich nu maar niet op ons gaat wreken en ons zwaar laat boeten voor het kwaad dat wij hem aangedaan hebben.'
Gen. 50,16 Daarom zonden zij naar Jozef de volgende boodschap: `Uw vader heeft voor zijn dood bevel gegeven:
Gen. 50,17 Dit moeten jullie Jozef zeggen: Ik smeek je, vergeef toch de misdaad en de zonde die je broers tegen jou bedreven hebben. Vergeef dus de dienaren van de God van uw vader hun misdaad.' Toen zij zo tot hem spraken, barstte Jozef in tranen uit.
Gen. 50,18 Toen kwamen zijn broers zelf, wierpen zich ter aarde en zeiden: `Beschik over ons, wij zijn uw slaven.'
Gen. 50,19 Maar Jozef zei hun: `Wees maar niet bang; bekleed ik soms de plaats van God?
Gen. 50,20 Jullie hebben kwaad tegen mij beraamd, maar God heeft het ten goede gekeerd, om te bewerken wat nu is geschied: het behoud van een talrijk volk.
Gen. 50,21 Wees dus niet bang: ik zal voor jullie en je kleine kinderen zorgen.' Zo stelde hij hen met hartelijke woorden gerust.
Gen. 50,22 Jozef bleef in Egypte wonen, samen met de familie van zijn vader, hij werd honderdtien jaar oud.
Gen. 50,23 Jozef zag het derde geslacht van Efraim; en ook de zonen van Makir, de zoon van Manasse, werden op zijn knieŽn geboren.
Gen. 50,24 Daarna sprak Jozef tot zijn broers: `Ik ga sterven, maar eens toont God zijn macht en leidt jullie van hier naar het land dat Hij onder ede beloofd heeft aan Abraham, Isaak en Jakob.'
Gen. 50,25 Jozef bezwoer de zonen van IsraŽl: `Als God jullie zijn macht toont, dan moet je mijn gebeente van hier meevoeren.'
Gen. 50,26 Toen stierf Jozef, honderdtien jaar oud. Hij werd gebalsemd en in Egypte in een sarcofaag gelegd.

 

Exodus

Ex. 1,1 Dit zijn de namen van de zonen van IsraŽl die naar Egypte getrokken waren, - zij waren allen, met hun familie, meegekomen met Jakob -:
Ex. 1,2 Ruben, Simeon, Levi, Juda,
Ex. 1,3 Issakar, Zebulon, Benjamin,
Ex. 1,4 Dan, Naftali, Gad en Aser.
Ex. 1,5 Het aantal afstammelingen van Jakob bedroeg in totaal zeventig. Jozef was reeds tevoren in Egypte gekomen.
Ex. 1,6 Jozef en al zijn broeders en alle mensen van dat geslacht stierven.
Ex. 1,7 Maar de IsraŽlieten waren vruchtbaar en breidden zich uit, zij werden uitermate talrijk en sterk zodat het land vol van hen raakte.
Ex. 1,8 Toen kwam er in Egypte een nieuwe koning aan het bewind, die van Jozef niet meer afwist.
Ex. 1,9 Hij sprak tot zijn volk: 'Luister eens, die IsraŽlieten worden ons te talrijk en te sterk.
Ex. 1,10 Wij dienen dus verstandige maatregelen tegen hen te nemen om te voorkomen dat zij nog talrijker worden. Als wij in oorlog raken sluiten zij zich bij onze tegenstanders aan, voeren strijd tegen ons en trekken uit het land weg.'
Ex. 1,11 Toen stelden ze werkbazen over het volk aan om hen door dwangarbeid te onderdrukken. De IsraŽlieten moesten voor Farao de proviandsteden Pitom en Ramses bouwen.
Ex. 1,12 Maar hoe men hen ook onderdrukte, ze bleven groeien in aantal en zich steeds meer vermenigvuldigen, zodat de Egyptenaren er bang van werden,
Ex. 1,13 en de IsraŽlieten dwongen om zware arbeid te verrichten.
Ex. 1,14 Ze maakten hun leven zuur door hen hard te laten werken in steenbakkerijen en op het land. Dat was het zware werk waar zij hen toe dwongen.
Ex. 1,15 Ook richtte de koning van Egypte zich tot de Hebreeuwse vroedvrouwen, - de een heette Sifra, de andere Pua -,
Ex. 1,16 en sprak: `Wanneer jullie de Hebreeuwse vrouwen helpen bij de bevalling, let dan goed op het geslacht van het kind; is het een jongen dan moet je hem doden, is het een meisje dan moet je het laten leven.'
Ex. 1,17 Maar de vroedvrouwen vreesden God en gaven geen gehoor aan het bevel van de koning; ze lieten de jongens in leven.
Ex. 1,18 Toen liet de koning van Egypte de vroedvrouwen bij zich komen en ondervroeg hen: `Wat moet dat, waarom laten jullie die jongens in leven?'
Ex. 1,19 De vroedvrouwen gaven Farao ten antwoord: `De Hebreeuwse vrouwen zijn nu eenmaal niet zoals de Egyptische: ze baren zo vlug dat ze hun kind ter wereld brengen nog voordat de vroedvrouw er bij is.'
Ex. 1,20 God zegende de vroedvrouwen; en het volk bleef zich maar uitbreiden en werd zeer talrijk.
Ex. 1,21 Omdat de vroedvrouwen God vreesden, schonk Hij hun een nageslacht.
Ex. 1,22 Toen gelastte Farao aan al zijn onderdanen: `Iedere jongen die geboren wordt moet ge in de Nijl gooien; de meisjes kunt ge in leven laten.'
 
Ex 2,1 Een man uit de stam Levi nam een meisje uit die stam tot vrouw.
Ex 2,2 De vrouw werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. Toen zij zag hoe mooi het kind was, hield zij het drie maanden lang verborgen.
Ex 2,3 Maar toen zij geen kans meer zag hem nog langer verborgen te houden, nam zij een mandje van riet, streek het dicht met asfalt en pek en legde het kind erin. Toen zette zij het tussen het riet aan de oever van de Nijl.
Ex 2,4 Op enige afstand stelde de zuster van het kind zich verdekt op, om te zien wat er zou gebeuren.
Ex 2,5 Nu begaf de dochter van Farao zich naar de Nijl om te baden, terwijl haar dienaressen op en neer bleven lopen langs de oever van de rivier. Ineens zag zij het mandje tussen het riet en stuurde haar slavin om het te halen.
Ex 2,6 Zij maakte het open, keek en daar lag een schreiend jongetje. Vol medelijden riep zij: `Natuurlijk een Hebreeuws kind!'
Ex 2,7 Toen kwam de zuster van het kind aan de dochter van Farao vragen: `Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan zoeken, om het kind voor u te voeden?'
Ex 2,8 De dochter van Farao antwoordde: `Ja, doe dat.' Het meisje snelde weg en haalde de moeder van het kind.
Ex 2,9 De dochter van Farao beval haar: `Neem dit kind mee en voed het voor mij; ik zal u er persoonlijk voor belonen.' Toen nam de vrouw het kind mee en voedde het.
Ex 2,10 En toen het kind opgegroeid was, bracht zij het terug naar de dochter van Farao. Deze nam hem als haar eigen zoon aan. Zij noemde hem Mozes, want zo zei ze, `ik heb hem uit het water getrokken.'
Ex 2,11 Toen Mozes opgegroeid was ging hij eens naar zijn broeders en was getuige van hun dwangarbeid. Hij zag hoe een Egypte naar een HebreeŽr neersloeg, een van zijn broeders.
Ex 2,12 Hij keek naar alle kanten en toen hij zag dat er niemand in de buurt was sloeg hij de Egyptenaar neer en verborg hem onder het zand.
Ex 2,13 De dag daarop ging hij weer uit en zag twee Hebreeuwse mannen met elkaar vechten. Hij vroeg aan degene die ongelijk had: `Waarom sla jij je kameraad?'
Ex 2,14 De man antwoordde: `Wie heeft jou als heer en rechter over ons aangesteld? Ben je soms van plan mij ook te doden, net als die Egyptenaar?' Toen werd Mozes bang en dacht: `Het is dus toch bekend geworden.'
Ex 2,15 Ook Farao hoorde van het gebeurde en was er sindsdien op uit, Mozes te doden. Maar Mozes wist aan Farao te ontkomen en week uit naar Midjan. Eens zat hij bij de put.
Ex 2,16 Nu had de priester van Midjan zeven dochters. Deze kwamen water putten en de drinkbakken vullen om de kudde van hun vader te drinken te geven.
Ex 2,17 Maar er kwamen herders die de meisjes weg wilden dringen. Toen sprong Mozes op, kwam de meisjes te hulp en gaf de dieren te drinken.
Ex 2,18 Toen zij thuiskwamen vroeg hun vader DeuŽl: `Wat zijn jullie vroeg terug vandaag?'
Ex 2,19 Zij antwoordden: `Een Egyptenaar heeft ons in bescherming genomen tegen de herders; ook heeft hij water voor ons geput en het vee te drinken gegeven.'
Ex 2,20 Hij vroeg zijn dochters toen: `Waar is die man? Waarom hebben jullie hem daar laten staan? Ga hem uitnodigen om te komen eten.'
Ex 2,21 Toen Mozes besloten had bij die man te blijven, gaf deze hem zijn dochter Sippora tot vrouw.
Ex 2,22 Zij baarde een zoon die hij de naam Gersom gaf, want, zo zei hij, `ik ben gast in een vreemd land.'
Ex 2,23 In de loop van deze vele jaren was de koning van Egypte gestorven. Maar de IsraŽlieten zuchtten nog steeds onder hun dwangarbeid en zij klaagden luid. Vanuit hun slavenbestaan drong hun gejammer door tot God,
Ex 2,24 en God luisterde naar hun klagen; Hij was zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob indachtig.
Ex 2,25 God zag goedgunstig neer op de IsraŽlieten en Hij was met hen begaan.
 
Ex 3,1 Mozes hoedde de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan. Eens dreef hij de kudde tot ver in de woestijn en kwam hij bij de berg van God, de Horeb.
Ex 3,2 Toen verscheen hem de engel van Jahwe, in een vuur dat opvlamde uit een doornstruik. Mozes keek toe en zag dat de doornstruik in lichter laaie stond en toch niet verbrandde.
Ex 3,3 Hij dacht: `Ik ga er op af om dat vreemde verschijnsel te onderzoeken. Hoe komt het dat die doornstruik niet verbrandt?'
Ex 3,4 Jahwe zag hem naderbij komen om te kijken. En vanuit de doornstruik riep God hem toe: `Mozes, Mozes.' `Hier ben ik,' antwoordde hij.
Ex 3,5 Toen sprak Jahwe: `Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond.'
Ex 3,6 En Hij vervolgde: `Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.' Toen bedekte Mozes zijn gezicht want hij durfde niet naar God op te zien.
Ex 3,7 Jahwe sprak: `Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord; ja, Ik ken zijn lijden.
Ex 3,8 Ik daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte, om het weg te leiden uit dit land naar een land dat goed en ruim is, een land van melk en honing, het gebied van de Kanašnieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.
Ex 3,9 Het geweeklaag van de IsraŽlieten is nu tot Mij doorgedrongen en Ik heb ook gezien hoezeer de Egyptenaren hen onder drukken.
Ex 3,10 Ga er dus heen, Ik zend u naar Farao. Gij moet mijn volk, de IsraŽlieten, uit Egypte leiden.'
Ex 3,11 Maar Mozes sprak tot God: `Wie ben ik dat ik naar Farao zou gaan en dat ik de IsraŽlieten uit Egypte zou leiden?'
Ex 3,12 God antwoordde hem: `Ik zal u bijstaan, en dit is het teken dat Ik het ben die u zendt: als gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult ge mij vereren op deze berg.'
Ex 3,13 Maar Mozes sprak opnieuw tot God: `Als ik nu bij de IsraŽlieten kom en hun zeg: De God van uw vaderen zendt mij tot u, en zij vragen: Hoe is zijn naam? wat moet ik dan antwoorden?'
Ex 3,14 Toen sprak God tot Mozes: `Ik ben die is.' En ook: `Dit moet gij de IsraŽlieten zeggen: Hij-is zendt mij tot u.'
Ex 3,15 Bovendien zei God tot Mozes: `Dit moet ge de IsraŽlieten zeggen: Jahwe, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, zendt mij tot u. Dit is mijn naam voor altijd. Zo moet men Mij aanspreken, alle geslachten door.
Ex 3,16 Ga nu op weg, roep de oudsten van IsraŽl bijeen en zeg hun: Jahwe, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Isaak en Jakob, met deze boodschap: Ik draag zorg voor u, want Ik zie wat men u in Egypte aandoet.
Ex 3,17 Daarom heb Ik besloten: Ik zal u uit de ellende van Egypte wegvoeren naar het land van de Kanašnieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, een land van melk en honing.
Ex 3,18 Zij zullen luisteren naar wat gij zegt. Dan moet ge met de oudsten van IsraŽl naar de koning van Egypte gaan en hem zeggen: Jahwe, de God van de HebreeŽn, is tot ons gekomen. Laat ons daarom drie dagreizen ver de woestijn ingaan om offers op te dragen aan Jahwe onze God.
Ex 3,19 Ik weet dat de koning van Egypte u niet zal laten ver trekken, als geen sterke hand hem dwingt.
Ex 3,20 Daarom zal Ik mijn hand opheffen en Egypte treffen met allerlei wondertekenen die Ik er zal verrichten. Dan zal hij u wel laten gaan.
Ex 3,21 En Ik zal de Egyptenaren gunstig stemmen tegenover dit volk; als ge dan wegtrekt gaat ge niet met lege handen.
Ex 3,22 Laten alle vrouwen hun buren en huisgenoten vragen om gouden en zilveren sieraden en om kleding. Die moet ge uw zonen en dochters aandoen en er Egypte van beroven.'
 
Ex 4,1 Mozes gaf hierop ten antwoord: `Maar ze geloven me niet, ze zullen aan mijn woorden geen gehoor schenken; ze zullen zeggen dat Jahwe mij niet is verschenen.'
Ex 4,2 Toen vroeg Jahwe hem: `Wat hebt ge daar in uw hand?' Een staf,' antwoordde hij.
Ex 4,3 Toen beval Jahwe: `Laat hem op de grond vallen.' Mozes liet hem op de grond vallen en de staf werd een slang. Mozes sprong achteruit.
Ex 4,4 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Strek uw hand uit en grijp ze bij de staart.' Hij strekte zijn hand uit, pakte de slang vast en in zijn greep werd het weer een staf.
Ex 4,5 `Zo zullen ze geloven dat Jahwe u inderdaad verschenen is, de God van hun vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.'
Ex 4,6 Ook beval Jahwe hem nog: `Steek uw hand tussen uw kleed.' Hij stak zijn hand tussen zijn kleed. En toen hij ze er uittrok zat ze ineens vol witte uitslag, het leek wel sneeuw.
Ex 4,7 Jahwe sprak opnieuw: `Steek uw hand tussen uw kleed.' En toen hij ze er uittrok was ze weer als de rest van zijn huid.
Ex 4,8 `Als ze u niet vertrouwen en aan het eerste teken geen geloof hechten, dan zal het tweede hen overtuigen.
Ex 4,9 Laten zij zich door deze beide tekenen niet overtuigen en luisteren ze niet naar u, neem dan water uit de Nijl en giet dat uit op het land. Het water dat ge uit de Nijl genomen hebt, zal op het land bloed worden.'
Ex 4,10 Maar Mozes sprak tot Jahwe: `Neem mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen redenaar. Ik ben dat nooit geweest, en ik ben het ook nu niet, al hebt Gij dan ook tot uw dienaar gesproken. Ik spreek moeilijk en traag.'
Ex 4,11 Jahwe gaf hem ten antwoord: `Wie geeft de mens een mond? Wie maakt stom of doof, ziende of blind? Doe Ik, Jahwe, dat niet?
Ex 4,12 Ga nu maar, Ik zal u bijstaan als ge spreekt en u ingeven wat ge moet zeggen.'
Ex 4,13 Maar Mozes bracht hier tegen in: `Neem mij niet kwalijk, Heer, zend liever iemand anders.'
Ex 4,14 Toen ontbrandde Jahwe's toorn tegen Mozes en Hij sprak: `Uw broer Ašron de leviet is er toch ook nog? Ik weet dat hij een goed spreker is! Hij gaat juist naar u op weg en zal blij zijn als hij u ziet.
Ex 4,15 Spreek met hem, leg hem uw woorden in de mond. Ik zal u beiden bijstaan als ge moet spreken en u ingeven wat ge moet doen.
Ex 4,16 Laat hem in uw plaats spreken tot het volk; hij zal uw mond zijn, gij zijn god.
Ex 4,17 Neem deze staf mee, daar moet ge de tekenen mee verrichten.'
Ex 4,18 Nu ging Mozes terug naar Jeter, zijn schoonvader, en zei hem: `Ik zou willen terugkeren naar mijn broeders in Egypte om te zien hoe zij het maken.' Jetro antwoordde hem: `Ga in vrede.'
Ex 4,19 Want Jahwe had in Midjan tot Mozes gezegd: `Ga terug naar Egypte, want allen die u naar het leven stonden zijn gestorven.'
Ex 4,20 Mozes liet zijn vrouw en zijn zoon plaatsnemen op de ezel en begaf zich op weg naar Egypte, met de staf van God in zijn hand.
Ex 4,21 Jahwe sprak tot Mozes: `Nu gij teruggaat naar Egypte, moet ge zorgen dat ge voor Farao al de wonderen verricht waartoe Ik u de macht gegeven heb. Ik zal hem dan halsstarrig maken, zodat hij het volk niet laat gaan.
Ex 4,22 En dan moet gij tot Farao zeggen: Zo spreekt Jahwe: IsraŽl is mijn eerstgeboren zoon.
Ex 4,23 Ik had u bevolen mijn zoon vrij te laten vertrekken om Mij te vereren, maar gij hebt dat geweigerd. Daarom zal ik uw eerstgeborene doden.'
Ex 4,24 Toen Mozes onderweg ergens de nacht doorbracht kwam Jahwe op hem af en wilde hem doden.
Ex 4,25 Maar Sippora nam een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon af en raakte daarmee zijn benen aan. Zij sprak: `Jij bent mijn bloedige bruidegom.'
Ex 4,26 Toen liet Jahwe hem met rust. Zij had gezegd: `Mijn bloedige bruidegom,' in verband met de besnijdenis.
Ex 4,27 En Jahwe sprak tot Aaron: `Ga Mozes in de woestijn tegemoet.' Hij ging op weg en trof hem bij de berg van God, en hij omhelsde hem.
Ex 4,28 Mozes bracht Ašron op de hoogte van al de woorden die Jahwe tot hem gesproken had en van al de tekenen die Hij hem had opgedragen.
Ex 4,29 Toen ging Mozes met Ašron mee en zij riepen al de oudsten van IsraŽl bijeen.
Ex 4,30 Ašron bracht verslag uit van al de woorden die Jahwe tot Mozes gesproken had en voor de ogen van het volk verrichtte hij de tekenen.
Ex 4,31 En het volk geloofde. Toen zij vernamen dat Jahwe zich het lot van de IsraŽlieten had aangetrokken en hun ellende gezien had, knielden zij neer en bogen zij zich ter aarde.
 
Ex 5,1 Daarna gingen Mozes en Ašron naar Farao en zeiden: `Zo spreekt Jahwe, de God van IsraŽl: Laat mijn volk vertrekken om ter ere van Mij een pelgrimsfeest te vieren in de woestijn.'
Ex 5,2 Maar Farao antwoordde: `Wie is Jahwe dat ik naar Hem zou luisteren en IsraŽl zou laten gaan? Ik ken geen Jahwe en ik laat IsraŽl niet gaan.'
Ex 5,3 Toen zeiden zij: `De God van de HebreeŽn is tot ons gekomen. Laat ons drie dagreizen ver de woestijn ingaan om offers op te dragen aan Jahwe, onze God. Anders slaat Hij ons met de pest of het zwaard.'
Ex 5,4 Maar de koning van Egypte voer tegen hen uit: `Waarom, Mozes en Aaron, waarom houden jullie de mensen van het werk? Vooruit, aan het werk!'
Ex 5,5 Farao voegde er aan toe: `Ze zijn nu al talrijker dan de bevolking van het land, en dan zouden jullie nog willen dat ze het werk neerleggen?'
Ex 5,6 Diezelfde dag nog gaf Farao aan de opzichters en beambten het volgende bevel:
Ex 5,7 `Voortaan moet u het volk geen stro meer geven voor de stenen, zoals tot nu toe; laat ze zelf maar op stro uitgaan.
Ex 5,8 Maar u moet wel dezelfde hoeveelheid stenen blijven eisen die zij tot nu toe maakten. Doe er niets af, want ze zijn lui en daarom schreeuwen ze: Laat ons gaan om offers op te dragen aan onze God.
Ex 5,9 Deze lieden moeten harder werken, dan hebben ze hun handen vol en luisteren niet naar leugenpraat.'
Ex 5,10 De opzichters en beambten gingen weg en maakten aan het volk bekend: `Zo spreekt Farao: Ik geef jullie geen stro meer,
Ex 5,11 jullie gaan het zelf maar zoeken. Maar je moet wel evenveel blijven afleveren.'
Ex 5,12 Toen liep het volk heel Egypte af om stoppels te verzamelen.
Ex 5,13 De opzichters joegen hen op met de eis: `Jullie moeten elke dag hetzelfde werk leveren als toen er nog stro werd ge bracht.'
Ex 5,14 De IsraŽlitische voormannen, die de opzichters van Farao over hen hadden aangesteld, werden mishandeld. Men verweet hun: `Waarom hebben jullie vandaag en gisteren niet dezelfde hoeveelheid stenen afgeleverd als tevoren?'
Ex 5,15 Toen gingen de IsraŽlitische voormannen zich beklagen bij Farao en zeiden: `Waarom treedt u zo op tegen uw dienaren?
Ex 5,16 Uw dienaren krijgen geen stro meer, maar men blijft eisen: Levert stenen! Uw dienaren worden zelfs mishandeld. Zo misdoet u tegen het volk.'
Ex 5,17 Hij voer uit: `Luiaards zijn jullie, luiaards. Daarom zeggen jullie: Laat ons gaan om offers te brengen aan Jahwe.
Ex 5,18 En nu vooruit, aan het werk! Er wordt geen stro gebracht, maar het vastgestelde aantal stenen moeten jullie leveren.'
Ex 5,19 De IsraŽlitische voormannen begrepen dat ze er slecht aan toe waren, nu hij bevolen had: `Jullie moeten iedere dag evenveel stenen blijven afleveren.'
Ex 5,20 Toen de voormannen van Farao terugkwamen troffen ze Mozes en Ašron die hen stonden op te wachten.
Ex 5,21 Ze zeiden tot hen: `Moge Jahwe verschijnen om u te vonnissen, want u hebt het voor ons bedorven bij Farao en zijn hovelingen. U hebt hem het zwaard in de hand gegeven om ons te doden.'
Ex 5,22 Nu wendde Mozes zich weer tot Jahwe en sprak: `Mijn Heer, waarom behandelt Gij dit volk zo slecht? Waarom hebt Ge mij dan gezonden?
Ex 5,23 Sinds ik naar Farao gegaan ben om in uw naam tot hem te spreken behandelt hij dit volk nog slechter; en Gij doet maar niets om uw volk te redden.'
 
Ex 6,1 Maar Jahwe sprak tot Mozes: `Nu zult ge zien wat ik met Farao ga doen: door overmacht gedwongen zal hij het volk wegsturen, ja door overmacht gedwongen zal hij hen uit zijn land verjagen.'
Ex 6,2 Wederom richtte God het woord tot Mozes en sprak tot hem: `Ik ben Jahwe.
Ex 6,3 Aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob ben Ik verschenen als God Almachtig; mijn naam Jahwe heb Ik hun niet geopenbaard.
Ex 6,4 Met hen heb Ik mijn verbond gesloten: dat Ik hun Kanašn zou geven, het land waar zij als vreemdeling woonden.
Ex 6,5 Nu heb Ik het weeklagen gehoord van de IsraŽlieten die door de Egyptenaren tot slaven gemaakt zijn, en ben Ik mijn verbond indachtig.
Ex 6,6 Zeg daarom tot de IsraŽlieten: Ik ben Jahwe; Ik zal u wegvoeren uit de dwangarbeid van Egypte; Ik zal u bevrijden van hun overheersing; met uitgestrekte arm en onder toediening van zware straffen zal Ik u verlossen.
Ex 6,7 Ik zal u aannemen als mijn volk en Ik zal uw God zijn. Dan zult gij beseffen dat Ik het ben, Jahwe uw God, die u bevrijdt van de dwangarbeid van Egypte.
Ex 6,8 Ik zal u brengen naar het land dat Ik met opgestoken hand beloofd heb aan Abraham, Isaak en Jakob. Ik zal het u in bezit geven, Ik, Jahwe.'
Ex 6,9 Mozes bracht deze woorden aan de IsraŽlieten over. Maar zij luisterden niet naar hem omdat zij door de harde slavendienst de moed verloren hadden.
Ex 6,10 En Jahwe sprak tot Mozes:
Ex 6,11 `Ga aan Farao, de koning van Egypte, zeggen dat hij de IsraŽlieten uit zijn land moet laten vertrekken.'
Ex 6,12 Maar Mozes gaf Jahwe ten antwoord: `De IsraŽlieten luisteren nog niet eens naar mij. Zou Farao dan wel naar mij luisteren, onbesneden van lippen als ik ben?'
Ex 6,13 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron en zond hen naar de IsraŽlieten en naar Farao, de koning van Egypte, met de eis dat hij de IsraŽlieten uit Egypte zou laten vertrekken.
Ex 6,14 Hier volgen de hoofden van de verschillende families. Zonen van Ruben, IsraŽls eerstgeborene: Chanok en Pallu, Chesron en Karmi. Dit zijn de geslachten van Ruben.
Ex 6,15 Zonen van Simeon: JemuŽl, Jamin, Ohad, Sochar en Saul, de zoon van een Kanašnitische vrouw. Dit zijn de geslachten van Simeon.
Ex 6,16 De namen van de zonen van Levi, met hun afstammelingen: Gerson, Kehat en Merari. Levi werd honderdzevenendertig jaar oud.
Ex 6,17 Zonen van Gerson: Libni en Simi en hun families.
Ex 6,18 Zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en UzziŽl. Kehat werd honderddrieŽndertig jaar oud.
Ex 6,19 Zonen van Merari: Machli en Musi. Dit zijn dus de ge slachten van Levi en hun afstammelingen.
Ex 6,20 Amram huwde met Jokebed, zijn tante, en zij baarde hem Mozes en Aaron. Amram werd honderdzevenendertig jaar oud.
Ex 6,21 zonen van Jishar: Korach, Nefeg en Zikri.
Ex 6,22 Zonen van UzziŽl: MisaŽl, Elsafan en Sitri.
Ex 6,23 Ašron huwde met Eliseba, dochter van Amminadab en zuster van Nachson; zij baarde hem Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar.
Ex 6,24 Zonen van Korach: Assir, Elkana en Abiasaf. Dit zijn de geslachten van de Korachieten.
Ex 6,25 Eleazar, zoon van Aaron, huwde met een dochter van PutiŽl en zij baarde hem Pinechas. Dit zijn de familiehoofden van de stam Levi, met hun geslachten.
Ex 6,26 Aan deze Mozes en Ašron had Jahwe de opdracht gegeven: `Leid de IsraŽlieten, in legers geordend, uit Egypte.'
Ex 6,27 Zij waren het ook die het woord voerden bij Farao, de koning van Egypte, en van hem eisten dat hij de IsraŽlieten zou laten wegtrekken uit Egypte, zij, Mozes en Aaron.
Ex 6,28 Toen Jahwe in Egypte het woord richtte tot Mozes,
Ex 6,29 sprak Hij: `Ik ben Jahwe. Deel Farao, de koning van Egypte, alles mee wat Ik tot u gesproken heb.'
Ex 6,30 Maar Mozes zei tot Jahwe: `Ik, onbesneden van lippen als ik ben? Farao luistert immers toch niet naar mij!'
 
Ex 7,1 Maar Jahwe sprak tot Mozes: `U breng Ik voor Farao als de god, en uw broer Ašron zal uw profeet zijn.
Ex 7,2 Hem moet ge alles zeggen wat Ik u opdraag; dan zal uw broer Ašron het woord voeren bij Farao om van hem gedaan te krijgen dat hij de IsraŽlieten uit zijn land laat wegtrekken.
Ex 7,3 Dan zal Ik Farao's gemoed verharden en in Egypte talrijke tekenen en wonderen doen.
Ex 7,4 Farao zal niet naar u luisteren, maar dan zal Ik Egypte mijn kracht laten voelen, en mijn legers, het volk van de IsraŽlieten, wegleiden uit Egypte, dat Ik zwaar zal straffen.
Ex 7,5 De Egyptenaren zullen weten dat Ik Jahwe ben; zij zullen het beseffen als Ik mijn hand tegen hen uitstrek en de IsraŽlieten uit hun midden wegleid.'
Ex 7,6 Mozes en Ašron deden wat Jahwe hun bevolen had.
Ex 7,7 Ten tijde van de onderhandelingen met Farao was Mozes tachtig en Ašron drieŽntachtig jaar oud.
Ex 7,8 Jahwe richtte het woord tot Mozes en Ašron en sprak:
Ex 7,9 `Als Farao u uitdaagt: Laat eerst maar eens een wonder zien, dan moet ge tot Ašron zeggen: Neem uw staf en laat hem voor Farao op de grond vallen. Het zal een slang worden!'
Ex 7,10 Mozes en Ašron gingen naar Farao en deden wat Jahwe hun had opgedragen. Ašron liet voor de ogen van Farao en van al zijn hovelingen zijn staf vallen en het werd een slang.
Ex 7,11 Maar Farao riep op zijn beurt de wijzen en tovenaars erbij, en ook zij, de magiers van Egypte, deden met hun toverkunsten hetzelfde.
Ex 7,12 Zij lieten allen hun staf vallen en het werden slangen. Maar de staf van Ašron verslond die van hen.
Ex 7,13 Toch bleef Farao halsstarrig en hij luisterde niet naar hen zoals Jahwe tevoren had gezegd.
Ex 7,14 Jahwe sprak tot Mozes; `Het hart van Farao is niet te vermurwen, hij laat het volk niet gaan.
Ex 7,15 Morgenvroeg moet ge naar hem toegaan, tegen de tijd dat hij zich naar de rivier begeeft. Treed hem dan tegemoet aan de oever van de Nijl, met de staf die in een slang verandert bij u.
Ex 7,16 Zeg hem dan het volgende: Jahwe, de God van de HebreeŽrs, had mij tot u gezonden met het bevel: Laat mijn volk gaan om Mij in de woestijn te vereren. Tot nu toe hebt u daar geen gehoor aan gegeven.
Ex 7,17 Zo spreekt Jahwe: Hieraan zult gij weten, dat ik Jahwe ben: Met deze staf hier zal ik op het water van de Nijl slaan en het water zal bloed worden.
Ex 7,18 De vissen in de Nijl zullen sterven; de Nijl zal gaan stinken en de Egyptenaren zullen geen water uit de Nijl meer kunnen drinken.'
Ex 7,19 Vervolgens sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aaron: Neem uw staf en strek uw hand uit over de wateren van Egypte: over zijn rivieren en stromen, over zijn moerassen en alle waterplassen; alles zal bloed worden. Bloed zal er zijn in heel Egypte, tot in de bomen en de bronnen toe.'
Ex 7,20 Mozes en Ašron deden wat Jahwe hun bevolen had. Voor de ogen van Farao en al zijn hovelingen hief hij zijn staf op, sloeg op het water van de Nijl en al het water van de Nijl werd als bloed.
Ex 7,21 De vissen in de Nijl stierven, de Nijl begon te stinken en de Egyptenaren konden het water uit de Nijl niet meer drinken. Bloed was er, overal in Egypte.
Ex 7,22 Maar omdat de Egyptische magiers door hun toverkunsten hetzelfde deden, bleef Farao halsstarrig; hij luisterde niet naar hen zoals Jahwe tevoren had gezegd.
Ex 7,23 Farao keerde hun de rug toe en ging naar zijn paleis; hij was ook deze keer niet gezwicht.
Ex 7,24 Alle Egyptenaren gingen nu overal in de buurt van de Nijl naar drinkwater graven, want het water uit de Nijl was niet meer te drinken.
Ex 7,25 Zeven dagen verliepen nadat Jahwe de Nijl geslagen had.
Ex 7,26 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren.
Ex 7,27 Als ge weigert hen te laten gaan zal Ik heel uw grondgebied teisteren door kikkers te sturen.
Ex 7,28 De Nijl zal wemelen van kikkers; ze zullen er uit komen en binnendringen in uw paleis, in uw slaapvertrek en in uw bed; in de huizen van uw hovelingen en uw onderdanen, in de ovens en de bakkerstroggen.
Ex 7,29 Ook zullen de kikkers opspringen tegen u, tegen uw onderdanen en uw hovelingen.'
 
Ex 8,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aaron: Strek uw staf uit over de rivieren, stromen en moerassen en laat de kikkers over Egypte komen.'
Ex 8,2 Ašron stak zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen kikkers uit, die heel Egypte overstroomden.
Ex 8,3 Maar door hun toverkunsten deden de magiers hetzelfde en ook zij lieten kikkers komen over Egypte.
Ex 8,4 Toen ontbood Farao Mozes en Ašron en sprak: `Smeek Jahwe toch dat Hij de kikkers wegneemt van mij en van mijn onderdanen; dan zal ik het volk laten gaan om offers op te dragen aan Jahwe.'
Ex 8,5 Mozes antwoordde Farao: `Zegt u het maar; ik ga bidden voor u, uw hovelingen en uw onderdanen: Wanneer moeten de kikkers uit uw omgeving en uit uw huizen verdwijnen zodat er alleen in de Nijl nog overblijven?'
Ex 8,6 `Morgen', antwoordde Farao. En Mozes verzekerde hem: `Het zal gebeuren zoals u zegt. Dat zal u doen beseffen dat Jahwe onze God zijn gelijke niet heeft.
Ex 8,7 De kikkers zullen verdwijnen uit uw omgeving en uit uw huizen, uit die van uw hovelingen en uw onderdanen zodat er alleen in de Nijl nog overblijven.'
Ex 8,8 Mozes en Ašron gingen bij Farao weg en Mozes bad luid tot Jahwe en vroeg hem de kikkers weg te nemen, waarmee hij Farao getroffen had.
Ex 8,9 En Jahwe verhoorde Mozes' gebed. De kikkers stierven, in de huizen, op de binnenplaatsen, buiten op het land.
Ex 8,10 Men veegde ze bijeen, de ene hoop na de andere, zodat het land er van stonk.
Ex 8,11 Maar toen Farao zag dat er uitkomst gekomen was, werd hij weer onwillig. Hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren gezegd had.
Ex 8,12 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aaron: Neem uw staf in de hand en sla in het stof op de grond: het zal in heel Egypte in muggen veranderen.'
Ex 8,13 Dat deden zij; Ašron nam zijn staf in de hand en sloeg in het stof op de grond. Meteen kwamen mensen en dieren onder de muggen te zitten: al het stof van de grond in heel Egypte was in muggen veranderd.
Ex 8,14 Met hun toverkunsten probeerden ook de magiers muggen te voorschijn te brengen, maar zij slaagden daar niet in. Mensen en dieren zaten onder de muggen.
Ex 8,15 Toen zeiden de magiers tot Farao: `Dit is de vinger van God!' Maar Farao bleef halsstarrig, hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren gezegd had.
Ex 8,16 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Begeef u morgenvroeg naar Farao, als hij naar de rivier gaat, en zeg hem: Zo spreekt Jahwe: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren.
Ex 8,17 Want als gij mijn volk niet laat gaan, laat Ik steek vliegen komen over u, over uw hovelingen en uw onderdanen. Uw huizen, de huizen van alle Egyptenaren en de grond onder hun voeten zullen van de vliegen vergeven zijn.
Ex 8,18 Maar voor het land van Gosen, waar mijn volk woont, zal Ik op die dag een uitzondering maken; daar zullen geen vliegen zijn. Zo zult gij weten dat Ik, Jahwe, in uw land aanwezig ben,
Ex 8,19 want Ik zal onderscheid maken tussen mijn volk en uw volk. Morgen zal dit teken zich voltrekken.'
Ex 8,20 Zo deed Jahwe ook. Zwermen steekvliegen drongen het paleis van Farao binnen, de huizen van zijn hovelingen en heel Egypte. Het land was van de vliegen vergeven.
Ex 8,21 Toen ontbood Farao Mozes en Ašron en sprak: `Ga dan maar offers opdragen aan uw God; maar doe het hier in het land.'
Ex 8,22 Maar Mozes antwoordde: `Dat zou onmogelijk zijn. De offers die wij aan Jahwe onze God opdragen zijn voor de Egyptenaren een gruwel. Als wij onder de ogen van de Egyptenaren offers brengen die voor hen een gruwel zijn, zullen zij ons zeker stenigen.
Ex 8,23 Dan kunnen wij toch beter drie dagreizen de woestijn in gaan en daar aan Jahwe onze God de offers brengen die Hij van ons vraagt!'
Ex 8,24 Toen sprak Farao: `Dan laat ik u gaan om in de woestijn offers op te dragen aan Jahwe uw God; als u maar niet te ver wegtrekt. En u moet wel voor mij bidden.'
Ex 8,25 Mozes antwoordde: `Zodra ik van u weggegaan ben zal ik voor u bidden tot Jahwe. Morgen zullen de steekvliegen wijken van Farao, van zijn hovelingen en van zijn volk. Maar dan moet Farao geen bedrog meer plegen door het volk toch weer niet te laten gaan om offers te brengen aan Jahwe.'
Ex 8,26 Mozes ging van Farao heen en bad voor hem tot Jahwe.
Ex 8,27 En Jahwe deed wat Mozes vroeg: de steekvliegen weken van Farao, van zijn hovelingen en van zijn volk. Niet een bleef er over.
Ex 8,28 Maar ook deze keer werd Farao weer onwillig. Hij liet het volk niet gaan.
 
Ex 9,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe, de God der HebreeŽn: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren.
Ex 9,2 Want als ge weigert hen te laten gaan en hen nog langer tegenhoudt,
Ex 9,3 dan slaat de hand van Jahwe uw vee dat buiten graast met een verschrikkelijke pest, de paarden en de ezels, de kamelen en de runderen, de schapen en de geiten.
Ex 9,4 Daarbij zal Jahwe onderscheid maken tussen het vee van IsraŽl en het vee van Egypte. Van de kudden der IsraŽlieten zal geen dier verloren gaan.
Ex 9,5 Jahwe heeft ook het tijdstip vastgesteld: morgen zal Jahwe dit alles aan het land voltrekken.'
Ex 9,6 De volgende dag deed Jahwe zijn woord gestand: al het vee van de Egyptenaren kwam om, maar bij de IsraŽlieten stierf geen enkel dier.
Ex 9,7 Farao liet navraag doen, en inderdaad was er bij de IsraŽlieten geen enkel dier gestorven. Toch bleef Farao onwillig en hij liet het volk niet vertrekken.
Ex 9,8 Toen sprak Jahwe tot Mozes en Aaron: `Neem een handvol roet uit een smeltoven. Mozes moet dat voor de ogen van Farao in de lucht werpen.
Ex 9,9 Het zal over heel Egypte stuiven en overal bij mens en dier builen veroorzaken die openbarsten en gaan etteren.'
Ex 9,10 Zij namen dus roet uit een smeltoven en verschenen daarmee voor Farao. Mozes wierp het roet in de lucht, en mensen en dieren kregen builen die openbarstten en gingen etteren.
Ex 9,11 Door de builen konden zelfs de magiers het niet meer bij Mozes uithouden; want ook zij zaten vol builen net als de andere Egyptenaren.
Ex 9,12 Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig; hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren aan Mozes gezegd had.
Ex 9,13 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga morgenvroeg naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe, de God der HebreeŽn: Laat mijn volk vertrekken om Mij te vereren.
Ex 9,14 Want deze keer zal Ik mijn zwaarste plaag loslaten op u zelf, op uw hovelingen en uw onderdanen. Dan zult gij weten dat er op de hele wereld niemand aan Mij gelijk is.
Ex 9,15 Ik had al eerder mijn hand kunnen uitsteken en uw onderdanen kunnen slaan met de pest; dan zoudt ge van de aarde verdwenen zijn.
Ex 9,16 Maar Ik heb u in leven gelaten om u mijn kracht te laten zien en om mijn naam bekend te laten worden over heel de aarde.
Ex 9,17 Nog altijd vernedert gij mijn volk en laat het niet gaan.
Ex 9,18 Morgen om deze tijd zal Ik een zware hagelbui doen vallen, zo zwaar als er in Egypte nog nooit is geweest vanaf zijn ontstaan tot heden toe.
Ex 9,19 Haal uw kudden en alles wat gij buiten hebt binnen. Op alle mensen en dieren die buiten zijn en niet onderdak zijn gebracht, zal de hagel neerslaan en zij zullen omkomen.'
Ex 9,20 De hovelingen van Farao die Jahwe's woord vreesden brachten hun knechten en hun vee onderdak,
Ex 9,21 maar degenen die Jahwe's woord niet ter harte namen lieten hun knechten en hun vee buiten.
Ex 9,22 En Jahwe sprak tot Mozes: `Hef uw hand naar de hemel, en de hagel zal neerkomen over heel Egypte op mensen en dieren, op het veldgewas in heel Egypte.'
Ex 9,23 Mozes hief zijn hand naar de hemel en Jahwe liet het donderen en hagelen, bliksemstralen schoten naar de aarde. Jahwe liet de hagel neerkletteren op de Egyptische bodem.
Ex 9,24 Het hagelde, en bliksemstralen schoten tussen de hagel door. Zo'n zware hagelbui was er in heel Egypte nog nooit ge weest, zolang het volk bestond.
Ex 9,25 Overal in Egypte sloeg de hagel neer op alles wat zich buiten bevond, op mensen en dieren. De hagel sloeg alle veldgewassen stuk en vernielde alle bomen van het land.
Ex 9,26 Maar er viel geen hagel in het land Gosen, waar de IsraŽlieten woonden.
Ex 9,27 Toen ontbood Farao Mozes en Ašron en sprak tot hen: `Deze keer beken ik mijn schuld. Jahwe staat in zijn recht, en ik en mijn volk zijn schuldig.
Ex 9,28 Bid voor mij tot Jahwe. Deze verschrikkelijke donder en hagel zijn al te erg. Ik laat u gaan, u hoeft niet langer te blijven.
Ex 9,29 En Mozes gaf hem ten antwoord: `Zodra ik buiten de stad ben hef ik mijn handen op naar Jahwe; dan zal de donder zwijgen en de hagel ophouden; dan weet u dat heel de aarde Jahwe toebehoort.
Ex 9,30 En toch ben ik er van overtuigd dat u en uw hovelingen Jahwe God nog niet vreest.'
Ex 9,31 Het vlas en de gerst waren verhageld, want de gerst stond al in de aar en het vlas bloeide.
Ex 9,32 De tarwe en de spelt waren niet verhageld, want die zijn later in het seizoen.
Ex 9,33 Mozes ging van Farao weg en begaf zich buiten de stad. Hij hief zijn handen op naar Jahwe, en de donder en de hagel hielden op, er stortte geen regen meer op de aarde.
Ex 9,34 Toen Farao bemerkte dat regen, hagel en donder opgehouden waren, herviel hij in zijn zonde; hij werd zeer onwillig, hij en zijn hovelingen.
Ex 9,35 Farao werd weer halsstarrig en liet de IsraŽlieten niet vertrekken, zoals Jahwe tevoren door Mozes gezegd had.
 
Ex. 10,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao, want hem en zijn hovelingen maak Ik onwillig om mijn tekenen voor hen te kunnen verrichten.
Ex. 10,2 Dan kunt gij later aan uw kinderen en kleinkinderen verhalen hoe Ik tegen de Egyptenaren ben opgetreden en welke tekenen Ik daar verricht heb. Zo zult gij weten dat Ik Jahwe ben.'
Ex. 10,3 Mozes en Ašron begaven zich naar Farao en zeiden tot hem: `Zo spreekt Jahwe, de God der HebreeŽn: Hoe lang nog blijft gij weigeren u voor Mij te buigen? Laat mijn volk om Mij te vereren.
Ex. 10,4 Als ge weigert mijn volk te laten gaan, zal Ik morgen over uw grondgebied sprinkhanen laten omen.
Ex. 10,5 Ze zullen de oppervlakte van het land zo dicht bedekken dat er geen land meer te zien is. Wat de hagel u heeft overgelaten, zullen zij verslinden; alle bomen buiten op het land zullen ze kaalvreten.
Ex. 10,6 Uw huizen, de huizen van al uw hovelingen en de huizen van heel Egypte zullen er vol van zijn. Uw vaders en uw verre voorvaderen hebben, zolang zij in het land wonen, nog nooit zo iets gezien, tot op heden toe.' Mozes keerde zich om en ging van Farao weg.
Ex. 10,7 Nu zeiden de hovelingen van Farao tot hem: `Hoe lang moet die man nu nog een struikelblok voor ons zijn? Laat die mensen toch gaan om Jahwe hun God te vereren. Of wilt u Egypte helemaal ten onder zien gaan?'
Ex. 10,8 Hierop werden Mozes en Ašron opnieuw bij Farao ontboden en deze sprak tot hen: `U kunt vertrekken en Jahwe uw God gaan vereren. Maar wie gaan er mee?'
Ex. 10,9 Mozes antwoordde: `Wij gaan met onze kinderen en grijs aards, met onze zonen en dochters, met ons kleinvee en onze runderen. Want wij vieren een pelgrimsfeest ter ere van Jahwe.'
Ex. 10,10 Maar Farao antwoordde: `Moge Jahwe dan evenzeer met u zijn als ik bereid ben u met uw kinderen te laten vertrekken! Wees gewaarschuwd, u gaat uw ondergang tegemoet.
Ex. 10,11 Er komt niets van in! Alleen de mannen mogen Jahwe gaan vereren. Daar is het u toch om begonnen.' Daarop werden ze uit Farao's tegenwoordigheid verwijderd.
Ex. 10,12 En Jahwe sprak tot Mozes: `Strek uw hand uit over Egypte, dan zullen de sprinkhanen er op neerstrijken. Alle veldgewassen, alles wat de hagel heeft overgelaten, zullen zij verslinden.'
Ex. 10,13 Mozes strekte zijn staf uit over Egypte en Jahwe liet een oostenwind over het land waaien, heel die dag en heel die nacht. Toen de morgen aanbrak had de oostenwind sprinkhanen aangevoerd.
Ex. 10,14 Overal in Egypte streken zij neer. Zoveel sprinkhanen waren er nooit geweest en zullen er nooit meer komen.
Ex. 10,15 Ze bedekten heel de oppervlakte, zodat het land er zwart van zag. Ze vraten alle veldgewassen op en alle boomvruchten die de hagel had overgelaten. Aan bomen of veldgewas bleef in heel Egypte geen groen meer over.
Ex. 10,16 Haastig liet Farao Mozes en Ašron ontbieden en sprak: `Ik heb gezondigd tegen Jahwe uw God en tegen u.
Ex. 10,17 Ik smeek u, vergeef mij ook deze keer mijn zonde; bid voor mij tot Jahwe uw God, dat Hij deze vreselijke plaag van mij wegneemt.'
Ex. 10,18 Mozes ging van Farao weg en bad smekend tot Jahwe.
Ex. 10,19 Toen liet Jahwe een krachtige zeewind waaien; deze voerde de sprinkhanen mee en dreef ze de Rietzee in. In heel het grondgebied van Egypte bleef niet een sprinkhaan over.
Ex. 10,20 Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig: Hij liet de IsraŽlieten niet gaan.
Ex. 10,21 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Hef uw hand naar de hemel, dan zal over heel Egypte duisternis komen, zo dicht dat men ze kan tasten.'
Ex. 10,22 Mozes hief zijn hand naar de hemel en een zware duister nis viel over Egypte, drie dagen lang.
Ex. 10,23 De mensen konden elkaar niet zien en drie dagen lang kon niemand een voet verzetten. Maar waar de IsraŽlieten woonden bleef het licht.
Ex. 10,24 Farao ontbood Mozes en Ašron en sprak: `Trek weg om Jahwe te gaan vereren. Alleen uw kleinvee en uw runderen moet u hier laten; de kinderen moogt ge meenemen.'
Ex. 10,25 Maar toen zei Mozes: `Wilt u ons dan zelf brand - en slachtoffers ter beschikking stellen die wij aan Jahwe, onze God, kunnen opdragen?
Ex. 10,26 Ook ons vee moet mee: geen hoef mag hier blijven. Wat wij Jahwe, onze God gaan aanbieden, moet uit ons eigen bezit komen. En voor wij ter plaatse zijn weten wij nog niet wat wij Jahwe moeten aanbieden.'
Ex. 10,27 Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig: hij wilde hen niet laten gaan.
Ex. 10,28 En Farao zei tegen Mozes: `Verdwijn, en zorg dat u nooit meer onder mijn ogen komt. Als u nog een keer onder mijn ogen komt, betekent dat uw dood.'
Ex. 10,29 Mozes antwoordde: `Met eigen mond hebt u het gezegd! Ik zal nooit meer onder uw ogen komen.'
 
Ex. 11,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Nog een plaag zal Ik over Farao en Egypte laten komen. Daarna zal hij u laten vertrekken. Als hij u tenslotte laat gaan zal hij u zelfs met geweld van hier wegjagen.
Ex. 11,2 Dring er bij het volk op aan dat iedere man van zijn buurman en iedere vrouw van haar buurvrouw gouden en zilveren sieraden vraagt.'
Ex. 11,3 Want Jahwe had de Egyptenaren gunstig gestemd tegenover het volk. Ook Mozes zelf stond in Egypte hoog in aanzien bij de hovelingen van Farao en bij zijn onderdanen.
Ex. 11,4 En Mozes zei: `Zo spreekt Jahwe: Tegen middernacht zal Ik rondgaan door Egypte.
Ex. 11,5 Iedere eerstgeborene in Egypte zal sterven, van de eerstgeborene van Farao, die hem op de troon zal opvolgen, tot de eerstgeborene van de slavin die de handmolen draait; ook al de eerstgeborenen van het vee.
Ex. 11,6 Dan zal er in heel Egypte luid gejammer opgaan, zo luid als er nog nooit is geweest en nooit meer zal zijn.
Ex. 11,7 Maar bij de IsraŽlieten zal zelfs geen hond zijn tong durven roeren tegen mens of dier. Zo zult gij weten dat Jahwe onderscheid maakt tussen Egypte en IsraŽl.
Ex. 11,8 Dan zullen al uw hovelingen naar mij toekomen, zich voor mij neerbuigen en vragen: Vertrek toch, u en het volk dat u achterna loopt. En nu ga ik!' Ziedend van woede ging hij bij Farao weg.
Ex. 11,9 Maar Jahwe sprak tot Mozes: `Farao zal niet naar u luisteren. Zo zullen mijn wonderen in Egypte nog talrijker worden.'
Ex. 11,10 Mozes en Ašron verrichten al deze wonderen voor Farao, maar Jahwe maakte Farao halsstarrig; Hij liet de IsraŽlieten niet uit zijn land vertrekken.
 
Ex. 12,1 Jahwe richtte het woord tot Mozes en Ašron in Egypte, en sprak:
Ex. 12,2 `Deze maand moet gij beschouwen als de beginmaand, als de eerste maand van het jaar.
Ex. 12,3 Maak aan heel de gemeenschap van IsraŽl het volgende bekend. Op de tiende van deze maand moet ieder gezin een lam uitkiezen, ieder huis een lam.
Ex. 12,4 Als een gezin te klein is voor een lam, dan moeten ze, rekening houdend met het aantal personen, samen doen met hun naaste buurman. Bij het verdelen van het lam moet er rekening gehouden worden met ieders eetlust.
Ex. 12,5 Het lam moet gaaf zijn, van het mannelijk geslacht en eenjarig. Ge kunt er een schaap of een geit voor nemen.
Ex. 12,6 Ge moet de dieren vasthouden tot aan de veertiende van de maand. Dan moet heel de verzamelde gemeenschap van IsraŽl ze slachten in de avondschemering.
Ex. 12,7 Vervolgens moet gij wat bloed nemen en dat uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten wordt.
Ex. 12,8 In dezelfde nacht moet het vlees gegeten worden, op het vuur gebraden. Het moet gegeten worden met ongezuurd brood en bittere kruiden.
Ex. 12,9 Ge moogt het niet rauw eten of gekookt in water, maar alleen gebraden op het vuur, met kop, poten en ingewanden.
Ex. 12,10 Zorg dat er niets van over is, als de zon opgaat. Wat bij zonsopgang nog over zou zijn moet ge verbranden.
Ex. 12,11 En dit is de wijze waarop gij het lam moet eten: uw lendenen omgord, uw voeten geschoeid, en uw stok in de hand. Haastig moet ge het eten, want het is pasen voor Jahwe.
Ex. 12,12 Deze nacht zal Ik door Egypte gaan en alle eerstgeborenen van Egypte, zowel mensen als dieren, zal Ik slaan. Aan alle goden van Egypte zal Ik het vonnis voltrekken.
Ex. 12,13 Maar het bloed aan de huizen zal een teken zijn dat gij daar woont. Als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal Ik u voorbij gaan. Geen vernietigende plaag zal u treffen als Ik Egypte sla.
Ex. 12,14 Deze dag moet gij tot een gedenkdag maken, ge moet hem vieren als een feest ter ere van Jahwe. Van geslacht tot geslacht moet ge hem als een eeuwige instelling vieren.
Ex. 12,15 Gedurende zeven dagen moet ge ongezuurd brood eten. Op de eerste dag moet ge het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want als iemand een van die zeven dagen iets eet dat gezuurd is, dan zal die mens van IsraŽl worden afgesneden.
Ex. 12,16 De eerste en de zevende dag moet ge tot een heilige dag uitroepen. Op deze dagen moogt ge niet werken, behalve dan dat ieder de spijzen die hij nodig heeft mag toebereiden.
Ex. 12,17 Houd het feest der ongezuurde broden in ere, want dit is de dag waarop Ik uw legerscharen heb weggevoerd uit Egypte. Als een eeuwige instelling moet ge deze dag van geslacht tot geslacht in ere houden.
Ex. 12,18 In de eerste maand moet gij, vanaf de avond van de veertiende dag van de maand tot de avond van de eenentwintigste dag, ongezuurd brood eten.
Ex. 12,19 Gedurende zeven dagen mag in uw huizen geen zuurdeeg gevonden worden, want als iemand gezuurd brood eet zal hij van de gemeenschap van IsraŽl worden afgesneden, of hij nu een vreemdeling of een ingezetene is.
Ex. 12,20 Niets wat gezuurd is moogt ge eten; waar ge ook ver blijft, gij moet ongezuurd brood eten.
Ex. 12,21 Toen riep Mozes al de oudsten van IsraŽl bijeen en sprak tot hen: `Ga voor uw families de dieren halen en slacht het paaslam.
Ex. 12,22 U moet ook een bundel hysop nemen en deze dopen in het bloed dat ge in een schaal hebt opgevangen. Dan moet u het bloed uit de schaal uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur. Tot aan de morgen mag niemand buiten de deur van zijn huis komen,
Ex. 12,23 want als Jahwe rondgaat om Egypte te slaan en het bloed ziet aan de beide posten van de deur, dan zal Jahwe uw deur voorbijgaan en Hij zal de verderver niet toestaan naderbij te komen om uw huis te slaan.
Ex. 12,24 U moet dit voorschrift blijven onderhouden als een eeuwige wet voor uzelf en voor uw kinderen.
Ex. 12,25 Ook als u aangekomen is in het land dat Jahwe u, naar zijn woord, gaat schenken, moet u deze plechtigheid blijven vieren.
Ex. 12,26 En als uw kinderen u de vraag stellen: Wat betekent deze plechtigheid?
Ex. 12,27 dan moet u hun antwoorden: Dit is een paasoffer voor Jahwe, omdat Hij in Egypte de huizen van de IsraŽlieten voorbij is gegaan; terwijl Hij de Egyptenaren sloeg, heeft Hij onze huizen gespaard.' Toen knielde het volk neer en boog zich ter aarde.
Ex. 12,28 De IsraŽlieten gingen uiteen en deden alles wat Jahwe aan Mozes en Ašron had voorgeschreven.
Ex. 12,29 En het was midden in de nacht toen Jahwe al de eerstgeborenen van Egypte sloeg, vanaf de eerstgeborene van Farao die hem op de troon zou opvolgen, tot aan de eerstgeborene in de gevangenis; en ook al de eerstgeborenen van het vee.
Ex. 12,30 Die nacht kwamen Farao en al zijn hovelingen en alle Egyptenaren overeind, en een luid geschreeuw klonk over Egypte, want er was geen huis zonder dode.
Ex. 12,31 Die nacht nog liet hij Mozes en Ašron ontbieden en sprak: `Maak dat u bij mijn volk wegkomt, u en de IsraŽlieten. Ga Jahwe vereren zoals u gevraagd hebt.
Ex. 12,32 Neem ook al uw kleinvee en runderen mee, zoals u gevraagd hebt. Ga weg en smeek ook voor mij zijn zegen af.'
Ex. 12,33 De Egyptenaren drongen er bij het volk op aan zo spoedig mogelijk te vertrekken. `Anders sterven we allemaal,' zeiden ze.
Ex. 12,34 Het volk nam het deeg mee nog voor het gezuurd was; ze wikkelden de troggen in hun mantels en namen ze op hun schouders.
Ex. 12,35 De IsraŽlieten deden wat Mozes hun gezegd had en vroegen van de Egyptenaren gouden en zilveren sieraden en kleding.
Ex. 12,36 Jahwe stemde de Egyptenaren gunstig ten opzichte van het volk zodat zij deze dingen afstonden. Zo beroofden de IsraŽlieten Egypte.
Ex. 12,37 De IsraŽlieten vertrokken vanuit Ramses in de richting Sukkot, en het aantal mannen die zelf liepen - de kinderen dus niet meegerekend - bedroeg ongeveer zeshonderdduizend.
Ex. 12,38 Ook vele anderen trokken met hen mee en dan nog grote kudden kleinvee en runderen.
Ex. 12,39 Zij bakten ongezuurde koeken van het deeg dat ze meegenomen hadden uit Egypte; dit was nog niet gezuurd. Zij waren immers uit Egypte weggejaagd zonder dat hun respijt werd gelaten en zelfs zonder dat ze voor proviand hadden kunnen zorgen.
Ex. 12,40 Het verblijf van de IsraŽlieten in Egypte had vierhonderddertig jaar geduurd.
Ex. 12,41 Juist op de dag dat deze vierhonderddertig jaar verstreken waren trokken al de legerscharen van Jahwe weg uit Egypte.
Ex. 12,42 Jahwe waakte die nacht om hen uit Egypte weg te voeren. Daarom waken alle IsraŽlieten deze nacht voor Jahwe, al hun geslachten door.
Ex. 12,43 Jahwe sprak tot Mozes en Aaron: `Voor het paasmaal gelden de volgende regels. Geen buitenlander mag er aan deelnemen.
Ex. 12,44 Maar een slaaf die gij gekocht en besneden hebt, mag wel van het paasmaal eten.
Ex. 12,45 Vreemdelingen en dagloners mogen echter niet deelnemen.
Ex. 12,46 Het moet in een en hetzelfde huis gegeten worden, niets van het vlees moogt ge buitenshuis brengen en geen been van het lam moogt ge breken.
Ex. 12,47 Heel de gemeenschap van IsraŽl moet het vieren.
Ex. 12,48 Wil een vreemdeling die bij u woont voor Jahwe het paasmaal vieren, dan moet hij eerst alle mannelijke leden van zijn gezin laten besnijden. Dan mag hij het gaan vieren, omdat hij geldt als een geboren IsraŽliet. Maar geen onbesnedene mag er van meeŽten.
Ex. 12,49 Voor de geboren IsraŽlieten en voor de vreemdelingen die bij u verblijven, gelden dezelfde voorschriften.'
Ex. 12,50 De IsraŽlieten voerden alles uit wat Jahwe aan Mozes en Ašron had voorgeschreven.
Ex. 12,51 En diezelfde dag nog leidde Jahwe de IsraŽlieten, in groepen geordend, weg uit Egypte.
 
Ex. 13,1 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron aldus:
Ex. 13,2 `Wijd Mij alle eerstgeborenen toe; alles wat bij de IsraŽlieten de moederschoot opent, mens of dier, behoort Mij toe.'
Ex. 13,3 Mozes sprak tot het volk: `Blijf deze dag gedenken, de dag waarop u weggetrokken bent uit Egypte, het slavenhuis. Want met krachtige hand heeft Jahwe u weggeleid. Gezuurd brood mag niet gegeten worden.
Ex. 13,4 Vandaag, op deze dag van de maand Abib, trekt u weg.
Ex. 13,5 Als Jahwe u dan weggebracht heeft naar het land van de Kanašnieten, Hethieten, Amorieten, Chiwwieten en Jebusieten, een land van melk en honing, het land dat Hij u geven zal zoals Hij aan uw vaderen onder ede beloofd heeft, dan moet u steeds in deze maand deze plechtigheid blijven vieren.
Ex. 13,6 Zeven dagen lang moet u ongezuurd brood eten, en op de zevende dag is het feest voor Jahwe.
Ex. 13,7 Ongezuurd brood moet men eten, zeven dagen lang; iets wat gezuurd is mag bij u niet gevonden worden.
Ex. 13,8 Op die dag moet u aan uw zoon deze uitleg geven: Dit staat in verband met wat Jahwe voor mij gedaan heeft toen ik wegtrok uit Egypte.
Ex. 13,9 Het moet voor u een merk op de hand zijn en een gedachtenisteken tussen uw ogen, zodat Jahwe's wet altijd op uw lippen is. Want met sterke hand heeft Hij u weggeleid uit Egypte.
Ex. 13,10 U moet dit voorschrift ieder jaar op de vastgestelde tijd onderhouden.
Ex. 13,11 Als Jahwe u geleid heeft naar het land van de Kanašnieten, dat Hij u en uw vaderen onder ede beloofd heeft, en u dat land in bezit heeft gegeven,
Ex. 13,12 dan moet u alles wat de moederschoot opent afstaan aan Jahwe. Elke mannelijke eerstgeborene van het vee behoort toe aan Jahwe.
Ex. 13,13 Elk eerstgeboren jong van een ezel moet u loskopen met een lam. Wilt u het niet loskopen dan moet u het de nek breken. Iedere mannelijke eerstgeborene van uw kinderen moet u vrijkopen.
Ex. 13,14 Als uw zoon u later vraagt wat dit betekent, dan moet u hem antwoorden: Met krachtige hand heeft Jahwe ons weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.
Ex. 13,15 Toen Farao hardnekkig weigerde ons te laten gaan, heeft Jahwe alle eerstgeborenen van Egypte gedood, zowel de eerstgeborenen van de mensen als die van het vee. Daarom offer ik al het mannelijke dat de moederschoot opent aan Jahwe en koop ik elke eerstgeboren zoon vrij.
Ex. 13,16 Dit moet voor u een merk op de hand zijn en een gedachtenisteken tussen uw ogen; want met krachtige hand heeft Jahwe ons weggeleid uit Egypte.'
Ex. 13,17 Toen Farao het volk had laten vertrekken liet God hen niet door het gebied van de Filistijnen gaan, hoewel deze weg korter is. Want als het volk aangevallen zou worden, dacht God, zou het spijt kunnen krijgen en terugkeren naar Egypte.
Ex. 13,18 God liet het volk dus de omweg door de Rietzeewoestijn maken. Geheel tot de strijd uitgerust trokken de IsraŽlieten weg uit Egypte.
Ex. 13,19 Mozes nam het gebeente van Jozef mee. Deze had de IsraŽlieten immers plechtig laten beloven dat te doen, toen hij zei: `Jahwe zal zeker eens genadig op u neerzien; neem dan mijn gebeente met u mee.'
Ex. 13,20 De IsraŽlieten vertrokken van Sukkot en sloegen hun kamp op te Etam, aan de rand van de woestijn.
Ex. 13,21 Jahwe ging voor hen uit; overdag in een wolkkolom,'s nachts in een vuurzuil om hun licht te zijn. Zo konden zij dag en nacht doortrekken.
Ex. 13,22 Nooit week de wolkkolom overdag en de vuurzuil's nachts van de spits van het volk.
 
Ex. 14,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Ex. 14,2 `Zeg aan de IsraŽlieten dat zij moeten omkeren en hun kamp opslaan voor Pi-hachirot, tussen Migdol en de zee. Voor Bašl-sefon moet gij aan de zee uw kamp opslaan.
Ex. 14,3 Dan zal Farao denken: De IsraŽlieten zijn de weg kwijtgeraakt en nu zijn ze door de woestijn ingesloten.
Ex. 14,4 En Ik zal Farao weer halsstarrig maken zodat hij hen gaat achtervolgen. Ik zal Mij verheerlijken ten koste van Farao en heel zijn legermacht. Dan zullen de Egyptenaren weten dat Ik Jahwe ben.' De IsraŽlieten deden naar dit bevel.
Ex. 14,5 toen aan de koning van Egypte gemeld werd dat het volk gevlucht was, veranderden Farao en zijn hovelingen van gedachten en ze riepen uit: `Hoe konden we de IsraŽlieten toch uit onze dienst laten vertrekken?'
Ex. 14,6 Hij liet dus zijn strijdwagen aanspannen en nam zijn manschappen met zich mee:
Ex. 14,7 zeshonderd van de beste wagens en alle voertuigen van Egypte, alle met drie man bezet.
Ex. 14,8 Want Jahwe had Farao, de koning van Egypte, weer halsstarrig gemaakt, zodat hij de IsraŽlieten ging achtervolgen die onder Jahwe's machtige bescherming vertrokken waren.
Ex. 14,9 Met alle paarden en wagens van Farao, met zijn wagenmenners en zijn legermacht, zetten de Egyptenaren de achtervolging in. Zij haalden de IsraŽlieten in terwijl zij gelegerd waren aan zee, bij Pi-hachirot, voor Bašl-sefon.
Ex. 14,10 Toen Farao naderde, zagen de IsraŽlieten ineens dat de Egyptenaren hen achterna gekomen waren. Hevige angst maakte zich van hen meester en zij riepen luid tot Jahwe.
Ex. 14,11 Maar tegen Mozes zeiden ze: `Waren er in Egypte geen graven dat je ons naar de woestijn gebracht hebt om te sterven? Hoe heb je het toch in je hoofd gehaald om ons weg te voeren uit Egypte?
Ex. 14,12 Hebben wij je in Egypte al niet gewaarschuwd: Bemoei je niet met ons, laat ons maar in dienst blijven van de Egyptenaren? Het is beter hen te dienen dan te sterven in de woestijn.'
Ex. 14,13 Mozes gaf het volk ten antwoord: `Vrees niet en blijf volhouden: dan zult u zien hoe Jahwe u vandaag nog zal redden. Want vandaag ziet u de Egyptenaren nog; daarna zult u ze niet meer zien, nooit meer!
Ex. 14,14 Jahwe zal voor u strijden; zelf hoeft u geen vinger uit te steken.'
Ex. 14,15 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Wat roept ge Mij toch. Beveel de IsraŽlieten verder te trekken.
Ex. 14,16 Gij zelf moet uw hand opheffen, uw staf uitstrekken over de zee en ze in tweeŽn splijten. Dan kunnen de IsraŽlieten over de droge bodem door de zee trekken.
Ex. 14,17 Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken, zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik Mij verheerlijken ten koste van Farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners.
Ex. 14,18 De Egyptenaren zullen weten dat Ik Jahwe ben, als Ik Mij verheerlijk ten koste van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners.'
Ex. 14,19 De engel van God die aan de spits van het leger der IsraŽlieten ging, veranderde van plaats en stelde zich achter hen op. De wolkkolom ging weg van de spits en stelde zich achter hen op.
Ex. 14,20 Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de IsraŽlieten. De wolk bleef die nacht donker zodat het heel die nacht niet tot een treffen kwam.
Ex. 14,21 Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en Jahwe deed die hele nacht door een sterke oostenwind de zee terugwijken. Hij maakte van de zee droog land en de wateren spleten vaneen.
Ex. 14,22 Zo trokken de IsraŽlieten over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts een wand vormden.
Ex. 14,23 De Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners gingen achter de IsraŽlieten aan de zee in.
Ex. 14,24 Tegen de morgenwake richtte Jahwe vanuit de wolkkolom en de vuurzuil zijn blikken op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring.
Ex. 14,25 Hij liet de wielen van de wagens scheeflopen zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen. De Egyptenaren riepen uit: `Laten we vluchten voor de IsraŽlieten, want Jahwe strijdt voor hen tegen ons.'
Ex. 14,26 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Strek uw hand uit over de zee, dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun wagens en hun wagenmenners.'
Ex. 14,27 Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. Daar de Egyptenaren er tegen in vluchtten, dreef Jahwe hen midden in de zee.
Ex. 14,28 Het water vloeide terug en overspoelde wagens en wagen menners, heel de strijdmacht van Farao die de IsraŽlieten op de bodem van de zee achterna was gegaan. Niet een bleef gespaard.
Ex. 14,29 De IsraŽlieten daarentegen waren over de droge bodem door de zee heengetrokken, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden.
Ex. 14,30 Zo redde Jahwe op deze dag IsraŽl uit de greep van Egypte; IsraŽl zag de Egyptenaren dood op de kust liggen.
Ex. 14,31 Toen IsraŽl Jahwe's machtige optreden tegen Egypte gezien had, kreeg het volk ontzag voor Jahwe; zij stelden ver trouwen in Jahwe en in Mozes zijn dienaar.
 
Ex. 15,1 Toen hieven Mozes en de IsraŽlieten ter ere van Jahwe dit lied aan: Ik wil zingen voor Jahwe, want Hij is de hoogste: paard en berijder dreef Hij in zee.
Ex. 15,2 Jahwe is mijn sterkte en kracht; Hij heeft mij gered: Hij is mijn God en Hem wil ik loven; de God van mijn vader, Hem zal ik verheffen.
Ex. 15,3 Jahwe is een strijder, Jahwe is zijn naam.
Ex. 15,4 Farao's wagens, zijn machtige legers. Hij wierp ze in zee; de keur van zijn mannen, de Rietzee verzwolg ze.
Ex. 15,5 Zij zijn door de vloed overspoeld, als een steen naar de diepte gezakt.
Ex. 15,6 Uw hand, Jahwe, heeft zich machtig getoond; uw hand sloeg de vijand terneer.
Ex. 15,7 Die U weerstonden hebt Gij gebroken, groot in uw luister. Het vuur van uw toorn liet Gij gaan: het verslond hen als stro.
Ex. 15,8 Uw neus heeft geblazen; de wateren stegen. de stromen bleven staan als een dam; de golven verstijfden, midden in zee.
Ex. 15,9 `Ik ga ze achterna,' zei de vijand, `ik haal ze wel in; de buit zal ik delen, ik zal er in zwelgen; mijn zwaard zal ik trekken, mijn hand roeit hen uit.'
Ex. 15,10 Maar Gij hebt geblazen, de zee heeft hen bedolven; zij zonken als lood in de machtige vloed.
Ex. 15,11 Wie is van de goden als gij, o Jahwe? Wie is er als Gij, schrikwekkend en heilig. om roemvolle daden geducht, om wonder na wonder?
Ex. 15,12 Uw hand heft gij op, de aarde verslindt hen.
Ex. 15,13 Uw genade wees de weg aan het volk, door U verlost; uw kracht heeft het geleid, naar uw heilige plaats.
Ex. 15,14 De volken vernamen het, zij beefden van angst; Filistea's bewoners, zij sidderden.
Ex. 15,15 De vorsten van Edom, zij waren ontsteld; de heersers van Moab, door huiver Bevangen. Kanašn wankelde, al zijn bewoners.
Ex. 15,16 Ontzetting en schrik kwam over hen neer; zij werden als steen door de macht van uw arm. tot voorbij was uw volk, o Jahwe, tot voorbij was het volk dat Gij hebt gemaakt.
Ex. 15,17 Gij hebt hen gebracht; Gij hebt hen geplant op de berg die uw domein is, waar Gij, o Jahwe, uw verblijf hebt gevestigd, het heiligdom, Heer, dat uw hand heeft gemaakt.
Ex. 15,18 Jahwe is koning, voor altijd en eeuwig!
Ex. 15,19 Toen de paarden van Farao, met de wagens en de wagenmenners, in de zee gekomen waren, liet Jahwe de wateren van de zee over hen terugvloeien. Maar de IsraŽlieten waren over de droge bedding gegaan, midden in de zee.
Ex. 15,20 En Mirjam, de profetes, een zuster van Aaron, pakte haar tamboerijn, en alle vrouwen volgden haar, dansend en spelend op de tamboerijn.
Ex. 15,21 Mirjam zong het refrein: Zing voor Jahwe, want Hij is de hoogste; paard en berijder dreef Hij in zee.
Ex. 15,22 Toen liet Mozes de IsraŽlieten van de Rietzee verder trekken naar de woestijn van Sur. Drie dagen trokken zij door de woestijn, zonder water te vinden.
Ex. 15,23 Zij kwamen in Mara, maar het water van Mara was niet te drinken omdat het bitter was. Daarom heet die plaats dan ook Mara.
Ex. 15,24 Het volk begon te morren tegen Mozes en vroeg: 'Wat moeten we drinken?'
Ex. 15,25 Mozes smeekte Jahwe om hulp, en Jahwe wees hem een stuk hout aan. Hij wierp dat in het water, en het water werd zoet. Daar gaf hij hun regels en recht, en leerde hun daarmee te leven.
Ex. 15,26 Hij hield hun voor: 'Als gij oprecht gehoorzaamt aan het woord van Jahwe, uw God, en als gij doet wat in zijn ogen goed is, als gij zijn voorschriften opvolgt en zijn verordeningen onderhoudt: dan zal geen van de ziekten die Ik over Egypte deed komen, u treffen. Ik ben Jahwe, uw geneesheer.'
Ex. 15,27 Zij kwamen vervolgens te Elim, een plaats met twaalf bronnen en zeventig palmen, en legerden zich daar bij water.
 
Ex. 16,1 Van Elim trok heel de gemeenschap van de IsraŽlieten verder en bereikte de woestijn van Sin, tussen Elim en de SinaÔ. Het was de vijftiende dag van de tweede maand na hun vertrek uit Egypte.
Ex. 16,2 Toen ze in de woestijn waren, begon heel de gemeenschap van de IsraŽlieten te morren tegen Mozes en Aaron.
Ex. 16,3 De IsraŽlieten zeiden tegen hen: `Waren we maar door Jahwe's hand gestorven in Egypte, waar we bij de vleespotten zaten en volop brood konden eten. Jullie hebben ons alleen maar naar de woestijn gebracht om al deze mensen van honger te laten omkomen.'
Ex. 16,4 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ik zal brood voor u laten regenen uit de hemel. De mensen moeten er dagelijks op uit gaan en de hoeveelheid voor een dag verzamelen. Dan kan Ik vaststellen of het mijn leiding wil volgen of niet.
Ex. 16,5 Maar op de zesde dag moeten ze eens zo veel verzamelen en toebereiden als op andere dagen.'
Ex. 16,6 Mozes en Ašron zeiden toen tot de IsraŽlieten: `Vanavond nog zult u weten dat het inderdaad Jahwe was die u heeft weggevoerd uit Egypte.
Ex. 16,7 en morgenochtend zult u de heerlijkheid van Jahwe aan schouwen. Want Jahwe heeft het gemor tegen hem gehoord. Wie zijn wij, dat u zo mort tegen ons?'
Ex. 16,8 Mozes zei verder: `Vanavond zal Jahwe zelf u vlees te eten geven en morgenochtend volop brood. Want Jahwe heeft uw gemor tegen hem gehoord. Wie zijn wij tenslotte? Niet tegen ons, maar tegen Jahwe ging uw gemor.'
Ex. 16,9 En Mozes sprak tot Aaron: `Zeg aan heel de gemeenschap der IsraŽlieten het volgende: Nader tot Jahwe, want hij heeft uw gemor gehoord.'
Ex. 16,10 Terwijl Ašron sprak, keerde heel de gemeenschap der IsraŽlieten zich maar de woestijn. En daar verscheen hun in een wolk de heerlijkheid van Jahwe.
Ex. 16,11 Jahwe sprak tot Mozes:
Ex. 16,12 `Ik heb het gemor van de IsraŽlieten gehoord. Dit moet ge hun zeggen: Tegen de avond kunt ge vlees eten en morgenochtend zult ge volop brood hebben. Dan zult ge weten dat Ik Jahwe, uw God, ben.'
Ex. 16,13 En het was avond, toen de kwartels kwamen aangevlogen die neervielen over heel het kamp. De volgende morgen hing er dauw rondom het kamp.
Ex. 16,14 En toen deze was opgetrokken lag er over de woestijn een fijne korrelige laag, alsof de grond met rijp was bedekt.
Ex. 16,15 De IsraŽlieten zagen het en vroegen: `Wat is dat?' Ze wisten werkelijk niet wat het was. Mozes legde hun uit: `Dit is het brood dat Jahwe u te eten geeft.
Ex. 16,16 En aldus heeft Jahwe bepaald: Ieder mag er zoveel van nemen als hij voor zijn familie nodig heeft: een omer per persoon. Maar ieder mag alleen maar nemen voor degenen die in zijn tent verblijven.'
Ex. 16,17 De IsraŽlieten deden dat ook: de een verzamelde meer, de ander minder.
Ex. 16,18 Als ze het met de omer namaten bleek een grote hoeveelheid nooit te groot en een kleine hoeveelheid nooit te klein, en had de man die veel had nooit te veel en de man die weinig had nooit te weinig. Iedereen had juist zoveel verzameld als hij nodig had.
Ex. 16,19 Mozes vermaande hen: `Er mag niets bewaard worden voor de volgende dag.'
Ex. 16,20 Maar sommigen stoorden zich niet aan Mozes' bevel en bewaarden toch iets tot de volgende dag; toen zat het vol wormen en het stonk afschuwelijk. Mozes was woedend op hen.
Ex. 16,21 Iedere morgen opnieuw verzamelden zij het, ieder zoveel als hij nodig had. Zodra de zon warm begon te worden smolt het weg.
Ex. 16,22 Op de zesde dag vonden zij een dubbele hoeveelheid brood, twee omer per persoon. Alle leiders van de gemeenschap kwamen het Mozes zeggen.
Ex. 16,23 Deze legde hun uit: `Zo heeft Jahwe bepaald: Morgen is het sabbatdag, de sabbat die gewijd is aan Jahwe. Bat en kookt wat u nodig hebt. Wat overblijft moet u opzij leggen en bewaren voor morgen.'
Ex. 16,24 Zij legden dus een gedeelte opzij voor de volgende morgen, zoals Mozes bevolen had. Deze keer stonk het niet en er zagen geen wormen in.
Ex. 16,25 En Mozes zei: `Dit moet u vandaag gebruiken, want vandaag is het sabbat voor Jahwe. Vandaag zult u buiten niets vinden.
Ex. 16,26 Zes dagen kunt u verzamelen, maar op de zevende dag, op de sabbat, is er niets.'
Ex. 16,27 Sommige mensen gingen er de zevende dag toch op uit, maar zij vonden niets.
Ex. 16,28 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Hoe lang blijft gij nog weigeren mijn voorschriften en bepalingen te onderhouden?
Ex. 16,29 Denk er wel aan:: Jahwe heeft u de sabbat gegeven. Hij geeft u dan ook op de zesde dag brood voor twee dagen. Iedereen moet blijven waar hij is, niemand mag op de zevende dag zijn verblijfplaats verlaten.'
Ex. 16,30 Zo hield het volk op de zevende dag rust.
Ex. 16,31 IsraŽl noemde het brood manna. Het was wit als korianderzaad en smaakte naar honingkoek.
Ex. 16,32 Mozes sprak nog: `Dit heeft Jahwe bevolen: Bewaar een volle omer voor uw nageslacht. Dan kunnen zij zien welk brood Ik u te eten gegeven heb in de woestijn, toen Ik u wegvoerde uit Egypte.'
Ex. 16,33 Mozes gaf Ašron de opdracht: `Neem een urn, doe er een volle omer manna in en zet die voor Jahwe, om ze voor het nageslacht te bewaren.'
Ex. 16,34 Ašron deed wat Jahwe aan Mozes bevolen had en plaatste de urn ter bewaring bij de verbondsakte.
Ex. 16,35 Veertig jaar lang aten de IsraŽlieten het manna, tot ze in bewoonde streken kwamen. Zij aten het manna tot ze de grenzen van Kanašn bereikt hadden.
Ex. 16,36 Een omer is het tiende deel van een efa.
 
 
Ex. 17,1 Heel de gemeenschap van de IsraŽlieten vertrok uit de woestijn van Sin, om naar Jahwe's aanwijzingen van kamp tot kamp verder te gaan. Toen ze hun kamp opsloegen in Refidim had het volk geen water te drinken.
Ex. 17,2 Ze begonnen Mozes verwijten te doen en zeiden: `Geef ons water te drinken.' Mozes antwoordde: `Waarom doet u mij verwijten en waarom daagt u Jahwe uit?'
Ex. 17,3 Maar de mensen leden daar hevige dorst; zij bleven tegen Mozes morren en zeiden: `Waarom hebt u ons weggevoerd uit Egypte als we toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven?'
Ex. 17,4 Mozes klaagde zijn nood bij Jahwe: `Wat moet ik toch aan met dit volk? Ze staan op het punt mij te stenigen.'
Ex. 17,5 Jahwe gaf Mozes ten antwoord: `Ga met enkelen van IsraŽls oudsten voor het volk uit, neem in uw hand de staf waarmee ge de Nijl geslagen hebt en begeef u op weg.
Ex. 17,6 Ik zal ginds, voor uw ogen, op een rots staan, op de Horeb. Sla op die rots: er zal water uitstromen zodat de mensen kunnen drinken.' Mozes deed dat in het bijzijn van IsraŽls oudsten.
Ex. 17,7 Hij noemde de plaats Massa en Meriba vanwege de verwijten der IsraŽlieten en omdat zij Jahwe hadden uitgedaagd door zich af te vragen: `Is Jahwe nu bij ons of niet?'
Ex. 17,8 Amalek kwam aanzetten om IsraŽl in Refidim aan te vallen.
Ex. 17,9 Toen zei Mozes tegen Jozua: `Kies manschappen uit en trek morgen ten strijde tegen Amalek. Zelf ga ik met de staf van God in mijn hand op de top van de heuvel staan.'
Ex. 17,10 Jozua deed wat Mozes hem had opgedragen. Hij bond de strijd aan met Amalek, terwijl Mozes, Ašron en Chur de top van de heuvel bestegen.
Ex. 17,11 En zolang Mozes zijn armen opgeheven hield waren de IsraŽlieten aan de winnende hand. Maar liet hij zijn armen zakken dan won Amalek.
Ex. 17,12 Tenslotte werden Mozes' armen moe. Toen haalden ze een steen voor hem waar hij op ging zitten. Ašron en Chur ondersteun den zijn armen, elk aan een kant. Zo bleven zijn armen omhooggeheven, tot zonsondergang toe.
Ex. 17,13 En Jozua versloeg Amalek en zijn leger met het zwaard.
Ex. 17,14 Daarop gaf Jahwe aan Mozes de opdracht: `Stel dit ter gedachtenis op schrift en prent het Jozua in: Ik ga de herinnering aan Amalek van de aarde wegvagen.'
Ex. 17,15 Toen bouwde Mozes een altaar en noemde het Jahwe-banier.
Ex. 17,16 Hij zei: `De handen omhoog naar Jahwe's troon. Jahwe strijdt tegen Amalek, alle geslachten door.'
 
Ex. 18,1 Jetro, de priester van Midjan, de schoonvader van Mozes, hoorde alles wat God gedaan had voor Mozes en voor zijn volk IsraŽl: dat Jahwe IsraŽl uit Egypte had geleid.
Ex. 18,2 Toen ging Jetro, de schoonvader van Mozes, met diens vrouw Sippora - die Mozes later teruggestuurd had
Ex. 18,3 en haar beide zonen, op weg. De ene zoon heette Gersom. Want, zo had hij gedacht, `ik verblijf in een vreemd land.'
Ex. 18,4 De ander heette Eliezer: want `de God van mijn vader kwam mij te hulp en heeft mij gered van Farao's zwaard.'
Ex. 18,5 Jetro, de schoonvader van Mozes, ging dus met diens vrouw en zonen op weg naar Mozes, naar de woestijn waar deze toen gelegerd was, bij de berg van God.
Ex. 18,6 Hij liet weten: `Ik, uw schoonvader Jetro, ben naar u op weg. Uw vrouw en zonen zijn in mijn gezelschap.'
Ex. 18,7 Toen ging Mozes zijn schoonvader tegemoet, boog voor hem en kuste hem. Zij vroegen elkaar hoe ze het maakten en gingen toen de tent binnen.
Ex. 18,8 Mozes verhaalde zijn schoonvader uitvoerig wat Jahwe gedaan had met de farao van Egypte, ten gunste van IsraŽl. Ook vertelde hij van alle moeilijkheden waarop ze onderweg gestuit waren en hoe Jahwe hen daaruit had gered.
Ex. 18,9 Jetro was verheugd over de gunsten die Jahwe bij de bevrijding uit Egypte aan IsraŽl bewezen had.
Ex. 18,10 En Jetro sprak: `Gezegend zij Jahwe die u bevrijd heeft uit de macht van Egypte en uit de macht van Farao. Hij die het volk bevrijd heeft uit de onderdrukking van Egypte.
Ex. 18,11 Nu weet ik dat Jahwe groter is dan alle andere goden.'
Ex. 18,12 Jetro, de schoonvader van Mozes, bracht aan God brand en slachtoffers. En Ašron en al de oudsten van IsraŽl kwamen met de schoonvader van Mozes voor God de offermaaltijd houden.
Ex. 18,13 De volgende dag hield Mozes rechtszitting. Van's morgens tot's avonds stonden er mensen om hem heen.
Ex. 18,14 Toen zijn schoonvader zag hoeveel werk het volk hem bezorgde zei hij: `Is het nodig dat deze mensen je zo in beslag nemen? Waarom hou je alleen zitting terwijl de mensen zich van's morgens tot's avonds om je verdringen?'
Ex. 18,15 Mozes antwoordde zijn schoonvader: `De mensen komen naar mij toe om Gods uitspraak te vernemen.
Ex. 18,16 Als ze een geschil hebben komen ze bij mij, en ik moet uitspraak doen en hen op de hoogte stellen van Gods bepalingen en beslissingen.'
Ex. 18,17 Mozes' schoonvader zei toen tot hem: `Toch doe je zo niet verstandig.
Ex. 18,18 Het is te vermoeiend, zowel voor jezelf als voor de mensen die staan te wachten. Het is te zwaar voor je; dit kun je alleen niet aan.
Ex. 18,19 Luister naar me, ik zal je een goede raad geven en God zal je bijstaan. Jij moet het volk vertegenwoordigen bij God en Hem de zaken voorleggen.
Ex. 18,20 Je moet de mensen de bepalingen en wetten inprenten en hun leren welke weg zij moeten gaan en hoe zij moeten leven.
Ex. 18,21 Maar kies daarnaast uit het volk een aantal mannen die bekwaam zijn, godvrezend, betrouwbaar en onomkoopbaar. Stel hen aan tot leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig, en leiders over tien.
Ex. 18,22 Zij moeten zich steeds ter beschikking houden voor de rechtspraak. Iedere belangrijke zaak moeten ze aan jou voor leggen, in kleinere zaken kunnen ze zelf uitspraak doen. Het zal voor jou een verlichting betekenen als zij die last met je dragen.
Ex. 18,23 Als jij, met Gods instemming, zo te werk gaat, dan kun je het volhouden en gaan ook al die mensen tevreden naar huis.'
Ex. 18,24 Mozes ging op de raad van zijn schoonvader in en regelde alles zoals deze had voorgesteld.
Ex. 18,25 Hij koos uit heel IsraŽl bekwame mannen en stelde hen aan het hoofd van het volk: leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien.
Ex. 18,26 Zij hielden zich voor de rechtspraak van het volk steeds ter beschikking. De belangrijke zaken legden ze voor aan Mozes, in kleinere deden ze zelf uitspraak.
Ex. 18,27 Toen deed Mozes zijn schoonvader uitgeleide en deze keerde terug naar zijn land.
 
Ex. 19,1 Drie maanden na hun vertrek uit Egypte, op de dag af, bereikten de IsraŽlieten de SinaÔ-woestijn.
Ex. 19,2 Zij waren vertrokken uit Refidim en kwamen aan in de SinaÔ-woestijn waar zij dicht bij de berg hun kamp opsloegen.
Ex. 19,3 Mozes ging de berg op, naar God. Toen hij boven was sprak Jahwe hem daar aan en zei: `Dit moet gij zeggen tot het huis van Jakob en doen weten aan de zonen van IsraŽl.
Ex. 19,4 Met eigen ogen hebt gij gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte, hoe Ik u op arendsvleugelen gedragen en hier bij Mij gebracht heb.
Ex. 19,5 Als gij aan mijn woord gehoorzaamt en mijn verbond onder houdt, dan zult ge - hoewel de hele aarde Mij toebehoort - van alle volken op bijzondere wijze mijn eigendom zijn.
Ex. 19,6 Gij zult mijn priesterlijk koninkrijk en mijn heilig volk zijn. Deze woorden moet gij de IsraŽlieten overbrengen.'
Ex. 19,7 Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat Jahwe hem had opgedragen.
Ex. 19,8 Eenstemmig gaf het volk dit antwoord: `Alles wat Jahwe zegt zullen wij volbrengen.' Mozes bracht het antwoord van het volk weer over aan Jahwe.
Ex. 19,9 Jahwe sprak nu tot Mozes: `Ik kom tot u in een dichte wolk zodat het volk Mij met u hoort spreken en voor altijd vertrouwen in u zal krijgen.' Mozes bracht het antwoord van het volk over aan Jahwe.
Ex. 19,10 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Begeef u naar het volk en zorg er voor dat ze zich vandaag en morgen heiligen en hun kleren wassen.
Ex. 19,11 Zij moeten zich gereed maken voor overmorgen, want overmorgen zal Jahwe voor de ogen van heel het volk neerdalen op de SinaÔ.
Ex. 19,12 Baken voor de mensen een terrein af en zeg hun: Wacht u op de berg te komen of zelfs zijn voet maar te betreden; wie op de berg komt wordt ter dood gebracht.
Ex. 19,13 Zelfs met geen vinger mag zo iemand aangeraakt worden: hij moet gestenigd worden of doodgeschoten. Pas als de ramshoorn weerklinkt mogen zij de berg bestijgen.'
Ex. 19,14 Mozes kwam van de berg af en droeg er zorg voor dat de mensen zich heiligden en hun kleren wasten.
Ex. 19,15 Hij zei tegen het volk: `Maak u gereed voor overmorgen; niemand mag gemeenschap hebben met een vrouw.'
Ex. 19,16 Op de derde dag, vroeg in de morgen, begon het te donderen en te bliksemen. Boven de berg hing een dichte wolk, machtig bazuingeschal weerklonk, en alle mensen in het kamp beefden van angst.
Ex. 19,17 Toen voerde Mozes het volk uit het kamp naar buiten, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven zij staan.
Ex. 19,18 De SinaÔ was geheel in rook gehuld omdat Jahwe in vuur was nedergedaald. De rook steeg omhoog als de rook van een smeltoven.
Ex. 19,19 Heel het volk was met ontzetting geslagen. Bazuingeschal weerklonk, luider en luider. Mozes sprak, en de stem van God antwoordde hem.
Ex. 19,20 Want Jahwe was nedergedaald op de SinaÔ, op de top van de berg. En Jahwe riep Mozes naar de top van de berg en Mozes ging naar boven.
Ex. 19,21 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar beneden en waar schuw de mensen dat zij niet op mogen dringen om Jahwe te zien; want dan zouden er velen sterven.
Ex. 19,22 Ook de priesters, die anders naderen tot Jahwe, ook zij moeten op een afstand blijven; anders zal de toorn van Jahwe tegen hen losbarsten.'
Ex. 19,23 Mozes antwoordde Jahwe: `Het volk kan de SinaÔ niet bestijgen. Gij hebt ons zelf immers opdracht gegeven de berg af te zetten en tot heilig gebied te verklaren.'
Ex. 19,24 Jahwe sprak tot hem: `Ga naar beneden en kom dan weer boven met uw broer Aaron. Maar de priesters en het volk mogen niet naar boven, naar Jahwe, opdringen; anders zal de toorn van Jahwe tegen hen losbarsten.'
Ex. 19,25 Mozes daalde af naar het volk en sprak het toe.
 
Ex. 20,1 Toen sprak God al de woorden die hier volgen.
Ex. 20,2 `Ik ben Jahwe uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.
Ex. 20,3 Gij zult geen andere goden hebben, ten koste van Mij.
Ex. 20,4 Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde.
Ex. 20,5 Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen en hun geen goddelijke eer bewijzen; want Ik, Jahwe uw God, Ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse God die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen, tot het derde en vierde geslacht,
Ex. 20,6 maar voor hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden een God die goedheid bewijst tot aan het duizendste geslacht.
Ex. 20,7 Gij zult de naam van Jahwe uw God niet lichtvaardig gebruiken; want Jahwe laat degenen die zijn naam lichtvaardig gebruiken niet ongestraft.
Ex. 20,8 Denk aan de sabbat; die moet heilig voor u zijn.
Ex. 20,9 Zes dagen kunt gij werken en alle arbeid verrichten.
Ex. 20,10 Maar de zevende dag is de sabbat voor Jahwe uw God. Dan moogt gij geen enkele arbeid verrichten: gij zelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw dieren niet, zelfs niet de vreemdeling die bij u woont.
Ex. 20,11 In zes dagen immers heeft Jahwe de hemel, de aarde, de zee met al wat er in is, gemaakt. Maar de zevende dag heeft Hij gerust en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt.
Ex. 20,12 Eer uw vader en uw moeder. Dan zult gij lang leven op de grond die Jahwe uw God u schenkt.
Ex. 20,13 Gij zult niet doden.
Ex. 20,14 Gij zult geen echtbreuk plegen.
Ex. 20,15 Gij zult niet stelen.
Ex. 20,16 Gij zult tegen uw naaste niet leugenachtig getuigen.
Ex. 20,17 Gij zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste; gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste, niet op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, op niets wat hem toebehoort.
Ex. 20,18 Overweldigd door de donderslagen, de bliksemflitsen, het bazuingeschal en de rokende berg, beefde heel het volk van angst en bleef op een afstand staan.
Ex. 20,19 Ze vroegen aan Mozes: `Spreekt u toch met ons; wij zullen luisteren. Maar laat God niet tot ons spreken want dan sterven wij.'
Ex. 20,20 Mozes antwoordde: `Wees maar niet bang. Want God is gekomen om u op de proef te stellen: dat u zo'n ontzag voor Hem zoudt krijgen dat u niet meer zondigt.'
Ex. 20,21 Terwijl het volk op een afstand bleef staan, trad Mozes toe op de donkere wolk waarin God aanwezig was.
Ex. 20,22 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg de IsraŽlieten het volgende: Gij hebt gezien hoe Ik vanuit de hemel tot u gesproken heb.
Ex. 20,23 Gij moogt naast Mij geen goden van goud of zilver maken. Gij moogt die niet maken.
Ex. 20,24 Gij moet voor Mij een altaar maken van aarde. Daarop kunt gij de brand - en meeloffers, de schapen en runderen opdragen. Op elke heilige plaats waar Ik mijn naam zal openbaren, zal Ik met mijn zegen tot u komen.
Ex. 20,25 Als gij voor Mij een stenen altaar bouwt, maak het dan niet van behouwen steen. Door de stenen met een beitel te bewerken, ontwijdt gij ze.
Ex. 20,26 Mijn altaar mag geen altaar zijn dat ge langs treden beklimt; want dan zou uw schaamte zichtbaar worden.
 
Ex. 21,1 Hier volgen de rechtsregels die ge hun moet voorhouden.
Ex. 21,2 Wanneer ge een Hebreeuwse slaaf koopt, dan moet hij zes jaar dienen, maar in het zevende jaar mag hij zonder betalen als vrij man weggaan.
Ex. 21,3 Was hij alleen gekomen, dan moet hij ook alleen vertrek ken. Had hij een vrouw, dan mag zijn vrouw met hem meegaan.
Ex. 21,4 Heeft zijn meester hem een vrouw gegeven en heeft deze hem zonen of dochters geschonken, dan behoort de vrouw met haar kinderen toe aan de meester: de man moet dan alleen vertrekken.
Ex. 21,5 Als hij echter verzekert: `Ik ben gesteld op mijn mees ter, op mijn vrouw en kinderen, ik wil niet als vrij man weg gaan,'
Ex. 21,6 dan moet zijn meester hem naar de godheid brengen, hem tegen de deur of de deurpost zetten en met een priem zijn oor doorboren. Dan zal die man voor altijd zijn slaaf blijven.
Ex. 21,7 Wanneer iemand zijn dochter verkoopt als slavin, komt deze niet vrij zoals de mannelijke slaven.
Ex. 21,8 Bevalt zij niet aan haar meester die haar voor zich bestemd had, dan mag hij haar verkopen. Maar hij heeft niet het recht haar te verkopen aan buitenlanders, omdat hij haar niet meer wenst.
Ex. 21,9 Bestemt hij haar voor zijn zoon, dan moet hij haar de rechten van een dochter toekennen.
Ex. 21,10 Neemt hij er nog een vrouw bij, dan mag hij de eerste niet minder voedsel en kleding geven en ook de omgang met haar niet beperken.
Ex. 21,11 Doet hij haar in deze drie dingen tekort, dan mag zij weggaan zonder iets te vergoeden of te betalen.
Ex. 21,12 Wie iemand zo slaat dat hij sterft moet ter dood ge bracht worden.
Ex. 21,13 Maar deed hij het niet met opzet en was het God die zijn hand leidde, dan zal Ik u een plaats aanwijzen waarheen hij vluchten kan.
Ex. 21,14 Wie echter zijn naaste moedwillig aanvalt en hem ver moordt met voorbedachten rade, die moet gij zelfs van mijn altaar weghalen en ter dood brengen.
Ex. 21,15 Wie zijn vader of moeder slaat moet ter dood gebracht worden.
Ex. 21,16 Wie iemand ontvoert moet ter dood gebracht worden, zowel wanneer hij hem verkocht heeft als wanneer de ontvoerde nog in zijn bezit is.
Ex. 21,17 Wie zijn vader of moeder vervloekt moet ter dood ge bracht worden.
Ex. 21,18 Wanneer mannen met elkaar in twist raken en iemand slaat zijn tegenstander zo met een steen of met de vuist dat de man er niet aan sterft maar toch het bed moet houden, dan geldt het volgende.
Ex. 21,19 Komt die man weer op de been en kan hij met een stok buiten lopen, dan gaat degene die geslagen heeft vrijuit. Wel moet hij de gedwongen werkeloosheid vergoeden en zorgen dat de ander genezen kan.
Ex. 21,20 Wanneer iemand zijn slaaf of slavin zo met een stok slaat dat deze op slag sterft, dan moet hij gestraft worden.
Ex. 21,21 Blijft die persoon nog een of twee dagen in leven, dan behoeft er geen straf te volgen; hij is immers zijn eigendom.
Ex. 21,22 Wanneer mannen in een gevecht gewikkeld zijn en daarbij een zwangere vrouw raken zodat zij een miskraam krijgt, dan geldt het volgende. Blijft de vrouw in leven dan moet aan de schuldige een geldboete worden opgelegd, vastgesteld door haar echtgenoot; het gerecht moet toezien dat hij betaalt.
Ex. 21,23 Sterft zij echter, dan moet gij leven voor leven eisen.
Ex. 21,24 Een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet.
Ex. 21,25 Een brandplek voor een brandplek, een wond voor een wond, een striem voor een striem.
Ex. 21,26 Wanneer iemand zijn slaaf of slavin zo in het oog raakt dat deze er niet meer mee kan zien, dan moet hij hem of haar vrijlaten als schadeloosstelling voor dat oog.
Ex. 21,27 Als iemand zijn slaaf of slavin een tand uitslaat, dan moet hij hem of haar vrijlaten als schadeloosstelling voor die tand.
Ex. 21,28 Wanneer een stier een man of een vrouw zulke stoten toebrengt dat de dood volgt, dan moet die stier gestenigd worden en mag het vlees niet worden gegeten.
Ex. 21,29 Maar als de stier die een man of vrouw doodt tevoren reeds stotig was, terwijl de eigenaar dat wist en toch geen maatregelen nam, dan moet niet alleen de stier gestenigd maar ook de eigenaar ter dood gebracht worden.
Ex. 21,30 Wordt hem een afkoopsom opgelegd dan moet hij alles betalen wat van hem geŽist wordt: het is de losprijs voor zijn leven.
Ex. 21,31 Stoot de stier een jongen of een meisje, dan moet tegen de eigenaar volgens dezelfde regels worden opgetreden.
Ex. 21,32 Stoot de stier een slaaf of een slavin, dan moet de eigenaar aan de meester dertig zilveren sikkels betalen en moet de stier gestenigd worden.
Ex. 21,33 Iemand heeft een put opengelegd of een put gegraven en hij heeft verzuimd deze af te dekken. Valt er een stier of ezel in,
Ex. 21,34 dan moet de bezitter van de put de schade vergoeden en het geld aan de eigenaar van het dier uitkeren. Maar het dode dier is voor hem.
Ex. 21,35 Wanneer iemands stier die van een ander zo stoot dat deze er aan doodgaat, dan moeten ze de levende stier verkopen en de opbrengst delen. Ook de dode stier moeten ze verdelen.
Ex. 21,36 Maar als vaststaat dat de stier tevoren reeds stotig was terwijl de eigenaar geen maatregelen heeft getroffen, dan moet hij een andere stier als schadevergoeding geven. Het dode dier is dan echter voor hem.
Ex. 21,37 Wanneer iemand een stier of een schaap steelt en het dier dan slacht of verkoopt, dan moet hij voor een rund vijf runderen teruggeven en voor een schaap vier schapen.
 
Ex. 22,1 Als een dief bij inbraak betrapt en dan doodgeslagen wordt, dan is er geen bloedschuld.
Ex. 22,2 Maar gebeurt het wanneer de zon al opgegaan is, dan is er wel bloedschuld. Een dief moet alles teruggeven. Kan hij dat niet, dan moet hij zelf verkocht worden om het gestolene te vergoeden.
Ex. 22,3 Als het gestolene, rund, ezel of schaap, nog levend bij hem wordt gevonden, dan moet hij tweemaal het gestolene teruggeven.
Ex. 22,4 Als iemand zijn vee laat grazen op een stuk land of in een wijngaard en het zo laat lopen dat het ook op het land van iemand anders graast, dan moet hij de schade vergoeden met het beste van zijn eigen land en het beste van zijn eigen wijngaard.
Ex. 22,5 Als een vuur om zich heengrijpt, overspringt op doorn struiken en vervolgens een hoop garven, ongemaaid koren of een akker verbrandt, dan moet degene die het vuur heeft aangestoken de schade vergoeden.
Ex. 22,6 Iemand geeft bij een ander geld of sieraden in bewaring en het wordt uit het huis van die ander gestolen: wordt de dief gepakt, dan moet hij het dubbele teruggeven;
Ex. 22,7 wordt de dief niet gepakt, dan moet de heer des huizes voor God getuigen dat hij zijn hand niet heeft uitgestoken naar het eigendom van zijn naaste.
Ex. 22,8 Als iemand een rund, ezel of schaap, een kledingstuk of een gevonden voorwerp in zijn bezit heeft, en een ander betwist dat bezit en zegt: `Dat is van mij,' dan moet de zaak voor God gebracht worden. Wie door God in het ongelijk gesteld wordt moet aan de ander het dubbele teruggeven.
Ex. 22,9 Iemand geeft bij een ander een ezel, rund of schaap of enig ander dier in bewaring en het dier gaat dood, het breekt iets of wordt geroofd zonder dat iemand het ziet.
Ex. 22,10 Dan moet een eed voor Jahwe de beslissing brengen. Als de bewaarder zich niet vergrepen heeft aan het eigendom van de ander, dan neemt de eigenaar het zijne en hoeft de bewaarder niets te vergoeden.
Ex. 22,11 Werd het echter bij hem gestolen, dan moet hij de eigenaar schadeloos stellen.
Ex. 22,12 Werd het door een roofdier verscheurd, dan moet hij het dode dier als bewijs overleggen. Hij hoeft het dan niet te vergoeden.
Ex. 22,13 Wanneer iemand een dier leent en dit breekt iets of het zakt in elkaar terwijl de eigenaar er niet bij is, dan moet hij het volledig vergoeden.
Ex. 22,14 Is de eigenaar er bij, dan hoeft hij het niet te vergoeden. Is hij een loonarbeider dan behoudt hij zijn loon.
Ex. 22,15 Wanneer iemand een nog niet verloofd meisje verleidt en omgang met haar heeft, dan moet hij haar huwen en de bruidsprijs betalen.
Ex. 22,16 Weigert de vader haar aan hem af te staan, dan moet hij toch een bedrag betalen gelijk aan de bruidsprijs voor een maagd.
Ex. 22,17 Een tovenares moogt ge niet in leven laten.
Ex. 22,18 Ieder die geslachtelijke omgang heeft met een dier moet ter dood gebracht worden.
Ex. 22,19 Wie aan afgoden offert moet met de ban geslagen worden.
Ex. 22,20 Gij moet een vreemdeling niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken, want ge hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond.
Ex. 22,21 Weduwen en wezen zult ge geen onrecht aandoen.
Ex. 22,22 Als ge hun tekort doet en hun klagen tot Mij opstijgt, dan zal Ik gehoor geven aan hun klagen.
Ex. 22,23 Mijn toorn zal losbarsten en met het zwaard zal ik u doden: uw vrouwen worden weduwen, uw kinderen wezen.
Ex. 22,24 Als gij aan iemand van mijn volk geld leent, aan een noodlijdende in uw omgeving, gedraag u dan niet als een geld schieter. Ge moet geen rente van hem eisen.
Ex. 22,25 Als gij iemands mantel in pand neemt, dan moet ge die voor zonsondergang aan hem teruggeven.
Ex. 22,26 Hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken, het is de beschutting van zijn blote lichaam, hij moet er in slapen. Roept hij tot Mij om hulp, dan zal Ik hem verhoren, want Ik ben vol medelijden. en het eten van verscheurde dieren
Ex. 22,27 Gij zult God niet lasteren en de vorst van uw volk niet vervloeken.
Ex. 22,28 Wees niet traag met de eerstelingen van uw dorsvloer en uw nieuwe wijn. Uw eerstgeboren zonen moet ge Mij afstaan.
Ex. 22,29 Dit geldt ook voor uw runderen en uw kleinvee. De eerst geborene mag zeven dagen bij zijn moeder blijven, op de achtste dag moet ge hem aan Mij afstaan.
Ex. 22,30 Gij moet Mij toegeheiligd zijn. Eet daarom geen vlees van een verscheurd dier dat ge ergens buiten aantreft. Laat dat maar liggen voor de honden.
 
Ex. 23,1 Laat u niet leiden door loze geruchten en kom geen schuldige te hulp door te getuigen ten gunste van onrecht.
Ex. 23,2 Al zijn degenen die kwaad willen talrijk, gij zult u niet bij hen aansluiten. Bij een rechtsgeding moogt ge uw verklaring niet laten beÔnvloeden door de meerderheid en zo het recht verkrachten.
Ex. 23,3 Bij een rechtsgeding moogt ge een onaanzienlijke niet voortrekken.
Ex. 23,4 Als gij een weggelopen rund of ezel van uw vijand tegen komt, moet ge het dier bij hem terugbrengen.
Ex. 23,5 Ziet ge de ezel van iemand met wie ge in onmin leeft in elkaar zakken, dan zult gij hem niet aan zijn lot overlaten; ge moet hem de helpende hand bieden.
Ex. 23,6 Wanneer een arme in het geding is, moogt gij het recht niet verkrachten.
Ex. 23,7 Houd u ver van kwade zaken. Breng iemand die geen schuld heeft en in zijn recht staat, niet ter dood: wie zich aan zoiets schuldig maakt, laat ik niet vrijuit gaan.
Ex. 23,8 Gij zult geen geschenken aannemen, want geschenken maken de zienden blind en de rechtvaardigen tot leugenaar.
Ex. 23,9 Gij moet vreemdelingen niet slecht behandelen. Gij weet immers hoe een vreemdeling zich voelt, omdat ge zelf als vreemdeling in Egypte gewoond hebt.
Ex. 23,10 Gedurende zes jaar kunt gij uw land bewerken en de opbrengst oogsten.
Ex. 23,11 Maar tijdens het zevende jaar moet gij het niet bewerken en het braak laten liggen. Dan kunnen de behoeftigen van uw volk er van eten. Wat zij overlaten is voor de dieren die in het wild leven. Hetzelfde geldt ook voor uw wijngaard en uw olijftuin.
Ex. 23,12 Zes dagen kunt gij werken, maar op de zevende dag moet ge uw werk laten liggen. Dan kunnen ook uw rund en uw ezel rusten, en kunnen de zoon van uw slavin en de vreemdeling op adem komen.
Ex. 23,13 Hoed u voor alles waarvoor Ik u gewaarschuwd heb. De naam van vreemde goden moet gij niet uitspreken, ze mogen in uw mond niet gehoord worden.
Ex. 23,14 Drie maal per jaar moet gij ter ere van Mij feestvieren.
Ex. 23,15 Gij moet het feest van de ongezuurde broden vieren; zeven dagen lang moet ge ongezuurd brood eten, zoals Ik u heb bevolen, en wel op de voorgeschreven dagen van de maand Abib, want in die maand zijt gij uit Egypte weggetrokken. En ge moet niet met lege handen bij Mij komen.
Ex. 23,16 Verder nog het feest van de oogst, als de eerstelingen van wat gij gezaaid hebt van het land komen. Tenslotte het oogstfeest, op het einde van het jaar, wanneer gij de opbrengst van uw arbeid van het land haalt.
Ex. 23,17 Drie maal per jaar moeten al uw mannen verschijnen bij Jahwe de Heer.
Ex. 23,18 Gij zult het bloed van een offerdier niet samen offeren met ongezuurd brood. Van de feestoffers mag geen vet overblijven tot de volgende morgen.
Ex. 23,19 Het beste van de eerste vruchten van uw land moet gij naar het huis van Jahwe brengen. Een geitje zult gij niet koken in de melk van zijn moeder.
Ex. 23,20 Zie, Ik zend mijn engel voor u uit om u onderweg te beschermen en u te brengen naar de plaats die Ik heb vastgesteld.
Ex. 23,21 Heb aandacht voor hem en luister naar zijn woord. Kom niet tegen hem in opstand, want hij zou uw verzet niet vergeven. In hem immers is mijn naam tegenwoordig.
Ex. 23,22 Als gij gehoorzaamt aan zijn woord en doet wat Ik u zeg, dan ben Ik de vijand van uw vijanden, de verdrukker van uw verdrukkers.
Ex. 23,23 Mijn engel zal voor u uitgaan en u brengen naar de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Kanašnieten, de Chiwwieten en de Jebusieten: Ik zal hen verdelgen.
Ex. 23,24 Gij moogt u voor hun goden niet neerbuigen en hen niet vereren. Gij moet niet meedoen met die volken; gij moet ze uitroeien en hun wijstenen stukslaan.
Ex. 23,25 Jahwe uw God moet gij vereren; dan zal Hij uw brood en water zegenen en ziekte ver van u houden.
Ex. 23,26 Geen vrouw in uw land zal een miskraam hebben of onvruchtbaar zijn. Ik zal het getal van uw dagen vol maken.
Ex. 23,27 Vrees voor Mij zal Ik voor u doen uitgaan. Alle volken die gij aantreft zal Ik in paniek brengen, al uw vijanden laat Ik voor u op de vlucht slaan.
Ex. 23,28 Ik zend verslagenheid voor u uit. Die zal de Chiwwieten, de Kanašnieten en de Hethieten voor u verjagen.
Ex. 23,29 Maar Ik verjaag ze niet in een jaar, anders zou het land een woestenij worden en de wilde dieren zouden zich tot uw schade vermenigvuldigen.
Ex. 23,30 Maar Ik verjaag ze geleidelijk aan, tot gij u zo vermenigvuldigd hebt dat ge het land kunt bezetten.
Ex. 23,31 Ik geef u een grondgebied. van de Rietzee tot aan de Filistijnenzee, van de woestijn tot aan de Rivier. Want Ik zal de bewoners van het land aan uw macht onderwerpen en ze voor u verjagen.
Ex. 23,32 Met hen of met hun goden moet gij geen verbond sluiten.
Ex. 23,33 Zij mogen niet in uw land blijven wonen. Ze zouden u er toe brengen tegen Mij te zondigen. Ge zoudt hun goden vereren en dat zou uw ongeluk betekenen.
 
Ex. 24,1 Toen sprak Hij tot Mozes: `Ga naar boven naar Jahwe, samen met Aaron, met Nadab en Abihu en zeventig oudsten van IsraŽl, en kniel op een afstand neer.
Ex. 24,2 Mozes alleen mag Jahwe naderen, maar de anderen mogen niet naderbij komen, terwijl het volk niet eens met hem naar boven mag gaan.'
Ex. 24,3 Mozes kwam terug en stelde het volk in kennis van alle woorden en bepalingen van Jahwe. Eenstemmig betuigde het volk: `Alle woorden die Jahwe tot ons gesproken heeft zullen wij onder houden.'
Ex. 24,4 Daarop stelde Mozes alle woorden van Jahwe op schrift. De volgende morgen bouwde hij aan de voet van de berg een altaar en stelde twaalf wijstenen op, naar de twaalf stammen van IsraŽl.
Ex. 24,5 Toen gaf hij jonge IsraŽlieten de opdracht, stieren op te dragen als brand - en slachtoffers voor Jahwe.
Ex. 24,6 Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in schalen, terwijl hij de andere helft uitgoot over het altaar.
Ex. 24,7 Toen nam hij het verbondsboek en las dit voor aan het volk. En zij verzekerden: `Alles wat Jahwe zegt zullen wij doen en ter harte nemen.'
Ex. 24,8 Vervolgens nam Mozes het bloed, sprenkelde dat over het volk en sprak: `Dit is het bloed van het verbond dat Jahwe, op grond van al deze woorden, met u sluit.'
Ex. 24,9 Mozes besteeg de berg samen met Aaron, Nadab en Abihu en zeventig oudsten van IsraŽl.
Ex. 24,10 En zij aanschouwden de God van IsraŽl. Onder zijn voeten was een soort platform van saffier, helder als het hemelgewelf.
Ex. 24,11 Zijn hand kwam niet neer op de voorname IsraŽlieten: zij mochten God aanschouwen. Toen aten zij en dronken zij.
Ex. 24,12 Jahwe sprak tot Mozes: `Kom tot Mij op de berg en blijf daar wachten. Ik zal u de stenen platen ter hand stellen, de wetten en bepalingen die Ik op schrift gesteld heb om ze hen in te prenten.'
Ex. 24,13 Mozes begaf zich op weg, samen met zijn dienaar Jozua, en hij besteeg de berg van God.
Ex. 24,14 Tot de oudsten zei hij: `Blijf hier op ons wachten tot wij bij u terugkomen. Ašron en Chur blijven bij u; wie een rechtszaak heeft kan zich tot hen wenden.'
Ex. 24,15 Mozes besteeg de berg en de wolk overdekte de berg.
Ex. 24,16 De heerlijkheid van Jahwe rustte op de SinaÔ en de wolk bedekte de berg, zes dagen lang. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit de wolk.
Ex. 24,17 De heerlijkheid van Jahwe leek voor de IsraŽlieten op een verterend vuur, boven op de berg.
Ex. 24,18 Mozes trad de wolk binnen en besteeg de top. Hij bleef op de berg gedurende veertig dagen en veertig nachten.
 
Ex. 25,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes:
Ex. 25,2 `Zeg aan de IsraŽlieten dat zij een bijdrage aan Mij moeten afstaan; van iedereen die daartoe bereid is moet gij voor Mij een bijdrage in ontvangst nemen.
Ex. 25,3 Het volgende kunt gij van hen in ontvangst nemen: goud, zilver en brons,
Ex. 25,4 paarse, karmijnrode en scharlaken wol, linnen, kleden van geitenhaar,
Ex. 25,5 gelooide ramsvellen, fijn leer en acaciahout;
Ex. 25,6 ook olie voor de verlichting, geurige kruiden voor de bereiding van zalfolie en welriekende wierook;
Ex. 25,7 kornalijn en edelstenen voor de efod en de orakeltas.
Ex. 25,8 Dan kunnen zij voor Mij een heiligdom bouwen en zal Ik in hun midden wonen.
Ex. 25,9 Bij de woning en de hele inventaris moet gij u zorgvuldig houden aan het model dat Ik u tonen zal.
Ex. 25,10 Ge moet een ark maken van acaciahout, twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog.
Ex. 25,11 Overtrek haar van binnen en van buiten met zuiver goud, en breng rondom een gouden lijst aan.
Ex. 25,12 Giet voor de ark vier gouden ringen en bevestig die aan de vier poten, twee aan elke kant.
Ex. 25,13 Maak ook draagstokken van acaciahout en overtrek die met goud.
Ex. 25,14 Steek ze dan in de ringen aan de zijkanten van de ark, om die zo te kunnen dragen.
Ex. 25,15 De draagstokken moeten in de ringen van de ark blijven; ze mogen er niet uitgenomen worden.
Ex. 25,16 in de ark moet ge de verbondsakte neerleggen die Ik u zal geven.
Ex. 25,17 Gij moet ook een dekplaat maken van zuiver goud, twee en een halve el lang, anderhalve el breed.
Ex. 25,18 Maak ook twee kerubs, in goud gedreven, aan de beide uiteinden van de dekplaat,
Ex. 25,19 een kerub aan het ene uiteinde en een aan het andere, in relief.
Ex. 25,20 De vleugels van de kerubs moeten naar boven uitgestrekt zijn, zodat zij de dekplaat overhuiven. De kerubs moeten met hun gezicht naar elkaar toe gekeerd staan, hun gezicht moet op de dekplaat gericht zijn.
Ex. 25,21 Gij moet de dekplaat boven op de ark plaatsen en in de ark de verbondsakte neerleggen die Ik u geven zal.
Ex. 25,22 Daar zal Ik tot u komen, boven de dekplaat; vanaf de plaats tussen de beide kerubs die op de ark met de verbondsakte staan zal Ik u alle opdrachten voor de IsraŽlieten mededelen.
Ex. 25,23 Maak een tafel van acaciahout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog.
Ex. 25,24 Overtrek die met zuiver goud en maak er een gouden lijst omheen.
Ex. 25,25 Leg er een gouden band om, van een handbreed, en zet die af met een gouden lijst.
Ex. 25,26 Maak vier gouden ringen en bevestig die aan de vier hoeken, bij de poten.
Ex. 25,27 Deze ringen, bestemd voor de draagstokken waarmee de tafel gedragen wordt, moeten dicht bij de band zitten.
Ex. 25,28 De draagstokken moet ge maken van acaciahout en over trekken met goud. Daar moet ge de tafel mee dragen.
Ex. 25,29 Maak ook de schotels, de schalen, de kannen en kommen, die nodig zijn voor de plengoffers. Ze moeten van zuiver goud zijn.
Ex. 25,30 Zet op die tafel het toonbrood zodat Ik het altijd kan zien.
Ex. 25,31 Gij moet ook een luchter maken, van zuiver goud. De luchter, met voetstuk en schacht, moet drijfwerk zijn waarin kelken met knoppen en bloemen zijn aangebracht.
Ex. 25,32 Zes armen moeten van opzij uit de schacht omhoog gaan, drie aan elke kant.
Ex. 25,33 In de eerste arm moeten drie amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven worden. Op dezelfde wijze moeten alle zes armen van de luchter worden bewerkt.
Ex. 25,34 In de luchter zelf moeten vier amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven worden:
Ex. 25,35 een knop onder het eerste paar armen, een onder het tweede en een onder het derde paar van de zes armen van de luchter.
Ex. 25,36 De knoppen en armen vormen een geheel met de luchter: een stuk drijfwerk van zuiver goud.
Ex. 25,37 Maak er lampen voor, en plaats die zo dat het licht aan de voorkant valt.
Ex. 25,38 De snuiters en bakjes moeten eveneens van zuiver goud zijn.
Ex. 25,39 Voor de luchter met toebehoren moet ge een talent zuiver goud gebruiken.
Ex. 25,40 Zorg er voor dat ge u precies houdt aan het model dat u op de berg is getoond.
 
Ex. 26,1 De woning moet ge maken van tien banen getwijnd linnen en van paarse, karmijnrode en scharlaken wol. Daarop moet een vakman kerubs borduren.
Ex. 26,2 De lengte van een baan moet achtentwintig el bedragen, de breedte vier el. Alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben,
Ex. 26,3 en zij moeten vijf aan vijf worden samengevoegd.
Ex. 26,4 Maak vervolgens paarse lussen aan de rand van de buitenste baan van beide stukken,
Ex. 26,5 zodat de lussen precies tegenover elkaar zitten.
Ex. 26,6 Maak ook vijftig gouden haken en bevestig de banen met deze haken aan elkaar, zodat de woning een geheel wordt.
Ex. 26,7 Voor de tent over de woning moet ge banen vervaardigen van geitenhaar. Elf van zulke banen moet ge maken.
Ex. 26,8 De lengte van een baan moet dertig el bedragen, de breedte vier el. Alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben.
Ex. 26,9 Hecht vijf banen aan elkaar, de overige zes eveneens. De zesde baan moet ge over de voorkant van de tent omslaan.
Ex. 26,10 Maak vijftig lussen aan de rand van de buitenste baan van de beide stukken.
Ex. 26,11 Maak ook vijftig koperen haken, doe ze in de lussen en voeg zo de beide tentdelen samen tot een geheel.
Ex. 26,12 Wat het overschietende deel van de tentbanen betreft: de helft moet ge aan de achterkant van de woning laten afhangen.
Ex. 26,13 De el die aan de lange kanten van de tentbanen over schiet moet ge aan beide kanten van de woning laten afhangen om die af te dekken.
Ex. 26,14 Maak voor de tent ook nog een dak van gelooide ramsvellen en daaroverheen nog een dak van fijn leer.
Ex. 26,15 Gij moet voor de woning rechtopstaande schotten van acaciahout maken.
Ex. 26,16 Ieder schot moet tien el lang zijn en anderhalve el breed.
Ex. 26,17 Aan ieder schot van de woning moeten ter verbinding twee tappen zitten.
Ex. 26,18 Voor de zuidkant van de woning moet gij twintig schotten maken.
Ex. 26,19 Onder de twintig schotten moet gij veertig zilveren voetstukken maken, twee voor elk schot, waar de beide tappen in passen.
Ex. 26,20 Voor de andere kant van de woning, dus de noordzijde, ook twintig schotten,
Ex. 26,21 met bijbehorende zilveren voetstukken, twee voor elk schot.
Ex. 26,22 Voor de achterkant van de woning, de westzijde, zes schotten.
Ex. 26,23 Maak ook twee schotten voor de hoeken aan de achterkant van de woning.
Ex. 26,24 Deze moeten uit twee haaks op elkaar geplaatste delen bestaan; zij lopen van beneden tot bij de eerste ring. Ze zijn bestemd voor de beide hoeken.
Ex. 26,25 Er moeten dus acht schotten zijn en zestien bijbehorende zilveren voetstukken, telkens twee voor een schot.
Ex. 26,26 Maak ook verbindingsbalken van acaciahout: vijf voor de schotten van acaciahout: vijf voor de schotten aan de beide zijkanten van de woning,
Ex. 26,27 en vijf voor de achterkant, de westzijde, van de woning.
Ex. 26,28 De middelste balk moet, van de ene naar de andere kant, midden over de schotten lopen.
Ex. 26,29 Overtrek de schotten met oud, maak voor de balken gouden ringen en overtrek ook de balken met goud.
Ex. 26,30 Gij moet de woning maken volgens het model dat u op de berg is getoond.
Ex. 26,31 Gij moet ook een voorhangsel vervaardigen, van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Daarop moet een vakman kerubs borduren.
Ex. 26,32 Maak het met gouden haken vast aan vier kolommen van acaciahout die met goud overtrokken zijn en rusten op zilveren voetstukken.
Ex. 26,33 Maak het voorhangsel vast met de haken. Daar, achter het voorhangsel, moet ge de ark met de verbondsakte plaatsen. Het voorhangsel vormt de afscheiding tussen het heilige en het allerheiligste.
Ex. 26,34 Leg de dekplaat op de ark met de verbondsakte in het allerheiligste.
Ex. 26,35 De tafel moet ge voor het voorhangsel plaatsen, en de luchter tegenover de tafel; de luchter aan de zuidzijde van de woning, de tafel aan de noordzijde.
Ex. 26,36 Voor de ingang van de tent moet ge een tapijt laten maken van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen, rijk geborduurd.
Ex. 26,37 Voor dit tapijt moet ge vijf kolommen van acaciahout maken, deze overtrekken met goud en voorzien van gouden haken. Ge moet hiervoor vijf bronzen voetstukken gieten.
 
Ex. 27,1 Het altaar moet gij maken van acaciahout. Het moet vijf el lang en vijf el breed zijn - dus vierkant - en drie el hoog.
Ex. 27,2 Op de vier hoeken moet ge horens aanbrengen die er een geheel mee vormen. Ge moet het bekleden met brons.
Ex. 27,3 Maak er bakken voor de as bij, scheppen, schalen, vorken en vuurpannen. Al deze benodigdheden moeten van brons zijn.
Ex. 27,4 Om het altaar moet ge als afrastering een bronzen hek aanbrengen, en op de vier hoeken van dit hek vier bronzen ringen.
Ex. 27,5 Dit hek moet ge om de benedenrand van het altaar plaatsen en tot halverwege het altaar laten reiken.
Ex. 27,6 Maak voor het altaar ook draagstokken van acaciahout en overtrek die met brons.
Ex. 27,7 Om het altaar op te tillen steekt men de stokken in de ringen aan weerszijden van het altaar.
Ex. 27,8 Maak het altaar van planken en laat het van binnen hol. Ge moet het maken volgens het model dat u op de berg is getoond.
Ex. 27,9 Dan moet ge voor de woning nog een voorhof maken. De kleden voor de eerste zijde van de voorhof, de zuidkant, moeten van getwijnd linnen zijn en honderd el lang.
Ex. 27,10 De twintig bijbehorende palen en voetstukken moeten van brons zijn, de haken aan de palen en de stangen van zilver.
Ex. 27,11 Ook voor de noordkant zijn kleden nodig over een lengte van honderd el, twintig palen en voetstukken van brons, alsmede haken en stangen van zilver.
Ex. 27,12 Voor de korte zijde van de voorhof, de westkant, zijn kleden nodig over een lengte van vijftig el, en tien palen en voetstukken.
Ex. 27,13 Ook de korte zijde van de voorhof aan de oostkant is vijftig el lang.
Ex. 27,14 Daar moeten aan de ene kant kleden komen over een lengte van vijftien el, met drie bijbehorende palen en voetstukken.
Ex. 27,15 Ook aan de andere kant kleden over een lengte van vijf tien el, met drie bijbehorende palen en voetstukken.
Ex. 27,16 Aan de ingang van de voorhof komt een twintig el metend voorhangsel van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en getwijnd linnen, rijk geborduurd, alsmede vier palen en voetstukken.
Ex. 27,17 Aan alle palen van de voorhof moeten zilveren stangen en haken zitten, de voetstukken moeten van brons zijn.
Ex. 27,18 De voorhof moet honderd el lang zijn, vijftig el breed, vijf el hoog. De kleden moeten van getwijnd linnen zijn, de voetstukken van brons.
Ex. 27,19 De benodigdheden voor de woning, welke bestemming ze ook hebben, ook de tentpinnen en de tentpinnen van de voorhof, moeten van brons zijn.
Ex. 27,20 Geef de IsraŽlieten opdracht, u zuivere olie, uit gestoten olijven, voor de verlichting te brengen, zodat er altijd een lamp kan branden.
Ex. 27,21 Ašron en zijn zonen moeten deze van de avond tot de morgen voor Jahwe brandend houden in de tent van samenkomst, buiten het voorhangsel waarachter de verbondsakte ligt. Dit is een blijvende verplichting voor de IsraŽlieten, al hun geslachten door.
 
Ex. 28,1 Uit de IsraŽlieten moet gij uw broer Ašron en zijn zonen bij u ontbieden; Ašron en zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar moeten Mij als priester dienen.
Ex. 28,2 Gij moet voor uw broer Ašron heilige gewaden vervaardigen die hem waardigheid en luister verlenen.
Ex. 28,3 Geef aan bekwame vaklieden aan wie Ik kundigheid geschonken heb, de opdracht de gewaden voor Ašron te vervaardigen: dan kan hij gewijd worden en Mij als priester dienen.
Ex. 28,4 De volgende gewaden moeten zij vervaardigen: een orakel tas, een efod, een mantel, een bewerkte tuniek, een hoofddeksel en een gordel. Zij moeten voor Ašron en zijn zonen heilige gewaden vervaardigen, want zij moeten Mij als priester dienen.
Ex. 28,5 Zij moeten goud gebruiken, paarse, karmijnrode, en schar laken wol, en linnen.
Ex. 28,6 De efod moet door een kunstenaar gemaakt worden van goud, paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen.
Ex. 28,7 Aan de beide uiteinden moeten schouderbanden zitten om hem vast te maken.
Ex. 28,8 Van dezelfde stoffen moet de gordel gemaakt worden die er een geheel mee vormt.
Ex. 28,9 Vervolgens moet ge op twee kornalijnstenen de namen van de zonen van IsraŽl graveren,
Ex. 28,10 zes namen op de ene steen en zes op de andere, naar de volgorde van hun geboorte.
Ex. 28,11 Gij moet de namen van de zonen van IsraŽl in de twee stenen graveren, zoals men zegels snijdt, en de stenen vervolgens in gouden zettingen vatten.
Ex. 28,12 Bevestig dan de beide stenen aan de schouderbanden van de efod: zij herinneren Jahwe aan de IsraŽlieten, door Ašron hun namen voor Jahwe op zijn schouderbanden draagt.
Ex. 28,13 De zettingen moeten van goud zijn.
Ex. 28,14 Ge moet ook twee kettinkjes maken van zuiver goud, in de vorm van gevlochten snoeren, en die aan de zettingen bevestigen.
Ex. 28,15 Laat een kunstenaar een orakeltas vervaardigen; evenals de efod moet deze gemaakt worden van goud, van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen.
Ex. 28,16 Ze moet vierkant zijn, een span lang en een span breed, en uit twee stukken bestaan.
Ex. 28,17 Gij moet ze bezetten met vier rijen edelstenen: een robijn, een topaas en een smaragd vormen de eerste rij,
Ex. 28,18 een karbonkel, een saffier en een jaspis de tweede,
Ex. 28,19 een hyacint, een agaat en een ametist de derde,
Ex. 28,20 een chrysoliet, een kornalijn en een onyx de vierde rij. Ze moeten in gouden kettingen gevat zijn.
Ex. 28,21 Er moeten twaalf stenen zijn, zoals er twaalf namen zijn van de zonen van IsraŽl. Op iedere steen moet de naam van een van de twaalf stammen gegraveerd worden, zoals men zegels snijdt.
Ex. 28,22 Maak voor de orakeltas kettinkjes van zuiver goud, in de vorm van gevlochten snoeren,
Ex. 28,23 en ook twee gouden ringen, die ge moet bevestigen aan de beide uiteinden van de orakeltas.
Ex. 28,24 De twee gouden snoeren moet ge aan deze ringen vastmaken.
Ex. 28,25 Het andere uiteinde van de snoeren moet ge vastmaken aan de twee zettingen en van voren aan de schouderbanden van de efod bevestigen.
Ex. 28,26 Dan moet ge nog twee gouden ringen maken en deze bevestigen aan de uiteinden van de orakeltas, aan de binnenkant, tegen de efod aan.
Ex. 28,27 Twee andere gouden ringen moet ge onder aan de voorkant van de beide schouderbanden van de efod bevestigen, vlak bij de band boven de gordel.
Ex. 28,28 Dan moet ge een paars koord door de ringen van de orakeltas en die van de efod halen en de orakeltas zo aan de gordel van de efod binden dat ze er vast tegenaan zit.
Ex. 28,29 Wanneer Ašron het heiligdom binnengaat moet hij op de orakeltas de namen van IsraŽls zonen dragen om Jahwe voortdurend aan hen te herinneren.
Ex. 28,30 Doe in de orakeltas de oerim en de toemmim, zodat Ašron ze op zijn hart draagt in Jahwe's tegenwoordigheid. In Jahwe's tegenwoordigheid moet Ašron het orakel van IsraŽl altijd op zijn hart dragen.
Ex. 28,31 De efodmantel moet geheel gemaakt zijn van paarse wol.
Ex. 28,32 In het midden moet een opening zijn om het hoofd door te staken, met een geweven rand als bij een wapenrok, om inscheuren te voorkomen.
Ex. 28,33 Aan de hele zoom moet ge granaatappels bevestigen van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en tussen die granaatappels gouden klokjes,
Ex. 28,34 om en om.
Ex. 28,35 Ašron moet deze mantel dragen als hij dienst doet, zodat men hem hoort wanneer hij het heiligdom binnengaat om voor Jahwe te verschijnen en Hem ook weer naar buiten hoort komen. Dan zal hij niet sterven.
Ex. 28,36 Maak ook een bloem van zuiver goud en graveer daarin als in een zegel de woorden: Jahwe gewijd.
Ex. 28,37 Maak ze met een paars koord vast op de voorzijde van het hoofddeksel.
Ex. 28,38 Doordat Ašron ze op zijn voorhoofd draagt zal hij de ongerechtigheden wegnemen die de gewijde gaven van de IsraŽlieten zouden kunnen aankleven. Hij moet de bloem steeds op zijn voor hoofd dragen, dan zullen ze bij Jahwe welgevallig zijn.
Ex. 28,39 Weef een tuniek en een hoofddeksel, beide van linnen, en maak een rijk geborduurde gordel.
Ex. 28,40 Voor de zonen van Ašron moet ge tunieken, gordels en hoofddeksels maken die hun luister en heerlijkheid schenken.
Ex. 28,41 Hiermee moet ge uw broer Ašron en zijn zonen bekleden; ge moet hen zalven, macht verlenen en wijden om Mij als priester te dienen.
Ex. 28,42 Maak voor hen ook lendenschorten van linnen om hun naaktheid te bedekken. Ze moeten reiken van de heupen tot de dijen.
Ex. 28,43 Ašron en zijn zonen moeten ze dragen als ze de tent van de samenkomst binnengaan of het altaar naderen om in het heilig dom dienst te doen. Dan lopen ze geen straf op en zullen ze niet sterven. Dit is een blijvend voorschrift voor hem en zijn nakomelingen.
 
Ex. 29,1 Om hen tot priester te wijden moet gij het volgende met hen doen. Neem een jonge stier en twee gave rammen,
Ex. 29,2 broden, met olie aangemaakte koeken en ronde koeken, met olie bestreken: alles ongezuurd en gebakken van tarwebloem.
Ex. 29,3 Ge neemt die mee in een mand, ook de stier en de beide rammen voert ge mee.
Ex. 29,4 Dan ontbiedt ge Ašron met zijn zonen bij de ingang van de tent der samenkomst en reinigt hen met water.
Ex. 29,5 Dan bekleedt ge Ašron met de gewaden: met de tuniek, de efodmantel, de efod en de orakeltas; ge doet hem de gordel van de efod om,
Ex. 29,6 zet hem het hoofddeksel op en bevestigt daarop de gewijde bloem.
Ex. 29,7 Vervolgens giet ge over zijn hoofd zalfolie uit om hem te zalven.
Ex. 29,8 Dan ontbiedt ge zijn zonen en bekleedt hen met de tunieken.
Ex. 29,9 Ge doet Ašron en zijn zonen de gordel om en zet ze het hoofddeksel op. Zo zullen zij rechtens voor altijd het priester schap bezitten dat gij hun verleend hebt.
Ex. 29,10 Vervolgens laat gij de stier voor de tent van de samen komst brengen en leggen Ašron en zijn zonen hun handen op de kop van het dier.
Ex. 29,11 Dan slacht gij de stier voor Jahwe, bij de ingang van de tent der samenkomst.
Ex. 29,12 Met uw vingers doet gij wat bloed aan de horens van het altaar, de rest van het bloed giet gij aan de voet van het altaar uit.
Ex. 29,13 Ge doet het vet dat om de ingewanden zit, de leverkwab en de nieren met het vet eraan op het altaar in rook opgaan.
Ex. 29,14 Maar het vlees van de stier, de huid en de ingewanden verbrandt gij buiten het kamp; het is immers een zondeoffer.
Ex. 29,15 Daarna neemt ge een van de rammen en Ašron en zijn zonen leggen hun handen op de kop van het dier.
Ex. 29,16 Gij slacht de ram, vangt het bloed op en sprenkelt dat rondom op het altaar.
Ex. 29,17 Ge snijdt de ram in stukken, wast de ingewanden en de poten en legt deze bij de andere stukken en de kop.
Ex. 29,18 Dan doet ge heel de ram op het altaar in rook opgaan: het is een brandoffer voor Jahwe, een geurige gave die hem behaagt.
Ex. 29,19 Dan neemt ge de tweede ram, en Ašron en zijn zonen leggen weer hun handen op de kop van het dier.
Ex. 29,20 Ge slacht de ram en doet wat bloed op de rechteroorlel van Aaron, de rechteroorlel van zijn zonen, op de duim van hun rechterhand en op de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed sprenkelt ge rondom op het altaar.
Ex. 29,21 Dan neemt ge bloed van het altaar en zalfolie en besprenkelt daarmee Ašron en ook zijn zonen en hun gewaden. Zo zullen ze gewijd zijn.
Ex. 29,22 Vervolgens neemt ge het vet van de ram, de wijdingsram, de staartkwab en het vet om de ingewanden, de leverkwabben, de nieren met het vet eraan en de rechterschenkel.
Ex. 29,23 Uit de mand met ongezuurd brood die voor Jahwe staat neemt ge nog een plat brood, een met olie aangemaakte koek en een ronde koek.
Ex. 29,24 Dit alles geeft ge aan Ašron en zijn zonen om het staande voor Jahwe als gewijd aandeel af te zonderen.
Ex. 29,25 Dan neemt ge het weer uit hun handen en doet het op het altaar in rook opgaan; het is een brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Ex. 29,26 Daarop zondert gij, staande voor Jahwe, het borststuk van de ram voor de wijding van Ašron als gewijd aandeel af voor uzelf. Dit is uw deel van het offer.
Ex. 29,27 Het borststuk van de ram en de schenkel moet gij apart houden.
Ex. 29,28 Dit is het deel dat de IsraŽlieten aan Ašron en zijn zonen moeten afstaan, het is het gewijd aandeel van de slachtoffers van de IsraŽlieten, dat voor Jahwe is afgezonderd.
Ex. 29,29 De heilige gewaden van Ašron zullen overgaan op zijn zonen; daarmee bekleed zullen zij gezalfd worden en de priesterlijke macht ontvangen.
Ex. 29,30 De zoon die hem opvolgt en de tent van de samenkomst binnentreedt om dienst te doen in het heiligdom moet ze zeven dagen dragen.
Ex. 29,31 Tenslotte kookt ge het vlees van het wijdingsram op een heilige plaats.
Ex. 29,32 Ašron en zijn zonen nuttigen dat vlees en het brood uit de mand bij de ingang van de tent der samenkomst.
Ex. 29,33 Maar alleen zij mogen het eten aan wie er de ritus der verzoening mee is voltrokken, toen zij macht ontvingen en gezalfd werden. Onbevoegden mogen er niet van eten, omdat het gewijd is.
Ex. 29,34 Is er de volgende van het wijdingsvlees of van het brood nog iets over, dan moet ge dat verbranden. Men mag er niet meer van eten omdat het gewijd is.
Ex. 29,35 Zo moet ge aan Ašron en zijn zonen nauwkeurig alles voltrekken wat Ik u heb opgedragen. De priesterwijding moet zeven dagen duren.
Ex. 29,36 Iedere dag moet ge een stier offeren om verzoening te bewerken. Het altaar moet ge reinigen door een verzoeningsplechtigheid en wijden door zalving.
Ex. 29,37 Deze verzoeningsplechtigheid en de wijding moet ge zeven dagen herhalen. Zo wordt het altaar hoogheilig. Alles wat er mee in aanraking komt is gewijd.
Ex. 29,38 De volgende offers moet ge op het altaar opdragen: elke dag twee eenjarige lammeren,
Ex. 29,39 het een's morgens, het ander tegen de avond.
Ex. 29,40 Bij het eerste lam hoort een tiende issaron bloem, aangemaakt met een kwart hin gestoten olie en een plengoffer van een kwart hin wijn.
Ex. 29,41 Het tweede lam moet ge offeren tegen de avond, met hetzelfde meel - en plengoffer als's morgens. Het is een geurige gave die Jahwe behaagt,
Ex. 29,42 het dagelijks brandoffer voor Jahwe, dat al uw geslachten door wordt opgedragen aan de ingang van de tent der samen komst, waar Ik tot u kom en met u spreek.
Ex. 29,43 Daar kom Ik tot de IsraŽlieten, die plaats is heilig door mijn heerlijkheid.
Ex. 29,44 Ik heilig de tent van de samenkomst en het altaar, en Ašron en zijn zonen zal Ik heiligen om mijn priesters te zijn.
Ex. 29,45 Ik zal wonen onder de IsraŽlieten en hun God zijn.
Ex. 29,46 Dan zullen zij weten dat Ik Jahwe ben, de God, die hen uit Egypte heeft geleid om onder hen te wonen. Ik, Jahwe hun God.
 
Ex. 30,1 Maak ook een altaar van acaciahout, voor het branden van reukwerk,
Ex. 30,2 een el lang, een el breed - vierkant dus - en twee el hoog. De horens moeten er een geheel mee vormen.
Ex. 30,3 Ge moet het overtrekken met zuiver goud: de bovenkant, de zijvlakken en de horens, en er een gouden lijst omheen maken.
Ex. 30,4 Ge moet aan beide zijden onder de lijst twee gouden ringen maken die bestemd zijn voor de draagstokken waarmee men het altaar optilt.
Ex. 30,5 De draagstokken moet gij maken van acaciahout en over trekken met goud.
Ex. 30,6 Het altaar moet staan tegen het voorhangsel waarachter de ark met de verbondsakte zich bevindt, voor de dekplaat waar Ik tot u kom.
Ex. 30,7 Ašron moet er welriekende wierook op branden, iedere morgen als hij de lampen in orde brengt,
Ex. 30,8 en tegen de avond als hij de lampen aansteekt. Dit is het dagelijks reukoffer voor Jahwe.
Ex. 30,9 Ge moogt op dit altaar geen profaan reukwerk offeren en evenmin brand - of meeloffers. Ook plengoffers moogt ge er niet over uitgieten.
Ex. 30,10 Aan de horens moet Ašron eens per jaar de verzoening voltrekken. Hij moet dat eenmaal per jaar doen, al uw geslachten door, met het bloed van het zondeoffer. Zo is het altaar hooghei lig voor Jahwe.'
Ex. 30,11 Jahwe sprak tot Mozes:
Ex. 30,12 `Als gij de IsraŽlieten registreert en hun aantal opneemt moet ieder van hen bij de registratie aan Jahwe een losgeld betalen voor zijn leven. Dan zal de registratie hun niet noodlottig worden.
Ex. 30,13 Ieder die geregistreerd wordt moet een halve sikkel betalen, in heilige munt, twintig gera's de sikkel.
Ex. 30,14 Alle mannen van twintig jaar en ouder moeten zich laten inschrijven en de bijdrage voor Jahwe betalen.
Ex. 30,15 Om zijn leven los te kopen betaalt een rijke niet meer en een arme niet minder dan een halve sikkel.
Ex. 30,16 Het losgeld dat ge van de IsraŽlieten ontvangt komt ten nutte van de tent der samenkomst. Deze losprijs voor uw leven zal bij Jahwe de herinnering aan de IsraŽlieten in stand houden.'
Ex. 30,17 Toen sprak Jahwe tot Mozes:
Ex. 30,18 `Ge moet ook een bronzen bekken maken, op een bronzen onderstel, bestemd voor de wassingen. Plaats het tussen de tent van de samenkomst en het altaar en doe er water in.
Ex. 30,19 Ašron en zijn zonen moeten er hun handen en voeten in wassen, voor zij de tent van de samenkomst binnengaan.
Ex. 30,20 Dan zullen zij niet sterven. Ook als ze dienst komen doen bij het altaar of offers aan Jahwe gaan opdragen,
Ex. 30,21 moeten zij hun handen en voeten wassen: dan zullen zij niet sterven. Dit is een blijvende verplichting voor hem en zijn nakomelingen, alle geslachten door.'
Ex. 30,22 Toen sprak Jahwe tot Mozes:
Ex. 30,23 `Neem de fijnste geurige kruiden: vijfhonderd sikkel mirre, en half zo veel, dus tweehonderdvijftig sikkel, kaneel, tweehonderdvijftig sikkel kalmus,
Ex. 30,24 vijfhonderd sikkel laurier, volgens heilig gewicht, en een hin olijfolie.
Ex. 30,25 Bereid daarvan heilige zalfolie, een geurig mengsel zoals ook een reukwerker dat maakt; het zal heilige zalfolie zijn.
Ex. 30,26 Daarmee moet ge de tent van de samenkomst zalven, de ark met de verbondsakte,
Ex. 30,27 de tafel met toebehoren, de luchter met toebehoren, het reukofferaltaar,
Ex. 30,28 het brandofferaltaar met toebehoren en het wasbekken met het onderstel.
Ex. 30,29 Zo wijdt ge dit alles en het zal hoogheilig zijn. En alles wat er mee in aanraking komt zal heilig zijn.
Ex. 30,30 Ook Ašron en zijn zonen moet ge door zalving wijden; dan kunnen ze Mij als priester dienen.
Ex. 30,31 Tot de IsraŽlieten moet ge zeggen: Deze gewijde zalfolie behoud Ik mij voor, al uw geslachten door.
Ex. 30,32 Ze mag over geen mensenlichaam uitgegoten worden en volgens dit recept moogt ge geen olie bereiden voor andere doeleinden. Ze is gewijd en als zodanig moet ge ze behandelen.
Ex. 30,33 Iemand die deze olie namaakt of aan een onbevoegde geeft, zal uit zijn volk worden verwijderd.'
Ex. 30,34 Toen sprak Jahwe tot Mozes: 'Neem geurige kruiden, storaxbalsem, onyx, galbanum en andere kruiden, en zuivere wierook: alles in gelijke hoeveelheid.
Ex. 30,35 Daarvan moet ge, zoals een reukwerker dat doet, een reukwerk bereiden, vermengd met zout, zuiver en gewijd.
Ex. 30,36 Een gedeelte ervan moet ge fijnwrijven en voor de ver bondsakte leggen in de tent van de samenkomst waar Ik tot u kom. Ge moet het als hoogheilig beschouwen.
Ex. 30,37 Het reukwerk dat ge bereidt is voorbehouden aan Jahwe; ge moogt het in deze samenstelling niet maken voor uzelf.
Ex. 30,38 Iemand die het namaakt om van de geur te genieten zal uit zijn volk worden verwijderd.
 
Ex. 31,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Ex. 31,2 `Ik heb mijn keuze laten vallen op Besaleel, zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda.
Ex. 31,3 Ik heb hem een uitzonderlijke begaafdheid geschonken, vaardigheid, kennis en veelzijdige bekwaamheid.
Ex. 31,4 Hij kan ontwerpen maken, goud, zilver en brons smeden,
Ex. 31,5 stenen snijden en zetten en hout bewerken: in alle technieken is hij bedreven.
Ex. 31,6 Hem stel Ik Oholiab, zoon van Achisamak, uit de stam Dan, ter beschikking. Alle vaklieden heb Ik toegerust met een bijzondere vaardigheid, zodat zij alles kunnen uitvoeren waartoe Ik op dracht gegeven heb:
Ex. 31,7 de tent van de samenkomst, de ark met de verbondsakte, de dekplaat die erop ligt, alle benodigdheden voor de tent,
Ex. 31,8 de tafel met toebehoren, de luchter van zuiver goud met toebehoren, het reukofferaltaar,
Ex. 31,9 het brandofferaltaar met toebehoren, het wasbekken met onderstel,
Ex. 31,10 de ambtsgewaden, de heilige gewaden voor de priester Aaron, de gewaden die zijn zonen als priester dragen,
Ex. 31,11 de zalfolie en de reukwerken voor het heiligdom. Zij moeten alles vervaardigen zoals Ik u heb voorgeschreven.'
Ex. 31,12 Jahwe sprak tot Mozes:
Ex. 31,13 `Gij moet tot de IsraŽlieten zeggen: Onderhoud mijn sabbat want hij is, al uw geslachten door, voor u en voor Mij het teken dat Ik Jahwe ben die u heiligt.
Ex. 31,14 Gij moet de sabbat onderhouden, hij moet u heilig zijn. Wie hem schendt moet onverbiddelijk ter dood gebracht worden. Wie op die dag arbeid verricht zal uit zijn volk worden verwijderd.
Ex. 31,15 Zes dagen mag men werken, maar de zevende dag is een volstrekte rustdag, gewijd aan Jahwe. Iedereen die op de sabbat arbeid verricht moet onverbiddelijk ter dood gebracht worden.
Ex. 31,16 De IsraŽlieten moeten al hun geslachten door de sabbat onderhouden als een eeuwig verbond.
Ex. 31,17 Hij is een teken voor Mij en voor hen; want in zes dagen maakte Jahwe de hemel en de aarde, maar op de zevende dag rustte Hij om op adem te komen.'
Ex. 31,18 Toen Jahwe op de SinaÔ zijn woorden tot Mozes beŽindigd had, overhandigde Hij hem twee platen met de tekst van het verbond, stenen platen, waarop de vinger Gods die tekst had geschreven.
 
Ex. 32,1 Toen Mozes maar wegbleef en niet naar beneden kwam, verdrong het volk zich om Ašron en eiste: `Kom, maak een god die voor ons uit kan gaan. Want die Mozes, de man die ons uit Egypte heet geleid, we weten niet wat er met hem aan de hand is.'
Ex. 32,2 Ašron antwoordde hun: `Laat uw vrouwen, uw zonen en uw dochters de gouden ringen afdoen die ze in de oren dragen en breng die hier.'
Ex. 32,3 Toen deden allen hun gouden oorringen af en brachten die bij Aaron.
Ex. 32,4 Deze nam ze in ontvangst, bond ze in een buidel, en maakte er een stierenbeeld van. Toen riepen ze uit: `IsraŽl, dit is de god die u uit Egypte heeft geleid.'
Ex. 32,5 Toen Ašron dat zag bouwde hij voor het beeld een altaar en liet bekend maken: `Morgen is er feest ter ere van Jahwe.'
Ex. 32,6 De volgende morgen droegen zij in alle vroegte brand - en slachtoffers op. De mensen gingen zitten om te eten en te drinken, daarna gaven zij zich aan feestelijk vermaak over.
Ex. 32,7 Toen sprak Jahwe tegen Mozes: `Ga nu naar beneden, want uw volk dat gij uit Egypte hebt geleid is tot zonde vervallen.
Ex. 32,8 Ze zijn nu al afgeweken van de weg die Ik hun had voorgeschreven: ze hebben een stierenbeeld gemaakt, ze buigen zich daarvoor neer, ze dragen er offers voor op en schreeuwen: IsraŽl, dit is de god die u uit Egypte heeft geleid.'
Ex. 32,9 Ook sprak Jahwe tot Mozes: `Ik zie nu hoe halsstarrig dit volk is.
Ex. 32,10 Laat Mij begaan, dan kan ik hen in mijn brandende toorn vernietigen. Maar van u zal Ik een groot volk maken.'
Ex. 32,11 Mozes trachtte Jahwe, zijn God, gunstig te stemmen en vroeg: `Waarom Jahwe, uw toorn laten woeden tegen uw volk dat Gij met grote kracht en sterke hand uit Egypte hebt geleid?
Ex. 32,12 Waarom de Egyptenaren laten honen: Hij heeft ze laten gaan met de boze opzet ze in de bergen te laten omkomen en ze van de aarde weg te vagen? Laat toch uw toorn niet langer tegen woeden. Zie af van het onheil waarmee Gij uw volk bedreigt.
Ex. 32,13 Denk aan uw dienaren Abraham, Isaak en IsraŽl, aan wie Gij onder ede beloofd hebt: Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en heel het land waarover Ik heb gesproken zal Ik uw nakomelingen voor altijd in bezit geven. Het zal voor eeuwig hun erfdeel zijn'.
Ex. 32,14 Toen zag Jahwe af van het onheil waarmee hij zijn volk had bedreigd.
Ex. 32,15 Mozes begaf zich op weg en daalde de berg af. Hij had de twee platen met de tekst van het verbond bij zich, de platen die aan beide kanten beschreven waren; ze waren aan twee kanten beschreven, aan de voorkant, maar ook aan de achterkant.
Ex. 32,16 De platen waren Gods eigen werk, het schrift was Gods eigen schrift; Hij had het er zelf ingegrift.
Ex. 32,17 Toen Jozua het gejoel in het kamp hoorde zei hij tot Mozes: `Dat lijkt wel het rumoer van een veldslag in het kamp.'
Ex. 32,18 Hij antwoordde: `Het zijn geen juichkreten van overwinnaars, en het is ook geen gejammer van overwonnenen, ze zijn aan het zingen.'
Ex. 32,19 Toen Mozes dichter bij het kamp kwam zag hij het stierenbeeld en het gedans. Hij werd razend en smeet de platen tegen de voet van de berg aan stukken.
Ex. 32,20 Toen greep hij het beeld dat zij gemaakt hadden, gooide het in het vuur, verpulverde het, strooide de as in het water en liet dat de IsraŽlieten drinken.
Ex. 32,21 Toen vroeg Mozes aan Aaron: `Wat heeft het volk toch met je gedaan, dat je het tot zo'n zware zonde hebt laten komen?'
Ex. 32,22 Ašron gaf ten antwoord: `Mijn heer moet niet kwaad zijn. U weet zelf hoe dit volk tot kwaad geneigd is.
Ex. 32,23 Ze vroegen mij: Maak een god die voor ons uittrekt. Want die Mozes, de man die ons uit Egypte heeft geleid, we weten niet wat er met hem aan de hand is.
Ex. 32,24 Ik antwoordde: Laat iedereen die goud draagt dit afdoen. Toen brachten ze mij het goud, ik wierp het in het vuur en zo zijn we aan dit stierenbeeld gekomen.'
Ex. 32,25 Toen Mozes zag dat het volk zich te buiten was gegaan Ašron had hen hun gang laten gaan, zodat zij voor tegenstanders een gemakkelijke prooi waren
Ex. 32,26 ging hij aan de ingang van het kamp staan en riep: `Wie voor Jahwe is, hierheen!' Toen al de levieten zich bij hem voegden
Ex. 32,27 zei hij tot hen: `Zo spreekt Jahwe, IsraŽls God: Ieder een moet zijn zwaard aangespen. Doorkruis het kamp van poort tot poort en sla iedereen neer, al is het je broer, je vriend of je bloedverwant.'
Ex. 32,28 De levieten deden wat Mozes hun bevolen had en zo kwamen er die dag ongeveer drieduizend mensen om.
Ex. 32,29 Mozes sprak toen tot de levieten: `Vandaag hebt u volmacht ontvangen van Jahwe door het prijsgeven van uw zoon of broer. Zo hebt u zegen over u afgeroepen.'
Ex. 32,30 De volgende dag zei Mozes tot het volk: `Jullie hebben zwaar gezondigd. Maar ik zal weer de berg opgaan, naar Jahwe. Misschien kan ik verzoening bewerken voor jullie zonden.'
Ex. 32,31 Mozes ging weer naar Jahwe en sprak: `Helaas, dit volk heeft zwaar tegen U gezondigd door een god van goud te maken.
Ex. 32,32 Kunt Gij hun toch geen vergiffenis schenken? Als dat niet gaat, schrap mij dan uit het boek dat Gij hebt geschreven.'
Ex. 32,33 Jahwe antwoordde Mozes: `Ik schrap uit mijn boek alleen wie tegen Mij zondigt.
Ex. 32,34 Breng het volk maar naar de plaats die Ik u heb aangewezen. Mijn engel zal voor u uitgaan. Maar de dag van vergelding komt en dan zal Ik hen hun zonden vergelden.'
Ex. 32,35 En Jahwe strafte het volk om wat zij gedaan hadden met het stierenbeeld dat Ašron gemaakt had.
 
Ex. 33,1 Jahwe sprak tot Mozes: `Vertrek van hier met het volk dat gij uit Egypte hebt geleid en ga naar het land dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb met deze eed: Ik zal het schenken aan uw nakomelingen.
Ex. 33,2 Ik zal een engel voor u uit laten gaan. De Kanašnieten, Amorieten, Hethieten, Perizziten, Chiwwieten en Jebusieten zal Ik voor u verdrijven,
Ex. 33,3 en Ik zal u brengen naar een land van melk en honing. Maar zelf trek Ik niet met u mee, want gij zijt zo'n halsstarrig volk dat Ik u onderweg zou kunnen vernietigen.'
Ex. 33,4 Toen de mensen dit slechte nieuws hoorden treurden zij en niemand deed meer zijn sieraden aan.
Ex. 33,5 Jahwe sprak tot Mozes: `Zeg de IsraŽlieten: Gij zijt een halsstarrig volk. Als Ik ook maar korte tijd met u mee zou trekken, zou Ik u vernietigen. Leg uw sieraden af, dan zal Ik zien wat Ik met u doe.'
Ex. 33,6 Daarom droegen de IsraŽlieten sinds de horeb geen sieraden meer.
Ex. 33,7 Mozes sloeg telkens de tent op buiten het kamp, op een behoorlijke afstand; hij noemde haar: tent van de samenkomst. Iedereen die Jahwe iets wilde vragen ging naar deze tent buiten het kamp.
Ex. 33,8 Als Mozes zich naar de tent begaf gingen alle mensen voor de ingang van hun tent staan, en bleven hem nakijken tot hij in de tent was verdwenen.
Ex. 33,9 En als Mozes dan binnen was, daalde de wolkkolom neer en bleef staan boven de ingang van de tent. Dan sprak Jahwe tot Mozes.
Ex. 33,10 Zodra de mensen de wolkkolom boven de ingang van de tent zagen staan bogen zij zich neer bij de ingang van hun tent.
Ex. 33,11 Jahwe sprak dan tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een mens met zijn medemens spreekt. Ook als Mozes naar het kamp terugging verliet zijn jeugdige helper Jozua, zoon van Nun, de tent niet.
Ex. 33,12 Mozes sprak tot Jahwe: `Gij zegt wel tegen mij: Laat het volk verder trekken, maar Gij hebt mij niet laten weten wie Gij met mij meezendt. Toch had Gij gezegd: Ik heb mijn keuze op u laten vallen en u mijn bijzondere gunst geschonken.
Ex. 33,13 Als ik inderdaad uw gunst geniet, laat mij dan weten wat uw plannen zijn. Dan zal ik ervaren wie Gij zijt en weten dat ik nog steeds uw gunst geniet. Bedenk toch dat al deze mensen uw volk zijn.'
Ex. 33,14 Jahwe vroeg toen: `Moet dan mijn aanschijn meegaan en moet Ik u rust geven?'
Ex. 33,15 Mozes antwoordde: `Als uw aanschijn niet meegaat, laat ons dan niet van hier vertrekken.
Ex. 33,16 Hoe is het anders duidelijk dat ik en uw volk uw gunst genieten, tenzij doordat Gij met ons meetrekt? Ik en uw volk nemen toch een bijzondere plaats in onder alle volken op de aardbodem.'
Ex. 33,17 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ook wat gij nu vraagt zal Ik doen. Want gij geniet mijn gunst en Ik heb mijn keus op u laten vallen.'
Ex. 33,18 Toen vroeg Mozes: `Laat mij toch uw heerlijkheid zien.'
Ex. 33,19 Hij gaf ten antwoord: `Ik zal in al mijn luister aan u voorbijgaan en in uw bijzijn de naam Jahwe uitroepen. Want Ik schenk genade aan wie Ik wil en barmhartigheid aan wie Ik wil.'
Ex. 33,20 Maar hij voegde er aan toe: `Mijn gelaat kunt gij niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven.'
Ex. 33,21 Toen sprak Jahwe: `Hier bij Mij is nog plaats; kom op de rots staan.
Ex. 33,22 Wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat zal Ik u in de rotsholte laten schuilen, en als Ik voorbijga zal ik u met mijn hand beschermen.
Ex. 33,23 Als Ik dan mijn hand terugtrek kunt gij Mij van achteren zien, want mijn gelaat kan niemand zien.'
 
Ex. 34,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes. `Kap twee stenen platen, gelijk aan de vorige. Ik zal er weer dezelfde geboden ingriffen als in de platen die gij stukgesmeten hebt.
Ex. 34,2 Morgenvroeg moet gij klaar zijn, want dan moet gij de SinaÔ bestijgen. Wacht daar op Mij, boven op de berg.
Ex. 34,3 Niemand mag met u naar boven gaan, niemand mag op de berg gezien worden. Zelfs geen schapen of runderen mogen in de nabijheid van de berg grazen.'
Ex. 34,4 Mozes kapte twee stenen platen, gelijk aan de vorige. De volgende morgen besteeg hij in alle vroegte de SinaÔ, zoals Jahwe hem bevolen had. De twee stenen platen nam hij mee.
Ex. 34,5 Jahwe daalde neer in een wolk, kwam bij hem staan en riep de naam Jahwe uit.
Ex. 34,6 Jahwe ging hem voorbij en riep: `Jahwe! Jahwe is een barmhartige en medelijdende God, lankmoedig, groot in liefde en trouw,
Ex. 34,7 die goedheid bewijst tot in het duizendste geslacht, die misdaden, overtredingen en zonden vergeeft, maar een schuldige niet ongestraft laat, en de misdaden van de vaders straft in hun kinderen en kleinkinderen, in het derde en vierde geslacht.'
Ex. 34,8 Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieŽn en boog zich neer.
Ex. 34,9 Toen sprak hij: `Och Heer, wees zo goed en trek met ons mee. Dit volk is wel halsstarrig maar vergeef toch onze misdaden en zonden, en beschouw ons als uw eigen bezit.'
Ex. 34,10 Hij antwoordde: `Ik wil een verbond met u sluiten. Voor heel uw volk zal Ik wonderen doen, zoals er nergens op aarde en bij geen enkel volk ooit zijn geschied. Heel het volk waarbij gij leeft zal aanschouwen hoe ontzagwekkend de werken zijn die Ik, Jahwe, voor u ga doen.
Ex. 34,11 Onderhoud wat Ik u heden voorschrijf. Dan zal Ik de Amorieten, Kanašnieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten voor u verdrijven.
Ex. 34,12 Sluit geen verbond met de bewoners van het land dat gij zult binnentrekken. Anders worden zij voor u een valstrik in uw eigen midden.
Ex. 34,13 Gij moet hun altaren afbreken, hun heilige zuilen stuk slaan en hun heilige palen omhakken.
Ex. 34,14 Want gij moogt geen andere god vereren. Jahwe heet immers de jaloerse, Hij is een jaloerse God.
Ex. 34,15 Sluit dus geen verbond met de bewoners van het land die ontuchtig hun goden achterna lopen en offers opdragen; want zij zouden u uitnodigen om aan hun offermalen deel te nemen.
Ex. 34,16 Als gij voor uw zonen hun dochters tot vrouw kiest zouden die ontuchtig hun goden achterna lopen en ook uw zonen zouden dat gaan doen.
Ex. 34,17 Ge moogt geen godenbeelden maken.
Ex. 34,18 Ge moet het feest der ongezuurde broden vieren. Op de vastgestelde tijd in de maand. Abib moet ge zeven dagen lang ongezuurd brood eten, zoals Ik u bevolen heb, want in die maand zijt ge uit Egypte vertrokken.
Ex. 34,19 Alles wat de moederschoot opent behoort Mij toe, ieder eerstgeboren mannelijk dier van uw kudde, van de runderen en de schapen.
Ex. 34,20 Het eerstgeboren jong van een ezel moet ge vrijkopen met een lam. Wilt ge het niet vrijkopen, dan moet ge het de nek breken. Iedere eerstgeboren zoon moet gij vrijkopen. Niemand mag met lege handen voor Mij verschijnen.
Ex. 34,21 Zes dagen kunt gij werken, maar op de zevende dag moet gij u van arbeid onthouden, zelfs als het tijd is om te ploegen of te zaaien.
Ex. 34,22 Vier ook het wekenfeest, aan het begin van de tarwe oogst, en het feest van het binnenhalen, rond de jaarwisseling.
Ex. 34,23 Driemaal per jaar moeten al uw mannen verschijnen voor Jahwe de Heer, de God van IsraŽl.
Ex. 34,24 Ik zal de volken voor u verdrijven en u een uitgestrekt gebied geven, zodat niemand zijn oog op uw land durft laten vallen als gij driemaal per jaar weggaat om voor Jahwe uw God te verschijnen.
Ex. 34,25 Ge moogt het bloed van een dier dat voor Mij bestemd is niet samen met gezuurd brood offeren. Van het offerdier voor het paasfeest mag niets overblijven tot de volgende morgen.
Ex. 34,26 Van de eerste vruchten van uw land moet ge de beste naar het huis van Jahwe uw God brengen. Een geitje moogt ge niet koken in de melk van zijn moeder.'
Ex. 34,27 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Stel deze bepalingen op schrift, want op grond van deze bepalingen sluit Ik met u en met IsraŽl een verbond.'
Ex. 34,28 Mozes bleef daar veertig dagen en veertig nachten bij Jahwe, zonder te eten of te drinken. En Jahwe grifte de bepalingen van het verbond, de tien geboden, in de stenen platen.
Ex. 34,29 Toen Mozes de berg SinaÔ afdaalde met de twee stenen platen, de tekst van het verbond, was hij zich er niet van bewust dat zijn gezicht glansde omdat hij met Hem gesproken had.
Ex. 34,30 Maar Ašron en de overige IsraŽlieten zagen de glans op het gezicht van Mozes wet, en zij durfden hem niet te naderen.
Ex. 34,31 Maar toen Mozes hen riep kwamen Ašron en al de leiders van de gemeenschap naar hem toe. Mozes bracht hun verslag uit.
Ex. 34,32 Daarna kwamen al de IsraŽlieten naar hem toe. Hij hield hun alles voor wat Jahwe hem op de berg SinaÔ gezegd had.
Ex. 34,33 Toen Mozes zijn toespraak beŽindigd had, deed hij een doek over zijn gezicht.
Ex. 34,34 En telkens als Mozes naar Jahwe ging om hem te spreken, deed hij de doek af tot hij weer buiten kwam. Als hij dan, naar buiten gekomen, de IsraŽlieten ging meedelen wat zij moesten doen,
Ex. 34,35 deed hij, om de IsraŽlieten de gans op zijn gezicht niet te laten zien, de doek weer voor zijn gezicht tot hij opnieuw naar binnen ging om met Jahwe te spreken.
 
Ex. 35,1 Mozes liet heel de gemeenschap van IsraŽl samenkomen en sprak tot hen: `Dit zijn de voorschriften die Jahwe u beveelt te onderhouden:
Ex. 35,2 Zes dagen kunt gij werken, maar de zevende dag moet u heilig zijn, een sabbatdag voor Jahwe. Iedereen die dan werkt moet ter dood gebracht worden.
Ex. 35,3 Op de sabbat moogt gij in geen van uw verblijven vuur ontsteken.'
Ex. 35,4 Mozes sprak tot heel de gemeenschap van IsraŽl: `Zo luidt de opdracht van Jahwe:
Ex. 35,5 Sta uit uw bezit een bijdrage af voor Jahwe. Laat ieder een die daartoe bereid is zijn bijdrage voor Jahwe komen brengen: goud, zilver en brons;
Ex. 35,6 paarse, karmijnrode en scharlaken wol, linnen en kleden van geitenhaar;
Ex. 35,7 gelooide ramsvellen, fijn leer en acaciahout;
Ex. 35,8 olie voor de verlichting, geurige kruiden voor de bereiding van zalfolie en welriekende wierook;
Ex. 35,9 kornalijn en edelstenen voor de efod en de orakeltas.
Ex. 35,10 De vaklieden moeten alles vervaardigen wat Jahwe heeft voorgeschreven:
Ex. 35,11 de woning met tent en dak, de haken, schotten, verbindingsbalken, palen en voetstukken;
Ex. 35,12 de ark met de draagstokken en de dekplaat, het afsluitend voorhangsel;
Ex. 35,13 de tafel met de draagstokken en verder toebehoren, het toonbrood;
Ex. 35,14 de luchter voor de verlichting met alle toebehoren, de lampen en de olie voor de verlichting;
Ex. 35,15 het reukofferaltaar met de draagstokken, de zalfolie en de welriekende wierook; het voorhangsel voor de ingang van de woning;
Ex. 35,16 het brandofferaltaar met het bronzen hek, de draagstok ken en alle toebehoren; het wasbekken met het onderstel,
Ex. 35,17 de kleden voor de voorhof, de palen en voetstukken, het voorhangsel voor de ingang van de voorhof;
Ex. 35,18 de tentpinnen voor de woning en voor de voorhof met bijbehorende touwen;
Ex. 35,19 de ambtsgewaden, de heilige gewaden voor de priester Aaron, de gewaden die zijn zonen als priester dragen.'
Ex. 35,20 Daarop ging heel de gemeenschap van IsraŽl bij Mozes vandaan,
Ex. 35,21 en iedereen wiens hart hem dat ingaf en iedereen die daartoe bereid was kwam een bijdrage voor Jahwe brengen, voor de vervaardiging van de tent der samenkomst, voor de inrichting en voor de heilige gewaden.
Ex. 35,22 Mannen en vrouwen snelden toe. Ieder die daartoe bereid was bracht broches, oorringen, vingerringen, halsketenen en andere gouden sieraden, ieder die Jahwe een gouden wijgeschenk wilde afstaan.
Ex. 35,23 Wie in het bezit was van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, van linnen en kleden van geitenhaar, van gelooide ramsvellen of fijn leer, die kwam het brengen.
Ex. 35,24 Ieder die een bijdrage in zilver of brons wilde afstaan bracht ze naar Jahwe. Ook wie de beschikking had over het acacia hout, dat voor verschillende doeleinden nodig was, kwam dit brengen.
Ex. 35,25 De daartoe vaardige vrouwen zetten zich aan het spinnen en brachten wat zij gesponnen hadden: paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en linnen.
Ex. 35,26 De vrouwen die daar vaardig in waren begonnen geitenhaar te spinnen.
Ex. 35,27 De notabelen brachten kornalijn en edelstenen voor de efod en de orakeltas,
Ex. 35,28 geurige kruiden en olie voor de verlichting, voor de zalfolie en voor welriekende wierook.
Ex. 35,29 Alle IsraŽlieten, mannen en vrouwen, die zich gedrongen voelden bij te dragen aan het werk dat Jahwe door Mozes wilde laten uitvoeren, kwamen hun bijdrage voor Jahwe brengen.
Ex. 35,30 Toen maakte Mozes aan de IsraŽlieten bekend: `Jahwe heeft zijn keuze laten vallen op Besalel, zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda.
Ex. 35,31 Hij heeft hem een uitzonderlijke begaafdheid geschonken, vaardigheid, kennis en veelzijdige bekwaamheid.
Ex. 35,32 Hij kan ontwerpen maken, goud, zilver en brons smeden,
Ex. 35,33 stenen snijden en zetten en hout bewerken: in alle technieken is hij bedreven.
Ex. 35,34 Ook de gave om het aan anderen te kunnen leren heeft Hij hem geschonken, hem en Oholiab, zoon van Achisamak, uit de stam Dan.
Ex. 35,35 Hij heeft hun vaardigheid geschonken om te werken in alle technieken: zij kunnen stenen snijden, borduren, paarse, karmijnrode en scharlaken wol vervaardigen en linnen weven. Zij voeren allerlei werk uit en maken ook zelf de ontwerpen.'
 
Ex. 36,1 Besalel, Oholiab en al de vaklieden die Jahwe met vaardigheid en kennis heeft toegerust, zodat ze weten hoe alles voor het heiligdom gemaakt wordt, moeten alles uitvoeren zoals Jahwe het heeft voorgeschreven.
Ex. 36,2 Mozes liet dus Besalel komen met Oholiab en al de vaklieden die Jahwe met vaardigheid had toegerust, allen die zich gedrongen voelden het werk uit te voeren.
Ex. 36,3 Zij kregen van Mozes alle bijdragen die de IsraŽlieten voor de uitvoering van het werk, voor de vervaardiging van het heiligdom, hadden afgestaan. En iedere morgen waren er nog IsraŽlieten die hun vrijwillige gave kwamen brengen.
Ex. 36,4 Toen lieten de vaklieden die met de verschillende werken voor het heiligdom bezig waren het werk dat ze onder handen hadden liggen,
Ex. 36,5 en kwamen Mozes zeggen: `Het volk brengt veel meer dan nodig is voor de uitvoering van het werk dat Jahwe heeft opgedragen.'
Ex. 36,6 Op bevel van Mozes werd toen in het kamp omgeroepen: `Geen man of vrouw hoeft verder nog een bijdrage voor het heilig dom te brengen.' Zo hield men het volk er van af nog meer te brengen.
Ex. 36,7 Er was voldoende, en zelfs meer dan voldoende, bijeen gebracht voor de uitvoering van het hele werk.
Ex. 36,8 Alle vaklieden die bij de uitvoering van het werk betrok ken waren, vervaardigden toen de woning uit tien banen getwijnd linnen en paarse, karmijnrode en scharlaken wol, waarop een vakman kerubs geborduurd had.
Ex. 36,9 De lengte van een baan bedroeg achtentwintig el, de breedte vier el. Alle banen hadden dezelfde afmetingen.
Ex. 36,10 De banen werden vijf aan vijf samengevoegd.
Ex. 36,11 Vervolgens maakte men paarse lussen aan de rand van de buitenste baan van beide stukken,
Ex. 36,12 zodat de lussen precies tegenover elkaar zaten.
Ex. 36,13 Men maakte vijftig gouden haken en bevestigde de banen met deze haken aan elkaar, zodat de woning een geheel werd.
Ex. 36,14 Voor de tent over de woning vervaardigde men banen van geitenhaar, elf banen.
Ex. 36,15 De lengte van een baan bedroeg dertig el, de breedte vier el. Alle elf banen hadden dezelfde afmetingen.
Ex. 36,16 Men hechtte vijf banen aan elkaar, de zes overige even eens.
Ex. 36,17 Men maakte vijftig lussen aan de rand van de buitenste baan van de beide stukken.
Ex. 36,18 Ook werden vijftig koperen haken gemaakt om de beide tentdelen tot een geheel samen te voegen.
Ex. 36,19 Men maakte voor de tent ook nog een dak van gelooide ramsvellen en daaroverheen nog een dak van fijn leer.
Ex. 36,20 Voor de woning werden uit acaciahout rechtopstaande schotten gemaakt.
Ex. 36,21 Ieder schot was tien el lang en anderhalve el breed.
Ex. 36,22 Aan ieder schot zaten ter verbinding twee tappen. Zo werden alle schotten voor de woning gemaakt.
Ex. 36,23 Men maakte dus de schotten voor de woning, twintig schotten voor de zuidkant.
Ex. 36,24 Onder de twintig schotten maakte men veertig zilveren voetstukken, twee voor elk schot, waar de beide tappen in pasten.
Ex. 36,25 Voor de andere kant van de woning voor de noordzijde dus, maakte men ook twintig schotten,
Ex. 36,26 met bijbehorende zilveren voetstukken, twee voor elk schot.
Ex. 36,27 Voor de achterkant van de woning, voor de westzijde dus, werden zes schotten gemaakt.
Ex. 36,28 Ook maakte men twee schotten voor de hoeken aan de achterkant van de woning.
Ex. 36,29 Deze bestonden uit twee haaks op elkaar geplaatste delen; zij liepen van beneden tot bij de eerste ring. Ze waren immers bestemd voor de beide hoeken.
Ex. 36,30 Er waren dus acht schotten en zestien bijbehorende zilveren voetstukken, telkens twee voor een schot.
Ex. 36,31 Men maakte ook verbindingsbalken van acaciahout: vijf voor de schotten aan de beide zijkanten van de woning,
Ex. 36,32 en vijf voor de achterkant, de westzijde, van de woning.
Ex. 36,33 De middelste balk liep midden over de schotten, van de ene kant naar de andere.
Ex. 36,34 De schotten werden met goud overtrokken, voor de balken werden gouden ringen gemaakt en de balken werden met goud over trokken.
Ex. 36,35 Het voorhangsel werd gemaakt van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Een vakman borduurde er kerubs op.
Ex. 36,36 Met gouden haken werd het vastgemaakt aan vier palen van acaciahout die met goud overtrokken waren en rustten op zilveren voetstukken.
Ex. 36,37 Voor de ingang van de tent werd een tapijt gemaakt van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen, rijk geborduurd.
Ex. 36,38 Er kwamen vijf palen van acaciahout met de bijbehorende haken. De koppen en stangen werden overtrokken met goud; de voetstukken waren van brons.
 
Ex. 37,1 Toen maakte Besalel de ark van acaciahout; ze was twee en een halve el lang, anderhalve el breed, anderhalve el hoog.
Ex. 37,2 Hij overtrok haar van binnen en van buiten met goud en bracht rondom een gouden lijst aan.
Ex. 37,3 Hij goot voor de ark vier gouden ringen en bevestigde die aan de vier poten, twee aan elke kant.
Ex. 37,4 Hij maakte ook draagstokken van acaciahout en overtrok die met goud.
Ex. 37,5 De draagstokken werden in de ringen gestoken aan de zijkanten van de ark om die zo te kunnen dragen.
Ex. 37,6 Ook maakte hij de dekplaat, van zuiver goud, twee en een halve el lang, anderhalve el breed.
Ex. 37,7 Hij maakte eveneens twee kerubs, in goud gedreven, aan de beide uiteinden van de dekplaat,
Ex. 37,8 een kerub aan het ene uiteinde en een aan het andere, in relief.
Ex. 37,9 De vleugels van de kerubs waren naar boven uitgestrekt zodat zij de dekplaat overhuifden. De kerubs stonden met hun gezicht naar elkaar toegekeerd, hun gezicht was gericht op de dekplaat.
Ex. 37,10 Hij maakte een tafel van acaciahout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog.
Ex. 37,11 Hij overtrok die met zuiver goud en maakte er een gouden lijst omheen.
Ex. 37,12 Hij legde er een band om, van een handbreed, en zette die af met een gouden lijst.
Ex. 37,13 Hij maakte vier gouden ringen en bevestigde die aan de vier hoeken, bij de poten.
Ex. 37,14 Deze ringen, bestemd voor de stokken waarmee de tafel gedragen werd, zaten dicht bij de band.
Ex. 37,15 De draagstokken maakte hij van acaciahout en overtrok ze met goud. Daarmee werd de tafel gedragen.
Ex. 37,16 De benodigdheden voor de tafel maakte hij van zuiver goud: de schotels en bekkens, de kannen en kommen, die nodig waren voor de plengoffers.
Ex. 37,17 Vervolgens maakte hij de luchter, van zuiver goud. De luchter, met voetstuk en schacht, was drijfwerk waarin kelken met knoppen en bloemen aangebracht waren.
Ex. 37,18 Zes armen gingen van opzij uit de schacht omhoog, drie aan elke kant.
Ex. 37,19 In de eerste arm waren drie amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven. Op dezelfde wijze waren alle zes de armen van de luchter bewerkt.
Ex. 37,20 In de luchter zelf waren vier amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven:
Ex. 37,21 een knop onder het eerste paar armen, een onder het tweede en een onder het derde paar van de zes armen van de luchter.
Ex. 37,22 De knoppen en armen vormden een geheel met de luchter: een stuk drijfwerk van zuiver goud.
Ex. 37,23 Voor de luchter werden zeven lampen met snuiters en bakjes vervaardigd, alles van zuiver goud.
Ex. 37,24 Voor de luchter met toebehoren gebruikte hij een talent zuiver goud.
Ex. 37,25 Vervolgens maakte hij ook een altaar van acaciahout voor het branden van reukwerk. Het was een el lang, een el breed vierkant dus - en twee el hoog. De horens vormden er een geheel mee.
Ex. 37,26 Hij overtrok het met zuiver goud: de bovenkant, de zijvlakken en de horens. Hij maakte er een gouden lijst omheen.
Ex. 37,27 Aan beide zijden maakte hij onder de lijst twee gouden ringen, bestemd voor de draagstokken waarmee het altaar opgetild werd.
Ex. 37,28 Hij maakte de draagstokken van acaciahout en overtrok ze met goud.
Ex. 37,29 Hij bereidde ook de heilige zalfolie en reukwerk, een geurig mengsel zoals een reukwerker dat samenstelt.
 
Ex. 38,1 Toen maakte hij het brandofferaltaar van acaciahout. Het was vijf el lang en vijf el breed - vierkant dus - en drie el hoog.
Ex. 38,2 Op de vier hoeken bracht hij vier horens aan die er een geheel mee vormden. Het werd bekleed met brons.
Ex. 38,3 Ook maakte hij alle benodigdheden voor het altaar: de bakken, scheppen, schalen, vorken en vuurpannen, alles van brons.
Ex. 38,4 Om het altaar bracht hij als afrastering een bronzen hek aan, van de benedenrand tot halverhoogte.
Ex. 38,5 Ook goot hij vier ringen voor de vier hoeken van het bronzen hek, voor de draagstokken.
Ex. 38,6 De draagstokken maakte hij van acaciahout en hij overtrok ze met brons.
Ex. 38,7 Toen stak hij de draagstokken in de ringen aan weerszij den van het altaar om het zo op te tillen. Hij maakte het altaar van planken en liet het van binnen hol.
Ex. 38,8 Vervolgens vervaardigde hij het bronzen bekken, op een bronzen onderstel. Hiervoor gebruikte hij de spiegels van de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent van de samen komst.
Ex. 38,9 Toen maakte hij de voorhof. De kleden voor de zuidkant van de voorhof waren van getwijnd linnen, honderd el lang.
Ex. 38,10 De twintig bijbehorende palen en voetstukken waren van brons, de haken aan de palen en de stangen van zilver.
Ex. 38,11 Ook voor de noordkant maakte hij kleden over een lengte van honderd el, twintig palen en voetstukken van brons, alsmede haken en stangen van zilver.
Ex. 38,12 Aan de westkant maakte hij kleden over een lengte van vijftig el, en tien palen en voetstukken, alsmede haken en stangen van zilver.
Ex. 38,13 Ook de oostkant was vijftig el lang.
Ex. 38,14 Daar kwamen aan de ene kant kleden over een lengte van vijftien el met drie bijbehorende palen en voetstukken.
Ex. 38,15 Ook aan de andere kant - aan beide kanten van de ingang van de voorhof hingen kleden - kleden over een lengte van vijf tien el met drie bijbehorende palen en voetstukken.
Ex. 38,16 Alle kleden rond de voorhof waren van getwijnd linnen.
Ex. 38,17 De voetstukken voor de palen waren van brons, de haken aan de palen en de stangen waren van zilver. De kop van de palen was overtrokken met zilver en er zaten zilveren banden om.
Ex. 38,18 Aan de ingang van de voorhof kwam een rijk geborduurd voorhangsel van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Het was twintig el lang en - over de breedte vijf el hoog, in aansluiting op de kleden van de voorhof.
Ex. 38,19 De vier bijbehorende palen en voetstukken waren van brons, de haken van zilver. De kop van de palen was overtrokken met zilver en er zaten zilveren banden om.
Ex. 38,20 Alle tentpinnen voor de woning en de voorhof waren van brons.
Ex. 38,21 Hier volgt een berekening van de kosten van de woning, de woning met de verbondsakte, op bevel van Mozes becijferd door de levieten onder leiding van Itamar, zoon van de priester Aaron.
Ex. 38,22 Besalel, zoon van Uri, zoon van Chur uit de stam Juda, voerde alles uit zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Ex. 38,23 Hij werd ter zijde gestaan door Oholiab, zoon van Achisamak, uit de stam Dan; deze kon stenen snijden, borduren, paarse, karmijnrode en scharlaken wol en linnen weven.
Ex. 38,24 Het totaal bedrag aan goud, afkomstig van de bijdragen, dat bij de vervaardiging van het heiligdom - alles meegerekend besteed werd bedroeg negenentwintig talenten en zevenhonderdder tig sikkels, in heilige munt.
Ex. 38,25 Het zilver, afkomstig van de geregistreerden van de gemeenschap, kwam op honderd talenten en zeventienhonderdvijfen zeventig sikkels, in heilige munt.
Ex. 38,26 Dat was dus een beka per man - een halve sikkel in heilige munt - van alle geregistreerden van twintig jaar en ouder. In totaal waren het zeshonderddrieduizendvijfhonderden vijftig personen.
Ex. 38,27 De honderd talenten zilver werden gebruikt voor de voetstukken van het heiligdom en de voetstukken van het voorhangsel: voor honderd voetstukken honderd talenten, dus een talent per voetstuk.
Ex. 38,28 Van de zeventienhonderdvijfenzestig sikkels maakte men de haken, men overtrok er de koppen van de palen mee en maakte er de zilveren banden van.
Ex. 38,29 De bijdragen aan brons bedroegen zeventig talenten en vierentwintighonderd sikkels.
Ex. 38,30 Hiervan maakte men de voetstukken voor de ingang van de tent der samenkomst, het bronzen altaar met het bronzen hek en alle altaarbenodigdheden.
Ex. 38,31 Verder de voetstukken voor de voorhof, alle tentpinnen van de woning en alle tentpinnen van de voorhof.
 
Ex. 39,1 Voor de dienst in het heiligdom werden ambtsgewaden vervaardigd van paarse, karmijnrode en scharlaken wol. Voor Ašron maakte men de heilige gewaden zoals Jahwe aan Mozes bevolen had.
Ex. 39,2 Hij maakte de efod van goud, paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen.
Ex. 39,3 Men plette bladen van goud en sneed ze in strookjes om ze te verwerken in de paarse, karmijnrode en scharlaken wol en in het linnen: een waar kunstwerk.
Ex. 39,4 Aan de beide uiteinden van de efod maakte men schouder banden om hem vast te maken.
Ex. 39,5 Van hetzelfde materiaal werd een gordel gemaakt die er een geheel mee vormde: paarse, karmijnrode en scharlaken wol en getwijnd linnen, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had.
Ex. 39,6 Op de kornalijnstenen, gevat in gouden zettingen, graveerde men de namen van de zonen van IsraŽl, zoals men zegels snijdt.
Ex. 39,7 Ze werden vervolgens bevestigd aan de efod: zij herinneren Jahwe aan de IsraŽlieten. Zo had Jahwe aan Mozes bevolen.
Ex. 39,8 Een kunstenaar maakte van hetzelfde materiaal als de efod de orakeltas: van goud, paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen.
Ex. 39,9 Ze was vierkant, een span lang en een span breed, en bestond uit twee stukken.
Ex. 39,10 Ze werd bezet met vier rijen edelstenen: een robijn, een topaas en een smaragd vormden de eerste rij,
Ex. 39,11 een karbonkel, een saffier en een jaspis de tweede,
Ex. 39,12 een hyacint, een agaat en een amatist de derde,
Ex. 39,13 een chrysoliet, een kornalijn en een onyx de vierde rij. Ze waren gevat in gouden zettingen.
Ex. 39,14 Er waren twaalf stenen, zoals er twaalf namen zijn van de zonen van IsraŽl. Op iedere steen was de naam van een der twaalf stammen gegraveerd, zoals men bij zegels doet.
Ex. 39,15 Voor de orakeltas maakte men kettinkjes van zuiver goud, in de vorm van gevlochten snoeren.
Ex. 39,16 Ook maakte men twee gouden zettingen en twee gouden ringen;
Ex. 39,17 deze ringen werden bevestigd aan de beide uiteinden van de orakeltas.
Ex. 39,18 Aan de andere kant maakte men de twee gouden snoeren vast aan de twee zettingen en bevestigde ze van voren aan de schouderbanden van de efod.
Ex. 39,19 Toen maakte men nog twee gouden ringen en bevestigde deze aan de uiteinden van de orakeltas, aan de binnenkant, tegen de efod aan.
Ex. 39,20 Toen maakte men nog eens twee gouden ringen en bevestig de deze onder aan de voorkant van de beide schouderbanden van de efod, vlak bij de band boven de gordel.
Ex. 39,21 Toen haalde men een paars koord door de ringen van de orakeltas en de efod en bond de orakeltas zo aan de gordel van de efod dat ze er vast tegenaan zat, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Ex. 39,22 De efodmantel werd geheel gemaakt van paarse wol.
Ex. 39,23 In het midden was een opening met een geweven rand als bij een wapenrok, om inscheuren te voorkomen.
Ex. 39,24 Aan de zoom van de mantel werden granaatappels bevestigd van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen.
Ex. 39,25 Van zuiver goud maakte men klokjes en hing die tussen de granaatappels aan de zoom van de mantel;
Ex. 39,26 dus om en om gouden klokjes en granaatappels rondom aan de zoom van de mantel voor de eredienst, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Ex. 39,27 Voor Ašron en zijn zonen vervaardigde men tunieken van geweven linnen,
Ex. 39,28 hoofddeksels van linnen en lendenschorten van getwijnd linnen,
Ex. 39,29 de gordel van getwijnd linnen, van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, kunstig bewerkt, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Ex. 39,30 Men maakte een bloem, de heilige diadeem, van zuiver goud en graveerde daarin als in een zegel: Jahwe gewijd.
Ex. 39,31 Met een paars koord maakte men ze vast op de voorzijde van het hoofddeksel, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Ex. 39,32 Zo kwam het werk aan de woning, de tent van de samen komst, tot voltooiing. De IsraŽlieten hadden alles precies uitgevoerd zoals Jahwe aan Mozes bevolen had.
Ex. 39,33 Toen brachten ze de woning bij Mozes: de tent met alle toebehoren, haken, schotten, balken, palen en voetstukken,
Ex. 39,34 het dak van gelooide ramsvellen, het dak van fijn leer en het voorhangselkleed,
Ex. 39,35 de ark met de verbondsakte, met draagstokken en dek plaat,
Ex. 39,36 de tafel met alle toebehoren en het toonbrood;
Ex. 39,37 de luchter van zuiver goud met de lampen - de hele reeks - met alle toebehoren en de olie voor de verlichting,
Ex. 39,38 het gouden altaar, de zalfolie en welriekende wierook, het kleed voor de ingang van de tent;
Ex. 39,39 het bronzen altaar met het bijbehorende bronzen hek, de draagstokken en alle toebehoren: het wasbekken met het onderstel;
Ex. 39,40 de kleden voor de voorhof, de palen en voetstukken, het kleed voor de ingang van de voorhof, de touwen en tentpinnen en alle benodigdheden voor de dienst in de woning, de tent van de samenkomst;
Ex. 39,41 de ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom, de heilige gewaden voor de priester Ašron en de gewaden voor zijn zonen, voor de priesterlijke dienst.
Ex. 39,42 De IsraŽlieten hadden het hele werk precies zo uitgevoerd als Jahwe aan Mozes had bevolen.
Ex. 39,43 Toen Mozes het hele werk aanschouwde en zag dat ze het hadden uitgevoerd zoals Jahwe had bevolen, dat ze het precies zo hadden uitgevoerd, gaf hij hun zijn zegen.
 
Ex. 40,1 Toen sprak Jahwe tot Mozes:
Ex. 40,2 `Op de eerste dag van de eerste maand moet gij de woning opstellen, de tent van de samenkomst.
Ex. 40,3 Zet er de ark met de verbondsakte in en hang het voorhangsel op.
Ex. 40,4 Plaats dan de tafel en stel alles wat erbij hoort orde lijk op. Vervolgens ook de luchter met de lampen.
Ex. 40,5 Voor de ark met de verbondsakte moet ge het gouden reukofferaltaar neerzetten, en voor de ingang van de woning, de tent van samenkomst, het kleed hangen.
Ex. 40,6 Het brandofferaltaar komt voor de ingang van de woning, de tent van de samenkomst.
Ex. 40,7 Zet het wasbekken tussen de tent van de samenkomst en het altaar en giet er water in.
Ex. 40,8 Dan moet ge daaromheen de voorhof optrekken en voor de ingang daarvan het kleed ophangen.
Ex. 40,9 Heel de woning en alles wat er in staat moet ge met olie zalven en met alle toebehoren wijden zodat het heilig is.
Ex. 40,10 Ook het brandofferaltaar met al zijn toebehoren moet ge zalven en wijden zodat het hoogheilig is.
Ex. 40,11 Ook het wasbekken met het onderstel moet ge zalven en wijden.
Ex. 40,12 Dan ontbiedt gij Ašron met zijn zonen bij de ingang van de tent der samenkomst en reinigt hen met water.
Ex. 40,13 Bekleed Ašron met de heilige gewaden, zalf hem en wijd hem tot mijn priester.
Ex. 40,14 Vervolgens ontbiedt gij zijn zonen en doet hun de tunieken aan.
Ex. 40,15 Zalf hen tot mijn priesters, evenals hun vader. De zalving zal hun voor altijd de priesterlijke waardigheid verlenen, al hun geslachten door.'
Ex. 40,16 Mozes bracht alles ten uitvoer zoals Jahwe had voorgeschreven.
Ex. 40,17 De woning werd opgesteld in de eerste maand van het tweede jaar, op de eerste van de maand.
Ex. 40,18 Mozes liet de woning opstellen: men plaatste de voet stukken, bevestigde de schotten, bracht de verbindingslatten aan en richtte de palen op.
Ex. 40,19 De tent werd over de woning gespannen en daaroverheen werd het tentdak gelegd, zoals Jahwe Mozes bevolen had.
Ex. 40,20 Mozes legde de verbondsakte in de ark, schoof de draag stangen aan de ark en legde er de dekplaat op.
Ex. 40,21 Hij bracht de ark in de woning, hing het voorhangsel op zodat de ark met de verbondsakte naar Jahwe's bevel aan het gezicht werd onttrokken.
Ex. 40,22 Hij plaatste de tafel in de tent van de samenkomst, aan de noordkant van de woning, voor het voorhangsel.
Ex. 40,23 Hij zette er het toonbrood op, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had.
Ex. 40,24 Hij plaatste de luchter in de tent van de samenkomst, tegenover de tafel, aan de zuidkant.
Ex. 40,25 Hij stelde de lampen op voor Jahwe, zoals Jahwe hem bevolen had.
Ex. 40,26 Hij plaatste het gouden altaar in de tent van de samen komst, voor het voorhangsel.
Ex. 40,27 Toen brandde Mozes welriekende wierook zoals Jahwe hem bevolen had.
Ex. 40,28 Hij hing het kleed op voor de ingang van de woning.
Ex. 40,29 Toen plaatste hij het altaar voor de ingang van de woning, de tent van de samenkomst, en hij droeg het brandoffer en het meeloffer op, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had.
Ex. 40,30 Het wasbekken plaatste hij tussen de tent van de samen komst en het altaar en goot er water in.
Ex. 40,31 Mozes en Ašron met zijn zonen wasten er hun handen en voeten.
Ex. 40,32 Telkens wanneer zij de tent van de samenkomst binnen gingen en het altaar naderden wasten zij zich, zoals Jahwe Mozes bevolen had.
Ex. 40,33 Rondom de woning en het altaar werd de voorhof opgetrokken en voor de ingang van de voorhof werd het kleed opgehangen. Daarmee was het werk van Mozes voltooid.
Ex. 40,34 Toen overdekte de wolk de tent van de samenkomst en vulde de heerlijkheid van Jahwe de woning.
Ex. 40,35 En Mozes kon de tent niet binnengaan, want de wolk rustte erboven, en de heerlijkheid van Jahwe vulde de woning.
Ex. 40,36 Op heel hun tocht trokken de IsraŽlieten telkens pas verder als de wolk zich van de woning verhief.
Ex. 40,37 Als de wolk zich niet verhief bleven zij wachten.
Ex. 40,38 Op heel hun tocht rustte overdag de wolk van Jahwe boven de woning, maar's nachts was er een vuurgloed, die zichtbaar was voor alle IsraŽlieten.

Leviticus

Lev. 1,1 Jahwe riep Mozes en sprak tot hem vanuit de tent van de samenkomst:
Lev. 1,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer iemand van u Jahwe een gave wil aanbieden, kan hij daarvoor een rund of een stuk klein vee kiezen.
Lev. 1,3 Wil hij een rund als brandoffer aanbieden, dan moet hij een gaaf mannelijk dier nemen en dat bij de ingang van de tent der samenkomst aanbieden; zo schept Jahwe behagen in hem.
Lev. 1,4 Hij legt dan zijn hand op de kop van het offerdier; zo wordt het goedgunstig aanvaard en bewerkt verzoening voor hem.
Lev. 1,5 Hij slacht het rund voor Jahwe; de priesters, de zonen van Ašron, offeren het bloed en sprenkelen het rondom op het altaar bij de ingang van de tent der samenkomst.
Lev. 1,6 Hij vilt het offerdier en snijdt het in stukken.
Lev. 1,7 De priesters, de zonen van Ašron, brengen vuur op het altaar en stapelen daar hout op.
Lev. 1,8 Op dat hout leggen zij de stukken vlees, evenals de kop en het vet.
Lev. 1,9 Dan wast hij de ingewanden en de poten en de priester doet alles op het altaar in rook opgaan. Zo is het een reukoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Lev. 1,10 Wil iemand een schaap of een geit als brandoffer aanbieden, dan moet hij eveneens een gaaf mannelijk dier aanbieden.
Lev. 1,11 Hij slacht het aan de noordkant van het altaar voor Jahwe. De priesters, de zonen van Ašron, sprenkelen het bloed rondom op het altaar.
Lev. 1,12 Hij snijdt het dier in stukken en de priester legt die, evenals de kop en het vet, op het brandende hout, dat op het altaar ligt.
Lev. 1,13 Dan wast hij de ingewanden en de poten en de priester offert dit alles door het op het altaar in rook te doen opgaan. Zo is het een brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Lev. 1,14 Wil iemand vogels als brandoffer aan Jahwe aanbieden, dan kan hij tortels of duiven nemen.
Lev. 1,15 De priester brengt die naar het altaar, knijpt ze de kop af en doet die op het altaar in rook opgaan; het bloed laat men langs de wand van het altaar uitdruipen.
Lev. 1,16 Hij verwijdert de krop met wat erin zit en werpt die aan de oostkant van het altaar op de asbelt.
Lev. 1,17 De priester scheurt het dier in bij de vleugels zonder die eraf te trekken. Dan doet hij het dier op het brandende hout, dat op het altaar ligt, in rook opgaan. Zo is het een brandoffer, een geurige gave, die Jahwe behaagt.
 
Lev. 2,1 Wanneer iemand Jahwe een meeloffer aanbiedt, moet dat offer bestaan uit bloem. Hij giet er olie op, voegt er wierook aan toe
Lev. 2,2 en brengt het naar de priesters, de zonen van Ašron. Een priester neemt een handvol van de bloem met olie en al de wie rook, die erbij hoort, en doet dit als teken van het geheel op het altaar in rook opgaan, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Lev. 2,3 De rest van het meeloffer komt toe aan Ašron en zijn zonen: dit soort offergaven aan Jahwe is hoogheilig.
Lev. 2,4 Wanneer gij een meeloffer wilt aanbieden, in de oven gebakken, dan moet het uit bloem zijn gemaakt en de vorm hebben van ongezuurde broden, met olie aangemaakt, of van ongezuurde dunne koeken, met olie bestreken.
Lev. 2,5 Biedt gij een meeloffer aan, op de bakplaat bereid, dan moet het eveneens van bloem zijn, met olie aangemaakt en ongezuurd.
Lev. 2,6 Snijd het in stukken en giet er olie over. Zo is het een meeloffer.
Lev. 2,7 Biedt gij een meeloffer aan, in de pan bereid, ook dan moet het bestaan uit bloem en olie.
Lev. 2,8 Het zo bereide meeloffer brengt gij naar Jahwe. De offeraar overhandigt het aan de priester, die het naar het altaar brengt.
Lev. 2,9 De priester neemt dan een deel van het meeloffer, als teken van het geheel, en doet dat op het altaar in rook opgaan, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Lev. 2,10 De rest van het meeloffer komt toe aan Ašron en zijn zonen: dit soort offergaven aan Jahwe is hoogheilig.
Lev. 2,11 Geen enkel meeloffer dat ge aan Jahwe aanbiedt, mag met zuurdeeg worden klaargemaakt; nooit mogen zuurdeeg of honing deel uitmaken van de offergaven, die ge voor Jahwe in rook doet opgaan.
Lev. 2,12 Wel moogt ge ze als uitgelezen gaven aan Jahwe aanbieden, maar ze mogen niet van het altaar opstijgen als aangename geur.
Lev. 2,13 Bij alle meeloffers moet ge zout doen; bij geen ervan mag het zout van uw verbond met God ontbreken. Ge moet dus zout voegen bij alle gaven die gij aanbiedt.
Lev. 2,14 Biedt ge Jahwe een meeloffer uit de eerste vruchten aan, dan moet dat bestaan uit geroosterde aren of geplet graan van de nieuwe oogst.
Lev. 2,15 Ge moet er olie en wierook bijdoen. Zo is het een meeloffer.
Lev. 2,16 De priester doet, als teken van het geheel, een deel van het graan, wat olie en al de wierook in rook opgaan, als offergave voor Jahwe.
 
Lev. 3,1 Wanneer iemand Jahwe een slachtoffer aanbiedt en daarvoor een rund kiest, dan mag het een mannelijk of vrouwelijk dier zijn, als het maar gaaf is.
Lev. 3,2 Hij legt zijn hand op de kop van het offerdier en slacht het bij de ingang van de tent der samenkomst. De priesters, de zonen van Ašron, sprenkelen het bloed rondom op het altaar.
Lev. 3,3 Dan biedt hij een deel van het slachtoffer als offergave aan Jahwe aan: het vet aan en om de ingewanden,
Lev. 3,4 de nieren met het vet eraan, bij de lenden, en de lever kwab, die hij met de nieren verwijdert.
Lev. 3,5 De zonen van Ašron doen dat op het altaar in rook opgaan, tegelijk met het brandoffer, dat op het brandende hout ligt. Zo is het een geurige gave die Jahwe behaagt.
Lev. 3,6 Wil hij Jahwe een schaap of een geit als slachtoffer aanbieden, dan mag het een mannelijk of een vrouwelijk dier zijn, als het maar gaaf is.
Lev. 3,7 Biedt hij een schaap aan, dan brengt hij het dier voor Jahwe,
Lev. 3,8 legt het de hand op de kop en slacht het bij de tent van de samenkomst. De zonen van Ašron sprenkelen het bloed rondom op het altaar.
Lev. 3,9 Dan biedt hij Jahwe het vet van het slachtoffer als offergave aan: de hele staart, afgesneden bij het staartbeen, het vet aan en om de ingewanden,
Lev. 3,10 de nieren met het vet eraan, bij de lenden, en de leverkwab, die hij met de nieren verwijdert.
Lev. 3,11 Dit alles doet de priester in rook opgaan, als spijs en offer voor Jahwe.
Lev. 3,12 Biedt hij een geit aan, dan brengt hij het dier voor Jahwe,
Lev. 3,13 legt het de hand op de kop en slacht het bij de tent van de samenkomst. De zonen van Ašron sprenkelen het bloed rondom op het altaar.
Lev. 3,14 Een deel van het offerdier biedt hij Jahwe als offergave aan; het vet aan en om de ingewanden,
Lev. 3,15 de nieren met het vet eraan, bij de lenden, en de lever kwab, die hij met de nieren verwijdert.
Lev. 3,16 Al het vet doet de priester op het altaar in rook opgaan, als spijs, als geurige gave voor Jahwe.
Lev. 3,17 Dit is een blijvende bepaling voor al uw geslachten, waar ge ook woont: nuttig nooit vet of bloed.
 
Lev. 4,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 4,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer iemand door onoplettendheid zondigt tegen de voorschriften van Jahwe en iets doet dat verboen is
Lev. 4,3 en het is een gezalfde priester die zondigt, zodat hij schuld brengt over het volk, dan moet hij voor zijn zonde aan Jahwe een gave stier als zondeoffer aanbieden.
Lev. 4,4 Hij brengt het dier naar de ingang van de tent der samenkomst, voor Jahwe, legt het de hand op de kop en slacht het voor Jahwe.
Lev. 4,5 De gezalfde priester gaat met het bloed van de stier naar de tent van de samenkomst,
Lev. 4,6 doopt er zijn vinger in en besprenkelt daarmee voor Jahwe zevenmaal het voorhangsel van het heiligdom.
Lev. 4,7 Hij strijkt ook bloed aan de horens van het reukofferaltaar, dat in de tent van de samenkomt voor Jahwe staat. De rest ervan giet hij uit aan de voet van het reukofferaltaar, bij de ingang van de tent.
Lev. 4,8 Van de stier van het zondeoffer haalt hij al het vet af: het vet aan en om de ingewanden,
Lev. 4,9 de nieren en het vet eraan, bij de lenden, en de lever kwab, die hij met de nieren verwijdert,
Lev. 4,10 op dezelfde manier als bij een rund voor het slachtoffer. De priester doet dat op het brandofferaltaar in rook opgaan.
Lev. 4,11 De huid van de stier, al het vlees met de kop en de poten, de ingewanden en de darmen,
Lev. 4,12 kortom, het hele dier, brengt hij buiten het kamp, naar een reine plaats, waar de as wordt gestort. Hij verbrandt het in een houtvuur; het moet op de asbelt verbrand worden.
Lev. 4,13 Is het heel de gemeenschap van IsraŽl die door onoplettendheid zondigt, zonder dat de gemeente weet, dat zij iets doet wat Jahwe heeft verboden en daardoor schuld op zich laadt,
Lev. 4,14 dan moet heel de gemeente, zodra de zonde aan het licht komt, een stier als zondeoffer aanbieden en die voor de tent van de samenkomst brengen.
Lev. 4,15 Dan leggen de oudsten van de gemeenschap voor Jahwe hun hand op de kop van het dier en men slacht het voor Jahwe.
Lev. 4,16 Daarop gaat de gezalfde priester met het bloed van de stier naar de tent van de samenkomst,
Lev. 4,17 doopt er zijn vinger in en besprenkelt daarmee voor Jahwe zevenmaal het voorhangsel.
Lev. 4,18 Hij strijkt ook bloed aan de horens van het altaar, dat in de tent van de samenkomst voor Jahwe staat. De rest ervan giet hij uit aan de voet van het brandofferaltaar, bij de ingang van de tent der samenkomst.
Lev. 4,19 Al het vet haalt hij eraf en doet dat op het altaar in rook opgaan.
Lev. 4,20 Verder doet hij met deze stier hetzelfde als met de stier van het zondeoffer. Zo voltrekt de priester voor hen de verzoening en wordt hun vergeving geschonken.
Lev. 4,21 Hij brengt het dier buiten het kamp en verbrandt het op dezelfde wijze als de eerstgenoemde stier. Dit is het zondeoffer voor de gemeente.
Lev. 4,22 Is het een leider, die door onoplettendheid zondigt, omdat hij iets doet wat Jahwe heeft verboden en daardoor schuld op zich laadt,
Lev. 4,23 dan moet hij, zodra zijn zonde hem bekend wordt, een bok zonder gebrek aanbieden.
Lev. 4,24 Hij legt de hand op de kop van het dier en slacht het voor Jahwe, op de plaats waar men ook het brandoffer slacht. Zo is het een zondeoffer.
Lev. 4,25 De priester strijkt bloed van het zondeoffer aan de horens van het brandofferaltaar; de rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het altaar.
Lev. 4,26 Al het vet doet hij op het altaar in rook opgaan, juist als het vet van een slachtoffer. Zo voltrekt hij voor hem de verzoening voor zijn zonden en wordt hem vergeving geschonken.
Lev. 4,27 Is het iemand van het volk van het land die door onoplettendheid heeft gezondigd, omdat hij iets heeft gedaan dat Jahwe heeft verboden en daardoor schuld op zich heeft geladen,
Lev. 4,28 dan moet hij, zodra zijn zonde hem bekend wordt, een geit zonder gebrek aanbieden voor zijn zonde.
Lev. 4,29 Hij legt zijn hand op de kop van het offerdier en slacht het op de plaats waar ook het brandoffer geslacht wordt.
Lev. 4,30 De priester strijkt het bloed aan de horens van het brandofferaltaar; de rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het altaar.
Lev. 4,31 Al het vet haalt hij er uit, zoals bij een slachtoffer. De priester doet het op het altaar in rook opgaan als geurige gave voor Jahwe. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening en wordt hem vergeving geschonken.
Lev. 4,32 Wil hij als zondeoffer een schaap aanbieden, dan moet het een gaaf vrouwelijk dier zijn.
Lev. 4,33 Hij legt zijn hand op de kop van het dier en slacht het als zondeoffer, op de plaats waar men het brandoffer slacht.
Lev. 4,34 De priester strijkt het bloed van het zondeoffer aan de horens van het brandofferaltaar.
Lev. 4,35 Al het vet haalt hij eruit, zoals bij een schaap van het slachtoffer. De priester doet het met de andere offers voor Jahwe op het altaar in rook opgaan. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening en wordt hem vergeving geschonken.
 
Lev. 5,1 Wanneer iemand een vervloeking hoort en daar getuige van is of wanneer hij iets ziet of weet en dat niet aangeeft, dan zondigt hij en draagt hij de volle verantwoording.
Lev. 5,2 Iemand raakt bijvoorbeeld zonder erg iets onreins aan, het kreng van een wild, tam of kruipend dier en een ander komt het te weten en wordt daardoor schuldig;
Lev. 5,3 iemand raakt zonder erg iets onreins van een mens aan, onverschillig wat, en een ander komt het te weten en wordt daardoor schuldig;
Lev. 5,4 of iemand laat zich een ondoordachte eed ontvallen ten goede of ten kwade of hoe dan ook en een ander komt het te weten en wordt daardoor schuldig:
Lev. 5,5 in al deze gevallen moet de getuige die aan een van deze dingen schuldig is, belijden op welk punt hij gezondigd heeft.
Lev. 5,6 Vanwege de zonde die hij heeft bedreven, moet hij dan Jahwe ter genoegdoening uit zijn kudde een vrouwelijk dier, schaap of geit, als zondeoffer aanbieden. De priester voltrekt voor hem de verzoening voor zijn zonden.
Lev. 5,7 Kan hij een stuk kleinvee niet betalen, dan kan hij Jahwe ter genoegdoening voor zijn zonde twee tortels of duiven brengen, een als zondeoffer en een als brandoffer.
Lev. 5,8 Hij brengt ze naar de priester, die eerst het dier offert dat voor het zondeoffer bestemd is; hij knijpt het vlak bij de nek af, zonder die er af te trekken,
Lev. 5,9 en sprenkelt het bloed van het zondeoffer tegen de altaarwand. De rest van het bloed wordt er tegen de voet van het altaar uitgeknepen. Zo is het een zondeoffer.
Lev. 5,10 De tweede vogel draagt hij, op de voorgeschreven wijze, als brandoffer op. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening voor de zonde, die hij heeft bedreven en wordt hem vergeving geschonken.
Lev. 5,11 Is hij niet in staat twee tortels of twee duiven te betalen, dan moet hij als gave voor hetgeen hij misdaan heeft een tiende efa bloem als zondeoffer brengen, zonder er olie op te doen of er wierook bij te voegen, omdat het een zondeoffer is.
Lev. 5,12 Hij brengt dat naar de priester, die er, als teken van het geheel, een handvol uitneemt en met de offergaven van Jahwe op het altaar in rook doet opgaan. Zo is het een zondeoffer.
Lev. 5,13 De priester voltrekt voor hem de verzoening voor een van de genoemde zonden die hij heeft bedreven en er wordt hem vergeving geschonken. De rest komt toe aan de priester, zoals bij het meeloffer.
Lev. 5,14 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 5,15 Wanneer iemand een vergrijp begaat en zich door onoplettendheid bezondigt aan iets wat Jahwe is toegewijd, dan moet hij Jahwe ter genoegdoening uit zijn kudde een ram zonder gebrek als schuldoffer brengen, ter waarde van zoveel zilveren sikkels in heilige munt.
Lev. 5,16 Hij moet het heilige waaraan hij zich bezondigd heeft vergoeden, vermeerderd met een vijfde, en aan de priester geven. De priester voltrekt voor hem de verzoening met de ram van het schuldoffer en er wordt hem vergeving geschonken.
Lev. 5,17 Wanneer iemand zonder het te weten zondigt tegen een van de voorschriften van Jahwe en iets doet wat verboden is, dan is hij schuldig en moet ervoor boeten.
Lev. 5,18 Hij moet als schuldoffer uit zijn kudde een ram zonder gebrek, van een bepaalde waarde, naar de priester brengen. Deze voltrekt voor hem de verzoening voor de zonde, die hij door onoplettendheid en zonder het te weten heeft bedreven, en er wordt hem vergeving geschonken.
Lev. 5,19 Het is een schuldoffer, want hij had zich schuldig gemaakt tegenover Jahwe.
Lev. 5,20 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 5,21 Wanneer iemand zondigt en een vergrijp begaat tegen Jahwe, - door te ontkennen dat een volksgenoot hem iets in bewaring gegeven of ter hand gesteld heeft,
Lev. 5,22 door met een valse eed te loochenen dat hij een verloren voorwerp gevonden heeft, of door andere soortgelijke vergrijpen,
 
Lev. 5,23 dan moet hij, omdat hij gezondigd en schuld op zich geladen heeft, het geroofde, het door uitbuiting verkregene, het in bewaring gegevene of het gevonden voorwerp
Lev. 5,24 of datgene waarover hij een valse eed heeft afgelegd, geheel vergoeden, vermeerderd met een vijfde van de waarde, en dat op de dag van zijn schuldoffer aan de eigenaar geven.
Lev. 5,25 Hij moet Jahwe ter genoegdoening uit zijn kudde een ram zonder gebrek, van een bepaalde waarde, als schuldoffer aanbieden.
Lev. 5,26 Hij brengt het dier naar de priester en voor Jahwe voltrekt deze aan hem de verzoening voor de overtreding, waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt.
 
Lev. 6,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 6,2 Geef Ašron en zijn zonen deze voorschriften: Dit is de wet op het brandoffer: het brandoffer moet de hele nacht tot aan de morgen op het vuur blijven liggen, dat op het altaar brandend wordt gehouden.
Lev. 6,3 De priester, gekleed in een linnen gewaad en met een lendendoek om het lichaam, verzamelt dan de as van het brandoffer, dat op het altaar verteerd is, en legt die ernaast.
Lev. 6,4 Dan kleedt hij zich om en brengt de as buiten het kamp op een reine plaats.
Lev. 6,5 Het vuur op het altaar moet brandend worden gehouden; het mag niet uitgaan. Iedere morgen moet de priester hout op het vuur doen, waarop hij het brandoffer legt en het vet van de slachtoffers in rook doet opgaan.
Lev. 6,6 Het vuur op het altaar moet zonder onderbreking blijven branden; het mag nooit uitgaan.
Lev. 6,7 Dit is de wet op het meeloffer. De zonen van Ašron offeren het voor Jahwe bij het altaar.
Lev. 6,8 Een priester neemt van het meeloffer een handvol bloem en wat olie en doet dat met de bijbehorende wierook, als teken van het geheel, op het altaar in rook opgaan, als een geur die Jahwe behaagt.
Lev. 6,9 Het overige mogen Ašron en zijn zonen gebruiken, maar het moet ongezuurd worden gegeten op een heilige plaats, binnen de voorhof van de tent der samenkomst.
Lev. 6,10 Het mag niet met zuurdeeg worden gebakken. Het is het aandeel dat ik hun van mijn offergaven schenk. Het is even hoog heilig als het zondeoffer en het schuldoffer.
Lev. 6,11 Alle mannelijke nakomelingen van Ašron mogen ervan eten; dit aandeel in de offergaven van Jahwe is een blijvend recht, al uw geslachten door. Alles wat ermee in aanraking komt is gewijd.
Lev. 6,12 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 6,13 Dit is het offer dat Ašron en zijn zonen moeten brengen op de dag van Ašrons zalving: een tiende efa bloem als dagelijks meeloffer, de ene helft 's morgens, de andere helft 's avonds.
Lev. 6,14 Het moet, met olie gekneed, op de bakplaat worden klaargemaakt. Ge moet het in stukken breken en opdragen als meeloffer, waarvan de geur Jahwe behaagt.
Lev. 6,15 De zoon die hem als gezalfde priester opvolgt, moet hetzelfde doen. Dit is een eeuwige wet. Voor Jahwe moet het geheel en al in rook opgaan:
Lev. 6,16 Dat geldt voor elk meeloffer van een priester: er mag niet van worden gegeten.
Lev. 6,17 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 6,18 Zeg aan Ašron en zijn zonen: Dit is de wet op het zondeoffer. Het zondeoffer moet worden geslacht voor Jahwe, op dezelfde plaats als het brandoffer: het is hoogheilig.
Lev. 6,19 De priester die het zondeoffer opdraagt, moet het ook eten, en wel op een heilige plaats, in de voorhof van de tent der samenkomst.
Lev. 6,20 Ieder die het vlees ervan aanraakt is gewijd. Spat er bloed op iemands kleed, dan moet ge dat uitwassen op een heilige plaats.
Lev. 6,21 Het aarden vaatwerk, waarin het gekookt is, moet stukgeslagen worden; is het in een bronzen vat gekookt, dan moet dit geschuurd en uitgespoeld worden.
Lev. 6,22 Alleen mannelijke leden van het priestergeslacht mogen het eten: het is hoogheilig.
Lev. 6,23 Het zondeoffer echter, waarvan men bloed naar de tent van de samenkomst brengt om er in het heiligdom de verzoening mee te voltrekken, mag niet worden gegeten; het moet verbrand worden.
 
Lev. 7,1 Dit is de wet op het schuldoffer. Het is hoogheilig.
Lev. 7,2 Het schuldoffer moet men slachten op dezelfde plaats als het brandoffer. Het bloed moet men rondom op het altaar sprenkelen.
Lev. 7,3 Men offert al het vet: de staart, het vet aan de ingewanden,
Lev. 7,4 de nieren en het vet eraan, bij de lenden, en de lever kwab die men met de nieren verwijdert.
Lev. 7,5 De priester doet het op het altaar in rook opgaan als een offergave voor Jahwe. Zo is het een schuldoffer.
Lev. 7,6 Alleen mannelijke leden van het priestergeslacht mogen ervan eten, en wel op een heilige plaats; want het is hoogheilig.
Lev. 7,7 Wat voor het zondeoffer geldt, geldt ook voor het schuld offer: beide komen toe aan de priester, die er de verzoening mee bewerkt.
Lev. 7,8 Als een priester voor iemand een brandoffer opdraagt, krijgt hij de huid van het offerdier.
Lev. 7,9 Alle meeloffers, die in de oven zijn gebakken of bereid in een vorm of op een plaat, komen toe aan de priester, die ze opdraagt.
Lev. 7,10 Maar van de andere meeloffers, met olie aangemaakt of niet, krijgen alle zonen van Ašron evenveel.
Lev. 7,11 Dit is de wet op het slachtoffer dat iemand Jahwe aanbiedt.
Lev. 7,12 Biedt hij het als dankoffer aan, dan voegt hij bij het offerdier ongezuurde koeken, aangemaakt met olie, ongezuurde platte koeken, met olie bestreken, en bloem met olie gekneed, in de vorm van koeken.
Lev. 7,13 Bij dit slachtoffer is naast deze koeken ook ongezuurd brood als gave toegestaan.
Lev. 7,14 Van alles wat hij aanbiedt, offert hij een deel als bijdrage voor Jahwe. Dit komt toe aan de priester, die het bloed van het slachtoffer heeft gesprenkeld.
Lev. 7,15 Het vlees van dit offer moet op de dag zelf gegeten worden; men mag er niets van laten liggen tot de volgende ochtend.
Lev. 7,16 Als het een gelofteoffer of een vrije gave is, wordt het eveneens op de dag zelf gegeten. Maar wat er overblijft, mag ook de volgende dag nog worden gegeten.
Lev. 7,17 Zou er de derde dag nog iets van het offervlees over zijn, dan moet dat verbrand worden.
Lev. 7,18 Wordt op de derde dag toch nog van dat vlees gegeten, dan komt dat de offeraar niet ten goede; het baat hem niets, want het is besmet en degene die ervan eet, zal ervoor boeten.
Lev. 7,19 Vlees dat met iets onreins in aanraking is geweest, mag niet gegeten worden; het moet worden verbrand. Van het overige vlees mag ieder die rein is, eten.
Lev. 7,20 Maar wie in staat van onreinheid vlees eet van een slachtoffer, dat aan Jahwe is opgedragen, hij wordt uit zijn volk verwijderd.
Lev. 7,21 Wie iets onreins van een mens, van een onrein dier of een kruipend beest heeft aangeraakt, en toch vlees eet van een slachtoffer, dat aan Jahwe is opgedragen, hij wordt uit zijn volk verwijderd.
Lev. 7,22 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 7,23 Zeg aan de IsraŽlieten: Gij moogt geen vet van rund, schaap of geit eten.
Lev. 7,24 Het vet van een gestorven of verscheurd dier mag men overal voor gebruiken, maar gij moogt het niet eten.
Lev. 7,25 Ieder die vet eet van een dier, dat men Jahwe als offer aanbiedt, wordt uit zijn volk verwijderd.
Lev. 7,26 Ge moogt ook geen bloed nuttigen, waar ge ook woont, noch van vogels noch van landdieren.
Lev. 7,27 Iedereen die bloed nuttigt, wordt uit zijn volk verwijderd.
Lev. 7,28 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 7,29 Zeg aan de IsraŽlieten: Degene die Jahwe een slachtoffer aanbiedt, moet een deel daarvan naar Jahwe brengen;
Lev. 7,30 eigenhandig moet hij het vet en het borststuk als offergave aan Jahwe aanbieden. Staande voor Jahwe, bestemt hij het borststuk tot aandeel van de priesters.
Lev. 7,31 Het vet doet de priester op het altaar in rook opgaan; het borststuk komt Ašron en zijn zonen toe.
Lev. 7,32 De rechterschenkel van uw slachtoffers moet gij als bijdrage afstaan
Lev. 7,33 aan diegene van de zonen van Ašron, die het bloed en het vet van het slachtoffer opdraagt: die priester heeft recht op de rechterschenkel als zijn deel.
Lev. 7,34 Want het borststuk, dat als gewijd deel wordt afgezonderd, en de schenkel, die gij als bijdrage afstaat, heb ik van de slachtoffers der IsraŽlieten afgenomen om ze aan de priester Ašron en zijn zonen te geven. Tegenover de IsraŽlieten mogen zij altijd dit recht doen gelden.
Lev. 7,35 Dit is het deel van de offergaven van Jahwe, dat Ašron en zijn zonen toekomt, vanaf de dag dat zij als priesters van Jahwe zijn aangesteld.
Lev. 7,36 Jahwe heeft aan de IsraŽlieten bevolen dat deel aan de priesters te geven, vanaf de dag van hun zalving; het is een blijvend recht, alle geslachten door.
Lev. 7,37 Dit was de wet op de brandoffers, de meeloffers, de zonde - en de schuldoffers, de wijdingsoffers en slachtoffers.
Lev. 7,38 Dit alles schreef Jahwe aan Mozes voor op de berg SinaÔ, toen Hij in de woestijn van SinaÔ de IsraŽlieten beval Jahwe hun offers te brengen.
 
Lev. 8,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 8,2 `Haal Ašron en zijn zonen, de gewaden en de zalfolie, een stier voor het zondeoffer, twee rammen en een korf met ongezuurd brood.
Lev. 8,3 Roep dan heel de gemeenschap samen bij de ingang van de tent van de samenkomst.'
Lev. 8,4 Mozes gaf gevolg aan Jahwe's bevel en heel de gemeenschap kwam bijeen, bij de ingang van de tent der samenkomst.
Lev. 8,5 Daar sprak Mozes tot hen: `Wat wij nu gaan doen, geschiedt op bevel van Jahwe.'
Lev. 8,6 Daarop liet hij Ašron en zijn zonen naar voren komen en reinigde hen met water.
Lev. 8,7 Hij bekleedde Ašron met de tuniek, deed hem de gordel aan en hing hem de mantel om hij legde hem de efod op en bond deze met de sjerp vast;
Lev. 8,8 hij deed hem de orakeltas voor en legde daarin de oerim en toemmim.
Lev. 8,9 Hij zette hem de tulband op het hoofd, met de gouden plaat, het teken van zijn wijding, aan de voorkant. Zo had Jahwe het bevolen.
Lev. 8,10 Daarna nam Mozes de zalfolie, en zalfde de woning met al wat daarin was, om haar te wijden.
Lev. 8,11 Hij besprenkelde het altaar, en zalfde het altaar met toebehoren en het wasbekken met het onderstel, om ze te wijden.
Lev. 8,12 Ook op het hoofd van Ašron goot hij een weinig zalfolie uit, en zalfde hem om hem te wijden.
Lev. 8,13 Toen liet Mozes de zonen van Ašron naderbij komen. Hij bekleedde hen met de tuniek, legde hen de gordel aan en bond hen de hoofddoeken om. Zo had Jahwe het Mozes bevolen.
Lev. 8,14 Daarop liet hij de stier voor het zondeoffer brengen. Ašron en zijn zonen legden hun handen op de kop van het dier.
Lev. 8,15 Mozes slachtte het, streek met zijn vinger bloed op de horens van het altaar om het van zondesmet te reinigen. De rest van het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar. Zo wijdde hij het door het voltrekken van de verzoening.
Lev. 8,16 Toen nam Mozes het vet aan de ingewanden, de leverkwab en de nieren met het vet eraan en deed dat op het altaar in rook opgaan.
Lev. 8,17 De huid van de stier, het vlees en de darmen verbrandde hij buiten het kamp. Zo had Jahwe het Mozes bevolen.
Lev. 8,18 Toen liet hij een ram voor het brandoffer brengen. Ašron en zijn zonen legden hun handen op de kop van het dier.
Lev. 8,19 Mozes slachtte het, sprenkelde het bloed rondom op het altaar,
Lev. 8,20 sneed het in stukken en deed de kop, de stukken vlees en het vet in rook opgaan.
Lev. 8,21 De ingewanden en de poten waste hij en hij deed heel de ram op het altaar in rook opgaan. Zo was het een brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. Zo had Jahwe het Mozes bevolen.
Lev. 8,22 Tenslotte liet hij de tweede ram brengen voor het wijdingsoffer. Ašron en zijn zonen legden hun handen op de kop van het dier.
Lev. 8,23 Mozes slachtte het en deed wat bloed op de rechteroorlel van Ašron, op zijn rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet.
Lev. 8,24 Toen liet Mozes de zonen van Ašron naar voren komen en deed ook bij hen bloed op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote teen van hun rechtervoet. Hij sprenkelde ook bloed rondom op het altaar.
Lev. 8,25 Daarna nam hij het vet: de staart, het vet aan de ingewanden, de leverkwab, de nieren met het vet eraan en de rechterschenkel.
Lev. 8,26 Uit de mand met ongezuurd brood die voor Jahwe stond, nam hij een ongezuurde koek, een oliekoek en een platte koek en legde die bij de stukken vet en de rechterschenkel.
Lev. 8,27 Dit alles gaf hij Ašron en zijn zonen om het voor Jahwe als hun gewijd aandeel af te zonderen.
Lev. 8,28 Daarna nam Mozes het weer uit hun handen en deed het met het brandoffer op het altaar in rook opgaan. Zo was het een wijdingsoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Lev. 8,29 Staande voor Jahwe, zonderde Mozes het borststuk als gewijd aandeel voor zichzelf af, want dat was zijn deel van de ram van het wijdingsoffer. Zo had Jahwe het Mozes bevolen.
Lev. 8,30 Met zalfolie en met bloed van het altaar besprenkelde Mozes de gewaden van Ašron en vervolgens zijn zonen en hun gewaden. Zo wijdde hij Ašrons gewaden, zijn zonen en hun gewaden.
Lev. 8,31 Mozes sprak tot Ašron en zijn zonen: `Kook het vlees bij de ingang van de tent der samenkomst en eet het daar op met het brood voor de wijdingsplechtigheid, dat nog in de mand zit. Ašron en zijn zonen moeten het eten, volgens het mij gegeven bevel.
Lev. 8,32 Het vlees en het brood dat overblijft moet gij verbranden.
Lev. 8,33 Gij moogt de tent van de samenkomst niet verlaten tot de zeven dagen van uw wijding voorbij zijn, want zeven dagen duurt uw wijding.
Lev. 8,34 Zoals men vandaag heeft gedaan, zo moet men, volgens Jahwe's bevel, ook de andere dagen doen, om de verzoening voor u te voltrekken.
Lev. 8,35 Daarom moet gij zeven dagen, dag en nacht, bij de ingang van de tent der samenkomst blijven. Dan doet gij wat Jahwe u voorschrijft en zult ge niet sterven. Zo is mij bevolen.'
Lev. 8,36 Ašron en zijn zonen deden wat Jahwe door Mozes bevolen had.
 
Lev. 9,1 Op de achtste dag ontbood Mozes Ašron met zijn zonen en de oudsten van IsraŽl.
Lev. 9,2 Hij zei tot Ašron: `Haal een kalf voor een zondeoffer en een ram voor een brandoffer, beide zonder gebrek, en breng ze voor Jahwe.
Lev. 9,3 En zeg tot de IsraŽlieten: Haal een bok voor een zondeoffer en een kalf en een schaap, beide eenjarig en zonder gebrek, voor een brandoffer,
Lev. 9,4 een rund en een ram voor een slachtoffer, en een meeloffer, met olie aangemaakt. Want vandaag zal Jahwe u verschijnen.'
Lev. 9,5 De IsraŽlieten brachten dat alles bij de tent van de samenkomst, zoals Mozes bevolen had. Heel de gemeenschap kwam bijeen en stelde zich op voor Jahwe.
Lev. 9,6 Toen zei Mozes: `Nu de heerlijkheid van Jahwe aan u gaat verschijnen, moet gij, naar zijn bevel, het volgende doen.'
Lev. 9,7 Tot Ašron zei hij: `Ga naar het altaar, draag uw zonde offer en uw brandoffer op en voltrek de verzoening voor u en het volk. Draag ook de offergave van het volk op en voltrek de verzoening voor u en het volk. Draag ook de offergave van het volk open voltrek de verzoening voor hen. Zo heeft Jahwe bevolen.'
Lev. 9,8 Ašron ging naar het altaar en slachtte het kalf van het zondeoffer voor zichzelf.
Lev. 9,9 De zonen van Ašron brachten het bloed naar hem toe, hij doopte er zijn vinger in en streek het op de horens van het altaar. De rest van het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar.
Lev. 9,10 Het vet, de nieren en de leverkwab van het offerdier deed hij op het altaar in rook opgaan. Zo had Jahwe het Mozes bevolen.
Lev. 9,11 Het vlees en de huid verbrandde hij buiten het kamp.
Lev. 9,12 Daarop slachtte hij het brandoffer. De zonen van Ašron brachten het bloed naar hem toe en hij sprenkelde het rondom op het altaar.
Lev. 9,13 Ze reikten hem ook de stukken vlees en de kop van het offerdier en hij deed ze op het altaar in rook opgaan.
Lev. 9,14 De ingewanden en de poten waste hij en deed ze eveneens op het altaar in rook opgaan.
Lev. 9,15 Daarop offerde hij de gave van het volk. Hij liet de bok halen voor het zondeoffer van het volk, slachtte die en droeg hem als zondeoffer op, evenals het eerste dier.
Lev. 9,16 Ook het brandoffer voltrok hij op de voorgeschreven wijze.
Lev. 9,17 Daarop droeg hij het meeloffer op en deed daarvan een handvol op het altaar in rook opgaan. Dit offer kwam bij het brandoffer, dat in de morgen gebracht wordt.
Lev. 9,18 Ook slachtte hij de stier en de ram als slachtoffer voor het volk. De zonen van Ašron reikten hem het bloed aan en hij sprenkelde het rondom op het altaar.
Lev. 9,19 De stukken vet van de stier en de ram: de staart, het netvet, de nieren en de leverkwab
Lev. 9,20 legde men bij de borststukken en hij deed ze op het altaar in rook opgaan.
Lev. 9,21 Staande voor Jahwe, zonderde Ašron de borststukken en de rechterschenkel als gewijd aandeel van de priesters af, zoals Mozes bevolen had.
Lev. 9,22 Na zo de zondeoffers, brandoffers en slachtoffers te hebben opgedragen, hief Ašron zijn handen op naar het volk en zegende het. Dan daalde hij van het altaar af
Lev. 9,23 en ging met Mozes de tent van de samenkomst binnen. En toen zij weer naar buiten kwamen, zegenden zij het volk. Toen verscheen de heerlijkheid van Jahwe aan heel het volk.
Lev. 9,24 Van Jahwe ging een vuur uit, dat het brandoffer en de stukken vet op het altaar verteerde. Toen het volk dat zag, begon het te juichen en wierp zich ter aarde.
 
Lev. 10,1 Nadab en Abihu, zonen van Ašron, namen hun vuurpan, deden er vuur in en legden er wierook op. Zij brachten vuur voor Jahwe, dat niet beantwoordde aan zijn voorschriften.
Lev. 10,2 Toen ging er van Jahwe een vuur uit, dat hen verteerde. Zo vonden zij voor Jahwe de dood.
Lev. 10,3 En Mozes zei tot Ašron: `Dit bedoelde Jahwe toen Hij zei: Die tot Mij naderen ervaren mijn heiligheid, en van mijn heerlijkheid is heel het volk getuige.' Ašron werd er stil van.
Lev. 10,4 Toen riep Mozes MisaŽl en Elsafan, de zonen van UzziŽl, een oom van Ašron, en zei: `Kom hier, draag je broeders het heiligdom uit, buiten het kamp.'
Lev. 10,5 Zij kwamen en droegen hen, in hun tunieken gewikkeld, buiten het kamp, zoals Mozes had opgedragen.
Lev. 10,6 Mozes sprak tot Ašron en zijn zonen Eleazar en Itamar: `Laat je hoofdhaar niet loshangen en scheur je kleren niet. Anders sterven jullie en barst zijn toorn los tegen heel de gemeen schap. Laat jullie broeders, het hele huis van IsraŽl, treuren over de vuurgloed die Jahwe heeft ontstoken.
Lev. 10,7 Verlaat de ingang van de tent der samenkomst niet; dat zou jullie dood zijn, want op jullie rust nog de zalfolie van Jahwe.'
Lev. 10,8 Jahwe sprak tot Ašron:
Lev. 10,9 `Wanneer gij of uw zonen opgaan naar de tent van de samenkomst, moogt ge geen wijn of sterke drank drinken, anders sterft gij. Dat is een blijvend voorschrift, al uw geslachten door.
Lev. 10,10 Want het is uw taak te onderscheiden tussen heilig en profaan, tussen onrein en rein,
Lev. 10,11 en de IsraŽlieten te onderrichten in alle wetten, die Jahwe hun door Mozes verkondigd heeft.'
Lev. 10,12 Mozes zei tot Ašron en tot Eleazar en Itamar, de zonen van Ašron die nog in leven waren: `Wat er na het opdragen van de offergave aan Jahwe van het meeloffer over is, moogt gij, zonder zuurdeeg, bij het altaar opeten: het is hoogheilig.
Lev. 10,13 Gij moet het op een heilige plaats eten; gij en uw zonen hebben recht op dit deel van de offergave voor Jahwe. Zo is het mij bevolen.
Lev. 10,14 Maar het borststuk, dat gij als gewijd deel hebt afgezonderd, en de schenkel die is afgestaan, moogt gij, uw zonen zowel als uw dochters, eten op elke reine plaats, want dit deel van de slachtoffers der IsraŽlieten komt u en uw geslacht rechtens toe.
Lev. 10,15 De schenkel die wordt afgestaan, en het borststuk dat als gewijd deel wordt afgezonderd, moet men tegelijk met het vet dat geofferd wordt, aanbrengen om ze voor Jahwe als gewijd deel af te zonderen. Dan komen ze krachtens een blijvend recht aan u en uw zonen toe. Zo heeft Jahwe het bevolen.'
Lev. 10,16 Toen Mozes naar de bok van het zondeoffer vroeg, ontdekte hij dat die al verbrand was. Woedend vroeg hij aan Eleazar en Itamar, de zonen van Ašron die nog in leven waren:
Lev. 10,17 `Waarom hebben jullie het zondeoffer niet op een heilige plaats gegeten? Het was toch hoogheilig en Jahwe had het aan jullie gegeven om de schuld van de gemeenschap weg te nemen door, staande voor Jahwe, de verzoening voor haar te voltrekken.
Lev. 10,18 Nu het bloed van het offerdier niet binnen het heilig dom was gebracht, hadden jullie het daar moeten eten, zoals ik bevolen had.'
Lev. 10,19 Ašron zei tegen Mozes: `Mijn zonen hebben vandaag al een zondeoffer en een brandoffer opgedragen en u weet wat mij is overkomen. Zou ik dan vandaag dat zondeoffer hebben moeten eten? Zou Jahwe dat hebben goedgekeurd?'
Lev. 10,20 Toen Mozes dat gehoord had, was hij tevreden.
 
Lev. 11,1 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Lev. 11,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Van alle landdieren op aarde moogt gij de volgende eten:
Lev. 11,3 Alle herkauwende dieren met gespleten hoeven.
Lev. 11,4 Van de herkauwers en de dieren met gespleten hoeven moogt ge de volgende niet eten: de kameel, want hij herkauwt, maar heeft geen gespleten hoeven, hij geldt voor u als onrein;
Lev. 11,5 de klipdas, want hij herkauwt, maar geeft geen gespleten hoeven, hij geldt voor u als onrein;
Lev. 11,6 de haas, want hij herkauwt, maar heeft geen gespleten hoeven, hij geldt voor u als onrein;
Lev. 11,7 het varken, want het heeft wel gespleten hoeven maar het herkauwt niet, het geldt voor u als onrein.
Lev. 11,8 Het vlees van deze dieren moogt gij niet eten en hun kadavers niet aanraken; zij gelden voor u als onrein.
Lev. 11,9 Dit zijn de waterdieren die ge moogt eten: alle water dieren die vinnen en schubben hebben, moogt ge eten, zowel de zeevissen als de riviervissen.
Lev. 11,10 Maar van alle zeevissen en riviervissen, die geen vinnen en schubben hebben, de kleine zowel als de grote, behoort ge een afschuw te hebben.
Lev. 11,11 Verafschuw ze en eet nooit van dergelijke dode vis.
Lev. 11,12 Alle waterdieren zonder vinnen of schubben moet ge verafschuwen.
Lev. 11,13 Van de volgende vogels behoort ge een afschuw te hebben; ge moogt ze daarom niet eten: de arend, de lammergier, de baardgier,
Lev. 11,14 de wouw en de verschillende soorten valken,
Lev. 11,15 de verschillende soorten raven,
Lev. 11,16 de oehoe, de kortooruil, de langooruil en alle soorten sperwers,
Lev. 11,17 de steenuil, de aalscholver, de ibis,
Lev. 11,18 de witte uil, de pelikaan, de visarend,
Lev. 11,19 de ooievaar, de verschillende soorten reigers, de hop en de vleermuis.
Lev. 11,20 Van alle gevleugelde viervoetige insecten behoort gij een afschuw te hebben,
Lev. 11,21 behalve van de volgende, die ge moogt eten: de dieren die springpoten hebben;
Lev. 11,22 ge moogt dus eten: de verschillende soorten sprinkhanen, sabelsprinkhanen, veldsprinkhanen en treksprinkhanen.
Lev. 11,23 Alle andere gevleugelde viervoetige insecten behoort gij te verafschuwen.
Lev. 11,24 Aan de volgende dieren verontreinigt gij u; ieder die het kadaver ervan aanraakt, is tot de avond onrein;
Lev. 11,25 ieder die het vervoert, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein.
Lev. 11,26 Alle dieren, die geen gespleten hoeven hebben en niet herkauwen, gelden voor u als onrein; ieder die ze aanraakt, wordt onrein.
Lev. 11,27 Alle viervoetige dieren, die zoolgangers zijn, gelden voor u als onrein, ieder die een kadaver ervan aanraakt, is tot de avond onrein.
Lev. 11,28 Wie het vervoert, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. Zij gelden voor u als onrein.
Lev. 11,29 Van de kruipende dieren gelden de volgende voor u als onrein: de mol, de muis, de verschillende soorten padden,
Lev. 11,30 de egel, de waaraan, de hagedis, de slak en het kameleon.
Lev. 11,31 Al deze kruipende dieren gelden voor u als onrein. Wie zo'n kadaver aanraakt, is tot de avond onrein;
Lev. 11,32 valt het ergens op, op een houten voorwerp, een kleed, een stuk leer, een zak, of op enig ander gebruiksvoorwerp, dan is dat tot de avond onrein; daarna is het weer rein.
Lev. 11,33 Valt zo'n dood dier in een aarden kruik, dan is de hele inhoud onrein; de kruik moet ge stukslaan.
Lev. 11,34 Komt het water uit die kruik in aanraking met voedsel, dan wordt ook dat onrein.
Lev. 11,35 Alles waarop zo'n dood dier valt, wordt onrein; oven en haard moeten worden stukgeslagen; ze gelden voor u als onrein en ze blijven dat.
Lev. 11,36 Een bron daarentegen en een put, waarin water verzameld wordt, blijven rein; ligt er een dood dier in en raakt iemand dat aan, dan wordt hij onrein.
Lev. 11,37 Valt zo'n dood dier op zaaigoed, dan blijft dat rein;
Lev. 11,38 maar valt het op zaad dat in water staat, dan geldt dat voor u als onrein.
Lev. 11,39 Wanneer een stuk slachtvee dood is gegaan, is degene die het dier aanraakt tot de avond onrein.
Lev. 11,40 Wie het vlees daarvan eet, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. Wie het kadaver vervoert, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein.
Lev. 11,41 Alle kruipende dieren behoort gij te verafschuwen; zij mogen niet worden gegeten,
Lev. 11,42 of ze nu op de buik kruipen of vier of meer poten hebben. Gij behoort ze te verafschuwen.
Lev. 11,43 Bezoedel u niet door kruipend gedierte, verontreinig u niet door kruipend gedierte, verontreinig u daar niet mee.
Lev. 11,44 Ik ben Jahwe uw God; zorg dus dat gij heilig zijt. Wees heilig, omdat Ik heilig ben. Verontreinig u niet door enig kruipend gedierte.
Lev. 11,45 Ik ben Jahwe, die u uit Egypte geleid heb om uw God te zijn. Wees heilig, omdat Ik heilig ben.
Lev. 11,46 Dit is de wet op de landdieren, de vogels, de waterdieren en de kruipende dieren,
Lev. 11,47 zodat men weet, welke dieren onrein en welke rein zijn, welke dieren men mag eten en welke niet.
 
Lev. 12,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 12,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer een vrouw een kind krijgt en het is een jongen, dan is zij zeven dagen onrein, zoals tijdens de menstruatie.
Lev. 12,3 Op de achtste dag moet men de voorhuid van het kind besnijden.
Lev. 12,4 DrieŽndertig dagen duurt het, voor zij rein is van het bloed der geboorte; zij mag niets aanraken wat heilig is en niet opgaan naar het heiligdom, tot de dag van haar reiniging is aangebroken.
Lev. 12,5 Heeft zij een meisje ter wereld gebracht, dan is zij twee weken onrein, zoals tijdens de menstruatie. Zesendertig dagen duurt het, voor zij rein is van het bloed der geboorte.
Lev. 12,6 Wanneer na de geboorte van een zoon of dochter, de dag van haar reiniging is aangebroken, moet zij de priester bij de ingang van de tent der samenkomst een lam van nog geen jaar voor een brandoffer aanbieden, en een duif en een tortel voor een zondeoffer.
Lev. 12,7 De priester offert het, staande voor Jahwe, en voltrekt voor haar de verzoening. Dan is de bron waaruit haar bloed gevloeid is, weer rein. Dit is de wet op de vrouw, die een kind heeft gekregen, een jongen of een meisje.
Lev. 12,8 Kan zij geen schaap betalen, dan mag zij ook twee tortels of duiven meebrengen, een voor het brandoffer en een voor het zondeoffer. Daarmee voltrekt de priester voor haar de verzoening, zodat zij weer rein wordt.
 
Lev. 13,1 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Lev. 13,2 Heeft iemand een gezwel, uitslag of een vlek op zijn huid en het gaat lijken op huidziekte, dan moet men hem bij de priester Ašron of bij een priester van diens geslacht brengen.
Lev. 13,3 De priester onderzoekt de zieke plek op de huid. Is het haar daarop wit geworden en ligt de plek zichtbaar dieper dan de rest van de huid, dan is het een huidziekte. Als de priester dit heeft vastgesteld, moet hij hem onrein verklaren.
Lev. 13,4 Betreft het enkel een lichte, witte vlek op de huid, die niet zichtbaar dieper ligt dan de rest en zijn de haren niet wit geworden, dan moet de priester de zieke zeven dagen afzonderen.
Lev. 13,5 Blijkt na zeven dagen bij het onderzoek, dat de zieke plek op de huid niet veranderd is en niet groter is geworden, dan moet de priester hem opnieuw zeven dagen afzonderen.
Lev. 13,6 Blijkt na deze zeven dagen bij een nieuw onderzoek, dat de plek op de huid dof is geworden en zich niet heeft uitgebreid, dan verklaart de priester hem rein. Hij had gewoon uitslag; na het wassen van zijn kleren is hij rein.
Lev. 13,7 Neemt de plek op de huid, nadat de zieke zich bij de priester heeft gepresenteerd om gereinigd te worden, toch nog in omvang toe, dan moet hij opnieuw voor de priester verschijnen.
Lev. 13,8 Als deze de uitbreiding van de uitslag inderdaad vast stelt, moet hij hem onrein verklaren. Dan is het huidziekte.
Lev. 13,9 Heeft iemand huidziekte, dan moet men hem bij de priester brengen.
Lev. 13,10 Constateert deze op de huid een wit gezwel met wit haar erop, terwijl er ook nog wild vlees in groeit,
Lev. 13,11 dan is het huidziekte in een vergevorderd stadium. De priester moet hem onmiddellijk onrein verklaren, hij hoeft hem niet eerst af te zonderen. Hij is onrein.
Lev. 13,12 Heeft de huidziekte het hele lichaam aangetast, zodat de zieke er van het hoofd tot de voeten mee bedekt is, dan moet de priester een nauwkeurig onderzoek instellen.
Lev. 13,13 Blijkt dan dat de ziekte inderdaad het hele lichaam heeft aangetast, dan moet hij de zieke rein verklaren. Omdat hij helemaal wit is geworden, is hij rein.
Lev. 13,14 Maar zo gauw er wild vlees opkomt, is hij onrein.
Lev. 13,15 Constateert de priester wild vlees, dan moet hij hem onrein verklaren, want wild vlees is onrein. Het is huidziekte.
Lev. 13,16 Wordt het wild vlees weer wit, dan moet de zieke naar de priester gaan.
Lev. 13,17 Stelt deze vast, dat de plek inderdaad wit is geworden, dan verklaart hij de zieke weer rein en is hij rein.
Lev. 13,18 Heeft iemand een zweer gehad, die genezen is,
Lev. 13,19 maar op de plaats van de zweer is een wit gezwel of een bleekrode vlek ontstaan, dan moet hij dat laten zien aan de priester.
Lev. 13,20 Stelt de priester vast, dat de plek zichtbaar dieper ligt dan de huid en dat het haar erop wit is geworden, dan moet hij hem onrein verklaren. Het is huidziekte die op de plek van de zweer is ontstaan.
Lev. 13,21 Stelt de priester vast dat het haar niet wit is, dat de vlek niet dieper ligt dan de huid en dof begint te worden, dan moet de priester hem zeven dagen afzonderen.
Lev. 13,22 Breidt de vlek op de huid zich uit, dan moet de priester hem onrein verklaren; het is een zieke plek.
Lev. 13,23 Is de vlek daarentegen niet veranderd en heeft ze zich niet uitgebreid, dan is het gewoon een litteken van die zweer en moet de priester hem rein verklaren.
Lev. 13,24 Houdt iemand na genezing van een brandwond een bleekrode of witte vlek op zijn huid
Lev. 13,25 en stelt de priester vast, dat het haar op de vlek wit is geworden en dat de plek zichtbaar dieper ligt dan de huid, dan is het huidziekte, die op de plek van de brandwond is ontstaan. De priester moet hem onrein verklaren; het is huidziekte.
Lev. 13,26 Blijkt hem bij het onderzoek, dat het haar op die plek niet wit is en dat deze niet dieper ligt dan de huid en dof begint te worden, dan moet hij hem zeven dagen afzonderen.
Lev. 13,31 Wanneer de priester bij het onderzoek van de schurft constateert, dat de zieke plek niet zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid, maar dat het haar erop niet zwart is, dan moet hij de zieke zeven dagen afzonderen.
Lev. 13,32 Stelt de priester na zeven dagen bij een nieuw onder zoek vast, dat de schurft zich niet heeft uitgebreid, dat de haren niet geel zijn geworden en dat de zieke plek niet zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid,
Lev. 13,33 dan moet de zieke zich scheren, behalve op de zieke plek. Daarna moet de priester degene die schurft heeft weer zeven dagen afzonderen.
Lev. 13,34 Blijkt na zeven dagen bij het onderzoek, dat de schurft zich niet heeft uitgebreid en niet zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid, dan moet de priester hem rein verklaren; na zijn kleren te hebben gewassen is hij rein.
Lev. 13,35 Neemt de schurft, nadat de zieke rein is verklaard, toch nog in omvang toe
Lev. 13,36 en stelt de priester dit vast, dan hoeft hij niet eens te letten op geel haar; die persoon is onrein.
Lev. 13,37 Blijkt hem, dat de plek niet veranderd is en dat er zwart haar op groeit, dan is de kwaal genezen en is die persoon rein. De priester moet hem rein verklaren.
Lev. 13,38 Heeft een man of een vrouw vlekken op de huid, witte vlekken wel te verstaan,
Lev. 13,39 dan moet de priester die onderzoeken. Blijken de vlekken op de huid dofwit te zijn dan is het gewoon uitslag, die de huid heeft aangetast; die persoon is rein.
Lev. 13,40 Als een man zijn hoofdhaar verliest, dan is hij gewoon kaalhoofdig; hij is rein.
Lev. 13,41 Verliest hij zijn haar voor op het hoofd, dan is hij half kaal; hij is rein.
Lev. 13,42 Komt er op het kale voor - of achterhoofd van die man een bleekrode vlek, dan heeft hij huidziekte op de kruin of voor op het hoofd.
Lev. 13,43 Stelt de priester bij het onderzoek vast, dat er voor op het hoofd of op de kruin een bleekrood gezwel is, dat er uitziet als huidziekte, zoals die elders op het lichaam voorkomt,
Lev. 13,44 dan is hij door huidziekte aangetast; hij is onrein. De priester moet hem onrein verklaren: hij heeft een zieke plek op zijn hoofd.
Lev. 13,45 Degene die aan huidziekte lijdt, moet in gescheurde kleren lopen en zijn haren los laten hangen; hij moet zijn baard bedekken en roepen: `Onrein, onrein!'
Lev. 13,46 Zolang de ziekte duurt is hij onrein; hij moet apart wonen en buiten het kamp blijven.
Lev. 13,47 Komen er plekken op een kledingstuk van wol of linnen,
Lev. 13,48 op weef - of vlechtwerk van linnen of wol, op leer of op iets dat van leer gemaakt is
Lev. 13,49 en zijn die plekken op het kledingstuk, op het leer, op het weef - of vlechtwerk of op een of ander leren voorwerp groen of rood, dan is het uitslag; het moet aan de priester worden getoond.
Lev. 13,50 Na het onderzoek van de plek moet deze het besmette voorwerp zeven dagen apart houden.
Lev. 13,51 Blijkt na zeven dagen bij het onderzoek, dat de plek op het kledingstuk, op het weef - of vlechtwerk of op het leren gebruiksvoorwerp groter is geworden, dan is het kwaadaardige uitslag; het voorwerp is onrein.
Lev. 13,52 Het kledingstuk, het weef - of vlechtwerk van wol of linnen of de leren voorwerpen waarop de vlek zit, moet hij verbranden. Het is kwaadaardige uitslag; het moet worden ver brand.
Lev. 13,53 Blijkt de priester echter bij het onderzoek, dat de plek op het kledingstuk, op het weef - of vlechtwerk of op de leren voorwerpen niet groter is geworden,
Lev. 13,54 dan moet hij het besmette voorwerp laten wassen en het opnieuw zeven dagen apart houden.
Lev. 13,55 Stelt de priester na het wassen vast, dat de plek niet van kleur is veranderd en niet groter is geworden, dan is het voorwerp onrein; het moet worden verbrand. Hier geldt hetzelfde als bij de kale plek op de kruin of voor op het hoofd.
Lev. 13,56 Stelt de priester echter vast, dat de plek na het wassen dof geworden is, dan moet hij die plek uit het kleding stuk, het leer of het weef - of vlechtwerk verwijderen.
Lev. 13,57 Komt de plek op het kledingstuk, op het weef - of vlechtwerk of op het leren voorwerp toch weer te voorschijn, dan woekert het voort; het bewuste voorwerp moet worden verbrand.
Lev. 13,58 Komt na het wassen de plek op het kledingstuk, op het weef - of vlechtwerk of op het leren voorwerp niet meer terug, dan moet men het nog eens wassen; dan is het rein.
Lev. 13,59 Dit is de wet die bepaalt, hoe men plekken in wollen of linnen kleren, in weef - of vlechtwerk en in leren voorwerpen rein of onrein moet verklaren.
Lev. 13,27 Stelt de priester na zeven dagen vast, dat de plek op de huid inderdaad groter is geworden, dan moet hij hem onrein verklaren; het is huidziekte.
Lev. 13,28 Is de plek daarentegen niet veranderd, heeft ze zich niet uitgebreid en is ze dof geworden, dan is het gewoon een opzwelling als gevolg van de brandwond. De priester moet hem rein verklaren; het is een litteken van de brandwond.
Lev. 13,29 Heeft een man of een vrouw een zieke plek op het hoofd of in de baard
Lev. 13,30 en blijkt de priester bij het onderzoek, dat deze zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid en dat het haar erop dun en geel is, dan moet hij die persoon onrein verklaren; het is schurft, huidziekte van hoofd of baard.
 
Lev. 14,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 14,2 Als iemand die huidziekte heeft rein verklaard kan worden, gelden de volgende regels. Men moet hem bij de priester brengen.
Lev. 14,3 Deze gaat het kamp uit en stelt een onderzoek in. Blijkt dan, dat de lijder van zijn ziekte is genezen,
Lev. 14,4 dan laat de priester voor degene die gereinigd wil worden, twee levende, reine vogels halen en cederhout, karmozijn en hysop.
Lev. 14,5 De priester slacht een van de vogels boven een aarden schaal, gevuld met bronwater.
Lev. 14,6 De nog levende vogel dompelt hij tezamen met het ceder hout, de karmozijn en de hysop in het bloed van de vogel, die boven het bronwater geslacht is.
Lev. 14,7 Daarna besprenkelt hij degene die van zijn ziekte gereinigd wil worden zevenmaal en reinigt hem zo; de nog levende vogel laat hij wegvliegen.
Lev. 14,8 Degene die gereinigd wil worden moet zijn kleren wassen, zijn haar afscheren en een bad nemen; dan is hij rein. Hij kan terugkomen naar het kamp, maar hij mag de eerste zeven dagen nog niet in zijn tent komen.
Lev. 14,9 Na die zeven dagen moet hij al zijn haren van hoofd, baard en wenkbrauwen afscheren. Daarna moet hij zijn kleren wassen en een bad nemen; dan is hij weer rein.
Lev. 14,10 Op de achtste dag moet hij twee schapen zonder gebrek meebrengen, een lam van nog geen jaar en zonder gebrek, drie tiende issaron bloem met olie aangemaakt voor een meeloffer, en een log olie.
Lev. 14,11 De priester die de reiniging voltrekt, brengt degene die gereinigd wil worden met zijn gaven voor Jahwe, bij de ingang van de tent van de samenkomst.
Lev. 14,12 Hij offert het ene schaap met de log olie als schuldoffer en staande voor Jahwe zondert hij beide af als gewijd aandeel van de priesters.
Lev. 14,13 Hij slacht het dier in het heiligdom, op de plek waar men ook het zondeoffer en het brandoffer slacht. Want het schuld offer komt evenals het zondeoffer aan de priester toe: het is hoogheilig.
Lev. 14,14 De priester doet dan bij degene die gereinigd wil worden wat bloed van het offerdier op de rechteroorlel, de rechterduim, en de grote teen van zijn rechtervoet.
Lev. 14,15 Hij giet wat olie in de palm van zijn linkerhand,
Lev. 14,16 doopt er een vinger van zijn rechterhand in en sprenkelt zevenmaal olie voor Jahwe.
Lev. 14,17 Van de olie die de priester nog op zijn hand heeft, doet hij bij degene die gereinigd wil worden iets op de rechter oorlel, de rechterduim en de grote teen van zijn rechtervoet, op het bloed van het schuldoffer.
Lev. 14,18 De olie die de priester dan nog op zijn hand heeft, smeert hij op het hoofd van degene die gereinigd wil worden. Zo voltrekt hij aan hem de verzoening voor Jahwe.
Lev. 14,19 Daarna draagt de priester het zondeoffer op en voltrekt de verzoening aan degene die van zijn onreinheid gereinigd wil worden. Tenslotte slacht hij het brandoffer
Lev. 14,20 en draagt dit samen met het meeloffer op het altaar op. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening en wordt hij weer rein.
Lev. 14,21 Is de man zo arm, dat hij dit alles niet kan betalen, dan kan hij volstaan met een schaap voor een schuldoffer dat als gewijd deel wordt afgezonderd om de verzoening voor hem te voltrekken, een issaron bloem met olie aangemaakt voor een meeloffer, een log olie
Lev. 14,22 en twee tortels of duiven, naargelang hij heeft, voor een zondeoffer en een brandoffer.
Lev. 14,23 Op de achtste dag van de reiniging, brengt hij dit alles naar de priester, bij de ingang van de tent der samenkomst, voor Jahwe.
Lev. 14,24 Staande voor Jahwe zondert de priester het schaap voor het schuldoffer en de log olie af als gewijd aandeel van de priesters.
Lev. 14,25 Dan slacht hij het schaap voor het schuldoffer en doet bij degene die gereinigd wil worden wat bloed op de rechter oorlel, de rechterduim en de grote teen van zijn rechtervoet.
Lev. 14,26 De priester giet wat olie in de palm van zijn linker hand
Lev. 14,27 en sprenkelt deze met zijn rechterwijsvinger zevenmaal voor Jahwe.
Lev. 14,31 als zondeoffer op, de andere als brandoffer tezamen met een meeloffer. Zo voltrekt de priester aan hem die gereinigd wil worden de verzoening voor Jahwe.
Lev. 14,32 Dit is de wet voor hen die aan huidziekten lijden en de gewone kosten van de reiniging niet kunnen betalen.
Lev. 14,33 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Lev. 14,34 Wanneer ge in Kanašn gekomen zijt, het land dat Ik u in bezit geef, en Ik veroorzaak daar uitslag aan een huis,
Lev. 14,35 dan moet de eigenaar het aan de priester melden en zeggen: `Ik heb in mijn huis een zieke plek geconstateerd.'
Lev. 14,36 Voordat de priester de plek komt onderzoeken, geeft hij bevel het huis te ontruimen, zodat niets in het huis onrein wordt. Pas dan gaat hij het huis in om het te onderzoeken.
Lev. 14,37 Blijkt hem bij dat onderzoek dat de muren inderdaad zijn aangetast en dat er groene of rode plekken op zitten, die zichtbaar dieper liggen dan de rest van de muur,
Lev. 14,38 dan gaat de priester het huis uit en sluit hij de deur voor zeven dagen.
Lev. 14,39 Na die zeven dagen komt hij terug. Blijkt dan, dat de plekken op de muren van het huis groter zijn geworden,
Lev. 14,40 dan haalt men er op zijn bevel de aangetaste stenen uit en werpt die buiten de stad op een onreine plaats.
Lev. 14,41 Hij laat alle binnenmuren van het huis afkrabben en het afgekrabde pleisterwerk buiten de stad storten op een onreine plaats.
Lev. 14,42 Daarna vervangt men de oude stenen door nieuwe en het huis wordt opnieuw bepleisterd.
Lev. 14,43 Komen de plekken, nadat de stenen uit het huis zijn verwijderd, de muren zijn afgekrabd en opnieuw bepleisterd, toch weer te voorschijn
Lev. 14,44 en stelt de priester bij het onderzoek vast, dat deze groter zijn geworden, dan heerst er in het huis kwaadaardige uitslag; het is onrein.
Lev. 14,45 Het huis moet worden afgebroken; de stenen, het hout werk en al het puin moeten buiten de stad naar een onreine plaats gebracht worden.
Lev. 14,46 Ieder die zo'n huis binnengaat, gedurende de tijd dat de priester het gesloten heeft, is tot de avond onrein.
Lev. 14,47 Wie erin slaapt of eet, moet zijn kleren wassen.
Lev. 14,48 Stelt de priester bij het onderzoek vast, dat de plek ken, nadat het huis opnieuw bepleisterd is, niet groter zijn geworden, dan verklaart hij het huis rein; de zieke plekken zijn genezen.
Lev. 14,49 Om het huis van zondesmet te reinigen, neemt hij twee vogels, cederhout, karmozijn en hysop.
Lev. 14,50 De ene vogel slacht hij boven een aarden schaal met bronwater.
Lev. 14,51 Dan neemt hij het cederhout, de hysop, de karmozijn en de nog levende vogel, doopt ze in het bloed van de vogel, die boven het bronwater geslacht is en besprenkelt het huis zeven maal.
Lev. 14,52 Zo reinigt hij het huis van zondesmet door het bloed van de vogel, het bronwater, de levende vogel, het cederhout, de hysop en de karmozijn.
Lev. 14,53 De levende vogel laat hij dan buiten de stad wegvliegen. Zo voltrekt hij aan het huis de verzoening; het is weer rein.
Lev. 14,54 Dit is de wet op alle soorten van huidziekte, op schurft,
Lev. 14,55 op de zieke plekken aan kleren of huis,
Lev. 14,56 op gezwellen, uitslag en vlekken.
Lev. 14,57 Zij geeft aan wanneer iets onrein is of rein. Dit is de wet op de huidziekte.
Lev. 14,28 Van de olie die hij nog op zijn hand heft, doet hij bij degene die gereinigd wil worden, iets op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote teen van zijn rechtervoet, op het bloed van het schuldoffer.
Lev. 14,29 De olie die de priester dan nog op zijn hand heeft, smeert hij op het hoofd van degene die gereinigd wil worden. Zo voltrekt hij aan hem de verzoening voor Jahwe.
Lev. 14,30 Dan draagt hij een van de tortels of duiven, naargelang hij heeft,
 
Lev. 15,1 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Lev. 15,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer een man aan druiper lijdt, is hij door die druiper onrein.
Lev. 15,3 Deze onreinheid treedt op zowel wanneer zijn druiper vloeit als door druiper wanneer dat onderbroken wordt.
Lev. 15,4 Het bed, waarop iemand die aan druiper lijdt, gelegen heeft, is onrein; alles waarop hij gezeten heeft, is eveneens onrein.
Lev. 15,5 Als iemand zijn bed aanraakt, moet hij zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein.
Lev. 15,6 Degene die gaat zitten op iets waar deze op gezeten heeft, moet zijn kleren wassen en een bad namen; hij is tot de avond onrein.
Lev. 15,7 Wie hemzelf aanraakt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein.
Lev. 15,8 Heeft de man gespuwd op iemand die rein was, dan moet deze zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein.
Lev. 15,9 Het zadel waar hij op gezeten heeft, is onrein.
Lev. 15,10 Wie iets aanraakt, waar hij op gezeten heeft, wordt onrein; degene die het optilt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein.
Lev. 15,11 Ieder die door de lijder wordt aangeraakt, zonder dat deze zijn handen had afgespoeld, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein.
Lev. 15,12 Het aarden vaatwerk, dat hij heeft aangeraakt, moet men in stukken slaan; houten gereedschap moet met water worden afgespoeld.
Lev. 15,13 Is de lijder van de druiper genezen en wil hij gereinigd worden, dan moet hij zeven dagen wachten. Hij moet zijn kleren wassen en in stromend water een bad nemen; dan is hij weer rein.
Lev. 15,14 Op de achtste dag verschijnt hij met twee tortels of duiven voor Jahwe, bij de ingang van de tent der samenkomst, en overhandigt ze aan de priester.
Lev. 15,15 Deze draagt er een op als zondeoffer en een als brand offer. Zo voltrekt hij aan hem de verzoening voor Jahwe vanwege zijn druiper.
Lev. 15,16 Wanneer een man een zaaduitstorting heeft gehad, moet hij zijn hele lichaam wassen; hij is tot de avond onrein.
Lev. 15,17 De kleren en de leren voorwerpen, die met het zaad in aanraking zijn gekomen, moeten worden gewassen: zij zijn tot de avond onrein.
Lev. 15,18 De man en de vrouw die gemeenschap hebben gehad, moeten een bad nemen; zij zijn tot de avond onrein.
Lev. 15,19 Wanneer een vrouw een vloeiing heeft en het is de bloeding van haar menstruatie, dan is zij zeven dagen onrein. Ieder die haar aanraakt, is tot de avond onrein.
Lev. 15,20 Alles waarop zij tijdens haar onreinheid slaapt, wordt onrein; alles waarop zij zit, eveneens.
Lev. 15,21 Ieder die haar bed aanraakt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein.
Lev. 15,22 Ieder die de plaats aanraakt waarop zij gezeten heeft, moet zijn kleren wassen en een bad nemen: hij is tot de avond onrein.
Lev. 15,23 Ook wanneer iemand datgene aanraakt wat zich op de slaapplaats bevindt, of op de plaats waar zij gezeten heeft, wordt hij onrein tot de avond.
Lev. 15,24 Heeft iemand gemeenschap met zo'n vrouw, dan komt haar onreinheid ook op hem. Hij is zeven dagen onrein; ook het bed waarop hij ligt, wordt onrein.
Lev. 15,25 Heeft een vrouw een langdurige bloeding buiten de tijd van de menstruatie of duurt de menstruatie bij haar langer dan normaal, dan is zij heel die tijd onrein, zoals tijdens de menstruatie.
Lev. 15,26 Tijdens zo'n bloeding geldt voor het bed hetzelfde als tijdens de menstruatie; ook voor alles waar zij op zit, geldt hetzelfde: het is onrein evenals tijdens de menstruatie.
Lev. 15,27 Ieder die deze dingen aanraakt, wordt onrein: hij moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein.
Lev. 15,28 Houdt haar bloeding op en wil zij gereinigd worden, dan moet zij zeven dagen wachten.
Lev. 15,29 Op de achtste dag brengt zij twee tortels of duiven naar de priester, bij de ingang van de tent der samenkomst.
Lev. 15,30 Deze draagt de ene op als zondeoffer en de andere als brandoffer. Zo voltrekt hij aan haar de verzoening voor Jahwe, vanwege de onreinheid door de bloeding.
Lev. 15,31 Waarschuw de IsraŽlieten voor de gevolgen van hun onreinheid. Deze zou hun dood worden, wanneer zij in die toestand mijn woning bij hen betreden.
Lev. 15,32 Dit is de wet op de man die aan druiper lijdt, de man die door zaaduitstorting onrein is geworden
Lev. 15,33 en op de vrouw tijdens de menstruatie, op iedereen, man of vrouw, die aan druiper lijdt en op de man die gemeenschap heeft met een vrouw, die onrein is.
 
Lev. 16,1 Na de dood van de twee zonen van Ašron, die gestorven waren, toen zij tot Jahwe naderden,
Lev. 16,2 sprak Jahwe tot Mozes: Zeg aan uw broer Ašron, dat hij niet op elke willekeurige tijd in het heiligdom mag komen, achter het voorhangsel bij de dekplaat van de ark; dat zou zijn dood betekenen. Want boven de dekplaat van de ark verschijn Ik in een wolk.
Lev. 16,3 Alleen onder de volgende voorwaarden mag hij het heilig dom binnengaan: Er moet een stier zijn voor een zondeoffer en een ram voor een brandoffer.
Lev. 16,4 Hij doet een gewijde, linnen tuniek aan, slaat een linnen lendendoek om, doet een linnen gordel om zijn middel en zet een linnen tulband op zijn hoofd; dat zijn de heilige gewaden. Voor hij ze aantrekt neemt hij een bad.
Lev. 16,5 Van de gemeenschap der IsraŽlieten neemt hij twee bokken in ontvangst voor een zondeoffer en een ram voor een brandoffer.
Lev. 16,6 Eerst draagt Ašron voor zichzelf de stier als zondeoffer op om verzoening te bewerken voor zichzelf en zijn geslacht.
Lev. 16,7 Dan brengt hij de twee bokken bij de ingang van de tent der samenkomst
Lev. 16,8 en werpt over deze dieren het lot: het ene `voor Jahwe', het andere `voor Azazel'.
Lev. 16,9 De bok waarop het lot `voor Jahwe' valt, draagt Ašron als zondeoffer op.
Lev. 16,10 De bok waarop het lot `voor Azazel' valt, wordt levend voor Jahwe geplaatst om er eerst de verzoening aan te voltrekken en hem vervolgens de woestijn in te sturen, naar Azazel.
Lev. 16,11 Ašron draagt voor zichzelf de stier als zondeoffer op, om verzoening te bewerken voor zichzelf en zijn geslacht.
Lev. 16,12 Dan neemt hij van het altaar van Jahwe een vuurpan vol gloeiende kolen en twee handen vol fijne, geurige wierook en brengt dit alles achter het voorhangsel.
Lev. 16,13 Voor Jahwe doet hij de wierook op het vuur, zodat de wierookwolk de dekplaat boven de verbondsakte omhult; anders zou hij sterven.
Lev. 16,14 Met zijn vingers sprenkelt hij zevenmaal bloed van de stier op de voorkant van de dekplaat.
Lev. 16,15 Dan slacht hij voor het volk de bok als zondeoffer, brengt het bloed van het dier achter het voorhangsel en sprenkelt het voor en op de dekplaat, zoals hij met het bloed van de stier heeft gedaan.
Lev. 16,16 Zo voltrekt hij aan het heiligdom de verzoening voor de onreinheid en de overtredingen der IsraŽlieten, welke hun zonden ook mogen zijn. Zo zal hij ook doen voor de tent der samenkomst, die bij hen staat, ondanks hun onreinheid.
Lev. 16,17 Vanaf het ogenblik dat Ašron de tent van de samenkomst binnengaat om in het heiligdom de verzoening te voltrekken, tot hij weer naar buiten komt, mag niemand de tent betreden. Als hij de verzoening voor zichzelf, voor zijn familie en voor de hele gemeenschap van IsraŽl voltrokken heeft,
Lev. 16,18 komt hij weer naar buiten om de verzoening te voltrek ken aan het altaar, dat voor Jahwe staat. Hij strijkt bloed van de stier en de bok op de vier horens van het altaar;
Lev. 16,19 dan sprenkelt hij er met zijn wijsvinger zevenmaal bloed op. Zo zuivert hij het altaar van de onreinheden van de IsraŽlieten en heiligt hij het.
Lev. 16,20 Heeft Ašron de verzoening van het heiligdom, de tent van de samenkomst en het altaar voltooid, dan laat hij de bok die nog leeft bij zich brengen.
Lev. 16,21 Hij legt zijn hand op de kop van het dier en belijdt over het dier alle misdaden en vergrijpen van de IsraŽlieten, van welke aard ook, en laadt deze op de kop van de bok. Dan stuurt hij het dier onder de hoede van iemand die daartoe is aangewezen, naar de woestijn.
Lev. 16,22 Zo draagt de bok al hun misdaden weg naar een woest land. In de woestijn wordt de bok losgelaten.
Lev. 16,23 Dan gaat Ašron de tent van de samenkomst binnen, ontdoet zich van de linnen gewaden, die hij bij het betreden van het heiligdom had aangetrokken, en legt ze daar neer.
Lev. 16,24 Daarna neemt hij op een heilige plaats een bad, trekt zijn eigen kleren weer aan en gaat naar buiten om het brandoffer op te dragen voor zichzelf en voor het volk en zo voor zichzelf en het volk de verzoening te voltrekken.
Lev. 16,25 Het vet van het zondeoffer doet hij op het altaar in rook opgaan.
Lev. 16,26 De man die de bok `voor Azazel' heeft weggebracht, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; daarna mag hij weer in het kamp komen.
Lev. 16,27 Als met het bloed van de stier en de bok van het zonde offer in het heiligdom de verzoening is voltrokken, moeten de dieren buiten het kamp worden gebracht; de huid, het vlees en de darmen moet men verbranden.
Lev. 16,28 Degene die ze verbrandt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; daarna mag hij weer in het kamp komen.
Lev. 16,29 Het is een blijvend voorschrift voor u, dat gij u op de tiende dag van de zevende maand moet kastijden en dat gij geen arbeid verricht; dat geldt voor de geboren IsraŽliet en voor de vreemdeling die bij u woont.
Lev. 16,30 Want op die dag zal men voor u de verzoening voltrekken om u te reinigen van al uw zonden. Zo zult ge weer rein zijn voor Jahwe.
Lev. 16,31 Gij moet dus grote sabbat houden en u zelf kastijden; dat is een blijvend voorschrift.
Lev. 16,32 De priester die men door zalving gewijd heeft om zijn vader in het ambt op te volgen, voltrekt de verzoening en doet daarvoor de heilige, linnen gewaden aan.
Lev. 16,33 Hij is het die de verzoening voltrekt aan het heiligste deel van het heiligdom, aan de tent van de samenkomst en het altaar, alsook aan de priesters en heel het samengeroepen volk.
Lev. 16,34 Het is een blijvend voorschrift voor u om eens in het jaar de verzoening te voltrekken voor al de zonden van de IsraŽlieten. Men deed zoals Jahwe het aan Mozes bevolen had.
 
Lev. 17,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 17,2 Zeg aan Ašron en zijn zonen en aan alle IsraŽlieten: Dit beveelt Jahwe:
Lev. 17,3 Wanneer een IsraŽliet in of buiten het kamp een rund, een schaap of een geit slacht
Lev. 17,4 en het dier niet naar de ingang van de tent der samen komst brengt om het voor de woning van Jahwe als offergave aan hem aan te bieden, wordt hem dat als bloedschuld aangerekend. Hij heeft bloed vergoten; hij wordt uit zijn volk verwijderd.
Lev. 17,5 De IsraŽlieten mogen hun slachtoffers niet opdragen op elke willekeurige plek; zij moeten de offerdieren bij de priester brengen, bij de ingang van de tent der samenkomst, om ze daar als slachtoffers aan Jahwe op te dragen.
Lev. 17,6 De priester sprenkelt het bloed bij de ingang van de tent der samenkomst op het altaar en doet het in rook opgaan als een geurige gave die Jahwe behaagt.
Lev. 17,7 Zij mogen niet langer slachtoffers opdragen aan de saters, die zij ontuchtig achterna lopen. Dit is een blijvend voorschrift voor hen, al hun geslachten door.
Lev. 17,8 Gij moet tot hen zeggen: Wanneer iemand, een IsraŽliet of een vreemdeling die bij u woont, een brandoffer of een slacht offer opdraagt,
Lev. 17,9 maar het niet bij de ingang van de tent der samenkomst brengt om het aan Jahwe aan te bieden, dan wordt hij uit zijn volk verwijderd.
Lev. 17,10 Als iemand, een IsraŽliet of een vreemdeling die bij u woont, bloed nuttigt, treed Ik persoonlijk tegen hem op en verwijder hem uit zijn volk.
Lev. 17,11 Want de levenskracht van mens en dier zit in het bloed. Ik sta u alleen toe het te gebruiken op het altaar om verzoening te bewerken, want door de levenskracht bewerkt het bloed verzoening.
Lev. 17,12 Daarom heb Ik de IsraŽlieten gezegd: `Niemand van u mag bloed nuttigen, ook niet de vreemdeling die bij u woont.'
Lev. 17,13 Als iemand, een IsraŽliet of een vreemdeling die bij u woont, op de jacht wild of gevogelte vangt, dat gegeten mag worden, dan moet hij het bloed eruit laten lopen en met zand bedekken.
Lev. 17,14 Want de levenskracht van mens en dier is zijn bloed; daarom heb Ik de IsraŽlieten gezegd: `Nuttig nooit bloed van mens of dier. Want de levenskracht van mens en dier is in zijn bloed. Ieder die het nuttigt wordt uit zijn volk verwijderd.'
Lev. 17,15 Iedereen, geboren IsraŽliet of vreemdeling, die eet van een dier dat doodgegaan is of vreemdeling, die eet van een dier dat doodgegaan is of verscheurd, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. Dan wordt hij weer rein.
Lev. 17,16 Wast hij zijn kleren niet en neemt hij geen bad, dan zal hij ervoor boeten.
 
Lev. 18,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 18,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 18,3 Leef niet naar de gebruiken van Egypte waar gij gewoond hebt, noch naar die van Kanašn waar ik u heenbreng. Richt uw leven niet in volgens hun gewoonten,
Lev. 18,4 maar houdt u aan mijn wetten en richt uw leven naar mijn voorschriften. Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 18,5 Onderhoud mijn voorschriften en wetten: de mens die ze volbrengt, vindt daardoor het leven. Ik ben Jahwe.
Lev. 18,6 Niemand van u mag tot een bloedverwant naderen om diens schaamte te ontbloten.
Lev. 18,7 De schaamte van uw vader, dat is de schaamte van uw moeder, moogt ge niet ontbloten: omdat zij uw moeder is, moogt ge haar schaamte niet ontbloten.
Lev. 18,8 Ook de schaamte van een andere vrouw van uw vader moogt gij niet ontbloten; het is de schaamte van uw vader.
Lev. 18,9 De schaamte van uw zuster, een dochter van uw vader of van uw moeder, in uw familie of daarbuiten geboren, moogt gij niet ontbloten.
Lev. 18,10 De schaamte van een dochter van uw zoon of dochter moogt gij niet ontbloten; het is immers uw eigen schaamte.
Lev. 18,11 De schaamte van de dochter van een andere vrouw van uw vader, door uw vader verwekt, moogt gij niet ontbloten; omdat zij uw zuster is, moogt ge haar schaamte niet ontbloten.
Lev. 18,12 De schaamte van de zuster van uw vader moogt gij niet ontbloten; zij is de naaste bloedverwant van uw vader.
Lev. 18,13 De schaamte van een zuster van uw moeder moogt gij niet ontbloten; zij is een bloedverwant van uw moeder.
Lev. 18,14 De schaamte van een broer van uw vader moogt gij niet ontbloten en tot diens vrouw niet naderen; zij is uw tante.
Lev. 18,15 De schaamte van uw schoondochter moogt gij niet ontbloten; omdat zij de vrouw van uw zoon is, moogt ge haar schaamte niet ontbloten.
Lev. 18,16 De schaamte van de vrouw van uw broer moogt gij niet ontbloten; het is de schaamte van uw broer.
Lev. 18,17 De schaamte van een vrouw en die van haar dochter moogt gij niet beide ontbloten; ook de dochter van een zoon of dochter van die vrouw moogt ge niet huwen. Omdat zij bloedverwanten zijn, moogt ge haar schaamte niet ontbloten; dat is een schande.
Lev. 18,18 Gij moogt niet trouwen met een zuster van uw vrouw; wanneer ge de schaamte van de een ontbloot, terwijl de ander nog leeft, geeft dat jaloezie.
Lev. 18,19 Gij moogt niet naderen tot een vrouw die menstruatie heeft en onrein is.
Lev. 18,20 Gij moogt geen gemeenschap hebben met een vrouw van uw naaste; want dan verontreinigt ge u.
Lev. 18,21 Gij moogt niet toestaan, dat een van uw nakomelingen geofferd wordt aan de Moloch; ge moogt de naam van uw God niet ontwijden: Ik ben Jahwe.
Lev. 18,22 Met een man moogt gij geen omgang hebben als met een vrouw; dat is een gruwel.
Lev. 18,23 Met geen enkel dier moogt ge geslachtsgemeenschap hebben en u zo verontreinigen. Ook een vrouw mag zich niet afgeven met een dier, dat is een schanddaad.
Lev. 18,24 Verontreinig u dus niet door dergelijke dingen, want de volken die Ik voor u verdrijf, hebben zich daardoor verontreinigd.
Lev. 18,25 Zo is het land onrein geworden: Ik heb het geteisterd om zijn misdaad, zodat het zijn bewoners uitspuwde.
Lev. 18,26 Maar gij moet mijn voorschriften en wetten onderhouden en geen van deze gruweldaden bedrijven, noch de geboren IsraŽliet noch de vreemdeling die bij u woont.
Lev. 18,27 Want al die gruweldaden hebben de mensen die voor u in dit land woonden bedreven, zodat het land er onrein van werd.
Lev. 18,28 Zorg dus dat gij uw land niet opnieuw verontreinigt; anders spuwt het u ook uit, zoals het de volken voor u heeft uitgespuwd.
Lev. 18,29 Al degenen die dergelijke gruweldaden bedrijven, moeten uit hun volk worden verwijderd.
Lev. 18,30 Houd u aan wat Ik u voorschrijf en laat u niet in met die afschuwelijke gebruiken, die er voor u in zwang waren. Verontreinig u daardoor niet. Ik ben Jahwe uw God.
 
Lev. 19,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 19,2 Zeg tot heel de gemeenschap van de IsraŽlieten: Wees heilig, want Ik, Jahwe uw God, ben heilig.
Lev. 19,3 Ieder van u moet eerbied hebben voor zijn moeder en vader. De sabbatdagen die Ik heb voorgeschreven moet gij onder houden. Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 19,4 Laat u niet in met afgoden en maak geen metalen beelden. Ik ben Jahwe uw god.
Lev. 19,5 Wanneer gij aan Jahwe een slachtoffer opdraagt, doe het dan zo, dat Hij behagen in u vindt.
Lev. 19,6 Men moet dat offer eten op de dag zelf of op de dag daarna. Wat er op de derde dag nog over is, moet worden verbrand.
Lev. 19,7 Op de derde dag mag men er niet meer van eten; het is besmet en komt de offeraar niet ten goede.
Lev. 19,8 Wie er van eet, zal ervoor boeten; wat Jahwe gewijd was, heeft hij ontwijd. Hij wordt uit zijn volk verwijderd.
Lev. 19,9 Als gij uw oogst van het land haalt, moogt gij uw akker niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen niet bijeenrapen.
Lev. 19,10 Gij moogt in uw wijngaard geen nalezing houden en de afgevallen druiven niet bijeenrapen. Dat alles is bestemd voor de arme en de vreemdeling. Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 19,11 Gij moogt elkaar niet bestelen, niet beliegen en niet bedriegen.
Lev. 19,12 Ge moogt mijn naam niet gebruiken voor meineed, want dan ontwijdt ge de naam van uw God. Ik ben Jahwe.
Lev. 19,13 Gij moogt uw naaste niet uitbuiten en hem in niets te kort doen. Wat een dagloner verdient moogt ge niet vasthouden tot de volgende morgen.
Lev. 19,14 Gij moogt een dove niet vervloeken en een blinde niets in de weg leggen, waarover hij struikelen kan. Ge moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben Jahwe.
Lev. 19,15 Wees niet partijdig bij het rechtspreken: begunstig de arme niet en zie de rijke niet naar de ogen. Spreek rechtvaardig recht over uw volksgenoten.
Lev. 19,16 Strooi geen lasterpraat rond over elkaar en sta uw naaste niet naar het leven. Ik ben Jahwe.
Lev. 19,17 Wees niet haatdragend tegen uw broeder. Wijs elkaar terecht: dan maakt ge u niet schuldig aan de zonde van een ander.
Lev. 19,18 Neem geen wraak op een volksgenoot en koester geen wrok tegen hem. Bemin uw naaste als uzelf. Ik ben Jahwe.
Lev. 19,19 Onderhoud mijn wetten. Gij moogt geen dieren van verschillende soort kruisen; gij moogt op uw akker geen twee gewassen zaaien; gij moogt geen kleren dragen van tweeŽrlei stof.
Lev. 19,20 Heeft iemand gemeenschap met een slavin, die voor een andere man is bestemd, maar er is voor haar nog geen losgeld betaald en zij is nog niet vrijgelaten, dan moet er schadevergoeding worden gegeven, maar ze hoeven niet ter dood te worden gebracht; zij was immers nog niet vrijgelaten.
Lev. 19,21 De man moet als schuldoffer voor Jahwe een ram naar de ingang van de tent der samenkomst brengen.
Lev. 19,22 Met deze ram moet de priester voor Jahwe aan hem de verzoening voltrekken vanwege de zonde die hij heeft bedreven; dan wordt deze daad hem vergeven.
Lev. 19,23 Als gij in het land komt en allerlei vruchtbomen plant, moet ge van de vruchtbomen afblijven; ze mogen niet worden gegeten.
Lev. 19,24 In het vierde jaar zijn alle vruchten bestemd voor een dankfeest ter ere van Jahwe.
Lev. 19,25 Pas in het vijfde jaar moogt gij de vruchten eten. Dan zullen de bomen steeds meer vrucht opbrengen. Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 19,26 Iets waar het bloed nog inzit moogt ge niet eten. Gij moogt u niet inlaten met waarzeggerij of dodenbezwering.
Lev. 19,27 Gij moogt aan uw hoofdhaar geen ronde rand knippen en de rand van uw baard niet wegnemen.
Lev. 19,28 Ge moogt uw lichaam niet kerven voor een dode en u niet laten tatoeŽren. Ik ben Jahwe.
Lev. 19,29 Onteer uw dochter niet door van haar een publieke vrouw te maken; anders wordt het land ontuchtig en wemelt het er van schanddaden.
Lev. 19,30 Gij moet mijn sabbatdagen onderhouden en eerbied hebben voor mijn heiligdom. Ik ben Jahwe.
Lev. 19,31 Gij moogt geen contact zoeken met de geesten van gestorvene en geen orakels ondervragen. Daardoor zoudt ge u verontreinigen. Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 19,32 Gij moet opstaan voor een grijsaard en eerbied hebben voor een bejaarde. Gij moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben Jahwe.
Lev. 19,33 Wanneer er vreemdelingen in uw land wonen, moogt ge die niet slecht behandelen.
Lev. 19,34 Vreemdelingen die bij u wonen hebben dezelfde rechten als een geboren IsraŽliet. Gij moet hen beminnen als uzelf, want gij zijt zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 19,35 Wees niet partijdig in de rechtspraak en niet oneerlijk met lengtematen, gewichten of inhoudsmaten.
Lev. 19,36 Gij moet een zuivere weegschaal gebruiken, juiste gewichten en juiste maten voor koren en olie. Ik ben Jahwe uw God, die u uit Egypte geleid heb.
Lev. 19,37 Onderhoud en volbreng al mijn wetten en voorschriften. Ik ben Jahwe.
 
Lev. 20,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 20,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Iedere IsraŽliet of vreemdeling in IsraŽl, die een van zijn kinderen ter beschikking stelt van de Moloch, moet sterven. Het volk van het land moet hen stenigen.
Lev. 20,3 Ik treed persoonlijk op tegen zo iemand en verwijder hem uit zijn volk. Door een van zijn kinderen ter beschikking te stellen van de Moloch heeft hij mijn heiligdom verontreinigd en mijn heilige naam ontwijd.
Lev. 20,4 Mocht het volk van het land zijn ogen sluiten voor het feit dat die man een van zijn kinderen ter beschikking heeft gesteld van de Moloch en mocht het hem niet ter dood brengen,
Lev. 20,5 dan treed Ik persoonlijk op tegen hem en tegen zijn verwanten. Ik zal hem, en alle anderen die ontuchtig de Moloch nalopen, uit hun volk verwijderen.
Lev. 20,6 Tegen degene die contact zoekt met geesten en orakels raadpleegt en deze ontuchtig achterna loopt, treed Ik persoonlijk op en verwijder hem uit zijn volk.
Lev. 20,7 Zorg dat gij heilig zijn; wees heilig, want Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 20,8 Onderhoud mijn wetten. Ik ben Jahwe, degene die u heiligt.
Lev. 20,9 Ieder die zijn vader en zijn moeder vervloekt, moet ter dood worden gebracht. Hij heeft zijn vader en zijn moeder ver vloekt; hij heeft zijn dood aan zichzelf te wijten.
Lev. 20,10 Hij die overspel pleegt met de vrouw van een ander, de vrouw van zijn naaste, moet ter dood worden gebracht, hijzelf en de vrouw met wie hij overspel heeft gepleegd.
Lev. 20,11 Als een man gemeenschap heeft met een vrouw van zijn vader, ontbloot hij de schaamte van zijn vader. Beiden moeten ter dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten.
Lev. 20,12 Als een man gemeenschap heeft met zijn schoondochter, moeten beiden ter dood gebracht worden. Zij hebben een schanddaad begaan; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten.
Lev. 20,13 Als een man met een andere man omgang heeft als met een vrouw, begaan beiden een afschuwelijke daad. Zij moeten ter dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten.
Lev. 20,14 Als een man met een vrouw trouwt en tegelijk met haar moeder, dan is dat een schande. Zowel de man als de beide vrouwen moeten worden verbrand; zoiets schandaligs mag bij u niet voorkomen.
Lev. 20,15 Een man die geslachtsgemeenschap heeft met een dier, moet gedood worden; het dier moet ge afmaken.
Lev. 20,16 Als een vrouw zich afgeeft met een dier, moet ge zowel de vrouw als het dier doden. Zij moeten ter dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten.
Lev. 20,17 Als een man trouwt met zijn zuster, een dochter van zijn vader of zijn moeder, en zij zien elkaars schaamte, dan is dit een schande. Voor de ogen van hun volksgenoten moeten zij verwijderd worden. Hij heeft de schaamte van zijn zuster ontbloot; hij moet voor zijn misdaad boeten.
Lev. 20,18 Als een man gemeenschap heeft met een vrouw tijdens de menstruatie en haar schaamte, de bron van haar bloeding, ontbloot, en zij stemt daarmee in, dan moeten beiden uit hun volk worden verwijderd.
Lev. 20,19 De schaamte van een zuster van uw vader of uw moeder moogt gij niet ontbloten. Wie zoiets doet heeft zijn eigen bloedverwant ontbloot; hij moet voor zijn misdaad boeten.
Lev. 20,20 Een man die gemeenschap heeft met zijn tante, ontbloot de schaamte van zijn oom. Zij moeten voor hun zonde boeten en zullen kinderloos sterven.
Lev. 20,21 Als een man met de vrouw van zijn broer trouwt, is dat een schande. Hij heeft de schaamte van zijn broer ontbloot; zij zullen kinderloos blijven.
Lev. 20,22 Onderhoud en volbreng al mijn wetten en voorschriften; dan zal het land waar Ik u heenbreng om er te wonen, u niet uitspuwen.
Lev. 20,23 Leef niet naar de gebruiken van de volken die Ik voor u verjaag. Omdat zij dergelijke dingen deden, walgde Ik van hen.
Lev. 20,24 Toen sprak Ik tot u: Gij zult hun land in bezit nemen; Ik zelf geef het u in bezit, een land van melk en honing. Ik ben Jahwe uw God. Ik heb u van de andere volken onderscheiden.
Lev. 20,25 Maakt gij dan onderscheid tussen reine en onreine landdieren, tussen reine en onreine vogels. Besmet u niet met die landdieren, vogels en kruipende dieren, die Ik onrein heb verklaard en als zodanig heb aangewezen.
Lev. 20,26 Wees heilig voor Mij, want Ik, Jahwe, ben heilig. Ik heb u van de andere volken onderscheiden om Mij toe te behoren.
Lev. 20,27 Mannen of vrouwen in wie de geest van een dode is of die aan waarzeggerij doen, moeten ter dood worden gebracht. Zij moeten worden gestenigd; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten.
 
Lev. 21,1 Jahwe sprak tot Mozes: Zeg aan de priesters, de zonen van Ašron: Een priester mag zich niet verontreinigen aan het lijk van een volksgenoot,
Lev. 21,2 tenzij het gaat om een naaste bloedverwant: zijn vader, zijn moeder, een zoon, een dochter, een broer.
Lev. 21,3 Hij mag zich ook verontreinigen voor een ongehuwde zuster, die hem nog na staat, omdat zij niet aan een man heeft behoord.
Lev. 21,4 Maar zodra zij gehuwd is, mag hij zich voor haar niet verontreinigen en zich niet ontwijden.
Lev. 21,5 Zij mogen op hun hoofd geen kale plek maken, de rand van hun baard niet afscheren en hun lichaam niet kerven.
Lev. 21,6 Zij moeten heilig zijn voor hun God en mogen zijn naam niet ontwijden. Zij dragen de offers van Jahwe op, de spijs van hun God; daarom moeten zij heilig zijn.
Lev. 21,7 Zij mogen niet huwen met een publieke vrouw, met een vrouw die onteerd is, of met een vrouw die door haar man verstoten is. Want de priester is heilig voor zijn God.
Lev. 21,8 Gij moet hem dan ook als heilig beschouwen, want hij draagt de spijs van uw God op. Hij moet u heilig zijn, want Ik, Jahwe, die u heilig maak, ben heilig.
Lev. 21,9 De dochter van een priester, die zich door ontucht onteert, onteert haar vader; zij moet worden verbrand.
Lev. 21,10 De voornaamste onder de priesters, over wiens hoofd de zalvingolie is uitgegoten en die gewijd is om de gewaden te dragen, mag zijn hoofdhaar niet los laten hangen en zijn kleren niet scheuren.
Lev. 21,11 Hij mag niet bij een lijk komen en zich daaraan verontreinigen, zelfs niet als het zijn vader of moeder is.
Lev. 21,12 Hij mag zich niet verwijderen uit het heiligdom van zijn God en het niet ontwijden, want hij is door de zalving met olie aan zijn God gewijd. Ik ben Jahwe.
Lev. 21,13 De vrouw die hij huwt moet maagd zijn.
Lev. 21,14 Hij mag geen weduwe huwen, geen verstoten vrouw, geen onteerde vrouw en geen publieke vrouw; hij mag alleen trouwen met een maagd uit zijn familie.
Lev. 21,15 Dan ontwijdt hij zijn nageslacht niet. Ik ben Jahwe, die hem heilig.
Lev. 21,16 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 21,17 Zeg aan Ašron: Heeft iemand van uw familie een gebrek, dan mag hij niet optreden om de spijs van zijn God op te dragen. Dat geldt al uw geslachten door.
Lev. 21,18 Iemand met een gebrek mag niet als priester optreden: een blinde niet, een kreupele niet, evenmin iemand met een geschonden of misvormde neus
Lev. 21,19 of iemand die zijn been of arm heeft gebroken;
Lev. 21,20 ook iemand met een bochel niet, een dwerg niet, evenmin iemand met een vlek op het oog, met een of andere huidziekte of een ontmande.
Lev. 21,21 Iemand uit het geslacht van de priester Ašron, die een van die gebreken heeft, mag niet optreden om Jahwe's offergaven op te dragen. Vanwege zijn gebrek mag hij niet optreden om de spijs van zijn God te offeren.
Lev. 21,22 Hij mag wel de spijs van zijn God eten, het heilige zowel als het hoogheilige,
Lev. 21,23 maar vanwege zijn gebrek mag hij niet bij het voorhangsel komen en het altaar niet naderen. Hij mag mijn heiligdom niet ontwijden, want Ik ben Jahwe, die hen heilig.
Lev. 21,24 Mozes bracht dit over aan Ašron en zijn zonen en aan alle IsraŽlieten.
 
Lev. 22,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 22,2 Zeg aan Ašron en zijn zonen: Waar het gaat om de heilige gaven van de IsraŽlieten, moeten zij de grootste zorgvuldigheid in acht nemen en mogen zij mijn heilige naam niet ontwijden; want aan Mij hebben zij die gaven gewijd. Ik ben Jahwe.
Lev. 22,3 Zeg hun: Voor al uw geslachten geldt: Als iemand van uw familie onrein is en toch nadert tot de heilige gaven die de IsraŽlieten aan Jahwe wijden, moet die persoon van Mij verwijderd worden. Ik ben Jahwe.
Lev. 22,4 Als iemand van Ašrons geslacht een huidziekte heeft of aan druipen lijdt, mag hij niet eten van de heilige gaven, voordat hij weer rein is. Dat geldt ook voor degene die iets aanraakt dat door contact met een lijk onrein is geworden, voor degene die een uitstorting heeft,
Lev. 22,5 die in aanraking komt met kruipend gedierte, dat onrein maakt, of met een mens, die onrein maakt, of voor degene die op een andere manier onrein is geworden.
Lev. 22,6 Hij is tot de avond onrein en mag niet van de heilige gaven eten, voor hij een bad heeft genomen.
Lev. 22,7 Na zonsondergang is hij weer rein. Dan mag hij weer eten van de heilige gaven, want daar moet hij van leven.
Lev. 22,8 Een dier dat dood is gegaan of verscheurd is, mag hij niet eten; anders wordt hij onrein. Ik ben Jahwe.
Lev. 22,9 De priesters moeten doen wat Ik hun voorschrijf en zich op dit punt niet bezondigen, want als zij het heilige ontwijden, zou dat hun dood zijn. Ik ben Jahwe, die hen heilig.
Lev. 22,10 Een onbevoegde mag niet van de gewijde gaven eten; iemand die bij een priester inwoont of werkt, evenmin.
Lev. 22,11 De slaven, die een priester met zijn eigen geld heeft gekocht of die in zijn huis geboren zijn, mogen ervan eten.
Lev. 22,12 De dochter van een priester, die met een niet-priester is getrouwd, mag niet eten van de heilige gaven, die afgedragen worden.
Lev. 22,13 Is zij weduwe geworden of door haar man verstoten, heeft zij geen kinderen en is zij weer terug in het ouderlijk huis, zoals in haar jeugd, dan mag zij eten wat haar vader eet. Een onbevoegde mag dat niet.
Lev. 22,14 Iemand die door onoplettendheid van de heilige gaven eet, moet deze, vermeerderd met een vijfde, aan de priester vergoeden.
Lev. 22,15 De priesters mogen de heilige gaven, die de IsraŽlieten aan Jahwe afdragen, niet laten ontwijden.
Lev. 22,16 Zij zouden er oorzaak van zijn, dat de IsraŽlieten, door het eten van de gaven die een priester toekomen, schuld op zich laden en tot boete verplicht zijn. Ik ben Jahwe, die hen heilig.
Lev. 22,17 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 22,18 Zeg aan Ašron en zijn zonen en aan alle IsraŽlieten: Als een IsraŽliet een gelofteoffer of een vrije gave als brandoffer aan Jahwe wil aanbieden,
Lev. 22,19 moet hij daarvoor een mannelijk dier nemen zonder gebrek, een rund, een schaap of een geit. Dan schept Jahwe behagen in hem.
Lev. 22,20 Dieren met een gebrek moogt gij niet aanbieden; dan schept Jahwe geen behagen in u.
Lev. 22,21 Ook als iemand ter vervulling van een gelofte of als vrije gave een rund of een stuk kleinvee aan Jahwe opdraagt als slachtoffer, moet het, om aanvaard te worden, een gaaf dier zijn, zonder gebrek.
Lev. 22,22 Is een dier blind, kreupel of verminkt, heeft het zweren, uitslag of huidziekte, dan moogt ge het Jahwe niet offeren; zulke dieren moogt ge niet op het altaar brengen als offergaven voor Jahwe.
Lev. 22,23 Een rund of een schaap dat misvormd is, moogt ge wel als vrije gave aanbieden, maar als gelofteoffer wordt het niet aanvaard.
Lev. 22,24 Een dier, dat door kneuzen, verbrijzelen, afrukken of snijden ontmand is, moogt ge Jahwe niet aanbieden. Een dergelijk dier offert men niet in uw land
Lev. 22,25 en gij moogt het ook van een vreemdeling niet aannemen om het aan te bieden als spijs voor uw God. Zij zijn geschonden en hebben een gebrek; zij worden niet aanvaard.
Lev. 22,26 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 22,27 Het jong van een rund, een schaap of een geit moet de eerste zeven dagen na de geboorte bij het moederdier blijven. Pas vanaf de achtste dag wordt het door Jahwe als offergave aanvaard.
Lev. 22,28 Maar gij moogt een rund of een schaap niet slachten op dezelfde dag als een jong van dat dier.
Lev. 22,29 Biedt ge Jahwe een slachtoffer aan uit dankbaarheid, dan moet ge dat zo doen, dat het aanvaard wordt:
Lev. 22,30 het moet op de dag zelf worden gegeten en ge moogt er niets van overlaten tot de volgende dag. Ik ben Jahwe.
Lev. 22,31 Gij moet mijn geboden stipt onderhouden. Ik ben Jahwe.
Lev. 22,32 Mijn heilige naam moogt ge niet ontwijden; Ik wil mijn heiligheid door de IsraŽlieten erkend zien. Ik ben Jahwe die u heilig.
Lev. 22,33 Ik heb u uit Egypte geleid om uw God te zijn. Ik ben Jahwe.
 
Lev. 23,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 23,2 Zeg aan de IsraŽlieten: De feesten ter ere van Mij voor Jahwe, die gij tot heilige dagen moet uitroepen, zijn de volgen de.
Lev. 23,3 Zes dagen wordt er gewerkt, maar de zevende dag is een grote sabbat, een heilige dag. Ge moogt dan niet werken; het is een sabbat ter ere van Jahwe, waar ge ook woont.
Lev. 23,4 Dit zijn de feesten voor Jahwe, de heilige dagen, die gij op de gestelde tijd moet vieren.
Lev. 23,5 De veertiende dag van de eerste maand, tegen zonsondergang, is het pasen ter ere van Jahwe.
Lev. 23,6 De vijftiende dag van die maand is het feest van de ongezuurde broden ter ere van Jahwe; dan moet gij zeven dagen ongezuurd brood eten.
Lev. 23,7 De eerste dag is voor u een heilige dag; ge moogt dan niet werken.
Lev. 23,8 Zeven dagen achtereen moet gij Jahwe offers aanbieden. De zevende dag is een heilige dag; dan moogt ge niet werken.
Lev. 23,9 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 23,10 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u schenk, en er de oogst binnenhaalt, moet ge de eerste schoof naar de priester brengen.
Lev. 23,11 Staande voor Jahwe, zondert hij deze af als aandeel van de priester; dan schept Jahwe behagen in u. Dit moet daags na de sabbat geschieden.
Lev. 23,12 Op de dag dat de schoof op deze wijze wordt aangeboden, moet ge een gaaf lam van nog geen jaar als brandoffer aan Jahwe opdragen.
Lev. 23,13 Daarbij hoort een meeloffer van twee issaron bloem, aangemaakt met olie, als geurige gave die Jahwe behaagt, en een plengoffer van een vierde hin wijn.
Lev. 23,14 Tot de dag dat ge dit offer aan uw God hebt opgedragen, moogt ge geen brood eten, en geen graankorrels, gepoft of niet gepoft. Dat is een blijvende wet, al uw geslachten door, waar ge ook woont.
Lev. 23,15 Vanaf de dag na de sabbat, waarop ge de schoof hebt gebracht die voor de priester bestemd is, moet ge zeven sabbatten tellen.
Lev. 23,16 En daags na de zevende sabbat, op de vijftigste dag, moet ge aan Jahwe vers graan offeren.
Lev. 23,17 Van de plaats waar ge woont, moet gij als bijdrage twee broden meebrengen van twee issaron bloem, met zuurdeeg gebakken, om die als eerstelingen aan Jahwe aan te bieden.
Lev. 23,18 Bij dit brood moet ge zeven gave lammeren van nog geen jaar, een stier en twee rammen aan Jahwe opdragen met bijbehoren de meeloffers en plengoffers, als een geurige gave die Jahwe behaagt.
Lev. 23,19 Als zondeoffer moet ge een bok en als slachtoffer twee lammeren van nog geen jaar opdragen.
Lev. 23,20 Met het brood van het nieuwe graan zondert de priester voor Jahwe de beide lammeren af; zij zijn Jahwe gewijd en komen aan de priester toe.
Lev. 23,21 Diezelfde dag moet gij vieren als een heilige dag; ge moogt dan niet werken.
Lev. 23,22 Wanneer ge uw oogst van het land haalt, moogt ge uw akker niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen moogt ge niet bijeenrapen. Dat is bestemd voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 23,23 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 23,24 Zeg aan de IsraŽlieten: Op de eerste dag van de zevende maand is het sabbat, een heilige dag, die gevierd wordt met trompetgeschal.
Lev. 23,25 Ge moogt dan niet werken en ge moet een offer opdragen aan Jahwe.
Lev. 23,26 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 23,27 De tiende dag van verzoening; het is een heilige dag voor u. Gij moet dan uzelf kastijden en een offer opdragen aan Jahwe.
Lev. 23,28 Ge moogt op die dag niet werken; het is de dag van verzoening, waarop verzoening voor u wordt bewerkt bij Jahwe uw God.
Lev. 23,29 Wie zich niet kastijdt, wordt uit zijn volk verwijderd.
Lev. 23,30 En wie op die dag werkt, neem Ik weg uit zijn volk en verdelg hem.
Lev. 23,31 Gij moogt niet werken. Dat is een blijvende wet, al uw geslachten door, waar ge ook woont.
Lev. 23,32 Het is grote sabbat voor u en ge moet uzelf kastijden; van de avond van de negende dag van die maand tot de volgende avond moet gij sabbat houden.
Lev. 23,33 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 23,34 Zeg aan de IsraŽlieten: Op de vijftiende dag van de zevende maand begint het loofhuttenfeest ter ere van Jahwe, dat zeven dagen duurt.
Lev. 23,35 De eerste dag is een heilige dag; ge moogt dan niet werken.
Lev. 23,36 Zeven dagen achtereen moet ge offers opdragen aan Jahwe. De achtste dag is voor u een heilige dag; ook dan moet ge offers opdragen aan Jahwe. Dat is het slotfeest; ge moogt dan niet werken.
Lev. 23,37 Dat zijn de feesten ter ere van Jahwe, die ge als heilige dagen moet vieren en waarop gij hem offers moet brengen: brandoffers, meeloffers, slachtoffers en plengoffers, al naar gelang de verschillende dagen.
Lev. 23,38 Daarbij zijn de sabbatdagen ter ere van Jahwe en de gaven die gij hem als gelofteoffers of als vrije gaven aanbiedt, niet meegerekend.
Lev. 23,39 Op de vijftiende dag van de zevende maand, als de oogst van het land is gehaald, moet bij zeven dagen het feest van Jahwe vieren.
Lev. 23,40 Haal op de eerste dag citrusvruchten, palmblaren, twijgen van loofbomen en wilgentakken bijeen en wees vol vreugde voor Jahwe uw God, zeven dagen lang.
Lev. 23,41 Ieder jaar moet gij zeven dagen feest vieren voor Jahwe; dat is een blijvende wet, al uw geslachten door. In de zevende maand moet gij dat feest vieren.
Lev. 23,42 Zeven dagen achtereen moet ge in loofhutten wonen; iedere geboren IsraŽliet moet in een loofhut wonen.
Lev. 23,43 Dan zullen de komende geslachten blijven beseffen, dat Ik de IsraŽlieten in loofhutten heb doen wonen, toen Ik hen uit Egypte leidde. Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 23,44 Zo maakte Mozes de feestdagen van Jahwe aan de IsraŽlieten bekend.
 
Lev. 24,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 24,2 Geef de IsraŽlieten opdracht zuivere gestoten olijfolie te brengen voor de verlichting, om de luchter altijd brandend te houden.
Lev. 24,3 Ašron moet deze in de tent van de samenkomst, voor het voorhangsel waarachter de verbondsakte ligt, van de avond tot de morgen altijd brandend houden voor Jahwe. Dat is een blijvende wet, al uw geslachten door.
Lev. 24,4 Hij moet de lampen plaatsen op de luchter van zuiver goud, om ononderbroken voor Jahwe te branden.
Lev. 24,5 Van bloem moet gij twaalf broden bakken, elk van twee issaron.
Lev. 24,6 Die moet gij in twee rijen van zes voor Jahwe op de tafel van zuiver goud leggen.
Lev. 24,7 Bij elke rij moet gij zuivere wierook doen. Zo wordt het brood een heilig teken, een offergave voor Jahwe.
Lev. 24,8 Elke sabbat moet men verse broden voor Jahwe neerleggen uit naam van de IsraŽlieten; dat is een blijvende verplichting.
Lev. 24,9 De broden komen toe aan Ašron en zijn zonen; zij moeten ze eten op een heilige plaats, want ze zijn hoogheilig. Dat is hun blijvend deel van de offergaven voor Jahwe.
Lev. 24,10 Een zeker iemand, de zoon van een IsraŽlitische moeder en een Egyptische vader, mengde zich eens onder de IsraŽlieten. In het kamp raakte hij slaags met een IsraŽliet.
Lev. 24,11 Toen de zoon van de IsraŽlitische vrouw begon te vloeken en de naam verwenste, bracht men hem bij Mozes.
Lev. 24:- Zijn moeder heette Selomit; zij was een dochter van Dibri, uit de stam Dan.
Lev. 24:
Lev. 24,12 Hij werd gevangen gezet, in afwachting van de beslissing van Jahwe.
Lev. 24,13 En Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 24,14 Breng de man, die mij verwenst heeft, buiten het kamp. Allen die het gehoord hebben, moeten hun hand op zijn hoofd leggen; daarna moet heel de gemeenschap hem stenigen.
Lev. 24,15 En tot de IsraŽlieten moet gij zeggen: Ieder die zijn God verwenst, zal daarvoor boeten.
Lev. 24,16 Wie de naam van Jahwe vervloekt, moet ter dood gebracht worden: heel de gemeenschap moet hem stenigen. Zowel de geboren IsraŽliet als de vreemdeling die de naam heeft vervloekt, moet ter dood gebracht worden.
Lev. 24,17 Ieder die een mens doodslaat, moet ter dood gebracht worden, en wie een dier doodslaat, moet het vergoeden:
Lev. 24,18 een leven voor een leven.
Lev. 24,19 Wie een volksgenoot letsel toebrengt, moet zelf onder gaan wat hij de ander aandeed:
Lev. 24,20 een wond voor een wond, een oog voor een oog, een tand voor een tand; het letsel dat hij de ander toebracht, moet hijzelf ondergaan.
Lev. 24,21 Wie een dier doodslaat, moet het vergoeden, maar wie een mens doodslaat, moet ter dood gebracht worden.
Lev. 24,22 Hetzelfde recht geldt voor de vreemdeling en voor de geboren IsraŽliet. Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 24,23 Nadat Mozes dit had meegedeeld, brachten de IsraŽlieten de man, die Jahwe verwenst had, buiten het kamp en stenigden hem. De IsraŽlieten deden wat Jahwe aan Mozes had geboden.
 
Lev. 25,1 Jahwe sprak tot Mozes op de SinaÔ:
Lev. 25,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer gij in het land komt dat Ik u schenk, moet het land sabbat houden ter ere van Jahwe.
Lev. 25,3 Zes jaar kunt ge uw akkers inzaaien, zes jaar kunt ge uw wijngaarden snoeien en de oogst binnenhalen,
Lev. 25,4 maar in het zevende jaar zal het grote sabbat zijn voor het land. Dan moogt gij uw akker niet inzaaien, uw wijngaard niet snoeien,
Lev. 25,5 de nagroei van het vorige gewas niet oogsten en de druiven van uw ongesnoeide wijngaard niet plukken. Het land zal een heel jaar sabbat houden.
Lev. 25,6 Wat het land tijdens de sabbat uit zichzelf voortbrengt, zal voldoende zijn om uw slaaf en slavin, de dagloners en de buitenlanders, die bij u wonen, te voeden.
Lev. 25,7 Ook uw vee en de andere dieren in uw land zullen daarvan kunnen eten.
Lev. 25,8 Na verloop van zeven sabbatjaren, zevenmaal zeven jaar, tezamen negenenveertig jaar,
Lev. 25,9 moet gij op de dag van verzoening, de tiende dag van de zevende maand, luid de bazuin laten klinken. In heel uw land moet gij de bazuin laten schallen.
Lev. 25,10 Dat vijftigste jaar moet een heilig jaar voor u zijn; dan moet ge in het land afkondigen dat alle bewoners hun slaven vrijlaten. Het moet een jubeljaar voor u zijn; iedereen wordt hersteld in zijn vroeger bezit en keert terug naar zijn familie.
Lev. 25,11 Het vijftigste jaar is een jubeljaar voor u; ge moogt dan niet zaaien, de nagroei niet oogsten en de druiven van uw ongesnoeide wijngaard niet plukken,
Lev. 25,12 want het is het jubeljaar; dat moet heilig voor u zijn. Alleen wat het land uit zichzelf voortbrengt, moogt ge eten.
Lev. 25,13 In het jubeljaar zal iedereen in zijn vroeger bezit worden hersteld.
Lev. 25,14 Wanneer gij een stuk grond verkoopt aan een volksgenoot of grond van hem koopt, moogt ge elkaar niet benadelen.
Lev. 25,15 Koopt gij grond van een volksgenoot, dan moet ge bij het vaststellen van de prijs rekening houden met het aantal jaren sinds het laatste jubeljaar. En hij moet de verkoopprijs berekenen naar het aantal jaren, dat het nog oogst opbrengt.
Lev. 25,16 De prijs zal hoger zijn, als er nog veel jaren komen, en lager, als er weinig jaren moeten verstrijken, want hij verkoopt u een aantal oogstjaren.
Lev. 25,17 Benadeel uw volksgenoot niet; heb eerbied voor uw God. Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 25,18 Volbreng mijn geboden en onderhoud mijn wetten. Dan zult gij ongestoord wonen in het land.
Lev. 25,19 Het land zal rijke vrucht opbrengen, zodat gij volop te eten hebt; ongestoord zult gij er wonen.
Lev. 25,20 En denkt ge soms: `Wat moeten wij in het zevende jaar eten, als we niet zaaien en geen oogst binnenhalen?',
Lev. 25,21 wees er dan van verzekerd, dat Ik u in het zesde jaar zo zal zegenen, dat de oogst voor drie jaar genoeg zal zijn.
Lev. 25,22 Als ge het achtste jaar zaait, zult ge nog steeds eten van de oude oogst. En ge zult daar nog van eten, als ge de oogst van het negende jaar binnenhaalt.
Lev. 25,23 Verkoop van land mag terugkoop niet uitsluiten, want het land behoort aan Mij; gij zijt er vreemdelingen en gasten.
Lev. 25,24 Op alle land dat gij bezit, moet ge een recht van terugkoop toestaan.
Lev. 25,25 Raakt uw broeder in moeilijkheden, zodat hij een deel van zijn grond moet verkopen, dan moet zijn naaste verwant de grond die zijn broeder verkocht heeft, terugkopen.
Lev. 25,26 Heeft hij niemand die het voor hem terugkoopt, maar gaat het hem zo goed, dat hij zelf weer in staat is de grond terug te kopen,
Lev. 25,27 dan moet hij het aantal jaren sinds de verkoop in mindering brengen op de verkoopprijs en het verschil terugbetalen aan de man, aan wie hij de grond had verkocht: dan krijgt hij zijn grond weer terug.
Lev. 25,28 Is hij niet in staat om terug te kopen, dan blijft het verkochte tot het jubeljaar in het bezit van de koper. Maar in het jubeljaar komt het vrij; dan wordt hij in zijn bezit hersteld.
Lev. 25,29 Verkoopt iemand een woonhuis in een ommuurde stad, dan kan hij het alleen gedurende het eerste jaar na de verkoop terugkopen; alleen die tijd heeft hij recht van terugkoop.
Lev. 25,30 Is het huis in de ommuurde stad na verloop van een jaar niet teruggekocht, dan blijft het voor altijd eigendom van de koper. Het recht van terugkoop is vervallen; ook in het jubeljaar komt het niet vrij.
Lev. 25,31 Huizen in niet ommuurde dorpen horen bij de landerijen; het recht van terugkoop blijft en in het jubeljaar komen zij vrij.
Lev. 25,32 De levieten behouden altijd het recht om de huizen, die zij in de levietensteden bezitten, terug te kopen.
Lev. 25,33 Heeft een leviet in een stad, waar hij bezitsrechten heeft, een huis verkocht en is hij niet in staat het terug te kopen, dan komt dat huis in het jubeljaar vrij; want in de levietensteden van IsraŽl behoren de huizen aan de levieten.
Lev. 25,34 Ook de weidegrond rond die steden mag niet worden verkocht; het is hun bezit voor altijd.
Lev. 25,35 Vervalt uw broeder tot armoede en kan hij zich niet handhaven, dan moet gij hem hulp bieden, zodat hij bij u kan leven, op dezelfde wijze als een vreemdeling of een buitenlander.
Lev. 25,36 Uit eerbied voor uw God moogt gij van uw broeder geen rente of toeslag vragen, zodat hij bij u kan blijven leven.
Lev. 25,37 Leen hem geld zonder rente en geef hem te eten zonder toeslag.
Lev. 25,38 Ik ben Jahwe uw God; Ik heb u uit Egypte geleid om u Kanašn te geven en uw God te zijn.
Lev. 25,39 Vervalt uw broeder tot zo grote armoede dat hij zich aan u moet verkopen, behandel hem dan niet als een slaaf;
Lev. 25,40 beschouw hem als een dagloner of een buitenlander. Hij moet tot het jubeljaar in dienst blijven;
Lev. 25,41 dan kan hij met zijn kinderen van u heengaan: hij kan terugkeren naar zijn familie en wordt in zijn bezit hersteld.
Lev. 25,42 Want zij zijn dienaren van Mij: Ik heb hen uit Egypte geleid. Zij kunnen niet als slaaf worden verkocht.
Lev. 25,43 Uit eerbied voor uw God moogt gij hem niet tiranniseren.
Lev. 25,44 Hebt gij slaven of slavinnen nodig, koop ze dan in het buitenland
Lev. 25,45 of koop buitenlanders, die bij u wonen, of kinderen die zij bij u in het land hebben gekregen. Die kunt gij als slaven bezitten
Lev. 25,46 en aan uw kinderen als erfgoed nalaten; die kunt ge voor altijd als slaven in dienst houden. Maar niemand van u mag een broeder, een IsraŽliet tiranniseren.
Lev. 25,47 Als een buitenlander die bij u woont rijk wordt en uw broeder vervalt tot zo grote armoede dat hij zich aan hem of aan iemand van diens familie verkoopt,
Lev. 25,48 dan heeft hij daarna recht van vrijkoop. Een van zijn verwanten moet hem vrijkopen;
Lev. 25,49 zijn oom, diens zoon of iemand anders van zijn naaste familie. Is hij zelf weer bemiddeld geworden, dan kan hij zich zelf vrij kopen.
Lev. 25,50 Hij moet met de koper de tijd tussen het jaar van de verkoop en het jubeljaar berekenen en in overeenstemming daarmee de prijs van de verkoop bepalen. Voor de jaren dat hij bij hem gewerkt heeft, geldt het tarief van een dagloner.
Lev. 25,51 Resten er nog veel jaren tot aan het jubeljaar, dan moet hij een evenredig deel van de koopsom als losprijs betalen.
Lev. 25,52 Resten er nog weinig jaren, ook dan moet de losprijs in overeenstemming daarmee worden berekend.
Lev. 25,53 De tijd dat hij bij hem is, moet hij behandeld worden als een dagloner; hij mag onder uw ogen niet worden getiranniseerd.
Lev. 25,54 Wordt hij op geen van deze manieren losgekocht, dan komt hij met zijn kinderen vrij in het jubeljaar.
Lev. 25,55 Want de IsraŽlieten zijn dienaren van Mij; Ik heb hen uit Egypte geleid. Ik ben Jahwe uw God.
 
Lev. 26,1 Gij moogt in uw land geen afgodsbeelden maken, geen gebouwen godenbeelden of wijstenen oprichten en geen stenen met beeldwerk plaatsen om u daarvoor neer te buigen. Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 26,2 Onderhoud mijn sabbatten en heb eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben Jahwe.
Lev. 26,3 Als ge uw leven richt naar mijn wetten en mijn geboden nauwgezet volbrengt,
Lev. 26,4 dan zal Ik u regen geven op de juiste tijd, zodat uw land rijke oogst oplevert en uw boomgaarden overvloedig vrucht dragen.
Lev. 26,5 Dan duurt het dorsen tot aan het plukken der druiven, en het druiven plukken tot de zaaitijd. Dan zult ge volop te eten hebben en ongestoord wonen in uw land.
Lev. 26,6 Dan breng Ik vrede over het land en kunt gij slapen zonder dat iemand u opschrikt. Wilde dieren houd Ik weg uit uw land en het zwaard dringt er niet door.
Lev. 26,7 Uw vijanden jaagt gij op de vlucht; zij vallen door uw zwaard.
Lev. 26,8 Vijf van u achtervolgen er honderd, honderd achtervolgen er tienduizend; de vijanden vallen door uw zwaard.
Lev. 26,9 Ik blijf u mijn gunsten schenken; Ik maak u vruchtbaar en talrijk. Mijn verbond met u blijf Ik trouw.
Lev. 26,10 Terwijl gij nog eet van de vorige oogst, zult gij uw voorraden al weg moeten doen voor de nieuwe oogst.
Lev. 26,11 Midden onder u plaats Ik mijn woning; Ik keer mij nooit van u af.
Lev. 26,12 Overal ga Ik met u mee: Ik zal uw God zijn en gij mijn volk.
Lev. 26,13 Ik ben Jahwe uw God, die u uit Egypte heb geleid, zodat gij geen slaven meer hoeft te zijn. Ik heb de stangen van uw juk gebroken en u rechtop doen gaan.
Lev. 26,14 Maar als gij Mij niet gehoorzaamt en deze geboden niet onderhoudt,
Lev. 26,15 u van mijn wetten niets aantrekt en mijn beslissingen afwijst, als ge mijn geboden niet onderhoudt en ontrouw wordt aan mijn verbond,
Lev. 26,16 weet dan wat Ik met u ga doen. Ellende breng Ik over u. Tering en brandende koorts ontnemen uw ogen het licht en tasten uw levenskracht aan. Zaait gij, dan is het voor niets; uw vijanden eten het op.
Lev. 26,17 Ikzelf treed tegen u op, zodat gij valt onder de slagen van uw vijand. Die u haten, heersen over u. Gij slaat op de vlucht, ook als niemand u achtervolgt.
Lev. 26,18 En als gij Mij ondanks dat alles nog niet gehoorzaamt, zal Ik u zevenvoudig tuchtigen om uw zonden.
Lev. 26,19 Uw trotse kracht zal Ik breken. De hemel boven u maak Ik als ijzer, de aarde beneden u als koper.
Lev. 26,20 Vergeefs put gij uw krachten uit; uw land brengt niets op, uw boomgaard evenmin.
Lev. 26,21 En blijft gij u dan nog tegen Mij verzetten en weigeren Mij te gehoorzamen, dan zal Ik u opnieuw zevenvoudig slaan om uw zonden.
Lev. 26,22 Wilde dieren stuur Ik op u af, die u van uw kinderen beroven en uw vee verscheuren. Zij dunnen uw rijen zo uit, dat uw wegen verlaten zijn.
Lev. 26,23 En als ge dan door dit alles nog niet wijzer zijt geworden en u tegen Mij blijft verzetten,
Lev. 26,24 dan zal ook Ik hard tegen u zijn. Ik zal u zevenvoudig slaan om uw zonden.
Lev. 26,25 Het zwaard roep Ik tegen u op om de schending van het verbond te wreken. Kruipt gij bijeen in uw steden, dan laat Ik de pest op u los, zodat gij in de macht van uw vijanden valt.
Lev. 26,26 En als Ik voor u geen brood op de plank heb, zullen tien vrouwen in een oven bakken en het brood in porties verdelen. Gij zult wel eten, maar niet genoeg krijgen.
Lev. 26,27 Gehoorzaam gij ondanks dat alles nog niet en blijft gij u tegen Mij verzetten,
Lev. 26,28 dan blijf Ik in mijn toorn ook hard tegen u. Zevenvoudig tuchtig Ik u om uw zonden.
Lev. 26,29 Gij zult het vlees eten van uw zonen en dochters.
Lev. 26,30 Uw offerhoogten verwoest Ik, uw wierookaltaren haal Ik omver, uw gedenktekens smijt Ik op een hoop met die van uw afgoden, want Ik walg van u.
Lev. 26,31 Van uw steden maak Ik een woestijn, van uw heiligdommen een puinhoop. De geur van uw gaven kan Ik niet meer uitstaan.
Lev. 26,32 Als Ik eenmaal het land ga verwoesten, staan zelfs de vijanden die er wonen verbijsterd.
Lev. 26,33 Ik verstrooi u onder de volken en kom met getrokken zwaard achter u aan. Uw land wordt een woestenij, uw steden een puinhoop.
Lev. 26,34 Zolang het land verwoest ligt en gij bij uw vijanden woont, haalt het land zijn sabbatjaren in; het komt tot rust en haalt zijn sabbatjaren in.
Lev. 26,35 Al de tijd dat het in puin ligt, haalt het de rust in voor de sabbatjaren die het gemist heeft, toen ge er nog woonde.
Lev. 26,36 Die het overleven, sla Ik in het land van hun vijanden met schrik en beven. Als ze een opwaaiend blad horen ritselen, slaan zij al op de vlucht als voor het zwaard. Zij vallen neer, ofschoon niemand hen achtervolgd.
Lev. 26,37 Zij struikelen over elkaar als gingen zij op de vlucht voor het zwaard, al zit er niemand achter hen aan. Gij kunt tegen uw vijanden geen stand houden.
Lev. 26,38 Gij sterft uit onder de volken; het land van uw vijanden verslindt u.
Lev. 26,39 En die dat nog overleven, kwijnen in het land van hun vijanden weg om hun schuld en om die van hun voorvaderen.
Lev. 26,40 Dan zullen zij hun schuld en die van hun voorouders bekennen, hoe zij Mij ontrouw zijn geweest en tegen Mij in zijn gegaan,
Lev. 26,41 zodat ook Ik tegen hen ben ingegaan en hen in het land van hun vijanden gebracht heb. En als hun onbesneden hart zich zo vernedert en zij voor hun schuld boeten,
Lev. 26,42 dan zal Ik weer denken aan mijn verbond met Jakob, denken aan mijn verbond met Isaak en Abraham, en aan het land.
Lev. 26,43 Het land zal verlaten zijn en, zolang het door hun afwezigheid braak ligt, de sabbatjaren inhalen. Zij boeten ondertussen voor hun schuld, omdat zij mijn uitspraken hebben veracht en mijn wetten hebben verworpen.
Lev. 26,44 Maar zelfs als zij in het land van hun vijanden zijn, zal Ik in mijn verachting en afschuw tegenover hen niet zo ver gaan, dat Ik een eind aan hen maak; dan zou Ik ontrouw zijn aan mijn verbond met hen. Ik ben Jahwe uw God.
Lev. 26,45 Ik zal weer denken aan het verbond met hun voorvaderen, die Ik onder de ogen van de volken uit Egypte heb geleid, en Ik zal hun God zijn. Ik, Jahwe.
Lev. 26,46 Dat zijn de geboden, wetten en onderrichtingen, waar door Jahwe door bemiddeling van Mozes de verhouding tussen Hem en de IsraŽlieten omschreef.
 
Lev. 27,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Lev. 27,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Als iemand een mensenleven belooft, omgerekend in geldswaarde,
Lev. 27,3 dan geldt bij de omrekening het volgende tarief: voor een mannelijk persoon tussen twintig en zestig jaar vijftig sikkel zilver, in heilige munt,
Lev. 27,4 voor een vrouwelijk persoon dertig sikkel,
Lev. 27,5 voor een mannelijk persoon van vijf tot twintig jaar twintig sikkel, voor een vrouwelijk persoon van dezelfde leeftijd tien sikkel,
Lev. 27,6 voor een mannelijk persoon tussen een maand en vijf jaar vijf sikkel zilver, voor een vrouwelijk persoon drie sikkel zilver,
Lev. 27,7 voor een mannelijk persoon boven de zestig jaar vijftien sikkel en voor een vrouwelijk persoon tien sikkel.
Lev. 27,8 Is iemand niet in staat het vastgestelde bedrag te betalen, dan moet men hem bij de priester brengen. Deze stelt een bedrag vast, dat degene die de gelofte heeft afgelegd, wel betalen kan.
Lev. 27,9 Betreft de gelofte een stuk vee, dat Jahwe als gave kan worden aangeboden, dan worden de dieren, die men Hem belooft, heilig.
Lev. 27,10 Men mag een goed dier niet vervangen door een slecht dier en een slecht dier niet omruilen voor een goed. Vervangt men een dier door een ander, dan zijn beiden heilig.
Lev. 27,11 Heeft hij een stuk vee beloofd, dat onrein is en Jahwe niet als gave kan worden aangeboden, dan moet hij het bij de priester brengen.
Lev. 27,12 Deze stelt vast, hoeveel het dier waard is, veel of weinig; het bedrag dat hij vaststelt is bindend.
Lev. 27,13 Wil men het dier loskopen, dan moet men het vastgestel de bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde.
Lev. 27,14 Als iemand zijn huis aan Jahwe toeheiligt, dan stelt de priester vast, hoeveel het waard is, veel of weinig; het bedrag dat hij vaststelt is bindend.
Lev. 27,15 Wil degene die zijn huis aan Jahwe toeheiligde, het weer terugkopen, dan moet hij het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde, dan is het weer van hem.
Lev. 27,16 Wil iemand een stuk land aan Jahwe wijden, dan moet de waarde ervan worden afgemeten naar het benodigde zaaigoed: per ezelslast zaaigerst vijftig sikkel zilver.
Lev. 27,17 Wijdt hij zijn land in het jubeljaar aan Jahwe, dan geldt hetzelfde bedrag.
Lev. 27,18 Doet hij dat buiten het jubeljaar, dan moet de priester het aantal jaren tot het volgend jubeljaar in mindering brengen op het vastgestelde bedrag.
Lev. 27,19 Wil iemand het stuk land dat hij aan Jahwe gewijd heeft, terugkopen, dan moet hij het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde; dan is het land weer van hem.
Lev. 27,20 Koopt hij het stuk land niet terug en wordt het aan iemand anders verkocht, dan vervalt het recht van terugkoop.
Lev. 27,21 Als het stuk land in het jubeljaar vrijkomt, wordt het heilige grond, zoals een stuk land dat door ban-gelofte aan Jahwe gewijd is: het wordt eigendom van de priester.
Lev. 27,22 Wijdt iemand aan Jahwe een stuk land, dat hij gekocht heeft en dat dus geen familiebezit was,
Lev. 27,23 dan moet de priester bij het vaststellen van het bedrag rekening houden met het aantal jaren tot het volgende jubeljaar. Dezelfde dag nog moet het vastgestelde bedrag betaald worden. Het is heilig en behoort aan Jahwe.
Lev. 27,24 In het jubeljaar wordt het land weer eigendom van de verkoper, tot wiens familiebezit het behoord heeft.
Lev. 27,25 Alle bedragen moeten worden vastgesteld volgens de sikkel van het heiligdom, twintig gera de sikkel.
Lev. 27,26 De eerstgeborenen van het vee, van runderen of schapen, behoren aan Jahwe; men kan ze dus niet aan Hem wijden. Dat rund of dat schaap behoort reeds aan Hem.
Lev. 27,27 Is het dier een onrein dier, dan kan men het loskopen voor het vastgestelde bedrag, vermeerderd met een vijfde. Wordt het niet losgekocht, dan moet het voor het vastgestelde bedrag verkocht worden.
Lev. 27,28 Wijdt iemand iets van zijn bezit door de ban aan Jahwe, mensen, vee of land, dan mag dat niet worden verkocht of teruggekocht. Alles wat door de ban is gewijd, is hoogheilig en behoort aan Jahwe.
Lev. 27,29 Een mens, die onder de ban ligt, kan niet worden vrijgekocht; hij moet ter dood worden gebracht.
Lev. 27,30 De tienden van wat het land aan koren of boomvruchten opbrengt, behoren aan Jahwe; ze zijn Hem gewijd.
Lev. 27,31 Wil iemand iets van zijn tienden terugkopen, dan wordt de prijs met een vijfde verhoogd.
Lev. 27,32 Elk tiende dier van runderen of kleinvee, dat onder de herdersstaf doorgaat, is aan Jahwe gewijd.
Lev. 27,33 Daarbij wordt niet gelet op betere of mindere kwaliteit; ook mag men de dieren niet omwisselen. Doet men dat toch, dan zijn beide dieren gewijd; ze kunnen niet worden teruggekocht.
Lev. 27,34 Dit zijn de geboden, die Jahwe op de SinaÔ door Mozes aan de IsraŽlieten heeft gegeven.

Numeri

Num. 1,1 Jahwe sprak tot Mozes, in de woestijn van de SinaÔ, in de tent van de samenkomst. Het was de eerste dag van de tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte. Jahwe zei:
Num. 1,2 In heel de gemeenschap van de IsraŽlieten moet gij, naar geslachten en families, een telling houden van alle mannelijke personen zonder uitzondering,
Num. 1,3 van de weerbare mannen in IsraŽl die twintig jaar en ouder zijn. Samen met Ašron moet gij hen inschrijven volgens de afdelingen waartoe zij behoren.
Num. 1,4 Een man van iedere stam moet u behulpzaam zijn, iemand die het hoofd van een familie is.
Num. 1,5 Dit zijn de namen van de mannen die u ter zijde moeten staan: voor Ruben Elisur, zoon van Sedeur;
Num. 1,6 voor Simeon SelumiŽl, zoon van Surisaddai;
Num. 1,7 voor Juda Nachson, zoon van Amminadab;
Num. 1,8 voor Issakar Netanel, zoon van Suar;
Num. 1,9 voor Zebulon Eliab, zoon van Chelon;
Num. 1,10 voor de afstammelingen van Jozef: voor Efraim Elisama, zoon van Ammihud, en voor Manasse GamliŽl, zoon van Pedasur;
Num. 1,11 voor Benjamin Abidan, zoon van Gidoni;
Num. 1,12 voor Dan AchiŽzer, zoon van Ammisaddai;
Num. 1,13 voor Aser PagiŽl, zoon van Okran;
Num. 1,14 voor Gad Eljasaf, zoon van DeŁel;
Num. 1,15 voor Naftali Achira, zoon van Enan.
Num. 1,16 Dat waren degenen die in de gemeenschap werden aangewezen; het waren vooraanstaande mannen in de stammen van hun vaderen, hoofden van geslachten in IsraŽl.
Num. 1,17 Mozes en Ašron namen de met name aangewezen mannen als helpers en
Num. 1,18 riepen de hele gemeenschap bijeen op de eerste dag van de tweede maand. Alle personen van twintig jaar en ouder werden zonder uitzondering naar geslachten en families ingeschreven.
Num. 1,19 Zo schreef Mozes hen in, overeenkomstig het bevel van Jahwe, in de woestijn van de SinaÔ.
Num. 1,20 De afstammelingen van Ruben, de eerstgeborene van IsraŽl, volgens geslachten en families, alle mannelijke personen zonder uitzondering, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder,
Num. 1,21 die ingeschreven werden in de stam Ruben, waren zesenveertigduizendvijfhonderd in getal.
Num. 1,22 De afstammelingen van Simeon volgens geslachten en families, alle mannelijke personen zonder uitzondering, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder,
Num. 1,23 die ingeschreven werden in de stam Simeon, waren negenenvijftigduizenddriehonderd in getal.
Num. 1,24 De afstammelingen van Gad volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,25 die ingeschreven werden in de stam Gad, waren vijfenveertigduizendzeshonderdvijftig in getal.
Num. 1,26 De afstammelingen van Juda volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,27 die ingeschreven werden in de stam Juda, waren vierenzeventigduizendzeshonderd in getal.
Num. 1,28 De afstammelingen van Issakar volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,29 die ingeschreven werden in de stam Issakar, waren vierenvijftigduizendvierhonderd in getal.
Num. 1,30 De afstammelingen van Zebulon, volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,31 die ingeschreven werden in de stam Zebulon waren zevenenvijftigduizendvierhonderd in getal.
Num. 1,32 Wat de zonen van Jozef betrof, de afstammelingen van Efraim volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,33 die ingeschreven werden in de stam Efraim, waren veertigduizendvijfhonderd in getal;
Num. 1,34 de afstammelingen van Manasse volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,35 die ingeschreven werden in de stam Manasse, waren tweeŽndertigduizendtweehonderd in getal.
Num. 1,36 De afstammelingen van Benjamin volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,37 die ingeschreven werden in de stam Benjamin, waren vijfendertigduizendvierhonderd in getal.
Num. 1,38 De afstammelingen van Dan volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,39 die ingeschreven werden in de stam Dan, waren tweeŽnzes tigduizendzevenhonderd in getal.
Num. 1,40 De afstammelingen van Aser volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,41 die ingeschreven werden in de stam Aser waren eenenveertigduizendvijfhonderd in getal.
Num. 1,42 De afstammelingen van Naftali volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen
Num. 1,43 die ingeschreven werden in de stam Naftali waren drieŽn vijftigduizendvierhonderd in getal.
Num. 1,44 Dat waren degenen die Mozes en Ašron inschreven, bijgestaan door de twaalf vooraanstaande mannen uit IsraŽl, de vertegenwoordigers van hun families.
Num. 1,45 Het aantal IsraŽlieten van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen in IsraŽl die volgens families werden ingeschreven,
Num. 1,46 bedroeg in totaal zeshonderddrieduizendvijfhonderdvijf tig.
Num. 1,47 De levieten echter werden niet met de anderen volgens hun afstamming ingeschreven,
Num. 1,48 want Jahwe had tot Mozes gezegd:
Num. 1,49 De stam Levi moogt gij niet inschrijven en bij de IsraŽlieten tellen.
Num. 1,50 Gij moet de levieten aanstellen over de woning met de verbondsakte en over heel de inboedel en alle toebehoren. Zij moeten de woning en heel de inboedel vervoeren. Zij zullen er dienst doen en rondom de woning hun kamp opslaan.
Num. 1,51 Wanneer de woning optrekt, moeten de levieten ze uit elkaar nemen en wanneer de woning halt houdt, moeten de levieten ze weer opslaan. Een onbevoegde die er te dicht bij komt, moet gedood worden.
Num. 1,52 De afdelingen van de IsraŽlieten moeten zich in hun eigen kamp en bij hun eigen banier legeren,
Num. 1,53 maar de levieten moeten zich legeren rondom de woning met de verbondsakte; dan zal geen toorn de gemeenschap van de IsraŽlieten treffen. Zo moeten de levieten dienst doen bij de woning met de verbondsakte.
Num. 1,54 Alles wat Jahwe aan Mozes had bevolen, brachten de IsraŽlieten stipt ten uitvoer.
 
Num 2,1 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Num 2,2 De IsraŽlieten moeten zich legeren bij de tekens van hun families, ieder bij zijn eigen banier. Zij legeren zich rondom de tent van de samenkomst, maar op enige afstand.
Num 2,3 Aan de oostkant, daar waar de zon opgaat, legeren zich de groepen die onder de banier van het kamp Juda behoren. De leider van de JudeeŽrs was Nachson, zoon van Amminadab.
Num 2,4 Zijn leger bestond uit vierenzeventigduizendzeshonderd ingeschrevenen.
Num 2,5 Naast hen moet de stam Issakar zich legeren. De leider van de Issakarieten was Netanel, zoon van Suar.
Num 2,6 Zijn leger bestond uit vierenvijftigduizendvierhonderd ingeschrevenen.
Num 2,7 Dan komt de stam Zebulon. De leider van de Zebulonieten was Eliab, zoon van Chelon.
Num 2,8 Zijn leger bestond uit zevenenvijftigduizend ingeschrevenen.
Num 2,9 Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp Juda bedroeg in totaal honderdzesentachtigduizend. Zij moeten het eerst opbreken.
Num 2,10 Aan de zuidkant moet de banier staan van het kamp van de Rubenieten, naar hun groepen geordend.
Num 2,11 De leider van de Rubenieten was Elisur, zoon van Sedeur. Zijn leger bestond uit zesenveertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen.
Num 2,12 Naast hen moet zich de stam Simeon legeren. De leider van de Simeonieten was SelumiŽl, zoon van Surisaddai.
Num 2,13 Zijn leger bestond uit negenenvijftigduizenddriehonderd ingeschrevenen.
Num 2,14 Dan komt de stam Gad. De leider van de Gadieten was Eljasaf, zoon van ReuŽl.
Num 2,15 Zijn leger bestond uit vijfenveertigduizendzeshonderd vijftig ingeschrevenen.
Num 2,16 Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp van Ruben bedroeg in totaal honderdeenenvijftigduizendvierhonderdvijftig. Hun onderdeel breekt als tweede op.
Num 2,17 Dan wordt de tent van de samenkomst opgebroken, het kamp van de levieten dat in het midden ligt. De volgorde waarin zij gelegerd zijn, ieder bij zijn banier, moet ook bij het opbreken gehandhaafd worden.
Num 2,18 Aan de westkant moet de banier staan van het kamp van de Efraimieten, naar hun groepen geordend. De leider van de Efraimieten was Elisama, zoon van Ammihud.
Num 2,19 Zijn leger bestond uit veertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen.
Num 2,20 Naast hen moet zich de stam Manasse legeren. De leider van de Manassieten was GamliŽl, zoon van Pedasur.
Num 2,21 Zijn leger bestond uit tweeŽndertigduizendtweehonderd ingeschrevenen.
Num 2,22 Dan komt de stam Benjamin. De leider van de Benjaminieten was Abidan, zoon van Gidoni.
Num 2,23 Zijn leger bestond uit vijfendertigduizendvierhonderd ingeschrevenen.
Num 2,24 Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp van Efraim bedroeg in totaal honderdachtduizendhonderd. Hun onderdeel breekt als derde op.
Num 2,25 Aan de noordkant moet de banier staan van het kamp van de Danieten, naar hun groepen geordend. De leider van de Danieten was AchiŽzer, zoon van Ammisaddai.
Num 2,26 Zijn leger bestond uit tweeŽnzestigduizendzevenhonderd ingeschrevenen.
Num 2,27 Naast hen moet zich de stam Aser legeren. De leider van de Aserieten was PagiŽl, zoon van Okran.
Num 2,28 Zijn leger bestond uit eenenveertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen.
Num 2,29 Dan komt de stam Naftali. De leider van de Naftalieten was Achira, zoon van Enan.
Num 2,30 Zijn leger bestond uit drieŽnvijftigduizendvierhonderd ingeschrevenen.
Num 2,31 Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp van Dan bedroeg in totaal honderdzevenenvijftigduizendzeshonderd. Zij moeten als laatste groep opbreken. Naar de volgorde van de banieren breekt hun onderdeel als laatste op.
Num 2,32 Het aantal van de IsraŽlieten die, in de kampen naar groepen geordend, volgens hun families werden ingeschreven, bedroeg in totaal zeshonderddrieduizendvijfhonderdvijftig.
Num 2,33 Zoals Jahwe aan Mozes bevolen had, werden de levieten niet bij de IsraŽlieten ingeschreven.
Num 2,34 De IsraŽlieten hielden zich aan alles wat Jahwe aan Mozes bevolen had. Verdeeld naar hun banieren sloegen zij hun kamp op en op dezelfde wijze braken zij weer op, ieder bij zijn geslacht en bij zijn familie.
 
Num 3,1 Dit waren de afstammelingen van Ašron en Mozes toen Jahwe op de berg SinaÔ tot Mozes sprak.
Num 3,2 De namen van de zonen van Ašron zijn Nadab, de eerstgeborene, en Abihu, Eleazar en Itamar.
Num 3,3 Zo heetten de zonen van Ašron, de gezalfde priesters, die aangesteld waren om de priesterlijke bediening te vervullen.
Num 3,4 Nadab en Abihu stierven voor het aanschijn van Jahwe, toen zij in de woestijn van de SinaÔ met ongewijd vuur voor Hem verschenen. Zonen hadden zij niet. Zo bleven alleen Eleazar en Itamar het priesterschap uitoefenen, onder toezicht van hun vader Ašron.
Num 3,5 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 3,6 Laat de stam Levi naderbij komen en stel hen in dienst van Ašron, de priester.
Num 3,7 Voor hem en de hele gemeenschap moeten zij hun taak vervullen bij de tent van de samenkomst door dienst te doen bij de woning.
Num 3,8 Zij zullen zorg dragen voor heel de inboedel van de tent van de samenkomst en in naam van de IsraŽlieten een taak vervullen door dienst te doen bij de woning.
Num 3,9 Gij moet de levieten aan Ašron en zijn zonen ter beschikking stellen. Zij moeten hem onvoorwaardelijk, namens de IsraŽlieten, ten dienste staan.
Num 3,10 Ašron zelf en zijn zonen moet gij opdragen de priesterlijke bediening te vervullen. Zou een onbevoegde dat doen, dan moet hij gedood worden.
Num 3,11 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 3,12 Bij dezen zonder Ik uit de IsraŽlieten de levieten af als plaatsvervangers van alle eerstgeborenen, van allen die bij hen de moederschoot openen. De levieten behoren Mij toe,
Num 3,13 want Mij behoren alle eerstgeborenen; op de dag dat ik in Egypte als eerstgeborenen sloeg, heb Ik alles wat in IsraŽl het eerst geboren wordt, bij mens en dier, voor Mijzelf bestemd. Mij behoren zij toe. Ik ben Jahwe.
Num 3,14 Jahwe sprak tot Mozes in de woestijn van de SinaÔ:
Num 3,15 Gij moet alle mannelijke levieten van een maand en ouder inschrijven volgens hun families en geslachten.
Num 3,16 Mozes schreef hen in, zoals Jahwe hem bevolen had.
Num 3,17 Dit zijn de namen van de zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari.
Num 3,18 Dit zijn de namen van de geslachten van de Gersonieten: Libni en Simi;
Num 3,19 de geslachten van de Kehatieten zijn Amram, Jishar, Chebron en UzziŽl;
Num 3,20 de geslachten van de Merarieten zijn Machli en Musi. Dat zijn de geslachten van de levieten.
Num 3,21 Tot Gerson behoorden de geslachten van de Libnieten en de Simieten; dat waren de geslachten van de Gersonieten.
Num 3,22 Het aantal mannelijke ingeschrevenen van een maand en ouder bedroeg in totaal zevenduizendvijfhonderd.
Num 3,23 De geslachten van de Gersonieten hadden hun kamp aan de westkant van de woning.
Num 3,24 De leider van de Gersonieten was Eljasaf, zoon van LaŽl.
Num 3,25 De Gersonieten moesten bij de tent van de samenkomst, bij de woning zowel als bij de tent, zorgen voor het dekkleed, voor het tapijt aan de ingang van de tent van de samenkomst,
Num 3,26 voor de gordijnen van de voorhof, voor het tapijt aan de ingang van de voorhof die rondom de woning en het altaar lag, en voor de touwen die daarbij nodig waren. Dat was hun werk.
Num 3,27 Tot Kehat behoorden de geslachten van de Amramieten, de Jisharieten, de Chebronieten en de UzziŽlieten; dat waren de geslachten van de Kehatieten.
Num 3,28 Het aantal mannelijke ingeschrevenen van een maand en ouder bedroeg in totaal achtduizendzeshonderd. Zij moesten zorgen voor het heiligdom.
Num 3,29 De geslachten van de Kehatieten hadden hun kamp aan de zuidkant van de woning.
Num 3,30 De leider van de geslachten van de Kehatieten was Elisafan, zoon van UzziŽl.
Num 3,31 Zij moesten zorgen voor de ark, de tafel, de luchter, de altaren, de heilige voorwerpen die bij de dienst gebruikt worden, en het voorhangsel. Dat was hun werk.
Num 3,32 De voornaamste leider van de levieten was Eleazar, zoon van de priester Ašron. Hij had het toezicht over hen die met de zorg voor het heiligdom belast waren.
Num 3,33 Tot Merari behoorden de geslachten van de Machlieten en de Musieten; dat waren de geslachten van Merari.
Num 3,34 Het aantal mannelijke ingeschrevenen van een maand en ouder bedroeg in totaal zesduizendtweehonderd.
Num 3,35 De leider van de geslachten van Merari was SuriŽl, zoon van Abichail. Zij hadden hun kamp aan de noordkant van de woning.
Num 3,36 Aan de zorg van de Merarieten werden toevertrouwd de schotten van de woning, de bindlatten, de palen en de voetstukken en alle verdere benodigdheden. Dat was hun werk.
Num 3,37 Bovendien de palen van de omringende voorhof met voet stukken, pinnen en touwen.
Num 3,38 Aan de oostkant van de woning, voor de tent van de samenkomst, aan de kant waar de zon opgaat, hadden Mozes en Ašron en diens zonen hun kamp. Zij waren belast met de bediening van het heiligdom in naam van de IsraŽlieten. Zou een onbevoegde dat doen, dan moest hij gedood worden.
Num 3,39 Het aantal mannelijke levieten van een maand en ouder, die Mozes en Ašron op bevel van Jahwe volgens hun geslachten hadden ingeschreven, bedroeg in totaal tweeŽntwintigduizend.
Num 3,40 Jahwe zei tot Mozes: Gij moet alle mannelijke eerstgeboren IsraŽlieten van een maand en ouder inschrijven en hun aantal vaststellen.
Num 3,41 Gij moet voor Mij - Ik ben Jahwe - de levieten afzonde ren als plaatsvervangers van alle eerstgeboren IsraŽlieten en het vee van de levieten in plaats van al het eerstgeborene van het vee van de IsraŽlieten.
Num 3,42 Mozes schreef alle eerstgeboren IsraŽlieten in, zoals Jahwe hem bevolen had.
Num 3,43 Het aantal mannelijke eerstgeborenen van een maand en ouder, dat ingeschreven werd, bedroeg in totaal tweeŽntwintigduizendtweehonderddrieŽnzeventig.
Num 3,44 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 3,45 Neem de levieten als plaatsvervangers van alle eerstgeboren IsraŽlieten en het vee van de levieten in plaats van hun vee. De levieten behoren Mij toe. Ik ben Jahwe.
Num 3,46 Voor de tweehonderddrieŽnzeventig eerstgeboren IsraŽlieten die er meer zijn dan het aantal levieten,
Num 3,47 moet gij vijf sikkel de man als losprijs innen, in sikkels van het heiligdom, twintig gera de sikkel.
Num 3,48 Dat geld moet gij aan Ašron en zijn zonen geven als losprijs voor hen die er meer waren dan het aantal dat vrijgekocht is.
Num 3,49 Mozes inde dat losgeld voor hen die het aantal van hen die door de levieten waren vrijgekocht, te boven gingen.
Num 3,50 Hij inde dat geld van de eerstgeboren IsraŽlieten, duizenddriehonderdvijfenzestig sikkel in sikkels van het heilig dom,
Num 3,51 en gaf het aan Ašron en diens zonen, zoals Jahwe hem bevolen had.
 
Num 4,1 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Num 4,2 Onder de levieten moet gij een telling houden van de Kehatieten tussen dertig en vijftig jaar volgens hun geslachten en families,
Num 4,3 van allen die in aanmerking komen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst.
Num 4,4 De taak van de Kehatieten bij de tent van de samenkomst is de zorg voor het Allerheiligste.
Num 4,5 Wanneer het kamp wordt opgebroken, gaan Ašron en zijn zonen naar binnen, nemen het afsluitend voorhangsel weg en bedekken daarmee de ark met de verbondsakte.
Num 4,6 Zij leggen er een dekkleed van fijn leer over, spreiden daarover een blauwpurperen kleed uit en brengen de draagstokken aan.
Num 4,7 Over de tafel van de toonbroden spreiden zij een blauw purperen kleed uit en plaatsen daarop de schotels, schalen, kommen en kannen voor het plengoffer; de toonbroden moeten erop liggen.
Num 4,8 Daaroverheen spreiden zij een karmozijnen kleed uit, bedekken dit met een kleed van fijn leer en brengen de draagstok ken aan.
Num 4,9 Met een blauwpurperen kleed bedekken zij de luchter, samen met zijn lampen, snuiters, bakjes en alles wat voor het branden van olie nodig is.
Num 4,10 Zij omhullen die luchter met alle toebehoren met een kleed van fijn leer en zetten alles op een draagbaar.
Num 4,11 Over het gouden altaar spreiden zij een blauwpurperen kleed uit, bedekken het met een kleed van fijn leer en brengen de draagstokken aan.
Num 4,12 Alles wat zij bij hun dienst in het heiligdom gebruiken, plaatsen zij op een blauwpurperen kleed, bedekken het met een kleed van fijn leer en zetten het op een draagbaar.
Num 4,13 Het altaar reinigen zij van de vettige as en spreiden er een karmijnrood kleed over uit.
Num 4,14 Alles wat zij bij de dienst van het altaar gebruiken, zetten zij daarop: de vuurpotten, de vorken, de schoppen en de offerschalen, al de benodigdheden voor het altaar. Zij spreiden er een kleed van fijn leer over uit en brengen de draagstokken aan.
Num 4,15 Wanneer het kamp opbreekt, moeten Ašron en zijn zonen klaar zijn met het bedekken van het heilige en van alle heilige voorwerpen; dan pas mogen de Kehatieten binnenkomen om ze te dragen. Zij mogen het heilige niet aanraken: zij zouden sterven. Deze voorwerpen van de tent van de samenkomst moeten de Kehatieten dragen.
Num 4,16 Eleazar, de zoon van de priester Ašron, heeft toezicht op de olie voor de lampen, op het geurige reukwerk, op het dagelijks meeloffer en op de zalfolie, op heel de woning en al wat er in is, het heilige en al wat erbij hoort.
Num 4,17 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Num 4,18 Gij moet er voor zorgen, dat de Kehatitische tak van de levieten niet uitsterft.
Num 4,19 Willen zij in leven blijven en niet omkomen, wanneer zij het hoogheilige naderen, dan moet gij het volgende voor hen doen. Ašron en zijn zonen moeten aan ieder van hen zijn taak bij het dragen aanwijzen.
Num 4,20 Zij mogen er niet binnengaan. Zij zouden sterven, als zij het heilige maar een ogenblik zagen.
Num 4,21 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 4,22 Houd een telling van de Gersonieten volgens hun families en geslachten.
Num 4,23 Alle mannen van dertig tot vijftig jaar, die in aanmerking komen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst, moet gij inschrijven.
Num 4,24 Het werk van de geslachten van de Gersonieten, hun taak bij het vervoer, bestaat hierin:
Num 4,25 zij moeten de tentkleden van de woning, de tent van de samenkomst, dragen: het dekkleed en het kleed van fijn leer dat daaroverheen ligt, het tapijt aan de ingang van de tent van de samenkomst,
Num 4,26 de gordijnen van de voorhof, het tapijt aan de ingang van de voorhof die om de woning en het altaar ligt, en de touwen die erbij horen. Alles wat voor het werk nodig is, moeten zij verrichten.
Num 4,27 Al het werk van de Gersonieten, al hun werk bij het vervoer moet gebeuren volgens de aanwijzingen van Ašron en zijn zonen. Gij moet alles wat zij te dragen hebben, nauwkeurig aangeven.
Num 4,28 Dat is de taak van de geslachten van de Gersonieten bij de tent van de samenkomst. Bij de uitoefening van hun dienst staan zij onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Ašron.
Num 4,29 Ook de Merarieten moet gij volgens hun geslachten en families inschrijven.
Num 4,30 Alle mannen van dertig tot vijftig jaar, die in aanmerking komen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst, moet gij inschrijven.
Num 4,31 Hun taak bij het vervoer en hun dienst bij de tent van de samenkomst bestaat hierin: zij moeten zorgen voor de schotten van de woning met de bindlatten, palen en voetstukken,
Num 4,32 voor de palen van de rondom liggende voorhof met de voetstukken, pinnen, touwen en alles wat daarbij hoort. Dat is hun werk. Alle voorwerpen waarvan zij het vervoer te verzorgen hebben, moet gij nauwkeurig aangeven.
Num 4,33 Dat is de taak van de geslachten van de Merarieten, geheel hun werk bij de tent van de samenkomst, onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Ašron.
Num 4,34 Mozes en Ašron en de leiders van de gemeenschap schreven de Kehatieten in volgens hun geslachten en families,
Num 4,35 allen van dertig tot vijftig jaar, allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst.
Num 4,36 Het aantal van hen die volgens hun geslachten waren ingeschreven, bedroeg tweeduizendzevenhonderdvijftig.
Num 4,37 Dat waren degenen van de geslachten van de Kehatieten die dienst moeten doen bij de tent van de samenkomst en die door Mozes en Ašron volgens het bevel van Jahwe waren ingeschreven.
Num 4,38 Het aantal Gersonieten van dertig tot vijftig jaar die, volgens hun geslachten en families,
Num 4,39 waren ingeschreven, allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst
Num 4,40 en die volgens hun geslachten en families waren ingeschreven, bedroeg tweeduizendzeshonderdzestig.
Num 4,41 Dat waren degenen van de geslachten van de Gersonieten die dienst moeten doen bij de tent van de samenkomst en die door Mozes en Ašron volgens het bevel van Jahwe waren ingeschreven.
Num 4,42 Het aantal Merarieten van dertig tot vijftig jaar die, volgens hun geslachten en families,
Num 4,43 waren ingeschreven, het aantal van allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst
Num 4,44 en die volgens hun geslachten en families waren ingeschreven, bedroeg drieduizendtweehonderd.
Num 4,45 Dat waren degenen van de geslachten van de Merarieten, die Mozes en Ašron hadden ingeschreven, volgens het bevel van Jahwe dat door Mozes was overgebracht.
Num 4,46 Het aantal levieten die Mozes en Ašron en de leiders van IsraŽl volgens hun geslachten hadden ingeschreven,
Num 4,47 allen van dertig tot vijftig jaar, het aantal van allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst en voor het vervoer,
Num 4,48 bedroeg in totaal achtduizendvijfhonderdtachtig.
Num 4,49 Op bevel van Jahwe werd onder leiding van Mozes aan ieder van hen zijn taak bij het vervoer aangewezen. Zij werden aangesteld zoals Jahwe het aan Mozes bevolen had.
 
Num 5,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 5,2 Geef de IsraŽlieten het volgend bevel: zij moeten iedere melaatse, ieder die aan druiper lijdt en ieder die onrein is geworden door contact met een lijk, uit het kamp sturen.
Num 5,3 Dat geldt voor mannen en vrouwen. Gij moet hen het kamp uitsturen, want anders verontreinigen zij het kamp, waar Ik in hun midden woon.
Num 5,4 De IsraŽlieten deden dit en stuurden hen het kamp uit. Wat Jahwe tot Mozes gezegd had, brachten de IsraŽlieten ten uitvoer.
Num 5,5 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 5,6 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer een man of vrouw een zonde tegen zijn evenmens bedrijft en daardoor tegen Jahwe misdoet, dan laadt die persoon schuld op zich.
Num 5,7 Dan moeten zij de zonde die zij bedreven hebben, belijden en de hele schuld vermeerderd met een vijfde terugbetalen aan degene die zij benadeeld hebben.
Num 5,8 Heeft de benadeelde geen erfgenaam aan wie het verschuldigde terugbetaald kan worden, dan moet het aan Jahwe betaald worden en de priester ten goede komen, afgezien van de ram waarmee deze voor hem de verzoening voltrekt.
Num 5,9 Van alle heilige gaven waarmee de IsraŽlieten naar de priester komen, is een deel voor de priester bestemd.
Num 5,10 Verder blijven de heilige gaven eigendom van de persoon die ze aanbiedt, en krijgt de priester nog wat men hem wil geven.
Num 5,11 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 5,12 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer iemands vrouw zich heeft vergeten en ontrouw is geweest,
Num 5,13 doordat een andere man gemeenschap met haar heeft gehad, en haar eigen man het niet weet, omdat haar misstap verborgen is gebleven en geen getuige haar heeft betrapt en aangeklaagd,
Num 5,14 en wanneer haar man haar in een vlaag van jaloezie gaat verdenken, terwijl ze de misstap inderdaad heeft begaan, of ook wanneer hij haar in een vlaag van jaloezie gaat verdenken, terwijl ze die misstap niet heeft begaan,
Num 5,15 dan moet die man zijn vrouw bij de priester brengen en voor haar een tiende efa gerstemeel als offergave meebrengen. Hij giet er geen olie over uit en voegt er geen wierook aan toe, want het is een offer van jaloezie, dat de zonde in herinnering brengt.
Num 5,16 De priester roept de vrouw naar voren en plaatst haar voor Jahwe.
Num 5,17 Vervolgens neemt hij een aarden kruik met heilig water en voegt wat stof van de vloer van de woning bij het water.
Num 5,18 Wanneer de priester de vrouw dan voor Jahwe heeft geplaatst, maakt hij haar hoofdhaar los en legt in haar handen het herinneringsoffer - het offer van de jaloezie - terwijl hijzelf het bittere, vloekbrengende water in de hand houdt.
Num 5,19 Dan spreekt de priester over de vrouw een bezwering uit en zegt tot haar: `Indien geen andere man gemeenschap met u heeft gehad en u zich als gehuwde vrouw niet misdragen of verontreinigd hebt, zal dit bittere vloekbrengende water u niet deren.
Num 5,20 Maar indien u zich als gehuwde vrouw wel misdragen of verontreinigd hebt, doordat een andere man gemeenschap met u gehad heeft
Num 5,21 nu bezweert de priester de vrouw met de vloek en zegt tot haar - dan zal Jahwe uw naam bij uw volk tot een vloek en verwensing maken: hij zal uw heupen laten invallen en uw buik laten opzwellen.
Num 5,22 Als dit vloekbrengende water in uw ingewanden komt, zal uw buik opzwellen en zullen uw heupen invallen.' Daarop moet de vrouw zeggen: `Amen! Amen!'
Num 5,23 De priester schrijft deze vloek op, wist hem met het bittere water af,
Num 5,24 en geeft de vrouw het bittere vloekbrengende water te drinken, zodat dit water in haar binnenste dringt en daar zijn bitter werk verricht.
Num 5,25 De priester neemt het offer van jaloezie uit de hand van de vrouw, biedt dit Jahwe aan en gaat er mee naar het altaar.
Num 5,26 Dan neemt hij er een handvol af - als teken van het geheel - en laat die op het altaar in rook opgaan; daarna geeft hij de vrouw het water te drinken.
Num 5,27 Heeft zij de misstap begaan en is zij haar man ontrouw geweest, dan zal het vloekbrengend water dat hij haar laat drinken, zijn bitter werk in haar verrichten; de buik van de vrouw zal opzwellen, haar heupen zullen invallen en die vrouw zal bij haar volk een vloek worden.
Num 5,28 Heeft de vrouw de misstap niet begaan en heeft zij zich onberispelijk gedragen, dan gebeurt haar niets en kan zij nog kinderen krijgen.
Num 5,29 Zo moet in een geval van jaloezie gehandeld worden. Indien een gehuwde vrouw zich vergeten heeft en een misstap heeft begaan,
Num 5,30 of indien een man in een vlaag van jaloezie zijn vrouw is gaan verdenken, en hij haar voor Jahwe heeft gebracht en de priester alles met haar gedaan heeft zoals het hier is voorgeschreven,
Num 5,31 dan treft de man geen verwijt; de vrouw moet boeten voor hetgeen zij gedaan heeft.
 
Num 6,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 6,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer een man of een vrouw iets bijzonders wil verrichten en aan Jahwe de gelofte van nazireaat doet,
Num 6,3 dan heeft hij zich te onthouden van wijn en andere drank. Hij mag geen azijn uit wijn of uit andere drank drinken. Hij mag ook geen sap van druiven drinken en geen verse of gedroogde druiven eten.
Num 6,4 Heel de duur van zijn nazireaat mag hij niets eten van wat van de wijnstok komt, zelfs de pit of het vel niet.
Num 6,5 Zolang zijn gelofte duurt, mag geen scheermes zijn hoofd aanraken. Tot de tijd waarvoor hij zich aan Jahwe gewijd heeft, voorbij is, is hij heilig en moet hij zijn hoofdhaar laten groeien.
Num 6,6 Heel de duur van zijn wijding aan Jahwe mag hij bij geen dode komen.
Num 6,7 Zelfs als zijn vader of moeder, zijn broer of zuster komen te sterven, mag hij zich aan hen niet verontreinigen, want zijn hoofd draagt het teken van zijn toewijding aan God.
Num 6,8 Tot de tijd van zijn nazireaat voorbij is, is hij Jahwe gewijd.
Num 6,9 Wanneer iemand in de nabijheid van de nazireeŽr plotseling en onvoorzien komt te sterven en zo diens gewijde hoofd verontreinigt, dan moet de nazireeŽr op de zevende dag, de dag van zijn reiniging, zijn hoofdhaar scheren,
Num 6,10 en op de achtste moet hij twee tortels of twee duiven naar de priester brengen bij de tent van de samenkomst.
Num 6,11 De priester zal de ene als zondeoffer en de andere als brandoffer opdragen en verzoening voor hem bewerken, vanwege de schuld die hij door de dode heeft opgelopen. Diezelfde dag moet hij zijn hoofd weer heiligen;
Num 6,12 hij moet zich opnieuw aan Jahwe wijden voor de dagen van het nazireaat en hij moet een mannelijk lam van nog geen jaar als schuldoffer aanbieden. De vorige dagen tellen niet meer mee, omdat zijn nazireaat onrein is geworden.
Num 6,13 Voor de nazireeŽr geldt het volgend voorschrift. Op de dag dat de tijd van zijn nazireaat ten einde is, wordt hij naar de ingang van de tent van de samenkomst geleid.
Num 6,14 Hij biedt aan Jahwe de volgende offergave aan: een gaaf mannelijk lam van nog geen jaar als brandoffer, een gaaf ooilam van nog geen jaar als zondeoffer en een gave ram als slachtoffer:
Num 6,15 vervolgens een korf met ongezuurde broden van meelbloem, koeken met olie aangemaakt en ongezuurde platte broden met olie bestreken en de daarbij behorende meel - en plengoffers.
Num 6,16 De priester brengt de offergave voor Jahwe en hij voltrekt voor de nazireeŽr het zondeoffer en het brandoffer.
Num 6,17 De ram biedt hij als slachtoffer aan Jahwe aan, tegelijk met de ongezuurde broden in de korf; ook het daarbij behorende meeloffer en plengoffer voltrekt hij voor hem.
Num 6,18 Dan scheert de nazireeŽr aan de ingang van de tent van de samenkomst zijn gewijde hoofd en werpt de haren in het vuur dat onder het slachtoffer brandt.
Num 6,19 Als hij dat gedaan heeft, neemt de priester het gekookte schouderstuk van de ram, een ongezuurde koek uit de korf en een ongezuurd plat brood en legt die in de handen van de nazireeŽr.
Num 6,20 Staande voor Jahwe bestemt hij deze tot aandeel van de priesters: het is heilig en komt dus de priester toe, evenals het borststuk dat voor de priester bestemd is en de schenkel die als bijdrage wordt afgestaan. Daarna mag de nazireeŽr weer wijn drinken.
Num 6,21 Voor de nazireeŽr die boven zijn nazireaat een gave aan Jahwe beloofd heeft, geldt - afgezien van wat hij verder nog doen wil - het volgende: de inhoud van de afgelegde gelofte bepaalt wat hij meer moet doen dan het voorschrift van het nazireaat gebiedt.
Num 6,22 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 6,23 Zeg aan Ašron en zijn zonen: Als gij de IsraŽlieten zegent, doe het dan met deze woorden:
Num 6,24 `Moge Jahwe u zegenen en u behoeden!
Num 6,25 Moge Jahwe de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn!
Num 6,26 Moge Jahwe zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken!'
Num 6,27 Als zij zo mijn naam over de IsraŽlieten uitspreken, zal Ik hen zegenen.
 
Num 7,1 Toen Mozes gereed was met het opbouwen van de woning, zalfde hij die met al wat er in stond, en ook het altaar met al zijn toebehoren. Na die zalving en heiliging
Num 7,2 kwamen IsraŽls leiders, de hoofden van de verschillende families, de leiders van de stammen, degenen die de inschrijving geleid hadden, geschenken aanbieden.
Num 7,3 Zij brachten hun gave voor het aanschijn van Jahwe: zes overdekte wagens en twaalf runderen, van elke twee leiders een wagen en van elke leider een rund. Die brachten zij voor de woning.
Num 7,4 Jahwe zei tot Mozes:
Num 7,5 `Neem deze geschenken van hen aan; zij kunnen dienen voor de werkzaamheden die de tent van de samenkomst vraagt. Stel ze ter beschikking van de levieten zoals hun werk het vraagt.'
Num 7,6 Mozes nam dus de wagens en runderen in ontvangst en stelde ze ter beschikking van de levieten.
Num 7,7 Twee wagens en vier runderen stelde hij ter beschikking van de Gersonieten zoals hun werk het vroeg.
Num 7,8 Vier wagens en acht runderen stelde hij ter beschikking van de Merarieten zoals hun werk het vroeg dat zij onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Ašron verrichtten.
Num 7,9 Aan de Kehatieten gaf hij niets, omdat zij belast waren met de dienst van het heilige, dat zij op de schouders moeten dragen.
Num 7,10 Toen het altaar gezalfd was, kwamen de leiders inwijdingsgaven aanbieden. Zij brachten hun gaven voor het altaar.
Num 7,11 Jahwe had tot Mozes gezegd: Laat elke dag een leider zijn gave voor de inwijding van het altaar aanbieden.
Num 7,12 Nachson, zoon van Amminadab, van de stam Juda, bood de eerste dag zijn gave aan.
Num 7,13 Zij bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,14 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,15 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,16 een geitenbok voor een zondeoffer,
Num 7,17 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Nachson, zoon van Amminadab.
Num 7,18 Op de tweede dag bood Netanel, zoon van Suar, leider in Issakar, zijn gave aan.
Num 7,19 De gave die hij aanbood bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,20 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,21 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,22 een geitenbok voor een zondeoffer,
Num 7,23 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Netanel, zoon van Suar.
Num 7,24 Op de derde dag kwam de leider van de Zebulonieten, Eliab, zoon van Chelon.
Num 7,25 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,26 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,27 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,28 een geitenbok voor een zondeoffer,
Num 7,29 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Eliab, zoon van Chelon.
Num 7,30 Op de vierde dag kwam de leider van de Rubenieten, Elisur, zoon van Sedeur.
Num 7,31 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,32 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,33 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,34 een geitenbok voor een zondeoffer,
Num 7,35 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Elisur, zoon van Sedeur.
Num 7,36 Op de vijf de dag kwam de leider van de Simeonieten, SelumiŽl, zoon van Surisaddai.
Num 7,37 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,38 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,39 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar, voor een brandoffer;
Num 7,40 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,41 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van SelumiŽl, zoon van Surisaddai.
Num 7,42 Op de zesde dag kwam de leider van de Gadieten, Eljasaf, zoon van DeŁel.
Num 7,43 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,44 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,45 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,46 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,47 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Eljasaf, zoon van DeŁel.
Num 7,48 Op de zevende dag kwam de leider van de Efraimieten, Elisama, zoon van Ammihud.
Num 7,49 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,50 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,51 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,52 een geitenbok voor een zondeoffer en
Num 7,53 voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Elisama, zoon van Ammihud.
Num 7,54 Op de achtste dag kwam de leider van de Manasieten, GamliŽl, zoon van Pedasur.
Num 7,55 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,56 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,57 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,58 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,59 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van GamliŽl, zoon van Pedasur.
Num 7,60 Op de negende dag kwam de leider van de Benjaminieten, Abidan, zoon van Gidoni.
Num 7,61 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,62 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,63 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,64 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,65 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Abidan, zoon van Gidoni.
Num 7,66 Op de tiende dag kwam de leider van de Danieten, AchiŽzer, zoon van Ammisaddai.
Num 7,67 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,68 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,69 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,70 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,71 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van AchiŽzer, zoon van Ammisaddai.
Num 7,72 Op de elfde dag kwam de leider van de Aserieten, PagiŽl, zoon van Okran.
Num 7,73 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,74 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,75 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,76 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,77 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van PagiŽl, zoon van Okran.
Num 7,78 Op de twaalfde dag kwam de leider van de Naftalieten, Achira, zoon van Enan.
Num 7,79 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderd dertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer;
Num 7,80 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook;
Num 7,81 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer;
Num 7,82 een geitenbok voor een zondeoffer
Num 7,83 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Achira, zoon van Enan.
Num 7,84 Dit waren de inwijdingsgaven, die de leiders van IsraŽl bij de zalving van het altaar aanboden: twaalf zilveren schotels en twaalf zilveren schalen en twaalf gouden schalen.
Num 7,85 Iedere zilveren schotel woog honderddertig sikkel en iedere zilveren schaal zeventig; het zilver van die voorwerpen woog in totaal tweeduizendvierhonderd sikkel, gerekend naar de sikkel van het heiligdom.
Num 7,86 Dan waren er de twaalf gouden schalen gevuld met wie rook. Elke schaal woog tien sikkel, gerekend naar de sikkel van het heiligdom. Het goud van de schalen woog in totaal honderd twintig sikkel.
Num 7,87 Dan was er het vee voor de brandoffers: in totaal twaalf jonge stieren, twaalf mannelijke lammeren van nog geen jaar met de daarbij behorende meeloffers, en voor de zondeoffers: twaalf geitenbokken.
Num 7,88 Aan vee voor de slachtoffers waren er in totaal vieren twintig jonge stieren, zestig rammen, zestig bokken en zestig mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat waren de inwijdingsgaven bij de zalving van het altaar.
Num 7,89 Telkens als Mozes de tent van de samenkomst binnenging om met Hem te spreken, hoorde hij zijn stem vanaf de dekplaat op de ark met de verbondsakte, tussen de twee kerubs. Zo sprak Hij tot hem.
 
Num 8,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 8,2 Zeg tot Ašron: `Gij moet de lampen zo opstellen, dat het licht van alle zeven aan de voorkant van de luchter valt.'
Num 8,3 Ašron deed dat en stelde de lampen zo op, dat hun licht aan de voorkant van de luchter viel, zoals Jahwe aan Mozes had opgedragen.
Num 8,4 De luchter met schacht en bloemwerk was een werkstuk van gedreven goud. Hij was gemaakt naar het model dat Jahwe aan Mozes had laten zien.
Num 8,5 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 8,6 Gij moet de levieten afzonderen van de overige IsraŽlieten en hen reinigen
Num 8,7 door hen te besprenkelen met reinigingswater. Als zij dan heel hun lichaam geschoren en hun kleren gewassen hebben, zijn zij rein.
Num 8,8 Daarna moeten zij een jonge stier nemen met het daarbij behorend meeloffer van bloem met olie aangemaakt, terwijl gijzelf een tweede jonge stier neemt voor een zondeoffer.
Num 8,9 Laat dan de levieten naar de tent van de samenkomst gaan en roep heel de gemeenschap van de IsraŽlieten in vergadering bijeen.
Num 8,10 Als gij de levieten voor Jahwe hebt laten komen, moeten de IsraŽlieten hun de handen opleggen.
Num 8,11 Uit naam van de IsraŽlieten, moet Ašron dan de levieten met een plechtige ceremonie aan Jahwe aanbieden; daarmee zijn zij bestemd voor de dienst van Jahwe.
Num 8,12 Dan leggen de levieten hun handen op de koppen van de beide stieren; de ene stier offert gij als zondeoffer en de andere als brandoffer aan Jahwe op om voor de levieten verzoening te bewerken.
Num 8,13 Laat de levieten voor Ašron en diens zonen gaan staan en bied hen met een plechtige ceremonie aan Jahwe aan.
Num 8,14 Zo zondert gij de levieten van de overige IsraŽlieten af en behoren ze Mij toe.
Num 8,15 Daarna kunnen de levieten de dienst bij de tent van de samenkomst beginnen. Gij hebt hen immers gereinigd en plechtig aangeboden,
Num 8,16 want zij zijn van de IsraŽlieten afgezonderd en zonder voorbehoud aan Mij afgestaan. Als plaatsvervangers van alles wat de moederschoot opent, van de eerstgeborenen van alle IsraŽlieten, heb Ik hen voor Mijzelf bestemd.
Num 8,17 Alle eerstgeborenen bij de IsraŽlieten, zowel van mensen als van dieren, zijn mijn eigendom. Ik heb hen aan Mij toegewijd, toen Ik alle eerstgeborenen in Egypte sloeg.
Num 8,18 Ik heb de levieten genomen uit de IsraŽlieten als plaatsvervangers van alle eerstgeborenen
Num 8,19 en hen blijvend gegeven aan Ašron en diens zonen. Zij zullen als vertegenwoordigers van de IsraŽlieten dienst doen bij de tent van de samenkomst en voor hen verzoening bewerken. En er zal geen ramp meer over de IsraŽlieten komen, wanneer die het heiligdom naderen.
Num 8,20 Mozes en Ašron en heel de gemeenschap van de IsraŽlieten voerden alles uit wat Jahwe over de levieten aan Mozes bevolen had.
Num 8,21 De levieten reinigden zich van zonde en wasten hun kleren. Ašron bood hen plechtig aan Jahwe aan en voltrok voor hen de verzoening om hen te reinigen.
Num 8,22 Daarna aanvaardden de levieten hun dienst bij de tent van de samenkomst, onder toezicht van Ašron en zijn zonen. Al wat Jahwe over de levieten aan Mozes bevolen had, hebben zij ook met hen gedaan.
Num 8,23 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 8,24 Voor de levieten geldt het volgende: Wie vijfentwintig jaar of ouder is, moet zijn dienst komen doen bij de tent van de samenkomst.
Num 8,25 Wie vijftig jaar is, trekt zich terug. Hij behoeft geen dienst meer te doen.
Num 8,26 Wel mag hij zijn broeders bij de tent van de samenkomst behulpzaam zijn bij het vervullen van hun taak, maar hij is tot geen dienst meer verplicht. Zo moet gij de bediening van de levieten regelen.
 
Num 9,1 In het tweede jaar na de uittocht uit Egypte, in de eerste maand, sprak Jahwe tot Mozes in de woestijn van de SinaÔ:
Num 9,2 De IsraŽlieten moeten op de vastgestelde tijd pasen vieren.
Num 9,3 Gij moet het vieren op de veertiende dag van deze maand, tegen de avond, op de vastgestelde tijd, met inachtneming van al de daarbij geldende voorschriften en wetten.
Num 9,4 Mozes gebood dus de IsraŽlieten pasen te vieren.
Num 9,5 Op de veertiende dag van de eerste maand, tegen de avond, vierden zij pasen in de woestijn van de SinaÔ. De IsraŽlieten deden alles wat Jahwe aan Mozes had bevolen.
Num 9,6 Nu waren er mannen die door contact met een lijk van een mens onrein waren geworden en daardoor op die dag geen pasen konden vieren. Zij kwamen op die dag naar Mozes en Ašron
Num 9,7 en zeiden: `Wij zijn door contact met een lijk van een mens onrein geworden. Waarom belet men ons nu om samen met de overige IsraŽlieten op de vastgestelde tijd de offergave aan Jahwe te brengen?'
Num 9,8 Mozes zei tot hen: `Blijf hier wachten, dan ga ik horen wat Jahwe van u verwacht.'
Num 9,9 Jahwe sprak tot Mozes:
Num 9,10 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer iemand door contact met een lijk onrein is geworden of een verre reis maakt, dan moet hij toch voor Jahwe pasen vieren. Dat geldt voor u en voor uw nageslacht.
Num 9,11 Men moet het vieren op de veertiende dag van de tweede maand, tegen de avond, en daarbij ongezuurde broden en bittere kruiden eten.
Num 9,12 Daarvan mag men niets overlaten tot de volgende morgen en men mag er geen been van breken. De gehele wet op de paasviering moet men in acht nemen.
Num 9,13 Als iemand nalaat pasen te vieren, terwijl hij rein is, dan moet die man uit zijn volk verwijderd worden, omdat hij de offergave voor Jahwe niet op de vastgestelde dag gebracht heeft. Zo iemand heeft de gevolgen van zijn zonde te dragen.
Num 9,14 Vreemdelingen die bij u verblijven en voor Jahwe pasen vieren, moeten de gehele wet op de paasviering in acht nemen. Voor hen en voor de geboren IsraŽlieten gelden dezelfde bepalingen.
Num 9,15 Zodra de woning was opgebouwd, overdekte de wolk de woning, de tent met de verbondsakte. 's Avonds leek zij er als vuur boven te hangen, en dat bleef tot de volgende morgen.
Num 9,16 Zo bleef het steeds: overdag overdekte de wolk de woning en 's nachts vertoonde zij zich als vuur.
Num 9,17 Telkens als de wolk boven de tent omhoogging, braken de IsraŽlieten op, en waar de wolk dan neerdaalde daar sloegen zij hun kamp op.
Num 9,18 Op aanwijzing van Jahwe zetten de IsraŽlieten zich in beweging en op het teken van Jahwe sloegen zij hun kamp op. Zolang de wolk boven de woning rustte, bleven zij in hun kamp.
Num 9,19 Bleef de wolk lange tijd boven de woning hangen, dan hielden de IsraŽlieten zich aan die aanwijzing van Jahwe; zij braken niet op.
Num 9,20 Bleef de wolk maar enkele dagen boven de woning, dan hielden zij zich bij het opslaan of opbreken van hun kamp aan die aanwijzing van Jahwe.
Num 9,21 Bleef de wolk er alleen van de avond tot de morgen, dan braken zij op, zodra de wolk in de morgen omhoogging. Of het overdag was of 's nachts, zodra de wolk omhoogging, braken zij op;
Num 9,22 of het twee dagen, een maand of nog langer duurde, zolang de wolk boven de woning bleef hangen, bleven de IsraŽlieten in hun kamp en braken niet op. Wanneer de wolk omhoogging, braken zij op.
Num 9,23 Op de aanwijzing van Jahwe sloegen zij hun kamp op en op de aanwijzing van Jahwe zetten zij zich in beweging. Zij hielden zich aan de aanwijzingen van Jahwe, die Jahwe hun door Mozes gegeven had.
 
Num. 10,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 10,2 Gij moet twee trompetten van gedreven zilver maken. Zij zullen dienen voor het bijeenroepen van de gemeenschap en voor het opbreken van de legerkampen.
Num. 10,3 Wordt er op beide trompetten geblazen, dan moet de hele gemeenschap bij u samenkomen aan de ingang van de tent van de samenkomst.
Num. 10,4 Wordt er op een trompet geblazen, dan moeten de leiders, de stamhoofden van IsraŽl, bij u samenkomen.
Num. 10,5 Bij een langgerekt signaal moeten de legerkampen aan de oostkant opbreken.
Num. 10,6 Wordt het voor de tweede maal gegeven, dan moeten de legerkampen aan de zuidkant opbreken. Dit langgerekt signaal moet altijd gegeven worden, als men moet opbreken.
Num. 10,7 Voor het bijeenroepen van de gemeenschap wordt wel geblazen, maar geen langgerekt signaal gegeven.
Num. 10,8 De priesters, de zonen van Ašron, moeten op de trom petten blazen. Dit is een eeuwige wet voor al uw geslachten.
Num. 10,9 Wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen een vijand die u verdrukt, dan moet gij met de trompetten een langgerekt signaal geven. Jahwe, uw God, zal u dan indachtig zijn en u van uw vijanden redden.
Num. 10,10 Ook op de dagen van vreugde, op de feesten en bij nieuwe maan moet gij bij uw brandoffers en slachtoffers op de trompetten blazen. Zij zullen de aandacht van God op u vestigen. Ik ben Jahwe, uw God.
Num. 10,11 In het tweede jaar, op de twintigste dag van de tweede maand, ging de wolk boven de woning met de verbondsakte omhoog.
Num. 10,12 Toen vertrokken de IsraŽlieten in de voorgeschreven orde uit de woestijn van de SinaÔ. In de woestijn Paran bleef de wolk rusten.
Num. 10,13 Dit was de eerste keer dat zij vertrokken volgens de aanwijzing die Jahwe door Mozes had gegeven.
Num. 10,14 Eerst vertrokken degenen die onder de banier van het kamp van de JudeeŽrs hoorden, naar groepen geordend. De leiding van het leger van Juda had Nachson, zoon van Amminadab;
Num. 10,15 de leiding van het leger van de stam van de Issakarieten had Netanel, zoon van Suar;
Num. 10,16 de leiding van het leger van de stam van de Zebulonieten had Eliab, zoon van Chelon.
Num. 10,17 Vervolgens werd de woning afgebroken en vertrokken de Gersonieten en Mararieten die de woning vervoerden.
Num. 10,18 Daarna vertrokken degenen die onder de banier van het kamp van Ruben hoorden, naar groepen geordend. De leiding van het leger van Ruben had Elisur, zoon van Sedeur;
Num. 10,19 de leiding van het leger van de stam van de Simeonieten had SelumiŽl, zoon van Surisaddai;
Num. 10,20 de leiding van het leger van de stam van de Gadieten had Eljasaf, zoon van DeŁel.
Num. 10,21 Nu pas vertrokken de Kehatieten met de heilige voorwerpen, zodat men de woning weer kon opbouwen, voor dat zij aankwamen.
Num. 10,22 Daarna vertrokken degenen die onder de banier van het kamp van de Efraimieten hoorden, naar groepen geordend. De leiding van het leger van Efraim had Elisama, zoon van Ammihud;
Num. 10,23 de leiding van het leger van de stam van de Manassieten had GamliŽl, zoon van Pedasur;
Num. 10,24 de leiding van het leger van de stam van de Benjaminieten had Abidan, zoon van Gidoni.
Num. 10,25 Als laatsten van allen vertrokken, naar groepen geordend, degenen die onder de banier van het kamp van de Danieten hoorden. De leiding van het leger van Dan had AchiŽzer, zoon van Ammisaddai;
Num. 10,26 de leiding van het leger van de stam van de Aserieten had PagiŽl, zoon van Okran;
Num. 10,27 de leiding van het leger van de stam van de Naftalieten had Achira, zoon van Enan.
Num. 10,28 Dat was de volgorde waarin de afdelingen van de IsraŽlieten vertrokken.
Num. 10,29 Mozes zei tot de Midjaniet Chobab, de zoon van ReuŽl, de schoonvader van Mozes: `Wij vertrekken naar de plaats die Jahwe ons heeft toegezegd. Ga met ons mee. Wij zullen goed voor u zijn, want Jahwe heeft IsraŽl geluk beloofd.'
Num. 10,30 Maar hij zei tot Mozes: `Ik ga niet mee; ik ga weer naar het land waar ik geboren ben.'
Num. 10,31 Mozes zei: `U kunt ons toch niet verlaten! U weet waar wij in de woestijn ons kamp kunnen opslaan en kunt daarom onze gids zijn.
Num. 10,32 Als u met ons meegaat, zullen wij u doen delen in het geluk dat Jahwe ons schenkt.'
Num. 10,33 Van de berg van Jahwe trokken zij drie dagen verder, terwijl de ark van het verbond van Jahwe gedurende die drie dagen voor hen uitging om een rustplaats te zoeken.
Num. 10,34 Telkens als zij opbraken en verder trokken, hing overdag de wolk van Jahwe boven hen.
Num. 10,35 Bij het vertrek van de ark zei Mozes: `Sta op, Jahwe, dat uw vijanden uiteenstuiven en uw tegenstanders voor U vluchten!'
Num. 10,36 En als de ark stilhield, zei hij: `Keer terug, Jahwe, naar de tienduizend maal duizend van IsraŽl!'
 
Num. 11,1 Eens jammerde het volk tot Jahwe, dat het hun slecht ging. Toen Jahwe dat hoorde, ontstak Hij in toorn. Het vuur van Jahwe laaide bij hen op en verteerde een hoek van het kamp.
Num. 11,2 Toen wendde het volk zich tot Mozes. Mozes bad tot Jahwe en het vuur doofde uit.
Num. 11,3 Men noemde die plaats Tabera, omdat het vuur van Jahwe bij hen was opgelaaid.
Num. 11,4 Het samenraapsel van volk dat met hen meetrok, gaf zich over aan zijn gulzige begeerte en ook de IsraŽlieten begonnen opnieuw te jammeren. Zij zeiden: `Wie kan ons aan vlees helpen!
Num. 11,5 Wij hebben heimwee naar de vis die wij in Egypte voor niets te eten kregen, naar de komkommers en de meloenen, naar de prei, de uien en het knoflook.
Num. 11,6 Wij drogen uit! Er is niets! Wij krijgen alleen maar manna te zien.'
Num. 11,7 Het manna geleek op korianderzaad en zag er uit als balsemhars.
Num. 11,8 Het volk verspreidde zich om het bijeen te rapen. Dan maalden zij het met een handmolen en stampten het fijn in een vijzel. Ze kookten het in een pot en maakten er koeken van, zodat het smaakte als oliegebak.
Num. 11,9 Met de dauw viel 's nachts ook het manna op het kamp neer.
Num. 11,10 Toen Mozes hoorde, hoe het volk, familie voor familie, bij de ingang van de tenten zat te jammeren, en toen Jahwe in hevige toorn ontstak, werd hij ontstemd.
Num. 11,11 Hij vroeg Jahwe: `Waarom doet Gij uw dienaar dit verdriet aan? Zijt Gij mij zo weinig genegen, dat Gij mij de last van heel dat volk laat dragen?
Num. 11,12 Het lijkt wel of ik van heel dat volk zwanger ben geweest en het ter wereld heb gebracht, dat Gij mij zegt: Draag het aan uw hart, zoals een voedster een zuigeling draagt, en dat Gij mij beveelt het naar het land te brengen dat Gij zijn vaderen onder ede beloofd hebt.
Num. 11,13 Waar haal ik vlees vandaan voor heel dat volk? Het jammert tegen mij: Geef ons toch vlees te eten!
Num. 11,14 Ik kan de last van heel dat volk niet alleen dragen. Het is mij te zwaar!
Num. 11,15 Indien Gij zo met mij blijft doen, dood mij dan maar, als Gij mij genadig wilt zijn. Dan hoef ik mijn ellende niet langer te zien.'
Num. 11,16 Jahwe zei tot Mozes: `Breng van de oudsten van het volk hier zeventig mannen samen, van wie gij weet dat zij werkelijk oudsten en leiders van het volk zijn. Leid hen naar de tent van de samenkomst en laten zij zich daar bij u opstellen.
Num. 11,17 Dan daal ik neer om met u te spreken en leg op hen een deel van de geest die op u rust. Zo zullen zij samen met u de last van het volk dragen en draagt gij die niet langer alleen.
Num. 11,18 Aan het volk zult gij zeggen: Zorg dat gij morgen heilig zijt; dan zult gij vlees eten. Gij hebt immers tegen Jahwe gejammerd: Wie kan ons aan vlees helpen! In Egypte hadden wij het goed! Jahwe zal u vlees geven en eten zult gij,
Num. 11,19 niet een enkele dag, niet twee dagen, niet vijf dagen, niet tien dagen, niet twintig dagen,
Num. 11,20 maar een volle maand, tot het uw neus uitkomt en gij er onpasselijk van wordt. Want ofschoon Jahwe bij u is, hebt gij Hem geminacht door tegen Hem te jammeren: Waarom zijn wij toch uit Egypte weggegaan!'
Num. 11,21 Mozes zei: `Zeshonderdduizend voetgangers telt het volk waaronder ik leef en gij zegt: Ik zal hun vlees geven en zij zullen eten, een volle maand lang.
Num. 11,22 Al werden alle schapen en runderen geslacht, dan hadden zij nog niet genoeg. Al werden alle vissen van de zee voor hen gevangen, dan hadden zij nog niet genoeg.'
Num. 11,23 Maar Jahwe zei tot Mozes: `Is Jahwe soms niet machtig genoeg? Gij zult zien of inderdaad gebeurt wat Ik u gezegd heb.'
Num. 11,24 Mozes ging naar buiten en deelde het volk mee wat Jahwe gezegd had. Hij bracht zeventig van de oudsten van het volk bijeen en stelde hen op om de tent.
Num. 11,25 Toen daalde Jahwe neer in een wolk, sprak tot hen en legde een deel van de geest die op Mozes rustte, op die zeventig oudsten. En toen de geest op hen rustte, profeteerden zij, maar later hebben zij het niet meer gedaan.
Num. 11,26 Nu waren er twee mannen in het kamp gebleven. De een heette Eldad, de ander Medad. Ook op hen rustte de geest - zij stonden op de lijst al waren zij niet naar de tent gegaan - en zij profeteerden in het kamp.
Num. 11,27 Een jongen ging het ijlings aan Mozes vertellen en zei: `Eldad en Medad zijn aan het profeteren in het kamp!'
Num. 11,28 Jozua, de zoon van Nun, die reeds als jongeman in Mozes' dienst gekomen was, zei daarop tot Mozes: `Mijn heer, dat moet u hun verbieden.'
Num. 11,29 Mozes zei hem: `Waarom komt u voor mij op? Ik zou willen, dat heel het volk van Jahwe profeteerde en dat Jahwe zijn geest op hen legde.'
Num. 11,30 Daarna keerde Mozes met de oudsten van IsraŽl in het kamp terug.
Num. 11,31 Op bevel van Jahwe stak er een wind op uit de richting van de zee. Die wind voerde kwartels mee en liet ze neervallen over het kamp. Aan alle kanten lagen ze rondom het kamp, een dagreis ver en ongeveer twee el hoog.
Num. 11,32 Heel die dag en heel die nacht en ook heel de volgende dag was het volk op de been om de kwartels te verzamelen. Wie weinig raapte had toch nog tien ezelslasten. Zij spreidden ze uit rondom het kamp.
Num. 11,33 Het vlees zat nog tussen hun tanden, niet fijn gekauwd, toen Jahwe reeds in toorn tegen het volk ontstak en een zeer grote slachting onder hen aanrichtte.
Num. 11,34 Men noemde die plaats Kibrot-hattaawa, want daar werd het volk begraven, dat zich door gulzige begeerte had laten meeslepen.
Num. 11,35 Van Kibrot-hattaawa trok het volk verder naar Chaserot.
 
Num. 12,1 Tijdens hun verblijf te Chaserot, keerden Mirjam en Ašron zich tegen Mozes, omdat hij een Kusitische vrouw had genomen: hij was inderdaad met een Kusitische gehuwd.
Num. 12,2 Zij zeiden: `Heeft Jahwe alleen maar door Mozes gesproken? Heeft hij ook door ons niet gesproken?' Jahwe hoorde dat
Num. 12,3 en omdat Mozes een zeer bescheiden man was, de bescheidenste van alle mensen op aarde,
Num. 12,4 zei Jahwe terstond tot Mozes, Ašron en Mirjam: `Ga met u drieŽn naar de tent van de samenkomst.' Zij gingen er met hun drieŽn heen.
Num. 12,5 Nu daalde Jahwe in een wolkkolom neer, nam plaats bij de ingang van de tent en riep Ašron en Mirjam, die beiden naar voren traden.
Num. 12,6 Hij zei: `Luister naar wat Ik te zeggen heb. Aan uw profeten maak Ik mij in visioenen bekend en Ik spreek tot hen in dromen.
Num. 12,7 Met mijn dienaar Mozes doe Ik dat niet. Hij is mijn vertrouweling, in heel mijn huis.
Num. 12,8 Met hem spreek Ik van mond tot mond, duidelijk en niet in raadsels. Hij aanschouwt de gestalte van Jahwe. Hoe hebt gij u tegen mijn dienaar Mozes durven keren?'
Num. 12,9 Toornig ging Jahwe van hen heen.
Num. 12,10 De wolk was nog niet van de tent van de samenkomst geweken, of Mirjam zat vol uitslag; het leek wel sneeuw. Toen Ašron zich naar Mirjam keerde, stond daar een melaatse.
Num. 12,11 Ašron zei tot Mozes: `Ach heer, laat ons toch niet lijden voor de zonde die wij in onze dwaasheid begaan hebben.
Num. 12,12 Laat Mirjam toch niet zijn als een doodgeboren kind dat half vergaan uit de moederschoot komt.'
Num. 12,13 Mozes riep tot Jahwe: `O God, maak haar weer gezond!'
Num. 12,14 Jahwe zei tot Mozes: `Als haar vader haar in het gezicht gespuwd had, zou zij dan niet zeven dagen geschandvlekt zijn? Zij moet dus zeven dagen buiten het kamp gesloten worden. Daarna mag zij er weer in.'
Num. 12,15 Mirjam werd zeven dagen buiten het kamp gesloten. Het volk ging niet verder, voordat Mirjam weer was toegelaten.
Num. 12,16 Daarna vertrok het volk uit Chaserot en sloeg zijn kamp op in de woestijn Paran.
 
Num. 13,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 13,2 `Zend mannen uit om Kanašn te verkennen, het land dat Ik aan de IsraŽlieten geef; een man uit elke stam; het moeten mannen van aanzien zijn.'
Num. 13,3 Vanuit de woestijn Paran zond Mozes hen op het bevel van Jahwe uit; het waren allen vooraanstaande mannen onder de IsraŽlieten.
Num. 13,4 Dit zijn hun namen: voor de stam Ruben Sammua, zoon van Zakkur;
Num. 13,5 voor de stam Simeon Safat, zoon van Chori;
Num. 13,6 voor de stam Juda Kaleb, zoon van Jefunne;
Num. 13,7 voor de stam Issakar Jigal, zoon van Jozef;
Num. 13,8 voor de stam Efraim Hosea, zoon van Nun;
Num. 13,9 voor de stam Benjamin Palti, zoon van Rafu;
Num. 13,10 voor de stam Zebulon GaddiŽl, zoon van Sodi;
Num. 13,11 voor de stam Jozef: voor de stam Manasse Gaddi, zoon van Susi;
Num. 13,12 voor de stam Dan AmmiŽl, zoon van Gemalli;
Num. 13,13 voor de stam Aser Setur, zoon van MichaŽl;
Num. 13,14 voor de stam Naftali Nachbi, zoon van Wofsi;
Num. 13,15 voor de stam Gad GeuŽl, zoon van Maki.
Num. 13,16 Dat zijn de namen van de mannen die Mozes uitzond om het land te verkennen. Aan Hosea, de zoon van Nun, gaf Mozes de naam Jozua.
Num. 13,17 Toen Mozes hen uitzond om Kanašn te verkennen, gaf hij hun deze opdracht: `Trek eerst de Negeb door en ga dan het bergland in.
Num. 13,18 Stel vast wat het voor een land is, of het volk er sterk is of zwak, gering in aantal of talrijk;
Num. 13,19 of het land waarin het woont, goed is of slecht, en of het volk in open plaatsen of in versterkte steden woont;
Num. 13,20 of de grond vruchtbaar is, of schraal, en of er bomen zijn of niet. Gij moet u moedig gedragen en ook wat vruchten van het land meebrengen.' Het was juist de tijd van de eerste druiven.
Num. 13,21 Zij trokken uit en verkenden het land van de woestijn Sin tot aan Rechob, waar de weg naar Hamat begint.
Num. 13,22 Zij trokken de Negeb in en drongen door tot Hebron waar de Enakieten Achiman, Sesai en Talmai woonden. - Hebron is zeven jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte.
Num. 13,23 Zij drongen door in het dal Eskol en sneden daar een wijnrank af met een druiventros, die zij met twee man aan een stok moesten dragen; bovendien namen zij enige granaatappels en vijgen mee.
Num. 13,24 Eskol heeft zijn naam te danken aan de druiventros die de IsraŽlieten daar hebben afgesneden.
Num. 13,25 Na veertig dagen keerden zij van hun verkenningstocht terug.
Num. 13,26 Zij begaven zich naar Mozes en Ašron en naar heel de gemeenschap van de IsraŽlieten in de woestijn Paran te Kades. Zij brachten aan hen en aan heel de gemeenschap verslag uit en lieten hun de vruchten van het land zien.
Num. 13,27 Zij vertelden: `Wij zijn in het land geweest waarheen u ons gestuurd hebt en het vloeit werkelijk over van melk en honing. Kijk maar eens naar deze vruchten.
Num. 13,28 Maar het volk dat er woont, is buitengewoon sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot. Wij hebben er zelfs Enakieten gezien.
Num. 13,29 In de Negeb wonen Amalekieten, in het gebergte Hethieten. Chiwwieten, Jebusieten en Amorieten, en aan de zee en langs de Jordaan wonen Kanašnieten.'
Num. 13,30 Kaleb trachtte het volk tot volgzaamheid tegenover Mozes te bewegen en zei: `Wij kunnen gerust optrekken om het te veroveren, want wij zijn er zeker toe in staat.'
Num. 13,31 Maar de mannen die met hem waren uitgetrokken, zeiden: `Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken; het is te sterk voor ons.'
Num. 13,32 Zij verspreidden onder de IsraŽlieten ook allerlei praatjes over het land dat zij verkend hadden. Zij zeiden: `Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben, is een land dat zijn bewoners verslindt, en de mensen die wij er gezien hebben waren geweldig groot.
Num. 13,33 Wij hebben er de reuzen gezien - de Enakieten behoren tot de reuzen -. Wij voelden ons sprinkhanen en daarvoor moeten zij ons ook hebben aangezien.'
 
Num. 14,1 Toen begon de hele gemeenschap luid te roepen en bleef heel de nacht jammeren.
Num. 14,2 Alle IsraŽlieten morden tegen Mozes en Ašron en heel de gemeenschap zei tot hen: `Waren wij maar in Egypte gestorven of anders hier in de woestijn! Waren wij maar dood!
Num. 14,3 Jahwe voert ons naar dat land om er door het zwaard te vallen, terwijl onze vrouwen en kleine kinderen buitgemaakt worden. Is het niet beter naar Egypte terug te gaan?'
Num. 14,4 En zij zeiden tot elkaar: `Laten wij een aanvoerder kiezen en naar Egypte teruggaan.'
Num. 14,5 Toen wierpen Mozes en Ašron zich voor heel de verzamelde gemeenschap van de IsraŽlieten ter aarde.
Num. 14,6 Jozua, zoon van Nun, en Kaleb, zoon van Jefunne, die ook het land verkend hadden, scheurden hun kleren
Num. 14,7 en zeiden tot heel de gemeenschap van de IsraŽlieten: `Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben is een prachtig land.
Num. 14,8 Als Jahwe behagen in ons heeft, zal Hij ons dat land binnenvoeren en het ons geven, dat land van melk en honing.
Num. 14,9 Maar u moet niet in opstand komen tegen Jahwe en ook niet bang zijn voor de bevolking van dat land, want die krijgen wij als spijs. Van hen is de beschermende schaduw geweken maar bij ons is Jahwe. U hoeft niet bang te zijn voor hen!'
Num. 14,10 Toen de hele gemeenschap hen wilde stenigen verscheen de heerlijkheid van Jahwe voor alle IsraŽlieten boven de tent van de samenkomst.
Num. 14,11 En Jahwe zei tot Mozes: `Dit volk blijft Mij maar versmaden! Zij geloven nog steeds niet in Mij ondanks al de wondertekenen die Ik bij hen verricht heb!
Num. 14,12 Ik zal het slaan met de pest en het uitroeien en van u zal Ik een volk maken, groter en machtiger dan dit.'
Num. 14,13 Maar Mozes zei tot Jahwe: `De Egyptenaren weten, dat Gij dit volk door uw kracht uit hun land hebt geleid;
Num. 14,14 Bovendien hebben alle bewoners van dit land hier gehoord, dat Gij, Jahwe, bij dit volk woont, dat Gij, Jahwe, aan hen verschijnt, dat uw wolk boven hen staat, dat Gij voor hen uitgaat overdag in een wolkkolom en 's nachts in een vuurzuil.
Num. 14,15 Wanneer Gij nu dit volk als een man doodt, dan zeggen de volken die van uw faam gehoord hebben:
Num. 14,16 Jahwe was niet bij machte dit volk in het land te brengen, dat Hij hun onder ede beloofd had. Daarom heeft Hij hen in de woestijn omgebracht.
Num. 14,17 Laat nu de grote macht van mijn Heer zich tonen. Gij hebt immers gezegd:
Num. 14,18 Jahwe is lankmoedig, rijk aan erbarmen, misdaad en zonde vergeeft Hij; al laat Hij ook niets ongestraft; de misdaad van de vader wreekt Hij op zijn kinderen, tot het derde en vierde geslacht.
Num. 14,19 Wil toch in uw grote barmhartigheid de misdaad van dit volk vergeven, zoals Gij het steeds vergiffenis geschonken hebt, van Egypte tot hier.'
Num. 14,20 Toen zei Jahwe: `Ik schenk vergiffenis zoals gij vraagt.
Num. 14,21 Maar zowaar Ik leef en heel de aarde vervuld is van de heerlijkheid van Jahwe:
Num. 14,22 geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben en de wondertekenen die Ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die Mij wel tienmaal getart hebben door niet naar Mij te luisteren,
Num. 14,23 geen van die mannen zal het land zien dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb. Niemand van die Mij versmaad hebben, zal het zien.
Num. 14,24 Maar mijn dienaar Kaleb was van een andere geest bezield en Mij steeds trouw gebleven. Daarom zal Ik heb in het land brengen waarin hij is doorgedrongen, en zijn nakomelingen zullen het bezitten.
Num. 14,25 - De Amalekieten en Kanašnieten wonen in de vlakte. Ga daarom morgen opnieuw de woestijn in, naar de Rietzee toe.'
Num. 14,26 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Num. 14,27 `Mijn geduld met deze verdorven gemeenschap die tegen Mij mort, is uitgeput! Dat voortdurend gemor van de IsraŽlieten heb Ik nu genoeg gehoord.
Num. 14,28 Zeg hun: Zo waar Ik leef - aldus spreekt Jahwe - wat Ik u heb horen zeggen, dat zal Ik ook met u doen.
Num. 14,29 In deze woestijn zullen de lijken liggen van allen die tegen Mij hebben gemord, van al uw ingeschrevenen, van ieder boven twintig jaar.
Num. 14,30 Gij zult het land dat Ik u met opgeheven hand als woonplaats heb toegezegd, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, zoon van Jefunne, en Jozua, zoon van Nun.
Num. 14,31 Maar uw kleine kinderen van wie gij gezegd hebt, dat zij buitgemaakt zouden worden, die zal Ik er binnenvoeren en zij zullen het land leren kennen dat gij versmaad hebt.
Num. 14,32 Uw lijken zullen in deze woestijn komen te liggen,
Num. 14,33 en veertig jaren zullen uw zonen in de woestijn als herders rondzwerven en boeten voor uw ontrouw totdat uw lijken in de woestijn vergaan zijn.
Num. 14,34 Voor elke dag van de veertig dat gij het land verkend hebt, zult gij een jaar uw misdaden boeten, veertig jaar in totaal, zodat gij weet wat het betekent u tegen Mij te verzetten.
Num. 14,35 Ik Jahwe heb gesproken. Dit zal Ik zeker doen met heel deze verdorven gemeenschap die tegen Mij heeft samengespannen: in deze woestijn zullen zij tot de laatste man sterven.'
Num. 14,36 En de mannen die Mozes had uitgezonden om het land te verkennen en die na hun terugkeer heel de gemeenschap tegen hem aan het morren hadden gebracht door allerlei praatjes over het land te verspreiden,
Num. 14,37 die verspreiders van allerlei boze praatjes stierven door Jahwe's ingrijpen een plotselinge dood.
Num. 14,38 Van de mannen die uitgetrokken waren om het land te verkennen, bleven allen Jozua, zoon van Nun, en Kaleb, zoon van Jefunne in leven.
Num. 14,39 Mozes bracht de woorden van Jahwe over aan alle IsraŽlieten en het volk was diep terneergeslagen.
Num. 14,40 De volgende morgen wilden zij de berg opgaan. Zij zeiden: `Wij staan klaar om op te trekken naar de plaats van Jahwe's belofte. Wij hebben gezondigd.'
Num. 14,41 Maar Mozes zei: `Waarom tegen Jahwe's bevelen ingaan? Dat is tot mislukking gedoemd.
Num. 14,42 Trek de bergen niet in: Jahwe is niet bij u; gij wordt door uw vijanden verslagen.
Num. 14,43 De Amalekieten en de Kanašnieten zullen zich tegen u keren en ge zult vallen door het zwaard. Gij hebt u nu eenmaal van Jahwe afgekeerd en daarom zal Hij u niet bijstaan.'
Num. 14,44 Eigengereid als zij waren, gingen zij toch de berg op, maar de ark van Jahwe's verbond en Mozes kwamen het kamp niet uit.
Num. 14,45 De Amalekieten en de Kanašnieten die in het gebergte woonden, kwamen naar beneden, brachten hun een verpletterende nederlaag toe en zaten hen na tot Chorma.
 
Num. 15,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 15,2 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer gij het land, dat Ik u als woonplaats schenk, zijt binnengegaan
Num. 15,3 en gij als geurige gave die Jahwe behaagt een offer van uw runderen of kleinvee brengt, een brandoffer of een slachtoffer, voor het vervullen van een gelofte of als vrijwillige gave of bij gelegenheid van uw feesten,
Num. 15,4 dan moet degene die Jahwe zijn gave aanbiedt bij brand en slachtoffer een meeloffer van een issaron bloem voegen, aangemaakt met een kwart hin olie,
Num. 15,5 en een plengoffer van een kwart hin wijn; dit geldt voor elk lam.
Num. 15,6 Bij een ram moet gij een meeloffer van twee issaron bloem voegen, aangemaakt met een derde hin olie,
Num. 15,7 en een plengoffer van een derde hin wijn. Dan is het een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 15,8 Wanneer gij aan Jahwe een rund als brandoffer of als slachtoffer brengt ter vervulling van een gelofte of om een andere reden
Num. 15,9 dan moet men bij het rund een meeloffer van drie issaron aanbieden, aangemaakt met een halve hin olie
Num. 15,10 en een plengoffer van een halve hin wijn. Dan is het een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 15,11 Zo moet er gedaan worden bij elke stier, bij elke ram, bij elk stuk kleinvee, schaap of geit.
Num. 15,12 Bij elk dier moet gij het doen, hoeveel gij er ook aanbiedt.
Num. 15,13 Iedere geboren IsraŽliet moet dit doen, wanneer hij Jahwe een offer wil aanbieden, een geurige gave die Hem behaagt.
Num. 15,14 Wanneer een vreemdeling die nu of in de toekomst bij u woont, aan Jahwe een geurige gave wil aanbieden die Hem behaagt, dan moet hij hetzelfde doen als gij.
Num. 15,15 In de gemeente geldt voor u en voor de vreemdeling die bij u woont, alle geslachten door hetzelfde voorschrift. Gij en de vreemdeling zijt voor Jahwe gelijk.
Num. 15,16 Dezelfde wet en dezelfde regel gelden dus voor u en voor de vreemdeling die bij u woont.
Num. 15,17 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 15,18 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer gij in het land komt waar Ik u heenbreng
Num. 15,19 en het brood van dat land eet, dan moet gij daarvan een deel aan Jahwe afstaan.
Num. 15,20 Van het eerste deeg dat gij maakt, moet gij een koek afstaan. Het is de bijdrage van de dorsvloer.
Num. 15,21 Van het eerste deeg dat gij maakt, moet gij ook in de komende geslachten een deel aan Jahwe afstaan.
Num. 15,22 Wanneer gij door onoplettendheid nalaat een van de geboden te volbrengen, die Jahwe aan Mozes gegeven heeft,
Num. 15,23 welke van die geboden ook, van het eerste ogenblik dat Jahwe geboden gaf tot in uw verre nageslachten,
Num. 15,24 en het is buiten weten van de gemeenschap gebeurd, dan moet de hele gemeenschap Jahwe een jonge stier aanbieden als brandoffer, een geurige gave die hem behaagt, met het daarbij voorgeschreven meel - en plengoffer, alsmede een geitenbok als zondeoffer.
Num. 15,25 De priester zal voor de hele gemeenschap van de IsraŽlieten verzoening bewerken en dan zal hun vergiffenis geschonken worden, want het was onoplettendheid en daarvoor hebben zij aan Jahwe een zondeoffer gebracht.
Num. 15,26 Het zal vergeven worden aan de hele gemeenschap van de IsraŽlieten en aan de vreemdelingen die bij u wonen, want het is een onoplettendheid die het hele volk is overkomen.
Num. 15,27 Wanneer een enkele persoon door onoplettendheid zondigt, dan moet hij een geitje van nog geen jaar als zondeoffer aanbieden.
Num. 15,28 De priester zal voor de persoon die door onoplettendheid gezondigd heeft, voor het aanschijn van Jahwe verzoening bewerken en door deze verzoening wordt hem vergiffenis geschonken.
Num. 15,29 Voor de geboren IsraŽliet en voor de vreemdeling die bij u woont, geldt bij een zonde door onoplettendheid dezelfde wet.
Num. 15,30 Maar wanneer een geboren IsraŽliet of een vreemdeling met opzet een gebod overtreedt, dan hoont hij Jahwe en moet hij uit zijn volk verwijderd worden.
Num. 15,31 Hij heeft Jahwe's woord geminacht en zijn gebod ge schonden. Zo iemand moet onherroepelijk verwijderd worden. Hij moet de gevolgen van zijn zonde dragen.
Num. 15,32 Tijdens hun verblijf in de woestijn betrapten de IsraŽlieten iemand die op sabbat hout sprokkelde.
Num. 15,33 Degenen die hem daarop betrapt hadden, brachten hem bij Mozes en Ašron en heel de gemeenschap.
Num. 15,34 Hij werd in bewaring gesteld, omdat nog niet bepaald was wat er met hem moest gebeuren.
Num. 15,35 Jahwe zei tot Mozes: `Die man moet ter dood gebracht worden. Heel de gemeenschap moet hem buiten het kamp stenigen.'
Num. 15,36 Toen voerde heel de gemeenschap hem buiten het kamp en stenigden hem dood, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Num. 15,37 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 15,38 Zeg aan de IsraŽlieten, dat zij en hun nageslacht aan de slippen van hun kleed kwasten moeten bevestigen met een blauwpurperen draad erin.
Num. 15,39 Die kwasten zullen voor u een teken zijn: bij het zien daarvan zult gij alle geboden van Jahwe gedenken; gij zult die geboden volbrengen en niet meer de begeerten van uw hart en uw ogen volgen, die gij nu trouweloos naloopt.
Num. 15,40 Zij zullen u helpen er aan te denken al mijn geboden te volbrengen en uw God toegewijd te blijven.
Num. 15,41 Ik ben Jahwe, uw God, die u uit Egypte geleid heb om uw God te zijn. Ik ben Jahwe, uw God.
 
Num. 16,1 Korach zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, Datan en Abiram, de zonen van Eliab, en On, zoon van Pelet, de zoon van Ruben,
Num. 16,2 kwamen tegen Mozes in opstand, samen met tweehonderd vijftig IsraŽlieten, leiders van de gemeenschap, leden van de vergadering en mannen van aanzien.
Num. 16,3 Zij kwamen met zijn allen op Mozes en Ašron af en zeiden: `U matigt u teveel aan! Alle leden van de gemeenschap zijn heilig en in hun midden is Jahwe. Waarom verheft u zich dan boven de gemeente van Jahwe?'
Num. 16,4 Toen Mozes dit hoorde, wierp hij zich ter aarde.
Num. 16,5 Hij sprak tot Korach en heel zijn aanhang: `Morgen zal Jahwe bekend maken wie de man van zijn keuze is; de heilige, degene die Hij uitkiest, zal Hij tot zich laten naderen.
Num. 16,6 Korach en aanhangers, hoort wat gij morgen moet doen. Gij moet komen met vuurpannen,
Num. 16,7 er vuur in doen en daar wierook op leggen voor Jahwe. Degene die Jahwe dan uitkiest, is heilig. Zonen van Levi, gij matigt u teveel aan.'
Num. 16,8 Mozes zei tot Korach: `Luister, zonen van Levi.
Num. 16,9 Is het u niet genoeg, dat de God van IsraŽl u van de gemeenschap heeft afgezonderd en u tot zich heeft laten naderen om dienst te doen in de woning van Jahwe en de gemeenschap ten dienste te staan?
Num. 16,10 Hij heeft u met al uw medelevieten tot zich toegelaten en nu eist u ook het priesterschap?
Num. 16,11 U spant met uw aanhangers samen tegen Jahwe. Wat bete kent Ašron dat u tegen hem zoudt morren?'
Num. 16,12 Mozes liet Datan en Abiram, de zonen van Eliab, roepen. Maar zij antwoordden: `Wij komen niet!
Num. 16,13 Het is al erg genoeg dat u ons uit een land van melk en honing hebt gehaald om ons te laten sterven in de woestijn! Wilt u zich nu ook nog als heerser over ons opwerpen!
Num. 16,14 U hebt ons werkelijk niet in een land van melk en honing gebracht en hebt ons ook geen akkers en wijngaarden in eigendom gegeven! Denkt u, dat u ons nog iets kunt wijsmaken? Wij komen niet!'
Num. 16,15 Mozes werd daar zeer verontwaardigd om en zei tot Jahwe: `Sla geen acht op hun meeloffer. Ik heb hun geen ezel ontnomen en niemand van hen onrecht gedaan.'
Num. 16,16 Mozes zei tot Korach: `U moet morgen met heel uw aanhang voor Jahwe verschijnen, samen met Ašron.
Num. 16,17 Ieder moet komen met een vuurpan, daar wierook op doen en die voor Jahwe plaatsen, tweehonderdvijftig in totaal. Dat geldt ook voor uzelf en voor Ašron.'
Num. 16,18 Allen brachten een vuurpan mee. Zij deden er vuur in, legden daar wierook op en gingen met Mozes en Ašron bij de ingang van de tent van de samenkomst staan.
Num. 16,19 Toen Korach heel de gemeenschap bij de tent van de samenkomst tegen hen bijeengebracht had, verscheen hun de heerlijkheid van Jahwe.
Num. 16,20 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Num. 16,21 `Ga van deze gemeenschap weg, dan zal Ik hen in een oogwenk vernietigen.'
Num. 16,22 Toen wierpen zij zich ter aarde en zeiden: `O God, gij die aan alle mensen het leven schenkt, laat gij, als een man zondigt, uw toorn op heel de gemeenschap neerkomen?'
Num. 16,23 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 16,24 `Zeg aan de gemeenschap: Ga weg van de woning van Korach, Datan en Abiram.'
Num. 16,25 Gevolgd door de oudsten van IsraŽl begaf Mozes zich naar Datan en Abiram.
Num. 16,26 Hij richtte zich tot de gemeenschap en zei: `Ga toch weg bij de tenten van die goddeloze mannen en raak niets aan wat hun toebehoort; anders worden hun zonden u noodlottig.'
Num. 16,27 Datan en Abiram waren naar buiten gekomen en met hun vrouwen, zonen en kleine kinderen bij de ingang van hun tenten gaan staan.
Num. 16,28 Toen zei Mozes: `Nu zult u weten, dat Jahwe mij gezonden heeft om dit alles te doen en dat het niet van mij afkomstig is.
Num. 16,29 Wanneer die mannen de dood van alle mensen sterven en hen het lot van alle mensen treft, dan heeft Jahwe mij niet gezonden,
Num. 16,30 maar doet Jahwe iets volkomen ongehoords, spert de grond zijn muil open en verslindt hij hen met alles wat hun toebehoort, zodat zij levend in het dodenrijk neerdalen, dan weet u, dat zij Jahwe gehoond hebben.'
Num. 16,31 Nauwelijks was hij uitgesproken of de grond onder hen scheurde vaneen,
Num. 16,32 de aarde opende zich en verslond hen en hun gezinnen, alle mensen die bij Korach hoorden en heel hun bezit.
Num. 16,33 Zij daalden met al de hunnen levend in het dodenrijk neer. De aarde sloot zich boven hen en zij waren uit de gemeente verdwenen.
Num. 16,34 Toen de IsraŽlieten die eromheen stonden hun kreten hoorden, vluchtten zij allen weg, want zij dachten: `Anders verslindt de aarde ook ons nog!'
Num. 16,35 Toen kwam er van Jahwe een vuur en verteerde de twee honderdvijftig man die wierook offerden.
 
Num. 17,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 17,2 `Zeg aan Eleazar, de zoon van de priester Ašron, dat hij de vuurpannen uit de vlammen haalt en het vuur eruit werpt, want de vuurpannen zijn heilig geworden.
Num. 17,3 Maak van de vuurpannen die die zondaars het leven gekost hebben, dunne platen om er het altaar mee te bedekken. Omdat zij voor Jahwe gebracht zijn, zijn ze heilig. Zo zullen zij voor de IsraŽlieten een teken zijn.'
Num. 17,4 De priester Eleazar nam dus de bronzen vuurpannen, afkomstig van degenen die verbrand waren, maakte er dunne platen van en bekleedde daarmee het altaar.
Num. 17,5 Zij brengen de IsraŽlieten in herinnering dat een onbevoegde, iemand die niet tot het geslacht van Ašron behoort, niet naar voren mag komen om Jahwe een reukoffer te brengen. Het zou hem vergaan als Korach en zijn aanhangers, zoals Jahwe door Mozes aan Korach had aangekondigd.
Num. 17,6 Maar de volgende dag morde heel de gemeenschap tegen Mozes en Ašron en zei: `U hebt het volk van Jahwe gedood!'
Num. 17,7 Terwijl heel de gemeenschap tegen Mozes en Ašron te hoop liep en naar de tent van de samenkomst keek, zagen zij dat de wolk er boven hing en dat de heerlijkheid van Jahwe verscheen.
Num. 17,8 Toen begaven Mozes en Ašron zich naar de tent van de samenkomst.
Num. 17,9 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 17,10 `Ga van deze gemeenschap weg, dan zal Ik hen in een oogwenk vernietigen.' Maar zij wierpen zich ter aarde.
Num. 17,11 Mozes zei tot Ašron: `Neem een vuurpan, doe er vuur van het altaar in, leg daar wierook op, ga onmiddellijk naar de gemeenschap en bewerk verzoening voor hen, want Jahwe laat zijn toorn de vrije loop en de ramp is al begonnen.'
Num. 17,12 Ašron spoedde zich op Mozes' bevel met de vuurpan naar de gemeenschap, en de ramp was inderdaad al onder het volk begonnen. Hij deed er wierook op en bewerkte voor het volk verzoening.
Num. 17,13 Hij ging tussen de doden en de levenden staan en de ramp werd gestuit.
Num. 17,14 Tengevolge van die ramp waren er veertienduizendzeven honderd doden, afgezien van degenen die door de schuld van Korach de dood gevonden hadden.
Num. 17,15 Nadat de ramp was gestuit, ging Ašron terug naar Mozes bij de tent van de samenkomst.
Num. 17,16 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 17,17 `Spreek met de IsraŽlieten en vraag van de leiders van elke stam een staf, samen twaalf staven. Schrijf ieders naam op zijn staf
Num. 17,18 op die van Levi moet gij de naam van Ašron schrijven want voor ieder stamhoofd moet er een eigen staf zijn.
Num. 17,19 Gij moet ze voor de verbondsakte neerleggen in de tent van de samenkomst, waar Ik met u samenkom.
Num. 17,20 De staf van de man die Ik uitkies, zal dan gaan bloei en. Zo zal Ik het gemor van de IsraŽlieten tegen u tot zwijgen brengen en het niet meer horen.'
Num. 17,21 Mozes sprak met de IsraŽlieten, en de leider van elke stam gaf hem een staf, er waren er twaalf, en de staf van Ašron was er ook bij.
Num. 17,22 Mozes legde ze voor het aanschijn van Jahwe in de tent met de verbondsakte.
Num. 17,23 Toen Mozes de volgende dag in de tent met de verbonds akte kwam, zag hij, dat de staf van Ašron uit de stam Levi was gaan bloeien. Hij had bloemen en blad gekregen en droeg nu amandelen.
Num. 17,24 Mozes nam al de staven bij Jahwe weg en bracht ze naar de IsraŽlieten. Toen zij het gezien hadden, kreeg ieder zijn staf terug.
Num. 17,25 Jahwe zei tot Mozes: `Breng de staf van Ašron weer bij de verbondsakte en laat hem daar blijven als waarschuwing voor de weerspannigen; dan zullen zij ophouden met hun gemor tegen Mij, zodat zij niet zullen sterven.'
Num. 17,26 Mozes deed alles wat Jahwe hem had opgedragen.
Num. 17,27 De IsraŽlieten zeiden tot Mozes: `Dat is onze onder gang! Wij zijn verloren, wij zijn allen verloren.
Num. 17,28 Wie te dicht bij de woning van Jahwe komt, vindt de dood. Dat is de ondergang van ons allen!'
 
Num. 18,1 Jahwe zei tot Ašron: Gijzelf, uw zonen en uw familie, draagt de verantwoordelijkheid voor wat in het heiligdom verkeerd wordt gedaan. Gij draagt met uw zonen de verantwoordelijkheid voor de fouten in de priesterlijke bediening.
Num. 18,2 Maar laat ook uw broeders, de stam Levi, de stam van uw vader, naderen tot de tent met de verbondsakte om zich bij u aan te sluiten en u met uw zonen behulpzaam zijn bij de tent met de verbondsakte.
Num. 18,3 Zij kunnen u helpen door dienst te doen bij de tent, maar tot de heilige voorwerpen en het altaar mogen zij niet naderen, want dat zal de dood betekenen voor hen en voor u.
Num. 18,4 Zij moeten zich bij u aansluiten en een taak volbrengen bij de tent van de samenkomst naar gelang de dienst het vraagt. Een onbevoegde mag u niet komen helpen.
Num. 18,5 De taak bij het heiligdom en bij het altaar moet gijzelf blijven vervullen; dan zal geen toorn de IsraŽlieten treffen.
Num. 18,6 Bij dezen zonder Ik uw broeders, de levieten, van de IsraŽlieten af. Zij zijn aan Jahwe afgestaan om dienst te doen bij de tent van de samenkomst en zij staan tot uw beschikking.
Num. 18,7 Maar gij met uw zonen moet alle priesterlijke handelingen aan het altaar en achter voor voorhangsel verrichten. Daar ligt uw werk. Uw priesterlijke taak is een geschenk dat Ik u geef. De onbevoegde die er zich in mengt, moet gedood worden.
Num. 18,8 Jahwe zei tot Ašron: De zorg voor mijn aandeel in alle heilige gaven van de IsraŽlieten vertrouw Ik u bij dezen toe. Ik schenk die aan u en uw zonen als een blijvend recht, op grond van uw zalving.
Num. 18,9 Van de hoogheilige gaven, voorzover zij niet verbrand worden, is het volgende voor u: al de meeloffers, de zondeoffers en de schuldoffers die men Mij teruggeeft; als hoogheilig komen zij u en uw zonen toe,
Num. 18,10 en als hoogheilig moet gij ze eten. Alle mannelijke personen mogen ervan eten en gij moet ze als heilig behandelen.
Num. 18,11 Gij krijgt ook dit nog. Van alle gaven van de IsraŽlieten die met uitgestrekte handen worden aangeboden geef Ik een vast deel aan u, aan uw zonen en aan uw dochters, als een blijvend recht. Ieder van uw huisgenoten mag daarvan eten, als hij maar rein is.
Num. 18,12 Het beste van de olie en het beste van de most en het koren, het puik van alles wat zij aan Jahwe afstaan, Ik geef het allemaal aan u.
Num. 18,13 De eerstelingen van al hun veldvruchten zijn voor u. Ieder van uw huisgenoten mag ervan eten, als hij maar rein is.
Num. 18,14 Alwat in IsraŽl door de ban gewijd is, is voor u.
Num. 18,15 Alle eerstgeborenen van mens of dier die men Jahwe aanbiedt, zijn voor u. Maar de eerstgeborene van de mensen moet gij steeds laten loskopen; ook het eerstgeborene van onreine dieren moet gij laten loskopen.
Num. 18,16 Zodra de eerstgeborene een maand oud is, moet gij hem laten loskopen voor een bedrag van vijf sikkel zilver in heilige munt, twintig gera de sikkel.
Num. 18,17 Maar het eerstgeborene van een rund, schaap of geit moogt gij niet laten loskopen, want zij zijn heilig. Hun bloed moet gij op het altaar sprenkelen en hun vet in rook doen opgaan als een offer, als een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 18,18 Het vlees van die dieren is voor u, evenals de borst die gij Mij aanbiedt, en de rechterschenkel.
Num. 18,19 Van alle heilige gaven geef Ik u, uw zonen en uw dochters een vast deel als een blijvend recht. Het geldt bij Jahwe als een altijddurend verbond met zout bekrachtigd, voor u en evenzo voor uw nageslacht.
Num. 18,20 Jahwe zei tot Ašron: Gij zult geen grondbezit hebben en geen deel van het land krijgen zoals zij; Ik ben uw aandeel en uw bezit onder de IsraŽlieten.
Num. 18,21 Aan de levieten ken Ik bij deze alle tienden in IsraŽl als eigendom toe, om het werk te belonen dat zij verrichten bij de tent van de samenkomst.
Num. 18,22 De IsraŽlieten immers mogen de tent van de samenkomst niet meer naderen, want dan zouden zij schuld op zich laden en sterven.
Num. 18,23 Het werk bij de tent van de samenkomst moet door de levieten gedaan worden. Zij dragen daarvoor de verantwoordelijkheid. Dit is een eeuwige wet voor al uw geslachten. Grondbezit onder de IsraŽlieten zullen de levieten niet krijgen.
Num. 18,24 De tiende die de IsraŽlieten aan Jahwe afdragen, ken Ik hun als eigendom toe. Daarom heb Ik bepaald, dat zij geen eigen stuk grond krijgen, zoals de overige IsraŽlieten.
Num. 18,25 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 18,26 Zeg aan de levieten: Wanneer gij van de IsraŽlieten de tiende ontvangt, die Ik u als eigendom heb toegekend, dan moet gij daarvan een vast deel aan Jahwe afdragen, een tiende van de tiende.
Num. 18,27 Het aandeel dat gij afdraagt, zal op een lijn gesteld worden met de tiende van het koren van de dorsvloer en van de inhoud van de perskuip.
Num. 18,28 Zo moet ook gij van al de tienden die gij van de IsraŽlieten ontvangt, uw deel aan Jahwe afdragen. Gij moet dat deel voor Jahwe aan de priester Ašron geven.
Num. 18,29 Van de beste stukken die u gegeven worden, moet gij een vast deel als heilige gave aan Jahwe afdragen.
Num. 18,30 Zeg hun: wanneer gij, levieten, de beste stukken af draagt, zullen die op een lijn gesteld worden met het beste van de opbrengst van dorsvloer en perskuip.
Num. 18,31 Op alle plaatsen moogt gij met uw gezinnen de tienden eten, want het is uw loon, een vergoeding voor uw werk bij de tent van de samenkomst,
Num. 18,32 en wanneer gij dan de beste stukken daarvan afdraagt, treft u in dezen geen schuld. Dan ontwijdt gij de heilige gaven van de IsraŽlieten niet en zult gij niet sterven.
 
Num. 19,1 Jahwe sprak tot Mozes en Ašron:
Num. 19,2 Jahwe geeft het volgende wettelijke voorschrift: Zeg aan de IsraŽlieten, dat zij u een gave rode koe brengen, zonder enig gebrek, die nog geen juk heeft gedragen.
Num. 19,3 Gij moet ze aan de priester Eleazar geven; ze wordt buiten het kamp gebracht en in zijn tegenwoordigheid geslacht.
Num. 19,4 De priester Eleazar doopt dan zijn vinger in het bloed van de koe en sprenkelt zevenmaal in de richting van de voorzijde van de tent van de samenkomst.
Num. 19,5 Daarna wordt de koe voor zijn ogen verbrand met huid, vlees, bloed en darmen.
Num. 19,6 De priester werpt cederhout, hysop en karmozijn in het vuur waarin de koe verbrand wordt.
Num. 19,7 Dan wast de priester zijn kleren, maar tot de avond blijft hij onrein.
Num. 19,8 Ook degene die de koe verbrand heeft, moet zijn kleren wassen en een bad nemen, maar hij blijft tot de avond onrein.
Num. 19,9 Iemand die rein is, moet de as van de koe verzamelen en op een reine plaats buiten het kamp leggen. Die as moet bewaard blijven om er reinigingswater mee te maken voor de gemeenschap van de IsraŽlieten. De koe heeft als een zondeoffer gediend.
Num. 19,10 Degene die de as van de koe verzameld heeft, moet zijn kleren wassen en blijft tot de avond onrein. Dat is voor de IsraŽliet en voor de vreemdeling die bij u woont, een blijvende wet.
Num. 19,11 Wie het lijk van een mens aanraakt is zeven dagen onrein.
Num. 19,12 Op de derde en op de zevende dag moet hij zich met reinigingswater zuiveren; daarna is hij weer rein. Zuivert hij zich niet op de derde en de zevende dag, dan wordt hij niet rein.
Num. 19,13 Ieder die een dode, het lijk van een mens, aanraakt en zich niet zuivert, verontreinigt de woning van Jahwe. Die persoon moet uit IsraŽl worden verwijderd. Omdat hij niet met het reinigingswater is besprenkeld, is en blijft hij onrein.
Num. 19,14 Aldus luidt de wet: Wanneer iemand in een tent sterft, wordt ieder die de tent binnengaat of zich daarin bevindt, voor zeven dagen onrein.
Num. 19,15 Alle open vaten die niet met een deksel zijn afgesloten, worden onrein.
Num. 19,16 Ieder die in het open veld iemand aanraakt die vermoord of gestorven is, wie mensenbeenderen of een graf aanraakt, wordt voor zeven dagen onrein.
Num. 19,17 Men moet wat stof van de verbrande koe nemen, het in een vat doen en daarop bronwater gieten.
Num. 19,18 Een man die rein is, moet een hysoptakje in dat water dopen, daarmee de tent besprenkelen en ook de vaten en de mensen die erin waren. Hetzelfde doet hij met hem die met beenderen, met een vermoorde, met een gestorvene of met een graf in aanraking is geweest.
Num. 19,19 De reine moet de onreine op de derde en de zevende dag besprenkelen. Nadat hij hem op de zevende dag gezuiverd heeft, moet hij zijn kleren wassen en een bad nemen. `s Avonds is hij weer rein.
Num. 19,20 Iemand die onrein wordt, maar zich niet zuivert, moet uit de gemeenschap verwijderd worden, omdat hij het heiligdom van Jahwe verontreinigt. Omdat hij niet met het reinigingswater is besprenkeld, blijft hij onrein.
Num. 19,21 Dit is voor hen een blijvende wet. Wie het reinigingswater sprenkelt, moet zijn kleren reinigen; wie het reinigingswater aanraakt is tot de avond onrein.
Num. 19,22 Alles wat de onreine aanraakt, wordt onrein en degene die ermee in aanraking komt, is tot de avond onrein.
 
Num. 20,1 In de eerste maand kwam heel de gemeenschap van de IsraŽlieten in de woestijn Sin. Tijdens het verblijf van het volk in Kades overleed Mirjam en werd ter plaatse begraven.
Num. 20,2 Eens was er geen water voor de gemeenschap. Het volk liep toen te hoop tegen Mozes en Ašron
Num. 20,3 en begon Mozes verwijten te doen. Zij zeiden: `Waren wij maar door ingrijpen van Jahwe gestorven zoals onze broeders!
Num. 20,4 Hebt u de gemeente van Jahwe naar deze woestijn geleid om er mens en dier de dood te laten vinden?
Num. 20,5 Waarom hebt u ons uit Egypte geleid naar dit ellendig oord waar geen koren is, geen vijg, geen wijnstok, geen granaat appel, en zelfs geen water?'
Num. 20,6 Toen verwijderden Mozes en Ašron zich van de gemeente en gingen naar de ingang van de tent van de samenkomst en wierpen zich ter aarde. De heerlijkheid van Jahwe verscheen hun
Num. 20,7 en Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 20,8 `Neem de staf en roep met uw broer Ašron de gemeenschap bijeen. Gij moet in hun bijzijn de rots gebieden water te geven; dan zult gij uit die rots water doen stromen en de gemeenschap en het vee laten drinken.'
Num. 20,9 Mozes nam de staf uit het heiligdom, zoals Jahwe hem gezegd had.
Num. 20,10 Toen riepen Mozes en Ašron de gemeente voor de rots bijeen. Mozes zei tot hen: `Luistert, weerspanningen! Zullen wij voor mensen als jullie water uit deze rots laten stromen?'
Num. 20,11 Mozes hief zijn hand op en sloeg met zijn staf op de rots, tweemaal: toen stroomde er volop water uit zodat de gemeen schap en het vee konden drinken.
Num. 20,12 Maar Jahwe zei tot Mozes en Ašron: `Uw vertrouwen op Mij is niet zo groot geweest, dat gij tegenover de IsraŽlieten mijn heiligheid hebt hooggehouden. Daarom zult gij deze gemeente niet binnenleiden in het land, dat Ik hun gegeven heb.'
Num. 20,13 Dat water is het water van Meriba, waar de IsraŽlieten Jahwe verwijten deden en Hij bij hen zijn heiligheid openbaarde.
Num. 20,14 Van Kades uit zond Mozes boden naar de koning van Edom met de boodschap: `Zo spreekt uw broeder IsraŽl. U kent alle wederwaardigheden die ons zijn overkomen.
Num. 20,15 Onze voorouders zijn naar Egypte getrokken en wij hebben daar lange tijd gewoond. Maar de Egyptenaren hebben ons, evenals onze voorouders, slecht behandeld.
Num. 20,16 Toen hebben wij tot Jahwe geroepen en heeft Hij ons verhoord. Hij zond een engel en voerde ons uit Egypte. Nu zijn wij in Kades, een stad aan de grens van uw gebied.
Num. 20,17 Sta ons toe door uw land te trekken. Wij zullen niet door uw akkers en wijngaarden trekken en uit uw putten geen water drinken. Wij zullen de koninklijke weg houden, zonder naar rechts of links af te wijken, tot wij door uw gebied heen zijn.'
Num. 20,18 Maar Edom zei hem: `Ik verleen u geen doortocht door mijn gebied. Trekt u er toch door dan kom ik met het zwaard op u af.'
Num. 20,19 De IsraŽlieten zeiden: `Wij zullen de grote weg houden. Mochten wij of ons vee water nodig hebben, dan zullen wij u daarvoor betalen. Het enige dat wij van u vragen is dat wij te voet door uw land mogen trekken.'
Num. 20,20 Maar Edom antwoordde: `Ik verleen u geen doortocht.' Hij kwam met een talrijk leger en een sterke macht op IsraŽl af.
Num. 20,21 Toen Edom geen doortocht verleende, trok IsraŽl van zijn gebied weg.
Num. 20,22 Heel de gemeenschap van de IsraŽlieten vertrok van Kades en kwam bij de berg Hor.
Num. 20,23 Bij de berg Hor, aan de grens van Edom, zei Jahwe tot Mozes en Ašron:
Num. 20,24 `Aaron zal met zijn voorvaderen verenigd worden. Hij zal het land dat Ik aan de IsraŽlieten schenk niet binnengaan, omdat gij u bij het water van Meriba allebei tegen mijn bevel hebt verzet.
Num. 20,25 Ga met Ašron en zijn zoon Eleazar de berg Hor op.
Num. 20,26 Daar moet gij Ašron zijn gewaden laten afleggen en er zijn zoon Eleazar mee bekleden. Ašron zal daar met zijn voorvaderen verenigd worden en sterven.'
Num. 20,27 Mozes deed wat Jahwe bevolen had. Ten aanschouwen van heel de gemeenschap gingen zij de berg Hor op.
Num. 20,28 Mozes liet Ašron zijn gewaden afleggen en bekleedde er diens zoon Eleazar mee. Daar, op de top van de berg, overleed Ašron. Toen Mozes en Eleazar van de berg naar beneden kwamen,
Num. 20,29 begreep heel de gemeenschap dat Ašron overleden was. Heel het huis van IsraŽl beweende Ašron dertig dagen.
 
Num. 21,1 De Kanašnieten in de Negeb, met name de koning van Arad, hoorden dat de IsraŽlieten langs de weg naar Atarim oprukten. Zij vielen hen aan en namen enigen van hen gevangen.
Num. 21,2 Toen deed IsraŽl Jahwe deze belofte: `Als Gij mij dit volk uitlevert, zal ik hun steden met de ban slaan.'
Num. 21,3 Jahwe verhoorde het gebed van IsraŽl en leverde de Kanašnieten aan hen uit. IsraŽl sloeg de ban aan hen en aan hun steden. Men noemde die plaats Chorma.
Num. 21,4 Van de berg Hor trokken zij in de richting van de Riet zee, want zij wilden om Edom heentrekken. Maar onderweg werd het volk ongeduldig.
Num. 21,5 Het keerde zich tegen God en tegen Mozes: `Hebt u ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn? Er is geen brood, er is geen water en dat minderwaardige eten staat ons tegen.'
Num. 21,6 Toen zond Jahwe giftige slangen op het volk af. Deze beten de IsraŽlieten en velen van hen vonden de dood.
Num. 21,7 Nu kwam het volk naar Mozes en zei: `Wij hebben gezondigd, want wij hebben ons tegen Jahwe en tegen u gekeerd. Bid Jahwe, dat Hij die slangen van ons wegneemt.' Toen bad Mozes voor het volk
Num. 21,8 en Jahwe zei tot hem: `Maak zo'n giftige slang en zet die op een paal. Iedereen die gebeten is en er naar opziet, zal in leven blijven.'
Num. 21,9 Mozes maakte een bronzen slang en zette die op een paal. Ieder die door een slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte, bleef in leven.
Num. 21,10 De IsraŽlieten trokken verder en sloegen hun kamp op te Obot.
Num. 21,11 Van Obot trokken zij verder en sloegen hun kamp op te Ijje-haabarim, in de woestijn ten oosten van Moab.
Num. 21,12 Vandaar trokken zij verder en sloegen hun kamp op in het dal van de Zered.
Num. 21,13 Vandaar trokken zij verder en sloegen hun kamp op aan de overkant van de Arnon, die door de woestijn stroomt en uit het gebied van de Amorieten komt; de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en de Amorieten.
Num. 21,14 Daarom wordt in het boek van de oorlogen van Jahwe gezegd: Waheb in Sufa, het dal van de Arnon,
Num. 21,15 de helling die loopt tot Ar en leunt tegen de grens van Moab.
Num. 21,16 Vandaar naar Beer. Dat is de put waarbij Jahwe tot Mozes zei: `Roep het volk bijeen, dan zal Ik hun water geven.'
Num. 21,17 Toen zong IsraŽl dit lied: Geef water, put! Laten wij hem bezingen
Num. 21,18 de put, gedolven door vorsten, gegraven door de groten van het volk, met scepter en met staf. Van de woestijn trokken zij naar Mattana,
Num. 21,19 van Mattana naar NachaliŽl, van NachaliŽl naar Bamot,
Num. 21,20 van Bamot naar het dal in Moab, bij de top van de Pisga, die de Jordaanvallei beheerst.
Num. 21,21 Toen zond IsraŽl boden naar Sichon, de koning van de Amorieten, met het verzoek:
Num. 21,22 `Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet van de weg afgaan; wij zullen niet op uw akkers en wijngaarden komen en uit uw putten geen water drinken; wij zullen de koninklijke weg houden tot wij door uw gebied heen zijn.'
Num. 21,23 Maar Sichon verleende IsraŽl geen doortocht door zijn gebied. Hij verzamelde heel zijn leger en trok de woestijn in, IsraŽl tegemoet. Bij Jahas viel hij IsraŽl aan.
Num. 21,24 Maar IsraŽl versloeg hem met het zwaard en nam zijn land in bezit van de Arnon tot aan de Jabbok, tot aan de Ammonitische grens, want die was versterkt.
Num. 21,25 IsraŽl nam al de steden van de Amorieten in en vestigde zich daar, ook in Chesbon en al haar onderhorige steden.
Num. 21,26 Chesbon was de stad van Sichon, de koning van de Amorieten, die oorlog had gevoerd met de vorige koning van Moab en hem al zijn land tot aan de Arnon had ontnomen.
Num. 21,27 Daarom zeggen de dichters: Kom naar Chesbon. Laat Sichons stad herbouwd en versterkt worden.
Num. 21,28 Want een vuur is uit Chesbon geslagen, een vlam uit de stad van Sichon; de steden van Moab heeft zij verteerd en de heersers van de hoogten de Arnon.
Num. 21,29 Wee u, Moab! Verloren zijt gij, volk van Kemos! Vluchten moesten zijn zonen, zijn dochters werden buitgemaakt door Sichon, de koning van de Amorieten.
Num. 21,30 Toen wij hen met pijlen beschoten, ging alles verloren, van Chesbon tot Dibon. Verwoesting richtten wij aan tot Nofach, in heel de streek van Medeba.
Num. 21,31 IsraŽl vestigde zich in het land van de Amorieten.
Num. 21,32 Mozes liet Jazer verkennen. Zij namen haar onderhorige steden in en verdreven de Amorieten die er woonden.
Num. 21,33 Daarna sloegen zij de weg in naar Basan. Maar Og, de koning van Basan, rukte met heel zijn leger tegen hen uit om slag te leveren bij Edrei.
Num. 21,34 Jahwe zei tot Mozes: `Vrees hem niet, want Ik lever hem aan u uit met heel zijn leger en zijn land. Gij moet hem op dezelfde wijze behandelen als Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon woonde.'
Num. 21,35 Zij versloegen hem met zijn zonen en heel zijn leger tot de laatste man en namen zijn land in bezit.
 
Num. 22,1 De IsraŽlieten trokken verder en sloegen hun kamp op in de vlakte van Moab, aan de overkant van de Jordaan bij Jericho.
Num. 22,2 Balak, de zoon van Sippor, had alles gezien wat IsraŽl met de Amorieten gedaan had.
Num. 22,3 Moab was zeer bevreesd, omdat het volk zo talrijk was. In zijn angst voor de IsraŽlieten
Num. 22,4 zei Moab tegen de oudsten van Midjan: `Nu gaat die mensenmassa onze hele omgeving afgrazen, zoals de runderen het groen van het veld afgrazen.' Balak, de zoon van Sippor, was koning van Moab in die tijd.
Num. 22,5 Hij zond gezanten naar Petor aan de Eufraat in het land van de Amawieten, om Bileam, de zoon van Beor, te ontbieden. Zij moesten zeggen: `Er is uit Egypte een volk gekomen; het hele land ziet er zwart van, en dat volk ligt nu aan mijn grenzen.
Num. 22,6 Kom naar mij toe en vervloek dat volk, want het is machtiger dan ik. Misschien kan ik het dan verslaan en uit het land verdrijven. Ik weet immers: wie gij zegent, is gezegend en wie gij vervloekt, is vervloekt.'
Num. 22,7 De oudsten van Moab en de oudsten van Midjan gingen op weg met het loon voor de ziener bij zich. Zij kwamen bij Bileam en brachten hem het verzoek van Balak over.
Num. 22,8 Hij zei tot hen: `U moet hier eerst overnachten: daarna zal ik u meedelen wat Jahwe mij zegt.' De aanzienlijke mannen van Moab overnachtten dus bij Bileam.
Num. 22,9 Toen kwam God tot Bileam en zei: `Wie zijn die mannen in uw huis?'
Num. 22,10 Bileam zei tot God: `Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, heeft mij laten berichten:
Num. 22,11 Een volk dat uit Egypte gekomen is, overdekt het hele land. Kom dus en spreek er een vloek over uit. Misschien kan ik het dan bestrijden en verdrijven.'
Num. 22,12 Maar God zei tot Bileam: `Gij moogt niet met hen meegaan. Gij moogt dat volk niet vervloeken, want het is gezegend.'
Num. 22,13 De volgende morgen zei Bileam tot de afgezanten van Balak: `U moet naar uw land terugkeren. Jahwe geeft mij geen toestemming om met u mee te gaan.'
Num. 22,14 De aanzienlijke mannen van Moab gingen dus op weg en toen ze bij Balak kwamen, zeiden ze: `Bileam heeft geweigerd met ons mee te gaan.'
Num. 22,15 Opnieuw zond Balak aanzienlijke mannen, talrijker en voornamer dan de eerste.
Num. 22,16 Zij kwamen bij Bileam en zeiden tot hem: `Zo spreekt Balak, de zoon van Sippor: Laat u toch niet weerhouden naar mij toe te komen!
Num. 22,17 Ik zal u rijk belonen en alles doen wat u zegt. Kom toch en vervloek voor mij dat volk.'
Num. 22,18 Maar Bileam gaf de dienaren van Balak ten antwoord: `Al gaf Balak mij al het zilver en goud van zijn huis, het bevel van Jahwe kan ik in geen geval overtreden.
Num. 22,19 Maar ook u moet hier blijven overnachten. Dan kan ik vernemen wat Jahwe mij verder te zeggen heeft.'
Num. 22,20 In die nacht kwam God tot Bileam en zei hem: `Nu deze mannen u zijn komen ontbieden, kunt gij met hen meegaan, maar gij moogt alleen doen wat Ik u zeg.'
Num. 22,21 De volgende morgen zadelde Bileam zijn ezelin en ging met de aanzienlijke mannen van Moab mee.
Num. 22,22 Toen hij vertrok, ontstak God in toorn. De engel van Jahwe ging op de weg staan om hem tegen te houden. Terwijl hij op zijn ezelin voortreed met zijn twee knechten,
Num. 22,23 zag de ezelin de engel van Jahwe, met getrokken zwaard in de hand, op de weg staan. Toen ging zij van de weg af, het veld in. Bileam sloeg de ezelin weer de weg op.
Num. 22,24 Nu ging de engel van Jahwe in een holle weg staan, die tussen de wijngaarden lag, met aan weerszijden een muur.
Num. 22,25 Toen de ezelin de engel van Jahwe zag, drukte zij zich tegen de muur en daarbij raakte de voet van Bileam bekneld. Hij sloeg haar opnieuw.
Num. 22,26 Nogmaals ging de engel van Jahwe een eind verder en hield stil op een plek die zo nauw was, dat men rechts noch links kon.
Num. 22,27 Toen de ezelin de engel van Jahwe zag, ging zij met Bileam in het zadel op de grond liggen. Bileam werd woedend en sloeg de ezelin met een stok.
Num. 22,28 Nu liet Jahwe de ezelin spreken. Zij zei tot Bileam: `Waaraan heb ik het verdiend, dat je mij nu al driemaal geslagen hebt?'
Num. 22,29 Bileam zei tot de ezelin: `Omdat je mij belachelijk maakt. Het is maar goed dat ik geen zwaard in mijn hand had, want dan had ik je gedood!'
Num. 22,30 Toen zei de ezelin tot Bileam: `Ben ik niet de ezelin op wie je heel je leven tot nu toe gereden hebt? Heb ik jou ooit zo behandeld?' Hij antwoordde: `Neen.'
Num. 22,31 Toen opende Jahwe de ogen van Bileam en deze zag de engel met het getrokken zwaard in de hand op de weg staan. Toen knielde Bileam neer en wierp zich ter aarde.
Num. 22,32 De engel van Jahwe zei hem: `Waarom hebt gij die ezelin van u tot driemaal toe geslagen? Ik ben gekomen om u tegen te houden, want Ik zie dat deze onderneming verkeerd afloopt.
Num. 22,33 De ezelin zag Mij en ging Mij driemaal uit de weg. Had zij dat niet gedaan, dan had Ik u gedood en haar in leven gelaten.'
Num. 22,34 Bileam zei tot de engel van Jahwe: `Ik heb verkeerd gedaan. Ik wist immers niet, dat Gij tegenover mij op de weg stond. Als Gij vindt, dat ik verkeerd doe, dan ga ik terug.'
Num. 22,35 Maar de engel van Jahwe zei tot Bileam: `Ga met die mannen mee, maar zeg alleen wat Ik u zeggen zal.' Zo ging Bileam met de afgezanten van Balak mee.
Num. 22,36 Toen Balak hoorde dat Bileam in aantocht was, ging hij hem tegemoet tot de stad in Moab die aan de uiterste rand van het gebied van de Arnon lag.
Num. 22,37 Balak zei tot Bileam: `Ik had toch gezanten gezonden om u te ontbieden! Waarom bent u dan niet naar mij toe gekomen? Dacht u soms dat ik u niet kon belonen?'
Num. 22,38 Maar Bileam zei tot Balak: `Ik ben nu wel naar u toe gekomen, maar ik weet niet, of ik iets zal kunnen zeggen. Wat Jahwe mij in de mond legt, dat zal ik zeggen.'
Num. 22,39 Bileam ging met Balak mee en zij kwamen te Kirjat-chusot.
Num. 22,40 Balak offerde runderen en schapen en liet er stukken van brengen naar Bileam en de aanzienlijke mannen die bij hem waren.
Num. 22,41 De volgende morgen ging Balak met Bileam de Bamot-baal op, vanwaar hij een deel van het volk kon zien.
 
Num. 23,1 Toen zei Bileam tot Balak: `Bouw hier voor mij zeven altaren en maak hier zeven stieren en zeven rammen gereed voor een offer.'
Num. 23,2 Balak deed wat Bileam gezegd had en offerde - met Bileam - een stier en een ram op elk altaar.
Num. 23,3 Nu zei Bileam tot Balak: `Blijf bij uw brandoffer staan, terwijl ik heenga. Misschien treedt Jahwe mij tegemoet. Wat Hij mij zal laten zien, zal ik u meedelen.' Bileam ging daarop naar een eenzame plaats.
Num. 23,4 Daar openbaarde God zich aan hem. Bileam zei tot Hem: `Zeven altaren heb ik laten oprichten en op elk altaar een stier en een ram laten offeren.'
Num. 23,5 Toen legde Jahwe een woord in de mond van Bileam en zei: `Keer naar Bala terug en breng hem over wat Ik u gezegd heb.'
Num. 23,6 Toen Bileam terugkwam, stond Balak met al de aanzienlijke mannen van Moab nog bij het brandoffer.
Num. 23,7 Bileam hief het volgende lied aan en sprak: Uit Aram ben ik door Balak ontboden, van de bergen in het Oosten door de koning van Moab: Kom! Vervloek voor mij Jakob, kom en verwens IsraŽl.
Num. 23,8 Hoe kan ik vervloeken, waar God niet vervloekt? Hoe kan ik verwensen, waar God niet verwenst?
Num. 23,9 Van de top van de rotsen af zie ik het, van de heuvels af neem ik het waar, een volk dat niet bij de andere volken woont en zich niet beschouwt als een van hen.
Num. 23,10 Wie telt die stofwolk, die Jakob is, of wie becijfert maar een kwart van IsraŽl? Ik zou willen sterven als die recht vaardigen, een einde vinden als zij.
Num. 23,11 Toen zei Balak tot Bileam: `Wat hebt u mij nu gedaan! Ik heb u gehaald om mijn vijanden te vervloeken en nu hebt u een loflied over hen gezongen!'
Num. 23,12 Bileam antwoordde: `Moet mijn enige zorg niet zijn te zeggen wat Jahwe mij in de mond legt?'
Num. 23,13 Hierop zei Balak tot hem: `Kom dan met mij mee naar een andere plaats waar u hen kunt zien, wel niet het hele volk maar toch een deel; en van die plaats af moet gij het dan vervloeken.'
Num. 23,14 Hij nam hem mee naar het Spiedersveld op de top van de Pisga, bouwde zeven altaren en offerde op elk altaar een stier en een ram.
Num. 23,15 Bileam zei tot Balak: `Blijf hier bij uw brandoffer staan, terwijl ik ginds een nieuwe ontmoeting afwacht.'
Num. 23,16 Jahwe trad Bileam tegemoet, legde hem een woord in de mond en zei: `Keer terug en breng hem over wat Ik u gezegd heb.'
Num. 23,17 Toen Bileam bij Balak kwam, stond deze met de aanzienlijke mannen van Moab nog bij het brandoffer. Balak vroeg hem: `Wat heeft Jahwe gezegd?'
Num. 23,18 Toen hief Bileam het volgende lied aan: Wees aandachtig, Balak, en luister, wend uw oor naar mij, zoon van Sippor,
Num. 23,19 God is geen mens, Hij liegt niet, geen mensenkind, Hij krijgt van zijn woord geen spijt. Hij zou zeggen en niet doen? Hij beloven en niet volbrengen?
Num. 23,20 Hij heeft mij bevolen te zegenen en geeft Hij zegen, dan keer ik die niet.
Num. 23,21 Geen onheil valt te ontwaren bij Jakob, geen ramp is te zien bij IsraŽl. Jahwe, zijn God, is met hem. Hij is de koning die IsraŽl toejuicht.
Num. 23,22 Hij is de God, die hen uit Egypte gevoerd heeft, Hij is voor hen als de horens van een buffel.
Num. 23,23 Geen bezwering heeft kracht tegen Jakob, geen waarzeg gerij tegen IsraŽl. Nu is het de tijd dat Jakob verneemt, dat IsraŽl hoort wat God met hen voor heeft.
Num. 23,24 Hier is een volk dat zich opricht als een leeuw en zich verheft als de koning der dieren. Hij rust niet voor hij zijn buit heeft verslonden en het bloed van zijn prooi heeft gedronken.
Num. 23,25 Nu zei Balak tot Bileam: `Als u niet wilt vervloeken, zegen dan tenminste niet!'
Num. 23,26 Maar Bileam antwoordde Balak: `Ik heb u toch gezegd, dat ik alles zou doen wat Jahwe mij opdraagt!'
Num. 23,27 Balak zei tot Bileam: `Kom, ik neem u mee naar een andere plaats. Misschien behaagt het God, dat u vanaf die plaats het volk vervloekt.'
Num. 23,28 Balak nam Bileam mee naar de top van de Peor, die de Jordaanvallei beheerst.
Num. 23,29 Bileam zei tot Balak: `Bouw hier zeven altaren en maak hier zeven stieren en zeven rammen gereed.'
Num. 23,30 Balak deed wat Bileam gezegd had en offerde op elk altaar een stier en een ram.
 
Num. 24,1 Bileam begreep, dat het Jahwe behaagde IsraŽl te zegenen. Daarom ging hij niet zoals de vorige keren op aanwijzingen uit, maar keerde hij zich in de richting van de woestijn.
Num. 24,2 Toen hij de ogen opsloeg en IsraŽl stam bij stam gelegerd zag, kwam de geest van God over hem.
Num. 24,3 Hij hief het volgende lied aan: Dit is het orakel van Bileam, zoon van Beor, het orakel van de man die geheimen mocht zien,
Num. 24,4 de godsspraak van hem die God hoort spreken, die schouwt wat de Almachtige ontsluiert, en in extase openbaringen ontvangt.
Num. 24,5 Hoe schoon zijn uw tenten, Jakob, hoe mooi uw woningen, IsraŽl:
Num. 24,6 als dalen liggen zij uitgespreid, als tuinen langs een rivier, als aloŽbomen door Jahwe geplant, als ceders die staan aan het water.
Num. 24,7 Zijn emmers stromen over van water; wat hij zaait wordt volop bevloeid. Zijn koning komt hoger dan Agag; zijn koningschap zal zich verheffen.
Num. 24,8 De God die hem uit Egypte geleid heeft, is voor hem als een buffel met opgestoken horens. Vijandige volken verslindt hij, verbrijzelt hun beenderen, breekt hun lenden.
Num. 24,9 Hij vleit zich neer als een roofdier; hij ligt als de koning der dieren; wie durft hem te wekken? Gezegend die u zegenen, vervloekt die u vervloeken.
Num. 24,10 Nu werd Balak woedend op Bileam. Hij sloeg zijn handen tegen elkaar en zei: `Ik heb u gehaald om mijn vijanden te vervloeken en nu hebt u al driemaal zegenwoorden uitgesproken.
Num. 24,11 Maak dat u wegkomt, terug naar uw land. Ik had beloofd u rijk te belonen, maar Jahwe is schuld dat de beloning u ontgaat.'
Num. 24,12 Toen zei Bileam tot Balak: `Ik had toch al tegen uw gezanten gezegd:
Num. 24,13 `Al gaf Balak mij al het zilver en goud van zijn huis, het bevel van Jahwe kan ik in geen geval overtreden. Ik kan alleen zeggen wat Jahwe zegt.
Num. 24,14 Goed, ik ga weer naar mijn land, maar eerst ga ik u meedelen, wat dit volk in de toekomst uw volk zal aandoen.'
Num. 24,15 Toen hief hij het volgende lied aan. Dit is de godsspraak van Bileam, zoon van Beor, de godsspraak van de man die geheimen mocht zien,
Num. 24,16 de godsspraak van hem die God hoort spreken, die weet wat de Allerhoogste weet, die schouwt wat de Almachtige ontsluiert en in vervoering openbaringen ontvangt.
Num. 24,17 Ik zie hem, maar niet in het heden, ik aanschouw hem, maar niet van nabij; een ster komt op uit Jakob, een scepter rijst op uit IsraŽl. Hij verbrijzelt de slapen van Moab, de schedel van al de zonen van Set.
Num. 24,18 Edom zal een wingewest zijn, een wingewest Seir, zijn vijand, maar IsraŽl zal macht ontplooien,
Num. 24,19 Een die uit Jakob komt, zal heersen, hij verdelgt wie ontsnapt was uit Ar.
Num. 24,20 Toen hij Amalek zag, hief hij dit lied aan: Amalek staat onder de volken vooraan, toch gaat hij ten slotte te gronde,
Num. 24,21 Toen hij de Kenieten zag, hief hij dit lied aan: Uw zetel mag vast zijn en sterk, uw nest gebouwd op een rots,
Num. 24,22 toch wordt gij weggevaagd, Kain! Weldra sleept Assur u weg.
Num. 24,23 Ook het volgende lied hief hij nog aan: Helaas, wie blijft er in leven, als God zijn plannen volvoert?
Num. 24,24 Van de kust van de Kittiers komen de schepen; zij vernederen Assur, vernederen Eber. Ook zij gaan te gronde.
Num. 24,25 Toen ging Bileam terug naar zijn woonplaats; ook Balak ging zijns weegs.
 
Num. 25,1 Toen IsraŽl in Sittim verbleef, begon het volk ontucht te plegen met Moabitische vrouwen,
Num. 25,2 die het volk uitnodigden op de offers van hun goden. Het volk nam daaraan deel en boog zich voor haar goden neer.
Num. 25,3 Zo gaf IsraŽl zich af met Bašl-peor en ontstak Jahwe in toorn tegen IsraŽl.
Num. 25,4 Hij zei tot Mozes: `Grijp alle leiders van het volk en steek ze op klaarlichte dag voor Jahwe aan palen; dan zal de gloed van zijn toorn zich van IsraŽl afwenden.'
Num. 25,5 Mozes zei tot de rechters van IsraŽl: `Ieder moet diegenen van zijn mannen doden die zich met Bašl-peor hebben afgegeven.'
Num. 25,6 Terwijl Mozes en heel de gemeenschap bij de tent van de samenkomst weeklaagden, zagen zij hoe een IsraŽliet met een Midjanitische vrouw naar hen toekwam.
Num. 25,7 Toen Pinechas, zoon van Eleazar, de zoon van de priester Ašron, dit zag, verliet hij de gemeenschap, greep een lans,
Num. 25,8 ging de IsraŽliet tot in het slaapvertrek achterna en stak hem en de vrouw door het onderlijf. Toen week de plaag van de IsraŽlieten.
Num. 25,9 Tengevolge van die plaag waren er vierentwintigduizend doden.
Num. 25,10 Jahwe zei tot Mozes:
Num. 25,11 `Pinechas, zoon van Eleazar, de zoon van de priester Ašron, heeft mijn toorn van de IsraŽlieten afgewend door onder hen voor Mij te ijveren, zodat Ik de IsraŽlieten niet in mijn ijverzucht verdelgd heb.
Num. 25,12 Zeg daarom: bij dezen sluit Ik met hem een verbond van vriendschap
Num. 25,13 dat hem en zijn nageslacht voor altijd het priester schap waarborgt. Hij heeft immers voor zijn God geijverd en voor de IsraŽlieten verzoening bewerkt.'
Num. 25,14 De IsraŽliet die samen met de Midjanitische vrouw gedood werd, heette Zimri. Hij was een zoon van Sallu, het hoofd van een familie uit Simeon.
Num. 25,15 De Midjanitische vrouw die gedood werd, heette Kozbi; zij was een dochter van Sur, een stamhoofd van de Midjanieten.
Num. 25,16 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 25,17 `Behandel de Midjanieten als vijanden en sla hen neer,
Num. 25,18 want zij hebben u als vijanden behandeld door de sluwe plannen die zij tegen u gesmeed hebben. Dat is in Peor gebleken en in het geval van Kozbi, de dochter van een vooraanstaand Midjaniet, hun stamgenote, die bij de plaag te Peor gedood werd.'
 
Num. 26,1 Toen de plaag voorbij was, sprak Jahwe tot Mozes en Eleazar, de zoon van de priester Ašron:
Num. 26,2 `Houd een telling van de hele gemeenschap van de IsraŽlieten, van alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, volgens hun families.'
Num. 26,3 In de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho hielden Mozes en de priester Eleazar een telling
Num. 26,4 van hen die twintig jaar waren of ouder, zoals Jahwe het aan Mozes had bevolen. Dit zijn de IsraŽlieten die uit Egypte zijn getrokken:
Num. 26,5 Ruben, de eerstgeborene van IsraŽl. De zonen van Ruben: van Chanok het geslacht van de Chanokieten; van Pallu het ge slacht van de Palluieten;
Num. 26,6 van Chesron het geslacht van de Chesronieten; van Karmi het geslacht van de Karmieten.
Num. 26,7 Dat zijn de geslachten van de Rubenieten. Zij telden drieŽnveertigduizendzevenhonderddertig ingeschrevenen.
Num. 26,8 De zonen van Pallu: Eliab;
Num. 26,9 de zonen van Eliab: NemuŽl, Datan en Abiram. Die Datan en Abiram, vooraanstaande mannen in de gemeenschap, hadden zich tegen Mozes en Ašron verzet, toen de bende van Korach in opstand kwam tegen Jahwe.
Num. 26,10 De aarde had zich toen geopend en hen verslonden, evenals Korach die met zijn aanhangers de dood had gevonden, toen het vuur tweehonderdvijftig man verteerde. Zo waren zij een waarschuwend teken geworden.
Num. 26,11 Maar de zonen van Korach waren niet omgekomen.
Num. 26,12 De zonen van Simeon met hun geslachten: van NemuŽl het geslacht van de NumuŽlieten; van Jamin het geslacht van de Jaminieten; van Jakin het geslacht van de Jakinieten;
Num. 26,13 van Zerach het geslacht van de Archieten; van Saul het geslacht van de Saulieten.
Num. 26,14 Dat zijn de geslachten van de Simeonieten: zij telden tweeŽntwintigduizendtweehonderd man.
Num. 26,15 De zonen van Gad met hun geslachten: van Sefon het geslacht van de Sefonieten; van Chaggi het geslacht van de Chaggieten; van Suni het geslacht van de Sunieten;
Num. 26,16 van Ozni het geslacht van Oznieten; van Eri het geslacht van de Erieten;
Num. 26,17 van Arod het geslacht van de Arodieten; van Areli het geslacht van de Arelieten.
Num. 26,18 Dat zijn de geslachten van de Gadieten. Zij telden veertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,19 Er en Onan waren zonen van Juda, maar Er en Onan waren in Kanašn gestorven.
Num. 26,20 De zonen van Juda met hun geslachten: van Peres het geslacht van de Parsieten; van Zerach het geslacht van de Zarchieten.
Num. 26,21 De zonen van Peres: van Chesron het geslacht van de Chesronieten; van Chamul het geslacht van de Chamulieten.
Num. 26,22 Dat zijn de geslachten van Juda: zij telden zesenzeventigduizendvijfhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,23 De zonen van Issakar met hun geslachten: van Tola het geslacht van de Tolaieten; van Puwwa het geslacht van de Punieten;
Num. 26,24 van Jasub het geslacht van Jasubieten; van Simron het geslacht van de Simronieten.
Num. 26,25 Dat zijn de geslachten van Issakar: zij telden vieren zestigduizenddriehonderd ingeschrevenen.
Num. 26,26 De zonen van Zebulon met hun geslachten: van Sered het geslacht van de Sardieten; van Elon het geslacht van de Elonieten; van Jachleel het geslacht van de Jachleelieten.
Num. 26,27 Dat zijn de geslachten van de Zebulonieten: zij telden zestigduizendvijfhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,28 De zonen van Jozef met hun geslachten: Manasse en Efraim.
Num. 26,29 De zonen van Manasse: van Makir het geslacht van de Makirieten. Makir was de vader van Gilead. Van Gilead het ge slacht van de Gileadieten.
Num. 26,30 Dit zijn de zonen van Gilead: van Iezer het geslacht van de Iezrieten; van Chelek het geslacht van de Chalkieten;
Num. 26,31 van AsriŽl het geslacht van de AsriŽlieten; van Sekem het geslacht van de Sikmieten;
Num. 26,32 van Semida het geslacht van de Semidaieten; van Chefer het geslacht van de Cheferieten.
Num. 26,33 Selofchad, zoon van Chefer, had geen zonen, alleen dochters. De dochters van Selofchad heetten Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa.
Num. 26,34 Dat zijn de geslachten van Manasse: zij telden tweeŽn vijftigduizendzevenhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,35 Dit zijn de zonen van Efraim met hun geslachten: van Sutelach het geslacht van de Sutalchieten; van Beker het geslacht van de Bakrieten; van Tachan het geslacht van de Tachnieten.
Num. 26,36 Dit zijn de zonen van Sutelach: van Eran het geslacht van de Eranieten.
Num. 26,37 Dat zijn de geslachten van de zonen van Efraim: zij telden tweeŽndertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. Dat zijn de zonen van Jozef met hun geslachten.
Num. 26,38 De zonen van Benjamin met hun geslachten: van Bela het geslacht van de Balieten; van Asbel het geslacht van de Asbelie ten; van Achiram het geslacht van de Achiramieten;
Num. 26,39 van Sufam het geslacht van de Sufamieten; van Chufam het geslacht van de Chufamieten.
Num. 26,40 De zonen van Bela waren Ard en Naaman: van Ard het geslacht van de Ardieten; van Naaman het geslacht van de Naamieten.
Num. 26,41 Dat zijn de zonen van Benjamin met hun geslachten: zij telden vijfenveertigduizendzeshonderd ingeschrevenen.
Num. 26,42 Dit zijn de zonen van Dan met hun geslachten: van Suchan het geslacht van de Suchanieten. Dat zijn de geslachten van Dan.
Num. 26,43 Alle geslachten van de Suchanieten telden vierenzestigduizendvierhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,44 Dit zijn de zonen van Aser met hun geslachten: van Jimna het geslacht van de Jimnaieten; van Jiswa het geslacht van de Jiswieten; van Beria het geslacht van de Beriieten.
Num. 26,45 Van de zonen van Beria: van Cheber het geslacht van de Chabrieten; van MalkiŽl het geslacht van de MalkiŽlieten.
Num. 26,46 De dochter van Aser heette Serach.
Num. 26,47 Dat zijn de geslachten van de zonen van Aser: zij telden drieŽnvijftigduizendvierhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,48 De zonen van Naftali met hun geslachten: van Jachseel het geslacht van de Jachseelieten; van Guni het geslacht van de Gunieten;
Num. 26,49 van Jeser het geslacht van de Jisrieten; van Sillem het geslacht van de Sillemieten.
Num. 26,50 Dat zijn de geslachten van Naftali: zij telden vijfenveertigduizendvierhonderd ingeschrevenen.
Num. 26,51 De IsraŽlieten telden zeshonderdeenduizendzevenhonderddertig ingeschrevene.
Num. 26,52 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 26,53 `Dat zijn degenen aan wie bij de verdeling een stuk grond moet worden toegewezen, naar gelang hun aantal.
Num. 26,54 Voor een groter aantal moet bij een groter bezit toewijzen, voor een kleiner aantal een kleiner. Volgens het aantal ingeschrevenen moet aan iedere groep een stuk grond in bezit gegeven worden.
Num. 26,55 Het land moet door het lot verdeeld worden, waarbij elke voorvaderlijke stam een stuk grond krijgt toegewezen overeenkomstig het aantal personen.
Num. 26,56 Ieder stuk grond zal volgens het lot verdeeld worden, zowel voor de grotere als voor de kleinere groepen.'
Num. 26,57 Dit zijn de ingeschreven levieten volgens hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten, van Kehat het geslacht van de Kehatieten; van Merari het geslacht van de Merarieten.
Num. 26,58 Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht van de Libnieten, het geslacht van de Chebronieten, het geslacht van de Machlieten, het geslacht van de Musieten, het geslacht van de Korchieten. Kehat verwekte Amram.
Num. 26,59 De vrouw van Amram heette Jokebed, een dochter van Levi. Haar moeder had haar in Egypte aan Levi geschonken. De kinderen die Jokebed aan Amram baarde, waren Ašron, Mozes en hun zuster Mirjam.
Num. 26,60 De zonen van Ašron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar.
Num. 26,61 Nadab en Abihu stierven, toen zij ongewijd vuur voor Jahwe brachten.
Num. 26,62 Het aantal mannelijke personen van een maand en ouder die bij hen waren ingeschreven, bedroeg drieŽntwintigduizend. Zij waren niet met de IsraŽlieten ingeschreven, omdat aan hen geen stuk grond was toegewezen zoals aan de overige IsraŽlieten.
Num. 26,63 Dat zijn de IsraŽlieten die in de vlakte van Moab, aan de Jordaan bij Jericho, door Mozes en de priester Eleazar werden ingeschreven.
Num. 26,64 Onder hen bevond zich niemand meer van de IsraŽlieten die in de woestijn van de SinaÔ door Mozes en de priester Ašron waren ingeschreven,
Num. 26,65 want van hen had Jahwe gezegd: In de woestijn zullen zij sterven! Niemand van hen was nog in leven behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
 
Num. 27,1 Eens kwamen Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa, de dochters van Selofchad, zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Makir, de zoon van Manasse naar voren. Zij behoorden tot een geslacht van Manasse, de zoon van Jozef.
Num. 27,2 Zij verschenen voor Mozes, voor de priester Eleazar, voor de leiders en voor de hele gemeenschap bij de ingang van de tent van de samenkomst en zeiden:
Num. 27,3 `Onze vader is gestorven in de woestijn. Hij heeft niet tot de aanhangers van Korach behoord die samenspanden tegen Jahwe; maar hij is om zijn eigen zonden gestorven. Hij had geen zonen.
Num. 27,4 Moet nu de naam van onze vader uit zijn geslacht verdwijnen, omdat hij geen zoon had? Wij verzoeken u ons toch een stuk grond toe te wijzen evenals aan de broers van onze vader.'
Num. 27,5 Mozes bracht hun zaak voor Jahwe
Num. 27,6 en Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 27,7 `De dochters van Selofchad hebben gelijk. Gij moet haar zonder bedenken een stuk grond in eigendom geven, evenals aan de broers van hun vader en gij moet datgene wat hun vader toekomt, aan haar overdragen.
Num. 27,8 Tot de IsraŽlieten moet ge zeggen: Als iemand geen zoon heeft, moet gij na zijn dood zijn bezit overdragen aan zijn dochter.
Num. 27,9 Heeft hij geen dochter, dan moet gij zijn bezit aan zijn broers overdragen.
Num. 27,10 Heeft hij geen broers, dan moet gij zijn bezit overdragen aan de broers van zijn vader.
Num. 27,11 Heeft zijn vader geen broers, dan moet gij zijn bezit overdragen aan het naaste familielid; die zal het erven.' Dat is voor de IsraŽlieten een wettelijke bepaling, door Jahwe aan Mozes gegeven.
Num. 27,12 Jahwe zei tot Mozes: `Bestijg het Abarimgebergte dat hier voor u ligt, en aanschouw het land dat Ik aan de IsraŽlieten geef.
Num. 27,13 Wanneer gij het aanschouwd hebt, zult gij met uw voorvaderen verenigd worden, evenals uw broer Ašron.
Num. 27,14 Bij de opstand van de gemeenschap in de woestijn Sin, toen het om water ging, hebt gij u immers tegen mijn bevel verzet en tegenover hen mijn heiligheid niet hoog gehouden.' Bedoeld is het water van Meribat-kades in de woestijn Sin.
Num. 27,15 Mozes sprak tot Jahwe:
Num. 27,16 `Laat dan Jahwe, de God die aan alle mensen het leven schenkt, over de gemeenschap iemand aanstellen
Num. 27,17 die hen uitleidt en thuisbrengt; anders wordt de gemeenschap van Jahwe een kudde zonder herder.'
Num. 27,18 Toen zei Jahwe tot Mozes: `Leg Jozua, zoon van Nun, een man die van geest vervuld is, de handen op:
Num. 27,19 laat hem voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap van de IsraŽlieten plaats nemen en draag hem in hun aanwezigheid uw taak over.
Num. 27,20 Laat hem delen in uw waardigheid. Dan zal de hele gemeenschap van de IsraŽlieten naar hem luisteren.
Num. 27,21 Hij moet zich echter vervoegen bij de priester Eleazar en deze zal in het heiligdom van Jahwe voor hem een uitspraak van de oerim vragen. Naar Jahwe's uitspraak zullen hij en de hele gemeenschap van de IsraŽlieten dan handelen.'
Num. 27,22 Mozes bracht Jahwe's bevel ten uitvoer. Hij liet Jozua halen, plaatste hem voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap,
Num. 27,23 legde hem de handen op en droeg hem zijn taak over, juist zoals Jahwe door Mozes had gesproken.
 
Num. 28,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 28,2 Beveel de IsraŽlieten. Men moet er op letten dat men mijn offer, mijn spijs, de geurige gave die Mij behaagt, op de vastgestelde tijd aanbiedt.
Num. 28,3 Gij moet hun zeggen: Dit is de offergave die gij Jahwe moet aanbieden: elke dag twee gave lammeren van nog geen jaar als dagelijks brandoffer.
Num. 28,4 Het ene lam moet gij 's morgens offeren, het andere tegen de avond.
Num. 28,5 Daarbij komt als meeloffer een tiende efa bloem, aangemaakt met een kwart hin gestoten olie.
Num. 28,6 Dat is het dagelijks brandoffer, ingesteld op de berg SinaÔ, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 28,7 Bij elk lam hoort een plengoffer van een kwart hin wijn. Dat plengoffer van gegiste drank moet gij in het heiligdom voor Jahwe uitgieten.
Num. 28,8 Het tweede lam moet gij tegen de avond offeren met eenzelfde meeloffer als 's morgens en met het bijbehorend pleng offer, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 28,9 Op de sabbat moet gij twee gave lammeren van nog geen jaar offeren, met een meeloffer van twee issaron bloem, aangemaakt met olie, en met het bijbehorend plengoffer.
Num. 28,10 Dat brandoffer van de sabbat komt elke sabbat bij het dagelijks brandoffer en het bijbehorend plengoffer.
Num. 28,11 Op de eerste dag van iedere maand moet gij Jahwe als brandoffer aanbieden: twee stieren, een ram en zeven gave lamme ren van nog geen jaar.
Num. 28,12 Bij elke stier komt een meeloffer van drie issaron bloem, aangemaakt met olie, bij de ram een meeloffer van twee issaron bloem, aangemaakt met olie
Num. 28,13 en bij elk lam een meeloffer van een issaron bloem, aangemaakt met olie. Dat is het brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 28,14 Bij de stier hoort een plengoffer van een halve hin wijn, bij de ram een derde hin en bij het lam een kwart hin. Dat is het maandelijks brandoffer dat iedere maand van het jaar gebracht moet worden.
Num. 28,15 Verder moet er een geitenbok geofferd worden als zonde offer voor Jahwe. Dat alles moet geofferd worden naast het dagelijks brandoffer en het daarbij behorend plengoffer.
Num. 28,16 Op de veertiende dag van de eerste maand is het pasen voor Jahwe
Num. 28,17 en op de vijftiende van die maand is het feest. Zeven dagen moet er ongezuurd brood gegeten worden.
Num. 28,18 De eerste dag is een heilige dag: dan moogt gij niet werken.
Num. 28,19 Gij moet dan aan Jahwe een brandoffer aanbieden van twee stieren, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar - gave dieren
Num. 28,20 en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie; bij elke stier een van drie issaron, bij de ram een van twee issaron
Num. 28,21 en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron;
Num. 28,22 verder een bok als zondeoffer om verzoening voor u te bewerken.
Num. 28,23 Dat alles moet gij opdragen naast het brandoffer dat iedere dag in de morgen gebracht wordt.
Num. 28,24 Dezelfde offers moet gij op ieder van die zeven dagen opdragen. Zij zijn een spijs, een geurige gave die Jahwe behaagt. Gij moet die opdragen naast het dagelijks brandoffer en het daarbij behorend plengoffer.
Num. 28,25 De zevende dag moet eer een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken.
Num. 28,26 De dag van de eerstelingen, waarop gij Jahwe een meeloffer van de nieuwe oogst aanbiedt, het wekenfeest, moet een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken.
Num. 28,27 Dan moet gij als geurige gave die Jahwe behaagt, een brandoffer aanbieden van twee stieren, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar
Num. 28,28 en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie: bij elke stier een van drie issaron, bij de ram een van twee issaron
Num. 28,29 en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron;
Num. 28,30 verder een geitenbok als zondeoffer om verzoening voor u te bewerken.
Num. 28,31 Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brand en meeloffer met de daarbij behorende plengoffers. De offerdieren moeten gaaf zijn.
 
Num. 29,1 De eerste dag van de zevende maand moet een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken. Dat zal een dag zijn die gevierd wordt met trompetgeschal.
Num. 29,2 Dan moet gij als geurige gave die Jahwe behaagt, een brandoffer aanbieden van een stier, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar
Num. 29,3 en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie: bij de stier een van drie issaron, bij de ram van een van twee issaron
Num. 29,4 en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron;
Num. 29,5 verder een geitenbok als zondeoffer om verzoening voor u te bewerken.
Num. 29,6 Dat alles moet gij opdragen naast het maandelijks en dagelijks brandoffer en naast het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, een geurige gave die Jahwe behaagt.
Num. 29,7 De tiende dag van de zevende maand moet een heilige dag zijn. Dan moet gij u kastijden en moogt gij niet werken.
Num. 29,8 Als geurige gave die Jahwe behaagt moet gij dan een brandoffer aanbieden van een stier, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar - gave dieren
Num. 29,9 en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie: bij de stier een van drie issaron, bij de ram een van twee issaron
Num. 29,10 en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron;
Num. 29,11 verder een geitenbok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het zondeoffer voor de verzoening en het dagelijks brandoffer met het bijbehorende meeloffer en de bijbehorende plengoffers.
Num. 29,12 De vijftiende van de zevende maand moet een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken. Gij moet dan feest vieren ter ere van Jahwe, zeven dagen lang.
Num. 29,13 Als geurige gave die Jahwe behaagt moet bij een brand offer aanbieden van dertien stieren, twee rammen en veertien lammeren van nog geen jaar - gave dieren
Num. 29,14 en ook de bijbehorende meeloffers, aangemaakt met olie; bij elk van de dertien stieren een van drie issaron, bij elk van de rammen een van twee issaron
Num. 29,15 en bij elk van de veertien lammeren een van een issaron;
Num. 29,16 verder een geitenbok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer en het bijbehorend meel en plengoffer.
Num. 29,17 Op de tweede dag twaalf stieren, twee rammen en veer tien gave lammeren van nog geen jaar
Num. 29,18 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren;
Num. 29,19 verder een geitenbok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer en het meeloffer met de daarbij behorende plengoffers.
Num. 29,20 Op de derde dag elf stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar
Num. 29,21 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren;
Num. 29,22 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel - en plengoffer.
Num. 29,23 Op de vierde dag tien stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar
Num. 29,24 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren;
Num. 29,25 verder een geitenbok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel - en plengoffer.
Num. 29,26 Op de vijfde dag negen stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar
Num. 29,27 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren;
Num. 29,28 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel - en plengoffer.
Num. 29,29 Op de zesde dag acht stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar
Num. 29,30 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren;
Num. 29,31 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel - en plengoffer.
Num. 29,32 Op de zevende dag zeven stieren, twee rammen en veer tien gave lammeren van nog geen jaar,
Num. 29,33 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren;
Num. 29,34 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel - en plengoffer.
Num. 29,35 Op de achtste dag moet gij het slotfeest houden; dan moogt gij niet werken.
Num. 29,36 Als geurige gave die Jahwe behaagt moet gij een brand offer aanbieden van een stier, een ram en zeven gave lammeren van nog geen jaar
Num. 29,37 met het meeloffer en de plengoffers die volgens voor schrift horen bij de stier, de ram en de lammeren, naar hun aantal
Num. 29,38 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel - en plengoffer.
Num. 29,39 Deze offers moet gij op uw feesten aan Jahwe brengen naast de brandoffers, meeloffers, plengoffers en slachtoffers die gij krachtens gelofte of als vrijwillige gaven aanbiedt.
 
Num. 30,1 Mozes bracht aan de IsraŽlieten al de bevelen over die Jahwe gegeven had.
Num. 30,2 Mozes sprak tot de stamhoofden van de IsraŽlieten: Dit heeft Jahwe geboden.
Num. 30,3 Wanneer iemand aan Jahwe een gelofte doet of door een eed een verplichting op zich neemt, dan mag hij zijn woord niet schenden; hij moet alles volbrengen wat over zijn lippen is gekomen.
Num. 30,4 Wanneer een vrouw aan Jahwe een gelofte doet en zich een verplichting oplegt, terwijl zij als jong meisje nog in het huis van haar vader woont
Num. 30,5 en haar vader dan van haar gelofte en van de aangegane verplichting hoort en er niets over zegt, dan blijven haar geloften en de aangegane verplichting van kracht.
Num. 30,6 Maar wanneer haar vader er van hoort en bezwaar maakt, dan blijft geen enkele van haar geloften of aangegane verplichtingen van kracht. Jahwe scheldt ze haar kwijt, omdat haar vader bezwaar gemaakt heeft.
Num. 30,7 Is zij bij de huwelijkssluiting gebonden door geloften of door een verplichting die zij ondoordacht op zich heeft genomen
Num. 30,8 en zegt haar man er niets van wanneer hij het hoort, dan blijven de geloften en de aangegane verplichting van kracht.
Num. 30,9 Maakt haar man echter bezwaar wanneer hij het hoort, dan ontheft hij haar daardoor van de gelofte en van de verplichting die zij ondoordacht op zich heeft genomen.
Num. 30,10 De gelofte van een weduwe of van een verstoten vrouw, iedere verplichting die zij op zich genomen heeft, blijft van kracht.
Num. 30,11 Heeft een vrouw in het huis van haar man een gelofte gedaan of zich onder ede tot iets verplicht,
Num. 30,12 en zegt haar man er niets van wanneer hij het hoort, en maakt hij geen bezwaar, dan blijven haar gelofte en alle verplichtingen van kracht.
Num. 30,13 Verklaart haar man ze echter ongeldig wanneer hij ze hoort, dan blijft niets van kracht van alles wat over haar lippen gekomen is, noch de geloften noch de verplichtingen. Haar man heeft ze ongeldig verklaard en Jahwe scheldt ze haar kwijt.
Num. 30,14 Elke gelofte en elke verplichting tot onthouding die zij onder ede op zich neemt, kan door haar man ofwel erkend ofwel ongeldig verklaard worden.
Num. 30,15 Wanneer haar man er tot de volgende dag niets van gezegd heeft, dan heeft hij alle geloften en alle verplichtingen die zij zich heeft opgelegd, erkend. Hij heeft ze erkend door er niets van te zeggen toen hij het hoorde.
Num. 30,16 Verklaart hij ze later ongeldig, dan draagt hij de verantwoording.
Num. 30,17 Dat zijn de voorschriften die Jahwe aan Mozes gegeven heeft met betrekking tot een man en zijn vrouw en tot een vader en zijn dochter die nog als jong meisje in zijn huis woont.
 
Num. 31,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 31,2 `Wreek de IsraŽlieten op de Midjanieten. Daarna zult gij met uw voorvaderen verenigd worden.'
Num. 31,3 Toen sprak Mozes tot het volk: `Laat een deel van uw mannen zich uitrusten voor de strijd tegen Midjan om de wraak van Jahwe aan Midjan te voltrekken.
Num. 31,4 Van elke stam van IsraŽl moet gij duizend man in het veld brengen.'
Num. 31,5 Zo werden uit elke stam van IsraŽl duizend man gerekRut eerd, twaalfduizend weerbare mannen.
Num. 31,6 Toen liet Mozes hen uitrukken, duizend van elke stam, samen met Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, die de heilige voorwerpen en de signaaltrompetten bij zich droeg.
Num. 31,7 Zij trokken ten strijde tegen de Midjanieten zoals Jahwe aan Mozes had bevolen, en doodden alle mannen.
Num. 31,8 Bij de slachtoffers bevonden zich ook de koningen van Midjan: Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba, vijf koningen van Midjan: ook Bileam, zoon van Beor, doodden zij met het zwaard.
Num. 31,9 De vrouwen en kinderen van Midjan namen zij gevangen en zij maakten zich meester van al hun runderen en schapen en heel hun bezit.
Num. 31,10 De steden in hun gebied en al hun kampementen staken zij in brand.
Num. 31,11 Alle goederen en heel de buit aan mensen en dieren namen zij mee
Num. 31,12 en brachten de gevangenen en de buitgemaakte goederen bij Mozes, de priester Eleazar en de gemeenschap van de IsraŽlieten in het kamp, in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
Num. 31,13 Mozes, de priester Eleazar en alle leiders van de gemeenschap gingen hun buiten het kamp tegemoet.
Num. 31,14 Maar Mozes werd kwaad op de bevelhebbers, de aanvoerders van duizend en honderd, die van de krijgstocht terugkwamen.
Num. 31,15 Mozes vroeg hun: `Hebt u de vrouwen in leven gelaten?
Num. 31,16 Zij zijn het juist geweest die de IsraŽlieten te Peor tot ontrouw verleid hebben op raad van Bileam, zodat een plaag de gemeenschap van Jahwe trof.
Num. 31,17 Dood daarom alle jongens en ook alle vrouwen die met een man gemeenschap gehad hebben.
Num. 31,18 Maar de meisjes die nog geen gemeenschap met een man gehad hebben, kunt u in leven laten.
Num. 31,19 Zeven dagen lang moet u buiten het kamp blijven en ieder die iemand gedood heeft of een gesneuvelde aangeraakt, moet zich op de derde en de zevende dag reinigen; dat geldt voor uzelf en voor de krijgsgevangenen.
Num. 31,20 Ook alle kleren, alle voorwerpen, alwat uit geitenhaar is vervaardigd en alle voorwerpen van hout moet u reinigen.'
Num. 31,21 De priester Eleazar zei tot de mannen die aan de strijd hadden deelgenomen: Dit schrijft de wet voor, die Jahwe aan Mozes heeft gegeven:
Num. 31,22 Goud en zilver, brons, ijzer, tin en lood,
Num. 31,23 alles wat tegen het vuur bestand is, moet gij door het vuur halen. Dan is het na zuivering met reinigingswater weer rein. Maar alles wat niet tegen het vuur bestand is, moet gij door het water halen.
Num. 31,24 Op de zevende dag moet gij uw kleren wassen, dan zijt gij weer rein en moogt gij weer in het kamp komen.'
Num. 31,25 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 31,26 `Met de priester Eleazar en de familiehoofden van de gemeenschap moet gij tellen wat er aan mensen en dieren is buitgemaakt
Num. 31,27 en daarvan moet gij de ene helft geven aan de mannen die aan de strijd hebben deelgenomen, de andere helft aan de rest van de gemeenschap.
Num. 31,28 Leg de mannen die aan de strijd hebben deelgenomen, een schatting voor Jahwe op van een op de vijfhonderd van de mensen, de runderen, de ezels en de schapen.
Num. 31,29 Gij moet dat van hun aandeel afhouden en als schatting voor Jahwe aan de priester Eleazar geven.
Num. 31,30 Van het aandeel van de overige IsraŽlieten moet ge zowel van de mensen als van de runderen, de ezels en de schapen, van alle dieren, een op de vijftig afhouden en die aan de levieten geven die dienst doen bij de woning van Jahwe.'
Num. 31,31 Mozes en de priester Eleazar deden wat Jahwe aan Mozes had bevolen.
Num. 31,32 Afgezien van de goederen die het krijgsvolk bemachtigd had, bedroeg de buit zeshonderdvijfenzeventigduizend schapen,
Num. 31,33 tweeŽnzeventigduizend runderen,
Num. 31,34 eenenzestigduizend ezels,
Num. 31,35 tweeŽndertigduizend mensen, vrouwen die nog geen gemeenschap met een man gehad hadden.
Num. 31,36 De helft, het aandeel van degenen die aan de strijd hadden deelgenomen bedroeg dus driehonderdzevenendertigduizend vijfhonderd schapen
Num. 31,37 waarvan zeshonderdvijfenzeventig als schatting voor Jahwe;
Num. 31,38 zesendertigduizend runderen waarvan tweeŽnzeventig als schatting voor Jahwe;
Num. 31,39 dertigduizendvijfhonderd ezels waarvan eenenzestig als schatting voor Jahwe;
Num. 31,40 zestienduizend mensen, waarvan tweeŽndertig als schatting voor Jahwe.
Num. 31,41 Mozes gaf deze schatting, het deel van Jahwe, aan de priester Eleazar, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had.
Num. 31,42 De andere helft die Mozes bestemd had voor de IsraŽlieten die niet ten strijde waren getrokken
Num. 31,43 bedroeg eveneens driehonderdzevenendertigduizendvijfhonderd schapen,
Num. 31,44 zesendertigduizend runderen,
Num. 31,45 dertigduizendvijfhonderd ezels
Num. 31,46 en zestienduizend mensen.
Num. 31,47 Van de helft voor de IsraŽlieten hield Mozes een op de vijftig af, zowel van mensen als van dieren, en gaf die - zoals Jahwe aan Mozes had bevolen - aan de levieten die dienst doen bij de woning van Jahwe.
Num. 31,48 Toen traden de bevelhebbers, de aanvoerders van duizend en honderd, op Mozes toe
Num. 31,49 en zeiden: `Uw dienaren hebben een telling gehouden van de mannen die onder ons bevel stonden en niet een van hen wordt vermist.
Num. 31,50 Daarom bieden wij de gouden voorwerpen die ieder van ons heeft buitgemaakt, armbanden, gespen, vingerringen, oorringen en halssieraden als gave aan Jahwe aan om bij Jahwe verzoening voor ons te bewerken.'
Num. 31,51 Mozes en de priester Eleazar namen de gouden voorwerpen in ontvangst.
Num. 31,52 Het goud dat de aanvoerders van de duizend en honderd als gave aan Jahwe aanboden, woog in totaal zestienduizendzevenhonderdvijftig sikkel.
Num. 31,53 Het krijgsvolk had ook op eigen gelegenheid geplunderd.
Num. 31,54 Mozes en de priester Eleazar namen van de aanvoerders van duizend en honderd het goud in ontvangst en brachten het naar de tent van de samenkomst, als een herinnering aan de IsraŽlieten bij Jahwe.
 
Num. 32,1 De Rubenieten en de Gadieten bezaten grote kudden vee. Toen de Gadieten en Rubenieten zagen dat het gebied van Jazer en Gilead een goede streek voor het vee was,
Num. 32,2 gingen zij naar Mozes, de priester Eleazar en de leiders van de gemeenschap en zeiden:
Num. 32,3 `Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesbon, Elale, Sebam, Nebo en Beon,
Num. 32,4 het land dat Jahwe voor de ogen van de gemeenschap van IsraŽl heeft veroverd, is een goed land voor het vee en uw dienaren bezitten vee.
Num. 32,5 Bewijs ons uw gunst, zeiden zij, en geef uw dienaren dit land in bezit en laat ons niet over de Jordaan trekken.'
Num. 32,6 Maar Mozes zei tot de Gadieten en Rubenieten: `Wat! Uw broeders ten strijde trekken en u hier blijven!
Num. 32,7 Wilt u de IsraŽlieten de moed ontnemen om over te steken naar het land dat Jahwe hun geschonken heeft?
Num. 32,8 Dat hebben ook jullie vaderen gedaan, toen ik hen van Kades-barnea uitzond om het land te verkennen.
Num. 32,9 Zij zijn tot het dal Eskol doorgedrongen en hebben het land verkend, maar toen hebben zij de IsraŽlieten de moed ontnomen om het land binnen te trekken, dat Jahwe hun geschonken had.
Num. 32,10 Daarom is Jahwe toen in toorn ontstoken en heeft gezworen:
Num. 32,11 Nooit zullen de mannen van twintig jaar en ouder die uit Egypte zijn getrokken, het land zien, dat Ik aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob onder ede beloofd heb, omdat zij niet volledig trouw zijn geweest,
Num. 32,12 met uitzondering van de Kenizziet Kaleb, de zoon van Jefunne en Jozua, de zoon van Nun, want zij zijn Jahwe volledig trouw geweest.
Num. 32,13 Zo ontstak Jahwe in toorn tegen IsraŽl en liet hen veertig jaar lang rondzwerven in de woestijn tot heel het ge slacht dat zich tegen Jahwe misdragen had, verdwenen was.
Num. 32,14 En nu komt u als een nieuw geslacht van zondaars de plaats van jullie vaders innemen om Jahwe's heftige toorn tegen IsraŽl nog aan te wakkeren!
Num. 32,15 Als u zich van Hem afwendt, zodat Hij dit volk nog langer in de woestijn laat, dan bent u de schuld van zijn onder gang.'
Num. 32,16 Weer kwamen zij naar hem toe en zeiden: `Wij willen hier schaapskooien bouwen voor onze kudden en steden voor onze kinderen,
Num. 32,17 maar zelf zullen wij gewapend uittrekken, aan de spits van de IsraŽlieten, tot wij hen op de plaats van hun bestemming gebracht hebben. Intussen kunnen onze kinderen, veilig voor de bewoners van het land, in die versterkte steden wonen.
Num. 32,18 Wij zullen niet naar huis teruggaan, voordat ieder van de IsraŽlieten zijn deel heeft ontvangen.
Num. 32,19 Wij willen helemaal geen bezit hebben bij hen aan de overkant van de Jordaan in het land dat verderop ligt, wanneer wij het krijgen aan deze kant van de Jordaan, de oostkant.'
Num. 32,20 Toen zei Mozes tot hen: `Als u dat doet en voor Jahwe uit gewapend ten strijde trekt
Num. 32,21 en voor Jahwe uit gewapend de Jordaan oversteekt en niet terugkeert voordat Jahwe zijn vijanden verdreven heeft
Num. 32,22 en het land aan Hem onderworpen is, dan gaat u vrij uit voor Jahwe en voor IsraŽl en dan zal deze streek ten overstaan van Jahwe uw eigendom zijn.
Num. 32,23 Doet u dat niet, dan zondigt u tegen Jahwe; en weet, dat de straf van uw zonde u zal vinden.
Num. 32,24 Bouw dus steden voor uw kinderen en kooien voor uw schapen, maar volbreng wat u beloofd hebt.'
Num. 32,25 Toen spraken de Gadieten en de Rubenieten tot Mozes: `Uw dienaren zullen alles doen wat mijn heer beveelt.
Num. 32,26 Onze kinderen en onze vrouwen, onze kudden en al onze runderen zullen in de steden van Gilead blijven,
Num. 32,27 maar uw dienaren zullen allen gewapend voor Jahwe uit oversteken om te vechten, zoals mijn heer beveelt.'
Num. 32,28 Daarop gaf Mozes zijn orders over hen aan de priester Eleazar, aan Jozua, zoon van Nun, en aan de familiehoofden van de stammen van de IsraŽlieten.
Num. 32,29 Hij zei tot hen: `Als alle Gadieten en Rubenieten voor Jahwe uit gewapend met u de Jordaan oversteken, dan moet u wanneer het land aan u onderworpen is, Gilead aan hen in eigendom geven.
Num. 32,30 Maar als zij niet gewapend met u oversteken, dan krijgen zij hun eigendom bij u in Kanašn.'
Num. 32,31 De Gadieten en de Rubenieten antwoordden: `Wat Jahwe uw dienaren bevolen heeft, zullen wij doen.
Num. 32,32 Wij zullen voor Jahwe uit gewapend naar Kanašn overste ken, maar dan moeten wij aan deze zijde van de Jordaan grond in bezit krijgen.'
Num. 32,33 Toen gaf Mozes aan de Gadieten, aan de Rubenieten en aan de helft van de stam Manasse, de zoon van Jozef, het rijk van Sichon, de koning van de Amorieten, en het rijk van Og, de koning van Basan, het land met de steden binnen de grenzen en met de steden die er rondom liggen.
Num. 32,34 De Gadieten herbouwden de versterkte steden Dibon, Atarot, Aroer,
Num. 32,35 Atrot-sofan, Jazer, Jogbeha,
Num. 32,36 Bet-nimra, Bet-haran, en zij herstelden de schaapskooi en.
Num. 32,37 De Rubenieten herbouwden Chesbon, Elale, Kirjataim,
Num. 32,38 Nebo, Bašl-maon - met verandering van naam - en Sibma. Aan de steden die zij gebouwd hadden, gaven zij namen.
Num. 32,39 De zonen van Makir, de zoon van Manasse, trokken naar Gilead, veroverden het en verdreven de Amorieten die daar woon den.
Num. 32,40 Mozes gaf Gilead aan Makir, de zoon van Manasse, die zich daar vestigde.
Num. 32,41 Ook Jair, de zoon van Manasse, trok er op uit, verover de hun dorpen en noemde ze dorpen van Jair.
Num. 32,42 Ook Nobach trok er op uit, veroverde Kenat met de onderhorige plaatsen en gaf het zijn eigen naam Nobach.
 
Num. 33,1 Dit zijn de etappes waarin de IsraŽlieten die onder leiding van Mozes en Ašron in groepen uit Egypte zijn getrokken.
Num. 33,2 Op bevel van Jahwe heeft Mozes de vertrekplaatsen van de etappes opgeschreven. En dit zijn de etappes met de plaatsen van vertrek.
Num. 33,3 Zij vertrokken van Raamses op de vijftiende dag van de eerste maand. Daags na pasen trokken de IsraŽlieten onder Jahwe's machtige bescherming voor de ogen van de Egyptenaren weg,
Num. 33,4 terwijl deze bezig waren de eerstgeborenen die Jahwe bij hen gedood had, te begraven. Ook aan hun goden had Jahwe zijn vonnis voltrokken.
Num. 33,5 De IsraŽlieten vertrokken dus van Raamses en sloegen hun kamp op te Sukkot.
Num. 33,6 Van Sukkot vertrokken zij en sloegen hun kamp op te Etam aan de rand van de woestijn.
Num. 33,7 Zij vertrokken van Etam in de richting van Pi-hachirot, dat dicht bij Bašl-sefon ligt, en sloegen hun kamp op voor Migdol.
Num. 33,8 Zij vertrokken van Pi-hachirot, gingen door de zee heen de woestijn in, trokken drie dagreizen de woestijn van Etam in en sloegen hun kamp op te Mara.
Num. 33,9 Zij vertrokken van Mara en kwamen in Elim. In Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmen. Daar sloegen zij hun kamp op.
Num. 33,10 Zij vertrokken van Elim en sloegen hun kamp op aan de Rietzee.
Num. 33,11 Zij vertrokken van de Rietzee en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin.
Num. 33,12 Zij vertrokken van de woestijn Sin en sloegen hun kamp op te Dofka.
Num. 33,13 Zij vertrokken van Dofka en sloegen hun kamp op te Alus.
Num. 33,14 Zij vertrokken van Alus en sloegen hun kamp op te Refidim. Daar had het volk geen water om te drinken.
Num. 33,15 Zij vertrokken van Refidim en sloegen hun kamp op in de woestijn van de SinaÔ.
Num. 33,16 Zij vertrokken van de woestijn van de SinaÔ en sloegen hun kamp op te Kibrot-hattaawa.
Num. 33,17 Zij vertrokken van Kibrot-hattaawa en sloegen hun kamp op te Chaserot.
Num. 33,18 Zij vertrokken van Chaserot en sloegen hun kamp o te Ritma.
Num. 33,19 Zij vertrokken van Ritma en sloegen hun kamp op te Rimmon-peres.
Num. 33,20 Zij vertrokken van Rimmon-peres en sloegen hun kamp op te Libna.
Num. 33,21 Zij vertrokken van Libna en sloegen hun kamp op te Rissa.
Num. 33,22 Zij vertrokken van Rissa en sloegen hun kamp op te Keheleta.
Num. 33,23 Zij vertrokken van Keheleta en sloegen hun kamp op bij de berg Sefer.
Num. 33,24 Zij vertrokken van de berg Sefer en sloegen hun kamp op te Charada.
Num. 33,25 Zij vertrokken van Charada en sloegen hun kamp op te Makhelot.
Num. 33,26 Zij vertrokken van Makhelot en sloegen hun kamp op te Tachat.
Num. 33,27 Zij vertrokken van Tachat en sloegen hun kamp op te Terach.
Num. 33,28 Zij vertrokken van Terach en sloegen hun kamp op te Mitka.
Num. 33,29 Zij vertrokken van Mitka en sloegen hun kamp op te Chasmona.
Num. 33,30 Zij vertrokken van Chasmona En zij sloegen hun kamp op te Moserot.
Num. 33,31 Zij vertrokken van Moserot en sloegen hun kamp op te Bene-jaakan.
Num. 33,32 Zij vertrokken van Bene-jaakan en sloegen hun kamp op te Chor-haggidgad.
Num. 33,33 Zij vertrokken van Chor-haggidgad en sloegen hun kamp op te Jotbata.
Num. 33,34 Zij vertrokken van Jotbata en sloegen hun kamp op te Abrona.
Num. 33,35 Zij vertrokken van Abrona en sloegen hun kamp op te Esjon-geber.
Num. 33,36 Zij vertrokken van Esjon-geber. En zij sloegen hun kamp op in de woestijn Sin, in Kades.
Num. 33,37 Zij vertrokken van Kades en sloegen hun kamp op bij de berg Hor aan de grens van Edom.
Num. 33,38 Op bevel van Jahwe besteeg toen de priester Ašron de berg Hor en stierf daar in het veertigste jaar na de uittocht van de IsraŽlieten uit Egypte, op de eerste dag van de vijfde maand.
Num. 33,39 Ašron was honderddrieŽntwintig jaar, toen hij op de berg Hor stierf.
Num. 33,40 De Kanašnieten in de Negeb in Kanašn, met name de koning van Arad, hoorden van de komst van de IsraŽlieten.
Num. 33,41 Zij vertrokken van de berg Hor En zij sloegen hun kamp op te Salmona.
Num. 33,42 Zij vertrokken van Salmona en sloegen hun kamp op te Punon.
Num. 33,43 Zij vertrokken van Punon en sloegen hun kamp op te Obot.
Num. 33,44 Zij vertrokken van Obot en sloegen hun kamp op te Ijje-haabarim aan de grens van Moab.
Num. 33,45 Zij vertrokken van Ijje-haabarim en sloegen hun kamp o te Dibon - Gad.
Num. 33,46 Zij vertrokken van Dibon-gad en sloegen hun kamp op te Almon-diblataim.
Num. 33,47 Zij vertrokken van Almon-diblataim en sloegen hun kamp op in het Abarimgebergte vlak bij Nebo.
Num. 33,48 Zij vertrokken van het Abarimgebergte en sloegen hun Kamp op in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
Num. 33,49 Zij sloegen hun kamp op langs de Jordaan van Bet-hajjesimot tot aan Abel - Hassittim in de vlakte van Moab.
Num. 33,50 Jahwe sprak tot Mozes in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
Num. 33,51 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer gij de Jordaan over steekt naar Kanašn,
Num. 33,52 moet gij alle bewoners uit het land verdrijven. Al hun stenen beelden, en al hun metalen beelden moet gij vernietigen en al hun offerhoogten verwoesten.
Num. 33,53 Dan zult gij het land in bezit nemen om er te wonen, want Ik geef het u in bezit.
Num. 33,54 Gij moet het land door loting onder uw geslachten verdelen. Aan een groot geslacht moet gij een groot stuk grond, aan een klein geslacht een klein stuk toewijzen. Volgens de aanwijzing van het lot krijgt ieder zijn deel. De verdeling moet geschieden naar de stammen van uw vaderen.
Num. 33,55 Wanneer gij echter de bewoners niet uit het land ver drijft, dan zullen degenen die gij overlaat, dorens in uw ogen en stekels in uw zijden worden. In het land waar gij gaat wonen, zullen zij u onderdrukken.
Num. 33,56 Dan zal Ik met u doen, wat Ik hun had toegedacht.
 
Num. 34,1 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 34,2 Geef de IsraŽlieten deze aanwijzing: Wanneer gij in Kanašn komt, dan zullen de grenzen van dat land de grenzen van uw bezit zijn.
Num. 34,3 De zuidgrens loopt van de woestijn Sin langs de grens van Edom. Deze grens begint in het oosten bij de uiterste punt van de Zoutzee,
Num. 34,4 gaat in een bocht zuidelijk om de pas van Akrabbim, loopt door naar Sin en komt uit ten zuiden van Kades-barnea; zij gaat dan verder naar Chasar-addar en loopt door tot Asmon.
Num. 34,5 Van Asmon buigt de grens om naar de beek van Egypte en loopt uit op de zee.
Num. 34,6 De westgrens wordt gevormd door de Grote Zee; dat is dus de westgrens.
Num. 34,7 De noordgrens loopt als volgt: vanaf de Grote Zee moet gij een lijn trekken naar de berg Hor
Num. 34,8 en van de berg Hor tot de weg naar Hamat. De grens komt uit bij Sedad,
Num. 34,9 gaat vandaar naar Zifron en eindigt bij Chasar-enan. Dat is de noordgrens.
Num. 34,10 Voor de oostgrens moet gij een lijn trekken van Chasar-enan naar Sefam.
Num. 34,11 Van Sefam daalt de grens naar Ribla ten oosten van Ain, loopt vlak langs de bergketen ten oosten van het meer Kinneret
Num. 34,12 en daalt dan naar de Jordaan om te eindigen met de Zoutzee. Dat zijn de grenzen van uw land.
Num. 34,13 Mozes gaf de IsraŽlieten de volgende aanwijzing: Dat is het land dat gij door het lot moet verdelen en dat volgens bevel van Jahwe aan de negen en een halve stam moet gegeven worden.
Num. 34,14 Want de families van de stam der Rubenieten en van de stam der Gadieten hebben hun deel al ontvangen; ook de helft van de stam Manasse heeft zijn deel al ontvangen.
Num. 34,15 Deze hebben samen hun deel gekregen aan de oostkant van de Jordaan bij Jericho, in het oosten waar de zon opgaat.
Num. 34,16 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 34,17 Dit zijn de namen van degenen die voor u het land moeten verdelen: de priester Eleazar en Jozua, zoon van Nun.
Num. 34,18 Bovendien moet gij voor het verdelen van het land in elke stam een leider aanwijzen.
Num. 34,19 Hier volgen hun namen: voor de stam Juda Kaleb, zoon van Jefunne;
Num. 34,20 voor de stam van de Simeonieten SemuŽl, zoon van Ammihud;
Num. 34,21 voor de stam van de Benjaminieten Elidad, zoon van Kislon;
Num. 34,22 als leider van de stam van de Danieten Bukki, zoon van Jogli;
Num. 34,23 voor de Jozefieten, als leider van de stam van de Manassieten ChanniŽl, zoon van Efod,
Num. 34,24 en als leider van de stam van de Efraimieten KemuŽl, zoon van Siftam;
Num. 34,25 als leider van de stam van de Zebulonieten Elisafan, zoon van Parnak;
Num. 34,26 als leider van de stam van de Issakarieten PaltiŽl, zoon van Azzan;
Num. 34,27 als leider van de stam van de Aserieten Achiud, zoon van Selomi;
Num. 34,28 als leider van de stam van de Naftalieten PedaŽl, zoon van Ammihud.
Num. 34,29 Dat zijn degenen aan wie Jahwe de opdracht gaf Kanašn onder de IsraŽlieten te verdelen.
 
Num. 35,1 Jahwe sprak tot Mozes in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho:
Num. 35,2 Beveel de IsraŽlieten van hun eigen bezit steden af te staan aan de levieten, waar zij kunnen wonen, met weidegrond er omheen.
Num. 35,3 In de steden kunnen zij wonen; de weidegronden zijn voor de runderen die zij bezitten en voor al hun overige dieren.
Num. 35,4 De weidegronden van de steden die gij aan de levieten moet afstaan, moeten zich van de stadsmuur af duizend el in het rond uitstrekken.
Num. 35,5 Gij moet van de rand van de stad af aan de oostkant tweeduizend el afmeten, aan de zuidkant tweeduizend el, aan de westkant tweeduizend el en aan de noordkant tweeduizend el, met de stad in het midden. Dat zullen de weidegronden bij hun steden zijn.
Num. 35,6 De steden die gij aan de levieten moet afstaan, zijn de zes vrijsteden die gij als wijkplaats moet aanwijzen voor iemand die doodslag gepleegd heeft, en bovendien nog tweeŽnveertig andere steden.
Num. 35,7 In het geheel moet gij dus achtenveertig steden met de weidegronden aan de levieten afstaan.
Num. 35,8 Van de IsraŽlieten die veel bezitten, moet gij meer steden nemen en van hen die weinig bezitten minder, dus naar de omvang van het bezit dat ieder gekregen heeft.
Num. 35,9 Jahwe sprak tot Mozes:
Num. 35,10 Zeg aan de IsraŽlieten: Wanneer gij over de Jordaan naar Kanašn trekt,
Num. 35,11 moet gij enkele steden als vrijsteden aanwijzen. Daar heen kan iemand die een ander zonder opzet heeft gedood, de wijk nemen.
Num. 35,12 Die steden zullen dienen als wijkplaats tegen de bloed wreker, om te voorkomen dat iemand die doodslag heeft begaan, de dood vindt alvorens hij voor de gemeenschap terecht heeft ge staan.
Num. 35,13 Zes steden moet gij als vrijsteden aanwijzen:
Num. 35,14 drie aan de overzijde van de Jordaan en drie in Kanašn. Het zullen vrijsteden zijn.
Num. 35,15 Zowel voor de IsraŽlieten als voor de vreemdelingen en buitenlanders bij u zullen die zes steden tot wijkplaats dienen, waarheen ieder de wijk kan nemen, die iemand zonder opzet heeft gedood.
Num. 35,16 Heeft iemand een ander met een ijzeren voorwerp geslagen en is deze daaraan gestorven, dan is hij een moordenaar; de moordenaar moet ter dood gebracht worden.
Num. 35,17 Heeft hij met een steen in de hand iemand zo geslagen dat deze er aan sterven kon en er inderdaad aan gestorven is, dan is hij een moordenaar en moet hij ter dood gebracht worden.
Num. 35,18 Heeft hij met een houten voorwerp in de hand iemand zo geslagen, dat deze er aan sterven kon en er inderdaad aan gestorven is, dan is hij een moordenaar en moet hij ter dood gebracht worden.
Num. 35,19 De bloedwreker zelf moet de moordenaar doden. Zodra hij hem aantreft, kan hij hem doden.
Num. 35,20 Stoot iemand een ander uit haat of gooit hij naar hem met voorbedachten rade met het gevolg dat de ander sterft,
Num. 35,21 of slaat hij hem uit vijandschap zo met de vuist dat de ander sterft, dan moet degene die geslagen heeft, ter dood gebracht worden, want hij is een moordenaar. De bloedwreker kan de moordenaar doden, zodra hij hem aantreft.
Num. 35,22 Maar heeft iemand een ander onopzettelijk, zonder dat er van vijandschap sprake kon zijn, neergestoten of zonder voorbedachten rade een of ander voorwerp naar hem gegooid,
Num. 35,23 of heeft iemand zonder het te merken een steen die de dood kon veroorzaken op hem laten vallen, terwijl er van vijand schap geen sprake was en hij hem geen kwaad wilde, en sterft de ander daaraan,
Num. 35,24 dan moet de gemeenschap uitspraak doen tussen hem die de dood heeft veroorzaakt, en de bloedwreker. Daarbij gelden de volgende regels.
Num. 35,25 De gemeenschap moet hem die de dood heeft veroorzaakt, uit de hand van de bloedwreker redden en hem weer naar de vrije stad brengen waarheen hij de wijk had genomen. Hij moet daar blijven tot de dood van de hogepriester die met heilige olie gezalfd is.
Num. 35,26 Indien hij die de dood veroorzaakt heeft, het grondgebied van de vrijstad waarheen hij gevlucht is, verlaat
Num. 35,27 en de bloedwreker hem vindt buiten het gebied van de vrijstad en hem neerslaat, dan rust er op de bloedwreker geen schuld.
Num. 35,28 De ander had tot de dood van de hogepriester in de vrijstad moeten blijven. Maar na de dood van de hogepriester kan hij terugkeren naar de grond die hij bezit.
Num. 35,29 Dat zijn de wettelijke voorschriften die gelden voor u en voor alle toekomstige geslachten, waar gij ook woont.
Num. 35,30 Heeft iemand een mens doodgeslagen, dan brengt men, op verklaring van getuigen, de moordenaar ter dood; een getuige volstaat echter niet om over iemand het doodvonnis uit te spreken.
Num. 35,31 Gij moogt geen losprijs aannemen voor het leven van een moordenaar die de dood verdiend heeft; hij moet ter dood gebracht worden.
Num. 35,32 Ook moogt gij geen losprijs aannemen voor iemand die naar een vrijstad moest uitwijken wanneer die voor de dood van de hogepriester weer op zijn grond wil gaan wonen.
Num. 35,33 Gij moogt het land waarin gij woont, niet ontwijden. Bloed ontwijdt het land en wanneer er bloed vergoten is wordt voor het land geen verzoening bewerkt, tenzij door het bloed van hem die het vergoten heeft.
Num. 35,34 Bezoedel dus het land niet waar gij woont en waar ook Ik verblijf, want Ik, Jahwe, verblijf te midden van de IsraŽlieten.
 
Num. 36,1 De familiehoofden van het geslacht van de zonen van Gilead, zoon van Makir, de zoon van Manasse, een van de geslachten van de Jozefieten, kwamen naar Mozes en naar de leiders, de familiehoofden van de IsraŽlieten. Zij namen het woord
Num. 36,2 en zeiden: `Jahwe heeft mijn heer bevolen door loting het land toe te wijzen aan de IsraŽlieten en aan mijn heer is door Jahwe bevolen het bezit van onze broeder Selofchad aan zijn dochters te geven.
Num. 36,3 Indien zij huwen met mannen uit andere IsraŽlitische stammen, dan wordt dat bezit afgenomen van het bezit van onze vaderen en gevoegd bij het bezit van de stam waartoe zij gaan behoren; het wordt afgenomen van het bezit dat ons door het lot is toegewezen.
Num. 36,4 Wanneer de IsraŽlieten het jubeljaar vieren, zou haar bezit voorgoed gevoegd worden bij het bezit van de stam waartoe zij behoren en zou haar bezit voorgoed worden afgenomen van het bezit van de stam van onze vaderen.'
Num. 36,5 Toen gaf Mozes in opdracht van Jahwe aan de IsraŽlieten het volgende bevel: `Wat de stam van de Jozefieten zegt, is juist.
Num. 36,6 Daarom schrijft Jahwe met betrekking tot de dochters van Selofchad het volgende voor: Zij kunnen huwen met wie zij willen, als het maar met iemand is uit een geslacht van haar eigen stam.
Num. 36,7 Het erfbezit mag namelijk niet van de ene stam op de andere overgaan. De IsraŽlieten moeten het bezit van de stam van hun vaderen behouden.
Num. 36,8 Ieder meisje, dat onder de stammen van de IsraŽlieten bezit verwerft, moet huwen met iemand uit een geslacht van haar eigen stam, zodat alle IsraŽlieten het bezit van hun vader behouden.
Num. 36,9 Het mag niet van de ene stam op de andere overgaan, maar de stammen van de IsraŽlieten moeten elk hun eigen bezit behouden.'
Num. 36,10 De dochters van Selofchad deden wat Jahwe aan Mozes bevolen had.
Num. 36,11 Machla, Tirsa, Chogla, Milka en Noa, de dochters van Selofchad, huwden met de zonen van haar ooms.
Num. 36,12 Zij huwden in de geslachten van de zonen van Manasse, de zoon van Jozef, zodat haar bezit bleef bij de stam waartoe het geslacht van haar vader behoorde.
Num. 36,13 Dat zijn de bevelen en voorschriften die Jahwe door Mozes aan de IsraŽlieten heeft gegeven in de vlakte van Moab, aan de Jordaan bij Jericho.

Deuteronomium

Deut. 1,1 Dit is de rede die Mozes aan de overzijde van de Jordaan voor heel IsraŽl gehouden heeft, in de Araba bij Suf, tussen Paran en Tofel, Laban, Chaserot en Di-zahab.
Deut. 1,2 De afstand van de Horeb tot aan Kades-barnea langs de weg door het seÔrgebergte is elf dagreizen.
Deut. 1,3 Toen Mozes in opdracht van Jahwe zijn rede tot de IsraŽlieten hield, was het het veertigste jaar, de eerste dag van de elfde maand.
Deut. 1,4 Mozes had Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon woonde, en Og, de koning van Basan die in Astarot en Edrei woonde, verslagen.
Deut. 1,5 Aan de overzijde van de Jordaan, in Moab, begon hij toen deze wet af te kondigen. Hij zei:
Deut. 1,6 Jahwe onze God heeft bij de Horeb tot ons gezegd: `Gij zijt nu lang genoeg bij deze berg gebleven.
Deut. 1,7 Trek verder naar het bergland van de Amorieten en naar hun naburen in de Araba, in het bergland, in de Sefela, in de Negeb en aan de zeekust, het gebied van de Kanašnieten, en de Libanon tot aan de grote rivier, de Eufraat.
Deut. 1,8 Aan u geef Ik dat land in handen. Ga dus bezit nemen van het land, dat Jahwe aan uw vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heeft, aan hen en aan hun nageslacht.'
Deut. 1,9 In die tijd heb ik tot u gezegd: `Ik kan de zorg voor u niet meer alleen dragen.
Deut. 1,10 Jahwe uw God heeft u vandaag al even talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel.
Deut. 1,11 En ik hoop dat Jahwe, de God van uw vaderen, u nog duizend maal zo talrijk maakt en u zijn zegen schenkt, zoals Hij beloofd heeft.
Deut. 1,12 Het is voor mij niet meer mogelijk alle zorgen, lasten en onenigheden, die zich bij u voordoen, alleen te dragen.
Deut. 1,13 Wijs daarom uit elke stam verstandige, kundige en ervaren mannen aan; dan zal ik die als uw leiders aanstellen.'
Deut. 1,14 Gij hebt daarop geantwoord: `Dat is een uitstekend voorstel.'
Deut. 1,15 Toen heb ik uw stamhoofden, verstandige en ervaren mannen, als leiders over u aangesteld, aanvoerders van duizend en honderd, aanvoerders van vijftig en tien, en ook nog schrijvers, uit elke stam.
Deut. 1,16 Uw rechters heb ik toen voorgehouden: `Gij moet beide partijen horen en rechtvaardig vonnis vellen, zowel bij rechtszaken met volksgenoten als met vreemdelingen.
Deut. 1,17 Ge moogt bij het rechtspreken niemand naar de ogen zien: ge moet de mindere man even goed gehoor verlenen als de hooggeplaatste. Ge moet u door niemand laten intimideren, want de rechtspraak is iets van God. Als een zaak te moeilijk voor u is, moet ge die aan mij voorleggen; dan zal ik die behandelen.'
Deut. 1,18 Zo heb ik indertijd uw taak omschreven.
Deut. 1,19 Daarop zijn wij van de Horeb weggegaan en zijn wij, op bevel van Jahwe, zoals gijzelf hebt meegemaakt, door die grote en verschrikkelijke woestijn getrokken in de richting van het bergland van de Amorieten, tot wij in Kades-barnea kwamen.
Deut. 1,20 Ik heb u toen gezegd: `Gij hebt nu het bergland van de Amorieten bereikt, dat Jahwe onze God ons schenkt.
Deut. 1,21 Jahwe uw God heeft u dit land overgeleverd. Trek op en neem het in bezit, zoals Jahwe de God van uw vaderen u beloofd heeft. Vrees niet en wees niet bang!'
Deut. 1,22 Maar toen zijt ge met u allen naar mij toe gekomen en hebt gezegd: `Laat ons eerst enkele mannen vooruitsturen om het land te verkennen en ons in te lichten over de weg die wij moeten nemen, en over de steden waar wij zullen komen.'
Deut. 1,23 Omdat dit voorstel mij verstandig leek, heb ik twaalf mannen aangewezen, een uit elke stam.
Deut. 1,24 Die zijn op weg gegaan, het gebergte in. Zij zijn tot het dal Eskol doorgedrongen en hebben dat verkend;
Deut. 1,25 zij hebben vruchten van het land geplukt en die mee naar beneden gebracht. En toen zij ons verslag uitbrachten, hebben zij gezegd: `Het land dat Jahwe onze God ons schenkt is een heerlijk land.'
Deut. 1,26 Maar gij hebt er toen niet heen willen trekken; ge zijt in verzet gekomen tegen Jahwe uw God.
Deut. 1,27 Ge hebt in uw tenten zitten morren en gezegd: `Jahwe haat ons! Hij heeft ons uit Egypte geleid en nu laat Hij ons in de handen van de Amorieten vallen om ons uit te roeien!
Deut. 1,28 Waar trekken wij toch naar toe? Onze broeders hebben ons de moed benomen door te zeggen: `De mensen daar zijn groter en langer dan wij; de steden zijn groot en de vestingmuren hemel hoog. Wij hebben er zelfs Enakieten gezien.'
Deut. 1,29 Ik heb u nog gezegd: `Wees voor hen niet bang of bevreesd.
Deut. 1,30 Jahwe uw God gaat voor u uit. Hij zal zelf voor u strijden, juist zoals Hij dat in Egypte voor uw eigen ogen heeft gedaan,
Deut. 1,31 en in de woestijn, waar gij ervaren hebt hoe Jahwe uw God u gedragen heeft zoals iemand zijn zoon draagt, heel de lange tocht tot hier toe.'
Deut. 1,32 Maar desondanks hebt ge geen vertrouwen gesteld in Jahwe uw God,
Deut. 1,33 in Hem die onderweg voor u uitging op zoek naar een legerplaats, 's nachts in een vuurgloed om u de weg te wijzen die ge moest gaan, en overdag in een wolk.
Deut. 1,34 Toen Jahwe uw gepraat hoorde, is Hij kwaad geworden en heeft gezworen:
Deut. 1,35 `Niet een van die mannen, dat verdorven geslacht, zal het heerlijke land aanschouwen, dat Ik uw vaderen onder ede beloofd heb,
Deut. 1,36 behalve Kaleb, zoon van Jefunne. Aan hem en zijn kinderen zal Ik het land schenken dat hij heeft verkend, want hij is Jahwe in alles trouw gebleven.'
Deut. 1,37 Ook op mij is Jahwe door uw schuld kwaad geworden; Hij heeft mij gezegd: `Gij zult er evenmin binnengaan,
Deut. 1,38 maar wel Jozua, zoon van Nun, uw helper. Spreek hem moed in, want hij zal IsraŽl in bezit stellen van het land.
Deut. 1,39 Ook uw kleine kinderen, die volgens uw zeggen een prooi voor de vijand zouden zijn, uw zonen, die nu nog geen goed van kwaad kunnen onderscheiden, zij zullen er binnengaan; aan hen zal Ik het schenken en zij zullen het in bezit nemen.
Deut. 1,40 Maar gij moet nu opnieuw de woestijn intrekken, in de richting van de Rietzee.'
Deut. 1,41 Toen hebt ge geantwoord: `Wij hebben misdaan tegen Jahwe! Wij zullen optrekken en de strijd beginnen, zoals Jahwe onze God heeft bevolen.' Ieder van uw gordde zijn wapens aan, alsof het ineens gemakkelijk was het bergland in te trekken.
Deut. 1,42 Maar Jahwe sprak tot mij: `Zeg hun dat ze niet optrek ken en de strijd niet beginnen, want Ik zal niet met hen zijn; en dan zouden ze door de vijand verslagen worden.'
Deut. 1,43 Ik heb u die woorden overgebracht, maar ge hebt niet willen luisteren; ge hebt u verzet tegen Jahwe en zijt toch zo vermetel geweest om het bergland in te trekken.
Deut. 1,44 De Amorieten in dat bergland zijn tegen u uitgerukt, als bijen hebben ze u achtervolgd, en van seÔr af tot Chorma toe op u ingeslagen.
Deut. 1,45 Na uw terugkeer hebt ge voor Jahwe een weeklacht aangeheven, maar Hij heeft niet naar u geluisterd en u niet verhoord.
Deut. 1,46 Daarom zijt ge zo lang in Kades gebleven.
 
Deut. 2,1 Daarna zijn wij opnieuw de woestijn in getrokken in de richting van de Rietzee, zoals Jahwe mij had opgedragen, en lange tijd zijn wij om het seÔrgebergte heengetrokken.
Deut. 2,2 Toen heeft Jahwe mij gezegd:
Deut. 2,3 `Ge zijt lang genoeg om dit gebergte heengetrokken, ga nu naar het noorden
Deut. 2,4 en geef het volk dit bevel: Gij komt nu dwars door het gebied van uw broeders, de zonen van Esau die in seÔr wonen. Zij zullen bang voor u zijn, maar ge moet er wel voor zorgen
Deut. 2,5 geen strijd met hen aan te gaan, want Ik zal u van hun land zelfs geen voetbreed geven: aan Esau immers heb Ik het seÔrgebergte in eigendom gegeven.
Deut. 2,6 Het voedsel dat ge nodig hebt moet ge tegen betaling van hen kopen, en het drinkwater eveneens.
Deut. 2,7 Gij weet toch dat Jahwe uw God alles wat gij doet gezegend heeft: Hij heeft voor u gezorgd op uw tocht door die grote woestijn; al die veertig jaren is Jahwe uw God met u geweest, zodat het u aan niets heeft ontbroken.'
Deut. 2,8 Zo zijn wij dan langs onze broeders getrokken, langs de zonen van Esau die in seÔr wonen, zonder op de weg te komen die vanuit Elat en Esjon-geber door de Araba loopt. Daarop zijn wij een andere richting uitgegaan en door de woestijn van Moab getrokken. 9 Jahwe heeft mij toen gezegd: `Val de Moabieten niet aan en begin geen oorlog tegen hen, want Ik zal u van hun land niets in eigendom geven.
Deut. 2,10 Vroeger woonden daar Emieten, een groot en talrijk volk; zij waren even lang als de Enakieten.
Deut. 2,11 Evenals de Enakieten rekende men hen tot de Refaieten, maar de Moabieten noemden hen Emieten.
Deut. 2,12 In seÔr woonden vroeger Chorieten, maar de zonen van Esau hebben hen verdreven en uitgeroeid en zich daar in hun plaats gevestigd, juist zoals de IsraŽlieten gedaan hebben met het land dat Jahwe hun in eigendom heeft gegeven.
Deut. 2,13 Steek nu de Zered over.' Wij zijn de Zered overgestoken.
Deut. 2,14 Onze tocht vanaf Kadesbarnea tot het oversteken van de Zered had achtendertig jaar geduurd, zo lang dat de generatie weerbare mannen geheel uit het kamp was verdwenen, zoals Jahwe had gezworen.
Deut. 2,15 Jahwe had ook ingegrepen om hen tot de laatste man uit het kamp te doen verdwijnen.
Deut. 2,16 Toen al die weerbare mannen door de dood uit het volk waren verdwenen,
Deut. 2,17 heeft Jahwe mij gezegd:
Deut. 2,18 `Ge trekt nu bij Ar de grens van Moab over
Deut. 2,19 en komt dan in de buurt van de Ammonieten. Ge moogt hen niet aanvallen en geen oorlog tegen hen beginnen, want Ik zal u van hun land niets in eigendom geven.
Deut. 2,20 Ook dit werd als gebied van de Refaieten beschouwd, die daar vroeger gewoond hebben. Bij de Ammonieten heetten zij Zamzummieten.
Deut. 2,21 Zij waren een groot en talrijk volk, en even lang als de Enakieten; maar Jahwe had hen voor de Ammonieten weggevaagd, zodat dezen hen verdreven en zich daar in hun plaats gevestigd hebben.
Deut. 2,22 Voor de zonen van Esau die in seÔr wonen had Jahwe hetzelfde gedaan: voor hen heeft Hij de Chorieten weggevaagd, zodat zij hen verdreven en tot op heden in hun plaats wonen.
Deut. 2,23 Zo is het ook de Awwieten vergaan die woonden in de dorpen tot Gaza toe; de Kaftorieten, uit Kaftor afkomstig, hebben hen weggevaagd en zich daar in hun plaats gevestigd.
Deut. 2,24 Trek nu verder, de Arnon over. Sichon, de Amoritische koning van Chesbon, lever Ik met zijn land aan u over. Begin de verovering en bind de strijd met hen aan.
Deut. 2,25 Vandaag begin Ik bij alle volken onder de hemel angst en schrik voor u te verspreiden: degenen die van u horen zullen voor u beven en sidderen.'
Deut. 2,26 Toen heb ik vanuit de Kedemotwoestijn boden gezonden naar Sichon, de koning van Chesbon, met dit vredesvoorstel:
Deut. 2,27 `Laat mij door uw land trekken. Ik zal de heerbaan volgen en er rechts noch links van afwijken.
Deut. 2,28 Verkoop mij tegen betaling het voedsel en het drinkwater dat ik nodig heb. Ik vraag van u alleen dat u mij te voet door uw land laat trekken,
Deut. 2,29 zoals ook de zonen van Esau die in seÔr wonen, dat hebben toegestaan. Dan kan ik de Jordaan oversteken naar het land dat Jahwe onze God ons schenkt.'
Deut. 2,30 Maar Sichon, de koning van Chesbon, heeft ons geen doortocht willen verlenen; Jahwe uw God had zijn gemoed verhard en zijn hart verstokt om hem aan u over te leveren, zoals het ook is gebeurd.
Deut. 2,31 Daarop heeft Jahwe mij gezegd: `Nu ga Ik Sichon en zijn land aan u overgeven. Begin de verovering en neem het land in bezit.'
Deut. 2,32 En toen Sichon zelf met heel zijn leger tegen ons was uitgetrokken, in de richting van Jahas,
Deut. 2,33 heeft Jahwe onze God hem aan ons overgeleverd; wij hebben hem verslagen met zijn zonen en zijn hele legermacht.
Deut. 2,34 Al zijn steden hebben wij in die dagen veroverd; een voor een hebben wij ze met de ban geslagen, vrouwen en kinderen, zonder iemand in leven te laten.
Deut. 2,35 Maar het vee hebben we buitgemaakt met alles wat er in de veroverde steden te plunderen viel.
Deut. 2,36 Vanaf Aroer aan de oever van de Arnon en de stad in het dal tot Gilead toe heeft geen enkele stad ons kunnen weerstaan: Jahwe onze God heeft ze allemaal aan ons overgeleverd.
Deut. 2,37 Alleen tegen het land van de Ammonieten, heel het gebied langs de Jabbok en de steden in het bergland, zijt gij niet opgetrokken, omdat Jahwe onze God dat verboden had.
 
Deut. 3,1 Daarna zijn wij de weg naar Basan opgegaan. En toen Og, de koning van Basan, met zijn hele leger tegen ons ten strijde trok, bij Edrei,
Deut. 3,2 heeft Jahwe mij gezegd: `Wees niet bang voor hem, want Ik heb hem met zijn leger en zijn land aan u overgeleverd. Ge moet hem op dezelfde wijze behandelen als Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon woonde.'
Deut. 3,3 Zo heeft Jahwe onze God ook Og, de koning van Basan, met zijn hele leger aan ons overgeleverd. Wij hebben hem verslagen en niemand in leven gelaten.
Deut. 3,4 Indertijd hebben wij al zijn steden ingenomen; geen stad die wij niet op hen veroverd hebben: zestig steden, heel de streek Argob, het koninkrijk van Og in Basan,
Deut. 3,5 allemaal versterkte steden met hoge muren, met poorten en grendels, zonder te spreken van de zeer vele onversterkte plaatsen op het land.
Deut. 3,6 Wij hebben ze met de ban geslagen evenals Sichon, de koning van Chesbon, met mannen, vrouwen en kinderen.
Deut. 3,7 Maar het vee en wat er in die steden te plunderen viel, hebben wij buitgemaakt.
Deut. 3,8 Zo hebben wij in die tijd op de beide Amoritische koningen het land aan de overkant van de Jordaan veroverd: van Aroer tot het Hermongebergte
Deut. 3,9 de Sidoniers noemen de Hermon Sirjon, de Amorieten Senir -,
Deut. 3,10 alle steden op de hoogvlakte, heel Gilead en heel Basan tot Salka en Edrei, steden van het koninkrijk van Og in Basan.
Deut. 3,11 - Og, de koning van Basan, was de laatste van de Refaieten. Hij had een ijzeren bed, dat nu nog in Rabbat-ammon staat; het is negen el lang en vier el breed, volgens de gewone el.
Deut. 3,12 Dit land hebben wij in die tijd in bezit genomen. Het gebied vanaf Aroer aan de oever van de Arnon met het halve bergland van Gilead en de steden die daar liggen heb ik aan de Rubenieten en Gadieten overgedragen.
Deut. 3,13 De rest van Gilead met heel Basan, het koninkrijk van Og, heb ik aan de halve stam Manasse overgedragen. - Heel de streek Argob met heel Basan heette land van de Refaieten.
Deut. 3,14 Jair, zoon van Manasse, veroverde heel de streek Argob tot aan het grensgebied van de Gesurieten en Maakatieten. Hij noemde die - namelijk Basan - naar zijn eigen naam dorpen van Jair, zoals ze nu nog heten.
Deut. 3,15 Aan Makir heb ik Gilead overgedragen;
Deut. 3,16 aan de Rubenieten en Gadieten het gebied van Gilead tot aan de Arnon, met het midden van de rivier als grens, en tot de Jabbok, de grens met de Ammonieten,
Deut. 3,17 de Araba met de Jordaan als grens vanaf Kinneret tot aan de zee van de Araba, de Zoutzee, aan de voet van de hellingen van de Pisga in het oosten.
Deut. 3,18 In die tijd heb ik u bevolen: `Jahwe uw God heeft u dit land wel in bezit gegeven, maar toch moeten al uw strijdbare mannen oversteken aan de spits van uw broeders, de IsraŽlieten.
Deut. 3,19 Alleen uw vrouwen en kinderen en uw vee - want ik weet dat gij een grote veestapel hebt - mogen in de steden blijven, die ik aan u heb overgedragen.
Deut. 3,20 Pas als Jahwe uw God uw broeders rust heeft doen vinden evenals u, en ook zij aan de andere kant van de Jordaan het land in bezit genomen hebben dat Jahwe uw God hun schenkt, pas dan mag ieder van u terugkeren naar de bezittingen die ik u geschonken hebt.'
Deut. 3,21 En Jozua heb ik in die tijd ingescherpt: `U hebt met eigen ogen gezien, wat Jahwe uw God met die twee koningen heeft gedaan.
Deut. 3,22 Zo zal Jahwe uw God doen met alle koninkrijken waar u komt. U hoeft niet bang voor hen te zijn: Jahwe uw God, Hij strijdt voor u.'
Deut. 3,23 In die tijd heb ik Jahwe gesmeekt: `
Deut. 3,24 Jahwe, mijn Heer, Gij hebt mij het begin laten zien van uw grote macht en uw sterke hand. Er is geen god in de hemel of op de aarde, die zulke werken en zulke machtige daden verricht als Gij!
Deut. 3,25 Ik bid U, laat mij oversteken, en laat mij aan de andere kant van de Jordaan dat heerlijke land aanschouwen, dat prachtige gebergte en de Libanon.'
Deut. 3,26 Maar om u bleef Jahwe toornig op mij en Hij heeft mij niet verhoord. Hij heeft mij gezegd: `Nu is het genoeg: spreek Mij daar niet meer over!
Deut. 3,27 Beklim de top van de Pisga en kijk naar het westen en het noorden, naar het zuiden en het oosten. Geef uw ogen goed de kost, want ge zult de Jordaan niet oversteken.
Deut. 3,28 Draag uw taak aan Jozua over, sterk hem en spreek hem moed in. Want hij zal bij de overtocht voor het volk uitgaan, hij zal het in bezit stellen van het land dat gij ziet.'
Deut. 3,29 Wij verbleven toen in de vallei nabij Bet-peor.
 
Deut. 4,1 Luister dan, IsraŽl, naar de voorschriften en bepalingen die ik u leer, en handel daarnaar. Dan zult gij leven en bezit gaan nemen van het land dat Jahwe, de God van uw vaderen, u schenkt.
Deut. 4,2 Aan wat ik u voorschrijf, moogt gij niets toevoegen en er niets van afdoen; ge moet de geboden van Jahwe uw God onder houden die ik u geef.
Deut. 4,3 Met eigen ogen hebt gij gezien wat Jahwe uw God in Bašl-peor gedaan heeft: iedereen die achter Bašl-peor was aangelopen, heeft Hij uit uw midden uitgeroeid.
Deut. 4,4 Maar Gij die trouw zijt gebleven aan Jahwe uw God, gij zijt allen vandaag nog in leven.
Deut. 4,5 Ik heb u nu de voorschriften en bepalingen geleerd, zoals Jahwe uw God mij heeft opgedragen. Handel ernaar in het land dat gij in bezit gaat nemen
Deut. 4,6 en breng ze stipt ten uitvoer, want daaruit zal voor de volken uw wijsheid en uw inzicht blijken. Als zij al deze voorschriften horen, zullen ze zeggen: `Dat machtige volk is wijs en verstandig.'
Deut. 4,7 Is er soms een andere grote natie, aan wie hun goden zo nabij zijn als Jahwe onze God ons nabij is, zo vaak wij Hem aanroepen?
Deut. 4,8 Of is er een andere grote natie die zulke volmaakte voorschriften en bepalingen heeft als de wet die ik u heden geef?
Deut. 4,9 Wees dus op uw hoede en zorg er voor, dat gij niet vergeet wat gij met eigen ogen gezien hebt. Laat dat uw leven lang niet uit uw gedachten gaan en geef het door aan uw kinderen en kleinkinderen:
Deut. 4,10 het was de dag dat gij bij de Horeb voor Jahwe uw God hebt gestaan, omdat Hij mij gezegd had: `Breng het volk bijeen; Ik wil hen toespreken, zodat zij Mij leren vrezen, al de dagen dat zij in het land leven, en zodat ook hun kinderen leren dat te doen.'
Deut. 4,11 Op die dag zijt gij volk bij de voet van de berg gaan staan. De berg was een laaiende vuurzee, tot hoog aan de hemel, met duisternis en donkere wolken.
Deut. 4,12 En uit het vuur heeft Jahwe uw God tot u gesproken. Gij hebt toen wel zijn woorden gehoord, maar geen gestalte gezien. Er was alleen maar een stem.
Deut. 4,13 Jahwe heeft u toen zijn verbond geopenbaard en u bevolen het uit te voeren: de tien geboden die Hij toen op twee stenen platen heeft gegrift.
Deut. 4,14 En mij heeft Jahwe in die tijd bevolen u te onderrichten in de voorschriften en bepalingen die gij moet volbrengen in het land dat ge aan de overkant in bezit gaat nemen.
Deut. 4,15 Omdat gij geen gestalte gezien hebt, toen Jahwe u bij de Horeb uit het vuur heeft toegesproken, moet gij zorgen,
Deut. 4,16 u niet te bezondigen door beelden te maken van welke gestalte dan ook: of het nu de vorm van een man of een vrouw is,
Deut. 4,17 de vorm van een dier, dat op het land leeft, de vorm van een vogel, die langs de hemel vliegt,
Deut. 4,18 de vorm van een of ander kruipend gedierte of de vorm van een vis, die in het water onder de aarde leeft.
Deut. 4,19 En als gij uw ogen naar de hemel heft en daar de zon, de maan, de sterren of een ander hemellichaam ziet, laat u dan niet verleiden om u voor hen neer te buigen en hen te vereren. Jahwe uw God heeft hen toebedeeld aan de andere volken onder de hemel.
Deut. 4,20 U echter heeft Jahwe uitgekozen en uit Egypte, die ijzeroven, gevoerd om zijn eigen volk te zijn, zoals gij heden zijt.
Deut. 4,21 Omdat Jahwe door uw schuld op mij vertoornd was, heeft Hij gezworen dat ik de Jordaan niet zou oversteken en niet zou binnengaan in het heerlijke land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft.
Deut. 4,22 Ik zal dus hier in dit land sterven zonder de Jordaan over te steken. Maar gij zult oversteken en bezit nemen van dat heerlijke land.
Deut. 4,23 Zorg dat gij dan het verbond niet vergeet, door Jahwe uw God met u gesloten, en dat gij zijn verbod niet overtreedt door beelden te maken, van welke gestalte ook.
Deut. 4,24 Want Jahwe uw God is een verslindend vuur, een jaloerse God.
Deut. 4,25 Als gij kinderen en kleinkinderen hebt gekregen en ingeburgerd zijt in het land, en u dan bezondigt door beelden te maken in welke vorm dan ook, door te doen wat Jahwe uw God mishaagt, zodat ge zijn toorn opwekt,
Deut. 4,26 dan neem ik heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen, dat ge spoedig verdwenen zult zijn uit het land dat ge aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen. In plaats van daar lang te leven zult ge volledig worden uitgeroeid.
Deut. 4,27 Verstrooien zal Jahwe u onder de volken, en slechts een klein getal zal er van u overblijven onder de volken, waar Jahwe u heendrijft.
Deut. 4,28 Daar zult gij goden kunnen vereren, maaksels van mensen handen, van hout en van steen, die niet zien of horen, niet eten of ruiken.
Deut. 4,29 Maar zoekt gij daar Jahwe uw God weer, dan zult ge Hem vinden, als ge Hem tenminste zoekt met heel uw hart en heel uw ziel.
Deut. 4,30 Wanneer dit alles over u gekomen is en gij geen uitweg meer ziet, dan zult ge tenslotte terugkeren tot Jahwe uw God en luisteren naar zijn woord.
Deut. 4,31 Want Jahwe uw God is een barmhartige God; Hij zal u niet aan uw lot overlaten, Hij wil uw ondergang niet en Hij zal het verbond niet vergeten dat Hij uw vaderen met een eed heeft bevestigd.
Deut. 4,32 Ga de oude tijden maar na die u zijn voorafgegaan, vanaf de dag dat God mensen op de aarde schiep, kijk maar van het ene uiteinde van de hemel tot aan het andere: is er ooit zo iets groots gebeurd of is er ooit iets dergelijks gehoord?
Deut. 4,33 Heeft een volk ooit een god uit het vuur horen spreken zoals gij, en daarbij het leven behouden?
Deut. 4,34 Of heeft ooit een god gepoogd uit een ander volk een volk te komen uitkiezen door beproevingen, door tekenen en wonderen, door oorlogen, met sterke hand en uitgestrekte arm, door grote, schrikwekkende daden, zoals Jahwe uw God die voor uw eigen ogen in Egypte heeft verricht?
Deut. 4,35 Gij hebt dat mogen aanschouwen, om tot de erkenning te komen dat Jahwe uw God is; er is geen ander dan Hij.
Deut. 4,36 Uit de hemel heeft Hij u zijn stem laten horen om u de weg te wijzen, en op aarde heeft Hij u dat grote vuur laten zien, waaruit gij hem hebt horen spreken.
Deut. 4,37 Omdat Hij uw vaderen heeft liefgehad en hun nageslacht heeft uitverkoren, daarom heeft Hij in eigen persoon u met grote macht uit Egypte geleid.
Deut. 4,38 Hij heeft volken, groter en machtiger dan gij, voor u verdreven; Hij heeft u naar hun land gebracht en het u in eigen dom gegeven, zoals het heden is.
Deut. 4,39 Erken dan heden en prent het in uw hart: Jahwe is God in de hemel boven en op de aarde beneden; er is geen ander.
Deut. 4,40 Onderhoud zijn voorschriften en geboden die ik u heden geef. Dan zult gij met uw kinderen gelukkig zijn en lang leven op de grond die Jahwe uw God u voor altijd schenkt.
Deut. 4,41 Toen wees Mozes aan de overkant van de Jordaan drie steden aan
Deut. 4,42 als wijkplaats voor degene die zonder opzet een ander, die hij van te voren niet haatte, heeft doodgeslagen. Door naar een van die steden de wijk te nemen kan hij zijn leven redden.
Deut. 4,43 Het waren Beser in de woestijn op de hoogvlakte voor de Rubenieten, Ramot in Gilead voor de Gadieten en Golan in Basan voor de Manassieten.
Deut. 4,44 Dit is de wet die Mozes de IsraŽlieten heeft opgelegd.
Deut. 4,45 Het zijn de verordeningen, voorschriften en bepalingen die Mozes bij de tocht uit Egypte mondeling aan de IsraŽlieten heeft medegedeeld,
Deut. 4,46 aan de overkant van de Jordaan, in de vlakte bij Bet-peor, in het gebied van Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon woonde. Mozes en de IsraŽlieten hadden hem bij hun komst uit Egypte verslagen
Deut. 4,47 en zijn land in bezit genomen, evenals dat van Og, de koning van Basan, - de twee koningen van de Amorieten aan de oostkant van de Jordaan
Deut. 4,48 vanaf Aroer tot aan het Siongebergte, ook Hermon genoemd,
Deut. 4,49 en heel de Araba ten oosten van de Jordaan tot aan de Dode Zee, aan de voet van de hellingen van de Pisga.
 
Deut. 5,1 Mozes riep heel IsraŽl bijeen en sprak tot hen: IsraŽl, luister naar de voorschriften en bepalingen, die ik heden voor u afkondig. Leer die en volbreng ze nauwgezet.
Deut. 5,2 Jahwe onze God heeft bij de Horeb met ons een verbond gesloten.
Deut. 5,3 Niet met onze voorouders heeft Jahwe dat verbond gesloten, maar met ons, met allen die hier heden nog in leven zijn.
Deut. 5,4 Van aangezicht tot aangezicht heeft Jahwe op de berg vanuit het vuur met u gesproken.
Deut. 5,5 - Ik stond toen tussen Jahwe en u in, om u zijn woorden over te brengen, want uit angst voor het vuur zijt gij de berg niet opgegaan. - Hij heeft gezegd:
Deut. 5,6 `Ik ben Jahwe uw God, die u uit Egypte heeft geleid, dat slavenhuis.
Deut. 5,7 Naast Mij zult gij geen andere goden hebben.
Deut. 5,8 Gij zult geen beelden maken in de vorm van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde.
Deut. 5,9 Ge moogt u niet voor hen neerbuigen en hen niet vereren, want Ik, Jahwe uw God, ben een jaloerse God, die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen tot in het derde en vierde geslacht van hen die Mij verwerpen.
Deut. 5,10 Maar Ik bewijs goedheid tot in het duizendste geslacht van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.
Deut. 5,11 Gij zult de naam van Jahwe uw God niet misbruiken, want Jahwe laat hen die zijn naam misbruiken niet ongestraft.
Deut. 5,12 Onderhoud de sabbat: die moet heilig voor u zijn, zoals Jahwe uw God u heeft geboden.
Deut. 5,13 Zes dagen kunt ge werken en al uw arbeid verrichten,
Deut. 5,14 maar de zevende dag is een sabbat voor Jahwe uw God. Dan moogt ge geen enkele arbeid verrichten, gijzelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw rund niet, uw ezel niet, uw overige vee niet en ook niet de vreemdelingen binnen uw poorten. Dan kunnen uw slaaf en uw slavin uitrusten even als gijzelf.
Deut. 5,15 Bedenk dat gij slaaf zijt geweest in Egypte en dat Jahwe uw God u met sterke hand en uitgestrekte arm uit dat land heeft geleid. Daarom heeft Hij u geboden de sabbat te onderhouden.
Deut. 5,16 Eer uw vader en moeder, zoals Jahwe uw God u heeft geboden. Dan zult ge lang leven en gelukkig zijn op de grond die Hij u schenkt.
Deut. 5,17 Gij zult niet doden.
Deut. 5,18 Gij zult geen echtbreuk plegen.
Deut. 5,19 Gij zult niet stelen.
Deut. 5,20 Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen.
Deut. 5,21 Gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste; ge zult niet uit zijn op het huis van uw naaste, noch op zijn land, zijn slaaf of zijn slavin, zijn rund, of zijn ezel, of iets dat hem toebehoort.'
Deut. 5,22 Deze woorden heeft Jahwe op de berg met luider stem tot heel het vergaderde volk gesproken uit het vuur en de donkere wolk. Hij heeft daar niets meer aan toegevoegd. Hij heeft ze op twee stenen platen gegrift en die aan mij ter hand gesteld.
Deut. 5,23 Maar toen gij uit de duisternis zijn stem had gehoord, terwijl de berg in brand stond, zijt gij met al uw stamhoofden en oudsten naar mij toegekomen.
Deut. 5,24 Gij hebt gezegd: `Jahwe onze God heeft ons zijn grote heerlijkheid laten aanschouwen en wij hebben Hem uit het vuur horen spreken. Wij hebben heden ervaren, dat een mens in leven kan blijven als God tot hem spreekt.
Deut. 5,25 Toch vrezen wij dat het onze dood wordt. Dat geweldige vuur zal ons nog verslinden. Als wij Jahwe onze God nog eens horen spreken, sterven wij.
Deut. 5,26 Niemand heeft ooit de levende God uit het vuur horen spreken zoals wij, en het er levend afgebracht.
Deut. 5,27 Gaat u naar Hem toe om te horen wat Jahwe onze God tot u zegt; en als u dat dan aan ons meedeelt, zullen wij gehoorzamen en het volbrengen.'
Deut. 5,28 Toen Jahwe de voorstellen hoorde die gij mij deedt, zei Hij tot mij: `Ik heb gehoord wat dit volk u heeft voorgesteld. Het is een goed voorstel.
Deut. 5,29 Ik zou wensen dat hun hart zo blijft, dat zij Mij vrezen en altijd mijn geboden onderhouden. Dan zullen zij en hun kinderen voor altijd gelukkig zijn.
Deut. 5,30 Ga naar hen toe en zeg dat zij naar hun tenten terug gaan.
Deut. 5,31 Gijzelf moet dan hier bij Mij blijven. Ik ga u alle geboden, voorschriften en bepalingen meedelen, die gij hen moet leren volbrengen in het land dat Ik hun in bezit geef.'
Deut. 5,32 Breng dus stipt ten uitvoer wat Jahwe uw God u geboden heeft en wijk er rechts noch links van af.
Deut. 5,33 Bewandel van het begin tot het eind de weg die Jahwe u heeft voorgeschreven. Dan zult gij leven. Gij zult gelukkig zijn en lang blijven leven in het land dat gij in bezit gaat nemen.'
 
Deut. 6,1 Dit zijn de geboden, voorschriften en bepalingen die ik u in opdracht van Jahwe uw God moet leren. Gij moet die volbrengen in het land dat ge aan de overkant in bezit gaat nemen,
Deut. 6,2 en heel uw leven met uw kinderen en kleinkinderen Jahwe uw God vrezen door al zijn voorschriften en geboden na te komen die ik u opleg. Dan zult gij lang blijven leven.
Deut. 6,3 Luister dan, IsraŽl, en volbreng ze nauwgezet. Dan zult gij gelukkig zijn en talrijk worden in het land van melk en honing, dat Jahwe de God van uw vaderen u heeft beloofd.
Deut. 6,4 Luister, IsraŽl, Jahwe is onze God, Jahwe alleen!
Deut. 6,5 Gij moet Jahwe uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten.
Deut. 6,6 De geboden die ik u heden voorschrijf, moet ge in uw hart prenten.
Deut. 6,7 Ge moet er met uw kinderen telkens opnieuw over spreken, wanneer ge thuis zijt en onderweg, als ge slapen gaat en opstaat.
Deut. 6,8 Bind ze als een teken op uw hand en als een band op uw voorhoofd.
Deut. 6,9 Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad.
Deut. 6,10 Wanneer Jahwe uw God u in het land gebracht heeft, dat Hij uw vaderen Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heeft, een land met grote en prachtige steden die gij niet gebouwd hebt,
Deut. 6,11 met huizen vol kostbare dingen die gij, niet gevuld hebt, met gehouwen regenbakken die gij niet hebt uitgekapt, met wijngaarden en olijfbomen die gij niet hebt geplant, en wanneer gij dan in overvloed te eten hebt,
Deut. 6,12 zorg er dan voor Jahwe niet te vergeten, die u uit Egypte heeft geleid, dat slavenhuis.
Deut. 6,13 Gij moet Jahwe uw God vrezen, Hem dienen en zweren bij zijn naam.
Deut. 6,14 Gij moogt niet achter andere goden aanlopen, de goden van de volken om u heen.
Deut. 6,15 Want Jahwe uw God die bij u is, is een jaloerse God; Hij zou vertoornd op uw worden en u wegvagen uit het land.
Deut. 6,16 Gij zult Jahwe uw God niet tarten zoals ge dat in Massa hebt gedaan.
Deut. 6,17 Gij moet de geboden van Jahwe uw God stipt nakomen, de verordeningen en voorschriften die Hij u heeft gegeven.
Deut. 6,18 Gij moet u richten naar Jahwe's wens en wil. Dan zult gij gelukkig zijn en bezit gaan nemen van het heerlijke land dat Jahwe uw vaderen onder ede beloofd heeft.
Deut. 6,19 Al uw vijanden zal Hij voor u verjagen, zoals Hij beloofd heeft.
Deut. 6,20 Wanneer uw zoon u later vraagt: `Wat betekenen toch die verordeningen, bepalingen en voorschriften, die Jahwe onze God u gegeven heeft'
Deut. 6,21 dan moet gij hem antwoorden: `Wij waren slaven van Farao in Egypte, maar Jahwe heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid.
Deut. 6,22 Voor onze eigen ogen heeft Hij Egypte, Farao en heel zijn hof met grote, schrikwekkende tekenen en wonderen getroffen.
Deut. 6,23 Maar ons heeft Hij vandaar weggeleid om ons te brengen naar het land dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had.
Deut. 6,24 Daarom heeft Jahwe onze God ons geboden al deze voor schriften te volbrengen en Hem te vrezen. Dan zullen wij altijd gelukkig zijn en zal Hij ons leven schenken, zoals thans het geval is.
Deut. 6,25 Daarom is het onze plicht tegenover Jahwe onze God, nauwgezet alle geboden te volbrengen die Hij ons gegeven heeft.'
 
Deut. 7,1 Wanneer Jahwe uw God u in het land heeft gebracht dat gij in bezit gaat nemen, en hij vele volken voor u verdrijft, de Hethieten, Girgasieten, Amorieten, Kanašnieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, zeven volken talrijker en sterker dan gijzelf,
Deut. 7,2 en wanneer Jahwe uw God ze aan u overlevert, zodat gij ze verslaat, dan moet gij ze met de ban slaan. Gij moogt geen verbond met hen aangaan en geen medelijden met hen hebben.
Deut. 7,3 Gij moogt geen familiebanden met hen aanknopen: uw dochters moogt gij niet aan een van hun zonen geven, noch voor uw zoon een van hun dochters kiezen.
Deut. 7,4 Zij zouden uw kinderen van Mij vervreemden, zodat ze andere goden gaan vereren. En dan zou Jahwe's toorn tegen u ontbranden en zou Hij u spoedig wegvagen.
Deut. 7,5 Neen, zo moet gij tegen hen optreden; hun altaren moet ge neerhalen, hun heilige stenen verbrijzelen, hun heilige bomen omhakken en hun godenbeelden verbranden.
Deut. 7,6 Want gij zijt een volk, dat aan Jahwe uw God gewijd is. U heeft Hij onder alle volken op aarde uitverkoren om zijn eigen volk te zijn.
Deut. 7,7 Niet omdat gij talrijker zijt dan de andere volken heeft Jahwe zich aan u verbonden en u uitverkoren, want gij zijt het kleinste van alle volken;
Deut. 7,8 maar omdat Jahwe u liefhad en Hij de eed aan uw vaderen gestand wilde doen, daarom heeft Hij u met sterke hand uit het slavenhuis geleid en u verlost uit de macht van Farao, de koning van Egypte.
Deut. 7,9 Erken dan dat Jahwe uw God inderdaad God is, de getrouwe God, die het verbond gestand doet en vol erbarmen is voor wie Hem liefhebben en zijn geboden onderhouden tot in het duizendste geslacht,
Deut. 7,10 maar die degenen die Hem verwerpen in hun eigen persoon straft en te gronde richt, hen persoonlijk. Hij wacht niet: iemand die Hem verwerpt, straft Hij, hem persoonlijk.
Deut. 7,11 Volbreng dus de geboden, voorschriften en bepalingen die ik u heden voorschrijf.
Deut. 7,12 Wanneer gij aan deze bepalingen gehoor geeft en ze nauwgezet volbrengt, dan zal Jahwe uw God het genadig verbond gestand doen, dat Hij met uw vaderen onder ede heeft gesloten.
Deut. 7,13 Hij zal u liefhebben, zegenen en talrijk maken. Zegenen zal Hij de vrucht van uw schoot en de vrucht van uw grond, uw koren, most en olie, de worp van uw runderen en de aanwas van uw kleinvee, op de grond die Hij uw vaderen onder ede beloofd heeft.
Deut. 7,14 Gezegend zult gij zijn boven alle volken. Geen man of vrouw zal bij u onvruchtbaar zijn, en ook uw vee niet.
Deut. 7,15 Jahwe zal u behoeden voor alle ziekten en alle ver schrikkelijke kwalen van Egypte, die gij hebt meegemaakt; Hij zal die niet over u laten komen, maar ze uw vijanden overzenden.
Deut. 7,16 Gij zult alle volken verslinden, die Jahwe uw God in uw macht geeft. Gij moogt u daarbij niet laten vertederen en gij moogt hun goden niet vereren, want dat zou uw ondergang zijn.
Deut. 7,17 Al zoudt gij denken: `Die volken zijn veel talrijker dan ik! Hoe zal ik die ooit kunnen verjagen?',
Deut. 7,18 gij moet toch niet bang voor hen zijn. Denk aan wat Jahwe uw God met Farao en heel Egypte heeft gedaan,
Deut. 7,19 aan de geweldige plagen die gij met eigen ogen hebt gezien, aan de tekenen en de wonderen, aan de sterke hand en uitgestrekte arm, waarmee Jahwe uw God u heeft bevrijd. Op dezelfde wijze zal Jahwe uw God al die volken behandelen, voor wie gij zo bang zijt.
Deut. 7,20 Angst en beven zal Jahwe uw God onder hen doen ontstaan, tot ook de laatsten onder hen die zich voor u hadden verscholen, de dood vinden.
Deut. 7,21 Wees niet angstig voor hen: Jahwe uw God die bij u is, is een grote, een ontzagwekkende God.
Deut. 7,22 Maar Jahwe uw God zal die volken slechts langzaamaan voor u verdrijven gij zult hen niet ineens vernietigen. Anders zouden er in uw land te veel wilde dieren komen.
Deut. 7,23 Jahwe uw God zal hen aan u overleveren en hen in grote verwarring brengen tot zij vernietigd zijn.
Deut. 7,24 Hij zal hun koningen in uw macht geven, zodat gij hun naam onder de hemel kunt wegvagen. Niemand zal u kunnen weerstaan tot gij hen hebt uitgeroeid.
Deut. 7,25 Hun godenbeelden moet gij verbranden. Kijk niet begerig naar het goud en zilver dat eraan zit en eigen u dat niet toe; dat zou uw ongeluk zijn, want Jahwe uw God heeft een afschuw van die dingen.
Deut. 7,26 Gij moogt die afschuwelijke dingen niet in huis halen, anders komt ge zelf ook onder de ban. Gij moet ze met diepe weerzin en afschuw behandelen, want ze liggen onder de ban.
 
Deut. 8,1 Alle geboden die ik u heden voorhoud, moet gij nauwgezet volbrengen. Dan zult gij leven, talrijk worden en bezit gaan nemen van het land dat Jahwe uw vaderen onder ede beloofd heeft.
Deut. 8,2 Blijf denken aan heel die tocht van veertig jaar, die Jahwe uw God u in de woestijn heeft laten maken. Hij heeft u toen vernederd en op de proef gesteld om uw gezindheid te leren kennen: Hij wilde zien of ge zijn geboden zoudt onderhouden of niet.
Deut. 8,3 Hij heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven dat gij noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van Jahwe komt.
Deut. 8,4 De kleren aan uw lijf zijn niet versleten en uw voeten zijn niet gezwollen, al die veertig jaren.
Deut. 8,5 Besef dan dat Jahwe uw God u heeft opgevoed zoals een man zijn eigen zoon opvoedt,
Deut. 8,6 en dat gij de geboden van Jahwe uw God moet onderhouden door zijn wegen te gaan en Hem te vrezen.
Deut. 8,7 Voorwaar, Jahwe uw God brengt u in een heerlijk land, een land met beken vol water, met bronnen en stromen, die op de bergen en in de dalen ontspringen,
Deut. 8,8 een land met tarwe, gerst, wijnstokken, vijgen en granaatappels, een land met vette olijven en honing,
Deut. 8,9 een land waar gij niet zuinig hoeft te zijn met brood en waar het u aan niets ontbreekt, een land waar ijzer zit in het gesteente en waar men koper delft uit de bergen.
Deut. 8,10 Maar als gij daar volop te eten hebt, prijs dan Jahwe uw God om het heerlijke land dat Hij u schonk.
Deut. 8,11 Wacht u ervoor, Jahwe uw God te vergeten, en zijn geboden, voorschriften en bepalingen, die ik u heden opleg, niet na te leven.
Deut. 8,12 En wanneer gij volop te eten hebt, mooie huizen bouwt,
Deut. 8,13 veel runderen en schapen krijgt, zilver en goud op hoopt, zodat al uw bezittingen toenemen,
Deut. 8,14 laat dan uw hart niet hoogmoedig worden, zodat ge Jahwe uw God vergeet, die u uit Egypte, dat slavenhuis, heeft geleid;
Deut. 8,15 die u door die grote en verschrikkelijke woestijn heeft gevoerd, vol giftige slangen en schorpioenen, door dat dorstige land zonder water; die uit de keiharde rots water voor u liet ontspringen;
Deut. 8,16 die u in de woestijn het manna te eten gaf, dat uw vaderen nooit hadden gezien. Hij heeft u vernederd en op de proef gesteld, om u tenslotte wel te doen.
Deut. 8,17 En mocht bij u de gedachte opkomen: `Met mijn eigen kracht en met mijn sterke hand heb ik deze rijkdom verworven,'
Deut. 8,18 bedenk dan, dat het Jahwe uw God is, die u kracht schenkt om rijkdom te verwerven, omdat Hij tot vandaag toe het verbond gestand doet, dat Hij met uw vaderen onder ede heeft gesloten.
Deut. 8,19 En als gij Jahwe uw God vergeet, achter andere goden aanloopt, hen vereert en u voor hen neerbuigt, dan verzeker ik u heden, dat gij zult omkomen.
Deut. 8,20 Zoals Jahwe de volken voor u heeft doen omkomen, zo zult ook gij omkomen, omdat gij niet naar Jahwe uw God hebt geluisterd.
 
Deut. 9,1 Luister, IsraŽl! Heden trekt gij de Jordaan over om volken, groter en machtiger dan gijzelf, uit hun bezit te ver drijven, met grote steden en hemelhoge vestingmuren,
Deut. 9,2 grote en rijzige mensen, de bekende Enakieten, over wie gij het gezegde hebt gehoord: `Wie is tegen de Enakieten bestand?'
Deut. 9,3 Heden zult gij weten dat Jahwe uw God u bij het overste ken voorgaat als een verslindend vuur. Hij zal hen wegvagen en uitroeien, zoals Jahwe uw God u beloofd heeft.
Deut. 9,4 En wanneer Jahwe uw God hen voor u uitjaagt, denk dan niet, dat Hij u in dit land heeft gebracht en het u in bezit heeft gegeven om uw verdiensten; om het goddeloos leven van die volken jaagt Jahwe hen voor u weg.
Deut. 9,5 Niet om uw verdiensten of om de oprechtheid van uw hart gaat gij hun land in bezit nemen, maar om hun goddeloos leven jaagt Jahwe uw God die volken voor u weg, en tevens om de belofte te houden die Hij uw vaderen Abraham, Isaak en Jakob onder ede gedaan heeft.
Deut. 9,6 Erken dus dat Jahwe uw God u dit heerlijke land niet schenkt om uw verdiensten; gij zijt trouwens een hardnekkig volk.
Deut. 9,7 Bedenk en vergeet niet, hoe gij in de woestijn de toorn van Jahwe uw God hebt opgewekt. Van de dag af dat gij uit Egypte zijt getrokken tot uw aankomst op deze plaats zijt gij weerspannig geweest tegen Jahwe.
Deut. 9,8 En bij de Horeb hebt gij Jahwe zo toornig gemaakt, dat Hij u in zijn woede wilde vernietigen.
Deut. 9,9 Ik was de berg opgegaan om de stenen platen in ontvangst te nemen, de oorkonden van het verbond dat Jahwe met u had gesloten. Veertig dagen en veertig nachten was ik op de berg gebleven, zonder te eten of te drinken.
Deut. 9,10 Daarop had Jahwe mij de twee stenen platen gegeven, door de vinger van God beschreven, met alle geboden erop, die Jahwe u op de berg vanuit het vuur had gegeven, op de dag van de samenkomst.
Deut. 9,11 En op het eind van die veertig nachten, toen Jahwe mij de twee stenen platen gegeven had, de oorkonden van het verbond,
Deut. 9,12 zei Hij tot mij: `Sta op en ga vlug naar beneden, want het volk dat gij uit Egypte hebt geleid, is tot zonde vervallen; zij zijn nu al afgeweken van de weg die Ik hun had voorgeschreven; zij hebben een beeld gegoten.'
Deut. 9,13 En Jahwe vervolgde: `Ik heb nu gezien wat een hardnekkig volk het is.
Deut. 9,14 Laat mij begaan! Ik ga hen vernietigen en hun naam van de aarde wegvagen. En dan maak Ik van u een volk dat nog sterker en talrijker is.'
Deut. 9,15 Toen ik mij omkeerde en de berg afkwam, die nog steeds in brand stond, met de twee stenen oorkonden van het verbond in mijn handen,
Deut. 9,16 zag ik met eigen ogen, dat gij tegen Jahwe gezondigd hadt door een gegoten beeld te maken van een stier. Toen waart gij al afgeweken van de weg die Jahwe u had voorgeschreven.
Deut. 9,17 Met beide handen greep ik de twee stenen platen en smeet ze voor uw ogen in stukken.
Deut. 9,18 En evenals de eerste keer heb ik mij voor Jahwe neergeworpen en ben ik veertig dagen en veertig nachten voor Hem blijven liggen zonder te eten of te drinken, vanwege de zonde die gij begaan hadt door tegen Jahwe's wil te handelen en daarmee zijn toorn op te wekken.
Deut. 9,19 Ik was werkelijk bang, dat Jahwe u in zijn toorn en woede zou gaan uitroeien. Maar ook die keer heeft Jahwe mij verhoord.
Deut. 9,20 Ook op Ašron was Jahwe zo vertoornd, dat Hij hem wilde ombrengen. Daarom heb ik toen ook voor Ašron gebeden.
Deut. 9,21 Ik heb daarop die stier, dat zondige maaksel van u, gegrepen, in het vuur gesmeten, in stukken geslagen en tot stof gemalen; en de as heb ik in de beek geworpen die van de berg stroomt.
Deut. 9,22 Ook in Tabera, in Massa en in Kibrot-hattaawa hebt gij Jahwe's toorn opgewekt.
Deut. 9,23 En toen Hij u van Kades-barnea uitzond met de opdracht: `Ga het land in bezit nemen, dat Ik u heb geschonken,' hebt gij u verzet tegen het bevel van Jahwe uw God. Gij hebt niet op Hem vertrouwd en niet naar zijn bevel geluisterd.
Deut. 9,24 Weerspannig zijt gij geweest tegen Jahwe van de dag af dat Hij u heeft uitverkoren.
Deut. 9,25 Ik wierp mij dus voor Jahwe neer. Veertig dagen en veertig nachten ben ik voor Hem blijven liggen, omdat Jahwe gezegd had, dat Hij u wilde vernietigen.
Deut. 9,26 Ik bad tot Jahwe: `Jahwe, mijn Heer, ik smeek U, vernietig uw eigen volk toch niet, dat Gij met grote macht verlost hebt en dat gij met sterke hand uit Egypte hebt geleid.
Deut. 9,27 Denk aan uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob, en let niet op de hardnekkigheid van dit volk, op zijn schuld en zijn zonden.
Deut. 9,28 In het land waaruit gij hen hebt weggevoerd, zou men kunnen zeggen: Jahwe was niet in staat, hen in het land te brengen dat Hij hun beloofd had, of: Hij haatte hen en heeft hen van hier weggevoerd om ze in de woestijn te laten sterven.
Deut. 9,29 Zij zijn toch uw eigen volk, dat Gij met grote kracht en uitgestrekte arm hebt uitgeleid.'
 
Deut. 10,1 Toen sprak Jahwe tot mij: `Houw twee stenen platen precies als de vorige en kom de berg op naar Mij toe; maak ook een ark van hout.
Deut. 10,2 Ik zal in die platen dezelfde woorden griffen als in de andere die gij stukgesmeten hebt. Ge moet die dan in de ark leggen.'
Deut. 10,3 Ik heb een ark van acaciahout gemaakt, ik heb twee stenen platen gehouwen precies als de vorige, en ik ben met die stenen platen de berg opgegaan.
Deut. 10,4 Evenals de eerste keer grifte Hij in de platen de tien geboden, die Hij op de berg vanuit het vuur voor u had afgekondigd, op de dag van de samenkomst. Daarop gaf Jahwe ze aan mij.
Deut. 10,5 Ik ben weer de berg afgekomen en heb de platen neergelegd in de ark, die ik gemaakt had. Daar zijn ze gebleven, zoals Jahwe had bevolen.
Deut. 10,6 De IsraŽlieten vertrokken van Beerot, een stad van de Jaakanieten, naar Mosera. Daar overleed Aaron; hij werd ter plaatse begraven. Zijn zoon Eleazar volgde hem op.
Deut. 10,7 Vandaar trokken zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbat, een streek met veel water.
Deut. 10,8 In die tijd zonderde Jahwe de stam Levi af om de ark van Jahwe's verbond te dragen, om in dienst van Jahwe te staan en te zegenen met zijn naam. Zo is het tot heden toe.
Deut. 10,9 Daarom heeft Levi geen erfdeel, geen eigendom gekregen zoals zijn broeders; zijn eigendom is Jahwe uw God, zoals Hij hem beloofd heeft.
Deut. 10,10 Ik ben dus evenlang op de berg gebleven als de eerste keer, veertig dagen en veertig nachten. En ook ditmaal verhoorde Jahwe mij en zag ervan af u te vernietigen.
Deut. 10,11 Hij zei tot mij: `Sta o en trek voor het volk uit, zodat zij bezit gaan nemen van het land, dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb.'
Deut. 10,12 Welnu dan IsraŽl: wat verlangt Jahwe uw God anders van u dan dat gij Hem vreest en zijn wegen gaat, dat gij Hem bemint en dient met heel uw hart en heel uw ziel,
Deut. 10,13 dat gij de geboden van Jahwe onderhoudt en de voorschriften die ik u heden geef? Dan zult gij gelukkig zijn.
Deut. 10,14 Zie, aan Jahwe uw God behoren de hemel, de hemel der hemelen en de aarde met al wat erop is;
Deut. 10,15 maar alleen met uw vaderen heeft Jahwe zich verbonden, omdat Hij hen liefhad, en uit alle volken heeft Hij u, hun nakomelingen, uitverkoren. Zo is het heden.
Deut. 10,16 Besnijd dan de voorhuid van uw hart en blijf niet langer hardnekkig.
Deut. 10,17 Jahwe uw God is de God der goden en de heer der heren, de grootste, de machtigste, de verhevenste God die, niemand naar de ogen ziet en die zich niet laat omkopen;
Deut. 10,18 die recht doet aan weduwen en wezen, en die aan vreemdelingen zijn liefde bewijst door hun voedsel en kleding te schenken.
Deut. 10,19 Ook gij moet de vreemdeling uw liefde bewijzen, want zelf zijt gij vreemdelingen geweest in Egypte.
Deut. 10,20 Jahwe uw God zult gij vrezen, Hem dienen, Hem aanhangen en bij zijn naam uw eden afleggen.
Deut. 10,21 Hem moet gij loven, Hij is uw God, die voor u in Egypte zulke grote, indrukwekkende dingen heeft gedaan, zoals gij met eigen ogen hebt gezien.
Deut. 10,22 Met zeventig man zijn uw vaderen naar Egypte getrokken en nu heeft Jahwe uw God u even talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel.
 
Deut. 11,1 Gij moet Jahwe uw God beminnen en altijd zijn verordeningen en voorschriften, zijn bepalingen en geboden onderhouden.
Deut. 11,2 Erken heden - en ik spreek nu niet tot uw kinderen, die nog niets verstaan en niets ervaren hebben - erken heden de lessen van Jahwe uw God, zijn grote macht, zijn sterke hand en zijn uitgestrekte arm,
Deut. 11,3 de tekenen en de werken die Hij in Egypte aan Farao, de koning van Egypte, en aan heel zijn land heeft verricht,
Deut. 11,4 die Hij aan het Egyptische leger, dat u met paarden en wagens achtervolgde, heeft verricht door het voorgoed onder de wateren van de Rietzee te bedelven en te doen omkomen;
Deut. 11,5 de tekenen die Hij voor u in de woestijn heeft verricht tot gij hier zijt gekomen;
Deut. 11,6 die Hij aan Datan en Abiram, zonen van de Rubeniet Eliab, heeft verricht, toen de aarde zich opende en van heel IsraŽl alleen hun families, degenen die bij hen woonden en heel hun aanhang, verzwolg.
Deut. 11,7 Met eigen ogen hebt gij toch al die grote werken gezien, die Hij verricht heeft.
Deut. 11,8 Onderhoud daarom al de geboden die ik u heden geef. Dan zult gij sterk genoeg zijn om het land te veroveren dat gij aan de overkant in bezit gaat nemen.
Deut. 11,9 En dan zult gij lang blijven leven op de grond die Jahwe onder ede heeft beloofd aan uw vaderen en aan hun nageslacht, een land van melk en honing.
Deut. 11,10 Het land dat gij in bezit gaat nemen, is een heel ander land als Egypte, waar gij vandaan komt. Dat moest gij na het zaaien zelf bevloeien, als een groentetuin.
Deut. 11,11 Het land dat gij aan de overkant in bezit gaat nemen, is een land met bergen en dalen, dat door regen uit de hemel besproeid wordt;
Deut. 11,12 een land waar Jahwe uw God zorg voor draagt en waarop Hij ononderbroken zijn aandacht gericht houdt, van het begin van het jaar tot het einde.
Deut. 11,13 Als gij metterdaad gehoor geeft aan de geboden die Ik u heden geef, als gij Jahwe bemint en dient met heel uw hart en heel uw ziel,
Deut. 11,14 dan zal Ik uw land op tijd regen schenken, herfstregen en voorjaarsregen, zodat gij er koren, most en olie kunt oogsten
Deut. 11,15 en in het vrije veld zal Ik groen gewas voor uw vee laten groeien. Gij zult er volop te eten hebben.
Deut. 11,16 Zorg ervoor, dat ge uw hart niet laat verleiden, zodat ge afdwaalt, andere goden dient en u voor hen neerbuigt,
Deut. 11,17 want dan zal Jahwe tegen u in toorn ontsteken. Hij zal de hemel sluiten, zodat er geen regen valt; uw grond zal niets opbrengen en ge zult in korte tijd verdwenen zijn uit het heerlijke land dat Jahwe u schenkt.
Deut. 11,18 Prent dan mijn woorden in uw hart en in uw ziel, bind ze als een teken op uw hand en draag ze als een band om uw voorhoofd.
Deut. 11,19 Onderwijs ze aan uw kinderen door er telkens opnieuw met hen over te spreken, wanneer ge thuis zijt of onderweg, wanneer ge slapen gaat en opstaat.
Deut. 11,20 Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad.
Deut. 11,21 Dan zult gij en uw nakomelingen op de grond die Jahwe uw vaderen beloofde even lang blijven leven als de hemel boven de aarde staat.
Deut. 11,22 Als gij de geboden die ik u geef, nauwgezet onder houdt, als gij Jahwe uw God bemint, als ge zijn wegen gaat en Hem aanhangt,
Deut. 11,23 dan zal Hij al die volken voor u verjagen en zult gij volken, groter en machtiger dan gij, uit hun bezit verdrijven.
Deut. 11,24 Iedere plek die uw voeten betreden zal u toebehoren; van de woestijn tot de Libanon en van de Eufraat tot de zee in het westen zal uw gebied zich uitstrekken.
Deut. 11,25 Niemand zal u kunnen weerstaan: in heel het gebied waar gij komt brengt Jahwe uw God ontzag en schrik teweeg, zoals Hij beloofd heeft.
Deut. 11,26 Zo stel ik u heden zegen voor en vloek:
Deut. 11,27 zegen als gij gehoorzaamt aan de geboden van Jahwe, die ik u heden geef;
Deut. 11,28 vloek als gij aan zijn geboden niet gehoorzaamt en afwijkt van de weg die ik u heden voorschrijf, door achter andere goden aan te lopen, die gij niet kent.
Deut. 11,29 En wanneer Jahwe uw God u binnenleidt in het land dat gij in bezit gaat nemen, dan moet gij zegen leggen op de Gerizzim en vloek o de Ebal.
Deut. 11,30 Die liggen aan de overkant van de Jordaan, aan de weg naar het westen, in het gebied van de Kanašnieten die in de Araba wonen, op de hoogte van Gilgal, niet ver van de eik van More.
Deut. 11,31 Als gij de Jordaan overtrekt om bezit te nemen van het land dat Jahwe uw God u schenkt, en als gij het in bezit genomen hebt en daar gevestigd zijt, volbreng dan nauwgezet al de voor schriften en bepalingen die ik u heden geef.
 
Deut. 12,1 Hier volgen de voorschriften en bepalingen die ge in het land, dat Jahwe de God van uw vaderen u in bezit geeft, nauwgezet moet volbrengen, zolang ge op die grond zult leven.
Deut. 12,2 Alle plaatsen, waar de volken die gij verdrijft hun goden vereren, moet gij met de grond gelijk maken, of zij nu op hoge bergen, op heuvels of ergens onder een groene boom liggen.
Deut. 12,3 Hun altaren moet gij omverhalen, hun wijstenen stuk slaan, hun heilige palen verbranden en hun godenbeelden verbrijzelen, zodat gij de herinnering daaraan uit die plaats doet verdwijnen.
Deut. 12,4 Op die wijze moogt gij Jahwe uw God niet vereren.
Deut. 12,5 Alleen de plaats die Jahwe uw God in een van uw stammen uitkiest om daar zijn naam te vestigen en daar te verblijven, die plaats moet gij opzoeken en daar alleen moet gij heengaan.
Deut. 12,6 Daarheen moet gij uw brandoffers en slachtoffers brengen, uw tienden en andere bijdragen, uw gelofteoffers en uw vrije gaven, evenals de eerstgeborenen van uw runderen en uw kleinvee.
Deut. 12,7 En daar moet gij met uw familie voor Jahwe uw God maaltijd houden en feestvieren om het welslagen, waarmee Hij al uw ondernemingen heeft gezegend.
Deut. 12,8 Gij moogt u niet gedragen zoals wij hier, waar iedereen doet wat hem goeddunkt,
Deut. 12,9 omdat gij nog niet de rust en het bezit hebt bereikt, die Jahwe uw God u schenkt.
Deut. 12,10 Maar als gij de Jordaan over zijt en u vestigt in het land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft, zal Hij zorgen dat uw vijanden u met rust laten, zodat gij er veilig kunt wonen.
Deut. 12,11 Naar de plaats die Jahwe uw God uitkiest om er zijn naam te vestigen, moet gij dan alle gaven brengen die ik u voorschrijf, uw brandoffer en slachtoffers, uw tienden en andere bijdragen, evenals de bijzondere gaven die gij aan Jahwe belooft.
Deut. 12,12 Dan moet gij feestvieren voor Jahwe uw God met uw zonen en dochters, met uw slaven en slavinnen en met de levieten binnen uw poorten; want zij hebben geen stuk grond en geen eigendom zoals gij.
Deut. 12,13 Brandoffers moogt ge niet op iedere willekeurige heilige plaats opdragen,
Deut. 12,14 maar alleen op de plaats die Jahwe uw God bij een van uw stammen uitkiest. Daar moet gij uw brandoffers brengen en daar moet gij ook al het andere volbrengen wat ik u voorschrijf.
Deut. 12,15 Wel kunt gij in al uw steden en zo vaak ge wilt, slachten en vlees eten, naargelang de zegen die Jahwe uw God u schenkt. Iedereen, rein of onrein, mag daarvan eten, net als van een gazel of een hert.
Deut. 12,16 Alleen het bloed moogt ge niet eten; dat moet ge als water weglaten lopen.
Deut. 12,17 Maar het is niet geoorloofd in uw steden te eten van de tienden van uw koren, most of olie, van de eerstgeborenen van uw runderen of kleinvee, van de gelofteoffers die gij beloofd hebt, of van uw vrije gaven en andere bijdragen.
Deut. 12,18 Alleen bij Jahwe uw God, op de plaats die Hij uit kiest, moogt gij daarvan eten met uw zoon en dochter, met uw slaaf en slavin en met de levieten binnen uw poorten; bij Jahwe uw God moet gij feest vieren over het welslagen van uw ondernemingen.
Deut. 12,19 Zorg dat ge in uw land nooit de levieten verwaarloost.
Deut. 12,20 Wanneer Jahwe uw God uw gebied heeft uitgebreid, zoals Hij beloofd heeft, en gij denkt: `Ik zou vlees willen eten,' omdat ge daar trek in hebt, dan moogt gij vlees eten zoveel ge wilt.
Deut. 12,21 En als de plaats die Jahwe uw God uitkiest om er zij naam te vestigen, voor u te ver weg ligt, dan moogt gij gerust runderen of kleinvee slachten, zoals ik u heb voorgeschreven en er in uw eigen stad van eten zoveel ge wilt,
Deut. 12,22 als ge het maar eet, zoals men een gazel of een hert eet: iedereen, rein of onrein, kan ervan eten.
Deut. 12,23 Houd alleen vast dat ge geen bloed moogt eten; want het bloed is het leven, en het is niet geoorloofd vlees te eten met het leven erin.
Deut. 12,24 Gij moogt het bloed niet eten; dat moet ge als water weg laten lopen.
Deut. 12,25 Gij moogt het niet eten; dan zullen gij en uw kinderen na u gelukkig zijn, omdat gij uw leven richt naar Jahwe's wil.
Deut. 12,26 Maar met uw heilige gaven en met wat gij Jahwe door gelofte hebt toegezegd moet ge naar de plaats gaan die Hij uitkiest.
Deut. 12,27 Van uw brandoffers moet ge het vlees en het bloed op het altaar van Jahwe offeren; van uw slachtoffers moet het bloed op het altaar worden uitgestort, maar het vlees moogt ge eten.
Deut. 12,28 Onderhoud gehoorzaam alles wat ik u heden voorschrijf; dan zullen gij en uw kinderen altijd gelukkig zijn, omdat gij uw leven richt naar Jahwe's wens en wil.
Deut. 12,29 Wanneer Jahwe uw God de volken uitroeit die gij gaat verdrijven, en gij hen verjaagd hebt en woont in hun land,
Deut. 12,30 wees dan op uw hoede en laat u, nadat zij vernietigd zijn, niet in dezelfde strikken vangen als zij. Vraag niet naar hun goden met de gedachte: `Hoe hebben die volken hun goden vereerd?' om het ook zo te gaan doen.
Deut. 12,31 Neen, zo moogt gij Jahwe uw God niet vereren. Want alle mogelijke gruwelen die Jahwe verafschuwt, hebben zij voor hun goden bedreven; zelfs hun zonen en dochters hebben zij voor hun goden verbrand.
 
Deut. 13,1 Alles wat ik u voorschrijf moet gij stipt volbrengen; ge moogt er niets aan toevoegen en er niets van afdoen.
Deut. 13,2 Wanneer onder u een profeet opstaat of iemand die droomgezichten heeft, en hij u tekenen en wonderen aankondigt,
Deut. 13,3 en het teken of wonder dat hij voorspeld heeft komt uit, maar hij zegt dan: `Laat ons achter andere goden aangaan goden waarvan gij de macht niet kent - en die gaan dienen,'
Deut. 13,4 geef dan geen gehoor aan wat die profeet of die dromer zegt. Jahwe uw God stelt u dan op de proef om te zien of gij Hem met heel uw hart en ziel bemint.
Deut. 13,5 Gij moet Jahwe uw God volgen, Hem vrezen, zijn geboden onderhouden en naar Hem luisteren; Hem moet gij dienen en Hem aanhangen.
Deut. 13,6 Maar die profeet of dromer moet ter dood gebracht worden, omdat hij afval heeft gepreekt van Jahwe uw God, die u uit Egypte heeft geleid en u uit het slavenhuis heeft verlost; hij wilde u afbrengen van de weg die Jahwe uw God heeft voorgeschreven. Zo zult gij dat kwaad bij u uitroeien.
Deut. 13,7 Wanneer uw broer, een zoon van uw moeder, uw zoon of uw dochter, uw liefste vrouw of uw beste vriend u in het geheim probeert te verleiden en voorstelt: `Laat ons andere goden gaan dienen,' van wie gij en uw voorouders de macht niet hebben gekend,
Deut. 13,8 goden van de volken rondom, dichtbij of ver van u af, waar ter wereld ook,
Deut. 13,9 dan moogt gij daar niet aan toegeven en niet naar hem luisteren. Gij moogt geen medelijden met hem hebben en hem niet sparen of in bescherming nemen.
Deut. 13,10 Gij moet hem zonder uitstel doden. Zelf moet gij als eerste uw hand tegen hem opheffen en daarna moeten alle volksgenoten het doodvonnis voltooien.
Deut. 13,11 Gij moet hem doodstenigen, want hij heeft geprobeerd u af te brengen van Jahwe uw God die u uit Egypte, dat slavenhuis, heeft geleid.
Deut. 13,12 Heel IsraŽl zal het horen, met vrees vervuld worden en niet opnieuw proberen een dergelijke wandaad bij u te bedrijven.
Deut. 13,13 Wanneer gij verneemt dat er in een van de steden die Jahwe uw God u als woonplaats schenkt,
Deut. 13,14 mannen optreden, nietsnutten, die hun stadgenoten proberen te verleiden en voorstellen: `Laat ons andere goden dienen' van wie gij de macht niet kent,
Deut. 13,15 dan moet gij dat nagaan, een onderzoek instellen en nauwkeurig navraag doen. Blijkt het waar en komt het vast te staan, dat een dergelijke gruweldaad bij u is bedreven,
Deut. 13,16 dan moet gij de inwoners van die stad uitmoorden; ge moet de stad en alle inwoners met de ban slaan en ook het vee doden.
Deut. 13,17 Alle buitgemaakte goederen moet ge op het stadsplein bijeenbrengen en met de stad in brand steken, als een gave voor Jahwe uw God. Die stad zal altijd een ruÔne blijven; ze mag nooit meer worden opgebouwd.
Deut. 13,18 Eigen u niets toe van wat onder de ban ligt. Dan zal Jahwe zijn brandende toorn laten varen, u barmhartig zijn, medelijden met u hebben en u talrijk maken, zoals hij uw vaderen onder ede beloofd heeft.
Deut. 13,19 Dat zal Hij doen, wanneer gij luistert naar Jahwe uw God, zijn geboden onderhoudt die ik u heden geef, en uw leven richt naar zijn wil.
 
Deut. 14,1 Jahwe uw God beschouwt u als zijn zonen. Ge moogt omwille van een dode uw lichaam niet kerven en uw voorhoofd niet kaal scheren.
Deut. 14,2 Gij zijt een volk, dat aan Jahwe uw God is gewijd; uit alle volken van de hele wereld heeft Jahwe u uitverkoren om zijn eigen volk te zijn.
Deut. 14,3 Gij zult niets eten wat een gruwel is.
Deut. 14,4 Dit zijn de landdieren, die ge moogt eten: runderen, schapen, geiten,
Deut. 14,5 herten, gazellen, damherten, antilopen, gemzen en berggeiten.
Deut. 14,6 Alle herkauwende dieren met gespleten hoeven moogt ge eten.
Deut. 14,7 Van de herkauwers en van de dieren met gespleten hoeven moogt de volgende niet eten: de kameel, de haas en de klipdas, want dat zijn wel herkauwers, maar ze hebben geen gespleten hoeven; zij gelden voor u als onrein.
Deut. 14,8 Evenzo het varken, want het heeft wel gespleten hoeven, maar het is geen herkauwer; het geldt dus als onrein. Het vlees van deze dieren moogt ge niet eten en hun kadavers niet aanraken.
Deut. 14,9 Dit zijn de waterdieren die ge moogt eten. Alle dieren die vinnen en schubben hebben kunt ge eten.
Deut. 14,10 Maar alle dieren die geen vinnen en schubben hebben, moogt ge niet eten; ze gelden voor u als onrein.
Deut. 14,11 Alle reine vogels moogt ge eten,
Deut. 14,12 maar dit zijn de vogels die ge niet moogt eten: de arend, de lammergier, de baardgier,
Deut. 14,13 de wouw en de verschillende soorten valken,
Deut. 14,14 alle soorten raven,
Deut. 14,15 de oehoe, de kortooruil, de langooruil en alle soorten sperwers,
Deut. 14,16 de steenuil, de ibis, de witte uil,
Deut. 14,17 de pelikaan, de visarend, de aalscholver,
Deut. 14,18 de ooievaar, alle soorten reigers, de hop en de vleermuis.
Deut. 14,19 Ook alle gevleugelde insecten gelden voor u als onrein; ge moogt die niet eten;
Deut. 14,20 maar alle reine gevleugelde dieren moogt ge eten.
Deut. 14,21 Een dood dier moogt ge niet eten. Ge kunt het de vreemdeling binnen uw poorten laten eten of verkopen aan een buitenlander. Want gij zijt een volk dat aan Jahwe uw God is gewijd. Ge moogt een lammetje niet koken in de melk van zijn moeder.
Deut. 14,22 Ieder jaar moet gij van de graanoogst die van uw land komt, het tiende deel afdragen.
Deut. 14,23 Bij Jahwe uw God, op de plaats die Hij uitkiest om er zijn naam te vestigen, moet gij de tiende eten van uw koren, most en olie en de eerstgeborenen van uw runderen en uw schapen. Daardoor zult gij leren altijd ontzag te hebben voor Jahwe uw God.
Deut. 14,24 En wanneer de afstand te groot is, wanneer gij dat alles niet mee kunt nemen, omdat de plaats die Jahwe uw God uitkiest om er zijn naam te vestigen, te ver weg ligt en omdat Hij u zo overvloedig heeft gezegend,
Deut. 14,25 dan moet gij alles te gelde maken en u met het geld naar de plaats begeven die Jahwe uw God uitkiest.
Deut. 14,26 Voor dat geld kunt gij dan kopen wat ge wilt: runde ren, schapen, wijn of sterke drank of wat ge ook verlangt. Daarvan kunt ge dan eten voor Jahwe uw God en samen met uw familie feest vieren.
Deut. 14,27 Verwaarloos echter de levieten binnen uw poorten niet, want zij hebben geen stuk grond, geen eigendom zoals gij.
Deut. 14,28 Om de drie jaar moet gij het tiende deel van de oogst van dat jaar naar de stadspoort brengen en daar neerleggen.
Deut. 14,29 Dan kunnen de levieten, die geen stuk grond en geen eigendom bezitten zoals gij, de vreemdelingen, de wezen en de weduwen daarvan eten en zich verzadigen. Jahwe uw God zal u daarvoor zegenen bij al uw ondernemingen.
 
Deut. 15,1 Om de zeven jaar moet gij een kwijtschelding houden.
Deut. 15,2 Bij deze kwijtschelding gaat het als volgt: Ieder die iets aan zijn naaste heeft geleend, moet hem die schuld kwijt schelden. Hij mag zijn naaste of broeder niet tot betaling dwingen, omdat er een kwijtschelding ter ere van Jahwe is uitgeroepen.
Deut. 15,3 Een buitenlander moogt ge tot betaling dwingen, maar wat uw broeder voor u heeft, moet ge hem kwijtschelden.
Deut. 15,4 Er zullen bij u trouwens geen armen zijn, want Jahwe uw God zal u overvloedig zegenen in het land dat Hij u in eigendom geeft,
Deut. 15,5 als ge tenminste gehoor geeft aan wat Jahwe uw God zegt, en al de geboden nauwgezet volbrengt die ik u heden opleg.
Deut. 15,6 De zegen van Jahwe uw God zal o u rusten, zoals Hij beloofd heeft. Gij zult aan veel volken leningen verstrekken, maar zelf niets behoeven te lenen. Gij zult over veel volken heersen, maar zij zullen niet heersen over u.
Deut. 15,7 Is in een of andere stad van het land, dat Jahwe uw God u schenkt, een van uw broeders tot armoede vervallen, dan moet ge niet hard zijn voor uw arme broeder en uw beurs niet voor hem dichthouden.
Deut. 15,8 Ge moet die integendeel wijd opendoen en hem alles lenen wat hij tekort komt.
Deut. 15,9 En laat bij u niet de lage gedachte opkomen, dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, nabij is, zodat ge geen medelijden toont met uw arme broeder en hem niets leent. Want beroept hij zich tegen u op Jahwe, dan wordt gij schuldig bevonden.
Deut. 15,10 Geef met milde hand en met een blij gemoed. Als gij dat doet, zal op al het werk dat gij onderneemt de zegen rusten van Jahwe uw God.
Deut. 15,11 Armen zullen er altijd blijven in het land; juist daarom gebied ik u: doe uw beurs wijd open voor uw behoeftige en arme landgenoot.
Deut. 15,12 Wanneer uw broeder, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf aan u verkoopt, moet hij u zes jaar dienen, maar het zevende jaar moet ge hem vrij laten heengaan.
Deut. 15,13 En bij de vrijlating moogt gij hem niet met lege handen laten heengaan.
Deut. 15,14 Ge moet hem geschenken meegeven van uw schapen, uw dorsvloer en uw perskuip, naargelang Jahwe uw God u heeft gezegend.
Deut. 15,15 Bedenk dat gij zelf slaaf zijt geweest in Egypte en dat Jahwe uw God u verlost heeft. Daarom geef ik u vandaag dit gebod.
Deut. 15,16 Zegt hij echter: `Ik wil bij u niet weg,' omdat hij van u en van uw familie is gaan houden en omdat hij het goed bij u had,
Deut. 15,17 dan moet gij zijn oor met een priem aan de deur steken en zal hij voor altijd uw slaaf zijn. Voor uw slavin geldt hetzelfde.
Deut. 15,18 Het mag u niet hard vallen hem vrij te laten: zes jaar heeft hij het dubbele loon van een dagloner voor u verdiend en de zegen van Jahwe uw God zal daardoor rusten op alles wat gij doet.
Deut. 15,19 Iedere mannelijke eerstgeborene van uw runderen en uw schapen moet gij toewijden aan Jahwe uw God. Gij moogt met het eerstgeborene van uw runderen geen arbeid verrichten en het eerstgeborene van uw schapen niet scheren.
Deut. 15,20 Gij moet deze dieren ieder jaar met uw familie eten bij Jahwe, op de plaats die Hij uitkiest.
Deut. 15,21 Als een dier een ernstig gebrek heeft, als het kreupel of blind is of iets van dien aard, moogt gij het niet als slacht offer aan Jahwe uw God opdragen.
Deut. 15,22 Dan kunt gij er thuis van eten, of gij rein zijt of niet, net als bij een hert of een gazel. Alleen het bloed moogt ge niet eten; dat moet gij als water weg laten lopen.
 
Deut. 16,1 Zorg dat ge in de maand Abib pasen viert voor Jahwe uw God, want in de maand Abib heeft Hij u in de nacht uit Egypte geleid.
Deut. 16,2 Het paasoffer voor Jahwe uw God, een schaap of een rund, moet gij slachten op de plaats die Jahwe uitkiest om er zijn naam te vestigen.
Deut. 16,3 Daarbij moogt ge geen gezuurd brood eten: zeven dagen moet ge ongezuurd brood eten, het brood der verdrukking, want ge zijt in grote haast uit Egypte getrokken. Zo zult ge de dag van het vertrek uit Egypte heel uw leven blijven gedenken.
Deut. 16,4 Zeven dagen lang mag er in heel uw gebied geen zuurdeeg te vinden zijn. Van het vlees dat ge op de avond van de eerste dag slacht, moogt ge niets bewaren tot de volgende morgen.
Deut. 16,5 Gij moogt het paasoffer niet slachten in de woonplaats die Jahwe uw God u schenkt,
Deut. 16,6 maar alleen op de plaats die Hij uitkiest om er zijn naam te vestigen. Gij moet het slachten in de avond, bij het ondergaan van de zon, het tijdstip van uw vertrek uit Egypte.
Deut. 16,7 Gij moet het koken en nuttigen op de plaats die Jahwe uw God uitkiest, en de volgende morgen kunt ge weer naar huis gaan.
Deut. 16,8 Zes dagen moet ge ongezuurd brood eten. De zevende dag is het slotfeest ter ere van Jahwe uw God; dan moogt ge niet werken.
Deut. 16,9 Als ge de eerste sikkel in het koren hebt geslagen, moet ge zeven weken aftellen
Deut. 16,10 en dan het wekenfeest vieren ter ere van Jahwe uw God, met vrijwillige gaven, al naar Hij u gezegend heeft.
Deut. 16,11 Op de plaats die Jahwe uw God uitkiest om er zijn naam te vestigen, moet gij feest vieren met uw zonen en dochters, met uw slaven en slavinnen, met de levieten binnen uw poorten, met de vreemdelingen, de weduwen en de wezen, die bij u wonen.
Deut. 16,12 Gij moet bedenken, dat gij zelf slaaf zijt geweest in Egypte, en deze voorschriften nauwgezet volbrengen.
Deut. 16,13 Als gij de opbrengst van uw dorsvloer en uw perskuip binnen hebt, moet gij zeven dagen lang het loofhuttenfeest vieren.
Deut. 16,14 Gij moet dan feestvieren met uw zonen en dochters, met uw slaven en slavinnen, met de levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen binnen uw poorten.
Deut. 16,15 Zeven dagen moet ge feest vieren voor Jahwe uw God, op de plaats die Hij uitkiest. Jahwe uw God zal uw oogst en uw werk zo zegenen, dat ge volop feest kunt vieren.
Deut. 16,16 Driemaal per jaar moeten al uw mannen voor Jahwe uw God verschijnen, op de plaats die Hij uitkiest: op het feest van de ongezuurde broden, op het wekenfeest en op het loofhutten feest. Niemand mag met lege handen voor Jahwe verschijnen;
Deut. 16,17 ieder moet naar vermogen geschenken meebrengen, al naar Jahwe uw God hem gezegend heeft.
Deut. 16,18 In al de steden die Jahwe uw God u schenkt, moet gij voor uw stammen rechters en schrijvers aanstellen om het volk een eerlijke rechtspraak te verzekeren.
Deut. 16,19 Gij moogt het recht niet verdraaien, niemand naar de ogen zien en geen steekpenningen aannemen, want steekpenningen verblinden de ogen van wijzen en geven de zaak van rechtvaardigen geen kans.
Deut. 16,20 Alleen wat recht is, moet gij nastreven; dan zult gij leven en het land bezitten dat Jahwe uw God u schenkt.
Deut. 16,21 Als gij een altaar bouwt voor Jahwe uw God, moogt gij daarnaast geen stuk hout plaatsen als heilige paal.
Deut. 16,22 Gij moogt geen wijsteen oprichten, want Jahwe uw God heeft daar een afkeer van.
 
Deut. 17,1 Gij moogt Jahwe uw God geen rund of schaap offeren, dat een gebrek heeft, want daarvan heeft Hij een afschuw.
Deut. 17,2 Wanneer in uw midden, in een van de steden die Jahwe uw God u schenkt, iemand is, man of vrouw, die doet wat Jahwe uw God mishaagt, zijn verbond overtreedt,
Deut. 17,3 andere goden gaat vereren en zich neerbuigt voor de zon, de maan of een ander hemellichaam,
Deut. 17,4 en het wordt u gemeld of het komt u ter ore: dan moet gij een nauwkeurig onderzoek instellen. Blijkt het waar te zijn en staat het inderdaad vast, dat een dergelijke gruweldaad in IsraŽl bedreven is,
Deut. 17,5 dan moet gij de man of vrouw die deze misdaad heeft begaan, buiten de stadspoort brengen en doodstenigen.
Deut. 17,6 De doodstraf mag slechts worden voltrokken op de verklaring van twee of drie getuigen, niet op de verklaring van een.
Deut. 17,7 Eerst moeten de getuigen de hand tegen de ter dood veroordeelde opheffen, daarna de overige mensen. Zo zult gij dit kwaad uit uw midden uitroeien.
Deut. 17,8 Wanneer het u te moeilijk valt in uw eigen stadspoort een uitspraak te doen inzake moord, rechtsvordering, geweldpleging of in enig ander rechtsgeding, dan moet gij u naar de plaats begeven, die Jahwe uw God uitkiest,
Deut. 17,9 om de levitische priesters en de rechter, die o dat ogenblik het ambt bekleedt, te raadplegen. Zij zullen uitspraak voor u doen.
Deut. 17,10 Overeenkomstig de uitspraak die zij doen op de plaats die Jahwe uitkiest, moet gij handelen: ge moet u nauwgezet houden aan de beslissing die zij nemen.
Deut. 17,11 Volgens de beslissing die zij nemen en de uitspraak die zij doen, moet gij handelen; van hetgeen zij vaststellen, moogt gij niet afwijken, naar rechts noch naar links.
Deut. 17,12 Waagt iemand het niet te gehoorzamen aan de priester die daar voor Jahwe uw God dienst doet, of aan de rechter, dan moet die man sterven. Zo zult gij dit kwaad uit IsraŽl uitroeien.
Deut. 17,13 Als de mensen dit vernemen, zullen zij met vrees vervuld worden en het niet meer wagen zoiets te doen.
Deut. 17,14 Wanneer gij het land zijt binnengegaan dat Jahwe uw God u schenkt, het in bezit hebt genomen en er gevestigd zijt, en wanneer gij dan zegt: `Ik wil een koning hebben, zoals de volken in mijn omgeving,'
Deut. 17,15 dan moet gij iemand nemen die Jahwe uw God uitkiest; een volksgenoot moet gij als koning over u aanstellen, geen vreemdeling of iemand die niet tot uw volk behoort.
Deut. 17,16 Hij mag er niet veel paarden op n houden en het volk niet terug laten gaan naar Egypte om nog meer paarden te krijgen; want Jahwe uw God heeft u gezegd: `Die weg moogt gij nooit meer opgaan.'
Deut. 17,17 Hij mag er niet veel vrouwen op nahouden, anders gaat hij de verkeerde weg op. Evenmin mag hij veel zilver en goud vergaren.
Deut. 17,18 Zodra hij bezit heeft genomen van de troon, moet hij voor zichzelf op een boekrol een afschrift laten maken van deze wet, die bij de levitische priesters berust.
Deut. 17,19 Hij moet die rol bij zich houden en er alle dagen van zijn leven in lezen, zodat hij ontzag leert hebben voor Jahwe zijn God en alle bepalingen van deze wet en alle voorschriften stipt onderhoudt.
Deut. 17,20 Dan zal hij zich niet verheven achten boven zijn broeders en zal hij naar rechts noch links van de geboden afwijken; en dan zullen hijzelf en zijn zonen lange tijd koning blijven in IsraŽl.
 
Deut. 18,1 De levitische priesters, alle leden van de stam Levi, zullen geen bezit en eigendom mogen hebben zoals de overige IsraŽlieten: zij moeten leven van de gaven die men aan Jahwe offert en van diens bezit.
Deut. 18,2 Levi zal geen grond bezitten zoals zijn broeders: Jahwe zal zijn bezit zijn, zoals Hij hem beloofd heeft.
Deut. 18,3 Van de gaven van het volk komt de priester rechtens het volgende toe: van een rund of een schaap dat men als slachtoffer opdraagt moeten het schouderstuk, de beide kaken en de maag aan de priester gegeven worden.
Deut. 18,4 Ook de eerstelingen van uw koren, most en olie, en de eerste wol van uw schapen moet gij hem geven.
Deut. 18,5 Want Jahwe uw God heeft hem en zijn zonen uit al uw stammen uitverkoren om voor altijd de dienst voor Jahwe's naam te verrichten.
Deut. 18,6 En wanneer een leviet uit een van de IsraŽlitische steden waar hij als gast verbleef, naar de plaats wenst te komen die Jahwe uitkiest,
Deut. 18,7 dan mag hij de dienst van de naam van Jahwe zijn God verrichten, evengoed als zijn medelevieten die daar voor Jahwe staan.
Deut. 18,8 Hij zal evenveel van de spijzen krijgen als zij, wat zijn familiebezit ook moge opbrengen.
Deut. 18,9 Wanneer gij het land zijt binnengegaan dat Jahwe uw God u schenkt, moet ge niet gaan meedoen aan de gruweldaden van die volken.
Deut. 18,10 Het mag bij u niet voorkomen, dat iemand zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, zich afgeeft met waarzegge rij, met geestenbezwering, mantiek of toverij,
Deut. 18,11 zich met bezweringen inlaat, geesten en orakels onder vraagt of de doden oproept.
Deut. 18,12 Want van iedereen die dergelijke dingen doet heeft Jahwe uw God een afschuw; en om dergelijke gruweldaden drijft Hij die volken voor u weg.
Deut. 18,13 Gij moet Jahwe uw God onvoorwaardelijk trouw zijn.
Deut. 18,14 De volken die gij verdrijft mogen naar geestenbezweerders en waarzeggers geluisterd hebben, aan u staat Jahwe dat niet toe.
Deut. 18,15 Uit uw eigen broeders zal Jahwe uw God een profeet doen opstaan zoals ik dat ben, naar wie gij moet luisteren.
Deut. 18,16 Gij hebt dat immers bij de Horeb, op de dag van de samenkomst, aan Jahwe uw God gevraagd. Toen hebt gij gezegd: `Laat mij de stem van Jahwe mijn God niet meer horen, en dat grote vuur niet meer zien, anders sterf ik.'
Deut. 18,17 Jahwe heeft mij toen gezegd: `Zij hebben gelijk.
Deut. 18,18 Ik zal uit hun eigen broeders een profeet doen opstaan zoals gij dat zijt. Ik zal hem mijn woorden in de mond leggen en hij zal hun alles zeggen wat Ik hem opdraag.
Deut. 18,19 En van degene die geen gehoor geeft aan de woorden die hij in mijn naam spreekt, zal Ikzelf rekenschap vragen.
Deut. 18,20 Is er een profeet die zich vermeet in mijn naam te spreken zonder dat Ik hem opdracht heb gegeven, of die spreekt in de naam van andere goden, dan moet hij sterven, die profeet.
Deut. 18,21 Misschien denkt ge bij uzelf: `Hoe kunnen wij weten dat een woord niet van Jahwe afkomstig is?'
Deut. 18,22 Wel, als een profeet beweert in de naam van Jahwe te spreken, maar wat hij gezegd heeft gebeurt niet en komt niet uit, dan is dat woord geen woord van Jahwe, maar van die onbeschaamde profeet. Voor zo iemand moet gij geen ontzag hebben.
 
Deut. 19,1 Wanneer Jahwe uw God de volken van het land, dat Hij u schenkt, heeft uitgeroeid, wanneer gij hen verdreven hebt en in hun steden en hun huizen woont,
Deut. 19,2 dan moet gij drie steden aanwijzen in het land dat Jahwe uw God u in bezit geeft.
Deut. 19,3 Ge moet de afstand opmeten en het grondgebied van het land, dat Jahwe uw God u in eigendom geeft, in drieŽn verdelen. Dan kan iedereen die doodslag heeft begaan, daarheen de wijk nemen.
Deut. 19,4 Door daarheen de wijk te nemen kan iemand die doodslag heeft begaan, zijn leven redden, als hij tenminste zijn naaste zonder opzet heeft neergeslagen en hem tevoren geen haat heeft toegedragen.
Deut. 19,5 Als hij bijvoorbeeld met zijn naaste het bos is ingegaan om hout te hakken, met zijn bijl zwaait om een boom te vellen, en het ijzer schiet van de steel, zodat het zijn naaste dodelijk treft, dan kan hij zijn leven redden door naar een van die steden de wijk te nemen.
Deut. 19,6 Anders zou de bloedwreker hem in toorn achtervolgen, hem vanwege de grote afstand kunnen inhalen en hem neerslaan, of schoon hij onschuldig is hij droeg het slachtoffer immers tevoren geen haat toe.
Deut. 19,7 Daarom gebied ik u drie steden aan te wijzen. 8 En als Jahwe uw grondgebied groter maakt, zoals Hij uw vaderen gezworen heeft, en u het hele land schenkt dat Hij hun heeft beloofd.
Deut. 19,9 - gij dient dan natuurlijk al de geboden die ik u heden opleg, stipt te volbrengen en Jahwe uw God te beminnen en altijd zijn wegen te gaan - dan moet gij nog drie andere steden aanwijzen.
Deut. 19,10 Zo zal er in het land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft, geen onschuldig bloed vergoten worden, dat op uw hoofd zou neerkomen.
Deut. 19,11 Wanneer iemand echter zijn naaste haat, hem heimelijk opwacht, aanvalt en doodslaat en daarop de wijk neemt naar een van die steden,
Deut. 19,12 dan moeten de oudsten van zijn woonplaats hem terughalen en aan de bloedwreker uitleveren, zodat hij niet aan de dood ontsnapt.
Deut. 19,13 Gij moogt geen medelijden hebben met zo iemand; degene die onschuldig bloed vergiet, moet uit IsraŽl verwijderd worden. Dan zal het u goed gaan.
Deut. 19,14 Op het grondgebied dat gij krijgt, als Jahwe uw God u het land in bezit heeft gegeven, moogt ge bij uw buurman de grensstenen, door de voorouders opgericht, niet verleggen.
Deut. 19,15 Bij geen enkel vergrijp of misdrijf is het voldoende, als een persoon tegen de dader getuigt; alleen een verklaring van twee of drie getuigen is rechtsgeldig.
Deut. 19,16 Wanneer een valse getuige iemand van een misdrijf beschuldigt,
Deut. 19,17 moeten de twee partijen voor Jahwe verschijnen, bij de priesters en de rechters die op dat ogenblik het ambt bekleden.
Deut. 19,18 Blijkt na een zorgvuldig onderzoek door de rechters, dat de getuige inderdaad onbetrouwbaar is en een valse aanklacht tegen zijn broeder heeft ingediend,
Deut. 19,19 dan moet gij hem aandoen wat hij zijn broeder dacht aan te doen. Zo zult gij dit kwaad uit uw midden uitroeien.
Deut. 19,20 Als de mensen dit vernemen, zullen zij met vrees vervuld worden en nooit een dergelijk kwaad meer bedrijven.
Deut. 19,21 Gij moet met niemand medelijden hebben: het is een leven voor een leven, een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet.
 
Deut. 20,1 Als gij tegen uw vijanden ten strijde trekt en ziet, dat zij veel meer paarden, wagens en soldaten hebben dan gij, dan moet gij toch niet bang voor hen zijn, want Jahwe uw God is met u. Hij, die u uit Egypte heeft geleid.
Deut. 20,2 Voor gij de strijd begint, moet een priester naar voren treden en de soldaten toespreken.
Deut. 20,3 Hij moet tegen hen zeggen: `Luister, IsraŽl! Aanstonds begint gij de strijd tegen uw vijanden. Laat u niet ontmoedigen, wees niet bang, sla niet uit angst op de vlucht en heb geen schrik voor hen.
Deut. 20,4 Want Jahwe uw God trekt met u mee, om voor u tegen uw vijanden te strijden en u te redden.'
Deut. 20,5 Dan moeten de schrijvers aan de soldaten vragen: `Is er iemand die een nieuw huis heeft gebouwd, maar er nog niet ingetrokken is? Laat hem naar huis gaan, want als hij in de strijd sneuvelt, zou een ander in zijn huis trekken.
Deut. 20,6 Is er iemand die een wijngaard heeft geplant, maar er nog niet van geplukt heeft? Laat hem naar huis gaan, want als hij in de strijd sneuvelt, zou een ander er de eerste vruchten van plukken.
Deut. 20,7 Is er iemand die zich met een vrouw heeft verloofd, maar nog niet met haar getrouwd is? Laat hem naar huis gaan, want als hij in de strijd sneuvelt, zou een ander met haar trouwen.' 8 Bovendien moeten de schrijvers de soldaten vragen: `Is er iemand die bang is of zonder moed? Laat hem naar huis gaan, want hij zou ook zijn broeders kunnen ontmoedigen.'
Deut. 20,9 Als de schrijvers deze vragen gesteld hebben, moeten zij over de soldaten aanvoerders aanstellen.
Deut. 20,10 Wanneer gij op het punt staat een stad aan te vallen, moet ge haar eerst voorstellen zich over te geven.
Deut. 20,11 Gaat de stad op uw voorstel in en opent zij haar poorten voor u, dan moeten alle inwoners herendienst verrichten en u dienstbaar zijn.
Deut. 20,12 Geeft de stad zich niet over en gaat zij de strijd met u aan, zodat gij het beleg begint,
Deut. 20,13 en Jahwe uw God levert ze aan u uit, dan moet gij de hele mannelijke bevolking uitmoorden.
Deut. 20,14 Alles wat Jahwe uw God u in de stad buit laat maken, de vrouwen en kinderen, het vee en alle goederen, kunt ge houden en voor uzelf gebruiken.
Deut. 20,15 Het voorgaande geldt voor de steden die zeer ver verwijderd liggen en niet behoren tot de steden van de volken hier.
Deut. 20,16 Maar in de steden van deze volken die Jahwe uw God u in eigendom geeft, moogt gij niemand in leven laten.
Deut. 20,17 Gij moet Hethieten, Amorieten, Kanašnieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten met de ban slaan, zoals Jahwe uw God u bevolen heeft.
Deut. 20,18 Anders brengen zij u er toe, mee te doen met al de gruwelen die zij voor hun goden hebben bedreven en te zondigen tegen Jahwe uw God.
Deut. 20,19 Wanneer ge een stad lange tijd moet belegeren, voor ge ze kunt innemen, dan moet ge de bomen om die stad niet vernielen door er de bijl in te slaan. Ge moogt er wel van eten, maar ze niet omhakken. De bomen buiten de stad zijn toch geen mensen, dat gij ze in het beleg zoudt betrekken?
Deut. 20,20 Alleen de bomen waarvan men naar uw beste weten niet eet, moogt ge vernielen; die kunt ge omhakken om er belegerings werktuigen van te maken, tot de stad, die met u in oorlog is, bezwijkt.
 
Deut. 21,1 Wanneer men op de grond die Jahwe uw God u in bezit geeft, in het open veld iemand vindt liggen die vermoord is, zonder dat men weet wie hem heeft neergeslagen,
Deut. 21,2 dan moeten uw oudsten en rechters er heengaan en opmeten, hoever de vermoorde van de steden in de omtrek verwijderd ligt.
Deut. 21,3 Van de stad waar de vermoorde het dichtst bij ligt, moeten de oudsten een jonge koe, waar nog niet mee gewerkt is en die nog in geen juk gespannen is,
Deut. 21,4 naar een dal brengen waar altijd water staat en waar men dus niet ploegt of zaait, en daar de koe de nek breken.
Deut. 21,5 Dan moeten de levitische priesters naar voren treden, want Jahwe uw God heeft hen uitverkoren om in zijn dienst te staan en met zijn naam te zegenen. Bij hen berust de beslissing in ieder geschil over geweldpleging.
Deut. 21,6 Van de stad waar de vermoorde het dichtst bij ligt, moeten de oudsten boven de jonge koe, die men in het dal de nek gebroken heeft, hun handen wassen
Deut. 21,7 en verklaren: `Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, onze ogen hebben het niet gezien. 8 Jahwe, reken dit uw volk IsraŽl, dat gij verlost hebt, niet aan en laat geen bloed van een onschuldige op uw volk neerkomen.' Dan zijn zij vrij van bloedschuld.
Deut. 21,9 Gij moet dus alle schuld om dit vergoten bloed uit uw midden verwijderen; gij moet handelen volgens Jahwe's wil.
Deut. 21,10 Wanneer gij ten strijde trekt tegen uw vijanden, Jahwe ze aan u uitlevert en gij krijgsgevangenen maakt,
Deut. 21,11 en wanneer ge dan bij de gevangenen een mooie vrouw ziet en verliefd op haar wordt, dan moogt ge met haar trouwen.
Deut. 21,12 Als ge haar binnenbrengt in uw huis, moet zij haar hoofdhaar scheren, haar nagels knippen
Deut. 21,13 en het kleed afleggen, dat ze als gevangene droeg. Zij moet een volle maand de gelegenheid hebben om haar vader en haar moeder te bewenen. Dan pas moogt ge tot haar gaan en haar bezit ten, zodat zij uw vrouw wordt.
Deut. 21,14 Mocht zij u niet meer bevallen, dan moet ge haar laten gaan waarheen zij wil. Gij moogt haar in geen geval verkopen of als slavin behandelen, want gij hebt omgang met haar gehad.
Deut. 21,15 Wanneer een man die twee vrouwen heeft van de een meer houdt en van de ander minder, en wanneer zij hem beiden een zoon geschonken hebben en de eerstgeborene een zoon is van de minder geliefde vrouw,
Deut. 21,16 dan mag die man, als hij zijn bezittingen aan zijn zonen vermaakt, de zoon van zijn geliefde vrouw niet als eerstgeborene behandelen, ten koste van de zoon van de minder geliefde vrouw, die rechtens de eerstgeborene is.
Deut. 21,17 Hij moet de zoon van de minder geliefde vrouw als eerstgeborene erkennen en hem dubbel deel geven van al wat hij bezit, want die zoon is de eersteling van zijn mannelijke kracht; hem behoort het eerstgeboorterecht.
Deut. 21,18 Wanneer iemand een opstandige en weerspannige zoon heeft, die weigert naar zijn ouders te luisteren en hun ondanks alle straffen niet gehoorzaamt,
Deut. 21,19 moeten zijn ouders hem vastgrijpen, hem naar de poort bij de oudsten van de stad brengen
Deut. 21,20 en tot hen zeggen: `Onze zoon is opstandig en weerspannig, hij luistert niet naar ons; het is een losbol en een dronkaard.'
Deut. 21,21 Dan moeten zijn medeburgers hem doodstenigen. Zo zult gij dit kwaad bij u uitroeien. Als de IsraŽlieten dit vernemen, zullen zij allen met vrees vervuld worden.
Deut. 21,22 Wanneer iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf, waarop de doodstraf staat, moet gij hem na de voltrekking van het doodvonnis aan een paal hangen.
Deut. 21,23 Maar 's nachts moogt ge zijn lijk niet aan die paal laten hangen; ge moet het diezelfde dag begraven. Want een gehangene is door God vervloekt, en ge moogt de grond die Jahwe uw God u in eigendom geeft, niet verontreinigen.
 
Deut. 22,1 Wanneer ge een rund of een schaap tegenkomt, dat bij uw broeder is weggelopen, moogt ge niet toezien zonder een hand uit te steken. Het is uw plicht het dier terug te brengen.
Deut. 22,2 Als uw broeder niet bij u in de buurt woont of als ge hem niet kent, moet ge het dier mee naar huis nemen en bij u houden, tot uw broeder het komt zoek en. Dan moet ge het hem teruggeven.
Deut. 22,3 Hetzelfde geldt voor zijn ezel, voor zijn kleed, in een woord, voor alles wat uw broeder verliest en door u gevonden wordt. Het mag u in geen geval onverschillig laten.
Deut. 22,4 Ook als een ezel of een os van uw broeder ten val komt, moogt ge niet toezien zonder een hand uit te steken. Ge moet hem helpen het dier weer op de been te brengen.
Deut. 22,5 Een vrouw mag geen mannekleren dragen en een man geen vrouwekleren. Van iedereen die zoiets doet, heeft Jahwe uw God een afschuw.
Deut. 22,6 Wanneer gij onderweg in een boom of op de grond een vogelnestje vindt met jongen of met eitjes en het wijfje zit erop, dan moogt ge het wijfje niet meenemen en de jongen achter laten.
Deut. 22,7 Het wijfje moet ge weg laten vliegen, de jongen moogt ge meenemen. Dan zult ge gelukkig zijn en lang blijven leven. 8 Als ge een nieuw huis bouwt, moet ge om het dak een muurtje maken; dan komt er geen bloedschuld over uw huis, als iemand eraf valt.
Deut. 22,9 Ge moogt in uw wijngaard geen ander gewas zaaien. Anders vervalt de hele oogst aan het heiligdom, zowel hetgeen gij gezaaid hebt als de opbrengst van uw wijngaard.
Deut. 22,10 Ge moogt een os en een ezel niet samen voor de ploeg spannen.
Deut. 22,11 Ge moogt geen kleren dragen die tegelijk uit wol en linnen geweven zijn.
Deut. 22,12 Aan de vier uiteinden van het kleed dat ge draagt moet ge kwasten maken.
Deut. 22,13 Wanneer een man een vrouw huwt en nadat hij omgang met haar gehad heeft, niet meer op haar gesteld is,
Deut. 22,14 en wanneer hij haar beschuldigt en in opspraak brengt door te zeggen: `Ik heb deze vrouw gehuwd, maar toen ik tot haar naderde, ontdekte ik dat zij geen maagd meer was,'
Deut. 22,15 dan moeten de ouders van het meisje het bewijs van haar maagdelijkheid bij de oudsten in de stadspoort brengen.
Deut. 22,16 De vader van het meisje moet tot de oudsten zeggen: `Aan deze man heb ik mijn dochter ten huwelijk gegeven, maar zij bevalt hem niet,
Deut. 22,17 en nu beschuldigt hij haar en beweert: Ik heb ontdekt dat uw dochter geen maagd meer was. Welnu dan, hier is het bewijs van haar maagdelijkheid.' Daarbij spreiden zij het kleed voor de oudsten van de stad uit.
Deut. 22,18 Dan moeten de oudsten van die stad de man tuchtigen
Deut. 22,19 en hem een geldboete van honderd zilverstukken opleg gen, die zij aan de vader van het meisje ter hand stellen; want hij heeft een IsraŽlitische maagd in opspraak gebracht. Zij blijft zijn vrouw; zijn leven lang heeft hij niet meer het recht haar te verstoten.
Deut. 22,20 Blijkt de beschuldiging waar te zijn en stelt men vast, dat het meisje inderdaad geen maagd was,
Deut. 22,21 dan moet men haar naar de deur van haar ouderlijk huis brengen. En de burgers van de stad moeten haar doodstenigen; want zij heeft een schanddaad in IsraŽl begaan door ontucht te plegen, terwijl ze nog in haar ouderlijk huis woonde. Zo zult gij dit kwaad bij u uitroeien.
Deut. 22,22 Wanneer een man op heterdaad betrapt wordt, terwijl hij gemeenschap heeft met een getrouwde vrouw, moeten beiden sterven, de man die gemeenschap had met die vrouw, en ook de vrouw. Zo zult gij dit kwaad uit IsraŽl uitroeien.
Deut. 22,23 Wanneer een man in de stad een maagdelijk meisje ontmoet, dat verloofd is, en gemeenschap met haar heeft,
Deut. 22,24 moet gij beiden naar de stadspoort brengen en doodstenigen: het meisje, omdat ze niet om hulp heeft geroepen, hoewel ze in de stad was, en de man, omdat hij de vrouw van zijn naaste verkracht heeft. Zo zult gij dit kwaad bij u uitroeien.
Deut. 22,25 Ontmoet de man het verloofde meisje echter buiten de stad, overweldigt hij haar en heeft hij gemeenschap met haar, dan moet alleen de man sterven.
Deut. 22,26 Het meisje moet ge ongemoeid laten; zij heeft geen schuld waar de dood op staat. Dit geval staat gelijk met dat van iemand die een ander overvalt en vermoordt.
Deut. 22,27 De man heeft haar immers buiten de stad ontmoet. Ook al zou het meisje om hulp geroepen hebben, niemand had haar kunnen helpen.
Deut. 22,28 Wanneer een man een maagdelijk meisje ontmoet dat nog niet verloofd is, haar vastgrijpt en gemeenschap met haar heeft, en wanneer zij op heterdaad betrapt worden,
Deut. 22,29 moet de man die gemeenschap met dat meisje heeft gehad aan haar vader vijftig zilverstukken betalen. Hij moet haar huwen, omdat hij haar verkracht heeft; zijn leven lang heeft hij niet meer het recht haar te verstoten.
 
Deut. 23,1 Een man mag niet trouwen met een vrouw van zijn vader; hij mag het dek van zijn vader niet opslaan.
Deut. 23,2 Iemand die door kneuzing is ontmand of wiens lid is afgesneden, heeft geen toegang tot de gemeente van Jahwe.
Deut. 23,3 Een bastaard heeft geen toegang tot de gemeente van Jahwe; zelfs zijn nakomelingen tot in het tiende geslacht hebben er geen toegang.
Deut. 23,4 Ammonieten en Moabieten hebben geen toegang tot de gemeente van Jahwe; zelfs hun nakomelingen tot het tiende ge slacht hebben er geen toegang, nu niet en nooit niet.
Deut. 23,5 Want toen gij uit Egypte zijt getrokken, zijn zij onderweg niet met eten en drinken naar u toegekomen, en zij hebben Bileam, zoon van Beor, uit Petor in Aram-naharaim gehuurd om u te vervloeken.
Deut. 23,6 Maar Jahwe uw God heeft niet naar Bileam willen luiste ren en de vloek tot een zegen gemaakt, omdat Hij u liefhad.
Deut. 23,7 Zolang ge leeft, moogt ge geen vriendschap of vrede met hen zoeken. 8 Edomieten moogt ge niet verafschuwen, want zij zijn uw broeders. Egyptenaren moogt ge niet verafschuwen, want gij zijt vreemdelingen geweest in hun land.
Deut. 23,9 Hun nakomelingen hebben in het derde geslacht toegang tot de gemeente van Jahwe.
Deut. 23,10 Wanneer gij tegen uw vijanden optrekt en een kamp opslaat, moet ge u hoeden voor alles wat onbehoorlijk is.
Deut. 23,11 Ieder van u, die tengevolge van een nachtelijk gebeuren onrein is, moet het kamp verlaten en buiten blijven.
Deut. 23,12 Bij het vallen van de avond moet hij zich wassen en na zonsondergang mag hij het kamp weer betreden.
Deut. 23,13 Buiten het kamp moet er een gelegenheid zijn, waar ge heen kunt gaan.
Deut. 23,14 Bij uw uitrusting moet ge een schop hebben, en als ge buiten het kamp uw behoefte doet, moet ge daarmee een kuiltje graven en uw uitwerpselen bedekken.
Deut. 23,15 Want Jahwe uw God gaat rond door uw kamp om u te beschermen en uw vijanden aan u uit te leveren. Uw kamp moet dus heilig zijn. Jahwe mag niets onbehoorlijks bij u opmerken; anders zou Hij zich van u afwenden.
Deut. 23,16 Een slaaf die bij zijn heer is weggelopen en bij u komt moogt ge niet aan zijn heer uitleveren.
Deut. 23,17 Hij mag in uw land blijven wonen, in de stad waaraan hij de voorkeur geeft. Ge moogt hem niet hard behandelen.
Deut. 23,18 Een IsraŽlitische man of vrouw mag zich niet lenen voor godsdienstige ontucht.
Deut. 23,19 Bij het inlossen van uw geloften moogt ge geen hoeren geld of hondenloon in de tempel van Jahwe uw God brengen. Want van beiden heeft Hij een afschuw.
Deut. 23,20 Ge moogt van uw broeder geen rente eisen, niet van geld, niet van levensmiddelen of van iets anders dat hij leent.
Deut. 23,21 Ge moogt wel rente vragen van een buitenlander, maar niet van uw broeder. Dan zal Jahwe uw God u zegenen bij al uw ondernemingen, in het land dat gij in bezit gaat nemen.
Deut. 23,22 Wanneer ge een gelofte doet aan Jahwe uw God, moogt ge de inlossing daarvan niet uitstellen, want hij eist die toch van u op en dan rust er schuld op u.
Deut. 23,23 Als ge geen geloften aflegt, rust er geen schuld op u; maar als ge eenmaal iets beloofd hebt, moet ge die belofte ook nakomen en volbrengen,
Deut. 23,24 want ge hebt die gelofte aan Jahwe uw God gedaan uit vrije wil en met eigen mond.
Deut. 23,25 Wanneer ge door een wijngaard van uw naaste komt, moogt ge druiven eten zoveel ge wilt, maar er geen meenemen.
Deut. 23,26 Wanneer ge door een korenveld van uw naaste komt, moogt ge wel met de hand aren plukken, maar niet de sikkel slaan in het te velde staand gewas.
 
Deut. 24,1 Wanneer iemand die een vrouw gehuwd heeft, niet meer van haar houdt, omdat hij iets onbehoorlijks bij haar heeft ontdekt, een scheidingsbrief voor haar schrijft, haar die ter hand stelt en haar zijn huis uitstuurt,
Deut. 24,2 en als die vrouw, nadat zij zijn huis verlaten heeft, met een ander is gehuwd,
Deut. 24,3 en ook die tweede man houdt niet meer van haar, schrijft voor haar een scheidingsbrief, stelt haar die ter hand en stuurt haar zijn huis uit, of de tweede man met wie zij gehuwd is, komt te sterven,
Deut. 24,4 dan kan de eerste man die haar verstoten heeft, niet opnieuw met haar trouwen, aangezien zij onrein is geworden. Daar heeft Jahwe een afschuw van en gij moogt geen zonde brengen over het land dat Jahwe uw God u schenkt.
Deut. 24,5 Iemand die pas getrouwd is, hoeft niet in het leger te gaan of andere verplichtingen op zich te nemen. Een jaar lang is hij vrij om voor zijn huis te zorgen; hij zal vreugde brengen aan de vrouw met wie hij getrouwd is.
Deut. 24,6 Een handmolen of een bovenste molensteen mag men niet in pand nemen, want dan neemt men het leven zelf in pand.
Deut. 24,7 Wanneer iemand een van zijn mede-israŽlieten rooft en betrapt wordt, als hij hem als slaaf behandelt of verkoopt, dan moet die rover sterven. Zo zult gij dit kwaad bij u uitroeien. 8 In gevallen van huidziekte moet ge u met de grootste nauwgezetheid houden aan de aanwijzingen van de levitische priesters. Wat ik hun heb voorgeschreven, moet gij nauwgezet volbrengen.
Deut. 24,9 Bedenk, wat Jahwe uw God met Mirjam gedaan heeft, bij uw uittocht uit Egypte.
Deut. 24,10 Wanneer ge van uw naaste een schuld hebt te vorderen, moogt ge zijn huis niet binnengaan om een pand van hem te nemen.
Deut. 24,11 Ge moet buiten blijven staan en de man op wie ge de vordering hebt, moet het pand buiten bij u brengen.
Deut. 24,12 Is die man arm, dan moogt ge u niet in zijn pand te rusten leggen.
Deut. 24,13 Ge moet het hem bij het vallen van de avond terugbezorgen. Dan kan hij in zijn mantel slapen. Hij zal u daarvoor zegenen en Jahwe uw God zal het u als verdienste aanrekenen.
Deut. 24,14 Een arme en behoeftige dagloner, een volksgenoot of een vreemdeling die in uw stad of in uw land woont, moogt ge niet hard behandelen.
Deut. 24,15 Iedere dag moet ge hem voor zonsondergang zijn loon uitbetalen, want hij is arm en ziet er verlangend naar uit. Anders roept hij Jahwe tegen u aan en laadt ge schuld op u.
Deut. 24,16 Vaders mogen niet ter dood gebracht worden om hun kinderen, en kinderen niet om hun vader. Ieder zal ter dood gebracht worden om zijn eigen schuld.
Deut. 24,17 Ge moogt de rechten van vreemdeling of wees niet schenden en het kleed van een weduwe niet in pand nemen.
Deut. 24,18 Bedenkt dat ge slaaf zijt geweest in Egypte, en dat Jahwe uw God u daaruit verlost heeft. Daarom gebied ik u zo te handelen.
Deut. 24,19 Wanneer ge bij het binnenhalen van de oogst een schoof op uw akker vergeet, moogt ge niet teruggaan om die te halen. Ge moet die overlaten aan vreemdelingen, weduwen en wezen. Dan zal Jahwe uw God u zegenen bij al uw werk.
Deut. 24,20 Wanneer ge de olijven hebt afgeslagen, moogt ge de takken niet opnieuw gaan afzoeken. Dat is het deel van vreemdelingen, weduwen en wezen.
Deut. 24,21 Wanneer ge de oogst van uw wijngaard inzamelt, moogt ge geen nalezing houden. Dat is het deel van vreemdelingen, weduwen en wezen. Bedenk dat gij slaaf zijt geweest in Egypte. Daarom gebied ik u zo te handelen.
 
Deut. 25,1 Wanneer twee mannen die onenigheid met elkaar hebben voor het gerecht verschijnen en men velt vonnis over hen, door de onschuldige vrij te spreken en de schuldige te veroordelen,
Deut. 25,2 dan moet de rechter de schuldige, als hij tot stoksla gen is veroordeeld, voor zich op de grond laten leggen en hem in zijn tegenwoordigheid een aantal stokslagen laten toedienen, overeenkomstig de aard van het misdrijf.
Deut. 25,3 Veertig slagen mag hij hem geven en niet meer. Worden uw broeder meer slagen toegediend, dan zou hij voor uw ogen al te zeer vernederd worden.
Deut. 25,4 Ge moogt een rund bij het dorsen niet muilbanden.
Deut. 25,5 Wanneer twee broers bij elkaar wonen en een van hen komt te sterven zonder een zoon na te laten, dan mag de vrouw van de overledene niet huwen met een man buiten de familie. Haar zwager zal gemeenschap met haar hebben, haar tot vrouw nemen en het zwagerhuwelijk met haar sluiten.
Deut. 25,6 De eerste zoon die zij hem schenkt, zal op naam van zijn overleden broer staan, zodat diens naam niet uit IsraŽl verdwijnt.
Deut. 25,7 Is de man niet van zins zijn schoonzuster te huwen, dan moet deze in de poort naar de oudsten gaan en zeggen: `Mijn zwager weigert de naam van zijn broer in IsraŽl te doen voortleven; hij wil met mij geen zwagerhuwelijk sluiten.' 8 Dan moeten de oudsten van de stad hem ontbieden en hem over de zaak onder houden. Blijft hij bij zijn standpunt en zegt hij: `Ik ben niet van plan haar te huwen,'
Deut. 25,9 dan moet zijn schoonzuster ten overstaan van de oudsten op hem toegaan, hem zijn sandalen van de voeten trekken, hem in het gezicht spuwen en daarbij zeggen: `Zo wordt er gedaan met de man die het huis van zijn broer niet in stand houdt.'
Deut. 25,10 En in IsraŽl zal hij heten: barrevoetersgespuis.
Deut. 25,11 Wanneer twee mannen met elkaar vechten en de vrouw van de een komt haar man te hulp en grijpt de aanvaller met de hand bij zijn schaamdelen,
Deut. 25,12 dan moet ge haar onverbiddelijk de hand afkappen.
Deut. 25,13 Gij zult in uw buidel geen twee soorten gewichten hebben, zware en lichte.
Deut. 25,14 Gij zult geen twee soorten efa in huis hebben, grote en kleine.
Deut. 25,15 Uw gewichten moeten vol en zuiver zijn en uw efa's eveneens. Dan zult gij lang leven op de grond die Jahwe uw God u schenkt.
Deut. 25,16 Want Jahwe uw God heeft een afschuw van iedereen die zoiets doet, van iedereen die onrecht doet.
Deut. 25,17 Blijf denken aan wat de Amalekieten u op uw tocht uit Egypte hebben aangedaan:
Deut. 25,18 hoe zij onderweg op u afkwamen en, toen gij doodop waart van vermoeienis, zonder enige vrees voor God alle zwakken die waren achtergebleven, van u afsneden.
Deut. 25,19 Als Jahwe uw God u dan in het land dat Hij u in eigen dom geeft, rust heeft verleend van alle vijanden in uw omgeving, dan moet gij de herinnering van Amalek onder de hemel wegvagen. Vergeet dat nooit.
 
Deut. 26,1 Wanneer gij zijt gekomen in het land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft, wanneer gij het in bezit hebt genomen en er gevestigd zijt,
Deut. 26,2 dan moet gij de eerste veldvruchten die gij oogst in het land, dat Jahwe uw God u schenkt, in een korf doen en daarmee naar de plaats gaan, die Jahwe uw God zal uitkiezen om er zijn naam te vestigen.
Deut. 26,3 Gij moet naar de priester gaan die er in die dagen is, en hem zeggen: `Heden belijd ik voor Jahwe mijn God, dat ik in het land ben gekomen, dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had.'
Deut. 26,4 De priester neemt dan de korf van u aan en zet hem voor het altaar van Jahwe uw God.
Deut. 26,5 Dan moet gij, staande voor Jahwe uw God, zeggen: `Mijn vader was een zwervende ArameeŽr. Hij is met een klein getal mensen naar Egypte gegaan en, terwijl hij daar als vreemdeling verbleef, een groot, machtig, talrijk volk geworden.
Deut. 26,6 Toen de Egyptenaren ons slecht behandelden, ons ver drukten en ons harde slavenarbeid oplegden,
Deut. 26,7 hebben wij tot Jahwe, de God van onze vaderen, geroepen. En Jahwe heeft ons verhoord en zich onze vernedering, ons zwoegen en onze verdrukking aangetrokken. 8 Hij heeft ons uit Egypte geleid met sterke hand, met uitgestrekte arm, onder grote verschrikkingen, tekenen en wonderen.
Deut. 26,9 Hij heeft ons naar deze plaats gebracht en ons dit land geschonken, een land van melk en honing.
Deut. 26,10 Daarom breng ik nu de eerste vruchten van de grond, die Gij, Jahwe, mij hebt geschonken.' Dan moet ge die voor Jahwe uw God neerleggen, u voor Hem neerbuigen
Deut. 26,11 en samen met de levieten en de vreemdelingen die bij u wonen feestvieren, om al de weldaden die Hij aan u en aan uw huis heeft geschonken.
Deut. 26,12 Wanneer gij in het derde jaar, het jaar van de tiende, de gehele tiende van uw oogst volledig hebt afgestaan en aan de levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen hebt gegeven, en zij daar in uw stad volop van eten,
Deut. 26,13 dan moet gij voor Jahwe uw God verklaren: `Ik heb het heilige uit mijn huis weggedaan en het gegeven aan de levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen, zoals Gij mij geboden hebt. Geen van uw geboden heb ik overtreden of veronachtzaamd.
Deut. 26,14 Ik heb er niet in de rouwtijd van gegeten, het niet weggedaan, terwijl ik onrein was, en er niets van aan een dode geofferd. Ik heb gehoor gegeven aan Jahwe mijn God en alles wat Gij mij geboden hebt, ten uitvoer gebracht.
Deut. 26,15 Zie neer uit de hemel, uw heilige woning; zegen uw volk IsraŽl en zegen de grond, die Gij ons hebt geschonken, het land van melk en honing, zoals Gij onze vaderen onder ede beloofd hebt.'
Deut. 26,16 Heden gebiedt Jahwe uw God u deze voorschriften en bepalingen te volbrengen. Gij moet ze stipt ten uitvoer brengen, met heel uw hart en heel uw ziel.
Deut. 26,17 Gij hebt heden van Jahwe de verzekering gekregen, dat Hij uw God zal zijn, als gij tenminste zijn wegen gaat, zijn voorschriften, geboden en bepalingen onderhoudt en naar Hem luistert.
Deut. 26,18 En Jahwe heeft heden van u de verzekering gekregen, dat gij, zoals Hij beloofd heeft, zijn eigen volk zult zijn en al zijn geboden zult onderhouden.
Deut. 26,19 Daarom zal Hij aan u groter eer, faam en luister schenken dan aan de andere volken, die Hij geschapen heeft, en zult gij een volk zijn dat Jahwe uw God is toegewijd, zoals Hij beloofd heeft.
 
Deut. 27,1 Mozes en de oudsten van IsraŽl droegen het volk op: `Onderhoud de voorschriften die ik u heden geef.
Deut. 27,2 Op de dag dat gij de Jordaan overtrekt naar het land dat Jahwe uw God u schenkt, moet gij grote stenen oprichten, ze met kalk bestrijken
Deut. 27,3 en daarin alle bepalingen van deze wet griffen, op de dag dat gij oversteekt. Dan zult ge het land binnengaan dat Jahwe uw God u schenkt, een land van melk en honing, zoals Jahwe de God van uw vaderen u beloofd heeft.
Deut. 27,4 Als gij de Jordaan over zijt, moet gij die stenen op de berg Ebal oprichten, zoals ik u heden voorschrijf, en ze met kalk bestrijken.
Deut. 27,5 Ge moet daar voor Jahwe uw God een altaar bouwen, met onbehouwen stenen.
Deut. 27,6 Van ruwe steenblokken moet ge dat altaar bouwen. Daarop moet ge aan Jahwe uw God brandoffers opdragen
Deut. 27,7 en ook slachtoffers, om er maaltijd te houden en feest te vieren voor Jahwe uw God. 8 En in de stenen moet ge klaar en duidelijk alle geboden van deze wet griffen.'
Deut. 27,9 Mozes en de levitische priesters richtten het woord tot heel IsraŽl: 'Wees stil, IsraŽl, en luister! Heden zijt gij het volk van Jahwe uw God geworden.
Deut. 27,10 Daarom moet gij Hem gehoorzamen en zijn geboden en voorschriften volbrengen, die ik u heden voorhoud.'
Deut. 27,11 Op die dag gebood Mozes het volk:
Deut. 27,12 Wanneer gij de Jordaan zijt overgestoken, moeten de volgende stammen op de Gerizzim gaan staan om de zegen uit te spreken over het volk: Simeon, Levi, Juda, Issachar, Jozef en Benjamin.
Deut. 27,13 En de volgende stammen moeten op de Ebal gaan staan voor de vervloeking: Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali.
Deut. 27,14 Dan moeten de levieten het woord nemen en met luide stem tot alle mannen van IsraŽl zeggen:
Deut. 27,15 Vervloekt de man, die een gehouwen of gegoten beeld maakt en dat in het verborgene opstelt, want Jahwe verafschuwt het maaksel van zo'n beeldhouwer. En heel het volk antwoordt: Amen.
Deut. 27,16 Vervloekt wie zijn vader of moeder veracht. En heel het volk zegt: Amen.
Deut. 27,17 Vervloekt wie bij zijn buurman een grenssteen verlegt. En heel het volk zegt: Amen.
Deut. 27,18 Vervloekt wie een blinde de verkeerde weg wijst. En heel het volk zegt: Amen.
Deut. 27,19 Vervloekt wie de rechten van vreemdeling, wees of weduwe schendt. En heel het volk zegt: Amen.
Deut. 27,20 Vervloekt wie slaapt bij de vrouw van zijn vader; want hij licht het dek van zijn vader op. En heel het volk zegt: Amen.
Deut. 27,21 Vervloekt wie slaapt bij een dier. En heel het volk zegt: Amen.
Deut. 27,22 Vervloekt wie slaapt bij zijn zuster, een dochter van zijn vader of zijn moeder. En heel het volk zegt: Amen.
Deut. 27,23 Vervloekt wie slaapt bij zijn schoonmoeder. En heel het volk zegt: Amen.
Deut. 27,24 Vervloekt wie zijn naaste heimelijk neerslaat. En heel het volk zegt: Amen.
Deut. 27,25 Vervloekt wie steekpenningen aanneemt om onschuldig bloed te vergieten. En heel het volk zegt: Amen.
Deut. 27,26 Vervloekt wie de voorschriften van deze wet niet hooghoudt en ze niet volbrengt. En heel het volk zegt: Amen.
 
Deut. 28,1 Als gij inderdaad gehoorzaamt aan Jahwe en alle geboden die ik u heden opleg, stipt volbrengt, dan zal Hij u hoog verheffen boven alle volken op de aarde.
Deut. 28,2 Dan zullen de volgende zegeningen over u komen en u ten deel vallen, omdat gij gehoorzaamt aan Jahwe uw God.
Deut. 28,3 Gezegend zijt gij in de stad, gezegend zijt gij op het land.
Deut. 28,4 Gezegend is de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw grond en de vrucht van uw vee, de worp van uw runderen en de aanwas van uw schapen.
Deut. 28,5 Gezegend is uw korf en uw trog.
Deut. 28,6 Gezegend zijt gij bij uw komen, gezegend bij uw gaan.
Deut. 28,7 Jahwe zal de vijanden die zich tegen u verheffen voor u op de vlucht drijven. Langs een weg rukken zij tegen u op, langs zeven wegen vluchten zij. 8 Jahwe zal zegen doen komen in uw schuren en bij al uw ondernemingen. Jahwe uw God zal u zegenen in het land dat Hij u schenkt.
Deut. 28,9 Jahwe zal van u een volk maken dat Hem is toegewijd, zoals Hij u onder ede beloofd heeft, als gij tenminste de geboden van Jahwe uw God onderhoudt en zijn wegen gaat.
Deut. 28,10 Alle volken op de aarde zullen zien, dat Jahwe's naam over u is uitgeroepen, en zij zullen ontzag voor u hebben.
Deut. 28,11 Op de grond die Jahwe uw vaderen onder ede beloofd heeft, zal Hij u rijke overvloed schenken in alles, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee en in de vrucht van uw grond.
Deut. 28,12 Jahwe zal de rijke schatkamer van de hemel voor u openen om uw land op tijd regen te geven en al uw ondernemingen te zegenen, zodat gij aan veel volken kunt lenen, maar zelf niet behoeft te lenen.
Deut. 28,13 Tot kop zal Jahwe u maken en niet tot staart. Gij zult omhoog gaan en nooit omlaag, als gij tenminste gehoorzaamt aan de geboden van Jahwe uw God, die ik u heden geef, en die nauwgezet volbrengt,
Deut. 28,14 en als gij van alle voorschriften die ik u heden geef, rechts noch links afwijkt, door achter andere goden aan te lopen en die te vereren.
Deut. 28,15 Als gij echter niet gehoorzaamt aan Jahwe uw God en zijn geboden en voorschriften, die ik u heden opleg, niet stipt ten uitvoer brengt, dan zullen de volgende vervloekingen over u komen en u treffen.
Deut. 28,16 Vervloekt zijt gij in de stad, vervloekt zijt gij op het land.
Deut. 28,17 Vervloekt is uw korf en uw trog.
Deut. 28,18 Vervloekt is de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw grond, de worp van uw runderen en de aanwas van uw schapen.
Deut. 28,19 Vervloekt zijt gij bij uw komen, vervloekt bij uw gaan.
Deut. 28,20 Bij alles wat gij onderneemt, zal Jahwe vloek, verwar ring en verwensing over u zenden, tot gij in korte tijd vernietigd en weggevaagd zijt, omdat gij slecht hebt gehandeld en Mij hebt verlaten.
Deut. 28,21 Jahwe zal maken dat de pest zich bij u vastzet, tot zij u heeft weggevaagd van de grond die ge in bezit gaat nemen.
Deut. 28,22 Jahwe zal u slaan met tering, koorts, ontsteking en koudvuur, met droogte, dorheid en korenbrand. Die zullen u op de hielen blijven zitten tot ge zijt omgekomen.
Deut. 28,23 De hemel boven uw hoofd zal brons zijn, de aarde beneden u ijzer.
Deut. 28,24 Jahwe zal stof en zand op uw land laten regenen; uit de hemel komen die op u neer, totdat gij zijt vernietigd.
Deut. 28,25 Jahwe zal u voor uw vijanden op de vlucht drijven. Langs een weg rukt gij tegen hen op, langs zeven wegen vlucht gij, zodat ge een afschrikkend voorbeeld wordt voor alle koninkrijken op aarde.
Deut. 28,26 Uw lijken zullen tot aas dienen voor de vogels in de lucht en voor de dieren op het land, en er zal niemand zijn die ze wegjaagt.
Deut. 28,27 Jahwe zal u slaan met Egyptische zweren, met builen, uitslag en schurft, die ge niet kunt genezen.
Deut. 28,28 Jahwe zal u slaan met razernij, blindheid en waanzin,
Deut. 28,29 zodat ge midden op de dag als een blinde in het duister rondtast, op uw weg niet vooruitkomt en altijd verdrukt en beroofd wordt, terwijl niemand u helpt.
Deut. 28,30 Verlooft gij u met een vrouw, een ander zal haar bezitten; bouwt gij een huis, ge zult er niet in wonen; plant gij een wijngaard, ge zult zelfs de eerste vruchten niet plukken.
Deut. 28,31 Uw runderen worden voor uw ogen geslacht, maar gij zult er niet van eten; uw ezels worden in uw bijzijn geroofd, en ge ziet ze niet meer terug; uw schapen worden aan uw vijand gegeven, en niemand biedt u hulp.
Deut. 28,32 Uw zonen en dochters worden uitgeleverd aan een ander volk; iedere dag zult ge smachtend naar hen uitzien, zonder dat ge er iets aan kunt doen.
Deut. 28,33 Een onbekend volk zal de opbrengst van uw grond en van uw zwoegen verteren; gijzelf zult aldoor verdrukt en mishandeld worden.
Deut. 28,34 Waanzinnig zult ge worden door wat uw ogen zien.
Deut. 28,35 Jahwe zal u slaan met kwaadaardige, ongeneeslijke zweren op uw knieŽn en op uw dijen, van uw voetzool tot op uw kruin.
Deut. 28,36 Jahwe zal u en de koning, die gij over u aanstelt, wegvoeren naar een volk dat gijzelf en uw voorouders niet hebben gekend; daar kunt ge andere goden dienen, goden van hout en van steen.
Deut. 28,37 En bij alle volken waar Jahwe u heendrijft, zult gij een voorwerp worden van ontzetting, een mikpunt van schimp en van spot.
Deut. 28,38 Veel zaad zult ge naar uw akkers dragen, maar weinig zult ge oogsten, want de sprinkhanen vreten ze kaal.
Deut. 28,39 Wijngaarden zult ge planten en verzorgen, maar de wijn zult ge niet drinken of opslaan, want de wormen vreten ze weg.
Deut. 28,40 Olijfbomen zult ge bezitten in heel uw gebied, maar zalven met de olie zult gij u niet, want uw olijven vallen af.
Deut. 28,41 Zonen en dochters zult ge verwekken, maar toebehoren zullen zij u niet, want als gevangenen gaan zij van u weg.
Deut. 28,42 Van al uw bomen en van de opbrengst van uw grond maakt het ongedierte zich meester.
Deut. 28,43 De vreemdeling die bij u woont zal steeds hoger boven u stijgen, gijzelf zult steeds dieper zinken.
Deut. 28,44 Hij zal aan u lenen, gij niet aan hem. Hij zal de kop zijn, gij de staart.
Deut. 28,45 Al deze vervloekingen komen op u neer, zij zullen u achtervolgen en u treffen, tot gij zijt vernietigd, omdat ge niet hebt gehoorzaamd aan Jahwe uw God en de geboden en bepalingen die Hij u gaf, niet hebt onderhouden.
Deut. 28,46 Bij u en uw nakomelingen zullen die vervloekingen voor altijd een teken en een waarschuwing zijn.
Deut. 28,47 Omdat gij in de tijd van uw overvloed Jahwe uw God niet met vreugde en blij van geest hebt gediend,
Deut. 28,48 daarom zult gij in honger, dorst en naaktheid, in gebrek aan alles, dienstbaar zijn aan de vijanden, die Jahwe op u afzendt. Een ijzeren juk zal Hij op uw nek leggen tot Hij u heeft vernietigd.
Deut. 28,49 Jahwe zal van verre, van de grenzen der aarde, een volk op u afsturen, dat neerschiet als een arend, een volk, waarvan ge de taal niet verstaat,
Deut. 28,50 een wreed volk, dat de oude mensen niet ontziet en geen medelijden heeft met de jeugd.
Deut. 28,51 Het verteert de vrucht van uw vee en de vrucht van uw grond, totdat gij zijt vernietigd; het laat niets voor u over, geen koren, geen most en geen olie, geen worp van uw runderen, geen aanwas van uw schapen, totdat het u te gronde heeft gericht.
Deut. 28,52 Het belegert uw steden, en in heel uw land zullen die hoge en sterke muren, waarop gij vertrouwd hebt, ineenstorten; het belegert al uw steden in het hele land, dat Jahwe uw God u schenkt.
Deut. 28,53 In de verschrikkelijke nood waarin uw vijand u brengt, zult ge de vrucht van uw schoot opeten, het vlees van de zonen en dochters, die Jahwe u heeft geschonken.
Deut. 28,54 En als de meest verfijnde en verwende man in die verschrikkelijke nood, die de vijand over uw steden brengt, niets meer over heeft, dan zal hij achterdochtig kijken naar zijn broer, naar zijn geliefde vrouw en naar de kinderen die hij nog heeft,
Deut. 28,55 om het vlees van de kinderen dat hij eet, maar niet met hen te moeten delen.
Deut. 28,56 En als de meest verfijnde en verwende vrouw, zo verfijnd en verwend, dat zij haar voeten maar amper op de grond durft te zetten, in de verschrikkelijke nood, die de vijand over uw steden brengt, niets meer over heeft, dan zal zij met achter docht kijken naar haar geliefde man naar haar zoon en haar dochter,
Deut. 28,57 om heimelijk de nageboorte van haar schoot en de kinderen die zij baart te kunnen opeten.
Deut. 28,58 Als gij al de geboden van deze wet, die in dit boek staan opgetekend, niet nauwgezet volbrengt volbrengt in ontzag voor de heerlijke en ontzagwekkende naam van Jahwe uw God,
Deut. 28,59 dan zal Hij u en uw nakomelingen met vreselijke plagen treffen, met zware, slepende kwalen, met kwaadaardige, langdurige ziekten.
Deut. 28,60 Alle plagen van Egypte, die u zo'n schrik hebben aangejaagd, zal Hij op u doen terugvallen, zodat ze aan u blijven vastkleven.
Deut. 28,61 En alle andere ziekten en plagen, die niet in dit boek staan opgetekend, zal Jahwe eveneens over u doen komen, totdat gij zijt vernietigd.
Deut. 28,62 In plaats van talrijk te worden als de sterren aan de hemel, zult gij met slechts enkelen overblijven, omdat gij niet naar Jahwe uw God hebt geluisterd.
Deut. 28,63 Zoals Jahwe er vreugde in vond u gelukkig en talrijk te maken, zo zal Hij er vreugde in vinden u te gronde te richten en u te vernietigen; uitgerukt zult gij worden uit de grond die gij in bezit gaat nemen.
Deut. 28,64 Jahwe zal u onder alle volken verstrooien, van het ene eind van de aarde tot aan het andere; daar zult ge andere goden dienen, die gij en uw voorouders niet hebben gekend, goden van hout en van steen.
Deut. 28,65 En bij die volken zult gij geen rust vinden, geen veilige plek zal er zijn voor uw voeten. Jahwe zal daar uw hart laten sidderen, uw ogen doen kwijnen en uw ziel laten versmachten.
Deut. 28,66 Voortdurend zal uw leven in gevaar zijn; dag en nacht zult ge in angst zitten, omdat ge uw leven niet zeker zijt.
Deut. 28,67 In de ochtend zult ge zeggen: `Was het maar avond!' en 's avonds zult ge zeggen: `Was het maar ochtend!', om de schrik die uw hart vervult en om dat wat uw ogen moeten aanzien.
Deut. 28,68 Jahwe zal u per schip terugvoeren naar Egypte, terwijl ik u toch gezegd had: `Nooit zult ge die weg teruggaan.' Daar zult ge u aan uw vijand willen verkopen als slaven en slavinnen, maar er zal geen koper zijn.
Deut. 28,69 Dit zijn de bepalingen van het verbond dat Mozes op bevel van Jahwe in Moab met de IsraŽlieten sloot, naast het verbond, dat Jahwe op de Horeb met hem had gesloten.
 
Deut. 29,1 Mozes riep heel IsraŽl bijeen en sprak: Gij hebt alles gezien wat Jahwe voor uw ogen in Egypte gedaan heeft met Farao, met al zijn hovelingen en met heel zijn land,
Deut. 29,2 de grote plagen die gij met eigen ogen gezien hebt, de grote tekenen en wonderen.
Deut. 29,3 Maar tot op deze dag heeft Jahwe u geen hart gegeven om te verstaan, geen ogen om te zien, geen oren om te horen.
Deut. 29,4 Veertig jaar heb Ik u door de woestijn laten trekken; de kleren aan uw lijf zijn niet versleten en ook de sandalen aan uw voeten niet.
Deut. 29,5 Geen brood hadt ge te eten, geen wijn of sterke drank te drinken. Zo moest gij begrijpen, dat Ik, Jahwe, uw God ben.
Deut. 29,6 Toen gij deze plaats hadt bereikt, trokken Sichon, de koning van Chesbon, en Og, de koning van Basan, tegen ons ten strijde, maar wij hebben hen verslagen;
Deut. 29,7 wij hebben hun land veroverd en het aan Ruben, Gad en de halve stam Manasse gegeven. 8 Onderhoud dan de bepalingen van dit verbond en volbreng ze; dan zult gij voorspoed hebben bij alles wat ge onderneemt.
Deut. 29,9 Heden staat gij allen voor Jahwe uw God: uw hoofden, uw rechters, uw oudsten en uw schrijvers, alle mannen van IsraŽl,
Deut. 29,10 met uw kinderen en uw vrouwen, met de vreemdelingen in uw kampen, van de houthakkers tot de waterdragers,
Deut. 29,11 om toe te treden tot het verbond van Jahwe uw God, tot het verdrag dat Hij met u aangaat.
Deut. 29,12 Heden wil Hij u verheffen tot zijn volk en wil Hijzelf uw God zijn, zoals Hij u heeft beloofd en aan uw vaderen Abraham, Isaak en Jakob heeft gezworen.
Deut. 29,13 Ik sluit dit verbond en dit verdrag niet alleen met u,
Deut. 29,14 die hier vandaag samen met ons voor Jahwe onze God staat, maar ook met hen die vandaag niet bij ons zijn.
Deut. 29,15 Gij weet immers, dat wij in Egypte hebben gewoond en dat wij op onze tocht door het gebied van verschillende volken zijn getrokken.
Deut. 29,16 Toen hebt gij hun gruwelbeelden gezien, hun schandegoden van hout en steen, van zilver en goud.
Deut. 29,17 Laat dan niemand van u, geen man of vrouw, geen familie of stam, zijn hart heden afkeren van Jahwe onze God om de goden van die volken te gaan vereren. Er mag bij u geen wortel zijn, die gif en alsem voortbrengt.
Deut. 29,18 En wanneer iemand bij het horen van de bepalingen van dit verdrag zich wel veilig waant en zegt: `Mij zal het goed gaan, ook al blijf ik mijn verstokt hart volgen: de overvloed zal de dorst wel lessen,'
Deut. 29,19 dan zal Jahwe hem dat nooit vergeven; neen, de toorn en de naijver van God zullen tegen die man ontbranden, alle vervloekingen die in dit boek staan opgetekend, zullen hem overvallen, en Jahwe zal zijn naam van de aarde wegvagen.
Deut. 29,20 Jahwe zal hem uit de stammen van IsraŽl halen en hem treffen met al de rampen, waarmee dit boek de overtreder van het verbond bedreigt.
Deut. 29,21 En wanneer het volgend geslacht, de zonen die na u komen, en de buitenlanders, die uit een ver land afkomstig zijn, de plagen zien en de ziekten, waarmee Jahwe dit land heeft getroffen, dan zullen zij zeggen:
Deut. 29,22 `Dit hele land is door zwavel en zout verschroeid: er wordt niet gezaaid, er groeit niets, geen enkel gewas schiet er op. In zijn grimmige toorn heeft Jahwe het geheel verwoest, juist als Sodom en Gomorra, als Adma en Seboim.'
Deut. 29,23 En alle volken zullen vragen: `Waarom heeft Jahwe zo met dit land gedaan? Wat betekent die geweldige, ziedende toorn?'
Deut. 29,24 Dan zal het antwoord zijn: `Zij hebben zich niet gehouden aan het verbond, dat Jahwe de God van hun vaderen met hen had gesloten, toen Hij hen uit Egypte leidde.
Deut. 29,25 Ze zijn andere goden gaan vereren en hebben zich voor hen neergebogen, goden die zij niet kenden en die Hij niet voor hen had bestemd.
Deut. 29,26 Daarom is de toorn van Jahwe tegen dit land ontbrand en heeft Hij er alle vervloekingen op laten neerkomen, die in dit boek staan opgetekend.
Deut. 29,27 In grimmige toorn en hevige woede heeft Jahwe hen van hun grond verjaagd en naar een ander land gedreven, zoals gij nu ziet.'
Deut. 29,28 Wat verborgen is, gaat Jahwe onze God aan; maar wat geopenbaard is, gaat voor altijd ons en onze kinderen aan: de bepalingen van deze wet, die wij moeten volbrengen.
 
Deut. 30,1 Wanneer alles wat ik u nu heb voorgehouden over u is gekomen, de zegen en de vloek, en wanneer gij het in uw hart overdenkt, onder welke volken Jahwe uw God u ook heeft verspreid,
Deut. 30,2 zodat gijzelf met uw kinderen terugkeert tot Jahwe uw God en Hem met heel uw hart en heel uw ziel weer gehoorzaamt, zoals ik u dat heden voorhoud,
Deut. 30,3 dan zal Jahwe uw God u in uw vroegere staat herstellen; Hij zal zich over u ontfermen en u opnieuw bijeenbrengen uit al de volken, waaronder Hij u verstrooid had.
Deut. 30,4 Al zijt ge verspreid tot het eind van de wereld, Jahwe uw God zal u weer bijeenbrengen. Hij zal u daarvandaan terughalen
Deut. 30,5 en u brengen naar het land dat uw voorouders in bezit genomen hadden; en gij zult het weer in bezit nemen. Hij zal u gelukkig maken en nog talrijker dan uw voorouders.
Deut. 30,6 Jahwe uw God zal uw hart en dat van uw nakomelingen besnijden, zodat gij Hem zult beminnen met heel uw hart en heel uw ziel en daardoor het leven zult bezitten.
Deut. 30,7 Dan zal Jahwe uw God al deze vervloekingen doen neerkomen op de vijanden en tegenstanders die u achtervolgd hebben. 8 Maar gij zult weer gehoor geven aan Jahwe en alle geboden vol brengen die ik u heden geef.
Deut. 30,9 Jahwe uw God zal u rijke voorspoed schenken in alles wat ge onderneemt, in de vrucht van uw schoot, in de worp van uw vee en in de opbrengst van uw grond. Want Jahwe zal er weer vreugde in vinden u gelukkig te maken, zoals Hij dat ook bij uw voorouders deed.
Deut. 30,10 Maar dan moet gij aan Jahwe gehoorzamen en alle geboden en voorschriften onderhouden, die in dit wetboek staan opgetekend; dan moet gij met heel uw hart en heel uw ziel terug keren tot Jahwe uw God.
Deut. 30,11 De geboden die ik u heden geef, zijn niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw bereik.
Deut. 30,12 Ze zijn niet in de hemel en ge hoeft niet te zeggen: `Wie zal naar de hemel opvaren om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?'
Deut. 30,13 Ze zijn niet overzee en ge hoeft niet te zeggen: `Wie zal de zee over varen om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?'
Deut. 30,14 Neen, het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. Gij kunt het dus volbrengen.
Deut. 30,15 Ik houd u vandaag het leven en het geluk voor, maar ook de dood en het ongeluk.
Deut. 30,16 Als gij luistert naar de geboden van Jahwe uw God, die ik u heden geef, als gij Jahwe uw God bemint, zijn wegen gaat en zijn geboden, voorschriften en bepalingen nakomt, dan zult gij leven en talrijk worden en zal Jahwe uw God u zegenen in het land dat ge in bezit gaat nemen.
Deut. 30,17 Maar als uw hart afdwaalt, als ge niet luistert en u laat verleiden, zodat gij u voor andere goden neerbuigt en die vereert,
Deut. 30,18 dan kondig ik u heden aan, dat gij zult omkomen en dat ge niet lang zult leven op de grond, die ge na de overtocht van de Jordaan in bezit gaat nemen.
Deut. 30,19 Ik neem heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u. Leven en dood houd ik u voor, zegen en vloek. Kies dan het leven, dan zult gij met uw nakomelingen het leven bezitten,
Deut. 30,20 door Jahwe uw God te beminnen, naar Hem te luisteren en aan Hem gehecht te blijven. Want daarvan hangt het af, of gij zult leven en of gij lang zult wonen op de grond, die Jahwe aan uw vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft toegezegd.
 
Deut. 31,1 Aan het slot van zijn woorden tot IsraŽl,
Deut. 31,2 zei Mozes tot hen: `Ik ben nu honderdtwintig jaar en nauwelijks meer tot iets in staat. Bovendien heeft Jahwe mij gezegd: Gij komt de Jordaan niet over.
Deut. 31,3 Maar Jahwe uw God zal bij de overtocht voor u uitgaan; Hij zal die volken voor u vernietigen, zodat gij hun land in bezit kunt nemen. Jozua zal bij de overtocht voor u uitgaan, zoals Jahwe gezegd heeft.
Deut. 31,4 Jahwe zal hen vernietigen, zoals Hij Sichon en Og, de koningen van de Amorieten, en hun land heeft vernietigd.
Deut. 31,5 En als Jahwe hen aan u overlevert, moet gij met hen precies zo handelen als ik u heb voorgeschreven.
Deut. 31,6 Wees sterk en moedig, wees niet bang en heb geen schrik voor hen, want Jahwe uw God trekt zelf met u mee: Hij geeft u niet prijs, Hij laat u niet in de steek.
Deut. 31,7 Toen riep Mozes Jozua en in tegenwoordigheid van heel IsraŽl zei hij tot hem: `Wees sterk en vol moed! U zult dit volk in het land brengen, dat Jahwe aan hun vaderen onder ede beloofd heeft: u zult hun dat land in bezit geven. 8 Jahwe gaat voor u uit, Hij zal met u zijn: Hij geeft u niet prijs en laat u niet in de steek. Wees dus niet bang of bevreesd.'
Deut. 31,9 Daarna stelde Mozes deze wet op schrift en overhandigde die aan de levitische priesters, die de ark van het verbond van Jahwe dragen, en aan alle oudsten van IsraŽl.
Deut. 31,10 En Mozes beval hun: `Op het loofhuttenfeest van ieder zevende jaar, het jaar dat voor de kwijtschelding is aangewezen,
Deut. 31,11 wanneer IsraŽl voor Jahwe verschijnt, op de plaats die Hij uitkiest, moet gij deze wet in het bijzijn van heel IsraŽl voorlezen.
Deut. 31,12 Roep dan het volk bijeen, de mannen, de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen in uw steden. Zij moeten luisteren en Jahwe uw God leren vrezen, zodat zij al de bepalingen van deze wet nauwgezet volbrengen.
Deut. 31,13 Ook hun kinderen die er nog geen weet van hebben, moeten luisteren en Jahwe uw God leren vrezen, zolang gij leeft op de grond, die ge na de overtocht van de Jordaan in bezit gaat nemen.'
Deut. 31,14 Jahwe sprak tot Mozes: `Het ogenblik van uw dood is gekomen. Roep Jozua en begeef u met hem naar de tent van de samenkomst; dan zal Ik hem aanstellen.' Toen Mozes en Jozua zich in de tent van de samenkomst begeven hadden,
Deut. 31,15 verscheen Jahwe in een wolkkolom, die bij de ingang van de tent bleef staan. het lied van Mozes
Deut. 31,16 Jahwe sprak tot Mozes: `Gij gaat nu bij uw vaderen rusten. Maar dit volk zal ontuchtig achter de vreemde goden aanlopen van het land waar het komt. Het zal Mij verlaten en het verbond verbreken, dat Ik met hen gesloten heb.
Deut. 31,17 Op die dag zal mijn toorn tegen hen ontbranden, Ik zal hen aan hun lot overlaten en mijn gelaat voor hen verbergen, zodat iedereen hen kan verslinden en veel rampen en tegenslagen hen treffen. Op die dag zal het zeggen: Deze rampen hebben mij getroffen, omdat mijn God niet met mij is.
Deut. 31,18 Maar Ik zal op die dag mijn gelaat blijven verbergen om al het kwaad dat zij hebben gedaan door zich tot andere goden te wenden.
Deut. 31,19 Schrijf daarom het volgende lied op en leer het de IsraŽlieten; leg hun dit lied in de mond, zodat Ik een getuigenis tegen hen heb.
Deut. 31,20 Want Ik ga deze mensen brengen naar de grond, die Ik hun vaderen onder ede beloofd heb, naar een land van melk en honing. Daar zullen zij zich volop dik eten, zich tot andere goden wenden en die vereren; en Mij zullen zij versmaden en mijn verbond verbreken.
Deut. 31,21 En als dan een menigte rampen en tegenslagen hen treft, zal dit lied tegen hen blijven getuigen, omdat het voort leeft bij hun nakomelingen. Maar al te goed ken Ik de plannen, die zij vandaag al hebben, nog eer Ik hen in het land heb ge bracht dat Ik hun onder ede beloofd heb.'
Deut. 31,22 Op die dag schreef Mozes dit lied en leerde het de IsraŽlieten.
Deut. 31,23 Jahwe stelde Jozua, de zoon van Nun, aan en zei: `Wees sterk en vol moed, want gij zult de IsraŽlieten in het land brengen, dat Ik hun onder ede beloofd heb. Ik zal met u zijn.'
Deut. 31,24 Toen Mozes al de bepalingen van deze wet op schrift had gesteld,
Deut. 31,25 beval hij de levieten, die de ark van het verbond van Jahwe dragen:
Deut. 31,26 `Neem dit wetboek en leg het naast de ark van het verbond van Jahwe uw God. Daar zal het als getuige tegen u dienen.
Deut. 31,27 Ik weet maar al te goed, hoe opstandig en hardnekkig gij zijt. Nu reeds, terwijl ik nog in leven ben, zijt gij al in opstand gekomen tegen Jahwe. Wat zal het dan worden, als ik dood ben?
Deut. 31,28 Roep alle stamoudsten en schrijvers bij mij samen. In hun bijzijn zal ik deze woorden uitspreken en de hemel en de aarde tegen hen tot getuigen nemen.
Deut. 31,29 Want ik weet, dat ge na mijn dood tot zware zonde zult vervallen, en dat ge zult afwijken van de weg, die ik u heb voorgeschreven. Dan zal het ongeluk u treffen, omdat ge doet wat Jahwe mishaagt en Hem tart door de maaksels van uw handen.'
Deut. 31,30 Toen sprak Mozes ten aanhoren van de hele gemeente van IsraŽl de woorden van dit lied:
 
Deut. 32,1 Hoor, hemelen, wat ik ga zeggen, luister, aarde, naar het woord van mijn mond.
Deut. 32,2 Mijn boodschap moet zijn als een stromende regen, mijn leer als de druppende dauw, als een regenbui o het groen, als druppels dauw op het gras.
Deut. 32,3 Jahwe's naam roep ik uit: Breng hulde aan onze God!
Deut. 32,4 Hij is de rots, wat Hij doet is volmaakt, al zijn wegen zijn recht; een God van trouw, zonder onrecht, rechtvaardig is Hij en waarachtig.
Deut. 32,5 Zijn zonen zonder smet, zij vervielen tot zonde, een boos, verdorven geslacht.
Deut. 32,6 Is dat uw dank aan Jahwe, dwaas, onnozel volk? Hij is toch uw vader, Hij heeft u verwekt. Hij heeft u gemaakt, u het leven gegeven.
Deut. 32,7 Denk aan de dagen van vroeger, zie naar de tijd van voorbije geslachten. Vraag het uw vader, hij zal het vertellen, vraag het uw oudsten, zij zeggen het u. 8 Toen de Allerhoogste bezit toewees aan de volken en Hij aan de mensen ieder hun deel gaf, heeft Hij de grenzen der naties bepaald naar het getal van Gods zonen.
Deut. 32,9 Toen werd zijn volk het deel van Jahwe. Jakob het Hem toegemeten bezit.
Deut. 32,10 Hij heeft het gevonden in de woestijn, in de wilder nis, dat oord vol gehuil. Hij heeft het verzorgd en bewaakt, als de appel van zijn oog het behoed,
Deut. 32,11 zoals een arend die ziet naar zijn jongen en boven hen heen en weer vliegt, die zijn vleugels uitspreidt voor hen, hen opneemt en draagt op zijn wieken.
Deut. 32,12 Jahwe alleen heeft zijn volk geleid, geen vreemde god heeft naast Hem gestaan.
Deut. 32,13 Hij voerde hen naar de hoogten van het land, de oogst van het veld gaf Hij hun te eten, met honing uit rotsen voedde Hij hen, met olie uit keihard gesteente,
Deut. 32,14 met boter van koeien, melk van schapen, met vette lammeren, met rammen en bokken uit Basan, met de fijnste bloem van de tarwe, met het bloed van druiven en sterke dranken.
Deut. 32,15 En Jakob at en raakte verzadigd, Jesurun werd vet en ging achteruitslaan - dik zijt ge geworden, vet en zwaar -; hij verliet de God die hem had gemaakt, versmaadde de rots die zijn heil was.
Deut. 32,16 Zij tartten Hem met vreemde goden en tergden Hem met gruwelijke beelden;
Deut. 32,17 aan geesten offerden zij niet-goden, godheden die zij nooit hadden gekend, nieuwelingen, pas opgekomen, die hun vaders nooit hadden geŽerd.
Deut. 32,18 De rots die u voortbracht hebt gij verlaten, vergeten de God die u heeft verwekt.
Deut. 32,19 Jahwe zag het! Gekrenkt als Hij was, verwierp Hij zijn zonen en dochters.
Deut. 32,20 Hij sprak: Ik verberg voor hen mijn gelaat; Ik wil zien, hoe het dan met hen afloopt. Een onbetrouwbaar geslacht zijn zij, mensen, op wie men niet aan kan.
Deut. 32,21 Met niet-goden hebben zij mij getart, met hun goden van niets mij getergd. Nu tart Ik hen met een niet-volk, terg Ik hen met een natie van niets.
Deut. 32,22 Het vuur van mijn toorn ontbrandt, dringt door tot de diepten van het dodenrijk, verzengt de aarde en al wat er groeit, en verteert de grondvesten der bergen.
Deut. 32,23 Ik bedelf hen onder de rampen, al mijn pijlen ver schiet Ik op hen:
Deut. 32,24 moordende honger, vernielende pest, verwoestende ziekten. Ik stuur dieren met scherpe tanden en giftige slangen op hen af.
Deut. 32,25 Buiten brengt het zwaard de dood, in hun huizen de schrik aan jongemannen en meisjes, aan zuigelingen en grijsaards.
Deut. 32,26 Ik zou hen vernietigd hebben, hun naam bij de mensen uitgewist,
Deut. 32,27 had Ik niet de spot van hun vijand gevreesd, het onbegrip van hun belager, die zeggen zou: Onze macht heeft hen overwonnen, Jahwe heeft er niets toe gedaan!
Deut. 32,28 Want het is een volk zonder begrip en alle inzicht ontbreekt hun.
Deut. 32,29 Waren zij wijs, zij zouden het vatten en acht slaan op wat nog gaat komen.
Deut. 32,30 Hoe kon een man er duizend verjagen en twee er tien duizend doen vluchten, als niet hun rots hen verkocht had, als Jahwe hen niet in de steek had gelaten?
Deut. 32,31 Onze rots is niet als de hunne: dat zullen zij zelf erkennen.
Deut. 32,32 Uit Sodom stamt hun wijnstok, uit de wijngaarden van Gomorra; hun druiven zijn giftige druiven, zij dragen bittere trossen,
Deut. 32,33 hun wijn is slangenvenijn en wrang als adderengif.
Deut. 32,34 Wees overtuigd: dat alles bewaar Ik, in mijn schatkamers berg Ik het op
Deut. 32,35 voor de dag van wraak en vergelding, de tijd dat hun voeten wankel worden. Ja, hun ongeluksdag is nabij, wat voor hen bestemd is, nadert snel.
Deut. 32,36 Jahwe doet recht aan zijn volk, Hij erbarmt zich over zijn dienaars. Als Hij ziet, dat hun kracht is vergaan, dat het bittere eind hen dreigt,
Deut. 32,37 zal Hij zeggen: waar zijn hun goden - de rots waar zij op vertrouwden
Deut. 32,38 die het vet van hun slachtoffers aten en dronken de wijn, die zij plengden? Laat zij maar opstaan om u te helpen, laat zij u omringen met hun bescherming!
Deut. 32,39 Erken dan: Ik ben het, Ik alleen, er is geen God buiten mij. Ik ben het, die dood maakt en levend. Ik sla wonden en heel ze ook weer; Geen is er die redt uit mijn hand,
Deut. 32,40 Ik hef mijn hand naar de hemel; Ik zeg: zowaar Ik in eeuwigheid leef,
Deut. 32,41 Ik wet mijn fonkelend zwaard en maak Mij gereed voor het oordeel. Ik neem wraak op mijn vijanden, Ik bestraf degenen die Mij haten.
Deut. 32,42 Ik voer mijn pijlen dronken met bloed - mijn zwaard verslindt vlees -, bloed van geslagenen en gevangenen, van de langharige leiders van de vijand.
Deut. 32,43 Verblijd u, naties, over zijn volk, want Hij wreekt het bloed van zijn dienaren, op zijn vijanden neemt Hij wraak en zuivert het land voor zijn volk.
Deut. 32,44 Mozes trad naar voren en droeg met Hosea, de zoon van Nun, ten aanhoren van het volk de frÍle tekst van dit lied voor.
Deut. 32,45 En toen hij voor heel IsraŽl dit lied had beŽindigd,
Deut. 32,46 zei hij tot hen: `Neem alle woorden ter harte die ik heden tegen u tot getuige maak, en beveel uw kinderen, dat zij alle bepalingen van deze wet stipt volbrengen.
Deut. 32,47 Want het gaat voor u om een belangrijke zaak, waar uw leven van afhangt; ja, daarvan hangt af, hoe lang gij zult leven op de grond, die ge aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen.'
Deut. 32,48 Diezelfde dag sprak Jahwe tot Mozes:
Deut. 32,49 `Ga het Abarimgebergte op, de berg Nebo in Moab, recht tegenover Jericho; dan kunt ge Kanašn zien, het land dat Ik de IsraŽlieten in bezit geef.
Deut. 32,50 Daar zult gij sterven op de berg die ge beklimt en met uw voorvaderen worden verenigd, zoals uw broer Aaron, die op de berg Hor overleed en met zijn voorvaderen werd verenigd.
Deut. 32,51 Want gij zijt Mij ontrouw geweest bij de wateren van Meribat-kades, in de woestijn Sin, door bij de IsraŽlieten geen recht te doen aan mijn heiligheid.
Deut. 32,52 Vanuit de verte moogt ge kijken naar het land, dat Ik de IsraŽlieten schenk, maar ge zult er niet binnengaan.'
 
Deut. 33,1 Dit is de zegen, die Mozes, de man Gods, voor zijn dood over de IsraŽlieten uitsprak.
Deut. 33,2 Hij zei: Jahwe is van de SinaÔ gekomen, uit seÔr stralend over hen opgegaan, van het Parangebergte in luister verschenen. Ontelbare heiligen waren met Hem, machtigen gingen aan zijn zijde.
Deut. 33,3 Met liefde omringt Gij uw volk, de heilig en zijn in uw hand; en zij, zij volgen uw schreden en trekken achter u aan.
Deut. 33,4 Mozes heeft ons een wet gegeven, het bezit van Jacobs gemeente.
Deut. 33,5 Er is in Jesurun een koning gekomen, toen de leiders van het volk vergaderden, toen IsraŽls stammen bijeenkwamen.
Deut. 33,6 Ruben moet leven, hij mag niet sterven. al is hij maar klein in getal.
Deut. 33,7 Van Juda zei hij: Hoor, Jahwe, naar het roepen van Juda en breng hem terug bij zijn volk. Maak zijn daden machtig en help hem tegen zijn vijand 8 Van Levi zei hij Geef aan levi uw toemmim, de oerim aan uw getrouwe, die Gij beproefd hebt te Massa, getoetst bij het water van Meriba.
Deut. 33,9 Hij is het, die zei van zijn vader en moeder: Ik bekommer mij niet om hen. Hij schonk aan zijn broers geen aandacht en keek niet om naar zijn kinderen, maar aan uw woord hield hij vast, aan uw verbond was hij trouw.
Deut. 33,10 Zij leren Jakob uw geboden en IsraŽl uw wet; zij brengen U geurige gaven, op uw altaar branden zij offers.
Deut. 33,11 Zegen, Jahwe, zijn kracht, begunstig al wat hij doet. Breek zijn tegenstander de lenden, dat zijn vijand niet meer opstaat.
Deut. 33,12 Van Benjamin zei hij: Jahwe's beminde woont veilig bij Hem, altijd beschermt hem de Hoogste, die tussen zijn heuvels woont.
Deut. 33,13 Van Jozef zei hij: Gezegend door Jahwe zijn land met de edele dauw uit de hemel, met het water van onder de aarde,
Deut. 33,14 met het mooiste dat rijpt in de zon, dat groeit bij de wisselende maan,
Deut. 33,15 met het puik van de aloude bergen, de keur van de eeuwige heuvels,
Deut. 33,16 met het beste dat de aarde bezit: de gunst van die woont in de doornstruik. Deze zegen moge komen op het hoofd van Jozef, op de kruin van de gewijde onder zijn broers.
Deut. 33,17 Prachtig is hij, een eerstgeboren stier, met horens als een buffel: hij stoot er de volken mee neer, allemaal, tot het eind van de aarde. Dat zijn de tienduizenden van Efraim, de duizenden van Manasse.
Deut. 33,18 Van Zebulon zei hij: Vier feest, Zebulon, als ge uittrekt, vier feest, Issakar, in uw tenten.
Deut. 33,19 Zij nodigen hun verwanten naar de berg, waar zij passende offers brengen Zij halen rijkdom uit de zee, verborgen schatten uit het zand.
Deut. 33,20 Van Gad zei hij: Gezegend Hij, die ruimte geeft aan Gad: hij ligt neer als een leeuw, met een arm en een schedel als buit.
Deut. 33,21 Het beste gebied koos hij voor zichzelf, waar de taak van een leider hem wachtte. Als de hoofden bijeenkwamen, bracht hij Jahwe's wil ten uitvoer en zijn besluiten over IsraŽl.
Deut. 33,22 Van Dan zei hij: Dan is een jonge leeuw, die voorwaarts stormt uit Basan.
Deut. 33,23 Van Naftali zei hij: Naftali heeft de gunst van Jahwe en is vervuld van zijn zegen. De zee en het zuidland bezit hij.
Deut. 33,24 Van Aser zei hij: Boven alle zonen zij Aser gezegend, het meest geliefd van zijn broers; hij moge zijn voeten in olie baden.
Deut. 33,25 Mogen uw grendels van ijzer en brons zijn, dat uw sterkte altijd mag blijven.
Deut. 33,26 Jesurun, geen is er als God: Hij rijdt met macht langs de hemel, met majesteit over de wolken.
Deut. 33,27 De God van oudsher is uw toevlucht, wijd open zijn de armen van de Eeuwige. De vijand drijft Hij voor u uit, Hij beveelt u: sla hem ter neer.
Deut. 33,28 IsraŽl woont veilig, ongestoord is Jacobs verblijf in een land van koren en most, waar de hemelen druipen van dauw.
Deut. 33,29 Wie, IsraŽl, is er gelukkig als gij, gij volk, bevrijd door Jahwe, die u zijn hulp heeft verleend en uw machtig zwaard heeft gezegend! Uw vijanden kruipen voor u, en gij, op hun ruggen zet gij uw voet.
 
Deut. 34,1 Toen ging Mozes uit de vlakte de berg Nebo op, naar de top van de Pisga, recht tegenover Jericho. En Jahwe liet hem het hele land zien: Gilead tot aan Dan toe,
Deut. 34,2 heel Naftali, het gebied van Efraim en Manasse, het gebied van Juda tot aan de Zee in het westen,
Deut. 34,3 de Negeb, de Jordaanstreek, de vlakte van Jericho, de palmenstad, tot Soar toe.
Deut. 34,4 Toen zei Jahwe tot hem: `Dat is nu het land, waarvan Ik aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heb: Aan uw nakomelingen zal Ik het geven. Ik heb het u met uw eigen ogen laten zien, ofschoon ge de overtocht daarheen niet zult meemaken.'
Deut. 34,5 Daar in Moab stierf Mozes, de dienaar van Jahwe, zoals deze gezegd had.
Deut. 34,6 Hij werd begraven in het dal, bij Bet-peor in Moab; tot op heden weet niemand waar zijn graf ligt.
Deut. 34,7 Mozes was honderdtwintig jaar, toen hij stierf; zijn ogen waren niet verzwakt en zijn krachten niet afgenomen. 8 In de vlakte van Moab treurden de IsraŽlieten dertig dagen over Mozes, totdat de rouwtijd voorbij was.
Deut. 34,9 Jozua, zoon van Nun, was van de geest van wijsheid vervuld sinds Mozes hem de handen had opgelegd, en de IsraŽlieten gehoorzaamden hem en deden wat Jahwe aan Mozes had opgedragen;
Deut. 34,10 maar er is in IsraŽl geen profeet meer opgestaan als Mozes, die Jahwe van aangezicht tot aangezicht gekend had
Deut. 34,11 en die, door Jahwe gezonden, in Egypte aan Farao, aan zijn hovelingen en aan heel zijn land al die tekenen en wonderen gedaan had
Deut. 34,12 en met grote macht ten aanschouwen van IsraŽl indruk wekkende daden verricht had.

Jozua

Joz. 1,1 Na de dood van Mozes, de dienaar van Jahwe, sprak Jahwe tot Jozua, de zoon van Nun, de helper van Mozes:
Joz. 1,2 `Mijn dienaar Mozes is gestorven. Nu moet gij u gereed maken om met heel dit volk de Jordaan over te trekken naar het land dat Ik aan de IsraŽlieten ga geven.
Joz. 1,3 Zoals Ik Mozes beloofd heb, geef Ik u iedere plek die uw voetzool betreedt;
Joz. 1,4 uw gebied zal zich uitstrekken van de woestijn tot de Libanon en van de Grote Rivier, de Eufraat - heel het gebied van de Hethieten - tot aan de Grote Zee in het westen.
Joz. 1,5 Niemand zal u kunnen weerstaan, al de dagen van uw leven. Ik zal met u zijn zoals Ik met Mozes ben geweest. Ik zal u niet begeven en u niet verlaten.
Joz. 1,6 Wees sterk en moedig; gij zult dit volk in het bezit brengen van het land dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb.
Joz. 1,7 Wees zeer sterk en moedig en onderhoud nauwkeurig heel de wet die mijn dienaar Mozes u gegeven heeft. Wijk daar niet van af, naar rechts noch naar links; dan zal het u goed gaan, waar gij ook gaat.
Joz. 1,8 Nooit moet ge ophouden in dat wetboek te lezen. Ge moet het dag en nacht overwegen en ge moet alles wat daarin geschreven staat nauwkeurig volbrengen. Dan zult gij voorspoed en geluk hebben in alles wat gij doet.
Joz. 1,9 Ik herhaal: Wees sterk en moedig en laat u door geen vrees verlammen, want Jahwe uw God is met u, waar gij ook gaat.'
Joz. 1,10 Toen gaf Jozua aan de schrijvers de opdracht
Joz. 1,11 het kamp rond te gaan met het bevel: `Maak proviand gereed, want over drie dagen trekt u over de Jordaan om bezit te nemen van het land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft.'
Joz. 1,12 Tot de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse had Jozua gezegd:
Joz. 1,13 `Denkt aan de opdracht die Mozes, de dienaar van Jahwe, u heeft gegeven: Jahwe uw God heeft u rust verleend en u dit land geschonken;
Joz. 1,14 uw vrouwen en kinderen en uw vee kunnen in het land blijven dat Mozes u in het Overjordaanse gegeven heeft, maar uw mannen moeten gewapend voor uw broeders uittrekken om hen te helpen.
Joz. 1,15 Zodra Jahwe aan uw broeders dezelfde rust geschonken heeft als aan u en ook zij het land in bezit hebben genomen dat Jahwe uw God hun geeft, moogt u terugkeren en genieten van het bezit van uw eigen land, dat Mozes, de dienaar van Jahwe, u ten oosten van de Jordaan gegeven heeft.'
Joz. 1,16 Zij hadden geantwoord: `Wij zullen al uw bevelen opvol gen en overal heengaan waar u ons zendt.
Joz. 1,17 Zoals wij altijd naar Mozes geluisterd hebben, zullen wij ook luisteren naar u. Moge Jahwe uw God met u zijn, zoals Hij met Mozes is geweest.
Joz. 1,18 Iedereen die zich tegen een bevel van u verzet en niet naar u luistert, als u ons iets opdraagt, zal ter dood gebracht worden. U moet echter sterk en moedig zijn.'
 
Joz. 2,1 Jozua, de zoon van Nun, stuurde vanuit Sittim twee spionnen weg met de opdracht: `Gaat het land erkennen, en bekijkt met name Jericho.' Zij gingen op weg en kwamen in het huis van een hoer, die Rachab heette. Daar bleven zij slapen.
Joz. 2,2 De koning van Jericho werd gewaarschuwd: `Er zijn hier vannacht enkele IsraŽlieten aangekomen om het land te verkennen.'
Joz. 2,3 Daarop liet de koning van Jericho aan Rachab zeggen: `Lever de mannen uit die bij u hun intrek hebben genomen, want ze hebben de bedoeling het land te verkennen.'
Joz. 2,4 Maar de vrouw bracht de beide mannen naar een schuil plaats en antwoordde toen: `Ja, die mannen zijn wel bij me geweest, maar ik wist niet waar ze vandaan kwamen.
Joz. 2,5 Tegen donker, vlak voor de stadspoort dichtging, zijn ze weggegaan, waarheen weet ik niet. Maar als u ze onmiddellijk achterna gaat, haalt u ze nog wel in.'
Joz. 2,6 Zij had hen op het dak gebracht en hen verborgen onder het vlas, dat daar op rekken te drogen hing.
Joz. 2,7 Daarop gingen ze hen achterna in de richting van de doorwaadbare plaatsen in de Jordaan. Zodra de achtervolgers de stad uit waren, werd de poort weer gesloten.
Joz. 2,8 Nog voor de mannen waren gaan slapen, kwam de vrouw bij hen op het dak
Joz. 2,9 en zei: `Ik weet dat Jahwe jullie het land heeft gegeven: de angst voor jullie heeft ons overvallen en alle bewoners van het land sidderen voor jullie.
Joz. 2,10 Wij hebben gehoord, dat Jahwe bij de uittocht uit Egypte de Rietzee voor jullie heeft drooggelegd en dat jullie in het Overjordaanse de twee koningen van de Amorieten, Sichon en Og, met de ban hebt geslagen.
Joz. 2,11 Toen wij dat hoorden, is ons de schrik om het hart geslagen en heeft niemand nog de moed gehad iets tegen jullie te ondernemen. Werkelijk, Jahwe jullie God is God in de hemel boven en op de aarde beneden.
Joz. 2,12 Zweert dan bij Jahwe, dat jullie je over mijn familie zult ontfermen, zoals ik mij over jullie heb ontfermd. Dan heb ik een bewijs dat ik jullie kan vertrouwen
Joz. 2,13 en dat je mijn vader en moeder, mijn broers en zusters en al hun verwanten in leven zult laten en ons van de dood zult redden.'
Joz. 2,14 De mannen antwoordden: `Wij staan met ons leven borg voor jullie. Als jij onze plannen niet verraadt, zullen wij jullie onze dankbaarheid en trouw bewijzen, wanneer Jahwe ons het land heeft overgeleverd.'
Joz. 2,15 Toen liet zij hen aan een touw door het raam naar beneden; haar huis stond namelijk tegen de stadsmuur, zodat ze in de muur woonde.
Joz. 2,16 Ze zei nog tegen hen: `Jullie moeten de bergen ingaan, dan zullen de achtervolgers je niet vinden. Houdt je daar drie dagen schuil tot zij terug zijn; dan kun je verder gaan.'
Joz. 2,17 Daarop zeiden de mannen: `Wij zullen ons houden aan de eed, die je van ons gevraagd hebt.
Joz. 2,18 Als wij het land binnentrekken, moet je dit rode koord aan het raam binden, waardoor je ons naar beneden hebt gelaten, en je vader en moeder, je broers met heel je familie bij je in huis brengen.
Joz. 2,19 Als iemand uit je huis de straat opgaat, komt zijn bloed op zijn eigen hoofd: wij dragen dan geen verantwoording. Wij zijn wel verantwoordelijk als men de hand slaat aan iemand die bij je in huis is.
Joz. 2,20 Maar als je onze plannen verraadt, zijn wij ontslagen van de eed, die je van ons gevraagd hebt.'
Joz. 2,21 Zij antwoordde: `Dat is afgesproken.' Ze liet hen gaan en bond het rode koord aan het raam.
Joz. 2,22 De mannen trokken de bergen in en bleven daar drie dagen, tot de achtervolgers teruggekeerd waren: die achtervolgers hadden op alle wegen gezocht en niets gevonden.
Joz. 2,23 Toen kwamen de beide mannen uit de bergen naar beneden, staken de Jordaan over en kwamen bij Jozua, de zoon van Nun. Zij vertelden wat hun was overkomen
Joz. 2,24 en zeiden: `Jahwe heeft ons het land in handen gegeven; de bewoners zijn nu al doodsbang voor ons.'
 
Joz. 3,1 De volgende morgen vertrokken Jozua en de IsraŽlieten uit Sittim. Zij bereikten de Jordaan en zij overnachtten daar voor zij overstaken.
Joz. 3,2 De derde dag gingen de schrijvers het kamp door
Joz. 3,3 en gaven het volk het bevel: `Als u ziet, dat de levitische priesters de ark van het verbond van Jahwe uw God opnemen, trekt er dan achter aan,
Joz. 3,4 maar bewaart een afstand van tweeduizend el en komt niet dichterbij. U zult dan zien, welke weg u moet volgen, want u bent hier nog nooit geweest.'
Joz. 3,5 Jozua zei tot het volk: `Heiligt u, want morgen zal Jahwe wonderbare dingen bij u doen.'
Joz. 3,6 Tot de priesters zei Jozua: `Draagt de ark van het verbond voor het volk uit.' Daarop droegen zij de ark van het verbond voor het volk uit.
Joz. 3,7 En Jahwe sprak tot Jozua: `Van nu af aan zal Ik zorgen, dat gij hoog in aanzien komt bij de IsraŽlieten. Zij moeten weten dat Ik met u ben, zoals Ik met Mozes ben geweest.
Joz. 3,8 Daarom moet ge de priesters die de ark van het verbond dragen bevel geven: Als u aan de oever van de Jordaan komt, gaat dan in de rivier staan.'
Joz. 3,9 Toen zei Jozua tot de IsraŽlieten: `Komt luisteren naar wat Jahwe uw God u te zeggen heeft.'
Joz. 3,10 En Jozua zei: `Nu zult u ondervinden dat de levende God bij u is en dat hij de Kanašnieten, Hethieten, Chiwwieten, Perizzieten, Girgasieten, Amorieten en Jebusieten voor u zal verdrijven.
Joz. 3,11 De ark van het verbond van de Heer van heel de aarde zal u voorgaan, de Jordaan in.
Joz. 3,12 Zoekt twaalf mannen uit, een uit elke stam van IsraŽl.
Joz. 3,13 Zodra de priesters die de ark van Jahwe, de Heer van heel de aarde, dragen hun voetzool in het water van de Jordaan hebben gezet, zal het water hogerop in de Jordaan afgesneden worden en als een muur blijven staan.'
Joz. 3,14 Toen het volk opbrak om over de Jordaan te trekken, gingen de priesters, die de ark van het verbond droegen, voor het volk uit.
Joz. 3,15 En zodra de priesters die de ark droegen bij de Jordaan kwamen en een voet in het water zetten - de Jordaan treedt in de oogsttijd overal buiten zijn oevers
Joz. 3,16 bleef stroomopwaarts het water staan; in de verte, bij de stad Adam, in de omgeving van Saretan, rees het op als een muur; en het water dat wegstroomde naar de zee van Araba, de Zoutzee, werd er volkomen van afgesneden. Zo trok het volk bij Jericho de rivier over.
Joz. 3,17 Terwijl de IsraŽlieten over de droge bedding trokken, stonden de priesters, die de ark van het verbond van Jahwe droegen, midden in de Jordaan en zij bleven op de droge bedding staan tot heel het volk de Jordaan was overgetrokken.
 
Joz. 4,1 Toen het volk de Jordaan was overgetrokken, sprak Jahwe tot Jozua:
Joz. 4,2 `Zoek twaalf mannen uit, van iedere stam een,
Joz. 4,3 en geef hun deze opdracht: Haalt twaalf stenen uit de Jordaan, van de plek waar de voeten van de priesters staan. Brengt ze naar deze kant en legt ze op de plaats waar vannacht uw kamp staat.'
Joz. 4,4 Daarop riep Jozua de twaalf mannen die hij uit de IsraŽlieten had laten aanwijzen bijeen, een uit iedere stam,
Joz. 4,5 en zei tot hen: `Gaat de Jordaan in tot bij de ark van Jahwe uw God en neemt ieder een steen op uw schouder, naar het aantal van de stammen van IsraŽl,
Joz. 4,6 om daarmee een gedenkteken op te richten. Als uw kinderen later vragen: Wat betekenen die stenen?,
Joz. 4,7 dan moet u zegen: Die betekenen, dat de Jordaan voor de ark van het verbond van Jahwe is afgesneden. Bij de overtocht is de Jordaan afgesneden; daarom zijn deze stenen voor de IsraŽlieten een blijvend gedenkteken.'
Joz. 4,8 De IsraŽlieten deden wat Jozua hun opdroeg. Zoals Jahwe aan Jozua had opgedragen, haalden zij, naar het aantal van de stammen van IsraŽl, twaalf stenen uit het midden van de Jordaan, brachten die naar het kamp en legden ze daar neer.
Joz. 4,9 Twaalf stenen heeft Jozua midden in de Jordaan laten leggen, op de plek waar de voeten van de priesters gestaan hadden, die de ark van het verbond droegen. Ze liggen daar tot op de huidige dag.
Joz. 4,10 De priesters, die de ark van het verbond droegen, bleven midden in de Jordaan staan, tot alles ten uitvoer was gebracht wat Jozua, in opdracht van Jahwe en krachtens zijn aanstelling door Mozes, aan het volk had bevolen. Het volk trok haastig naar de overkant.
Joz. 4,11 Toen het volk aan de overkant was, trokken ook de priesters met de ark van Jahwe onder de ogen van het volk naar de andere oever.
Joz. 4,12 De strijdbare mannen van Ruben, Gad en de halve stam Manasse waren aan de spits van de IsraŽlieten de rivier overgetrokken, zoals Mozes bevolen had.
Joz. 4,13 Met ongeveer veertigduizend gewapende mannen waren ze langs de ark van Jahwe de rivier overgetrokken om in de vlakte van Jericho de strijd te beginnen.
Joz. 4,14 Die dag heeft Jahwe Jozua bij alle IsraŽlieten zozeer in aanzien doen stijgen, dat ze voor hem evenveel ontzag kregen als voor Mozes, toen die nog leefde.
Joz. 4,15 En Jahwe sprak tot Jozua:
Joz. 4,16 `Gelast de priesters, die de ark met de verbondsakte dragen, uit de Jordaan te komen.'
Joz. 4,17 Jozua gelastte dus de priesters: `Komt uit de Jordaan.'
Joz. 4,18 Toen trokken de priesters, die de ark van het verbond van Jahwe droegen, uit het midden van de Jordaan weg. En nauwelijks hadden de voetzolen van de priesters het droge bereikt, of het water van de Jordaan hernam zijn loop en trad weer buiten zijn oevers.
Joz. 4,19 Op de tiende dag van de eerste maand is het volk van de Jordaan weggetrokken. Zij sloegen hun kamp op bij Gilgal, aan de oostgrens van Jericho.
Joz. 4,20 De twaalf stenen, die zij uit de Jordaan hadden meegenomen, stelde Jozua op bij Gilgal
Joz. 4,21 en hij zei tot de IsraŽlieten: `Als uw kinderen later aan hun vader vragen: Wat betekenen die stenen?,
Joz. 4,22 dan moet u uw kinderen deze uitleg geven: Hier is IsraŽl over de droge bedding van de Jordaan getrokken.
Joz. 4,23 Jahwe, uw God heeft de Jordaan voor jullie drooggelegd, tot jullie de andere oever bereikt had, zoals Hij ook de Rietzee voor ons heeft drooggelegd, tot wij er doorheen waren.
Joz. 4,24 Daardoor zullen alle volken van de aarde weten, hoe machtig de hand van Jahwe jullie God is en zullen jullie altijd ontzag voor Hem hebben.'
 
Joz. 5,1 Toen de koningen van de Amorieten ten westen van de Jordaan en de koningen van de Kanašnieten in de kuststreek hoorden, dat Jahwe de Jordaan voor de IsraŽlieten had drooggelegd totdat zij naar de overkant getrokken waren, sloeg hun de schrik om het hart; zij hadden geen moed meer om nog tegen de IsraŽlieten te strijden.
Joz. 5,2 In die tijd sprak Jahwe tot Jozua: `Ge moet stenen messen maken om de IsraŽlieten opnieuw, voor de tweede keer, te besnijden.'
Joz. 5,3 Jozua liet dus stenen messen maken en besneed de IsraŽlieten bij de Voorhuidenheuvel.
Joz. 5,4 De reden waarom Jozua hen besneed was deze: Alle strijd bare mannen, die uit Egypte waren getrokken, waren tijdens de tocht uit Egypte onderweg in de woestijn gestorven.
Joz. 5,5 Bij het vertrek uit Egypte was heel het volk wel besneden, maar allen die onderweg in de woestijn waren geboren, waren niet besneden.
Joz. 5,6 Veertig jaar lang immers hadden de IsraŽlieten in de woestijn gezworven, totdat niemand meer in leven was van al de strijdbare mannen, die uit Egypte waren getrokken en die niet naar de stem van Jahwe hadden geluisterd. Jahwe had gezworen, dat deze mannen niet het land van melk en honing zouden zien, dat Hij aan hun vaderen onder ede beloofd had.
Joz. 5,7 Jahwe had hun zonen in hun plaats gesteld en deze zonen liet Jozua nu besnijden; zij waren nog onbesneden, omdat men ze onderweg niet besneden had.
Joz. 5,8 Nadat alle mannen besneden waren, bleven zij in het kamp tot zij waren genezen.
Joz. 5,9 En Jahwe sprak tot Jozua: `Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld.' Daarom heet die plaats Gilgal, tot op de huidige dag.
Joz. 5,10 Terwijl de IsraŽlieten in Gilgal gelegerd waren, vierden zij het paasfeest op de veertiende dag van de maand, in de avond, in de vlakte van Jericho.
Joz. 5,11 En daags na pasen, juist op die dag, aten zij ongezuurd brood en geroosterd graan dat uit het land zelf afkomstig was.
Joz. 5,12 De volgende dag hield het manna op; ze konden nu eten wat het land opbracht. Voortaan kregen de IsraŽlieten geen manna meer: gedurende dat jaar aten zij datgene wat Kanašn opbracht.
Joz. 5,13 Toen Jozua zich in de omgeving van Jericho bevond, zag hij plotseling een man voor zich staan, met een getrokken zwaard in zijn hand. Hij ging op hem af en vroeg: `Bent u een van ons of en van de vijand?'
Joz. 5,14 De man antwoordde: `Geen van beide; ik ben de aanvoerder van het leger van Jahwe. Daarom ben ik gekomen.' Toen wierp Jozua zich vol eerbied ter aarde en vroeg: `Wat komt mijn heer zijn dienaar zeggen?'
Joz. 5,15 De aanvoerder van het leger van Jahwe antwoordde: Doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilig.' En Jozua deed het.
 
Joz. 6,1 Intussen had Jericho zijn poorten gesloten en zij bleven gesloten uit vrees voor de IsraŽlieten. Niemand kon de stad in of uit.
Joz. 6,2 Toen sprak Jahwe tot Jozua: `Ik lever Jericho, zijn koning en zijn soldaten aan u over.
Joz. 6,3 Gij moet met alle weerbare mannen een keer om de stad trekken, zes dagen achtereen.
Joz. 6,4 Daarbij moeten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark uit gaan. Op de zevende dag moet gij zeven keer om de stad trekken, terwijl de priesters op de hoorns blazen.
Joz. 6,5 Als dan de ramshoorns geblazen worden en gij het signaal hoort, moet het hele volk uit alle macht beginnen te schreeuwen. Dan stort de stadsmuur in en moet het volk naar boven klimmen ieder recht voor zich uit.'
Joz. 6,6 Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters en zei hun: `Neemt de ark van het verbond op en laten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark uitgaan.'
Joz. 6,7 Tot het volk zei hij: `Trekt rond de stad en laten de gewapende mannen voor de ark van Jahwe uittrekken.'
Joz. 6,8 Zodra Jozua dit gezegd had, trokken zeven priesters voor Jahwe uit en bliezen op zeven ramshoorns; de ark van het verbond van Jahwe kwam achter hen aan.
Joz. 6,9 De gewapende mannen liepen voor de priesters die de hoorns bliezen, de overigen liepen achter de ark. Tijdens de hele tocht werd er op de hoorns geblazen.
Joz. 6,10 Jozua had het volk opgedragen: `U moogt niet roepen en u niet laten horen; er mag geen geluid van uw lippen komen tot de dag waarop ik beveel te schreeuwen. Dan moet u schreeuwen.'
Joz. 6,11 Hij liet de ark van Jahwe een keer rond de stad dragen. Daarna keerde men terug naar het kamp om er de nacht door te brengen.
Joz. 6,12 In alle vroegte stond Jozua op. De priesters namen de ark van Jahwe;
Joz. 6,13 de zeven priesters met de zeven ramshoorns gingen voor de ark van Jahwe uit, terwijl zij voortdurend op de hoorns bliezen. De gewapende mannen liepen voor hen uit, de overigen liepen achter de ark. En tijdens de hele tocht werd er op de hoorns geblazen.
Joz. 6,14 Ook de tweede dag trokken zij een keer om de stad: daarna keerden zij terug in het kamp. Zo deden zij zes dagen achtereen.
Joz. 6,15 In de morgen van de zevende dag, bij het aanbreken van de dag, trokken zij op de voorgeschreven wijze zeven maal om de stad.
Joz. 6,16 En toen de priesters de zevende keer op de ramshoorns bliezen, zei Jozua tot het volk: `Nu schreeuwen! Jahwe levert de stad aan u over.
Joz. 6,17 De stad met al wat erin is moet door de ban aan Jahwe gewijd worden; alleen de hoer Rachab en allen die bij haar in huis zijn mogen in leven blijven, omdat zij de spionnen die wij gestuurd hadden heeft verborgen.
Joz. 6,18 Blijft dus af van wat onder de ban ligt, anders komt u zelf ook onder de ban. Als u er iets van wegneemt, brengt u het kamp van IsraŽl onder de ban en stort u het in het ongeluk.
Joz. 6,19 Het goud en het zilver en alle voorwerpen van brons of ijzer zijn Jahwe toegeheiligd; ze moeten bij de schat van Jahwe gevoegd worden.'
Joz. 6,20 Toen begon het volk te schreeuwen en werden de hoorns geblazen. Bij het schallen van de hoorns begon het volk uit alle macht te schreeuwen. De muur stortte in, het volk klom naar boven, ieder recht voor zich uit, en zij veroverden de stad.
Joz. 6,21 Alles in de stad sloegen zij met de ban, mannen en vrouwen, kinderen en grijsaards, runderen, schapen en ezels, een prooi voor het zwaard.
Joz. 6,22 Tot de twee mannen die het land hadden verkend, had Jozua gezegd: `Gaat nu naar het huis van de hoer en haalt de vrouw met al haar familieleden eruit, zoals u haar onder ede beloofd hebt.'
Joz. 6,23 De spionnen gingen er dus heen en brachten Rachab, haar vader en moeder, haar broers en overige familieleden met al hun verwanten de stad uit; zij wezen hun een verblijfplaats aan buiten het kamp van IsraŽl.
Joz. 6,24 De stad met al wat erin was staken zij in brand; al het goud en zilver en de voorwerpen van brons en ijzer voegden zij bij de schat van het huis van Jahwe.
Joz. 6,25 De hoer Rachab met heel haar familie, allen die bij haar hoorden, liet Jozua in leven. Zij wonen in IsraŽl, tot op de huidige dag, omdat Rachab de mannen had verborgen die Jozua had uitgezonden om Jericho te verkennen.
Joz. 6,26 Bij die gelegenheid heeft Jozua gezworen: `Vervloekt bij Jahwe de man, die het waagt deze stad - Jericho - te herbouwen. De fundamenten die hij legt kosten hem zijn oudste zoon, de poorten die hij opricht zijn jongste.'
Joz. 6,27 En Jahwe was met Jozua, en zijn roem ging door het hele land.
 
Joz. 7,1 Maar de IsraŽlieten vergrepen zich aan de ban. Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, uit de stam Juda, nam iets van het verboden goed en daarom ontbrandde de toorn van Jahwe tegen de IsraŽlieten.
Joz. 7,2 Nu zond Jozua vanuit Jericho enkele mannen naar Ai bij het Bet-awen, ten oosten van Betel, met de opdracht: `Gaat de streek verkennen.' De mannen trokken uit om Ai te verkennen.
Joz. 7,3 En bij hun terugkeer berichtten zij aan Jozua: `U hoeft niet met het hele leger uit te trekken; twee - of drieduizend man is genoeg om Ai te veroveren. Het is niet nodig daar het hele volk voor te vermoeien: zo talrijk zijn ze niet.'
Joz. 7,4 Zij trokken er dus met drieduizend mannen heen, maar die gingen voor de mannen van Ai op de vlucht.
Joz. 7,5 De mannen van Ai doodden er ongeveer zesendertig; zij achtervolgden de IsraŽlieten van de stadspoort af tot bij de steengroeven en zij versloegen hen op de helling. Het volk was met moedeloosheid geslagen.
Joz. 7,6 Jozua scheurde zijn kleren en wierp zich voor de ark van Jahwe met zijn aangezicht op de grond, hij en de oudsten van IsraŽl. Zij strooiden stof op hun hoofd en bleven tot de avond op de grond liggen.
Joz. 7,7 En Jozua bad: `Ach, Jahwe mijn Heer, Gij hebt ons toch niet over de Jordaan laten trekken om uw volk over te leveren aan de Amorieten en ons te vernietigen? Hadden wij maar besloten om aan de overkant van de Jordaan te blijven!
Joz. 7,8 Ik bid U, Heer, wat moet ik zeggen, nu IsraŽl voor zijn vijanden op de vlucht is geslagen?
Joz. 7,9 Als de Kanašnieten en de andere bewoners van het land dit horen, zullen zij van alle kanten op ons afkomen en onze naam wegvagen uit dit land. Wat doet Gij nu om uw naam hoog te hou den?'
Joz. 7,10 Toen sprak Jahwe tot Jozua: `Sta op! Waarom ligt gij daar op uw aangezicht?
Joz. 7,11 IsraŽl heeft gezondigd. Het verbond dat Ik hun heb opgelegd, hebben zij geschonden. Zij hebben iets weggenomen van het verboden goed; zij hebben ervan gestolen en dat bedrieglijk bij hun eigen bezit gelegd.
Joz. 7,12 Nu kunnen ze voor hun vijanden geen stand houden en slaan ze voor hen op de vlucht omdat ze onder de ban gekomen zijn. Ik zal niet meer met u zijn als gij niet vernietigt wat onder de ban ligt.
Joz. 7,13 Sta op, heilig het volk en zeg hun: Heiligt u voor morgen, want zo spreekt Jahwe, de God van IsraŽl: Er zijn verboden goederen bij u, IsraŽl! Gij kunt niet standhouden tegen uw vijanden, voordat gij die hebt verwijderd.
Joz. 7,14 Morgen moet gij aantreden, stam na stam; en de stam die Jahwe aanwijst moet naar voren treden, geslacht na geslacht; en het geslacht dat Jahwe aanwijst moet naar voren treden, familie na familie; en de familie die Jahwe aanwijst moet naar voren treden, man na man.
Joz. 7,15 En de man die als schuldige wordt aangewezen zal met al zijn bezit worden verbrand, want hij heeft het verbond van Jahwe geschonden en een schanddaad in IsraŽl begaan.'
Joz. 7,16 De volgende morgen liet Jozua IsraŽl stam na stam aantreden. En de stam Juda werd aangewezen.
Joz. 7,17 Toen liet hij de geslachten van Juda naar voren treden. En het geslacht Zerach werd aangewezen. Daarop liet hij het geslacht van Zerach man na man naar voren treden. En Zabdi werd aangewezen.
Joz. 7,18 Daarop liet hij de familie van Zabdi man na man naar voren treden. En Achan werd aangewezen, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, uit de stam Juda.
Joz. 7,19 Jozua zei tot Achan: `Mijn zoon, geef eer aan Jahwe, de God van IsraŽl, en breng Hem hulde: vertel mij wat u gedaan hebt zonder iets te verbergen.'
Joz. 7,20 En Achan antwoordde: `Het is waar, ik heb gezondigd tegen Jahwe, de God van IsraŽl. Zo is het gegaan:
Joz. 7,21 ik zag bij de buit een mantel uit Sinear, een mooi stuk, tweehonderd sikkel zilver en een gouden staaf van vijftig sikkel. Ik wilde ze graag hebben en ik nam ze mee. Ze zijn verstopt in de grond onder mijn tent, het zilver ligt onderop.'
Joz. 7,22 Op bevel van Jozua gingen enkele mannen onmiddellijk naar de tent; en inderdaad, het was daar verstopt en het zilver lag onderop.
Joz. 7,23 Zij haalden alles uit de tent, brachten het bij Jozua en bij alle IsraŽlieten en legden het voor Jahwe neer.
Joz. 7,24 Toen liet Jozua Achan, de zoon van Zerach, grijpen, met het zilver, de mantel en de staaf goud, met zijn zonen en dochters, met zijn runderen, ezels en kleinvee, met zijn tent en al zijn bezittingen. Heel IsraŽl was er bij. Zij voerden hen naar het Achordal.
Joz. 7,25 En Jozua sprak: `Omdat u ons in het ongeluk hebt ge stort, stort Jahwe u vandaag in het ongeluk!' En heel IsraŽl stenigde hen; zij verbrandden hen en wierpen stenen op hen.
Joz. 7,26 Daarna richtten zij boven hen een grote steenhoop op, die er op de huidige dag nog ligt. Toen bedaarde de hevige toorn van Jahwe. Daarom heet die plaats nu nog het Achordal.
 
Joz. 8,1 Jahwe sprak tot Jozua: `Wees niet bang, aarzel niet, trek nu met alle gewapende mannen op tegen Ai: Ik lever de koning van Ai met zijn volk; zijn stad en zijn gebied aan u over.
Joz. 8,2 Gij moet Ai en zijn koning op dezelfde wijze behandelen als Jericho en zijn koning, maar de buit en het vee kunt gij zelf houden. Leg aan de andere kant van de stad een hinderlaag.'
Joz. 8,3 Daarop maakte Jozua zich met het leger gereed om tegen Ai op te rukken. Hij zocht dertigduizend soldaten uit en stuurde die in de nacht op weg
Joz. 8,4 met de opdracht: `Jullie moeten aan de andere kant van de stad in hinderlaag gaan liggen, maar niet te ver van de stad, zodat je steeds ter beschikking bent.
Joz. 8,5 Ik ruk zelf met de hoofdmacht tegen de stad op. En wanneer zij dan een uitval doen, evenals de vorige keer, gaan wij op de vlucht.
Joz. 8,6 Zij zullen denken: De IsraŽlieten vluchten weer, evenals de vorige keer. Dan zullen zij ons achtervolgen en zo lokken wij hen van de stad weg. Terwijl wij voor hen vluchten,
Joz. 8,7 komen jullie uit de hinderlaag te voorschijn en bezetten de stad. Jahwe, uw God, zal haar aan jullie overleveren.
Joz. 8,8 Zodra jullie de stad bezet hebt, moet je ze in brand steken, zoals Jahwe bevolen heeft. Dat is de opdracht die ik jullie geef.'
Joz. 8,9 Zo stuurde Jozua hen op weg. Zij gingen naar de plaats van de hinderlaag en bleven daar, tussen Betel en Ai, ten westen van Ai. Maar Jozua bleef die nacht met de hoofdmacht in het kamp.
Joz. 8,10 De volgende morgen inspecteerde Jozua het volk en hij trok naar Ai; hijzelf en de oudsten van IsraŽl gingen aan de spits.
Joz. 8,11 Met heel de hoofdmacht trok hij op tot dicht bij de stad en nam stelling ten noorden van Ai, zodat het dal tussen hen en de stad lag.
Joz. 8,12 Ongeveer vijfduizend man had hij in hinderlaag gelegd tussen Betel en Ai, ten weten van Ai.
Joz. 8,13 Zo had hij het volk opgesteld: de hoofdmacht ten noorden van Ai en de troepen in hinderlaag ten westen ervan. Jozua trok in de nacht door de vallei.
Joz. 8,14 Toen de koning van Ai dat de volgende morgen zag, haastte hij zich om met heel zijn leger, de mannen van de stad, tegen IsraŽl een uitval te doen op het terrein voor de vallei. Hij wist niet dat er aan de andere kant van de stad een hinder laag was gelegd.
Joz. 8,15 Jozua en de IsraŽlieten lieten zich door hen terugdrijven en vluchtten in de richting van de woestijn.
Joz. 8,16 Toen moedigden ook degenen die ook in de stad waren elkaar luid schreeuwend aan om Jozua te achtervolgen. Zo lieten zij zich van de stad weglokken.
Joz. 8,17 Er was in Ai en Betel geen man meer over; iedereen deed mee aan de achtervolging van IsraŽl. Zo lieten zij, door IsraŽl te achtervolgen, de stad onverdedigd achter.
Joz. 8,18 Toen sprak Jahwe tot Jozua: `Steek uw kromzwaard uit naar Ai; Ik lever de stad aan u over.' En Jozua stak zijn krom zwaard uit naar Ai.
Joz. 8,19 Zodra hij zijn hand uitstak, kwamen de troepen uit de hinderlaag te voorschijn, stormden op de stad af, namen haar in en staken haar onmiddellijk in brand.
Joz. 8,20 Toen de mannen van Ai omkeken, zagen zij de rook van de stad naar de hemel opstijgen. Op dat moment konden zij geen enkele kant meer uit het leger dat in de richting van de woestijn was gevlucht, had zich tegen zijn achtervolgers gekeerd,
Joz. 8,21 want toen Jozua en heel IsraŽl gezien hadden, dat de troepen uit de hinderlaag de stad hadden ingenomen en dat de rook van de stad opsteeg, hadden zij zich omgekeerd en waren tegen de mannen van Ai in de aanval gegaan;
Joz. 8,22 de anderen waren uit de stad tegen hen opgerukt, zodat zij van twee kanten door de IsraŽlieten werden aangevallen. Deze sloegen zo verschrikkelijk op hen in, dat er geen mens ontkwam of ontsnapte.
Joz. 8,23 De koning van Ai kregen zij levend in handen en zij brachten hem bij Jozua.
Joz. 8,24 Nadat de IsraŽlieten alle inwoners van Ai buiten in de woestijn hadden gedood, waar dezen hen hadden achtervolgd en nadat allen tot de laatste man toe waren gesneuveld, keerden zij terug naar Ai en doodden ook daar iedereen.
Joz. 8,25 In totaal kwamen er op die dag twaalfduizend mensen om, mannen en vrouwen, heel de bevolking van Ai.
Joz. 8,26 Jozua trok zijn kromzwaard niet terug, voordat hij alle inwoners van Ai met de ban had geslagen.
Joz. 8,27 Wel maakten de IsraŽlieten zich meester van het vee en de overige buit van de stad, zoals Jahwe aan Jozua had bevolen.
Joz. 8,28 Tenslotte liet Jozua Ai platbranden en maakte het tot een blijvende puinhoop, een ruÔne, die tot op de huidige dag is blijven bestaan.
Joz. 8,29 De koning van Ai liet hij aan een paal ophangen. 's Avonds, bij zonsondergang, gaf Jozua bevel het lijk van de paal af te nemen. Men wierp het voor de ingang van de stadspoort en stapelde er een grote hoop stenen op; die ligt er tot op de huidige dag.
Joz. 8,30 Toen bouwde Jozua op de Ebal een altaar voor Jahwe, de God van IsraŽl,
Joz. 8,31 een altaar van onbehouwen stenen, zoals Mozes, de dienaar van Jahwe, aan de IsraŽlieten had voorgeschreven, gelijk geschreven staat in het wetboek van Mozes. Zij droegen er brand en slachtoffers aan Jahwe op.
Joz. 8,32 Toen liet Jozua daar op stenen een afschrift maken van de wet, die Mozes voor de IsraŽlieten had opgeschreven.
Joz. 8,33 Heel IsraŽl, vreemdelingen zowel als geboren IsraŽlieten, met de oudsten, schrijvers en rechters, stond aan weerskan ten van de ark, tegenover de levitische priesters die de ark van het verbond van Jahwe droegen, de ene helft aan de kant van de Gerizzim, de andere helft aan de kant van Ebal. Mozes, de dienaar van Jahwe, had bepaald, dat eerst de zegen over IsraŽl moest worden uitgesproken.
Joz. 8,34 Toen las dus Jozua met luide stem de wet voor, woord voor woord, de zegeningen en de vervloekingen, alles wat in het boek van de wet geschreven staat.
Joz. 8,35 Geen woord dat Mozes had geschreven werd door Jozua niet voorgelezen, ten aanhoren van de gemeente van IsraŽl, alsook van de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen die met hen meetrok ken.
 
Joz. 9,1 Toen de berichten hierover bekend werden bij de overige koningen aan de overkant van de Jordaan in het bergland, in het laagland en langs heel de kust van de Grote Zee tot aan de Libanon, bij de Hethieten, de Amorieten, de Chiwwieten en de Jebusieten,
Joz. 9,2 de Kanašnieten, de Perizzieten, sloten zich aaneen om gezamenlijk oorlog te voeren tegen Jozua en de IsraŽlieten.
Joz. 9,3 Ook de inwoners van Gibeon hadden gehoord, hoe Jozua tegen Jericho en Ai was opgetreden.
Joz. 9,4 Zij namen hun toevlucht tot een list. Afgezanten van hen begaven zich op weg, met versleten voederzakken op hun ezels, met versleten, gebarsten en gelapte wijnzakken;
Joz. 9,5 aan hun voeten hadden ze versleten en gelapte sandalen; ze droegen versleten kleren en hun proviand was uitgedroogd en verkruimeld.
Joz. 9,6 Zo kwamen ze naar Jozua in het kamp bij Gilgal en zeiden tot hem en de IsraŽlieten: `Wij komen uit een ver land; wilt u een verbond met ons sluiten?'
Joz. 9,7 Maar de IsraŽlieten antwoordden aan de chiwwieten: `Misschien woont u vlak bij ons en dan kunnen wij onmogelijk een verbond met u sluiten.'
Joz. 9,8 Toen zeiden zij tegen Jozua: `Wij willen uw dienaren zijn.' Jozua vroeg daarop: `Wie bent u en waar komt u vandaan?'
Joz. 9,9 Zij antwoordden: `Uit een ver land zijn uw dienaren gekomen, omwille van de naam van Jahwe uw God. Wij hebben alles gehoord wat Hij gedaan heeft in Egypte,
Joz. 9,10 en hoe Hij de twee Amoritische koningen in het Overjordaanse behandeld heeft, Sichon, de koning van Chesbon, en Og, de koning van Basan uit Astarot,
Joz. 9,11 Daarom hebben onze leiders en onze overige landgenoten tot ons gezegd: Neemt proviand mee voor onderweg. Gaat naar hen toe en zegt hun: Wij willen uw dienaren zijn: wilt u een verbond met ons sluiten?
Joz. 9,12 Hier is ons brood. Het was warm toen we het als proviand van huis meenamen en naar u op weg gingen; en kijk eens hoe uitgedroogd en verkruimeld het is.
Joz. 9,13 Hier zijn onze wijnzakken. Ze waren nieuw toen wij ze vulden; nu zitten ze vol barsten. En kijk eens naar onze kleren en onze sandalen: ze zijn volkomen versleten door de verre tocht.'
Joz. 9,14 Toen namen de IsraŽlieten iets van hun proviand aan, zonder daarbij Jahwe te raadplegen.
Joz. 9,15 Zo sloot Jozua vriendschap met hen en hij beloofde bij verdrag hen in leven te laten. De leiders van de gemeente bekrachtigden dat met een eed.
Joz. 9,16 Drie dagen na het sluiten van het verbond merkten de IsraŽlieten, dat de Chiwwieten vlakbij woonden, in hun eigen gebied.
Joz. 9,17 Toen de IsraŽlieten namelijk verder trokken, bereikten ze al na drie dagen hun steden, Gibeon, Kefira, Beerot en Kir jat-jearim.
Joz. 9,18 Toch doodden de IsraŽlieten hen niet, vanwege de eed waarmee de leiders van de gemeente zich tegenover Jahwe, de God van IsraŽl, gebonden hadden. Toen de gemeente tegen de leiders morde,
Joz. 9,19 antwoordden dezen: `Wij hebben ons tegenover Jahwe, de God van IsraŽl, door een eed gebonden; wij mogen hen niet aanvallen.
Joz. 9,20 Laat ons zo met hen doen, dat wij hun leven sparen; dan halen wij ons geen toorn op de hals vanwege de eed die wij gezworen hebben.'
Joz. 9,21 De leiders zeiden hun: `Zij zullen in leven blijven.' En het gebeurde zoals de leiders over hen hadden gezegd: zij werden houthakkers en waterdragers voor heel de gemeente.
Joz. 9,22 Jozua liet de Chiwwieten bij zich roepen en zei: `Waarom hebt u ons bedrogen door te zeggen: Wij wonen heel ver weg, terwijl u vlak bij ons woont?
Joz. 9,23 Weest daarom vervloekt: u zult nooit iets anders zijn dan slaven, houthakkers en waterdragers voor het huis van mijn God.'
Joz. 9,24 Zij antwoordden: `Uw dienaren hadden vernomen, dat Jahwe uw God aan zijn dienaar Mozes beloofd had, u heel het land te geven en al de bewoners uit te roeien. Wij werden toen doodsbang voor u en daarom hebben wij dat gedaan.
Joz. 9,25 Nu zijn wij in uw macht; doe met ons wat u goed en recht lijkt.'
Joz. 9,26 Jozua was hun ter wille: hij redde hen uit de hand van de IsraŽlieten, zodat dezen hen niet doodden.
Joz. 9,27 Bij die gelegenheid stelde hij hen aan als houthakkers en waterdragers voor de gemeente en voor het altaar van Jahwe, voor de plaats die Hij zou uitkiezen. Dat zijn ze tot op de huidige dag.
 
Joz. 10,1 Adonisedek, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai had ingenomen en met de ban had geslagen, en het dus op dezelfde manier had behandeld als Jericho en zijn koning, en dat de inwoners van Gibeon vriendschap met de IsraŽlieten hadden gesloten, zodat ze in hun gebied konden blijven.
Joz. 10,2 De schrik sloeg hem om het hart, want Gibeon was een grote stad, even groot als een koningsstad, groter dan Ai, en het beschikte over dappere soldaten.
Joz. 10,3 Daarom zond Adonisedek, de koning van Jeruzalem, aan Hoham, de koning van Hebron, aan Piram, de koning van Jarmut, aan Jafia, de koning van Lakis, en aan Debir, de koning van Eglon, deze boodschap:
Joz. 10,4 `Komt mij helpen om Gibeon te verslaan, want het heeft vriendschap gesloten met Jozua en de IsraŽlieten.'
Joz. 10,5 Daarop trokken de vijf Amoritische koningen gezamenlijk op: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lakis en de koning van Eglon, ieder met zijn leger. Zij sloegen het beleg voor Gibeon en deden aanvallen op de stad.
Joz. 10,6 Toen zonden de inwoners van Gibeon een boodschap naar Jozua, in het kamp bij Gilgal: `Laat uw dienaren niet in de steek! Kom met spoed naar ons toe en bevrijd ons. Help ons, want de Amoritische koningen van het bergland zijn gezamenlijk tegen ons opgerukt.'
Joz. 10,7 Daarop trok Jozua vanuit Gilgal op met heel het leger en alle keurtroepen.
Joz. 10,8 En Jahwe sprak tot Jozua: `Wees niet bang voor hen: Ik lever hen aan u over. Niemand van hen zal u kunnen weerstaan.'
Joz. 10,9 Na een nachtelijke mars vanuit Gilgal deed Jozua een onverwachte aanval op de vijanden
Joz. 10,10 en Jahwe bracht hen voor IsraŽl in verwarring. Zo brachten de IsraŽlieten hun bij Gibeon een zware nederlaag toe, achtervolgden hen de berghelling op naar Bet-choron en bleven hen bestoken tot bij Azeka en Makkeda.
Joz. 10,11 Toen zij, vluchtend voor IsraŽl, op de steile afdaling van Bet-choron gekomen waren, liet Jahwe uit de hemel grote stenen op hen neerhagelen, die hen doodden. Dat duurde tot Azeka toe. Er stierven er meer door de hagelstenen dan de IsraŽlieten met het zwaard konden doden.
Joz. 10,12 Op die dag, toen Jahwe de Amorieten aan de IsraŽlieten overleverde, heeft Jozua tot Jahwe gesproken en hij heeft in tegenwoordigheid van de IsraŽlieten gezegd: `Zon, sta stil bij Gibeon, en gij, maan, bij Ajjalonsdal.'
Joz. 10,13 En de zon was stil en de maan bleef staan, terwijl het volk zijn vijand afstrafte. Staat het zo niet geschreven in het Boek van de Rechtvaardige? De zon bleef midden aan de hemel staan en haastte zich niet onder te gaan, ongeveer een hele dag.
Joz. 10,14 Nooit, noch vroeger noch later, is er een dag geweest, waarop Jahwe zo naar de stem van een mens heeft geluisterd. Waarlijk, het was Jahwe die voor IsraŽl streed.
Joz. 10,15 Toen keerde Jozua met alle IsraŽlieten terug naar het kamp bij Gilgal.
Joz. 10,16 De vijf koningen, die op de vlucht waren geslagen, verborgen zich in een grot bij Makkeda.
Joz. 10,17 Men berichtte Jozua: `De vijf koningen zijn gevonden: ze zitten in een grot bij Makkeda.'
Joz. 10,18 Toen zei Jozua: `Rol dan grote stenen voor de ingang van de grot en zet er wachtposten bij.
Joz. 10,19 Blijft echter de vijand achtervolgen; vernietigt hun achterhoede en geeft hun geen kans om hun steden te bereiken. Jahwe heeft hen aan u overgeleverd.'
Joz. 10,20 Nadat Jozua met de IsraŽlieten de Amorieten een verpletterende nederlaag had toegebracht en de vluchtelingen die waren ontkomen hun versterkte steden bereikt hadden,
Joz. 10,21 keerde heel het volk behouden naar Jozua terug, in het kamp bij Makkeda. Niemand roerde zijn tong meer tegen de IsraŽlieten, tegen wie dan ook.
Joz. 10,22 Toen beval Jozua: `Maakt de ingang van de grot vrij en brengt de vijf koningen uit de grot bij mij.'
Joz. 10,23 Zij brachten dus de vijf koningen uit de grot bij hem: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lakis en de koning van Eglon.
Joz. 10,24 Toen men die koningen bij Jozua gebracht had, liet hij alle IsraŽlieten bijeenroepen en sprak tot de aanvoerders van de soldaten, die met hem meegetrokken waren: `Komt hier en zet uw voet op de nek van deze koningen.' Zij kwamen en zetten hun voet op hun nek.
Joz. 10,25 Toen zei Jozua: `Weest niet bang of ontsteld; weest moedig en sterk: zo zal Jahwe doen met alle vijanden tegen wie u oorlog moet voeren.'
Joz. 10,26 Daarop liet Jozua de koningen doodslaan en aan vijf palen ophangen. Daar bleven ze hangen tot de avond.
Joz. 10,27 Tegen zonsondergang nam men hen op bevel van Jozua van de palen af, wierp hen in de grot waar ze zich verborgen hadden en stapelde grote stenen voor de opening van de grot. Ze liggen er tot op de huidige dag.
Joz. 10,28 Ook Makkeda heeft Jozua op die dag ingenomen. Hij joeg stad en koning over de kling, sloeg hen en alle levende wezens in de stad met de ban en liet niemand ontkomen. De koning van Makkeda behandelde hij op dezelfde wijze als de koning van Jericho.
Joz. 10,29 Van Makkeda trok Jozua met heel IsraŽl naar Libna en viel de stad aan.
Joz. 10,30 En Jahwe leverde ook haar met haar koning aan IsraŽl over. Jozua joeg de stad met al haar levende wezens over de kling en liet niemand ontkomen en behandelde zijn koning op dezelfde wijze als de koning van Jericho.
Joz. 10,31 Van Libna trok Jozua met heel IsraŽl naar Lakis; hij belegerde en bestormde de stad.
Joz. 10,32 En Jahwe leverde Lakis aan IsraŽl over. Jozua nam het op de tweede dag in en joeg de stad met al haar levende wezens over de kling, juist zoals hij met Libna gedaan had.
Joz. 10,33 Horam, de koning van Gezer, was uitgerukt om Lakis te ontzetten, maar Jozua versloeg ook hem en zijn leger zo, dat er niemand ontkwam.
Joz. 10,34 Van Lakis trok Jozua met heel IsraŽl naar Eglon; hij belegerde en bestormde de stad.
Joz. 10,35 Zij namen haar nog dezelfde dag in, joegen haar over de kling en Jozua sloeg op diezelfde dag al haar levende wezens met de ban, zoals hij het ook bij Lakis gedaan had.
Joz. 10,36 Van Eglon trok Jozua met heel IsraŽl naar Hebron. Zij bestormden de stad,
Joz. 10,37 namen haar in en joegen haar, haar koning, haar onder horige steden en alle levende wezens in de stad over de kling. Jozua liet niemand ontkomen, evenals bij Eglon; hij sloeg de stad en al haar levende wezens met de ban.
Joz. 10,38 Toen keerde Jozua zich met heel IsraŽl tegen Debir. Hij bestormde de stad
Joz. 10,39 en veroverde haar, evenals de onderhorige steden, en nam de koning gevangen. Zij joegen hen over de kling en sloegen al haar levende wezens met de ban; Jozua liet niemand ontkomen. Zoals hij Hebron en Libna en hun koningen behandeld had, zo behandelde hij ook Debir en zijn koning.
Joz. 10,40 Zo veroverde Jozua het hele land: het bergland, de Negeb, het laagland en de duinstreek en hij doodde alle koningen. Hij liet niemand ontkomen en alles wat leefde sloeg hij met de ban, zoals Jahwe de God van IsraŽl had bevolen.
Joz. 10,41 Jozua versloeg hen van Kadesbarnea tot Gaza, heel Gosen, tot Gibeon toe.
Joz. 10,42 Van al die koningen en hun gebieden heeft Jozua zich met een slag meester gemaakt, want Jahwe, de God van IsraŽl, streed voor IsraŽl.
Joz. 10,43 Tenslotte keerde Jozua met heel IsraŽl naar het kamp bij Gilgal terug.
 
Joz. 11,1 Toen Jabin, de koning van Hasor, dit alles hoorde, zond hij gezanten naar Jobab, de koning van Madon, naar de koning van Simron, naar de koning van Aksaf
Joz. 11,2 en naar de koningen in het noorden - in het gebergte in de Araba ten zuiden van Kinarot, in het laagland en in het heuvelland van Dor bij de zee -,
Joz. 11,3 naar de Kanašnieten in het oosten en het westen, naar de Amorieten, Hethieten, Perizzieten en Jebusieten in het gebergte en naar de Chiwwieten aan de voet van de Hermon, in het gebied van Mispa.
Joz. 11,4 Daarom rukten zij met al hun legers uit, een menigte zo talrijk als de zandkorrels aan het strand van de zee, met een groot aantal paarden en strijdwagens.
Joz. 11,5 Al deze koningen verzamelden zich en sloegen samen hun kamp op bij de wateren van Merom, om oorlog te voeren tegen IsraŽl.
Joz. 11,6 Jahwe sprak tot Jozua: `Wees niet bang voor hen: morgen om deze tijd lever Ik hen allen verslagen aan IsraŽl over. Gij moet de pezen van hun paarden doorsnijden en hun strijdwagens in het vuur verbranden.'
Joz. 11,7 Onverwacht rukte Jozua met heel zijn leger tegen hen op bij de wateren van Merom. Hij overviel hen
Joz. 11,8 en Jahwe leverde hen aan IsraŽl over; zij versloegen hen en achtervolgden hen tot Groot Sidon, tot Misrefot aan de zee en tot de vlakte van Mispa in het oosten. Ze ver sloegen hen en lieten niemand ontsnappen.
Joz. 11,9 Jozua behandelde hen, zoals Jahwe had bevolen: hij sneed hun paarden de pezen door en hij verbrandde hun strijdwagens in het vuur.
Joz. 11,10 Op de terugweg veroverde Jozua Hasor en joeg de koning over de kling. Vroeger heerste Hasor over al die koninkrijken.
Joz. 11,11 De IsraŽlieten joegen alle levende wezens van de stad over de kling en sloegen hen met de ban; er werd geen sterveling in leven gelaten en Jozua verbrandde Hasor zelf in het vuur.
Joz. 11,12 Alle steden van die koningen en hun koninkrijken heeft Jozua veroverd; hij heeft er allen over de kling gejaagd en hen met de ban geslagen, overeenkomstig het bevel van Mozes, de dienaar van Jahwe.
Joz. 11,13 Geen van die steden echter die nog overeind staan op hun heuvels, is door IsraŽl in brand gestoken; Jozua heeft alleen Hasor in het vuur verbrand.
Joz. 11,14 De hele buit van die steden en het vee hebben de IsraŽlieten voor hun eigen gebruik gehouden, maar alle mensen hebben zij over de kling gejaagd en vernietigd, zodat er geen sterveling overbleef.
Joz. 11,15 Mozes had Jahwe's opdracht doorgegeven aan Jozua, en deze heeft alles uitgevoerd. Niets heeft hij achterwege gelaten van wat Jahwe aan Mozes had opgedragen.
Joz. 11,16 Zo veroverde Jozua heel het land: het bergland, de hele Negeb met heel Gosen, het laagland, de Araba, en de bergen van IsraŽl met hun uitlopers,
Joz. 11,17 vanaf het Kale Gebergte, dat oploopt naar Seir, tot Bašlgad in de Libanonvlakte aan de voet van de Hermon. Al hun koningen nam hij gevangen en hij liet hen ter dood brengen.
Joz. 11,18 Lange tijd heeft Jozua tegen al die koningen oorlog moeten voeren.
Joz. 11,19 Behalve de Chiwwieten van Gibeon sloot niemand vriend schap met de IsraŽlieten. Alles hebben zij met geweld moeten veroveren.
Joz. 11,20 Jahwe had het zo beschikt, dat de koningen hardnekkig oorlog bleven voeren tegen IsraŽl; daarom moesten zij hen genade loos met de ban slaan en uitroeien, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen.
Joz. 11,21 In die tijd trok Jozua er ook op uit om de Enakieten in het gebergte, in Hebron, Debir en Anab en in heel het bergland van Juda en IsraŽl uit te roeien. Hij sloeg hen en hun steden met de ban,
Joz. 11,22 zodat er in het gebied van de IsraŽlieten geen Enakieten meer over waren. Alleen in Gaza, in Gat en in Asdod zijn er overgebleven.
Joz. 11,23 Zo veroverde Jozua heel het land overeenkomstig Jahwe's belofte aan Mozes, en hij gaf het als bezit aan IsraŽl, verdeeld over de stammen. Toen was het rustig in het land, omdat er geen oorlog meer was.
 
Joz. 12,1 Dit zijn de koningen van het land, die de IsraŽlieten hebben verslagen en wier gebied zij aan de overkant van de Jordaan in bezit hebben genomen, van de Arnon tot aan de Hermon, en het hele oostelijke deel van de Araba;
Joz. 12,2 Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon woonde en heerste over een gebied dat begint bij Aroer, aan de oever van de beek Arnon, in haar middenloop, over de helft van Gilead tot aan de Jabbok, de grens van de Amorieten,
Joz. 12,3 en over de Araba van de oostelijke oever van het meer van Kinneret tot de oostkust van het meer van de Araba, de Zoutzee, in de richting van Bet-hajjesimot, en in het zuiden tot de voet van de Pisga;
Joz. 12,4 verder het gebied van Og, de koning van Basan, een van de laatste Rafaieten, die in Astarot en Edrei woonde
Joz. 12,5 en heerste over het Hermongebergte, over Salka en heel Basan tot aan het gebied van de Gesurieten en Maakatieten en over de helft van Gilead tot aan het gebied van Sichon, de koning van Chesbon.
Joz. 12,6 Toen Mozes, de dienaar van Jahwe, en de IsraŽlieten hen hadden verslagen, heeft Mozes dit gebied in bezit gegeven aan de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse.
Joz. 12,7 Dit zijn de koningen van het land, die door Jozua en de IsraŽlieten ten westen van de Jordaan verslagen zijn, van Bašl-gad in de Libanonvlakte tot aan het Kale Gebergte, dat oploopt naar Seir. Jozua verdeelde dat land als eigendom onder de stammen van IsraŽl,
Joz. 12,8 in het bergland, in het laagland, in de Araba, in de duinstreek, de woestijn en de Negeb, met de Hethieten, de Amorieten, de Kanašnieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten:
Joz. 12,9 de koning van Jericho de koning van Ai bij Betel
Joz. 12,10 de koning van Jeruzalem de koning van Hebron
Joz. 12,11 de koning van Jarmut de koning van Lakis
Joz. 12,12 de koning van Eglon de koning van Gezer
Joz. 12,13 de koning van Debir de koning van Geder
Joz. 12,14 de koning van Chorma de koning van Arad
Joz. 12,15 de koning van Libna de koning van Adullam
Joz. 12,16 de koning van Makkeda de koning van Betel
Joz. 12,17 de koning van Tappuach de koning van Chefer
Joz. 12,18 de koning van Afek de koning van Saron
Joz. 12,19 de koning van Madon de koning van Hasor
Joz. 12,20 de koning van Simron-meroon de koning van Aksaf
Joz. 12,21 de koning van Taanak de koning van Megiddo
Joz. 12,22 de koning van Kedes de koning van Jokneam bij de Karmel
Joz. 12,23 de koning van Dor in het laagland van Dor en de koning van Goim bij Gilgal
Joz. 12,24 de koning van Tirsa Totaal aantal koningen eenendertig
 
Joz. 13,1 Toen Jozua oud en hoogbejaard geworden was, sprak Jahwe tot hem: `Gij zijt nu oud en hoogbejaard en toch is er nog een groot deel van het land, dat veroverd moet worden.
Joz. 13,2 Het zijn de volgende gebieden: het gebied van de Filistijnen en dat van de Gesurieten,
Joz. 13,3 de streek vanaf de rivier aan de oostzijde van Egypte tot het gebied van Ekron in het noorden, dat bij Kanašn gerekend wordt, de vijf Filistijnse vorstendommen, die van Gaza, Asdod, Askelon, Gat en Ekron, en het gebied van de Awwieten
Joz. 13,4 in het zuiden. Verder het gebied van de Kanašnieten, vanaf Ara dat bij Sidon hoort tot aan Afek en tot aan de grens met de Amorieten.
Joz. 13,5 Dan het gebied van de Giblieten, de oostelijke Libanon vanaf Bašl-gad aan de voet van de Hermon tot aan de weg naar Hamat,
Joz. 13,6 het bergland met zijn bewoners, van de Libanon tot Misrefot aan de zee, die alle SidoniŽrs zijn. Ik zal hen voor de IsraŽlieten verdrijven. Wijs dit land maar door het lot als erfdeel aan IsraŽl toe, zoals Ik heb bevolen.
Joz. 13,7 Verdeel het dus en geef het in bezit aan de negen stammen en aan de halve stam Manasse.'
Joz. 13,8 De Manassieten, de Rubenieten en de Gadieten hadden ten oosten van de Jordaan reeds een gebied in bezit, dat Mozes, de dienaar van Jahwe, hun had gegeven:
Joz. 13,9 vanaf Aroer aan de oever van de Arnon, de stad aan de middenloop van de rivier, heel de hoogvlakte tussen Medeba en Dibon
Joz. 13,10 met de steden van Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon regeerde, tot aan het gebied van de Ammonieten;
Joz. 13,11 Gilead en het gebied van de Gesurieten en Maakatieten, verder heel de Hermon en heel Basan tot Salka,
Joz. 13,12 heel het koninkrijk van Og van Basan, die in Astarot en Edrei regeerde en die een van de laatste Refaieten was. Deze koningen had Mozes verslagen en verdreven.
Joz. 13,13 Maar de IsraŽlieten hebben de Gesurieten en de Maakatieten niet verdreven, zodat die tot op de huidige dag in het gebied van IsraŽl wonen.
Joz. 13,14 Alleen aan de stam Levi had Mozes geen bezit toegewezen; wat men aan Jahwe, de God van IsraŽl, als offer brengt, is hun bezit, zoals Hij beloofd heeft.
Joz. 13,15 Aan de geslachten van de stam Ruben had Mozes
Joz. 13,16 het volgende gebied gegeven: vanaf Aroer aan de oever van de Arnon, de stad aan de middenloop van de rivier, de hoog vlakte rond Medeba,
Joz. 13,17 Chesbon met al de onderhorige steden op de hoogvlakte, Dibon, Bamot-baal, Bet-baalmeon,
Joz. 13,18 Jahas, Kedemot, Mefaat,
Joz. 13,19 Kirjataim, Sibma en Seret-hassachar op de berg in de vlakte,
Joz. 13,20 Bet-peor, de hellingen van de Pisga en Bethajjesimot,
Joz. 13,21 al de steden op de hoogvlakte, heel het rijk van Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon regeerde en die door Mozes verslagen was, evenals zijn vazallen, de Midjanitische stamhoofden Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba, die daar woonden.
Joz. 13,22 Tot de slachtoffers behoorde ook de waarzegger Bileam, de zoon van Beor, die de IsraŽlieten met het zwaard hadden gedood.
Joz. 13,23 De grens van het gebied van de Rubenieten werd gevormd door de Jordaan. Dit was het grondgebied van de geslachten van Ruben, met steden en bijbehorende dorpen.
Joz. 13,24 Aan de geslachten van de stam Gad had Mozes
Joz. 13,25 het volgende gebied gegeven: Jazer en al de steden van Gilead en de helft van het gebied van de Ammonieten tot Aroer bij Rabba,
Joz. 13,26 van Chesbon tot Ramathammispe en Betonim, en van Machanaim tot het gebied van Lidbir;
Joz. 13,27 in de vlakte Bet-haram, Bet-nimra, Sukkot en Safon, het andere deel van het rijk van Sichon, de koning van Chesbon. De grens werd gevormd door de oostelijke oever van de Jordaan tot aan het meer van Kinneret.
Joz. 13,28 Dit was het bezit van de geslachten van de Gadieten, met steden en bijbehorende dorpen.
Joz. 13,29 Aan de geslachten van de halve stam Manasse had Mozes
Joz. 13,30 het volgende gebied gegeven: heel Basan vanaf Machanaim, heel het koninkrijk van Og, de koning van Basan, met alle dorpen van Jair die daar liggen, zestig steden;
Joz. 13,31 de helft van Gilead met Astarot en Edrei, de koningssteden van Og van Basan. Dit behoorde aan de zonen van Makir, de zoon van Manasse, aan de helft van de geslachten van Makir.
Joz. 13,32 In de vlakte van Moab, in het Overjordaanse, ten oosten van Jericho, had Mozes hun deze gebieden toegewezen.
Joz. 13,33 Aan de stam van Levi had Mozes geen bezit gegeven. Jahwe, de God van IsraŽl, is hun bezit, zoals Hij beloofd heeft.
 
Joz. 14,1 Dit zijn de gebieden die de IsraŽlieten in Kanašn hebben ontvangen en die de priester Eleazar en Jozua, de zoon van Nun, met de familiehoofden van de IsraŽlitische stammen hun hebben toegewezen.
Joz. 14,2 Door het lot werd met hun eigendom, zoals Jahwe door Mozes voor de negen en een halve stam had bepaald.
Joz. 14,3 Aan twee en een halve stam had Mozes reeds een grondgebied gegeven in het Overjordaanse. Aan de levieten had hij geen grondbezit gegeven;
Joz. 14,4 maar Efraim en Manasse, de zonen van Jozef, golden als twee stammen. De levieten kregen geen erfdeel, maar alleen steden om in te wonen en weidegronden voor hun vee.
Joz. 14,5 Bij het verdelen van het land hebben de IsraŽlieten de voorschriften van Jahwe aan Mozes in acht genomen.
Joz. 14,6 Toen kwamen de JudeeŽrs bij Jozua in Gilgal. En Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, zei tot hem: `U weet nog wel, wat Jahwe in Kades-barnea tot Mozes, de man Gods, over mij en u gezegd heeft.
Joz. 14,7 Toen ik veertig jaar was, heeft Mozes, de dienaar van Jahwe, mij vanuit Kades-barnea uitgezonden om dit land te verkennen en ik heb hem nauwkeurig verslag uitgebracht.
Joz. 14,8 Mijn broeders, die mij op die tocht vergezelden, hebben toen het volk de moed ontnomen, maar ik ben trouw gebleven aan Jahwe, mijn God.
Joz. 14,9 Op die dag heeft Mozes gezworen: Het land dat uw voet heeft betreden zal voor altijd het bezit zijn van u en uw zonen, want u bent trouw gebleven aan Jahwe, mijn God.
Joz. 14,10 Welnu, Jahwe heeft mij in leven gelaten, zoals Hij beloofd heeft. Het is nu vijfenveertig jaar geleden dat Jahwe deze belofte aan Mozes heeft gedaan, toen IsraŽl nog rondtrok in de woestijn. Welnu, ik ben vandaag een man van vijfentachtig jaar,
Joz. 14,11 nog altijd even sterk als op de dag dat Mozes mij uitstuurde; mijn kracht is nog even groot als toen, in de strijd of waar dan ook.
Joz. 14,12 Geef mij daarom het bergland dat Jahwe toen beloofd heeft. U hebt toen zelf gehoord dat daar Enakieten wonen en dat er grote, versterkte steden zijn. Maar Jahwe zal mij wel bij staan, zodat ik hen kan verdrijven, zoals Hij beloofd heeft.'
Joz. 14,13 Toen zegende Jozua Kaleb, de zoon van Jefunne, en gaf hem Hebron in bezit.
Joz. 14,14 Zo is Hebron tot heden toe het bezit gebleven van Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, omdat hij trouw is geweest aan Jahwe, de God van IsraŽl.
Joz. 14,15 Hebron heette vroeger Kirjat-arba, naar de grootste man van de Enakieten. Het was rustig in het land, omdat er geen oorlog meer was.
 
Joz. 15,1 Voor de geslachten van de stam Juda viel het lot op het gebied, dat grenst aan Edom, de Sinwoestijn tot de Negeb in het uiterste zuiden.
Joz. 15,2 Hun zuidgrens loopt als volgt: ze begint bij de landtong aan de zuidkant van de Zoutzee,
Joz. 15,3 loopt vandaar ten zuiden van de Schorpioenenpas, dan over Sin zuidelijk langs Kades-barnea, over Chesron naar Adar, buigt dan naar Karka,
Joz. 15,4 loopt vervolgens naar Asmon om uit te komen bij de beek van Egypte, waar de grens aan de zee eindigt. Dat is voor u de zuidgrens.
Joz. 15,5 De oostgrens wordt gevormd door de Zoutzee tot aan de monding van de Jordaan. Aan de noordzijde begint de grens bij de landtong die in de zee uitsteekt bij de monding van de Jordaan;
Joz. 15,6 ze loopt dan omhoog naar Bet-chogla, dan noordelijk om Bethaaraba, naar de rots van Bohan, die zoon van Ruben;
Joz. 15,7 vervolgens loopt de grens vanuit het Achordal naar Debir, buigt naar het noorden, naar Gilgal bij de pas van Adummim ten zuiden van de beek, loopt dan verder naar het water van En-semes en mondt uit bij En-rogel;
Joz. 15,8 vervolgens loopt de grens door het Hinnomdal langs de zuidzijde van de heuvelrug van de Jebusieten, waar Jeruzalem ligt, dan naar de top van de berg die ten westen van het Hinnomdal ligt en het dal van de Refaieten aan de noordkant afsluit;
Joz. 15,9 van de top van de berg buigt ze naar de bron van het Water van Neftoach en komt uit bij de steden in het gebergte van Efron; vervolgens buigt de grens naar Bašla of Kirjat-jearim,
Joz. 15,10 draait van Bašla naar het Seirgebergte, loopt noordelijk langs de bergrug van Jearim of Kesalon, daalt dan naar Bet-semes en loopt verder naar Timna;
Joz. 15,11 dan komt de grens uit aan de noordkant van de bergrug van Ekron, buigt naar Sikkaron, loopt door naar de berg van Bašla, komt uit bij Jabneel en eindigt aan de zee.
Joz. 15,12 De westgrens is de Grote Zee. Dat is het gebied van de geslachten van Juda.
Joz. 15,13 Kaleb, de zoon van Jefunne, kreeg een erfdeel toegewezen in Juda, zoals Jahwe aan Jozua had bevolen: Kirjat-arba of Hebron; deze Arba was de vader van Anak.
Joz. 15,14 Kaleb verdreef er de drie Enakieten Sesai, Achiman en Talmai, afstammelingen van Anak.
Joz. 15,15 Vandaar trok hij op tegen de bewoners van Debir, vroeger Kirjat-sefer geheten.
Joz. 15,16 En Kaleb kondigde aan: `Wie Kirjat-sefer bestormt en verovert, die geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw.'
Joz. 15,17 Het was Otniel, de Kenizziet, de broer van Kaleb, die de stad innam; daarom gaf Kaleb hem zijn dochter Aksa tot vrouw.
Joz. 15,18 Bij haar aankomst bewoog zij Otniel om van haar vader een stuk bouwland te vragen. Toen zij zich van de ezel liet glijden, vroeg Kaleb: `Wat is er?'
Joz. 15,19 Zij antwoordde: `Geef mij toch een geschenk! Als u mij een dor land hebt gegeven, geef mij dan ook waterbronnen.' En Kaleb gaf haar hoog - en laaggelegen bronnen.
Joz. 15,20 Dat is het gebied van de geslachten van de stam Juda.
Joz. 15,21 De steden van de stam Juda waren: in het uiterste zuiden tegen de grens van Edom: Kabseel, Eder, Jagur,
Joz. 15,41 Gederot, Bet-dagon, Naama, Makkeda: zestien steden met hun dorpen.
Joz. 15,42 Bovendien Libna, Eter, Asan,
Joz. 15,43 Jiftach, Asna, Nesib,
Joz. 15,44 Keila, Akzib, Maresa: negen steden met hun dorpen;
Joz. 15,45 Ekron met de onderhorige steden en dorpen;
Joz. 15,46 het hele gebied van Ekron tot aan de zee, grenzend aan Asdod, met bijbehorende dorpen;
Joz. 15,47 Asdod met de onderhorige steden en dorpen; Gaza met de onderhorige steden en dorpen tot aan de beek van Egypte, het gebied aan de Grote Zee.
Joz. 15,48 In het bergland: Samir, Jattir, Soko,
Joz. 15,49 Danna, Kirjat-sanna ofwel Debir,
Joz. 15,50 Anab, Estemo, Anim,
Joz. 15,51 Gosen, Cholon, Gil; elf steden met hun dorpen.
Joz. 15,52 Arab, Duma, Esan,
Joz. 15,53 Janim, Bet-tappuach, Afeka,
Joz. 15,54 Chumta, Kirjat-arba ofwel Hebron, en Sior: negen steden met hun dorpen.
Joz. 15,55 Maon, Karmel, Zif, Jutta,
Joz. 15,56 Jizreel, Jokdeam, Zanoach,
Joz. 15,57 Kain, Gibea, Timna: tien steden met hun dorpen.
Joz. 15,58 Chalchul, Bet-sur, Gedor,
Joz. 15,59 Maarat, Bet-anot en Eltekon: zes steden met hun dorpen;
Joz. 15,60 Kirjat-baal ofwel Kirjat-jearim en Rabba: twee steden met hun dorpen.
Joz. 15,61 In de woestijn: Bet-haaraba, Middin, Sekaka,
Joz. 15,62 Nibsan, Ir-hammelach en Engedi: zes steden met hun dorpen.
Joz. 15,63 Maar de JudeeŽrs zijn er niet in geslaagd de Jebusie ten, die in Jeruzalem woonden, te verdrijven, zodat daar de Jebusieten nog met de JudeeŽrs wonen, tot op de huidige dag.
 
Joz. 16,1 Voor de zonen van Jozef viel het lot als volgt: De grens loopt vanaf de Jordaan bij Jericho naar de bron ten oosten van de stad, vandaar door de woestijn het gebergte in tot Betel,
Joz. 16,2 van Betel naar Luz, buigt dan langs het gebied van de Arkieten naar Atarot,
Joz. 16,3 loopt vervolgens in westelijke richting naar het gebied van de Jaflieten tot de streek van Laag-bet-choron en tot Gezer en komt uit bij de zee.
Joz. 16,4 Dat gebied kregen Efraim en Manasse, de zonen van Jozef.
Joz. 16,5 Dit is het gebied van de geslachten van Efraim: in het oosten loopt de grens van Atrot-addar naar Hoog-bet-choron,
Joz. 16,6 gaat dan westwaarts ten noorden van Mikmetat, dan weer oostwaarts naar Taanat-silo, oostelijk langs Janocha,
Joz. 16,7 daalt van Janocha naar Atarot en Naara en loopt vlak langs Jericho naar de Jordaan.
Joz. 16,8 Van Tappuach loopt de grens in westelijke richting naar de beek van Kana en komt uit bij de zee. Dat is het gebied van de geslachten van de stam Efraim.
Joz. 16,9 Daarbij komen nog de steden met de bijbehorende dorpen die in het gebied van de Manassieten aan de Efraimieten waren toegewezen.
Joz. 16,10 Maar de Efraimieten hebben de Kanašnieten in Gezer niet verdreven, zodat er in Efraim tot op de huidige dag Kanašnieten wonen, die evenwel tot herendienst verplicht zijn.
 
Joz. 17,1 Toen werd aan de stam Manasse door het lot een gebied toe gewezen, want Manasse was de eerstgeboren zoon van Jozef; Makir, de eerstgeboren zoon van Manasse, de vader van Gilead, een dapper man, had reeds Gilead en Basan gekregen.
Joz. 17,2 De geslachten van de overige zonen van Manasse kregen nu een gebied toegewezen: de zonen van Abiezer, de zonen van Chelek, de zonen van Asriel, de zonen van Sekem, de zonen van Chefer en de zonen van Semida. Dat waren de geslachten van de mannelijke nakomelingen van Manasse, de zoon van Jozef,
Joz. 17,3 Selofchad, de zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Makir, de zoon van Manasse had geen zonen meer, maar alleen dochters, en dit zijn de namen van die dochters: Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa.
Joz. 17,4 Deze meisjes verschenen voor de priester Eleazar, voor Jozua, de zoon van Nun, en voor de stamhoofden; zij zeiden: `Jahwe heeft aan Mozes opgedragen ons een gebied te geven evenals aan onze broeders.' Daarom kregen zij overeenkomstig Jahwe's bevel grond toegewezen in het gebied van de broers van hun vader.
Joz. 17,5 Zo kreeg Manasse tien stukken, Gilead en Basan in het Overjordaanse niet meegerekend,
Joz. 17,6 omdat ook de dochters van Manasse grond kregen toegewezen in het gebied van zijn zonen. Gilead was voor de overige zonen van Manasse.
Joz. 17,7 Dit is het gebied van Manasse: de grens loopt van Aser naar Mikmetat ten oosten van Sichem, vandaar zuidwaarts naar Jasib bij En-tappuach.
Joz. 17,8 De strek van Tappuach behoort aan Manasse, maar de stad zelf, op de grens van Manasse, behoort aan de Efraimieten.
Joz. 17,9 Verder loopt de grens langs de zuidelijke oever van de beek van Kana. De steden daar behoren aan Efraim, al liggen zij midden tussen de steden van Manasse. De grens van Manasse loopt ten noorden van de beek en komt uit bij de zee.
Joz. 17,10 Ten zuiden daarvan ligt dus Efraim, ten noorden daarvan Manasse; verder vormt de zee de grens. In het noorden grenst Manasse aan Aser en in het oosten aan Issakar.
Joz. 17,11 Bovendien behoren en Issakar en Aser tot Manasse: Bet-san met de onderhorige steden, Jibleam met de onderhorige steen, de bewoners van Dor met de onderhorige steden, de bewoners van Endor met de onderhorige steden, de bewoners van Taanak met de onderhorige steden en de bewoners van Megiddo met de onderhorige steden: drie duinstreken.
Joz. 17,12 Maar de Manassieten slaagden er niet in deze steden in bezit te nemen, zodat de Kanašnieten daar bleven wonen.
Joz. 17,13 Toen de IsraŽlieten machtiger werden, hebben zij de Kanašnieten wel tot herendienst verplicht, maar verdreven hebben zij hen nooit.
Joz. 17,14 De zonen van Jozef zeiden tot Jozua: `Waarom hebt u ons bij de verdeling door het lot maar een gebied toegewezen, terwijl wij door Jahwe's rijke zegen zo talrijk zijn geworden?'
Joz. 17,15 Jozua antwoordde: `Indien u werkelijk zo talrijk bent dat het bergland van Efraim te klein voor u is, trekt dan de bossen in en ontgint land in het gebied van de Perizzieten en Refaieten.'
Joz. 17,16 Maar de zonen van Jozef antwoordden: `Het bergland biedt ons niet voldoende ruimte en in de vlakte wonen de Kanašnieten met hun ijzeren strijdwagens, zowel in Bet-san en de onderhorige steden als in de vlakte van Jizreel.'
Joz. 17,17 Daarop zei Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraim en Manasse: `U bent inderdaad talrijk en zeer machtig. Uw gebied blijft niet beperkt tot een deel.
Joz. 17,18 Het bergland dat in uw bezit komt is wel bosgebied, maar u kunt dat ontginnen en ook de uitlopers ervan behoren u toe. En de Kanašnieten zult u wel verdrijven, al zijn ze nog zo sterk met hun ijzeren wagens.'
Joz. 17:
 
Joz. 18,1 Heel de gemeenschap van de IsraŽlieten kwam in Silo bijeen en zette daar de tent van de samenkomst neer. Ofschoon het land aan hen onderworpen was,
Joz. 18,2 waren er bij de IsraŽlieten nog zeven stammen die hun bezit nog niet hadden gekregen.
Joz. 18,3 Daarom zei Jozua tot de IsraŽlieten `Aarzelt niet langer en neemt het land in bezit, dat Jahwe de God van uw vaderen u heeft gegeven!
Joz. 18,4 Wijst uit iedere stam drie mannen aan, die ik kan uitzenden om door het land te gaan. Met het oog op de verdeling moeten zij er een beschrijving van maken en dan bij mij terugkomen.
Joz. 18,5 Zij moeten het land in zeven stukken verdelen. Juda blijft in het zuiden gevestigd en het huis van Jozef in het noorden.
Joz. 18,6 U moet beschrijven hoe het land in zeven stukken verdeeld kan worden en dat aan mij voorleggen. Voor het aanschijn van Jahwe, onze God, zal ik dan voor u het lot erover werpen.
Joz. 18,7 De levieten krijgen geen erfdeel toegewezen, want het priesterschap van Jahwe is hun bezit. Gad, Ruben en de halve stam Manasse hebben van Mozes, de dienaar van Jahwe, al een gebied toegewezen gekregen in het Overjordaanse.'
Joz. 18,8 Toen de mannen op weg gingen, drukte Jozua hun op het hart `Gaat door het land, maakt er een beschrijving van en komt dan bij mij terug; dan zal ik voor het aanschijn van Jahwe te Silo het lot voor u werpen.'
Joz. 18,9 Zo gingen die mannen op weg, trokken het land door, maakten er een beschrijving van en verdeelden de steden in zeven groepen. Toen zij in het kamp te Silo bij Jozua terugkwamen,
Joz. 18,10 wierp deze voor het aanschijn van Jahwe het lot en verdeelde het land onder de IsraŽlieten, zodat iedere stam zijn deel kreeg.
Joz. 18,11 De geslachten van de stam Benjamin kregen door het lot een gebied aangewezen tussen dat van Juda en Jozef.
Joz. 18,12 Dit was hun gebied de noordgrens begint bij de Jordaan, loopt naar de bergrug ten noorden van Jericho, dan westwaarts het bergland in en komt uit bij de woestijn van Bet-awen.
Joz. 18,13 Vandaar loopt de grens naar Luz, ten zuiden van de bergrug van Luz ofwel Betel, en vervolgens naar Atrot-addar in het bergland ten zuiden van Laag Bet-choron.
Joz. 18,14 Dan buigt de grens vanaf het gebergte ten zuiden van Bet-choron naar het zuidwesten naar Kirjat-baal ofwel Kirjat-jea rim, een stad van Juda. Dat is de westelijke grens.
Joz. 18,15 De zuidgrens begint bij Kirjat-jearim, loopt westwaarts naar de bron van het water van Neftoach,
Joz. 18,16 dan naar de top van de berg bij het Benhinnom-dal, ten noorden van het dal van de Refaieten. Vervolgens loopt zij door het Hinnomdal langs de zuidkant van de bergrug van de Jebusieten naar de En-rogel.
Joz. 18,17 Dan buigt de grens noordwaarts in de richting van En-semes naar Gelilot bij de pas van Adummim en daalt af naar de rots van Bohan, de zoon van Ruben.
Joz. 18,18 Vandaar loopt de grens noordelijk om de bergrug van Haaraba de Araba in,
Joz. 18,19 dan noordelijk van de bergrug van Bet-chogla en komt uit bij de landtong die de Zoutzee insteekt bij de monding van de Jordaan. Dat is de zuid grens.
Joz. 18,20 De Jordaan vormt de oostgrens. Dat zijn de grenzen van het gebied van de geslachten van Benjamin.
Joz. 18,21 Dit zijn de steden van de geslachten van Benjamin Jericho, Betchogla, Emek-kesis,
Joz. 18,22 Bet-haaraba, Semaraim, Betel,
Joz. 18,23 Awwim, Para, Ofra,
Joz. 18,24 Kefar-haammoni, Ofni en Geba twaalf steden met hun dorpen;
Joz. 18,25 Gibeon, Rama, Beerot,
Joz. 18,26 Mispa, Kefira, Mosa,
Joz. 18,27 Rekem, Jirpeel, Tarala,
Joz. 18,28 Sela-haŽlef, Jebus ofwel Jeruzalem en Giba-kirjat veertien steden met hun dorpen. Dit is het gebied van de geslachten van Benjamin.
 
Joz. 19,1 Voor de geslachten van de stam Simeon viel bij de tweede loting het lot als volgt: hun bezit kwam midden in Juda te liggen
Joz. 19,2 en het omvatte Berseba, Seba en Molada,
Joz. 19,3 Chasar-sual, Bala, Asem,
Joz. 19,4 Eltolad, BetuŽl, Chorma,
Joz. 19,5 Siklag, Bet-hammarkabot, Chasar-susa,
Joz. 19,6 Bet-lebaot en Saruchen: dertien steden met hun dorpen;
Joz. 19,7 En-rimmon, Eter en Asan: vier steden met hun dorpen;
Joz. 19,8 dus alle dorpen die rondom deze steden gelegen zijn tot aan Bašlat-beeŽr en Ramat-negeb. Dat is het gebied van de ge slachten van de stam Simeon.
Joz. 19,9 Omdat het erfdeel van Juda te groot voor hen was, had men er een deel van afgenomen voor Simeon. Zo kreeg Simeon een gebied toegewezen binnen dat van Juda.
Joz. 19,10 Voor de geslachten van Zebulon viel bij de derde loting het lot als volgt: zij kregen een gebied dat tot aan Sarid liep.
Joz. 19,11 De grens loopt in westelijke richting naar Marala tot vlak bij Dabbeset en de beek bij Jokneam.
Joz. 19,12 Aan de andere kant van Sarid loopt de grens in oostelijke richting naar het gebied van Kislot-tabor, dan naar Daberat en Jafia,
Joz. 19,13 van daar oostwaarts naar Gat-hachefer en Et-kasin en komt uit bij Rimmon, waar ze afbuigt naar Nea.
Joz. 19,14 Dan loopt hij noordelijk om Channaton heen en komt uit bij het dal van Jiftach-el.
Joz. 19,15 Kattat, Nahalal, Simron, Jidala en Betlechem; twaalf steden met hun dorpen.
Joz. 19,16 Dat is het gebied van de geslachten van Zebulon met zijn steden en dorpen.
Joz. 19,17 Voor de geslachten van Issakar viel bij de vierde loting het lot als volgt:
Joz. 19,18 hun gebied omvatte Jizreel, Hakkesulot, Sunem,
Joz. 19,19 Chafaraim, Sion, Anacharat,
Joz. 19,20 Harabbit Kisjon, Ebes,
Joz. 19,21 Remet, Engannim, En-chadda en Bet-passes.
Joz. 19,22 De grens loopt langs de Tabor, Sachasima en Bet-semes naar de Jordaan; zestien steden met hun dorpen.
Joz. 19,23 Dat is het gebied van de geslachten van de stam Issakar met zijn steden en dorpen.
Joz. 19,24 Voor de geslachten van de stam Aser viel bij de vijfde loting het lot als volgt:
Joz. 19,25 hun gebied omvatte Chelkat, Chali, Beten, Aksaf,
Joz. 19,26 Alammelek, Amad en Misal. De grens loopt vlak langs de Karmel en de rivier de Libnat in de richting van de zee.
Joz. 19,27 Zij wendt zich oostwaarts naar Bet-dagon en langs Zebulon en het dal van Jiftach-el naar het noorden bij Bet-haŽmek en Neiel en komt dan uit ten noorden van Kabul.
Joz. 19,28 Ook Ebron, Rechob, Chammon en Kana tot Groot-sidon horen ertoe.
Joz. 19,29 Dan wendt de grens zich in de richting van Rama, tot aan de vestingstad Tyrus, en naar Chosa, waar zij weer uitkomt bij de zee. Ook Mechebel, Akzib,
Joz. 19,30 Umma, Afek en Rechob, tweeŽntwintig steden met hun dorpen, horen ertoe.
Joz. 19,31 Dat is het gebied van de geslachten van de stam Aser met steden en dorpen.
Joz. 19,32 Voor de geslachten van Naftali viel bij de zesde loting het lot als volgt:
Joz. 19,33 hun gebied loopt van Chelef, van de eik van Saanannim, over Adami-hannekeb en Jabneel naar Lakkum en komt uit bij de Jordaan.
Joz. 19,34 Naar het westen toe loopt de grens over Asnot-tabor naar Chukok. In het zuiden valt de grens samen met die van Zebulon, in het westen met die van Aser, in het oosten met die van Juda en met de Jordaan.
Joz. 19,35 Versterkte steden waren: Siddim, Ser, Chammat, Rakkat en Kinneret,
Joz. 19,36 Adama, Rama en Hasor,
Joz. 19,37 Kedes, Edrei en En-chasor,
Joz. 19,38 Juron, Migdalel, Chorem, Bet-anat en Bet-semes; negen tien steden met hun dorpen.
Joz. 19,39 Dat is het gebied van de geslachten van de stam Naftali met zijn steden en dorpen.
Joz. 19,40 Voor de geslachten van de stam Dan viel bij de zevende loting het lot als volgt:
Joz. 19,41 hun gebied omvatte Sora. Estaol en Ir-semes,
Joz. 19,42 Saalabbin, Ajjalon, en Jitla,
Joz. 19,43 Elon, Timna en Ekron,
Joz. 19,44 Elteke, Gibbeton en Bašlat,
Joz. 19,45 Jehud, Bene-berak en Gat-rimmon,
Joz. 19,46 Me-hajjarkon en Harakkon met het gebied tegenover Jafo.
Joz. 19,47 Het gebied der Danieten was hun te klein geworden en daarom trokken zij ten strijde tegen Lesem; zij veroverden de stad, doodden de inwoners, namen de stad in bezit en vestigden zich daar. Zij gaven Lesem de naam Dan, naar de naam van hun vader.
Joz. 19,48 Dat is het gebied van de geslachten van de stam Dan met zijn steden en dorpen.
Joz. 19,49 Toen alle delen van het land waren toegewezen, gaven de IsraŽlieten aan Jozua, de zoon van Nun, een eigen gebied,
Joz. 19,50 zoals Jahwe had bevolen: het was de stad die hij gevraagd had, Timnat-serach in het bergland van Efraim. Hij ver sterkte die stad en ging er wonen.
Joz. 19,51 Dat zijn de gebieden die de priester Eleazar, Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden voor het aanschijn van Jahwe te Silo, bij de ingang van de tent van de samenkomst, door het lot onder de IsraŽlieten verdeelden. Daarmee was de verdeling van het land voltooid.
 
Joz. 20,1 Jahwe sprak tot Jozua:
Joz. 20,2 `Zeg aan de IsraŽlieten: Wijs de vrijsteden aan, waar over Ik door Mozes gesproken heb.
Joz. 20,3 Dan kan degene die zonder opzet of per ongeluk iemand van het leven berooft, daarheen de wijk nemen en er veilig zijn voor de bloedwreker.
Joz. 20,4 Wanneer iemand naar een van deze steden vlucht, moet hij zich melden bij de stadspoort en aan de oudsten van de stad zijn zaak uiteenzetten. Zij zullen hem dan in hun stad toelaten en hem een verblijfplaats aanwijzen.
Joz. 20,5 Als de bloedwreker hem toch achterna komt, mogen zij degene die doodslag gepleegd heeft niet aan hem uitleveren: hij heeft immers zonder opzet zijn medemens gedood en hem tevoren geen haat toegedragen.
Joz. 20,6 Hij moet in die stad blijven, tot hij voor de gemeen schap terecht heeft gestaan of tot de dood van de hogepriester die er dan is. Dan mag hij naar huis teruggaan, naar de stad waaruit hij gevlucht was.'
Joz. 20,7 De IsraŽlieten wezen aan: Kades in Galilea in het berg land van Naftali, Sichem in het bergland van Efraim en Kirjat-ar ba of Hebron in het bergland van Juda.
Joz. 20,8 In het Overjordaanse ten oosten van Jericho wezen zij aan: in het gebied van de stam Ruben Beser, dat in de woestijn op de hoogvlakte ligt, in het gebied van de stam Dan Ramot in Gilead en in het gebied van de stam Manasse Golan in Basan.
Joz. 20,9 Dat zijn de steden die werden aangewezen voor alle IsraŽlieten en voor de vreemdelingen die bij hen wonen. Ieder die zonder opzet een mens heeft gedood kan daarheen de wijk nemen, zodat hij niet hoeft te sterven door de hand van de bloedwreker, alvorens hij voor de gemeenschap terecht heeft gestaan.
 
Joz. 21,1 De familiehoofden van de levieten kwamen bij de priester Eleazar, bij Jozua, de zoon van Nun, en bij de familiehoofden van de stammen van IsraŽl
Joz. 21,2 te Silo in Kanašn. Zij zeiden tot hen: `Jahwe heeft bij monde van Mozes bevolen ons steden te geven om in te wonen en bijbehorende weidegronden voor het vee.'
Joz. 21,3 Toen stelden de IsraŽlieten in opdracht van Jahwe de volgende steden met weidegronden in hun gebied ter beschikking van de levieten.
Joz. 21,4 Het eerste lot viel op de geslachten van Kehat: de levieten die zonen van de priester Ašron waren kregen dertien steden in het gebied van de stammen Juda, Simeon en Benjamin
Joz. 21,5 de overige Kehatieten kregen tien steden bij de geslachten van de stam Efraim, in het gebied van de stam Dan en in het gebied van de halve stam Manasse;
Joz. 21,6 de Gersonieten kregen door loting dertien steden bij de geslachten van de stam Issakar, in het gebied van de stam Aser en van de stam Naftali en van de halve stam Manasse in Basan;
Joz. 21,7 de geslachten van Merari kregen twaalf steden in het gebied van de stammen Ruben, Gad en Zebulon.
Joz. 21,8 Die steden met de bijbehorende weidegronden wezen de IsraŽlieten door loting aan de levieten toe, zoals Jahwe bij monde van Mozes had geboden.
Joz. 21,9 In het gebied van de stammen van Juda en Simeon werden de volgende met name genoemde steden toegewezen
Joz. 21,10 aan de levieten, de zonen van Ašron uit de geslachten van Kehat, op wie het eerste lot was gevallen:
Joz. 21,11 zij kregen Kirjat-arba, - Arba was de vader van Anak ook Hebron geheten, in het gebergte van Juda met de weidegronden in de omgeving.
Joz. 21,12 Het akkerland van die stad en de onderhorige dorpen waren reeds in eigendom gegeven aan Kaleb, de zoon van Jefunne.
Joz. 21,13 Aan de zonen van de priester Ašron gaf men de vrijstad Hebron zelf met de bijbehorende weidegronden. Verder Libna met weidegronden,
Joz. 21,14 Jattir met weidegronden, Estemoa met weidegronden,
Joz. 21,15 Cholon met weidegronden, Debir met weidegronden,
Joz. 21,16 Ain met weidegronden, Jutta met weidegronden en Bet-se mes met weidegronden, negen steden in het gebied van deze twee stammen.
Joz. 21,17 In het gebied van de stam Benjamin: Gibeon met zijn weidegronden. Geba met zijn weidegronden,
Joz. 21,18 Anatot met zijn weidegronden en Almon met zijn weide gronden: vier steden.
Joz. 21,19 In het geheel kregen de zonen van de priester Ašron dertien steden met bijbehorende weidegronden.
Joz. 21,20 De overige geslachten van Kehat, die levieten waren, kregen door het lot steden toegewezen in het gebied van de stam Efraim.
Joz. 21,21 Zij kregen de vrijstad Sichem met weidegronden in het gebergte van Efraim, Gezer met weidegronden,
Joz. 21,22 Kibsaim met weidegronden en Bet-choron met weidegronden: vier steden.
Joz. 21,23 Verder in het gebied van de stam Dan: Elteke met weide gronden, Gibbeton met weidegronden,
Joz. 21,24 Ajjalon met weidegronden en Gat-rimmon met weidegronden: vier steden.
Joz. 21,25 In het gebied van de stam Manasse: Taanak Taanak met weidegronden en Gat-rimmon met weidegronden: twee steden.
Joz. 21,26 In het geheel kregen de overige geslachten van Kehat tien steden met bijbehorende weidegronden.
Joz. 21,27 De Gersonieten van de geslachten van Levi kregen in het gebied van de halve stam Manasse de vrijstad Golan in Basan met weidegronden en Beestera met weidegronden: twee steden met weidegronden.
Joz. 21,28 In het gebied van de stam Issakar: Kison met weidegronden, Daberat met weidegronden,
Joz. 21,29 Jarmut met weidegronden en En-gannim met weidegronden: vier steden.
Joz. 21,30 In het gebied van de stam Aser: Misal met weidegronden, Abdon met weidegronden,
Joz. 21,31 Chelkat met weidegronden en rechob met weidegronden: vier steden.
Joz. 21,32 In het gebied van de stam Naftali: de vrijstad Kedes in Galilea met weidegronden, Chammot-dor met weidegronden en Kartan met weidegronden: drie steden.
Joz. 21,33 In het geheel kregen de geslachten van Gerson dertien steden met bijbehorende weidegronden.
Joz. 21,34 De overige levitische geslachten, die van Merari, kregen; in het gebied van de stam Zebulon Jokneam met weidegronden, Karta met weidegronden,
Joz. 21,35 Dimna met weidegronden en Nahalal met weidegronden: vier steden.
Joz. 21,36 In het gebied van de stam Ruben: Beser met weidegronden, Jasa.
Joz. 21,37 Kedemot met weidegronden, en Mefaat met weidegronden: vier steden.
Joz. 21,38 In het gebied van de stam Gad: de vrijstad Ramot in Gilead met weidegronden. Machanaim met weidegronden,
Joz. 21,39 Chesbon met weidegronden; tezamen vier steden.
Joz. 21,40 Die twaalf steden vielen toe aan de overige levitische geslachten, die van Merari.
Joz. 21,41 In het geheel kregen de levieten binnen het gebied van de IsraŽlieten achtenveertig steden met bijbehorende weidegronden.
Joz. 21,42 Bij elk van deze steden behoorden de weidegronden, die eromheen lagen. Zo was het bij alle steden.
Joz. 21,43 Jahwe gaf aan IsraŽl heel het land dat Hij aan hun vaderen onder ede beloofd had. Zij namen het in bezit en gingen er wonen.
Joz. 21,44 En Jahwe gaf hun overal rust, zoals Hij hun vaderen had gezworen. Geen van hun vijanden heeft tegen hen standgehouden: Jahwe heeft allen aan hen overgeleverd.
Joz. 21,45 Van al de heerlijke beloften die Jahwe aan het huis van IsraŽl gedaan had is er niet een onvervuld gebleven: zij zijn alle werkelijkheid geworden.
 
Joz. 22,1 Toen riep Jozua de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse bij zich
Joz. 22,2 en zei tot hen: `U hebt u gehouden aan de opdracht van Mozes, de dienaar van Jahwe, en ook mijn bevelen hebt u opgevolgd.
Joz. 22,3 U hebt jarenlang, tot op de huidige dag, uw broeders niet in de steek gelaten en trouw volbracht wat Jahwe uw God u had opgedragen.
Joz. 22,4 Nu Jahwe uw God aan uw broeders rust gegeven heeft, zoals Hij beloofd had, kunt u teruggaan naar uw tenten, naar het gebied dat Mozes, de dienaar van Jahwe, u in het Overjordaanse heeft toegewezen.
Joz. 22,5 U moet echter trouw blijven aan de geboden en aan de wet die Mozes, de dienaar van Jahwe, u gegeven heeft. Gij moet dat doen door Jahwe, uw God, lief te hebben, altijd zijn wegen te volgen, zijn geboden te onderhouden, Hem aan te hangen en Hem met heel uw hart en heel uw ziel te dienen.'
Joz. 22,6 Daarna gaf Jozua hun zijn zegen en liet hen naar hun tenten teruggaan hetgeen zij ook deden.
Joz. 22,7 Aan de ene helft van de stam Manasse had Mozes gebied in Basan toegewezen; aan de andere helft had Jozua tegelijk met hun broeders gebied toegewezen ten westen van de Jordaan. Toen Jozua hen naar hun tenten terug liet gaan en hun zijn zegen had gegeven,
Joz. 22,8 zei hij: `Met veel bezit kunt u nu terug gaan naar uw tenten, met een overvloed aan vee, met zilver, goud, brons en ijzer en vele kleren. U zult met uw broeders delen in de buit, die op uw vijanden behaald is.'
Joz. 22,9 Daarop namen de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse te Silo in Kanašn afscheid van de andere IsraŽlieten en gingen terug naar Gilead, het gebied dat hun op bevel van Jahwe door Mozes was toegewezen.
Joz. 22,10 Toen zij bij de steenkringen aan de Jordaan kwamen, bouwden de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse aan de oever van de Jordaan, nog aan de Kanašnitische kant, een altaar, een opvallend groot altaar.
Joz. 22,11 Zodra de IsraŽlieten vernamen, dat de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse aan de grens van Kanašn bij de steenkringen aan de Jordaan, nog aan de kant van de IsraŽlieten, een altaar gebouwd hadden,
Joz. 22,12 kwam de hele gemeenschap van de IsraŽlieten te Silo bijeen met de bedoeling tegen hen op te trekken.
Joz. 22,13 De IsraŽlieten zonden de priester Pinechas, de zoon van Eleazar,
Joz. 22,14 met tien leiders naar de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse in Gilead, een per familie uit elke stam van IsraŽl; ieder stond aan het hoofd van een familie in een stam van IsraŽl.
Joz. 22,15 Toen zij bij de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse waren aangekomen, zeiden zij:
Joz. 22,16 Zo spreekt heel de gemeenschap van Jahwe: Waarom bent u de God van IsraŽl toch ontrouw geworden en hebt u zich heden van Jahwe afgekeerd? Waarom bent u vandaag door het bouwen van een altaar tegen Jahwe in opstand gekomen?
Joz. 22,17 Hebben wij nog niet genoeg aan de zonde van Peor, die een plaag gebracht heeft over het volk, waarvan wij ons nog steeds niet gezuiverd hebben?
Joz. 22,18 U keert zich vandaag van Jahwe af en komt tegen Hem in opstand, maar morgen breekt zijn toorn los over de gemeenschap van IsraŽl.
Joz. 22,19 Als uw eigen gebied onrein is, steekt dan over naar het gebied van Jahwe, waar zijn woning staat, en vestigt u bij ons. Maar komt niet tegen Jahwe in opstand en verzet u ook niet tegen ons door een altaar te bouwen naast dat van Jahwe onze God.
Joz. 22,20 Ook toen Achan, de zoon van Zerach, zich aan de ban vergreep, is de toorn losgebarsten over de gehele gemeenschap van IsraŽl; en hij was niet de enige die door zijn zonde is omgekomen.'
Joz. 22,21 Daarop antwoordde de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse aan de stamhoofden van IsraŽl:
Joz. 22,22 `Jahwe, de God der goden, Hij weet het en ook IsraŽl moet het weten: Als het onze bedoeling was, tegen Jahwe op te staan of van Hem af te vallen, dan helpe Hij ons niet in deze nood.
Joz. 22,23 Als wij dit altaar gebouwd hebben om met Jahwe te breken of om hier brand - en meeloffers of slachtoffers op te dragen, dan moge Jahwe zelf het ons vergelden!
Joz. 22,24 Maar in werkelijkheid hebben wij dit gedaan, omdat wij bezorgd waren, dat uw zonen later tegen onze zonen zouden kunnen zeggen: Wat hebt u met Jahwe, de God van IsraŽl, te maken?
Joz. 22,25 Jahwe heeft tussen ons beiden de Jordaan als grens gesteld; u, de Rubenieten en de Gadieten, hebt dus geen erfdeel bij Jahwe. Zo zouden onze zonen door toedoen van uw zonen ophouden Jahwe te vereren.
Joz. 22,26 Daarom dachten wij: Laat ons dit doen: een altaar bouwen, niet voor brand - en slachtoffers,
Joz. 22,27 maar om voor ons beiden en voor onze nakomelingen te getuigen, dat wij met onze brand - en slachtoffers Jahwe vereren. Dan kunnen uw kinderen later nooit tegen de onze zeggen: U hebt geen erfdeel bij Jahwe.
Joz. 22,28 Wanneer zij dat later tegen ons of onze nakomelingen zeggen, dachten wij, dan kunnen wij wijzen op het altaar dat onze voorouders naar het voorbeeld van het altaar van Jahwe gebouwd hebben, niet om brand - en slachtoffers op te dragen, maar als getuig voor ons beiden.
Joz. 22,29 Wij willen dus in de verste verte niet tegen Jahwe opstaan of ons van Hem afkeren door naast het altaar van Jahwe onze God, dat voor zijn woning staat, een ander altaar te bouwen voor brandoffers, meeloffers en slachtoffers.'
Joz. 22,30 Toen de priester Pinechas, de leiders van de gemeen schap en de hoofden van de stammen van IsraŽl de verklaring van de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse gehoord hadden, waren zij tevredengesteld.
Joz. 22,31 De priester Pinechas, de zoon van Eleazar, zei tot de Rubenieten, de Gadieten en de Manassieten: `Nu weten wij zeker dat Jahwe in ons midden is, want in deze zaak bent u Jahwe niet ontrouw geweest. Op deze wijze hebt u de IsraŽlieten voor het ingrijpen van Jahwe behoed.'
Joz. 22,32 Daarop verlieten de priester Pinechas, de zoon van Eleazar, en de leiders de Rubenieten en de Gadieten in Gilead en keerden terug naar de IsraŽlieten in Kanašn. Toen zij aan de IsraŽlieten verslag hadden uitgebracht,
Joz. 22,33 waren deze tevredengesteld. Zij prezen God en zagen af van hun plan om tegen de Rubenieten en de Gadieten op te trekken en hun gebied te verwoesten.
Joz. 22,34 En de Rubenieten en de Gadieten gaven het altaar een naam, `want,' zeiden zij, `het getuigt voor ons beiden, dat Jahwe de ware God is.'
 
Joz. 23,1 Vele jaren waren voorbijgegaan, sinds Jahwe gezorgd had, dat aan alle zijden de vijanden IsraŽl met rust lieten, en Jozua was oud geworden en hoogbejaard.
Joz. 23,2 Toen riep hij heel IsraŽl bijeen, met de oudsten en de familiehoofden, met de rechters en de schrijvers. Hij sprak hun toe: `Ik ben oud en hoogbejaard.
Joz. 23,3 U hebt gezien wat Jahwe, uw God, ten gunste van u met al deze volken gedaan heeft. Jahwe, uw God, heeft zelf voor u gestreden.
Joz. 23,4 Het bezit van de volken die nog over zijn heb ik bij de loting aan uw stammen toegewezen, evenals dat van de volken die ik heb uitgeroeid, van de Jordaan af tot de Grote Zee in het westen.
Joz. 23,5 Jahwe, uw God, zal hen voor u verdrijven en verjagen, zodat u hun land in bezit kunt nemen, gelijk Jahwe, uw God, u beloofd heeft.
Joz. 23,6 Maar dan moet u er zich op toeleggen volhardend en nauwgezet alles te volbrengen wat in het wetboek van Mozes geschreven staat, zonder daarvan af te wijken, naar rechts of naar links.
Joz. 23,7 U moogt geen omgang hebben met de volken die nog zijn overgebleven; u moogt de naam van uw goden niet aanroepen en bij hen niet zweren; u moogt hen niet vereren of u voor hen neerbui gen.
Joz. 23,8 Jahwe, uw God, is de enige die u moet aanhangen, zoals u tot op de huidige dag gedaan hebt.
Joz. 23,9 Hij heeft immers grote en sterke volken voor u verdreven, zodat tot op de huidige dag niemand u heeft kunnen weer staan.
Joz. 23,10 Een enkele man van u dreef duizend vijanden op de vlucht, omdat Jahwe, uw God, voor u streed, zoals Hij beloofd had.
Joz. 23,11 Uw enige zorg moet dus zijn Jahwe, uw God, te beminnen.
Joz. 23,12 Want als u zich van Hem afkeert en u aansluit bij de overige volken, als u familiebanden met hen aanknoopt en omgang met hen hebt,
Joz. 23,13 dan zult u ondervinden dat Jahwe, uw God, hen niet meer voor u verdrijft. U zult verstrikt raken in hun vallen en netten; een zweepslag in uw zijde, een doorn in uw oog zullen zij zijn, totdat u verdwenen bent uit het heerlijke land, dat Jahwe, uw God, u heeft gegeven.
Joz. 23,14 Ik ga nu de weg van al het aardse. U weet heel goed, dat van alle heerlijke beloften die Jahwe, uw God, u gedaan heeft, er niet een onvervuld is gebleven. Alles is voor u verwerkelijkt en niet een woord ervan is onvervuld gebleven.
Joz. 23,15 Maar zoals de heerlijke beloften, die Jahwe, uw God, u gedaan had, in vervulling zijn gegaan, zo zal Hij ook al zijn bedreigingen uitvoeren, totdat Hij u heeft weggevaagd uit het heerlijke land dat Hij u heeft gegeven.
Joz. 23,16 Als u het verbond overtreedt, dat Jahwe, uw God, u heeft opgelegd, als u andere goden vereert en u voor hen neer buigt, dan zal zijn toorn tegen u ontbranden en zult u spoedig verdwenen zijn uit het heerlijke land dat Hij u heeft gegeven.'
 
Joz. 24,1 Jozua riep alle stammen van IsraŽl in Sichem bijeen, met de oudsten van IsraŽl, de familiehoofden, de rechters en de schrijvers. Toen zij voor God stonden,
Joz. 24,2 richtte Jozua zich tot het volk en sprak: `Zo spreekt Jahwe de God van IsraŽl: Uw voorouders, Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor, hebben vroeger aan de overkant van de Rivier gewoond. Daar vereerden zij andere goden.
Joz. 24,3 Ik heb uw vader Abraham daar weggehaald van de overkant van de Rivier, en hem heel Kanašn doen doorkruisen. Ik gaf hem een talrijk nageslacht en schonk hem Isaak.
Joz. 24,4 Aan Isaak schonk Ik Jakob en isaak. Aan Esau gaf Ik het bergland van Seir in bezit; Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte.
Joz. 24,5 Toen zond Ik Mozes en Ašron en sloeg Ik Egypte met de plagen, waarmee Ik hen teisterde, en leidde u daarna het land uit.
Joz. 24,6 Toen Ik uw vaderen uit Egypte leidde en gij bij de zee gekomen waart, achtervolgden de Egyptenaren uw vaderen met wagens en paarden tot aan de Rietzee.
Joz. 24,7 toen uw vaderen tot Jahwe riepen, legde Hij een donkere nevel tussen u en de Egyptenaren en joeg Hij de zee over hen heen, die hen overspoelde. Met eigen ogen hebt gij gezien wat Ik in Egypte gedaan heb. Nadat gij lange tijd in de woestijn had doorgebracht,
Joz. 24,8 leidde Ik u naar het land van de Amorieten in het Overjordaanse. En toen zij u aanvielen, gaf Ik hen in uw macht, zodat gij hun land in bezit kon nemen; Ik heb hen voor u uitgeroeid.
Joz. 24,9 Toen begon Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, de oorlog tegen IsraŽl. Hij ontbood Bileam, de zoon van Beor, om u te vervloeken.
Joz. 24,10 Maar Ik heb niet naar Bileam willen luisteren, zodat hij u gezegend heeft. Zo heb Ik u uit zijn macht gered.
Joz. 24,11 Toen zijt gij de Jordaan overgestoken en bij Jericho gekomen. De burgers van die stad, de Amorieten, de Perizzieten, de Kanašnieten, de Hethieten, de Girgasieten, de Chiwwieten en de Jebusieten voerden oorlog tegen u, maar Ik leverde hen aan u over.
Joz. 24,12 Verslagenheid zond Ik voor u uit, die hen - de beiden koningen van de Amorieten - voor u verdreef, zonder dat uw zwaard of boog eraan te pas kwam.
Joz. 24,13 Zo gaf Ik u een land waarvoor gij niet hebt gezwoegd, steden die gij niet hebt gebouwd maar waarin gij toch woont, en zo eet gij van wijngaarden en olijfbomen die gij niet hebt geplant'.
Joz. 24,14 `Vreest dan Jahwe en dient Hem oprecht en trouw. Doet de goden weg, die uw voorouders aan de overkant van de Rivier en in Egypte hebben vereerd, en weest dienaren van Jahwe.
Joz. 24,15 Als u Jahwe niet verkiest te dienen, kiest dan nu wie u wel wilt dienen: de goden die uw voorouders aan de overkant van de Rivier hebben vereerd, of de goden van de Amorieten, in wier land u woont. Ik en mijn familie, wij dienen Jahwe.'
Joz. 24,16 Het volk antwoordde: `Wij denken er niet aan, Jahwe te verlaten en andere goden te dienen.
Joz. 24,17 Jahwe, onze God, heeft ons en onze vaderen uit Egypte geleid, uit het slavenhuis. Hij heeft voor onze ogen grote tekenen verricht en ons beschermd op al onze tochten en tegen alle volken, waarmee wij in aanraking kwamen.
Joz. 24,18 Jahwe heeft al die volken voor ons verdreven, evenals de Amorieten die dit land bewonen. Ook wij willen Jahwe dienen. Hij is onze God.'
Joz. 24,19 Toen ze Jozua tot het volk: `U zult wel niet bij machte zijn Jahwe te dienen, want Hij is een heilige God, een jaloerse God, die uw overtredingen en zonden niet vergeeft,
Joz. 24,20 maar als u Jahwe verlaat en vreemde goden dient, zal Hij zich van u afkeren en u met rampen treffen en u vernietigen, ondanks de weldaden die Hij u vroeger heeft bewezen.'
Joz. 24,21 Maar het volk herhaalde: `Toch willen wij Jahwe dienen.'
Joz. 24,22 Toen zei Jozua tot het volk: `Dan bent u zelf getuigen, dat u voor de dienst van Jahwe gekozen hebt.' En zij antwoordden: `Ja, dat zijn wij.'
Joz. 24,23 `Doet dan die vreemde goden bij u weg en neigt uw harten naar Jahwe, de God van IsraŽl.'
Joz. 24,24 En het volk antwoordde: `Jahwe, onze God, willen wij dienen en naar zijn stem willen wij luisteren.'
Joz. 24,25 Zo sloot Jozua op die dag te Sichem een verbond voor het volk. Hij bepaalde voor hen wat wet is en recht,
Joz. 24,26 en hij schreef alles op in het wetboek van God. Daarop liet hij onder de eik in het heiligdom van Jahwe een grote steen oprichten
Joz. 24,27 en sprak tot het hele volk: `Deze steen zal tegen ons getuigen, want hij heeft alles gehoord wat Jahwe tot ons gesproken heeft. Hij zal tegen u blijven getuigen, zodat u uw God niet verloochent.'
Joz. 24,28 Daarop ontbond Jozua de vergadering en ieder keerde terug naar zijn eigen gebied.
Joz. 24,29 Na deze gebeurtenissen stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Jahwe, op de leeftijd van honderdtien jaar.
Joz. 24,30 Hij werd begraven in zijn eigen gebied, te Timnat-ser ach in het bergland van Efraim, ten noorden van de berg Gaas.
Joz. 24,31 IsraŽl bleef Jahwe vereren, zolang Jozua leefde en zolang hem nog oudsten overleefden, die getuigen waren geweest van alles wat Jahwe gedaan had.
Joz. 24,32 Het gebeente van Jozef, dat de IsraŽlieten uit Egypte hadden meegenomen, werd begraven te Sichem, op het stuk grond dat Jakob voor honderd sikkel goud van de zonen van Hemor had gekocht en dat eigendom was van de zonen van Jozef.
Joz. 24,33 Ook Eleazar, de zoon van Ašron, stierf en werd begraven op de heuvel, die zijn zoon Pinechas in het bergland van Efraim had gekregen.

Rechters

Re. 1,1 Na de dood van Jozua wendden de IsraŽlieten zich tot Jahwe met de vraag `Wie van ons moet het eerst tegen de Kanašnieten ten strijde trekken?'
Re. 1,2 Jahwe antwoordde: `Juda! Aan hem heb Ik het land overgeleverd.'
Re. 1,3 Toen zei Juda tot zijn broer Simeon: `Trek mee naar het gebied dat mij is toegewezen om met mij tegen de Kanašnieten te vechten. Dan ga ik later met u mee naar het gebied dat u is toegewezen.' Simeon ging met hem mee.
Re. 1,4 Toen de JudeeŽrs optrokken tegen de Kanašnieten en Perizzieten, leverde Jahwe die aan hen over; in Bezek doodden zij tienduizend man.
Re. 1,5 In Bezek vonden zij Adonibezek; zij vielen hem aan en brachten de Kanašnieten en Perizzieten een nederlaag toe.
Re. 1,6 Adonibezek ging op de vlucht, maar zij achtervolgden hem, namen hem gevangen en hakten hem zijn duimen en zijn grote tenen af.
Re. 1,7 Toen zei Adonibezek: `Zeventig koningen, wier duimen en grote tenen ik had afgehakt, raapten op wat er van mijn tafel viel; zoals ik met anderen gedaan heb zo doet God met mij.' Zij brachten hem naar Jeruzalem en daar stierf hij.
Re. 1,8 De JudeeŽrs vielen Jeruzalem aan; toen zij de stad ingenomen hadden, joegen zij haar over de kling en staken de stad in brand.
Re. 1,9 Daarna trokken de JudeeŽrs verder en bonden de strijd aan met de Kanašnieten in het bergland, in de Negeb en in het laag land.
Re. 1,10 Zo rukte Juda op tegen de Kanašnieten in Hebron, dat vroeger Kirjat-arba heette. en versloeg Sesai, Achiman en Talmai.
Re. 1,11 Vandaar trok hij op tegen de inwoners van Debir, dat vroeger Kirjat-sefer heette.
Re. 1,12 Kaleb beloofde: `Wie Kirjat-sefer verslaat en verovert, hem geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw.'
Re. 1,13 OtniŽl, een Kenizziet, een jongere broer van Kaleb, veroverde de stad en Kaleb gaf hem zijn dochter Aksa tot vrouw.
Re. 1,14 Toen zij bij hem aankwam, wist OtniŽl haar te bewegen van haar vader een stuk grond te vragen. Zij liet zich van de ezel glijden en Kaleb vroeg: `Wat is er?'
Re. 1,15 Zij antwoordde: `Geef mij een geschenk! Als u mij een dor land geeft, geef mij dan ook waterbronnen!' Toen gaf Kaleb haar hoog - en laaggelegen bronnen.
Re. 1,16 Samen met de JudeeŽrs trokken de zonen van Mozes' schoonvader, een Keniet, vanuit de Palmenstad naar de woestijn van Juda, in de Negeb bij Arad; daar vestigden zij zich bij de Amalekieten.
Re. 1,17 Juda trok met zijn broeder Simeon tegen Sefat op en zij doodden de Kanašnieten die daar woonden en sloegen de stad met de ban; daarom kreeg die stad de naam Chorma.
Re. 1,18 Maar Gaza, Askelon en Ekron met bijbehorende gebieden, heeft Juda niet kunnen innemen.
Re. 1,19 Juda heeft de bewoners van het bergland verdreven omdat Jahwe met hem was, maar de bewoners van de vlakte heeft hij niet kunnen verdrijven: die hadden ijzeren wagens.
Re. 1,20 Overeenkomstig de beschikking van Mozes werd Hebron aan Kaleb gegeven; deze zette de drie zonen van Enak de stad uit.
Re. 1,21 De Benjaminieten hebben de Jebusieten niet uit Jeruzalem kunnen verdrijven, zodat de Jebusieten nog in Jeruzalem met de Benjaminieten wonen, tot op de huidige dag.
Re. 1,22 Op zijn beurt rukte het huis van Jozef uit; zij trokken op tegen Betel en Jahwe wat met hen.
Re. 1,23 Het huis van Jozef ondernam een verkenningstocht naar Betel, dat vroeger Luz heette.
Re. 1,24 De verkenners zagen een man uit de stad komen en zeiden tegen hem: `Als u ons wijst hoe wij in de stad kunnen komen, dan zullen wij u sparen.'
Re. 1,25 Hij wees hun hoe ze de stad binnen konden komen. Daarop namen zij de stad in en joegen haar over de kling, maar die man met heel zijn familie lieten zij gaan.
Re. 1,26 Hij trok naar het gebied van de Hethieten, bouwde daar een stad en noemde die Luz; zo heet ze tot op de huidige dag.
Re. 1,27 Manasse heeft de volgende steden niet kunnen onderwerpen: Bet-san met de onderhorige steden, Taanak met de onderhorige steden, de inwoners van Dor met de onderhorige steden, de inwoners van Jibleam met de onderhorige steden en die van Megiddo met de onderhorige steden. De Kanašnieten hebben zich dus in dat gebied gehandhaafd.
Re. 1,28 Toen IsraŽl later machtiger werd, werden de Kanašnieten wel tot herendienst verplicht, maar niet verdreven.
Re. 1,29 Efraim heeft de Kanašnieten niet uit Gezer kunnen verdrijven, zodat dezen tussen de Efraimieten in het gebied van Gezer bleven wonen.
Re. 1,30 Zebulon heeft de inwoners van Kitron en van Nahalol niet kunnen verdrijven; de Kanašnieten bleven er wonen, maar werden tot herendienst verplicht.
Re. 1,31 Aser heeft de inwoners van Akko, Sidon, Achlab, Akzib, Chelba, Afek en Rechob niet kunnen verdrijven,
Re. 1,32 zodat de Aserieten zich gevestigd hebben bij de Kanašnieten die daar woonden want zij hebben hen niet verdreven.
Re. 1,33 Naftali heeft de inwoners van Bet-semes en Bet-anat niet kunnen verdrijven, zodat zij zich gevestigd hebben tussen de Kanašnieten die daar woonden; de bewoners van het land, de inwoners van Bet-semes en Bet-anat, werden wel tot herendienst verplicht.
Re. 1,34 De Amorieten drongen de Danieten het gebergte in en gaven hun geen kans naar de vlakte af te dalen.
Re. 1,35 De Amorieten hebben zich ook kunnen handhaven in Har-cheres. Ajjalon en Saalbim, maar toen het huis van Jozef de overhand kreeg, werden zij tot herendienst verplicht.
Re. 1,36 Het gebied van Edom strekte zich uit van de Schorpioenenpas tot Sela en verderop.
 
Re 2,1 De engel van Jahwe begaf zich van Gilgal naar Bokim en sprak `Ik heb u uit Egypte geleid en u gebracht naar het land dat Ik aan uw vaderen onder ede beloofd had, met de woorden: Nooit zal Ik mijn verbond met u verbreken.
Re 2,2 Maar dan moogt gij mij ook geen verbond sluiten met de bewoners van dat land en moet gij hun altaren omver halen. Gij hebt echter niet naar mijn stem geluisterd. Hoe hebt gij dat kunnen doen?
Re 2,3 Daarom verzeker Ik u: Ik zal de bewoners van het land niet voor u verdrijven; zij zullen u verdrukken, en hun goden zullen een valstrik voor u worden.'
Re 2,4 Toen de engel dit tot de IsraŽlieten gezegd had, begonnen zij luid te weeklagen.
Re 2,5 Daarom heet die plaats Bokim. Zij brachten daar offers aan Jahwe.
Re 2,6 Nadat Jozua de vergadering had ontbonden, gingen de IsraŽlieten naar het gebied dat hun was toegewezen en namen het land in bezit.
Re 2,7 Zolang Jozua leefde en zolang er na zijn dood nog oudsten waren, die getuigen waren geweest van de grote dingen die Jahwe voor IsraŽl gedaan had, bleef het volk Jahwe dienen..
Re 2,8 Maar Jozua, de zoon Van Nun, de dienaar van Jahwe, kwam te sterven, op de leeftijd van honderdtien jaar.
Re 2,9 Hij werd begraven in zijn eigen gebied te Timnat-cheres, in het bergland van Efraim, ten noorden van de berg Gaas.
Re 2,10 Ook zijn tijdgenoten werden met hun voorvaderen verenigd. Toen kwam er een nieuwe generatie, die niets meer wist van Jahwe, en die niet had meegemaakt dat Hij voor IsraŽl gedaan had.
Re 2,11 Toen begonnen de IsraŽlieten te doen wat Jahwe mishaagt. Zij vereerden de Bašls
Re 2,12 en verlieten Jahwe, de God van hun vaderen, die hen uit Egypte geleid had. Zij liepen achter andere goden aan, goden van de volken uit hun omgeving; zij bogen zich voor hen neder en krenkten Jahwe.
Re 2,13 Zij verlieten Jahwe en vereerden Bašl en de Astarten.
Re 2,14 Toen ontbrandde de toorn van Jahwe tegen IsraŽl. Hij leverde hen over aan plunderaars die hen beroofden en gaf hen prijs aan hun tegenstanders rondom, zodat zij niet langer tegen hun vijanden waren opgewassen.
Re 2,15 Alles wat zij ondernamen mislukte, omdat Jahwe tegen hen was, zoals Hij gezegd en gezworen had. Maar telkens als de nood het hoogst was
Re 2,16 liet Jahwe rechters optreden, die hen uit de greep van de plunderaars bevrijdden.
Re 2,17 Maar ook aan hun rechters bleven zij niet luisteren. Ontuchtig liepen zij achter andere goden aan en bogen zich voor hen neer. Al heel gauw weken zij weer af van de weg die hun voorvaderen gevolgd hadden: die hadden gehoorzaamd aan de geboden van Jahwe; zij deden dat niet.
Re 2,18 Als Jahwe een rechter liet optreden, stond hij de rechter bij, zolang die leefde. Jahwe bevrijdde hen uit de macht van hun vijanden, want als zij zuchtten onder het juk van hun vervolgers en verdrukkers, kreeg Hij weer medelijden met hen.
Re 2,19 Maar nauwelijks was de rechter gestorven, of zij vervielen opnieuw tot zonden, erger nog dan hun vaderen. Zij liepen achter andere goden aan, vereerden die en bogen zich voor hen neer. Zij weigerden hardnekkig met die vroegere praktijken en gewoonten te breken.
Re 2,20 In zijn toorn zei Jahwe tot IsraŽl: `Omdat dit volk het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb niet nakomt en niet naar mijn stem luistert,
Re 2,21 zal Ik geen van de volken meer verdrijven die bij de dood van Jozua nog over waren.
Re 2,22 Zo zal Ik IsraŽl op de proef stellen om te zien of zij de weg van Jahwe blijven gaan, zoals hun voorvaderen.'
Re 2,23 Jahwe heeft die volken met rust gelaten; Hij verdreef hen niet onmiddellijk en leverde hen niet aan Jozua over.
Re 2:
 
Re 3,1 Dit zijn de volken die Jahwe met rust heeft gelaten, om door hen de IsraŽlieten, die de oorlog in Kanašn niet hadden meegemaakt, op de proef te stellen,
Re 3,2 om aan die generaties van IsraŽlieten die geen oorlog hadden meegemaakt, de strijd te leren:
Re 3,3 de vijf vorsten van de Filistijnen, al de Kanašnieten, de Sidoniers en de Hethieten, in het Libanongebergte van Bašl-hermon tot aan de weg naar Hamat.
Re 3,4 Dezen dienden om de IsraŽlieten op de proef te stellen. Zo zou duidelijk worden of zij de geboden wilden onderhouden, die Jahwe bij monde van Mozes aan hun voorvaderen had opgelegd.
Re 3,5 En de IsraŽlieten die midden tussen de Kanašnieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten woonden,
Re 3,6 huwden met meisjes uit die volken, lieten hun eigen dochters trouwen met mannen uit die volken en vereerden hun goden.
Re 3,7 De IsraŽlieten deden wat Jahwe mishaagt: zij vergaten Jahwe hun God en vereerden de Bašls en de Astarten.
Re 3,8 Toen ontbrandde de toorn van Jahwe tegen IsraŽl. Hij gaf het prijs aan Kusan-risataim, de koning van Edom, en acht jaar bleven de IsraŽlieten aan Kusan-risataim onderworpen.
Re 3,9 Toen riepen de IsraŽlieten tot Jahwe, en Jahwe liet een redder optreden om IsraŽl te bevrijden; het was OtniŽl, de Kenizziet, een jongere broer van Kaleb.
Re 3,10 Gedreven door de geest van Jahwe trad hij op als rechter in IsraŽl en trok hij ten oorlog tegen Kusan-risataim Jahwe leverde de koning van Edom aan OtniŽl over en zo kreeg deze hem in zijn macht.
Re 3,11 Veertig jaar werd het land met rust gelaten. Toen stierf OtniŽl, de Kenizziet.
Re 3,12 Weer deden de IsraŽlieten wat Jahwe mishaagt. Toen gaf Jahwe aan Eglon, de koning van Moab macht over IsraŽl, omdat zij deden wat Jahwe mishaagt.
Re 3,13 Eglon wist de Ammonieten en Amalekieten op zijn hand te krijgen; samen trokken zij tegen IsraŽl op, versloegen het en namen de Palmenstad in.
Re 3,14 Achttien jaar bleven de IsraŽlieten onderworpen aan Eglon, de koning van Moab.
Re 3,15 Toen riepen de IsraŽlieten tot Jahwe, en Jahwe liet voor hen een redder optreden. Het was Ehud, de zoon van Gera uit Benjamin, een man die linkshandig was. Eens zonder de IsraŽlieten Ehud met de schatting naar Eglon, de koning van Moab.
Re 3,16 Ehud liet een tweesnijdend zwaard maken, een gomed lang, en hing het op de rechterheup aan zijn gordel, onder zijn kleren.
Re 3,17 Zo ging hij de schatting afdragen aan Eglon, de koning van Moab; deze was een zeer zwaarlijvig man.
Re 3,18 Zodra Ehud hem de schatting overhandigd had, liet hij de mannen die de schatting vervoerd hadden naar huis gaan.
Re 3,19 Maar hij zelf ging terug, van bij de Gebeeldhouwde Stenen in de buurt van Gilgal. Bij Eglon gekomen, liet hij hem zeggen: `Koning, ik heb u nog iets te zeggen dat strikt geheim is.' De koning zei: `Sst!' en al zijn hovelingen verwijderden zich.
Re 3,20 Ehud begaf zich naar de koning, die heel alleen in de koele bovenzaal zat, en zei: `Ik heb een woord van God voor u.' Eglon stond van zijn troon op.
Re 3,21 Toen greep Ehud met zijn linkerhand het zwaard van zijn rechterheup en stak de koning in de buik.
Re 3,22 Het zwaard drong met lemmet en al in zijn lichaam; het vet sloot zich om het lemmet, omdat Ehud het zwaard er niet uittrok. Daarop verdween hij langs een achteruitgang.
Re 3,23 Hij ging langs de zuilengang naar buiten. De deur van de bovenzaal had hij afgesloten en gegrendeld.
Re 3,24 Toen hij weg was, kwamen de dienaren van Eglon bij de bovenzaal en merkten zij dat de deur op slot zat. Zij zeiden: `Misschien doet hij zijn behoefte in het koele vertrek.'
Re 3,25 Zij bleven wachten, maar tenslotte werden ze er verlegen mee, want hij deed de deur van de bovenzaal maar niet open. Toen gingen zij de sleutel halen om de deur open te maken, en daar lag hun meester dood op de grond.
Re 3,26 Omdat zij zo lang gewacht hadden, was Ehud ontkomen; hij was de Gebeeldhouwde Stenen al voorbij en was behouden in Seira aangekomen.
Re 3,27 Zodra hij weer op IsraŽlitisch gebied was, liet hij in het bergland van Efraim de bazuin steken. Toen de IsraŽlieten de bergen afkwamen, stelde hij zich aan het hoofd en zei:
Re 3,28 `Volg mij; Jahwe levert de Moabieten, uw vijanden, aan u over.' Zij trokken met hem naar beneden en bezetten de doorwaad bare plaatsen van de Jordaan, zodat geen Moabiet er meer over kon.
Re 3,29 Zij hebben toen tienduizend Moabieten gedood, allemaal krachtige, strijdbare mannen; niemand ontkwam.
Re 3,30 Op die dag moest Moab IsraŽl als zijn meerdere erkennen en tachtig jaar werd het land met rust gelaten.
Re 3,31 Na Ehud trad Samgar, de zoon van Anat op. Hij doodde zeshonderd Filistijnen met een osseprikkel; zo bevrijdde ook hij IsraŽl.
 
Re 4,1 Na de dood van Ehud deden de IsraŽlieten opnieuw wat Jahwe mishaagt.
Re 4,2 En Jahwe leverde hen over aan Jabin, de koning van Kanašn, die over Hasor regeerde. Zijn legeraanvoerder heette Sisera en woonde te Charoset-haggojim.
Re 4,3 De IsraŽlieten riepen tot Jahwe, want Jabin had negenhonderd ijzeren wagens en onderdrukte de IsraŽlieten met harde hand, reeds twintig jaar lang.
Re 4,4 In die tijd trad de profetes Debora, de vrouw van Lappi dot, als rechter in IsraŽl op.
Re 4,5 Zij hield zitting onder de palm van Debora tussen Rama en Betel, in het bergland van Efraim, waar de IsraŽlieten met hun rechtszaken bij haar kwamen.
Re 4,6 Zij ontbood Barak, de zoon van Abinoam, uit Kedes van Naftali en zei hem: `Jahwe, de God van IsraŽl, geeft u dit bevel: Trek met tienduizend man uit Naftali en Zebulon naar de berg Tabor.
Re 4,7 Dan zal Ik Sisera, de legeraanvoerder van Jabin, met zijn strijdwagens en zijn troepen naar u toelokken bij de beek Kison en hem aan u overleveren.'
Re 4,8 Barak antwoordde: `Als u met mij meegaat, doe ik het, maar als u niet meegaat, doe ik het niet.'
Re 4,9 Zij zei: `Dan ga ik mee; maar de tocht die u onderneemt zal u geen roem brengen, want aan een vrouw levert Jahwe Sisera over.' Toen ging Debora met Barak naar Kedes.
Re 4,10 Nu riep Barak, Zebulon en Naftali in Kedes onder de wapenen: tienduizend man volgden hem en ook Debora ging mee.
Re 4,11 In de buurt van Kedes, bij de eik van Saannaim, had de Keniet Cheber, een zoon van Mozes' schoonvader Chobab, die zich van de overige Kenieten had afgescheiden, zijn tent opgeslagen.
Re 4,12 Toen Sisera bericht kreeg dat Barak, de zoon van Abinoam, de Tabor was opgetrokken,
Re 4,13 liet hij al zijn ijzeren strijdwagens, negenhonderd in getal, en alle manschappen waarover hij beschikken kon, van Charoset-haggojim naar de beek Kison oprukken.
Re 4,14 Toen zei Debora tot Barak: `Trek op, want vandaag levert Jahwe Sisera aan u over. Hijzelf gaat voor u uit.' En toen Barak met zijn tienduizend mannen van de Tabor naar beneden kwam,
Re 4,15 bracht Jahwe Sisera met al zijn wagens en heel zijn leger door het zwaard van Barak in verwarring. Sisera sprong van zijn wagen en trachtte te voet te ontkomen,
Re 4,16 terwijl Barak de wagens en het leger nazette tot in Charoset-haggojim. Heel het leger van Sisera viel door het zwaard; geen man werd gespaard.
Re 4,17 Sisera was intussen te voet naar de tent van JaŽl, de vrouw van de Keniet Cheber, gevlucht, want diens familie was bevriend met Jabin, de koning van Hasor.
Re 4,18 JaŽl kwam naar buiten, Sisera tegemoet, en zei tegen hem: `Kom binnen, heer, kom gerust binnen: u hoeft niet bang te zijn.' Hij ging haar tent binnen en zij dekte hem toe met een deken.
Re 4,19 Hij vroeg haar: `Geef mij alstublieft wat water: ik heb dorst.' Zij maakte de melkzak open en liet hem drinken. Toen zij hem weer toedekte,
Re 4,20 zei hij tegen haar: `Blijf voor de ingang van de tent staan, en als de een of ander komt vragen of er iemand binnen is, moet u antwoorden van niet.'
Re 4,21 Toen Sisera van uitputting in slaap was gevallen, pakte JaŽl, de vrouw van Cheber, een tentpin en een hamer, ging zachtjes naar hem toe en dreef de pin dwars door zijn slapen de grond in; hij was op slag dood.
Re 4,22 Toen zag JaŽl Barak aankomen, op zoek naar Sisera. Zij ging hem tegemoet en zei: `Kom binnen, dan zal ik u de man laten zien die u zoekt.' Barak ging naar binnen, en daar lag Sisera door op de grond, met de pin door zijn slapen.
Re 4,23 Zo onderwierp God op die dag Jabin, de koning van Kanašn, aan de IsraŽlieten.
Re 4,24 Hun macht over Jabin, de koning van Kanašn, werd op den duur zo groot dat zij hem tenslotte hebben vernietigd.
 
Re 5:
Re 5,1 Toen zong Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied:
Re 5,2 Als het volk van IsraŽl de haren losmaakt en zich meldt om te strijden, prijst dan Jahwe!
Re 5,3 Koningen, luistert nu; vorsten, hoort: Voor Jahwe wil ik zingen, ik, en slaan op de snaren voor IsraŽls God.
Re 5,4 Jahwe, toen gij weg zijt getrokken uit Seir, heen zijt gegaan uit de vlakte van Edom, dreunde de aarde, stroomde uit de hemelen, stroomde uit de wolken het water.
Re 5,5 Toen beefden de bergen voor Jahwe die komt van de SinaÔ, voor Jahwe, de God van IsraŽl.
Re 5,6 In de dagen van Samgar, de zoon van Anat, in de dagen van JaŽl lagen de wegen verlaten: wie vroeger de brede straten namen, gingen nu kronkelende binnenpaden.
Re 5,7 Uitgestorven lagen de dorpen, uitgestorven in IsraŽl, tot ik, Debora, opstond, opstond als moeder in IsraŽl.
Re 5,8 Zij hadden nieuwe goden gekozen: geen brood was er toen in de steden, geen schild of geen lans meer te vinden bij de veertigduizend van IsraŽl.
Re 5,9 Mijn hart gaat uit naar hen die IsraŽl leiden. Gij uit het volk die u meldt voor de strijd, prijst Jahwe!
Re 5,10 Gij berijders van witte ezelinnen, op rijke sjabrakken gezeten, gij die over de wegen gaat, blijft er van spreken,
Re 5,11 luider dan die bij de drinkplaatsen zingen, wanneer zij Jahwe's weldaden loven, de werken van Hem die in IsraŽl heerst. Toen is het volk van Jahwe naar de poorten gekomen:
Re 5,12 Sta op, sta op, Debora, sta op, sta op, zing een lied! Vooruit, Barak, kom met uw gevangenen, zoon van Abinoam!
Re 5,13 Daar kwamen de andere dapperen aan, het volk van Jahwe met zijn helden.
Re 5,14 De leiders uit Efraim daalden af naar de vlakte, uw broeder Benjamin voegde zich bij u. Ook de leiders van Makir kwamen en zij die de scepter dragen in Zebulon.
Re 5,15 De leiders van Issakar waren bij Debora. Issakar, trouw aan Barak, ging achter hem aan, de vlakte in. Onder de gelederen van Ruben was de verdeeldheid groot:
Re 5,16 waarom bleef je achter de heining zitten, bij de kudde, luisterend naar de fluiten? Onder de gelederen van Ruben was de verdeeldheid groot.
Re 5,17 Gilead kwam de Jordaan niet over, en Dan had het druk met zijn schepen. Aser bleef aan de kust van de zee en ging niet weg van zijn havens.
Re 5,18 Zebulon echter waagde zijn leven, en ook Naftali, die op de hoogvlakte woont.
Re 5,19 De koningen kwamen en streden, de koningen van Kanašn streden. Bij Taanak, bij het water van Megiddo, maar geen stukje zilver maakten zij buit.
Re 5,20 Hoog uit de hemel streden de sterren, streden zij tegen Sisera, uit hun banen.
Re 5,21 De Kison sleurde hen mee, het geweld van de Kison spoelde hen weg. Verder moet ik, onversaagd.
Re 5,22 De hoeven van de paarden hameren, in galop, in galop gaan de hengsten.
Re 5,23 Vloek Meroz, zegt de engel van Jahwe, sla met uw vloek zijn bewoners: zij hebben geen hulp geboden aan Jahwe, aan Jahwe en aan zijn krijgers.
Re 5,24 Gezegend boven alle vrouwen zij JaŽl, de vrouw van Cheber de Keniet; boven alle vrouwen in de tenten zij JaŽl gezegend.
Re 5,25 Hij vroeg haar water, zij gaf hem melk; zij bracht hem room in een feestschaal.
Re 5,26 Haar linkerhand greep een tentpin, haar rechter een timmermanshamer. Zo sloeg zij Sisera, verbrijzelde zijn hoofd. zijn verpletterde slapen doorborend.
Re 5,27 Aan haar voeten kromp hij ineen, viel hij neer en bleef hij liggen. Aan haar voeten kromp hij ineen en viel hij neer. Waar hij ineen was gekrompen, daar viel hij neer, overweldigd.
Re 5,28 Uit het venster tuurt Sisera's moeder klagend zit zij voor de tralies: `Waarom komt zijn strijdwagen niet, waar blijft het gedreun van zijn wagens?'
Re 5,29 De wijste onder haar edelvrouwen geeft haar steeds weer ten antwoord:
Re 5,30 `Zij hebben toch immers een buit bemachtigd en delen die nu: een, twee vrouwen voor elke soldaat; kleurige stoffen zijn Sisera's buit, bonte stoffen zijn deel; een, twee geborduurde doeken voor de hals van zijn vrouw.'
Re 5,31 Zo mogen te gronde gaan, Jahwe, al uw vijanden; maar die U beminnen, mogen zij zijn als de kracht van de rijzende zon. Toen had het land veertig jaren rust.
 
Re 6:
Re 6,1 De IsraŽlieten deden opnieuw wat Jahwe mishaagt en Hij leverde hen zeven jaar lang aan de Midjanieten over,
Re 6,2 zodat die IsraŽl in hun macht kregen. Uit vrees voor de Midjanieten richtten de IsraŽlieten in het gebergte schuilplaatsen in, holen en vestigingen.
Re 6,3 Telkens als de IsraŽlieten gezaaid hadden, rukten de Midjanieten met de Amalekieten en andere zonen van het oosten tegen hen op.
Re 6,4 Zij sloegen hun tenten op en vernielden de oogst in heel het land, tot Gaza toe. Zij lieten in IsraŽl geen voedsel meer over, en ook geen schapen, geen ossen en geen ezels.
Re 6,5 Zij trokken binnen met hun kudden en hun tenten, zo talrijk als sprinkhanen, een ontelbare massa mannen en kamelen; zij vielen het land binnen en verwoestten het.
Re 6,6 Toen de IsraŽlieten door de Midjanieten tot grote armoede waren gebracht, begonnen zij tot Jahwe te roepen.
Re 6,7 En toen de IsraŽlieten onder de druk van de Midjanieten tot Jahwe riepen,
Re 6,8 zond Hij hun een profeet, die hun zei: `Zo spreekt Jahwe, de God van IsraŽl: Ik heb u uit Egypte geleid en u weggehaald uit dat slavenhuis.
Re 6,9 Ik heb u bevrijd uit de macht van de Egyptenaren en van al uw verdrukkers. Ik heb hen voor u verdreven en u hun land gegeven.
Re 6,10 Ik heb u gezegd: Ik ben Jahwe, uw God; ook al woont gij in het land van de Amorieten, gij moogt hun goden niet vereren. Maar gij hebt niet naar mijn stem geluisterd.'
Re 6,11 Toen kwam de engel van Jahwe en zette zich neer onder de terebint van Ofra, die het eigendom was van Joas, uit het ge slacht Abiezer. Zijn zoon Gideon was juist bezig tarwe uit te kloppen in een perskuip, om niet door de Midjanieten gezien te worden.
Re 6,12 De engel van Jahwe verscheen hem daar en zei: `Jahwe is met u, dappere held.'
Re 6,13 Gideon antwoordde: `Als ik het zeggen mag, heer: Indien Jahwe met ons is, waarom is ons dit alles dan overkomen? Waar zijn de wonderen waarover deze voorvaderen ons verhaald hebben; zij zeiden toch: Jahwe heeft ons uit Egypte geleid! Maar nu heeft Jahwe ons verstoten en ons aan de Midjanieten overgeleverd.'
Re 6,14 Toen richtte Jahwe zich tot hem en zei: `Trek op tegen de Midjanieten! Gij zijt sterk genoeg om IsraŽl uit hun macht te bevrijden. Ik ben het toch die u zend.'
Re 6,15 Gideon hernam: `Als ik het zeggen mag, Heer: Hoe zou ik IsraŽl kunnen bevrijden? Mijn geslacht is het armste van heel Manasse en ik ben de jongste van de familie.'
Re 6,16 Maar Jahwe zei: `Ik zal met u zijn; gij zult de Midjanieten verslaan alsof het maar een enkele man was.'
Re 6,17 Maar Gideon hield aan: `Als ik genade heb gevonden in uw ogen, geef mij dan een teken dat Gij het zijt die met mij spreekt.
Re 6,18 En ga niet weg voor ik terug ben en U een geschenk heb aangeboden.' Jahwe antwoordde: `Ik blijf hier tot gij terug zijt.'
Re 6,19 Gideon ging naar huis, maakte een geitebokje klaar en een efa ongezuurde broden. Hij deed het vlees in een mand en de saus in een kom; die bracht hij naar Hem toe bij de terebint en bood ze Hem aan.
Re 6,20 De engel van God sprak: `Leg het vlees en de ongezuurde broden daar op dat rotsblok en giet de saus erover uit.' Gideon deed dat.
Re 6,21 De engel van Jahwe bewoog de stok die hij in zijn hand had naar het vlees en de ongezuurde broden en raakte die met de punt van de stok aan; toen laaide er uit het rotsblok een vuur op dat het vlees en de ongezuurde broden verteerde. Daarop verdween de engel van Jahwe uit zijn ogen.
Re 6,22 Nu begreep Gideon dat het de engel van Jahwe was ge weest. Hij zei: `Wee mij, Jahwe, mijn Heer, ik heb oog in oog gestaan met de engel van Jahwe.'
Re 6,23 Maar Jahwe verzekerde hem: `Vrede is uw deel; wees niet bevreesd; gij zult niet sterven.'
Re 6,24 Toen bouwde Gideon daar een altaar voor Jahwe en noemde het Jahwe-is-vrede. Dat altaar staat nog in Ofra, de stad van Abiezer, tot op de huidige dag.
Re 6,25 In die nacht zei Jahwe tot Gideon: `Neem een stier van uw vader, een vette stier van zeven jaar, verniel het altaar van Bašl dat aan uw vader behoort en hak de heilige paal om die er bij staat.
Re 6,26 Richt dan hier op de top van de versterkte plaats een goed gebouwd altaar op voor Jahwe uw God en draag de vette stier op als een brandoffer, op het hout van de omgehakte paal.'
Re 6,27 Geholpen door tien van zijn knechten voerde Gideon de opdracht van Jahwe uit. Omdat hij het niet overdag durfde doen uit vrees voor zijn familie en voor de mensen uit de stad, deed hij het 's nachts.
Re 6,28 De volgende morgen ontdekten de mensen uit de stad dat het altaar van Bašl vernield was, dat de heilige paal die er bij stond was omgehakt en dat op een nieuw gebouwd altaar een vette stier was geofferd.
Re 6,29 Zij zeiden tot elkaar: `Wie zou dat gedaan hebben?' Zij deden navraag en stelden een onderzoek in en er werd gezegd: `Gideon, de zoon van Joas, heeft het gedaan.'
Re 6,30 Daarop zeiden de mensen uit de stad tot Joas: `Lever uw zoon uit. Hij moet sterven, want hij heeft het altaar van Bašl vernield en de heilige paal die er bij stond omgehakt.'
Re 6,31 Maar Joas zei tot de omstanders: `Wilt u het soms voor Bašl opnemen? Wilt u Bašl redden? Wie het voor hem opneemt, wordt voor morgenochtend gedood. Als hij god is, laat hij dan zelf voor zijn zaak opkomen: het is zijn altaar dat vernield is.'
Re 6,32 Die dag kreeg Gideon de naam Jerubbaal, want men zei: `Laat Bašl het tegen hem opnemen, omdat hij diens altaar vernield heeft.'
Re 6,33 De Midjanieten, de Amalekieten en de andere stammen uit het oosten hadden zich aangesloten, waren de Jordaan overgetrokken hadden hun kamp opgeslagen in de vlakte van Jizreel.
Re 6,34 Toen kwam de geest van Jahwe over Gideon; hij stak de bazuin en de mannen van Abiezer sloten zich bij hem aan.
Re 6,35 Hij zond boden door heel het gebied van Manasse en ook deze stam sloot zich bij hem aan. Ook naar Aser, Zebulon en Naftali stuurde hij boden, en ook deze stammen sloten zich bij hem aan.
Re 6,36 Nu sprak Gideon tot God: `Als Gij IsraŽl werkelijk door mijn hand wilt bevrijden, zoals Gij beloofd hebt,
Re 6,37 laat dan de dauw alleen op de wollen vacht komen die ik hier op de dorsvloer leg en laat de grond eromheen droog blijven; dan weet ik dat Gij IsraŽl door mijn hand zult bevrijden, zoals Gij beloofd hebt.'
Re 6,38 En zo gebeurde het inderdaad: Toen hij de volgende morgen opstond wrong hij de dauw uit de vacht; de schaal stond vol water.
Re 6,39 Weer sprak Gideon tot God: `Laat uw toorn niet tegen mij ontbranden, als ik U nog een keer iets vraag. Ik zou nog een proef willen nemen met de vacht; laat nu alleen de vacht droog blijven, terwijl op de grond rondom de dauw valt.'
Re 6,40 En God deed dat, de volgende nacht: Alleen de vacht bleef droog, op de grond lag overal dauw.
 
Re 7,1 Jerubbaal, ook Gideon geheten, en zijn mannen sloegen in alle vroegte hun kamp op bij En-charod. Ten noorden daarvan lag het kamp van de Midjanieten, in de buurt van de Waarzeggersheuvel, in de vlakte.
Re 7,2 Toen zei Jahwe tot Gideon: `Uw leger is zo groot dat Ik daaraan de Midjanieten niet wil overleveren. IsraŽl zou zich tegenover Mij kunnen beroemen en zeggen: Mijn eigen kracht heeft mij gered.
Re 7,3 Deel dus aan uw mannen het volgende mee: Ieder die bang of angstig is mag naar huis gaan en de bergen van Gilboa verlaten.' TweeŽntwintig duizend mannen trokken zich terug; toen bleven er nog tienduizend over.
Re 7,4 Daarop zei Jahwe tot Gideon: `Nog is het leger te tal rijk. Laat de mannen naar het water gaan; daar zal Ik ze voor u schiften. Degene van wie Ik u zeg: Die gaat met u mee, hij gaat met u mee, degene van wie Ik zeg: Die gaat niet met u mee, hij gaat niet mee.'
Re 7,5 Toen Gideon de mannen naar het water had laten gaan, zei Jahwe tot hem: `Ge moet de mannen die het water als honden opslurpen, scheiden van degenen die bij het drinken op hun knieŽn gaan zitten.'
Re 7,6 Er waren er driehonderd die met de hand aan de mond het water opslurpten; alle anderen waren bij het drinken op hun knieŽn gaan zitten.
Re 7,7 Toen zei Jahwe tot Gideon: `Met de driehonderd man die het water hebben opgeslurpt zal Ik u bevrijden en de Midjanieten aan u overleveren; alle anderen moeten naar hun huizen gaan.'
Re 7,8 De driehonderd namen de proviand en de trompetten van de anderen. Gideon stuurde de IsraŽlieten naar hun tenten terug en hield alleen de driehonderd bij zich. Het kamp van de Midjanieten lag in de vlakte.
Re 7,9 Die nacht zei Jahwe tot Gideon: `Ga naar hun kamp; ik heb hen aan u overgeleverd.
Re 7,10 Als gij er niet alleen heen durft, neem dan uw dienaar Pura mee.
Re 7,11 Als gij gehoord hebt waarover zij praten, zult ge de moed hebben op dat kamp af te gaan.' Toen ging Gideon met zijn dienaar Pura op weg en drong door tot de buitenste wachtpost van het kamp.
Re 7,12 De Midjanieten, Amalekieten en de andere zonen van het oosten waren op de vlakte neergestreken als een menigte sprinkhanen. Hun kamelen waren niet te tellen: ze waren even talrijk als de zandkorrels aan het strand van de zee.
Re 7,13 Toen Gideon bij het kamp kwam, hoorde hij een soldaat aan een ander vertellen wat hij gedroomd had: `Hoor eens wat ik gedroomd heb! Ik zag een gerstekoek het kamp van de Midjanieten binnenrollen; hij sloeg tegen een tent aan, stootte die omver en keerde ze ondersteboven; en daar lag de tent.'
Re 7,14 De ander zei toen: `Dat kan niets anders betekenen dan het zwaard van Gideon, de zoon van de IsraŽliet Joas. God heeft de Midjanieten met heel hun kamp aan hem overgeleverd.'
Re 7,15 Toen Gideon het verhaal van de droom en de verklaring had gehoord, boog hij diep neer. Terug in het kamp van IsraŽl zei hij: `Vlug! Jahwe heeft het kamp van de Midjanieten aan u overgeleverd.'
Re 7,16 Hij verdeelde de driehonderd man in drie groepen en gaf iedere soldaat een bazuin en een lege kruik met een toorts er in.
Re 7,17 En hij beval: `Let goed op mij en doe precies wat ik doe. Als ik vlak bij het kamp ben moeten jullie precies hetzelfde doen als ik.
Re 7,18 Wanneer ik en de mannen die bij mij zijn de bazuin steken, dan moeten ook jullie rond heel het kamp de bazuin steken en roepen: Voor Jahwe en voor Gideon!'
Re 7,19 Bij het begin van de middelste nachtwake kwamen Gideon en de honderd mannen die bij hem waren bij de buitenste wachtpost van het kamp. Nauwelijks was de wacht afgelost of zij bliezen op de bazuinen en sloegen de kruiken stuk.
Re 7,20 Toen bliezen alle drie de groepen op hun bazuinen en sloegen hun kruiken stuk; de toortsen hielden ze in hun linker hand, de bazuinen waarop zij bliezen in hun rechter. En zij riepen: `Te wapen! Voor Jahwe en voor Gideon!'
Re 7,21 Terwijl ze allemaal rondom het kamp op hun plaats bleven staan, begon heel het kamp door elkaar te rennen. Onder luid geschreeuw sloegen zij op de vlucht.
Re 7,22 Terwijl de driehonderd de bazuinen bleven blazen, liet Jahwe de mannen in het kamp met het zwaard op elkaar inslaan. Het leger vluchtte tot Bet-hassitta, in de richting van Saretan, tot aan de rand van het plateau bij Abel-mechola tegenover Tabbat.
Re 7,23 Toen verzamelde zich de IsraŽlieten uit Naftali, Aser en heel Manasse en achtervolgden de Midjanieten.
Re 7,24 Gideon had boden gestuurd door heel het bergland van Efraim met de boodschap: `Komt naar beneden om de Midjanieten tegen te houden; bezet de oever van de rivier tot Bet-bara toe, om hun het oversteken te beletten.' Alle Efraimieten verzamelden zich en bezetten de oevers van de Jordaan tot aan Bet-bara.
Re 7,25 Oreb en Zeeb, de twee aanvoerders van Midjan, namen zij gevangen. Oreb en Zeeb bij de perskuip van Zeeb. Daarna achter volgden zij de Midjanieten. De hoofden van Oreb en Zeeb brachten ze naar Gideon, aan de overkant van de Jordaan.
 
Re 8,1 Toen vroegen de Efraimieten aan Gideon: `Waarom hebt u ons dit aangedaan, dat u ons niet hebt opgeroepen, toen u tegen de Midjanieten ten strijde trok?' Zij deden hem daarover heftige verwijten.
Re 8,2 Hij antwoordde: `Wat betekenen mijn daden, vergeleken bij de uwe? De nalezing van Efraim is beter dan de oogst van Abiezer!
Re 8,3 God heeft Oreb en Zeeb, de aanvoerders van Midjan, aan u overgeleverd. Wat ik kon doen is toch niet te vergelijken met wat u deed!' Toen hij zo gesproken had, bedaarde hun woede.
Re 8,4 Gideon kwam met zijn driehonderd mannen bij de Jordaan en stak de rivier over; ze waren uitgeput van de achtervolging.
Re 8,5 Daarom zei hij tot de burgers van Sukkot: `Geeft de soldaten die mij volgen enkele broden, want ze zijn uitgeput en ik zit Zebach en Salmunna, de koningin van Midjan achterna.'
Re 8,6 Maar de magistraten van Sukkot antwoorden: `U vraagt ons brood voor uw leger, alsof u de handpalmen van Zebach en Salmunna al in uw macht hebt.'
Re 8,7 Toen zei Gideon: `Op mijn woord, zodra Jahwe Zebach en Salmunna aan mij heeft overgeleverd, kom ik jullie lijf tuchtigen met distels en doornen uit de woestijn.'
Re 8,8 Van Sukkot trok hij verder naar PenuŽl en hij vroeg de burgers van die stad hetzelfde. Zij gaven hem hetzelfde antwoord als de burgers van Sukkot.
Re 8,9 Toen zei hij ook tot de burgers van PenuŽl: `Zodra ik behouden terugkom, haal ik deze toren omver.'
Re 8,10 Zebach en Salmunna lagen met een leger van vijftienduizend man in Karkar. Dat was alles wat er van het hele leger van de zonen van het oosten nog was overgebleven; hondertwintigduizend weerbare mannen waren gesneuveld.
Re 8,11 Gideon volgde de weg van de nomaden, oostelijk van Nobach en Jogbeha, en sloeg toen op het leger in dat zich al veilig waande.
Re 8,12 Zebach en Salmunna gingen op de vlucht; Gideon zette de achtervolging in, bracht heel hun leger in paniek en nam de koningen van Midjan, Zebach en Salmunna, gevangen.
Re 8,13 Toen Gideon, de zoon van Joas, de strijd langs de hoogvlakte van Cheres terugkeerde,
Re 8,14 greep hij daar een jongeman die afkomstig was uit Sukkot. Hij ondervroeg hem en liet hem de namen van de magistraten en oudsten van Sukkot opschrijven; het waren er zevenzeven tig.
Re 8,15 Toen ging hij naar de burgers van Sukkot en zei: `U hebt mij toen gehoond door te zeggen: U vraagt ons brood voor uw vermoeide soldaten, alsof u de handpalmen van Zebach en Salmunna al in uw macht hebt. Welnu, hier heb ik Zebach en Salmunna!'
Re 8,16 Toen greep hij de oudsten van de stad en gaf de mannen van Sukkot met doornen en distels uit de woestijn een gevoelige les.
Re 8,17 Ook haalde hij de toren van PenuŽl omver en doodde de burgers van die stad.
Re 8,18 Daarna vroeg hij aan Zebach en Salmunna: `Hoe zagen de mannen er uit die u op de Tabor vermoord hebt?' Zij antwoordden: `Ze leken op u; ieder van hen had het voorkomen van een konings zoon.'
Re 8,19 Gideon zei: `Dan waren het mijn broers, de zonen van mijn moeder. Zowaar Jahwe leeft, als u hen in leven had gelaten, zou ik u niet doden.'
Re 8,20 Toen zei hij tegen zijn oudste zoon Jeter: `Vooruit, sla hen dood.' Maar de jongen durfde zijn zwaard niet te trekken; hij was bang, hij was nog maar een jongen.
Re 8,21 Toen zeiden Zebach en Salmunna: `Slaat u ons zelf maar neer; een flinke man als u heeft daar de kracht voor.' Zo doodde Gideon en Zebach en Salmunna: de maantjes van de nekken van hun kamelen nam hij mee..
Re 8,22 Nu zeiden de IsraŽlieten tot Gideon: `U moet de heer schappij over ons aanvaarden, ook voor uw zoon en kleinzoon, want u hebt ons bevrijd uit de macht van de Midjanieten.'
Re 8,23 Maar Gideon antwoordde: `Ik zal niet over u heersen en mijn zoon evenmin; Jahwe zal over u heersen!'
Re 8,24 En hij vervolgde: `Ik wil u wel een verzoek doen. Laat ieder van u mij uit de buit die hij behaald heeft een ring geven.' Het waren IsmaŽlieten geweest en die dragen gouden ringen.
Re 8,25 Zij antwoordden: `Dat zullen wij graag doen.' Daarop spreidde men een kleed uit en ieder wierp daarop een ring uit de buit die hij behaald had.
Re 8,26 De gouden ringen die hij gevraagd had wogen samen zeventienduizend sikkel; dan waren er ook nog de maantjes, de oorringen, de purperen gewaden van de koningen van Midjan en de ketens om de nekken van hun kamelen.
Re 8,27 Van dat goud liet Gideon een efod maken, die hij plaats te in zijn stad Ofra. Met die efod pleegde heel IsraŽl ontucht en hij werd een valstrik voor Gideon en zijn familie.
Re 8,28 Zo moesten de Midjanieten de IsraŽlieten als hun meerde ren erkennen, en zij staken het hoofd niet meer op. Zolang Gideon leefde werd het land met rust gelaten, veertig jaar lang.
Re 8,29 Jerubbaal, de zoon van Joas, keerde naar zijn huis terug en bleef daar.
Re 8,30 Gideon had zeventig zonen verwekt, want hij had vele vrouwen.
Re 8,31 Ook zijn bijvrouw, die in Sichem woonde, had hem een zoon gebaard, die hij Abimelek genoemd had.
Re 8,32 Gideon, de zoon van Joas, stierf in gezegende ouderdom en werd begraven in Ofra, de stad van Abiezer, in het graf van zijn vader Joas.
Re 8,33 Zodra Gideon gestorven was, liepen de IsraŽlieten opnieuw ontuchtig achter de Bašls aan en erkenden Bašl-berit als hun god.
Re 8,34 De IsraŽlieten dachten niet meer aan Jahwe hun God, die hen bevrijd had uit de macht van al hun vijanden rondom.
Re 8,35 Ook bleven zij het huis van Jerubbaal-gideon niet dankbaar voor al het goede dat hij voor IsraŽl gedaan had.
 
Re 9,1 Abimelek, de zoon van Jerubbaal, ging naar de broers van zijn moeder in Sichem en zei tegen hen en de overige familie van zijn moeder:
Re 9,2 `Jullie moeten de burgers van Sichem deze vraag voorleg gen: Wat is beter voor u: dat de zonen van Jerubbaal met zeventig man over u heersen, of dat een man over u regeert? Denkt er aan, dat ik jullie eigen vlees en gebeente ben!'
Re 9,3 In die geest spraken de broers van zijn moeder met al de burgers van Sichem, zodat dezen de zijde van Abimelek kozen; ze zeiden: `Hij is onze broeder.'
Re 9,4 Zij gaven Abimelek zeventig sikkel zilver uit de tempel van Bašl-berit; hij huurde een bende leeglopers en avonturiers,
Re 9,5 ging daarmee naar het ouderlijk huis in Ofra en ver moordde zijn zeventig broers, de zonen van Jerubbaal, op een en dezelfde steen. Alleen Jotam, de jongste zoon van Jerubbaal, die zich verborgen had, bleef in leven.
Re 9,6 Toen kwamen alle burgers van Sichem en Bet-millo bijeen bij de terebint van de steen, die in Sichem staat en zij riepen daar Abimelek tot koning uit.
Re 9,7 Toen dit aan Jotam bericht werd, ging hij op de top van de Gerizzim staan en schreeuwde luid: `Burgers van Sichem, luistert naar mij, dan luistert God naar u.
Re 9,8 Eens gingen de bomen er op uit om iemand tot koning te zalven. Ze zeiden tegen de olijfboom: Wilt u koning over ons worden?
Re 9,9 Maar de olijfboom antwoordde: Moet ik dan ophouden die olie te geven, waarom de goden en de mensen mij eren en moet ik boven de andere bomen gaan zweven?
Re 9,10 Toen zeiden de bomen tegen de vijgenboom: Wilt u koning over ons worden?
Re 9,11 Maar de vijgenboom antwoordde: Moet ik dan ophouden mijn zoete en heerlijke vruchten te geven en boven de andere bomen gaan zweven?
Re 9,12 Toen zeiden de bomen tegen de wijnstok: Wilt u koning over ons worden?
Re 9,13 Maar de wijnstok antwoordde: Moet ik dan ophouden mijn most te geven, die de goden en de mensen verblijdt, en boven de andere bomen gaan zweven?
Re 9,14 Daarop zeiden alle bomen tegen de doornstruik: Wilt u koning over ons worden?
Re 9,15 En de doornstruik gaf de bomen ten antwoord: Als u mij werkelijk tot koning wilt zalven, kom dan maar schuilen onder mijn schaduw. Wilt u dat niet, dan zal er van de doornstruik een vuur uitgaan, dat zelfs de ceders van de Libanon verteert.
Re 9,16 Het is wel duidelijk, dat het niet oprecht en trouw van u was. Abimelek tot koning uit te roepen: daarmee bent u uw verplichtingen tegenover Jerubbaal en zijn familie immers nagekomen! Heeft hij dat aan u verdiend?
Re 9,17 Mijn vader was het die voor u heeft gestreden, die zijn leven voor u op het spel heeft gezet en die u uit de macht van de Midjanieten heeft bevrijd.
Re 9,18 Toch hebt u zich vandaag tegen mijn familie gekeerd. De zeventig zonen van mijn vader hebt u op een en dezelfde steen vermoord, en Abimelek, een zoon van zijn slavin, hebt u tot koning over de burgers van Sichem uitgeroepen, en dat alleen omdat hij uw broeder is.
Re 9,19 Als u meent dat u vandaag oprecht en trouw geweest bent tegenover Jerubbaal en zijn familie, dan wens ik u veel geluk met Abimelek, en hem met u!
Re 9,20 Maar als dat niet zo is, dan moge er van Abimelek een vuur uitgaan dat de burgers van Sichem en Bet-millo verteert, en van de burgers van Sichem en Bet-millo een vuur dat Abimelek ver teert.'
Re 9,21 Daarop nam Jotam de vlucht, hij week uit naar Beer en bleef daar, buiten het bereik van zijn broer Abimelek.
Re 9,22 Toen Abimelek drie jaar over IsraŽl geregeerd had,
Re 9,23 bracht God onenigheid tussen Abimelek en de burgers van Sichem zodat zij hem ontrouw werden.
Re 9,24 God wilde de gewelddaad tegen de zeventig zonen van Jerubbaal wreken en hun bloed doen neerkomen op hun broer Abimelek, die hen vermoord had, en op de burgers van Sichem, die hem bij de moord op zijn broers hadden geholpen.
Re 9,25 De burgers van Sichem begonnen het hem lastig te maken door zich in de bergen te verschuilen en iedereen die daar langs kwam te beroven. Dit werd aan Abimelek gemeld.
Re 9,26 Toen kwam Gaal, de zoon van Ebed, met zijn medestanders in Sichem aan en trok door de stad; hij wist het vertrouwen van de burgers van Sichem te winnen.
Re 9,27 Het was juist de tijd dat men naar het land ging om de vruchten van de wijngaarden te oogsten en de druiven te persen. Toen zij daarna tijdens de feestelijkheden, de tempel van hun god binnengingen en daar aten en dronken, begonnen zij Abimelek te vervloeken.
Re 9,28 Daarna nam Gaal, de zoon van Ebed, het woord: `Moet een stad als Sichem nu onderworpen zijn aan een man als Abimelek? De zoon van Jerubbaal en zijn commandant Zebul moesten eerder onderworpen zijn aan de mannen van Hemor, de vader van Sichem, dan wij onderworpen aan hem.
Re 9,29 Had ik hier de macht in handen, dan zou ik Abimelek wegjagen; ik zou hem zeggen: Kom maar op, hoe sterk je leger ook is.'
Re 9,30 Toen Zebul, de commandant van de stad, hoorde wat Gaal, de zoon van Ebed, gezegd had, werd hij woedend.
Re 9,31 In het geheim zond hij de boden naar Abimelek met de boodschap: `Gaal, de zoon van Ebed, is met zijn medestanders in Sichem gekomen en zij ruien de stad tegen u op.
Re 9,32 Kom dus en ga vannacht nog met uw soldaten buiten de stad in hinderlaag liggen;
Re 9,33 dan kunt u morgenvroeg bij zonsopgang de aanval op de stad beginnen. Als Gaal dan met zijn soldaten tegen u uittrekt, moet u de kans maar benutten.'
Re 9,34 Die nacht ging Abimelek met al zijn soldaten op weg en dicht bij Sichem legden zij zich in vier groepen in hinderlaag.
Re 9,35 Toen Gaal, de zoon van Ebed, de stad was uitgekomen en bij de poort stond, kwamen Abimelek en zijn mannen uit de hinder laag tevoorschijn.
Re 9,36 Zodra Gaal hen in het oog kreeg, zei hij tegen Zebul: `Kijk eens, daar komen mensen de berg af.' Zebul antwoordde: `U ziet de schaduwen van de bergen voor mensen aan.'
Re 9,37 Maar Gaal hield vol: `Kijk dan, daar bij de navel van het land komen mensen naar beneden en op de weg van de Waarzeggerseik loopt ook al een groep.'
Re 9,38 Toen zei Zebul: `Waar blijft u nu met uw grote mond? U hebt toch gezegd: Moeten wij aan iemand als Abimelek onderworpen zijn? Daar hebt u nu de mensen over wie u zo minachtend hebt gesproken. Vooruit, val ze dan aan!'
Re 9,39 Daarop rukte Gaal uit, aan het hoofd van de burgers van Sichem, en begon de aanval op Abimelek.
Re 9,40 Maar toen Abimelek op hem afkwam, week hij terug. Er vielen veel doden, tot vlak bij de stadspoort.
Re 9,41 Abimelek keerde vervolgens naar Aruma terug en Zebul verdreef Gaal en zijn medestanders uit Sichem, omdat hij niet wilde dat zij daar bleven.
Re 9,42 Toen Abimelek de volgende dag hoorde dat de mensen naar het land wilden gaan,
Re 9,43 verdeelde hij zijn manschappen in drie groepen en ging buiten de stad in hinderlaag liggen. Zodra hij de mensen uit de stad zag komen, overviel hij hen en dreef hen uiteen.
Re 9,44 Met zijn eigen groep wist Abimelek de stadspoort te bereiken en die bezet te houden. De twee andere groepen stortten zich op degenen die buiten de stad waren en sloegen die neer.
Re 9,45 Na een hele dag van strijd nam Abimelek de stad in; hij vermoordde de hele bevolking, maakte de stad met de grond gelijk en strooide er zout over.
Re 9,46 Toen de burgers van Migdal-sichem dit vernamen, gingen zij naar de kelder onder de tempel van El-berit.
Re 9,47 Zodra Abimelek bericht kreeg, dat de burgers van Migdal-sichem bijeen waren,
Re 9,48 ging hij met zijn mannen de berg Salmon op. Hij nam een bijl, hakte een tak van een boom en legde die op zijn schouder. Tegen zijn mannen zei hij: `Jullie zien wat ik doe; doe vlug hetzelfde.'
Re 9,49 De mannen hakten allen een tak af en gingen Abimelek achterna. Ze legden de takken boven op de kelder en staken daarmee de kelder in brand. Zo vonden ook alle mensen uit Migdal-sichem de dood; het waren er ongeveer duizend, mannen en vrouwen.
Re 9,50 Daarna trok Abimelek naar Tebes; hij belegerde de stad en nam ze in.
Re 9,51 Midden in de stad stond een toren en daarheen waren alle burgers van de stad gevlucht, mannen en vrouwen. Zij hadden de poort achter zich gesloten en waren op het dak van de toren geklommen.
Re 9,52 Abimelek drong tot vlak bij de toren door en begon de aanval. Maar toen hij bij de toegang was en die in brand wilde steken,
Re 9,53 wierp een vrouw een molensteen op zijn hoofd en verbrijzelde hem de schedel.
Re 9,54 Onmiddellijk riep hij zijn wapendrager en beval hem: `Trek je zwaard en steek me dood; anders zeggen ze nog, dat een vrouw mij gedood heeft.' Daarop stak de wapendrager hem dood.
Re 9,55 Toen de IsraŽlieten zagen, dat Abimelek dood was, gingen zij naar huis terug.
Re 9,56 Zo vergold God aan Abimelek het kwaad dat hij zijn vader had aangedaan en liet Hij de boosheid van de mannen van Sichem op hun eigen hoofd neerkomen. Aldus werd de vervloeking van Jotam, de zoon van Jerubbaal, aan hen vervuld.
 
Re. 10,1 Na Abimelek trad Tola, de zoon van Pua, de zoon van Dodo, uit Issakar op om IsraŽl te bevrijden. Hij woonde in Samir in het gebergte van Efraim.
Re. 10,2 DrieŽntwintig jaar was hij rechter over IsraŽl. Toen stierf hij en werd begraven in Samir.
Re. 10,3 Na hem trad Jair op, een Gileadiet; tweeŽntwintig jaar was hij rechter over IsraŽl.
Re. 10,4 Hij had dertig zonen die dertig steden bestuurden; de dertig steden die zij bezaten heten tot op de huidige dag de Dorpen van Jair; ze liggen in Gilead.
Re. 10,5 Jair stierf, en werd in Kamon begraven.
Re. 10,6 De IsraŽlieten deden opnieuw wat Jahwe mishaagt; zij dienden de Bašls en de Astarten, de goden van Aram en de goden van Sidon, de goden van Moab en de goden van de Ammonieten, en de goden van de Filistijnen; zij verlieten Jahwe en vereerden Hem niet meer.
Re. 10,7 De toorn van Jahwe ontbrandde tegen de IsraŽlieten en Hij leverde hen over aan de Filistijnen en de Ammonieten.
Re. 10,8 Van toen af begonnen die de IsraŽlieten te onderdrukken en te terroriseren, achttien jaar aan een stuk, vooral de IsraŽlieten in Gilead aan de overkant van de Jordaan, in het gebied van de Amorieten.
Re. 10,9 De Ammonieten kwamen zelfs de Jordaan over en vielen ook Juda en Benjamin en het huis van Efraim lastig, zodat IsraŽl in grote moeilijkheden kwam.
Re. 10,10 Toen riepen de IsraŽlieten tot Jahwe: `Wij hebben gezondigd tegen U; wij hebben onze God verlaten en hebben de Bašls vereerd.'
Re. 10,11 Jahwe antwoordde: `Ik heb u uit de macht van de Egypte naren, de Amorieten, de Ammonieten en de Filistijnen bevrijd.
Re. 10,12 En ook toen de Sidoniers, Amalek en Maon u verdrukten en gij tot Mij hebt geroepen, heb Ik u uit hun macht bevrijd.
Re. 10,13 Toch hebt gij Mij verlaten en zijt gij andere goden gaan vereren; daarom zal Ik u voortaan niet meer bevrijden.
Re. 10,14 Roep de goden maar aan die gij hebt gekozen; laten die u maar bevrijden nu gij in nood verkeert.'
Re. 10,15 Daarop zeiden de IsraŽlieten tot Jahwe: `Wij hebben gezondigd, doe met ons wat Gij wilt, als Gij ons nu maar bevrijd.'
Re. 10,16 Daarop deden zij de vreemde goden weg en vereerden Jahwe. Toen kon Jahwe de ellende van IsraŽl niet langer aanzien.
Re. 10,17 De Ammonieten verzamelden zich en sloegen in Gilead hun kamp op. Ook de IsraŽlieten verzamelden zich en sloegen in Mispa hun kamp op.
Re. 10,18 mensen - de leiders van Gilead - zeiden tegen elkaar: `Wie de strijd met de Ammonieten aandurft, wordt de leider van alle Gileadieten.'
 
Re. 11,1 De Gileadiet Jefta was een dapper man. Zijn vader, Gilead, had hem verwekt bij een publieke vrouw.
Re. 11,2 Maar Gilead had ook zonen van zijn eigen vrouw, en toen deze zonen groot geworden waren, hadden zij Jefta weggejaagd en gezegd: `Jij krijgt geen erfdeel in onze familie, want jij bent de zoon van een andere vrouw.'
Re. 11,3 Jefta was toen voor zijn broers gevlucht en was in Tob gaan wonen. Een groep leeglopers had zich bij hem aangesloten en trok er met hem op uit.
Re. 11,4 Enige tijd later begonnen de Ammonieten een oorlog tegen IsraŽl.
Re. 11,5 Bij het begin van die oorlog van de Ammonieten tegen IsraŽl gingen de oudsten van Gilead naar Tob om Jefta te halen.
Re. 11,6 Zij zeiden: `Wilt u meegaan en onze aanvoerder zijn in de strijd tegen de Ammonieten?'
Re. 11,7 Maar Jefta antwoordde de oudsten van Gilead: `Uit afgunst hebt u mij uit het ouderlijk huis gezet. En nu u in moeilijkheden zit, komt u bij mij!'
Re. 11,8 Daarop zeiden de oudsten van Gilead tot Jefta: `Op ons woord, wij komen bij u om u te vragen met ons mee te gaan en oorlog te voeren tegen de Ammonieten; dan zult u de leider worden van alle bewoners van Gilead.'
Re. 11,9 Toen zei Jefta tot de oudsten van Gilead: `Als u mij terughaalt om oorlog te voeren tegen de Ammonieten en als Jahwe hen in mijn macht geeft, dan wil ik ook uw leider blijven!'
Re. 11,10 En de oudsten van Gilead verzekerden Jefta: `Jahwe is onze getuige: Hij moge ons vonnissen als wij niet doen wat u zegt.'
Re. 11,11 Daarop ging Jefta met de oudsten van Gilead mee. Voor Jahwe in Mispa stelde het volk hem aan als leider en aanvoerder, en hij herhaalde er zijn eisen.
Re. 11,12 Toen zond Jefta boden naar de koning van de Ammonieten om te vragen: `Wat is er toch tussen ons, dat u mij op mijn eigen gebied komt bestrijden?'
Re. 11,13 De koning van de Ammonieten antwoordde de boden: `U weet dat IsraŽl, toen het uit Egypte trok, mijn land tussen de Arnon, de Jabbok en de Jordaan in bezit heeft genomen. Geef het mij vrijwillig terug.'
Re. 11,14 Opnieuw zond Jefta boden naar de koning van de Ammonieten,
Re. 11,15 met de boodschap: `Zo spreekt Jefta: IsraŽl heeft het gebied van Moab en van de Ammonieten niet in bezit genomen.
Re. 11,16 Bij zijn uittocht uit Egypte is IsraŽl door de woestijn naar de Rietzee getrokken en in Kades gekomen.
Re. 11,17 Vandaaruit heeft IsraŽl boden naar de koning van Edom gezonden met het verzoek: Sta mij toe door uw land te trekken. Maar de koning van Edom wilde daar niet van horen. Ook naar de koning van Moab heeft IsraŽl boden gestuurd, maar ook die liet het niet toe. Zo bleef IsraŽl in Kades.
Re. 11,18 Toen zijn de IsraŽlieten door de woestijn om Edom en Moab heen getrokken en hebben ten oosten van Moab aan de overzij de van de Arnon hun kamp opgeslagen. En aangezien de Arnon de grens van Moab vormt, zijn zij dus niet in Moab geweest.
Re. 11,19 Vandaar hebben de IsraŽlieten boden gezonden naar Sichon, de koning van de Amorieten in Chesbon en hem verzocht: Sta ons toe door uw land naar onze plaats van bestemming te trekken.
Re. 11,20 Maar Sichon geloofde niet dat IsraŽl alleen maar door zijn gebied wilde trekken. Hij riep zijn volk onder de wapenen, sloeg zijn kamp op in Jahas en viel IsraŽl aan.
Re. 11,21 Maar Jahwe, de God van IsraŽl, leverde Sichon en heel zijn leger aan IsraŽl over, zodat zij werden verslagen. Zo hebben de IsraŽlieten het hele land van de Amorieten veroverd die daar woonden.
Re. 11,22 Zij veroverden heel het gebied van de Amorieten, van de Arnon tot de Jabbok, van de woestijn tot de Jordaan.
Re. 11,23 Jahwe, de God van IsraŽl, heeft de Amorieten voor zijn volk IsraŽl verjaagd, en nu zoudt u IsraŽl willen verjagen?
Re. 11,24 U bezit het land dat uw god Kemos u in bezit heeft gegeven. Zo bezitten wij het land dat Jahwe, onze God, ons gegeven heeft.
Re. 11,25 Bent u soms meer dan Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab? Die heeft geen twist met IsraŽl gezocht, die heeft niet tegen IsraŽl gestreden.
Re. 11,26 Het is nu al driehonderd jaar geleden dat IsraŽl zich vestigde in Chesbon en de onderhorige steden, in Aroer en de onderhorige steden en in de steden aan de oever van de Arnon; waarom hebt u die steden toen niet bevrijd?
Re. 11,27 Ik heb u niets misdaan; u doet mij onrecht door mij te bestrijden. Laat Jahwe de Rechter heden uitspraak doen wie gelijk heeft, de IsraŽlieten of de Ammonieten.'
Re. 11,28 Maar de koning van de Ammonieten wilde niet van Jefta's voorstel horen.
Re. 11,29 Toen kwam de geest van Jahwe over Jefta; hij trok door Gilead en Manasse, door Mispa in Gilead, en vandaar naar de Ammonieten.
Re. 11,30 Toen deed Jefta aan Jahwe deze gelofte: `Als Gij de Ammonieten aan mij overlevert
Re. 11,31 en ik behouden van de Ammonieten terugkeer, zal de eerste die uit de deur van mijn huis naar mij toekomt aan Jahwe behoren; ik zal hem als brandoffer opdragen.'
Re. 11,32 Toen trok Jefta ten strijde tegen de Ammonieten. En Jahwe leverde hen aan hem over.
Re. 11,33 Hij sloeg op hen in van Aroer tot aan de weg van Minnit - twintig steden - en tot Abel-keramim; hij bracht hun een zeer zware nederlaag toe. Zo werden de Ammonieten door de IsraŽlieten vernederd.
Re. 11,34 Toen Jefta naar zijn huis in Mispa terugkeerde, kwam zijn dochter de deur uit om hem met tamboerijnen en reidansen tegemoet te gaan. Zij was zijn enig kind; buiten haar had hij geen zonen of dochters.
Re. 11,35 Zodra hij haar zag, scheurde hij zijn kleren en riep uit: `Ach mijn dochter, wat tref je me zwaar: je maakt me diep ongelukkig! Ik heb Jahwe mijn woord gegeven, ik kan niet meer terug.'
Re. 11,36 Zij antwoordde: `Vader, u hebt Jahwe uw woord gegeven. Doe dus met mij wat u beloofd hebt, want Jahwe heeft u wraak laten nemen op de Ammonieten, uw vijanden.'
Re. 11,37 En zij zei tot haar vader: `Ik vraag u alleen nog deze gunst: geef mij twee maanden om met mijn vriendinnen de bergen in te gaan en daar te rouwen omdat ik als maagd moet sterven.'
Re. 11,38 Hij antwoordde: `Doe dat,' en hij liet haar voor twee maanden gaan. En zij ging met haar vriendinnen de bergen in en rouwde daar, omdat zij als maagd moest sterven.
Re. 11,39 Toen zij na twee maanden weer bij haar vader kwam, voltrok hij aan haar de gelofte die hij gedaan had. Zij had nooit gemeenschap gehad met een man. Zo ontstond in IsraŽl de gewoonte
Re. 11,40 dat de meisjes ieder jaar vier dagen lang de dochter van Jefta, de Gileadiet, gaan herdenken.
 
Re. 12,1 De Efraimieten kwamen bijeen en staken over naar Safon. Zij vroegen aan Jefta: `Waarom hebt u de Ammonieten aangevallen zonder ons te roepen om mee te gaan? Wij steken uw huis boven uw hoofd in brand.'
Re. 12,2 Jefta antwoordde: `Ik en mijn volk hadden een hooglopend verschil met de Ammonieten. Ik heb uw hulp ingeroepen, maar u hebt niets gedaan om mij uit hun handen te bevrijden.
Re. 12,3 Toen ik merkte dat u mij niet te hulp kwam, ben ik met gevaar voor mijn leven tegen de Ammonieten opgerukt, en Jahwe heeft hen aan mij overgeleverd. Wat hebt u dus voor reden om nu aan te vallen?'
Re. 12,4 Jefta riep alle mannen van Gilead bijeen en viel Efraim aan. De mannen van Gilead versloegen de Efraimieten, omdat die gezegd hadden: `Jullie zijn weggelopen Efraimieten.' Gilead ligt midden tussen Efraim en Manasse.
Re. 12,5 Toen bezetten de Gileadieten de oversteekplaatsen van de Jordaan waarlangs de Efraimieten terug moesten. En telkens als Efraimitische vluchtelingen vroegen om de rivier over te mogen, zeiden de mannen van Gilead: `Ben je Efraimiet?' Als hij dan antwoordde van neen,
Re. 12,6 zeiden ze: `Zeg eens, `sjibbolet'. Sprak hij het woord verkeerd uit en zei hij `sibbolet', dan grepen ze hem vast en doodden hem bij de oversteekplaatsen van de Jordaan. Zo vonden toen tweeŽnveertigduizend mannen van Efraim de dood.
Re. 12,7 Zes jaar was Jefta rechter over IsraŽl. Toen stierf Jefta, de Gileadiet, en hij werd begraven in Gilead, in zijn eigen stad.
Re. 12,8 Na hem werd Ibsan uit Betlechem rechter over IsraŽl.
Re. 12,9 Hij had dertig zonen; zijn dertig dochters huwelijkte hij buiten zijn familie uit en voor zijn dertig zonen nam hij dertig meisjes van buiten zijn familie. Zeven jaar was Ibsan rechter over IsraŽl.
Re. 12,10 Toen stierf hij en werd begraven in Betlechem.
Re. 12,11 Na hem werd de Zebuloniet Elon rechter over IsraŽl. Tien jaar was Elon de Zebuloniet rechter.
Re. 12,12 Toen stierf hij en werd begraven in Ajjalon, in Zebulon.
Re. 12,13 Na hem werd Abdon, de zoon van Hillel, uit Piraton rechter over IsraŽl.
Re. 12,14 Hij had veertig zonen en dertig kleinzonen, die zeven tig ezelshengsten bereden. Acht jaar was hij rechter over IsraŽl.
Re. 12,15 en Abdon, de zoon van Hillel, uit Piraton, stierf en werd begraven te Piraton, in het land Efraim, in het gebergte der Amalekieten.
 
Re. 13,1 De IsraŽlieten deden opnieuw wat Jahwe mishaagt. En Jahwe leverde hen veertig jaar achtereen over aan de Filistijnen.
Re. 13,2 Nu woonde er in Sora een Daniet die Manoach heette. Zijn vrouw was onvruchtbaar en had nooit kinderen gekregen.
Re. 13,3 De engel van Jahwe verscheen aan die vrouw en zei: `Gij zijt altijd onvruchtbaar geweest en hebt nooit een kind gekregen, maar nu zult gij zwanger worden en een zoon ter wereld brengen.
Re. 13,4 Zorgt dat gij geen wijn of sterke drank drinkt en niets eet dat onrein is.
Re. 13,5 Gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen. Over het hoofd van de jongen mag geen scheermes gaan, omdat hij vanaf de schoot van zijn moeder aan God is gewijd. De bevrijding van IsraŽl uit de macht van de Filistijnen zal met hem beginnen.'
Re. 13,6 De vrouw ging dit aan haar man vertellen en zei: `Er is een man Gods bij mij geweest; hij zag er buitengewoon indrukwekkend uit, als een engel van God. Ik heb hem niet durven vragen waar hij vandaan kwam, en hij heeft mij zijn naam niet genoemd.
Re. 13,7 Hij zei tegen mij: Gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen. Van nu af moogt gij geen wijn of sterke drank drinken en niets eten dat onrein maakt; want de jongen zal aan God gewijd zijn vanaf de schoot van zijn moeder tot aan zijn dood.'
Re. 13,8 Toen bad Manoach tot Jahwe en zei: `Heer, laat toch de man Gods die Gij hebt gezonden nog eens bij ons komen en ons zeggen wat wij moeten doen als de jongen eenmaal geboren is.'
Re. 13,9 En God verhoorde het gebed van Manoach, en de engel van God kwam opnieuw bij de vrouw. Zij was op het veld en haar man was niet bij haar.
Re. 13,10 Haastig liep zij naar haar man en zei: `De man die onlangs bij mij geweest is verschijnt mij nu opnieuw.'
Re. 13,11 Manoach ging met zijn vrouw mee en toen hij bij de man gekomen was vroeg hij: `Bent u degene die dat gesprek met deze vrouw heeft gehad?' Hij antwoordde: `Ja, dat ben ik.'
Re. 13,12 Toen zei Manoach: `Wanneer uw belofte vervuld wordt, welke regels moeten dan met die jongen gevolgd worden en welke gedragswijze?'
Re. 13,13 De engel van Jahwe antwoordde: `Uw vrouw moet zich onthouden van alles wat ik genoemd heb:
Re. 13,14 wat van de wijnstokken komt mag zij niet eten, geen wijn of sterke drank mag zij drinken en zij mag niets eten dat haar onrein maakt. Zij moet zich onthouden van alles wat ik haar verboden heb.'
Re. 13,15 Toen zei Manoach tot de engel van Jahwe: `Wij zouden graag zien dat u nog bleef; dan kunnen wij een geitebokje voor u klaar maken.'
Re. 13,16 De engel van Jahwe antwoord de: `Al zoudt u mij hier houden, van uw spijzen eten doe ik niet. Wilt u er een brandoffer van maken, draag het dan aan Jahwe op.' Manoach had geen vermoeden dat het de engel van Jahwe was.
Re. 13,17 Hij vroeg hem: `Hoe is uw naam? Dan kunnen wij u eren als uw belofte in vervulling gaat.'
Re. 13,18 Maar de engel van Jahwe antwoordde: `Wat vraagt u naar mijn naam? Die is te wonderbaarlijk.'
Re. 13,19 Toen droeg Manoach op een rotsblok het geitebokje met een meeloffer aan Jahwe op. En deze deed voor de ogen van Manoach en zijn vrouw iets wonderbaarlijks:
Re. 13,20 in de vlam die van het altaar oplaaide steeg de engel hemelwaarts. Manoach en zijn vrouw zagen het en wierpen zich plat ter aarde.
Re. 13,21 En de engel van Jahwe liet zich aan Manoach en zijn vrouw niet meer zien. Toen begreep Manoach dat het de engel van Jahwe geweest was.
Re. 13,22 Hij zei tot zijn vrouw: `Wij zullen sterven, want wij hebben God gezien.'
Re. 13,23 Maar de vrouw antwoordde: `Als Jahwe ons wilde doden, dan had Hij geen brand - of meeloffer van ons aangenomen: dan had Hij dit alles niet laten zien en ons nu niet deze beloften laten horen.'
Re. 13,24 De vrouw bracht een zoon ter wereld en noemde hem Simson. De jongen groeide op en Jahwe zegende hem.
Re. 13,25 Voor het eerst bewoog de geest van Jahwe hem in Machane-dan, tussen Sora en Estaol.
 
Re. 14,1 Eens ging Simson naar Timna en hij zag daar een Filistijns meisje.
Re. 14,2 Bij zijn thuiskomst vertelde hij aan zijn ouders: `Ik heb in Timna een Filistijns meisje gezien; neem haar voor mij als vrouw.'
Re. 14,3 Maar zijn vader en zijn moeder zeiden: `Is er dan bij de dochters van je verwanten, bij heel ons eigen volk geen vrouw te vinden, dat je er een zoekt bij de Filistijnen, die onbesnedenen?' Simson antwoordde zijn vader: `Toch wil ik dat u haar neemt; zij bevalt me.'
Re. 14,4 Zijn vader en moeder wisten niet dat Jahwe er de hand in had en dat Hij een gelegenheid zocht om iets tegen de Filistijnen te doen. In die tijd heersten de Filistijnen over IsraŽl.
Re. 14,5 Zo ging Simson met zijn ouders naar Timna. Toen hij bij de wijngaarden van Timna was, kwam er een jonge leeuw brullend op hem af.
Re. 14,6 De geest van Jahwe greep Simson aan en met zijn blote handen verscheurde hij de leeuw, alsof het een geitebokje was. Aan zijn vader en moeder vertelde hij niet wat hij gedaan had.
Re. 14,7 Simson ging verder, sprak met de vrouw, en zij beviel hem.
Re. 14,8 Enige tijd later keerde hij terug om de vrouw te gaan trouwen. Toen hij even van de weg afging om naar de dode leeuw te kijken, vond hij in het kadaver van de leeuw een bijenzwerm en ook honing.
Re. 14,9 Hij liet de honing in zijn handen lopen en zijn weg vervolgend at hij ervan. Toen hij bij zijn ouders kwam, gaf hij hun ook wat honing, zonder te vertellen dat die uit het kadaver van de leeuw gekomen was.
Re. 14,10 Zijn vader ging naar de vrouw, en Simson gaf daar een feest, zoals jonge mannen doen.
Re. 14,11 Toen er na de kennismaking dertig metgezellen waren aangewezen om hem te begeleiden,
Re. 14,12 zei Simson tot hen: `Ik zal u eens een raadsel opgeven. Als u mij binnen de zeven dagen van het feest de oplossing kunt vertellen, krijgt u van mij dertig stel onder - en dertig stel bovenkleren.
Re. 14,13 Kunt u mij de oplossing niet geven, dan krijg ik van u dertig stel onder - en dertig stel bovenkleren.' Zij antwoordden hem: `Laat uw raadsel maar eens horen.'
Re. 14,14 Toen zei Simson: `Uit de verslinder komt voedsel en uit de sterke komt zoetheid. Na drie dagen hadden zij het raadsel nog niet kunnen oplossen.
Re. 14,15 De zevende dag zeiden ze tot de vrouw van Simson: `Jij moet je man zo ver brengen dat hij ons de oplossing van het raadsel vertelt' anders verbranden wij jou en je hele familie. Of heb je ons soms uitgenodigd om ons arm te maken?'
Re. 14,16 Toen kwam de vrouw schreiend bij Simson en zei: `Eigen lijk heb je een hekel aan mij; je houdt niet van me. Je hebt mijn landgenoten een raadsel opgegeven en mij de oplossing niet verteld.' Hij antwoordde haar: `Die heb ik niet eens aan mijn vader en moeder verteld!' Waarom dan aan jou?'
Re. 14,17 Maar zij bleef tot de zeven dagen van het feest onder tranen bij hem aandringen. En omdat ze zo bleef aanhouden vertel de hij haar op de zevende dag de oplossing. Zij bracht die aan haar landgenoten over,
Re. 14,18 en op die zevende dag, nog voor de zon was ondergegaan, zeiden de mannen van Timna tot Simson: `Wat is zoeter dan honing en wat is sterker dan een leeuw?' Hij antwoordde: `Als jullie niet met mijn vaars geploegd hadden, hadden jullie mijn raadsel nooit opgelost.'
Re. 14,19 Toen greep de geest van Jahwe hem aan: hij ging naar Askelon, sloeg dertig mannen dood, nam hun kleren en gaf die aan degenen die hem de oplossing van het raadsel gegeven hadden. En woedend ging hij terug naar het huis van zijn vader.
Re. 14,20 Simsons vrouw werd gegeven aan een van de metgezellen die hem begeleid hadden.
 
Re. 15,1 Enige tijd daarna, tijdens de tarweoogst, ging Simson zijn vrouw bezoeken; hij had een geitebokje voor haar meegebracht. Toen hij zei: `Laat mij in de kamer van mijn vrouw,' liet haar vader hem niet binnen;
Re. 15,2 hij zei: `Ik was overtuigd dat je een hekel aan haar gekregen had en toen heb ik haar aan een van je metgezellen gegeven. Maar haar jongere zuster is nog mooier dan zij. Laat die in haar plaats je vrouw worden!'
Re. 15,3 Simson zei daarop tot de Filistijnen: `Nu ga ik vrijuit, als ik jullie kwaad doe.'
Re. 15,4 Hij ging weg, ving driehonderd vossen, bond die twee aan twee met de staarten aan elkaar en stak toortsen in de staarten.
Re. 15,5 Toen maakte hij de toortsen aan en liet de vossen los op de rijpe korenvelden van de Filistijnen; zo stak hij de schoven en het ongemaaide koren in brand, en zelfs wijngaarden en olijf tuinen.
Re. 15,6 De Filistijnen vroegen: `Wie zou dat gedaan hebben?' `Simson,' zei men, `de schoonzoon van die man uit Timna; die heeft hem zijn vrouw afgenomen en haar aan een van zijn bruidsjonkers gegeven.' De Filistijnen gingen er op af en verbrandden de vrouw en haar vader.
Re. 15,7 Toen zei Simson: `Als jullie zo optreden, dan rust ik niet voor ik mij heb gewroken.'
Re. 15,8 Hij sloeg er ongenadig op los, en richtte een grote slachting aan. Toen ging hij heen en vond een onderkomen in een rotskloof bij Etam.
Re. 15,9 De Filistijnen rukten uit, sloegen hun kamp op in Juda en drongen door tot in Lechi.
Re. 15,10 De JudeeŽrs vroegen hen: `Waarom bent u tegen ons uitgerukt?' Zij antwoordden: `Om Simson in boeien te slaan en hem betaald te zetten wat hij ons heeft aangedaan.'
Re. 15,11 Daarop trokken de drieduizend JudeeŽrs naar de rots kloof bij Etam en zeiden tot Simson: `U weet toch dat de Filistijnen hier de macht in handen hebben. Hoe hebt u dit kunnen doen?' Hij antwoordde: `Ik heb hun alleen betaald gezet wat zij mij gedaan hebben.'
Re. 15,12 Toen ze zeiden: `Wij zijn hier gekomen om u in boeien te slaan en aan de Filistijnen uit te leveren,' antwoordde Simson: `Zweer dan dat jullie mij niet zelf zult doden.'
Re. 15,13 Zij antwoordden: `Welnee, wij zullen u alleen maar in boeien slaan en uitleveren aan de Filistijnen. Wij zullen u niet doden.' Toen boeiden ze hem met twee nieuwe touwen en voerden hem weg uit de rotskloof.
Re. 15,14 Toen hij in Lechi aankwam en de Filistijnen luid schreeuwend op hem toeliepen, greep de geest van Jahwe hem aan: opeens werden de touwen om zijn armen als vlasdraad dat door het vuur wordt verteerd, en de boeien smolten van zijn handen.
Re. 15,15 Toevallig lag daar een nog verse kinnebak van een ezel; hij pakte die en sloeg er duizend man mee dood.
Re. 15,16 Toen zei Simson: `Met een kinnebak van een ezel, zo maar een ezel, met een ezelskinnebak sloeg ik duizend man dood.'
Re. 15,17 Toen hij dat gezegd had, wierp hij de kinnebak weg, en hij noemde die plaats Ramat-lechi.
Re. 15,18 Simson had hevige dorst gekregen; hij riep tot Jahwe: `Gij hebt uw dienaar deze grote overwinning laten behalen. Moet ik nu van dorst omkomen en in de handen vallen van die onbesnedenen?'
Re. 15,19 Toen deed God de rots bij Lechi splijten en er kwam water uit. Nadat Simson gedronken had, keerden zijn krachten terug en leefde hij weer op. Daarom heet die bron bij Lechi `Bron van de roeper' tot op de huidige dag.
Re. 15,20 Simson was twintig jaar rechter over IsraŽl, in de tijd van de Filistijnen.
 
Re. 16,1 Op zekere dag ging Simson naar Gaza; daar zag hij een hoer en ging bij haar binnen.
Re. 16,2 Toen het de inwoners van Gaza ter ore kwam dat Simson in de stad was, zetten zij overal posten uit en bleven de hele nacht bij de stadspoort op hem loeren. Zolang het nacht was, deden zij verder niets; zij dachten: `Als het morgenlicht komt vermoorden wij hem.'
Re. 16,3 Tot middernacht bleef Simson slapen, maar toen stond hij op, pakte de beide deuren van de stadspoort vast, met de twee deurposten, rukte ze los, met grendel en al, en droeg ze op zijn schouders naar de top van de berg tegenover Hebron.
Re. 16,4 Enige tijd later werd hij verliefd op een vrouw uit het Sorekdal die Delila heette.
Re. 16,5 De vorsten van de Filistijnen gingen naar die vrouw toe en zeiden: `Probeert u er eens achter te komen wat het geheim is van zijn grote kracht, en hoe wij hem kunnen overmeesteren om hem in de boeien te slaan en machteloos te maken; dan krijgt u elfhonderd sikkel zilver van ieder van ons.'
Re. 16,6 Delila zei dus tegen Simson: `Toe, vertel me toch wat het geheim is van je grote kracht. Waarmee zou men je moeten boeien om je machteloos te maken?'
Re. 16,7 Simson antwoordde: `Als men mij bindt met zeven verse pezen die nog niet zijn gedroogd, dan ben ik even zwak al ieder ander.'
Re. 16,8 De vorsten van de Filistijnen bezorgden haar zeven verse pezen die nog niet gedroogd waren. Daarmee bond zij hem vast,
Re. 16,9 terwijl enkele mannen zich in het vertrek verborgen hielden. Toen riep zij tot Simson: `Daar zijn de Filistijnen!' Maar hij rukte de touwen stuk; ze knapten af als een vlasstreng die vuur ruikt. En het geheim van zijn kracht bleef verborgen.
Re. 16,10 Toen zei Delila tot Simson: `Je hebt me voor de gek gehouden. Je hebt me belogen! Zeg me nu toch waarmee je geboeid zou moeten worden.'
Re. 16,11 Hij antwoordde: `Als men mij stevig bindt met nieuwe koorden, die nog niet zijn gebruikt, dan ben ik even zwak als ieder ander.'
Re. 16,12 Delila nam dus nieuwe koorden en bond hem daarmee, terwijl enkele mannen zich in het vertrek verborgen hielden. Toen riep zij: Simson! Daar zijn de Filistijnen!' Maar hij rukte de koorden van zijn armen, alsof het draadjes waren.
Re. 16,13 Toen zei Delila tot Simson: `Je hebt me weer voor de gek gehouden! Je hebt me weer belogen! Zeg toch waarmee je geboeid zou moeten worden.' Hij antwoordde: `Je moet de zeven vlechten van het weefgetouw halen.'
Re. 16,14 Zij zette dus zijn vlechten vast aan een pin van de weefstoel en riep: `Simson! De Filistijnen!' Hij werd wakker en rukte de pin los, met schering en al.
Re. 16,15 Toen zei Delila: `Je zegt wel dat je van mij houdt, maar in je hart geef je niets om mij. Dit is nu al de derde keer dat je me voor de gek houdt en me niet vertelt wat het geheim van je grote kracht is.'
Re. 16,16 Toen zij hem bleef lastig vallen en dag in dag uit maar aanhield, kon hij het niet meer harden
Re. 16,17 en vertelde hij haar eerlijk: `Mijn hoofdhaar is nog nooit afgeschoren, omdat ik aan God gewijd ben, van de moeder schoot af. Als mijn haren worden afgeschoren verlies ik mijn kracht en ben ik even zwak als ieder ander. `
Re. 16,18 Delila begreep dat hij het haar eerlijk verteld had. Zij liet de vorsten van de Filistijnen roepen en zei hun: `Nu moet u komen, want nu heeft hij het eerlijk verteld.' Zij kwamen naar haar toe en hadden het geld bij zich.
Re. 16,19 Nadat zij Simson op haar knieŽn had laten inslapen, riep zij iemand binnen om de zeven vlechten van zijn hoofdhaar af te scheren. Zo slaagde zij er in, hem machteloos te maken en was hij zijn kracht kwijt.
Re. 16,20 Zij riep: `Simson! Daar zijn de Filistijnen!' Hij werd wakker en dacht: `Ik kom er wel uit, net als de vorige keren; ik schud ze wel van mij af.' Hij wist niet dat Jahwe van hem geweken was.
Re. 16,21 De Filistijnen grepen hem, staken hem de ogen uit, brachten hem naar Gaza en legden hem met twee bronzen kettingen vast. In de gevangenis moest hij de molen draaien.
Re. 16,22 Zijn hoofdhaar begon weer te groeien, zodra het was afgeschoren.
Re. 16,23 De vorsten van de Filistijnen kwamen bijeen om een plechtig offer te brengen aan hun god Dagon en om feest te vieren; ze zeiden: `Onze god heeft Simson, onze vijand, aan ons overgeleverd!'
Re. 16,24 De mensen gingen naar Simson kijken; zij loofden hun god en zeiden: `De grote vijand die ons land verwoestte en velen van ons gedood heeft, is door onze god aan ons overgeleverd.'
Re. 16,25 Toen zij in vrolijke stemming waren gekomen zeiden ze: `Ga Simson halen om voor ons op te treden.' Zij haalden Simson uit de gevangenis en hij trad voor hen op. Toen zij hem daarna tussen de zuilen zetten,
Re. 16,26 zei hij tegen de knecht die hem bij de hand hield: `Laat mij los; ik houd mij wel vast aan de zuilen waarop de tempel rust.'
Re. 16,27 De tempel was vol mannen en vrouwen, en ook alle vorsten van de Filistijnen waren er; en op het dak bevonden zich ongeveer drieduizend mannen en vrouwen die naar het optreden van Simson keken.
Re. 16,28 Toen riep Simson Jahwe aan: `Jahwe, mijn Heer, gedenk mij! O God, geef mij nog een keer mijn kracht terug en laat mij met een slag mij beide ogen op de Filistijnen wreken.'
Re. 16,29 Daarop tastte Simson naar de twee middelste zuilen waar de tempel op rustte en steunde met zijn rechterhand tegen de ene zuil en met zijn linkerhand tegen de andere.
Re. 16,30 Terwijl hij dacht: `Laat mij maar met de Filistijnen sterven,' duwde hij uit alle macht, en de tempel stortte in, op de vorsten en op al het volk dat zich daar bevond. Zo deed hij bij zijn dood meer mensen sterven dan tijdens heel zijn leven.
Re. 16,31 Zijn verwanten, zijn hele familie, kwamen het lijk halen en begroeven het in het graf van zijn vader Manoach tussen Sora en Estaol. Twintig jaar was Simson rechter geweest over IsraŽl.
 
Re. 17,1 Er was eens een man uit het gebergte van Efraim die Michajehu heette.
Re. 17,2 Deze man zei tot zijn moeder: `Die elfhonderd sikkel zilver die bij u gestolen zijn en waarover u een vloek hebt uitgesproken, die ik ook heb gehoord, dat geld heb ik; ik heb ze gestolen.' Toen zei zijn moeder: `Gezegend zij mijn zoon door Jahwe!'
Re. 17,3 Hij gaf daarop de elfhonderd sikkel aan zijn moeder terug. Deze zei: `Ik wijd dit zilver aan Jahwe en geef het aan mijn zoon om er een metalen beeld van te maken. Ik stel het je dus weer ter hand.'
Re. 17,4 Toen hij echter het geld aan zijn moeder teruggaf, nam zij tweehonderd sikkel en gaf die aan een zilversmid. Die maakte er een metalen beeld van, en dat werd opgesteld in het huis van Michajehu.
Re. 17,5 Deze Micha had een godshuis en maakte daarvoor een efod en huisgoden; een van zijn zoons wijdde hij tot priester.
Re. 17,6 In die tijd was er nog geen koning in IsraŽl; iedereen deed wat hem goeddunkte.
Re. 17,7 Nu was er een jongeman uit Betlehem in Juda, uit een Judeese familie stammend; hij was een leviet en woonde daar als vreemdeling.
Re. 17,8 Op zekere dag ging hij weg om elders een verblijf te zoeken. Op zijn tocht kwam hij bij het huis van Micha in het bergland van Efraim.
Re. 17,9 Micha vroeg hem: `Waar komt u vandaan?' Hij antwoordde: `Ik ben een leviet uit Betlehem in Juda en ik ben op zoek naar een andere verblijfplaats.'
Re. 17,10 Toen zei Micha: `Kom dan bij mij wonen; u kunt een vader en een priester voor mij zijn. Ik geef u tien sikkel per jaar, met kleding en voeding.'
Re. 17,11 Zo besloot die leviet zijn intrek bij die man te nemen, die de jongeman als zijn eigen zoon behandelde.
Re. 17,12 Micha stelde de leviet aan, en de jongeman trad op als zijn priester en woonde bij hem in huis.
Re. 17,13 Toen zei Micha: `Nu ben ik er zeker van, dat Jahwe goed voor mij zal zijn, want ik heb een leviet als priester.'
 
Re. 18,1 In die tijd, toen er nog geen koning was in IsraŽl, was de stam Dan op zoek naar een eigen gebied om zich daar te vestigen; zij hadden nog steeds geen grondgebied gekregen zoals de andere stammen van IsraŽl.
Re. 18,2 Daarom stuurden de Danieten vijf van hun stamgenoten uit, dappere mannen uit Sora en Estaol, om het land grondig te verkennen, kwamen zij in het bergland van Efraim bij het huis van Micha en brachten daar de nacht door.
Re. 18,3 Terwijl ze zich bij het huis van Micha ophielden, herkenden ze de stem van de jonge leviet. Ze gingen naar hem toe en vroegen: `Wie heeft u hierheen gehaald? Wat doet u hier? Wat zoekt u hier?'
Re. 18,4 Hij vertelde alles wat Micha voor hem gedaan had en besloot: `Hij heeft mij in dienst genomen en ik ben zijn priester.'
Re. 18,5 Toen zeiden ze tot hem: `Wilt u dan God voor ons raad plegen? Wij zouden graag weten of de tocht die wij nu ondernemen zal slagen.'
Re. 18,6 De priester antwoordde: `Gaat u gerust verder: uw tocht staat onder de bescherming van Jahwe.'
Re. 18,7 To