Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 26
De hoge waarde van de vrijheid des geestes die meer door gebed dan door studie wordt verkregen

  1. Heer, dit is een opdracht voor een volmaakt man: nooit de gedachte aan het hemelse los te laten en door al de dagelijkse zorgen onbekommerd heen te wandelen; en dit niet uit laksheid maar door het voorrecht om vrij van geest te zijn, terwijl zo iemand bovendien voor geen enkel schepsel een ongecontroleerde liefde heeft.

  2. Ik smeek U, God die mij bovenmate lief hebt, bescherm mij tegen de beslommeringen van dit leven, dat ik er niet in verstrikt raak; tegen de vele noodzakelijke voorzieningen voor het lichaam, dat het genot mij niet gevangen houdt; tegen alle ja alle innerlijke obstakels, dat ik niet, gebroken door al die lasten, ten slotte neerval.

  3. Ik spreek niet eens over die dingen die de wereld met heel haar hart najaagt, maar over al dat erbarmelijk gedoe, dat het innerlijk leven van uw dienaar, onderworpen aan de algemene vloek van de sterfelijkheid, als een straf belast en belemmert, zodat hij niet zo dikwijls als hij verlangt kan binnengaan in de vrijheid van de geest.

  4. O God, mijn God, gij onzegbare zoetheid, verander alle aardse troost voor mij in bitterheid, als die mij van de liefde voor het eeuwige aftrekt en mij ten onrechte aanlokt, doordat ik mij verkijk op een voor de hand liggende voldoening.

  5. Mijn God, laat toch, laat toch, bid ik U, vlees en bloed mij niet de baas worden; laat de wereld en haar korte roem mij niet iets aanpraten, laat de duivel mij niet de voet lichten met zijn achterbaksheid.

  6. Geef mij kracht om er tegen in te gaan, geduld om het uit te houden, standvastigheid om door te zetten.

  7. Geef mij in ruil voor al de zaligheden van de wereld de alles overtreffende zalving van uw Geest en ontvlam in mij in plaats van de liefde voor het aardse de liefde voor uw Wezen.

  8. Eten, drinken, kleren en al die nodige zaken die onmisbaar zijn om het lichaam in stand te houden, zijn toch maar lastig voor de geest die in ons brandt.

  9. Vergun mij van al die middelen met mate gebruik te maken en niet door veel begeren mij vast te haken.

  10. Ik mag niet alles van mij afwerpen, de natuur heeft haar rechten; maar meer willen hebben dan nodig is en vooral het plezierigste, dat komt in strijd met uw heilige wet. Want dan zou het lichaam brutaal gaan optreden tegenover de geest.

  11. Laat bij dat alles, bid ik U, uw hand mij leiden en richten, dat ik in niets te ver ga.