Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 24
Het leven van een ander moet men niet nieuwsgierig onderzoeken

  1. De Heer: Mijn zoon, wees niet nieuwsgierig en loop niet rond in dwaze bemoeienis.

  2. Wat gaat dit of dat u aan? Gij hebt slechts Mij te volgen (Joh. 21 : 22).

  3. Wat interesseert het u of die daar zus of zo is; en die ander zo of anders doet of spreekt?

  4. Gij zult voor anderen geen rekenschap behoeven te geven, maar over uzelf zult gij eens verantwoording afleggen. Waarover maakt gij u dan druk?

  5. Zie, Ik ken allen en weet alles wat onder de zon gebeurt. Ik weet hoe het met iedereen is, wat hij denkt en wil en welke bedoelingen hij heeft.

  6. Gij moogt dus rustig alles aan Mij overlaten; wat u betreft blijft constant in vrede. Laat de woelige woelen zoveel hij wil.

  7. Wat hij gedaan of gezegd heeft komt op hemzelf neer, want Mij kan hij niet bedriegen.

  8. Maak u niet druk over de schaduw van een grote naam, ook niet over de vertrouwelijkheid met velen of de privé-contacten met de mensen en hun sympathie.

  9. Want dat soort dingen veroorzaakt verstrooidheid en grote duisternis in uw hart.

  10. Ik zou u graag mijn woorden zeggen en mijn geheimen openbaren, als gij maar attente aandacht had voor mijn komst en voor Mij de deur van uw hart zou opendoen. 11. Wees voorzichtig, wees waakzaam in gebed en verneder u in alles (Sir. 3 : 20).