Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 6

De toets van de ware minnaar

  1. Mijn zoon, een sterk en wijs minnaar zijt ge nog niet.

  2. Waarom niet, Heer?

  3. Wel, om een kleine moeilijkheid ziet gij af van goede initiatieven en uw begeerte naar troost is veel te hevig.

  4. Een sterk minnaar houdt stand in beproevingen en hecht geen geloof aan de verleidelijke woorden van de vijand.

  5. Zoals Ik hem behaag als alles goed gaat, zo mishaag Ik hem niet in teleurstellingen.

  6. En de minnaar die wijs is let niet zozeer op de gave van de Gever als wel op de liefde van Hem die geeft.

  7. Hij heeft eerder aandacht voor de genegenheid dan voor het geschenk en bij hem staat alles lager in aanzien dan de Beminde.

  8. Een echte minnaar staat niet stil bij wat hij ontvangt, maar boven alle gaven bij Mijzelf.

  9. Alles is dus niet verloren, als gij soms minder voelt voor Mij of mijn heiligen dan gij wel zoudt willen.

  10. Het weldadig en troostend gevoel dat gij soms ondergaat is een uitwerking van de aanwezige genade en een zekere voorsmaak van het hemels vaderland, maar daar mag men niet te veel op steunen: het komt en het gaat.

  11. Maar strijden tegen toevallige slechte emoties, de suggesties van de duivel verwerpen, dat is teken van deugd en bron van grote verdienste.

  12. Laat allerlei vreemde fantasieŽn, waarover ook, u niet van de wijs brengen.

  13. Houd u krachtig aan uw voornemen en uw zuivere gerichtheid op God.

  14. Het is geen illusie dat gij soms plotseling aan uzelf wordt ontrukt en dan weer dadelijk tot de gewone dwaasheden van uw hart terugkeert.

  15. Die ondergaat gij immers eerder tegen uw zin in dan dat gij ze wilt, en zolang ze u mishagen en gij er u tegen verzet, is dat alles verdienste en geen ondergang.

  16. Weet dat de oude vijand zich met alle kracht inspant uw verlangen naar het goede te dwarsbomen en u van alle godsdienstige praktijken af te houden: bijvoorbeeld van de heiligenverering, van het liefdevol overdenken van mijn lijden, van de vruchtbare herinnering aan eigen zonden, van de bewaking van uw hart en het vaste besluit voortgang te maken in de deugd.

  17. Hij geeft u veel slechte gedachten in om u weerzin en schrik te bezorgen of u van het gebed en de geestelijke lectuur af te houden.

  18. Hij heeft het land aan een nederige biecht en als hij kon, zou hij u van de heilige tafel laten wegblijven.

  19. Geloof hem niet, trek u niets van hem aan, hoe dikwijls hij ook probeert u in zijn bedriegerijen te laten vastlopen.

  20. Zeg hem: 'Verdwijn, onreine geest, schaam u, ellendeling, gij zijt beneden alle peil dat gij mij op zulke gedachten brengt.'

  21. Dŗt moet gij hem verwijten als hij u slechte en onreine dingen ingeeft.

  22. Weg van mij, gemeenste verleider, ik wil niets met u te doen hebben; maar Jezus zal met mij zijn als de sterke in de strijd en gij zult door de grond gaan van schaamte. 23. Ik wil liever sterven en alle pijnen ondergaan dan toe te geven.

  23. Zwijg en verstom, ik luister al niet meer, hoe zwaar gij mij ook belast.

  24. 'De Heer is mijn licht en mijn heil: voor wie zal ik bang zijn?' (Ps. 27 : 1)

  25. 'Al staat een heel leger tegenover mij, mijn hart kent geen angst' (Ps. 27 : 3). 'De Heer is mijn helper en mijn Verlosser' (Ps. 19 : 15).

  26. Strijd als een goed soldaat en als gij soms uit zwakheid valt, verzamel krachten sterker dan de eerste, vertrouw op meer bijstand van mijn kant, en wacht u bijzonder voor zinloos zelfbehagen en voor trots.

  27. Daardoor worden velen tot dwaling gebracht en vervallen zij soms in een haast ongeneeslijke blindheid.

  28. Laat de ontluistering van die verwaanden die zo dwaas zijn in hun eigenwaan, u blijvend tot voorzichtigheid en bescheidenheid vermanen.