Tweede boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 10
Dankbaar zijn voor de genade van God

  1. Waarom zoekt gij rust? Gij zijt toch voor de arbeid geboren?

  2. Stel u meer in op geduld dan op troost, en op het dragen van het kruis meer dan op de blijdschap.

  3. Wie van de mensen in de wereld zou niet graag troost en innerlijke vreugd genieten als hij die altijd hebben kon?

  4. Geestelijke vertroostingen overtreffen immers alle genietingen en voldoeningen van het lichaam.

  5. Alle genoegens van de wereld zijn vluchtig of oneervol. Alleen de geestelijke vreugden zijn aangenaam en verheffend: zij komen voort uit deugd en worden gegeven aan reinen van hart.

  6. Maar deze goddelijke troost kan men niet altijd proeven naar eigen welgevallen, want de tijd van de bekoring blijft niet lang weg.

  7. De gewaande geestesvrijheid en een te groot zelfvertrouwen zijn een ernstige belemmering voor die hemelse ontmoeting.

  8. God is zeer goed omdat Hij ons de gunst van de vertroosting schenkt; maar de mens is niet goed als hij niet alles onder dankbetuiging teruggeeft.

  9. Drom vinden de genadegaven bij ons geen toegang, omdat wij de Gever niet dankbaar zijn en niet alles tot de eerste bron herleiden.

  10. Want altijd mag hij die dankbaar weet te zijn genade terugverwachten, en wordt een zelfgenoegzaam mens ontnomen wat een nederige gewoonlijk gegeven wordt.

  11. Ik wil geen troost die mijn berouw verdrijft; en ik zoek geen contemplatie die leidt tot eigenwaan.

  12. Want niet al wat hoog is, is daarom heilig en al wat zoet is, daarom niet goed. Ook is niet iedere begeerte zuiver en wat ons lief is daarom nog niet God welgevallig.

  13. Ik neem graag de genade in ontvangst die mij altijd tot meer nederigheid en eerbied brengt en mij in staat stelt, meer los te laten.

  14. Wie onderricht is door begenadiging, en wijs geworden door de pijn van haar gemis, zal zichzelf niets goeds durven toe te schrijven, maar eerder bekennen dat hij maar arm en naakt is.

  15. Geef God wat God toekomt en schrijf u toe wat van uzelf is, dat wil zeggen: breng God dank voor zijn genade maar wijt alleen uzelf de schuld, en besef dat gij voor die schuld ook straf moet ondergaan.

  16. Acht uzelf altijd het laagst en men zal u het hoogste geven: want zonder het laagste houdt het hoogste nergens stand.

  17. De grootste heiligen in Gods oog zijn zij die het allergeringst zijn volgens hun eigen oordeel; en hoe roemrijker, des te nederiger in eigen hart.

  18. Vol waarheid en hemelse rijkdom, begeren zij geen eer die weinig te betekenen heeft.

  19. Hun steun en bevestiging is in God; daarom kunnen zij op geen enkele wijze nog hoogmoedig zijn.

  20. En wie alles wat zij aan goeds ontvangen hebben God toeschrijven, zoeken geen eer van elkaar te ontvangen, maar willen slechts de eer die God hun geeft. Zij willen boven alles dat God om zichzelf en in al zijn heiligen geprezen wordt, en dus hebben zij dr altijd aandacht voor.

  21. Wees daarom dankbaar voor het allerminste en gij zult waardig geacht worden ook hogere dingen te ontvangen.

  22. Het kleinste moet voor u zijn als het grootste en het meest onbeduidende als een bijzonder waardevol geschenk.

  23. Wie op de waardigheid van de gever let, zal geen gift gering of geheel waardeloos achten. Het is namelijk nooit klein wat door de Allerhoogste wordt gegeven.

  24. En zelfs als Hij straffen of rampen zendt moet u dat welkom zijn; want Hij doet alles voor ons welzijn, wt Hij ons ook laat overkomen.

  25. Wie Gods genade wenst vast te houden behoort dankbaar te zijn voor de genade die wordt gegeven en geduldig als ze wordt ontnomen. Laat hij dan bidden dat zij terugkeert; nederig en voorzichtig moet hij zijn om ze niet te verliezen.