Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 31
Het voorbijzien van alle schepselen om de Schepper te kunnen vinden

  1. 1. De dienaar: Heer, ik heb toch wel een grotere genade nodig, als ik moet bereiken dat geen mens en geen enkel schepsel mij meer belemmert.

  2. Want zolang enige zaak mij vasthoudt, kan ik niet vrij naar U toe vliegen.

  3. Hij die zei: 'Wie geeft mij vleugels als van een duif, dat ik kan vliegen en dan rusten? (Ps. 55 : 7), had liet verlangen om in zijn vlucht vrij te zijn.

  4. Wat is rustiger dan een eenvoudig oog? En wie bezit meer vrijheid dan hij die niets op aarde begeert?

  5. Wij moeten dus boven al het geschapene uitgaan en onszelf volkomen verlaten en als in vervoering van de geest verblijven, en dan zien dat Gij, Schepper van alle dingen, met de schepselen niets gemeen hebt.

  6. En zolang iemand niet is ontdaan van alles wat geschapen is, kan hij zich niet vrij op het goddelijke richten.

  7. Daarom namelijk worden er zo weinig contemplatieven gevonden, omdat maar weinigen zich van het vergankelijke en geschapene volledig weten af te scheiden.

  8. Daartoe is een grote genade vereist die de ziel opheft en boven haarzelf uit voert.

  9. En zolang een mens niet geestelijk is opgeheven en bevrijd van al het geschapene en volkomen n met God, is alles wat hij weet, alles wat hij heeft, van weinig gewicht.

  10. Nog lang zal hij klein zijn en op de grond liggen die iets groot acht, behalve het ene, oneindige, eeuwige Goed.

  11. En wat er ook bestaat dat God niet is, het betekent niets en moet worden beschouwd als van nul en gener waarde.

  12. Er is een groot verschil tussen de wijsheid van een verlicht en vroom man en de wetenschap van een geletterd en bestudeerd geestelijke.

  13. Veel edeler is de leer die ons van boven, uit een goddelijke stroom toevloeit, dan die met veel moeite door menselijk vernuft verkregen wordt.

  14. Meerderen blijken naar contemplatie te verlangen, maar wat daartoe nodig is brengen zij niet met ijver in beoefening.

  15. Een groot beletsel is dat men bij tekenen en zintuiglijke dingen stilstaat en weinig werk maakt van een volmaakte zelfverloochening.

  16. Ik weet niet wat het is, door welke geest wij worden geleid en wat wij eigenlijk willen, die, als ik het goed heb, geestelijke mensen genoemd worden, dat wij zoveel moeite en nog meer zorg aan vergankelijke en platvloerse dingen besteden en maar nauwelijks denken aan ons innerlijk, en zelden met volledig naar binnen gerichte zinnen.

  17. Wat is het jammer: onmiddellijk na een beetje bezinning breken wij weer uit naar buiten en onze daden gaan wij nooit na in een onmeedogend onderzoek.

  18. Wij letten er niet op waar onze genegenheden liggen; en hoe besmeurd alles in ons is, betreuren wij niet eens.

  19. De hele mensheid had haar weg verdorven (Gen. 6 : 12) en daarom volgde een geweldige vloed.

  20. Als dan onze inwendige gerichtheid zozeer verdorven is, moet de daad die daarop volgt, het bewijs van onze innerlijke armoede, wel totaal onedel zijn.

  21. Uit een zuiver hart komt de vrucht van een goed leven voort..

  22. Men vraagt wel hoeveel iemand tot stand heeft gebracht, maar met welk een graad van volmaaktheid, daar tilt men zo zwaar niet aan.

  23. Of hij een persoonlijkheid is of rijk, een knappe verschijning is en bekwaam, of hij een schrijver is die meetelt, een uitstekend zanger, een goed werker, dr vraagt men naar. Maar hoe arm van geest, hoe geduldig, zachtmoedig, hoe vroom en innerlijk hij is, dat wordt door velen verzwegen.

  24. De natuur let op de uiterlijkheden van een mens; de genade richt zich op het innerlijk.

  25. De eerste vergist zich aanhoudend; de tweede steunt op God om niet bedrogen uit te komen.