Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 11
Men moet de begeerte van het hart onderzoeken en beheersen

  1. Mijn zoon, gij moet nog veel aanleren wat gij tot nu toe nog niet goed hebt opgenomen.

  2. Wat is dat, Heer?

  3. Dat gij uw verlangens volkomen aanpast aan mijn welbehagen; dat gij uw eigenliefde aflegt en in plaats daarvan vurig de verwezenlijking zoekt van wat Ik wil.

  4. De begeerten zetten u dikwijls in vlam en drijven u hevig voort; maar onderzoek eens of gij om mijn eer of vooral om uw eigen voordeel zo bewogen zijt.

  5. Gaat het om Mij, dan zult gij zeer tevreden zijn, hoe Ik het ook regel; maar schuilt er iets van eigenbelang in, zie, dan komt het dáárdoor als ge u gedwarsboomd en belast voelt.

  6. Zorg dus goed dat gij niet te veel steunt op een vooropgezet ideaal waarin ge Mij niet hebt gekend: want daarna zou u kunnen berouwen of mishagen, wat u eerst zo lief was en waarmee ge ijverig de goede zaak dacht te dienen.

  7. Niet iedere neiging, al lijkt die goed, moogt ge zo maar involgen en niet iedere tegengestelde neiging moet gij terstond ontwijken.

  8. Het is soms goed om de teugels aan te leggen ook bij goede strevingen en verlangens, om niet door ontijdig handelen geestelijk uit uw koers te raken, ook om anderen niet te ergeren door uw gebrek aan zelftucht of u door hun weerstand plotseling van uw stuk te laten brengen en alles te laten vallen.

  9. Maar soms moet men zelfs geweld gebruiken en krachtig tegen de begeerte van de zintuigen weten in te gaan; er geen acht op slaan wat het lichaam wel en wat het niet wil, maar proberen het meer aan de geest te onderwerpen, ook tegen zijn zin.

  10. En het moet net zo lang stevig aangepakt en tot onderwerping gedwongen worden dat het bereid is tot alles, leert om met weinig tevreden te zijn en genoegen te nemen met eenvoudige dingen en niet om een of ander ongerief te morren.