Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 4

Dat men in waarheid nederig voor God moet leven

  1. Mijn zoon, leef in mijn tegenwoordigheid volgens de waarheid en zoek Mij altijd in de eenvoud van uw hart.

  2. Wie voor mijn ogen volgens de waarheid leeft zal beveiligd worden tegen het kwaad dat op hem afkomt; de waarheid zal hem bevrijden van verleiders en de lasterpraat van slechte mensen (Joh. 8 : 32).

  3. Als de waarheid u heeft bevrijd, zult gij voorgoed vrij zijn en u niets meer aantrekken van onzinnig gepraat.

  4. Heer, zo is het: laat met mij gebeuren zoals Gij zegt.

  5. Uw waarheid moet mij onderwijzen, laat die mij onderrichten en tot aan het zalig eind beschermen.

  6. Laat ze mij bevrijden van alle verkeerde genegenheid en ongeordende liefde; dan zal .ik met U samen leven in grote vrijheid van hart.

  7. Ik zal u aanwijzen, zegt de Waarheid, wat juist is en Mij behaagt.

  8. Overdenk uw zonden met diep berouw en verdriet en verbeeld u nooit, iets te betekenen op grond van het goede dat gij hebt gedaan.

  9. Want in werkelijkheid zijt gij een zondig mens, onderhevig aan veel hartstochten en daarin gevangen.

  10. Uit uzelf komt gij tot niets, al gauw glijdt gij uit, al even gauw wordt gij overwonnen, in de war gebracht en zijt gij nergens meer.

  11. Gij hebt niets om op te roemen, maar veel om heel nederig over uzelf te denken; gij zijt nog veel minder waard dan gij u kunt voorstellen.

  12. Niets van alles wat gij doet moogt ge geweldig vinden.

  13. Acht niets gewichtig, kostbaar of indrukwekkend; niets waard om op te roemen. Er is niets verhevens, werkelijk prijzenswaardig of verrukkelijk dan wat eeuwig is.

  14. Boven alles moet de eeuwige Waarheid u behagen en uw eigen uiterste geringheid u altijd mishagen.

  15. Vrees, veracht en vlucht niets zozeer als uw zonden en gebreken: ze moeten u meer tegenstaan dan het verlies van wat dan ook.

  16. Sommigen zijn tegenover Mij niet eerlijk, maar door een soort nieuwsgierigheid en aanmatiging gedreven, willen zij mijn geheimen kennen en de diepten Gods doorgronden, met verwaarlozing van zichzelf en hun eigen heil.

  17. Zij komen herhaaldelijk tot grote bekoringen en zonden wegens hun trots en nieuwsgierigheid, want Ik ben tegen hen.

  18. Vrees de oordelen van God en huiver voor de toorn van de Almachtige.

  19. Gij moet de werken van de allerhoogste niet aan uw oordeel onderwerpen, maar stel een onderzoek in naar uw eigen ongerechtigheden, in hoeveel dingen gij zijt tekort geschoten en hoeveel goeds gij hebt verzuimd.

  20. Sommigen beleven hun godsvrucht alleen in boeken, anderen in afbeeldingen, weer anderen in devotievoorwerpen en beelden.

  21. Sommigen spreken wel over Mij, maar Ik ben nauwelijks in hun hart.

  22. Er zijn anderen die, verlicht in hun verstand en gezuiverd in hun genegenheden, altijd verlangen naar wat eeuwig is; zij hebben moeite met het luisteren naar gesprekken over het aardse, zij voldoen met een zekere tegenzin aan wat de natuur eist en dezen zijn het die begrijpen wat de Geest van de Waarheid in hen spreekt.

  23. Want Hij leert ons neer te zien op de dingen van deze wereld en het bovenaardse lief te hebben, het voorbijgaande niet te tellen en dag en nacht naar de hemel te verlangen.