Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 20
De betekenis van eigen zwakheid en de ellende van dit leven

  1. Ik zal mijzelf mijn overtredingen bekennen, Heer, voor U belijd ik zwak geweest te zijn.

  2. Dikwijls is het een kleinigheid die mij uit mijn evenwicht brengt en bedroeft.

  3. Ik neem mij voor resoluut te handelen; toch behoeft er maar een kleine beproeving te komen of ik zit in angst.

  4. Soms is het een uitermate geringe zaak waaruit een zware bekoring voortkomt.

  5. Soms terwijl ik mij vrij veilig voel omdat niets mij raakt, ontdek ik dat ik om wat onbenul bijna bezweken was.

  6. Heer, zie neer op mijn geringheid en mijn zo duidelijk zichtbare zwakheid.

  7. Ontferm u over mij en haal mij uit de modder, dat ik niet vastraak (Ps. 69 : 15) en niet voorgoed blijf liggen.

  8. Wat mij dikwijls treft als een slag en voor U beschaamd maakt: dat ik zo wankel ben en onmachtig in het weerstaan aan mijn hartstochten.

  9. En al komt het dan niet tot toestemming, toch is hun aanval zelf al een druk en een last en heb ik er meer dan genoeg van zo iedere dag al vechtend door te komen.

  10. En hierdoor geef ik vooral blijk hoe zwak ik ben: dat die afschuwelijke fantasieŽn mij altijd gemakkelijker bestormen dan dat zij weer weggaan.

  11. Wil Gij, de sterke God van IsraŽl, die opkomt voor hen die U trouw zijn, neerzien op het getob en de ellende van uw dienaar; sta hem toch bij in alles wat hij onderneemt.

  12. Geef mij kracht door de sterkte die uit de hemel komt, zodat de oude mens, mijn armzalige lichamelijkheid, die nog steeds niet ten volle onderworpen is aan de geest, ten slotte toch niet de macht in handen krijgt. Ik moet daartegen vechten zolang er in dit arm leventje nog geademd wordt.

  13. Och, wat is dit leven, waar kwelling en bitterheid maar nooit uit verdwijnen, waar alles vol vijandschap en listen zit!

  14. Want is de ene beproeving of bekoring op de aftocht, dan is de volgende in aantocht; bovendien, terwijl die eerste nog voortduurt, komen er andere en meerdere conflicten bovenop en dat onverhoeds.

  15. Hoe kan men toch dit leven beminnen waar zoveel bitters in schuilt, dat zozeer onderhevig is aan rampspoed en aan droefheid?

  16. Ja hoe durven wij zelfs iets 'leven' noemen dat zoveel dood en verderf inhoudt?

  17. Toch heeft men er liefde voor en velen zoeken er zich in te verlustigen.

  18. De wereld moet dikwijls het verwijt horen dat ze waan is en bedrog; toch laat men ze niet gemakkelijk los, omdat de aardse verlangens er zo luid in meespreken.

  19. Sommige dingen brengen ons tot liefde voor het aardse, andere sporen ons aan het te verachten.

  20. Tot liefde voor de wereld leidt het lichamelijk begeren, de hebzucht van de ogen en de hoogmoed van het leven; maar de straffen en de miserie die daar terecht op volgen, doen ons die vergankelijkheid wederom haten en ervan walgen.

  21. Helaas, de verboden genietingen overwinnen de geest die zich eraan overgeeft en in het rijk van de zinnen te leven houdt zo iemand voor de hoogste zaligheid. Want hij weet niet welk een zoetheid God doet smaken, hij heeft geen idee en geen ervaring van de innerlijke heerlijkheid die met de deugd verbonden is.

  22. Maar wie het verbodene volkomen minachten en proberen in heilige zelfbeheersing voor God te leven, die weten iets van de goddelijke zoetheid, beloofd aan de werkelijke zelfverloochenaars, en dezen zien evident hoe verschrikkelijk de wereld dwaalt en zich vergist op allerlei manieren.