Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 8

De geringe dunk van zichzelf voor het oog van God

  1. Ik zal spreken tot mijn Heer en God, al ben ik dan maar stof en as (Gen. 18 :27).

  2. Als ik mijzelf te hoog aansla, zie, dan staat Gij tegenover mij en mijn ongerechtigheden leggen een waar getuigenis af, ik kan U niet weerspreken.

  3. Maar als ik mijzelf vernederd zal hebben en tot niets teruggebracht' en van alle roem zal hebben afgezien en mij tot stof zal hebben gemaakt, wat ik ook ben, dan zal u goedheid mij genadig zijn en uw licht mijn hart nabij. Al waardering van mijzelf, hoe minimaal ook, zal wegzinken in de diepte van mijn nietigheid en voorgoed verdwijnen.

  4. Daar laat Gij mij zien wat ik ben, wat ik was en waar ik terecht ben gekomen; want ik ben niets en ik wist het niet.

  5. Als ik aan mijzelf word overgelaten, zie, dan is er me dan louter zwakheid.

  6. Maar nauwelijks hebt Gij mij even aangezien of ik ben ineens sterk en word van nieuwe vreugde vervuld.

  7. Het is wel wonderbaar dat ik zo plotseling word opgebeurd en zo vol liefde door U wordt omhelsd, terwijl mij eigen zwaarte mij altijd naar beneden trekt.

  8. Dit is het werk van uw liefde, die mij zonder mijn verdienste al vr is en in zoveel noden tegemoet komt; die mij voor grote gevaren vrijwaart en mij, ik mag wel zeggen, uit ontelbare rampen bevrijdt.

  9. Door een verkeerde liefde immers ben ik ten onder gegaan, maar door U alleen te zoeken en werkelijk lief te hebben vond ik U en mijzelf tegelijkertijd terug; en uit liefde heb ik mij ng vernederd.

  10. Want Gij, o allerliefste, behandelt mij boven mijn verdienste en boven hetgeen ik durf te hopen of te vragen.

  11. Gezegend zijt Gij, mijn God, want al ben ik dan al u weldaden onwaardig, uw oneindige goedheid houden nooit op ook goed te doen aan ondankbaren, die ver van U zijn afgedwaald.

  12. Bekeer ons tot U, opdat wij dankbaar, nederig zijn vroom: want Gij zijt ons heil, onze kracht en onze sterkte.