Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 5

Wonderlijke werking van de liefde Gods

  1. Ik loof en verheerlijk U, hemelse Vader, Vader van Jezus Christus mijn Heer, omdat Gij het belangrijk genoeg vindt aan mij arme te denken.

  2. O Vader van barmhartigheid en God van alle vertroosting (2 Kor. 1 : 3), ik dank U dat Gij mij die geen vorm van troost waardig ben, soms toch met uw troost verkwikt.

  3. Ik zegen U altijd en prijs U met uw eniggeboren Zoon en de heilige Geest de Vertrooster tot in alle eeuwigheid.

  4. Ja zeker, Heer, mijn God, mijn heilige minnaar, als Gij in mijn hart komt dan zal heel mijn binnenste jubelen.

  5. Gij zijt mijn roem en de blijdschap van mijn hart; Gij zijt mijn hoop op de dag van mijn verslagenheid (Ps. 3 : 4, 118 : 111; 58 : 17)

  6. Maar omdat ik nog zwak ben in de liefde en onvolmaakt in deugd, moet ik wel door U gesterkt en getroost worden; daarom, kom dikwijls bij mij en onderricht mij in uw heilige leer.

  7. Bevrijd mij van verkeerde hartstocht en genees mijn hart van alle ongeregelde binding, zodat ik innerlijk geheel genezen en door en door gereinigd, geschikt word voor de liefde, sterk in het lijden en standvastig in de volharding.

  8. De liefde is een geweldig iets, een zeer groot goed, dat alles wat pijnlijk is licht maakt en alle tegenstand met dezelfde gelijkmoedigheid weet te dragen.

  9. Zonder moeite draagt zij de last en al wat bitter is maak zij aangenaam en zoet.

  10. De edele liefde voor Jezus dringt tot het doen van grote werken en wekt ons op altijd weer naar hoger te verlangen.

  11. De liefde wil naar boven en niet door het lagere weerhouden worden.

  12. De liefde wil vrij zijn en zonder enige wereldse genegenheid, opdat haar innerlijke oogopslag niet gehinderd wordt, opdat zij niet door een of ander tijdelijk genoegen in verwarring raakt of aan ongemak bezwijkt.

  13. Niets is zoeter dan de liefde, niets is sterker, niets is hoger breder of vreugdevoller, niets rijker of beter in de hemel of op aarde.

  14. Want de liefde is uit God geboren en kān niet anders dan boven al het geschapene rusten in God.

  15. Wie liefheeft vliegt, loopt en is blij; hij is vrij en niets houdt hem tegen.

  16. Hij geeft alles voor alles; want hij vindt zijn rust in het ene, hoogste goed dat alles overtreft, waaruit al het goede vloeit en voortkomt.

  17. Hij ziet niet naar de gave, maar boven alle goede gaven keert hij zich naar de Gever toe.

  18. De liefde kent dikwijls geen maat, maar is vurig boven alle maat.

  19. De liefde voelt de lasten niet, telt geen moeiten; wil meer dan zij kan, praat niet over onmogelijkheid, want zij meent dat zij tot alles in staat is en alles geoorloofd is.

  20. Daarom is zij tot alles in staat en brengt veel tot vervulling en tot een goed einde, waar hij die de liefde niet heeft ontmoedigd neerligt.

  21. De liefde waakt en slapend is zij niet afwezig.

  22. Vermoeid raakt zij niet uitgeput; in het nauw gebracht is zij niet radeloos, verschrikt raakt zij niet verward, maar als een levende vlam en een brandende fakkel slaat zij uit naar boven en gaat met zekerheid haar weg.

  23. Als iemand liefheeft weet hij ook wat dit woord hem toeroept.

  24. Een machtig geluid in de oren van God is de brandende innerlijke liefde die zegt: Mijn God, mijn liefde, Gij zijt geheel van mij en ik ben geheel van U.

  25. Gebed om de liefde Gods te vragen

  26. Maak mij wijd in de liefde, dat ik leer tot in het diepste van mijn hart te smaken hoe zoet het is te beminnen, en in de liefde vloeibaar te worden en onder te gaan.

  27. Laat mij in hevig vuur en in verbazing gegrepen worden door liefde die mij te boven gaat.

  28. Laat mij het lied van de liefde zingen en U mijn geliefde volgen naar omhoog. Laat mijn ziel bezwijken in uw lof als ik van liefde jubel.

  29. Laat mij U meer beminnen dan mijzelf en mijzelf niet tenzij om U, en in U allen die U werkelijk beminnen zoals de wet van de liefde dat voorschrijft, die als een licht van U uitstraalt.

  30. De liefde is dienstvaardig, oprecht, vroom, goed en vriendelijk; sterk, geduldig, trouw, wijs lankmoedig, krachtig en nooit zoekt zij zichzelf.

  31. Want waar iemand zichzelf zoekt valt hij de liefde onmiddellijk af.

  32. De liefde is omzichtig, nederig, rechtuit; niet week, niet vluchtig, let niet op onbeduidende dingen: zij is matig, kuis, standvastig, rustig en beheerst in al haar zinnen.

  33. De liefde is onderworpen en aan de oversten gehoorzaam; in eigen ogen nietig en verachtelijk; maar God gewijd en dankbaar, altijd op Hem hopend en vertrouwend, ook als zij God niet kan genieten: want in de liefde kan men niet leven zonder pijn.

  34. Wie niet klaar staat om alles te verduren en zich naar de wens van de Beminde te richten, is de naam van minnaar niet waard.

  35. Wie bemint moet om de Geliefde alles wat hard en bitter is, graag incasseren en zich niet bij alles wat tegenvalt van Hem verwijderen.