Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 22
Het gedenken van Gods talrijke weldaden

  1. Heer, open mijn hart voor uw wet en leer mij de weg van uw geboden te gaan.

  2. Geef mij inzicht in uw wil, laat mij met grote eerbied en nauwlettende beschouwing uw weldaden zowel in het algemeen als in het bijzonder overdenken, zodat ik U dan op passende wijze daarvoor dank mag zeggen.

  3. Intussen weet ik en beken dat ook, dat ik zelfs niet voor het allerminste U de verschuldigde lof en dank kan betuigen.

  4. Want ik ben al de goedheid die mij is bewezen onwaardig en als ik denk aan uw edelmoedigheid, legt mijn geest het af tegen uw grootheid.

  5. Al wat wij hebben naar lichaam en ziel en wat wij innerlijk of uiterlijk aan natuurlijke en bovennatuurlijke gaven bezitten, zijn uw weldaden. En het bewijst hoe liefdevol en goed Gij zijt, van wie wij het goede in ons hebben ontvangen.

  6. Al werd de ene meer, de andere minder toebedeeld, toch is alles het uwe: zonder U kunnen wij zelfs het geringste niet bezitten.

  7. Hij die raseer heeft ontvangen kan zich niet beroemen op zijn verdienste en zich ook niet boven een ander verheffen of een minder bedeelde minachten. Hij immers is groter en beter die zichzelf minder toeschrijft en bij het brengen van zijn dank uitmunt in nederigheid en vroomheid.

  8. En wie zich de onwaardigste en van allen acht als degene die het minst betekent, hij is het best geschikt om groter weldaden te ontvangen.

  9. Wie echter minder ontving moet niet bedroefd zijn of zich te kort gedaan achten en hij mag ook een beter bedeelde niet benijden.

  10. Maar moet liever naar U opzien en hoog uw goedheid prijzen, omdat Gij zo overvloedig, zo onverdiend en gul zonder aanziens des persoons uw gaven uitdeelt.

  11. Alles komt van U en daarom moet Gij in alles geprezen worden.

  12. Gij weet wat het best aan ieder kan gegeven worden, waarom deze minder en een ander meer heeft; het is niet aan ons dit te beoordelen maar aan U, bij wie de verdiensten van ieder afzonderlijk precies vaststaan.

  13. Daarom, Heer mijn God, beschouw ik het als een grote weldaad dat ik niet veel heb waardoor ik naar het uiterlijk en volgens de mensen lof en eer verdienen zou.

  14. Als iemand namelijk de armoede en de geringheid van zijn persoon zeer reŽel constateert, mag geen neerdrukkende gedachte, geen droefheid of ontmoediging bij hem opkomen, maar eerder een gevoel van troost, zelfs van uitbundige blijdschap.

  15. Omdat Gij, mijn God, de armen en geringen en voor het oog der wereld verachtelijken hebt uitgekozen om uw vertrouwelingen en huisgenoten te zijn.

  16. Aldus getuigen uw apostelen zelf die Gij als vorsten over de hele wereld hebt aangesteld (Ps. 45, 17).

  17. Zij hebben in de wereld geleefd zonder te klagen; zo nederig en eenvoudig, zonder enige list of boosheid, dat zij zich zelfs verheugden smaad te mogen lijden voor uw naam (Handel. 5 : 41) en met groot verlangen omhelsden waar de wereld een afschrik van heeft.

  18. Niets moet daarom hem die U liefheeft en uw weldaden kent zozeer verblijden als dat uw wil in hem vervuld wordt en het eeuwig welbehagen waarmee Gij alles hebt beschikt.

  19. Daarover behoort hij zich zů te verheugen en zich zů vertroost te gevoelen, dat hij even graag de minste verlangt te zijn als een ander de grootste wil worden.

  20. En even rustig en tevreden op de laatste plaats als op de eerste en even graag verachtelijk en verworpen zonder enige naam of faam, als boven anderen geŽerd in de wereld en belangrijker dan zij.

  21. Want uw wil en de liefde voor uw eer moeten voor hem alles te boven gaan en hem meer troosten en behagen dan alle reeds ontvangen of nog te verkrijgen weldaden.