Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 14
Om ons niet te verheffen op het goede moeten wij het verborgen oordeel van God overdenken

  1. Als een donder komt uw oordeel over mij, o Heer; van schrik en beven trilt heel mijn gebeente en mijn ziel huivert van angst.

  2. Ik sta met stomheid geslagen en bedenk dat zelfs de hemelen niet rein zijn voor uw oog. (Job 15 : 15)

  3. Als Gij verdorvenheid in uw engelen hebt ontdekt en zelfs hen niet hebt gespaard, wat zal er van mij dan worden?

  4. De sterren zijn van de hemel gevallen en ik die stof ben, wat matig ik mij aan?

  5. Zij die geprezen werden om hun daden zijn diep gevallen en zij die zich eens voedden met het brood der engelen, heb ik zien genieten van varkensvoer.

  6. Er bestaat dus geen heiligheid als Gij, Heer, uw hand terugtrekt.

  7. Geen wijsheid heeft nog nut, als Gij ophoudt die te leiden.

  8. Geen sterkte kan ons helpen, als Gij die niet in stand houdt.

  9. Geen kuisheid is veilig, als Gij haar niet beschermt.

  10. Geen waken over zichzelf heeft enige zin, als uw heilige wacht ons niet omgeeft.

  11. Want aan onszelf overgelaten zinken wij en vergaan, maar door U bezocht richten wij ons op en leven.

  12. Wij zijn immers onstandvastig maar worden door U bevestigd; wij verflauwen maar raken door U in gloed.

  13. Wat moet ik bescheiden en min over mij denken, hoe nietswaardig moet ik het vinden als ik iets goeds schijn te hebben.

  14. Hoe grondeloos diep moet ik mij aan uw oordelen onderwerpen, Heer, want ik constateer dat ik niets anders ben dan niets en nogmaals niets.

  15. O onmetelijk gewicht, o ontoegankelijke diepzee, waar niets van mij in te vinden is, helemaal niets.

  16. Waar kan de eigenwaan dan nog een toevlucht vinden? Waar blijft het ingebeelde vertrouwen op eigen deugd?

  17. Al mijn zinloos zwetsen wordt meegezogen in de onpeilbare diepte van uw oordeel over mij.

  18. Wat betekent al het menselijke voor uw aangezicht?

  19. Zal het leem zichzelf prijzen tegenover hem die het boetseert? (Jes. 49 : 9)

  20. Hoe kan iemand zich verheffen met verwaande taal, als zijn hart werkelijk onderworpen is aan God?

  21. Nog niet de hele wereld kan hem trots maken die de Waarheid aan zich onderdanig heeft gemaakt: en door geen woord van mensenlof wordt hij ontroerd die op God geheel zijn hoop gevestigd heeft.

  22. Want ook zijzelf die zo vleiend spreken, ach, zij zijn allen tezamen niets, zij verdwijnen even snel als de klank van hun woord.

  23. Maar de waarheid des Heren zal blijven in eeuwigheid (Ps. 117 : 2).