Eerste boek

Richtlijnen voor het innerlijk leven

Hoofdstuk 2
Nederig denken over zichzelf

  1. Ieder mens wil van nature weten, maar waartoe dient de wetenschap zonder vrees voor God?

  2. Een eenvoudig man van het platteland die God dient staat heel zeker boven de trotse filosoof die zijn heil verwaarloost en de loop van de sterren nagaat.

  3. Wie zichzelf goed leert kennen slaat zichzelf niet hoog meer aan en vindt er geen smaak in als mensen hem prijzen.

  4. Als ik alles zou kennen wat er op de wereld is, maar niet leefde in de liefde, wat zou het mij helpen bij God, die mij zal oordelen naar mijn daden?

  5. Zie af van ongeremde zucht naar kennis, want daarin ligt veel verstrooiing en bedrog.

  6. Wie veel weet wil graag de aandacht trekken en voor geleerd doorgaan.

  7. Er zijn veel dingen waarvan de kennis weinig of geen nut heeft.

  8. En zeer onverstandig is hij die op iets anders uit is dan op hetgeen kan bijdragen tot zijn eeuwig geluk.

  9. De ziel wordt niet verzadigd door overvloed van woorden. Maar een onberispelijk leven maakt uw geest helder en een zuiver geweten geeft groot vertrouwen op God.

  10. Hoe meer en beter gij onderlegd zijt des te strenger zult ge worden geoordeeld, behalve als ge ook heiliger hebt geleefd.

  11. Ga nooit trots op groot talent of wetenschap, maar wees liever een weinig bevreesd om de kennis die u werd verleend.

  12. Vindt ge dat ge veel weet en een vrij goed inzicht hebt, bedenk dan dat er veel meer dingen zijn waar gij geen verstand van hebt.

  13. Heb geen hoge dunk van uzelf (Rom. 11, 20; 12, 16), maar beken liever uw onwetendheid.

  14. Waarom slaat gij uzelf hoger aan dan die ander, terwijl toch velen geleerder zijn dan gij en meer ervaren in de wet?

  15. Als gij iets wilt weten en leren dat nuttig is: wees dan graag onbekend en voor niets geteld.

  16. Dit is de allerhoogste en de meest ingrijpende wetenschap: ware zelfkennis en zelfverachting.

  17. Zichzelf voor niets tellen en over anderen altijd goed en edel denken: dat is grote wijsheid en volmaaktheid.

  18. Als gij duidelijk zoudt zien dat een ander zich zondig gedraagt of zwaar misdoet, dan moet ge uzelf daarom toch niet voor beter houden: gij weet immers niet hoelang gij in het goede zult volharden.

  19. Wij zijn allen zwakke mensen, maar gij moet niemand voor zwakker houden dan uzelf.

 

Hit Counter sinds 25-08-2002