Tweede boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 11
Er zijn weinig minnaars van Jezus' kruis

  1. Jezus heeft tegenwoordig wel veel vrienden van zijn hemels rijk, maar weinig dragers van zijn kruis.

  2. Hij heeft er veel die zijn vertroosting maar weinigen die kwellingen verlangen.

  3. Hij vindt veel vrienden voor zijn tafel maar weinig voor zijn vasten.

  4. Allen willen met Hem de blijdschap delen, weinigen voor Hem iets ondergaan.

  5. Velen volgen Jezus tot aan het breken van het brood, maar weinigen tot aan het drinken van de lijdenskelk.

  6. Velen vereren zijn wonderen, weinigen volgen de schande van het kruis.

  7. Velen hebben Jezus lief zolang hun geen ellende overkomt.

  8. Velen loven en prijzen Hem zolang zij wat vertroosting bij Hem vinden.

  9. Maar als Hij zich verbergt en hen maar even alleen laat, beginnen zij te klagen en worden diep neerslachtig.

  10. Maar wie Jezus om Jezus volgen en Hem niet beminnen om hun eigen innerlijke vertroosting, die zegenen Hem in alle kwelling en benauwenis van hart, evengoed als in de zoetste troost.

  11. En als Hij hun nooit troost zou willen geven, zouden zij Hem toch altijd willen loven en altijd dank betuigen.

  12. Wat is de zuivere liefde voor Jezus tot veel in staat, als deze met volstrekt geen eigenbelang of eigenliefde is vermengd.

  13. Moeten we niet zeggen dat allen die steeds weer zoetheid zoeken in loondienst zijn?

  14. Bewijzen zij niet dat zij meer zichzelf liefhebben dan Jezus Christus, als zij onophoudelijk denken aan eigen voldoening en eigen winst?

  15. Waar vind ik iemand die God zonder beloning dienen wil?

  16. Maar zelden komt men iemand tegen die zo geestelijk leeft dat hij van dat alles is bevrijd.

  17. Want de ware arme van geest, onthecht aan al wat is geschapen, wie zal hem vinden? 'Zijn waarde is groter dan die van juwelen' (Spr. 31, 13).

  18. Al geeft een mens daarvoor heel zijn vermogen, dan is dat nog niets.

  19. En al doet hij grote boete, dan is dat maar gering.

  20. En al zou hij zich alle wetenschap eigen maken, dan is hij er nog lang niet.

  21. En al bezit hij hoge deugd en een heel vurige Godsvrucht, dan ontbreekt hem veel: dit ene namelijk dat het allermeest noodzakelijk is.

  22. Wat dat is? Dat hij na alles verlaten te hebben ook nog helemaal buiten zichzelf treedt en niets van de eigenliefde overhoudt.

  23. En als hij dan alles heeft gedaan wat hij als volstrekt nodig ziet, dan mag hij denken dat hij niets heeft uitgevoerd.

  24. En hij moet niet menen dat het groot is wat men op zich wel voornaam zou kunnen achten; maar zich wel in alle oprechtheid de onnutte dienstknecht noemen, zoals de Waarheid zegt: 'als gij alles hebt gedaan wat u is opgedragen, zeg dan: wij zijn maar waardeloze slaven' (Lc. 17, 10).

  25. Dan zal hij werkelijk arm en naakt van geest kunnen zijn en met de profeet zeggen: 'Ik ben eenzaam en ik heb niets' (Ps. 25, 16).

  26. Toch bezit niemand meer rijkdom, meer macht, meer vrijheid dan hij die alles weet te verlaten en zich stelt op de allerlaatste plaats.