Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 28
Tegen lasterpraat

  1. De Heer: Mijn zoon, word niet bitter als sommigen kwaadaardig over u denken en iets zeggen wat gij niet graag hoort.

  2. Gij moet altijd maar min over uzelf denken en niet menen dat iemand minder is dan gij zijt.

  3. Als gij van binnenuit leeft, hecht gij vanzelf niet veel gewicht aan een woord dat komt en gaat.

  4. Het is geen geringe wijsheid, weten te zwijgen in een moeilijk uur en u dan naar binnen te keren waar Ik ben, en niet van de wijs te raken door het oordeel van de mensen.

  5. Laat uw vrede niet afhangen van menselijk gepraat want of zij het ten goede of ten kwade uitleggen, daarom zijt gij toch niet anders.

  6. Waar ligt de ware vrede en waar de eigenlijke eer? Toch in Mij, nietwaar?

  7. En wie er niet op uit is de mensen te behagen en niet bang is hun te mishagen zal diep in zijn hart de vrede bezitten.

  8. Uit ongeregelde liefde en ongegronde vrees komt alle innerlijke onrust voort en alle verstrooidheid van de zinnen.