Tweede boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 6
De blijdschap van het goed geweten

  1. De blijdschap van een goed mens is het getuigenis van zijn goed geweten.

  2. Zorg altijd voor een goed geweten en gij zult altijd blij zijn.

  3. Een goed geweten kan veel verdragen en nog heel blij zijn temidden van allerlei narigheid.

  4. Een slecht geweten is altijd angstig en onrustig.

  5. Gij zult heerlijk rusten als uw hart u niets te verwijten heeft (1 Joh. 3 : 21).

  6. Wees alleen blij als gij goed gehandeld hebt.

  7. Zij die verkeerd willen hebben nooit ware blijdschap, kennen ook geen innerlijke vrede want er is geen vrede voor de goddelozen, zegt de Heer (Jes. 48 : 22; 57 : 21).

  8. En al zeggen zij: 'Wij leven in vrede, ons kan niets gebeuren (Mich. 3 :11), wie zal ons iets durven doen?' geloof hen niet. Want plotseling zal de toorn van God tegen hen opstaan en tot niets zullen hun ondernemingen vervallen en hun plannen te gronde gaan (Ps. 146 : 4).

  9. Juichen in kwelling valt iemand die bemint niet zwaar; want door dit te doen juicht hij om het kruis des Heren (Gal. 6 : 14).

  10. De blijheid is kort van duur als deze door mensen wordt veroorzaakt en verkregen.

  11. De blijdschap van de wereld wordt altijd gevolgd door droefheid.

  12. Voor de goeden ligt de blijdschap in hun geweten en niet in de eer bij de mensen.

  13. De blijdschap van de rechtvaardigen komt van God en ligt in God en zij verheugen zich over de waarheid (1 Kor. 13).

  14. Wie de ware en eeuwige vreugde verlangt, geeft niets om het tijdelijke.

  15. En wie nog tijdelijke blijheid naloopt of die niet van harte minacht, stelt blijkbaar de hemelse vreugde niet op prijs.

  16. Een grote innerlijke rust bezit hij die zich over geen roem of kritiek bekommert.

  17. Als men een zuiver geweten heeft is vrede en rust niet ver verwijderd.

  18. Gij zijt niet heiliger omdat gij geprezen wordt en niet slechter omdat men afkeurend over u spreekt.

  19. Wat gij zijt dat zijt ge, en wat men van u zegt maakt u niet groter dan gij zijt voor het oog van God.

  20. Als gij aandacht hebt voor wat gij innerlijk zijt, zal het oordeel van de mensen u niet verontrusten.

  21. De mens ziet het zichtbare, maar God ziet het hart.

  22. De mens beoordeelt daden, maar bij God wegen de bedoelingen.

  23. Altijd goed handelen en gering over zichzelf denken, dat is het kenmerk van een nederig gemoed.

  24. Geen troost bij enig schepsel zoeken wijst op grote zuiverheid en innerlijk vertrouwen.

  25. Wie geen waardering voor zichzelf van de buitenwereld vraagt, laat blijken dat hij zich totaal aan God heeft toevertrouwd.

  26. Want niet hij die zichzelf prijst heeft de proef doorstaan, zegt de heilige Paulus (2 Kor. 10 : 18), maar hij die geprezen wordt door de Heer.

  27. Inwendig bij God vertoeven en door geen enkele genegenheid van buiten gebonden worden, dat is de gesteltenis van wie een innerlijk leven leidt.