Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 25
Waarin de blijvende vrede des harten en de ware voortgang bestaat

  1. Mijn zoon, Ik heb gezegd: 'Vrede laat ik u, mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u' (Joh. 14 : 27).

  2. Allen verlangen naar vrede, maar niet allen hebben zorg voor datgene waar die vrede van afhankelijk is.

  3. Mijn vrede is met hen, die nederig en zachtmoedig van hart zijn. Uw vrede zal bestaan in veel geduld.

  4. Als gij naar Mij luistert en mijn stem volgt, zult gij dikwijls de vrede kunnen genieten.

  5. Wat moet ik dan doen?

  6. Houd bij alles uzelf in het oog, bij wat gij doet en zegt, en heb de bedoeling Mij alleen te behagen en buiten Mij niets te verlangen of te zoeken.

  7. Oordeel ook niet zo maar over wat anderen zeggen en doen, bemoei u niet met wat u niet aangaat; dn is het mogelijk dat gij weinig of zelden in verwarring raakt.

  8. Maar nooit enige onrust meemaken of geen innerlijke of lichamelijke last ondervinden, dat hoort niet bij deze tijd, maar bij de toestand van rust in de eeuwigheid.

  9. Denk dus niet de ware vrede al gevonden te hebben, als gij geen enkele moeilijkheid tegenkomt, en ook niet dat alles goed is, als niemand lelijk tegen u doet, of dat dit het toppunt van geluk is, als alles naar uw wens gaat.

  10. Meen ook niet iemand van betekenis te zijn of bijzonder door God bemind, als gij van godsvrucht en zaligheid overstroomt.

  11. Want dt tekent de ware minnaar van de deugd niet en al evenmin bestaan drin de groei en de volmaaktheid van een mens.

  12. Waarin dan wel, Heer?

  13. In de volkomen aanbieding van uzelf aan de wil van God, in nooit te zoeken wat uzelf het meest aanstaat, niet in het klein en niet in het groot, niet in de tijd en niet in de eeuwigheid.

  14. Blijf dus met eenzelfde onbewogen gezicht en een dankbaar hart bij wat u meeloopt of tegenvalt: alles moet even zwaar voor u wegen.

  15. Vrede zal er zijn, als gij zo sterk en volhardend blijft vertrouwen, dat gij bij het verdwijnen van innerlijke vertroosting u al voorbereidt om nog sneer te dragen.

  16. Als gij u niet verdedigt, omdat ge zogenaamd dat alles toch niet hoeft te nemen, maar Mij bij ieder van mijn beschikkingen prijst als de Rechtvaardige en de Heilige.

  17. Dan gaat gij op de goede en de rechte weg van de vrede en moogt gij zonder een schaduw zelfs van twijfel hopen, dat gij weer jubelend mijn aangezicht zult zien.

  18. En als gij het gebracht zult hebben tot een volstrekte geringschatting van uzelf, weet dat gij dn een overvloed van vrede zult genieten, voor zover de regels van deze ballingschap dat toelaten.