Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 12
Vorming tot geduld: strijd tegen begeerlijkheid

  1. Heer mijn God, zoals ik zie heb ik het geduld hard nodig, want in dit leven komt veel teleurstelling voor.

  2. Want hoe ik het ook wil regelen om de vrede te bewaren, mijn leven bestaat niet zonder strijd en verdriet.

  3. Zo is het, mijn zoon. Maar ik wil niet dat gij een vrede zoekt zonder beproevingen of een die u ongevoelig maakt voor tegenslag.

  4. Blijf ook dán overtuigd dat ge de vrede hebt gevonden, als gij door allerlei moeilijkheden wordt geschoold en in veel tegenslagen wordt gelouterd.

  5. Als gij zegt niet veel te kunnen verduren, hoe zult gij dan het vagevuur doorstaan?

  6. Van twee kwaden moet men altijd het minste kiezen.

  7. Om dus in de toekomst aan de eeuwige foltering te ontsnappen moet gij alles in het werk stellen om de lasten van dit leven met gelijkmoedigheid voor God te dragen.

  8. Of meent gij dat de mensen in de wereld weinig of niets te verduren hebben?

  9. Gij zult dat nergens aantreffen, al zoudt gij de meest bevoorrechten zoeken.

  10. Ja, zegt gij, maar zij hebben veel voldoeningen en volgen hun eigen wil; daarom voelen zij de last van hun tegenslagen haast niet.

  11. Laat dat zo zijn, zij hebben wat zij wensen, maar hoe lang denkt gij dat het duren zal?

  12. Zie, als rook zullen zij verdwijnen (Ps. 36 : 20), de rijken van deze wereld, en er blijft zelfs geen herinnering over aan hun vroegere genoegens.

  13. Maar zelfs bij hun leven kunnen zij daarvan niet rustig genieten zonder bitterheid, teleurstelling en zorgen.

  14. Want dezelfde dingen waarin zij genot en voldoening vinden, worden tot hun straf ook dikwijls oorzaak van leed.

  15. Zij hebben het verdiend: want daar zij hun genoegens ongeordend zoeken en najagen, kunnen zij die niet ten volle smaken zonder onrust en verbittering.

  16. O hoe kort, hoe bedrieglijk, hoe onbeheerst en onedel is dit alles.

  17. Maar bedwelmd en verblind zien zij dat niet, maar als stom vee lopen zij in dit sterfelijk leven omwille van een gering genot regelrecht de afgrond in.

  18. Gij, mijn zoon, volg uw begeerte niet (Sir. 18 : 30). Schep uw behagen in de Heer en Hij zal de verlangens van uw hart vervullen (Ps. 37 : 4).

  19. Want als gij werkelijk wilt genieten en zeer overvloedig door Mij wilt worden getroost: weet wel dat in de verachting van al het voorbijgaande en in het kappen met alle lagere voldoening uw zegen zal bestaan en dat dan rijke troost u als vergoeding zal worden gegeven.

  20. En hoe meer gij u aan alle troost van geschapen dingen zult onttrekken, des te zaliger en machtiger vertroostingen zult gij vinden.

  21. Maar in het begin zult gij dit niet zonder een zekere droefheid en moeizame strijd kunnen bereiken.

  22. Want een ingewortelde gewoonte biedt weerstand, maar zij zal door een betere gewoonte worden overwonnen.

  23. Het lichaam zal zich verzetten, maar door de gloed van de geest wordt het beteugeld.

  24. De oude slang zal u uitdagen tot verbittering, maar zij gaat voor het gebed op de vlucht; bovendien wordt haar door nuttige arbeid de toegang grotendeels afgesloten.