Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 17
Al onze zorg moeten wij aan God overlaten

  1. De Heer: Mijn zoon, laat Mij met u doen wat Ik wil: Ik weet wat goed voor u is.

  2. Gij denkt als een mens, gij oordeelt in veel zaken zoals uw menselijk gevoelen dat ingeeft.

  3. Heer, het is waar wat Gij zegt. Uw zorg om mij is groter dan alle bezorgdheid die ik voor mijzelf kan opbrengen.

  4. Wie niet al zijn zorgen aan U overdraagt is al te zeer aan het toeval overgeleverd.

  5. Heer, als mijn wil maar rechtstreeks en met kracht op U blijft gericht, doe dan met mij wat U behaagt.

  6. Het kan immers niets anders zijn dan goed, wat Gij met mij zult doen.

  7. Wilt Gij dat ik in duisternis ben, wees gezegend, en wilt Gij dat ik in het licht leef, wees opnieuw gezegend. Wilt Gij dat ik getroost word, wees gezegend, en wilt Gij dat ik kwelling lijd, wees altijd evenzeer gezegend.

  8. Mijn zoon, zo moet uw houding zijn als gij samen met Mij wilt leven.

  9. Gij moet evenzeer bereid zijn om te lijden als om u te verblijden.

  10. En even graag behoeftig en arm leven als in overvloed en rijkdom.

  11. Heer, graag zal ik voor U lijden, wat Gij mij ook wilt laten overkomen.

  12. Zonder enig verschil wil ik uit uw hand goed en kwaad, zoet en bitter, blijdschap en droefheid aannemen, en voor alles wat met mij gebeurt U dank zeggen.

  13. Bewaar mij voor alle zonde, dan vrees ik dood noch hel.

  14. Als Gij mij in eeuwigheid maar niet verwerpt en mijn naam niet uitwist uit het boek des levens, dan kan niets mij schade doen, wat er ook aan ellende over mij neerkomt.