Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 18
Dat wij zoals Christus geduldig alles moeten dragen

  1. De Heer: Mijn zoon, ik ben uit de hemel voor u neergedaald; Ik heb uw noden op Mij genomen, niet uit noodzaak maar omdat de liefde Mij er toe trok. Ik deed het om u geduld te leren en opdat gij de tijdelijke moeilijkheden zonder bitterheid zoudt dragen.

  2. Want vanaf het uur van mijn geboorte tot aan mijn dood op het kruis ontbrak Mij nooit het verduren van leed.

  3. Ik had groot gebrek aan tijdelijke goederen; Ik heb veel klachten over Mij moeten horen; beschamende en beschimpende woorden heb Ik welwillend verdragen. Voor mijn weldaden kreeg Ik ondank, voor mijn wonderen vervloeking, voor mijn onderricht verwijten.

  4. Heer, omdat Gij geduldig zijt geweest tijdens uw leven en vooral drin het bevel van uw Vader hebt volbracht, is het juist dat ook ik, onnozele rebel, mijzelf volgens uw wil in geduld verdraag. En dat ik zolang Gij het zult willen de last van dit vergankelijk leven tot mijn eigen heil geduldig op mij neem.

  5. Want al wordt dit tegenwoordig leven ervaren als een last, toch is het door uw genade zeer verdienstelijk geworden en door uw voorbeeld en de voetsporen van uw heiligen voor ons, zwakke mensen, draaglijker en doorzichtiger.

  6. Maar bovendien biedt het veel meer troost dan onder de Oude Wet ooit mogelijk was.
    Toen bleef de hemeldeur gesloten, leek de weg naar de hemel zeer duister en maar weinigen maakten er werk van het rijk der hemelen te zoeken.

  7. Ook degenen echter die toen rechtvaardig leefden en gered zouden worden, konden vr uw lijden en het offer van uw heilige zoendood het hemelrijk niet binnengaan.

  8. Hoeveel dankbetuigingen ben ik U schuldig, omdat Gij zo welwillend zijt geweest mij en alle gelovigen de juiste en goede weg naar uw eeuwig rijk te wijzen.

  9. Want uw leven is onze weg en door het heilig geduld wandelen wij U tegemoet die onze kroon zijt.

  10. Als Gij ons niet waart voorgegaan en ons niet had onderwezen, wie zou er dan aan denken U te volgen?

  11. Helaas, hoevelen zouden ver achter U blijven, als zij niet aandachtig opzagen naar uw roemvol voorbeeld.

  12. Zie, nu nog zijn wij lauw na het horen over zoveel tekenen en onderrichtingen. Wat zou er gebeuren, als het ons ontbrak aan dit groot licht waarbij wij U kunnen volgen?