Derde boek

Aansporingen tot innerlijk leven

Hoofdstuk 34
Wie bemint proeft God boven alles en in alles

  1. De dienaar: Gij zijt mijn God en mijn al. (Franciscus var Assisi). Wat wil ik meer en wat kan ik verlangen dat uitgaat boven dit geluk?

  2. O inhoudsvol en verrukkelijk woord! Maar dan voor iemand die het Woord liefheeft, niet het vluchtige en alles wat voorbijgaat.

  3. Mijn God en mijn al! Voor wie het begrijpt is daarmee genoeg gezegd en het dikwijls herhalen is een vreugde voor hem die liefheeft.

  4. Immers als Gij aanwezig zijt is alles mooi en goed; zijl Gij er niet dan heb ik van alles afkeer.

  5. Gij brengt mijn hart tot rust, tot grote vrede en tot feestelijke blijdschap.

  6. Gij maakt dat ik over iedereen welwillend denk en U in allen prijs; maar zonder U kan niets mij op de duur behagen.

  7. Als iets behoorlijk en weldadig wil zijn, moet uw genade tussenbeide komen en in alles iets van u doen proeven.

  8. Wat zou hem niet smaken die smaak heeft gevonden in U?

  9. En als hij geen smaak kan vinden in U, wat zou hem dan verder wèl bevallen?

  10. Maar de wijzen van de schijn en zij die gericht zijn op het zinnelijke weten geen weg met de wijsheid die U betreft; want de eersten vergaan van onbeduidendheid en de tweeden lopen toe op de dood.

  11. Maar wie U volgen door verachting van het vergankelijke en de versterving van het lichaam, zal men erkennen als de eigenlijk wijze mensen; zij zetten de stap namelijk van het zinloze naar de waarheid, van het stoffelijke naar het hogere.

  12. Zij vinden smaak in God, en al wat er verder aan goeds te vinden is in de schepping, is voor hen een reden om de Heer te loven.

  13. Smaak hebben in de Schepper en smaak vinden in het geschapene zijn twee dingen die hemelsbreed verschillen: het gaat dan over eeuwigheid en tijd, over het ongeschapen Licht en het licht dat werd ontstoken.

  14. O eeuwig Licht dat alle geschapen licht overstraalt: zend het felle bliksemlicht van boven dat tot in de diepste hoeken van mijn hart dóórdringt.

  15. Zuiver, verblijd, verlicht en verlevendig mijn geest met ál zijn vermogens om U te kunnen aanhangen in een jubelende verrukking van vreugde.

  16. O wanneer zal dat zalig uur eens komen waar ik zo naar uitzie, dat ik word verzadigd door uw aanwezigheid en Gij alles in alles zijt?

  17. Zolang mij dit nog niet gegeven is, kan de vreugde niet helemaal echt zijn.

  18. Nog steeds helaas leeft in mij de al te aardse mens: hij is nog niet geheel gekruisigd en nog niet volslagen dood.

  19. Hij heeft nog hevige begeerten die tegen de geest ingaan; hij verwekt binnen in mij gevechten en kan maar niet hebben dat mijn innerlijk leven in vrede is.

  20. Maar Gij die heerst over de macht van de zee en de golvingen van het water kalmeert, sta op en help mij (Ps. 89 : 10; 44 : 27).

  21. Verdrijf de heidenen die oorlog zoeken, verpletter ze met uw kracht (Ps. 68 : 31; 59 : 12).

  22. Openbaar, bid ik U, de glorie van uw grootheid, laat mij uw macht verheerlijken. Want er bestaat geen andere hoop en voor mij geen toevlucht behalve in U Heer mijn God.