Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 33
De onstandvastigheid van hart en de bedoeling die uiteindelijk op God gericht moet zijn

  1. 1. De Heer: Mijn zoon, geloof niet aan het verlangen dat op dit ogenblik in u is; spoedig wordt het ingeruild voor een ander.

  2. Zolang gij leeft, zijt gij aan die wisselingen onderhevig, ook al wilt gij dat niet; nu eens blij, dan weer bedroefd; nu in vrede, straks in onrust; nu vroom, straks onverschillig; nu ijverig, straks lui; nu ernstig, en straks zal men u als een lichtzinnige aantreffen.

  3. Maar boven deze veranderlijkheden staat de wijze, die goed in de geest onderwezen is. Hij let er niet op wat zijn gevoelens zijn of uit welke hoek de wind van de wankelmoedigheid waait. Heel de gerichtheid van zijn geest is er op uit nader te komen tot het verplichte en tegelijk gewenste doel.

  4. Want door zo te doen kan hij ongeschokt geheel zichzelf blijven, door voortdurend bij al die wisselende gebeurtenissen een eenvoudige blik op Mij te richten.

  5. Hoe zuiverder van bedoeling die oogopslag is, des te vaster gaat hij door alle stormen heen.

  6. Maar bij velen is dat oog van de zuivere bedoeling vertroebeld, zo spoedig immers richten zij het op iets anders, wat hun aanlokkelijk voorkomt.

  7. Zeldzaam ook is degene die helemaal vrij is van de smet van zelfzucht.

  8. Zo kwamen vroeger de joden naar Betani bij Marta en Maria, niet alleen om Jezus maar ook om Lazarus te zien (joh. 12 : 9).

  9. Daarom moeten wij het oog van de bedoeling zuiveren, zodat het eenvoudig en goed is, en boven alle andere middelen moet dat oog op Mij gericht zijn.