Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 7

Hemelse gunsten moet men beschermen met nederigheid

  1. Mijn zoon, het is nuttiger en veiliger voor u de genade van godsvrucht te verbergen, u niet te verheffen, er niet veel over te spreken of er veel gewicht aan te hechten; gij moet eerder een geringe dunk van uzelf hebben en vrezen dat die gave aan een onwaardige is gegeven.

  2. Aan deze gevoelige gesteldheid moet gij niet met nadruk vast willen houden, zij kan zeer snel omslaan in het tegendeel.

  3. Denk tijdens de genade hoe ellendig en arm gij gewoonlijk zijt als zij er niet is.

  4. Maar de voortgang in het geestelijk leven is ook niet zozeer gelegen in het bezit van de genade van godsvrucht maar wel in het nederig, onthecht en geduldig verdragen dat zij weer onttrokken wordt, z, dat gij dan niet traag wordt bij uw toeleg op het gebed en ook uw andere goede dingen die ge gewoon zijt te doen niet helemaal laat schieten.

  5. Maar doe van harte, naar best vermogen en inzicht dat waartoe gij in staat zijt; laat om de innerlijke dorheid of uw gevoelens van angst niet alles achterwege.

  6. Velen worden snel ongeduldig of onverschillig als zij niet ten volle in iets slagen.

  7. Maar de mens heeft toch zijn levensloop niet in zij macht; het komt God toe te troosten en te geven wanneer en zoveel en aan wie Hij zelf wil, en niet meer.

  8. Sommigen hebben om de genade van godsvrucht te verkrijgen door onvoorzichtig handelen hun innerlijk leve vernield; zij wilden namelijk meer doen dan binnen hun bereik lag; zij beseften niet hoe klein zij waren en volgde meer de neiging van hun gevoel dan het oordeel van de rede.

  9. En omdat zij in zelfoverschatting meer wilden dan God welgevallig was, drom hebben zij zo spoedig de godsvrucht verloren.

  10. Zij die zich al in de hemel een plaats hadden gedacht bleven arm en hulpeloos achter; zo konden zij, verneder en verpauperd, leren niet op eigen wieken te drijven, maar onder mijn vleugels een toevlucht te zoeken.

  11. Zij die nog beginnelingen zijn en onervaren op de weg des Heren kunnen gemakkelijk bedrogen worden en vernietigd, als zij niet door de raad van wijze mannen worden geleid.

  12. Als zij desondanks liever hun eigen gevoelens willen volgen dan geloof hechten aan anderen die ervaring hebben, zal de afloop zeer bedenkelijk zijn, als zij tenminste niet van hun eigen opvattingen willen terugkomen.

  13. Slechts zelden bezitten eigenwijzen de nederigheid zich door anderen te laten leiden.

  14. Beter is het slechts weinig te weten en nederig te zijn bij bescheiden begaafdheid dan grote schatten van wetenschap te bezitten met ijdel zelfbehagen.

  15. Het is beter voor u wat minder te hebben dan veel waarop gij trots kunt gaan.

  16. Wie zich ongeremd overgeeft aan uitgelatenheid handelt niet bescheiden genoeg, want hij vergeet hoe hij vroeger gebrek leed aan alles, en hoe de vreze des Heren die voorzichtig maakt, bang moet zijn, de gegeven genade te verliezen.

  17. Maar ook hij heeft onvoldoende begrip voor de deugd, die zich tijdens tegenslag en allerlei druk al te wanhopig aanstelt en in zijn gevoelens en gedachten over Mij minder vertrouwen toont dan passend zou zijn.

  18. Wie in vredestijd te veel zekerheid wil genieten, zal in de strijd dikwijls blijk geven van angst en kleinmoedigheid.

  19. Als gij uzelf in nederigheid en bescheidenheid wist te bewaren, en uw geest in toom te houden en te leiden, zoudt gij niet zo spoedig terechtkomen in gevaar en in verwarring.

  20. Een goede raad is deze: als ge u bezield voelt met het vuur van de geest, overdenk dan hoe het zijn zal, als gij dat licht moet missen.

  21. En als u dit overkomt, bedenk dan opnieuw dat het licht terug kan keren: Ik heb u dat tijdelijk onttrokken voor uw eigen veiligheid en voor mijn glorie.

  22. Dikwijls is een dergelijke beproeving van meer nut dan dat gij altijd voorspoed zoudt hebben volgens uw verlangen.

  23. Verdienste immers is niet hieraan af te meten dat iemand veel visioenen en vertroostingen heeft of bekwaam is in de schriftverklaring, ofwel op een hoge post geplaatst is.

  24. Maar hieraan of hij gegrondvest is op waarachtige nederigheid en vol is van goddelijke liefde; of hij Gods eer zuiver en ten volle op het oog heeft; of hij zichzelf nietswaardig acht en werkelijk minacht en of hij er meer vreugde in vindt door anderen geringgeschat en vernederd dan geerd te worden.