Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 27
Van het hoogste goed houdt de eigenliefde ons in hoge mate af

  1. De Heer: Mijn zoon, gij moet eenvoudig al het uwe voor al het mijne geven en gij zelf moet totaal niets meer hebben.

  2. Weet wel, dat de liefde voor uzelf u meer schade toebrengt dan wat ook.

  3. Volgens de maat van de liefde en genegenheid die gij hebt, zit ge aan een zaak meer of minder vast.

  4. Is uw liefde zuiver, eenvoudig en geregeld, dan zijt gij van niets de gevangene.

  5. Hunker dus niet naar wat gij niet moogt bezitten; wil niet bezitten wat u belemmeren kan en u de inwendige vrijheid ontroven.

  6. Het is wel vreemd dat gij u niet met heel uw hart aan Mij toevertrouwt met alles wat gij kunt verlangen of bezitten.

  7. Waarom laat gij u verteren door een zinloze droefheid? Wat tobt gij u af met onnodige zorg?

  8. Blijf ter beschikking van mijn welbehagen: gij zult er geen enkel nadeel van hebben.

  9. Als gij dit of dat najaagt, hier of daar wilt wonen om uw eigen gemak en om het meer naar uw zin te hebben, dan zult gij geen rust vinden en nooit vrij van zorgen zijn. Want in alle dingen is net iets te kort en overal is er wel iemand die u niet kan uitstaan.

  10. Uw triomf moet daarom niet liggen in wat gij eindelijk behaald hebt of in de veelheid van uitwendige dingen. Maar zoekt gij liever uw triomf in het verachten en uitroeien uit uw hart van al dat soort zaken.

  11. Ik bedoel niet alleen te spreken over geldelijk vermogen en andere rijkdom; maar over de eerzucht, de dwaze behoefte om geprezen te worden, dat glijdt immers allemaal weg, samen met de wereld.

  12. Deze of gene plaats beschermt ons weinig als de vurigheid van geest er niet is.

  13. En die zo begeerde vrede buiten ons houdt ook niet lang stand, als de ware grondslag, de innerlijke gesteltenis er niet is, ik bedoel: als gij uw steun niet vindt in Mij, kunt gij u wel verplaatsen maar niet uw toestand verbeteren.

  14. Want als de gelegenheid zich voordoet en gij wilt daar gebruik van maken, dan vindt gij weer terug wat gij had ontvlucht en nog meer.

  15. Gebed om zuiverheid van hart en hemelse wijsheid

  16. Heer bevestig mij door de genade van de heilige Geest.

  17. Geef mij de kracht om versterkt te worden in mijn innerlijk leven en alle niet ter zake doende zorg en alle angst eruit te lichten. Laat mij niet door allerlei verlangens naar hetzij onnozele hetzij waardevolle dingen meegetrokken worden, maar laat mij alles zien als voorbijschuivende dingen, en ook ik ga evengoed voorbij.

  18. Want er is onder de zon niets van blijvende aard: alles is waanzin en kwelling van geest (Sir. 1 : I4).

  19. Wat is dat een wijs man die het z ziet.

  20. Heer, geef mij uw wijsheid van boven, dat ik mag leren vr alles U te zoeken en te vinden: laat mij U meer dan al het andere smaken en beminnen en al de rest schatten naar wat het is, volgens de ordening van uw wijsheid.

  21. Geef mij de mogelijkheid dat ik tactisch de vleiers ontduik en geduldig blijf als er iemand tegen mij is.

  22. Want dit is grote wijsheid: niet met alle winden van wat gezegd wordt mee te waaien, ook niet te luisteren naar valse vleierij van mooipraters: dan immers gaat men veilig voort op de ingeslagen weg.