Tweede boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 2
De nederige onderwerping

  1. Hecht er niet veel waarde aan wie voor of tegen u is; maar zorg goed hiervoor: dat God met u blijft bij alles wat gij doet.

  2. Heb een goed geweten, dan zal God u wel verdedigen.

  3. Want als God iemand wil helpen kan geen enkele boosheid hem deren.

  4. Weet gij te zwijgen en te ondergaan, dan zult gij zonder twijfel ervaren dat de Heer u helpt.

  5. Hij kent de tijd en de wijze om u weer vrij te maken en daarom moet gij u op Hem verlaten.

  6. God is het die u kan helpen en aan alle beschaming weer onttrekken.

  7. Maar dikwijls is het zeer goed om de nederigheid beter te verzekeren, dat anderen onze gebreken kennen en er ons een verwijt van maken.

  8. Wanneer iemand zich om zijn gebreken vernedert, neemt hij gemakkelijk anderen voor zich in en geeft hij allicht voldoening aan wie op hem verbitterd waren.

  9. God beschermt en bevrijdt wie nederig is; Hij heeft de nederige lief en vertroost hem; Hij buigt zich tot de nederige neer, Hij geeft de nederige grote genade en na de verdrukking verheft Hij hem tot hoge eer.

  10. Aan de nederige openbaart Hij zijn geheimen, Hij trekt hem op zachte wijze tot zich, Hij nodigt hem uit.

  11. Na het aanvaarden van zijn beschaming blijft de nederige volmaakt in vrede, omdat hij zijn steun vindt in God en niet in de wereld.

  12. Heb niet de mening dat gij ook maar enige vordering hebt gemaakt, behalve wanneer gij u als de minste van allen beschouwt.