Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 16
De ware troost moet men in God alleen vinden

  1. Wat ik ook maar kan verlangen of bedenken tot mijn troost, verwacht ik niet hier maar wel later.

  2. Al zou ik alle vertroosting van de wereld voor mijzelf alleen kunnen bezitten en van alle genietingen profiteren, zeker is dat het niet lang duren kan.

  3. Daarom, o mens, kunt gij nooit helemaal getroost of volkomen verzadigd worden, behalve door God die de armen troost en begaan is met de nederigen.

  4. Wacht nog even, zeg ik bij mijzelf, wacht op de goddelijke liefde en gij zult de overvloed van al wat goed is in de hemel bezitten.

  5. Want als gij te onbeheerst de aardse genoegens zoekt in deze tijd, zult gij de hemelse verliezen in de eeuwigheid.

  6. De tijdelijke dingen moogt gij gebruiken, maar verlang naar de eeuwige.

  7. Gij kunt niet door enig tijdelijk goed voldaan worden, want om dat te genieten zijt gij niet geschapen.

  8. Al zoudt gij ook alle geschapen goederen bezitten, gij zoudt toch niet gelukkig en voldaan kunnen zijn, maar in God die alles heeft geschapen bestaat heel uw zaligheid en uw geluk.

  9. En dan niet volgens het oordeel en de aanprijzing van dwaze wereldminnaars, maar zoals de christengelovigen dat verwachten en zoals de innerlijke mensen en de reinen van hart en soms een voorsmaak van hebben, omdat zij met het hemelse weten om te gaan.

  10. Alle menselijke troost is vluchtig en kort.

  11. De zalige en waarachtige vertroosting wordt door de ware zoeker gevonden in het innerlijk.

  12. Een godvruchtig mens draagt altijd zijn vertrooster Jezus met zich mee en zegt tot Hem: Heer Jezus, blijf bij mij altijd en overal.

  13. Dit zal mijn troost zijn: graag alle menselijke troost te missen.

  14. En als alle troost afwezig is, dan zal uw wil en uw rechtvaardige beproevingen mijn hoogste troost uitmaken.

  15. Want niet in eeuwigheid zult gij toornen en ons niet bedreigen voor altijd (Ps. 103 : 9).