Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 19
Het dragen van onrecht en de ware geduldige

  1. De Heer: Wat zegt gij toch, mijn zoon? Houd op u te beklagen, als gij mijn lijden en dat van mijn heiligen hebt beschouwd.

  2. 'Gij hebt nog geen weerstand geboden tot bloedvergietens toe' (Hebr. 12 : 4).

  3. Wat gij lijdt is weinig in vergelijking met degenen die zoveel hebben geleden, zo zwaar werden bekoord, zo bitter beproefd, zo veelvuldig getoetst en gekweld.

  4. Breng u daarom het zwaardere lijden van anderen in herinnering om uw nietige pijnen gemakkelijker te dragen.

  5. En als u die niet zo gering voorkomen, let dan eens op of dit niet zijn oorzaak vindt in uw ongeduld.

  6. Of het nu klein of groot is, doe uw best alles geduldig te verdragen.

  7. Hoe beter gij u instelt op het lijden, des te wijzer doet ge en des te groter is uw verdienste. Gij zult het ook lichter dragen, omdat uw gerichtheid en uw daad met wilskracht zijn voorbereid.

  8. Zeg niet: ja maar, van zo iemand wens ik dat niet te nemen, of: zoiets kan ik niet dragen, want dit brengt mij grote schade toe en hij beschuldigt mij van dingen waaraan ik nooit gedacht heb. Maar van een ander kan ik dat best hebben en zal ik het beschouwen als mijn lot.

  9. Die gedachtegang is dwaas en heeft met de deugd van geduld niets te maken en ook niet met Hem die haar kan belonen. Maar hier wordt veeleer op de personen en op de beledigingen zelf gelet.

  10. De ware geduldige is niet degene die niets wil verdragen, behalve dat wat hij zelf verkiest en zoveel als het hem uitkomt.

  11. Maar de ware geduldige let er niet op van welke mens zijn beproeving komt, of het nu van zijn overste is of van een gelijke of een mindere; of het komt van een goed en heilig persoon of van een slecht en onwaardig mens.

  12. Maar onverschillig van welk schepsel de tegenslag komt of hoeveel of hoe vaak, hij neemt dat alles in dank uit Gods hand aan en acht het grote winst.

  13. Bij God immers kan ook het minste wat men voor Hem lijdt niet zonder verdienste blijven.

  14. Wees daarom bereid tot de strijd, als gij de overwinning wilt.

  15. Zonder strijd kunt gij niet komen tot de bekroning van het geduld.

  16. Geen lijden geen kroon.

  17. Maar verlangt gij bekroond te worden, strijd dan dapper en verdraag geduldig.

  18. Zonder zwoegen geen rust, zonder strijd geen overwinning.

  19. Heer, geef dat door uw genade voor mij mogelijk wordt wat mij van nature onmogelijk schijnt.

  20. Gij weet dat ik maar weinig kan hebben en snel ontmoedigd word, zelfs als ik op maar lichte tegenstand stuit.

  21. Laat iedere moeilijkheid die mij op de proef stelt, ter wille van U voor mij beminnelijk en welkom worden; want lijden en belast worden ter liefde van U, is zeer vruchtbaar voor mijn innerlijk leven.