Vierde boek

De heilige eucharistie

Hoofdstuk 5

De waardigheid van het Sacrament
en de priesterlijke staat

  1. De Heer: Al hadt gij een engelachtige zuiverheid en de heiligheid van Sint Jan de Doper, dan waart gij nog niet waardig dit Sacrament te ontvangen en daarmee om te gaan.

  2. Want het is geen vrucht van menselijke verdiensten dat een mens consacreert en Christus' Sacrament in handen neemt en het brood der engelen nuttigt als zijn spijs.

  3. Ontzagwekkend is de bediening en groot de waardigheid van de priesters aan wie gegeven is wat engelen niet is toegestaan.

  4. Want alleen de priesters die op de juiste wijze in de kerk zijn gewijd, hebben de macht om het offer op te dragen en het Lichaam van Christus te consacreren.

  5. De priester is immers de dienaar van God, die Gods woord gebruikt op bevel en volgens de instelling van God. God is daar de voornaamste bewerker en de onzichtbare uitvoerder: alles is aan Hem volgens zijn wil onderworpen en hij doet alles wat Hij beveelt.

  6. Daarom moet Gij meer de almachtige God geloven in dit hoogheilig Sacrament dan uw eigen gevoelens volgen of een of ander zichtbaar bewijs.

  7. Daarom behoort men met ontzag en eerbied tot dit dienstwerk te naderen.

  8. Neem uzelf in acht en bedenk wat het is waarvan de bediening u door de oplegging van de handen van de bisschop is toevertrouwd.

  9. Zie, gij zijt priester geworden en gewijd om de heilige Eucharistie te vieren; denk er nu wel aan om trouw en godvruchtig op de aangewezen tijd God dit offer op te dragen en zorg dat gij onberispelijk leeft.

  10. Gij hebt uw last niet lichter gemaakt, maar gij zijt nu door een nauwere band tot een stipte levenswijze gebonden en tot hogere maat van heilige volmaaktheid verplicht.

  11. Een priester moet zich onderscheiden door allerlei, deugd en voor anderen een voorbeeld van het goede zijn.

  12. Zijn levensgang is niet die volgens de populaire opvatting, maar moet lijken op die van de engelen in de hemel of van volmaakte mensen op aarde.

  13. Met de heilige gewaden bekleed is de priester plaatsvervanger van Christus om God voor zichzelf en voor heel het volk eerbiedig en nederig te smeken.

  14. Vr en achter zich draagt hij het teken van het kruis des Heren om altijd het lijden van Christus te gedenken.

  15. Van voren draagt hij het kruis op het kazuifel om Christus' voetsporen nauwkeurig na te gaan en zich ijverig op navolging toe te leggen.

  16. Aan de achterzijde is hij met een kruis getekend om welke lasten ook, hem door anderen opgelegd, met mildheid voor God te dragen.

  17. Voor zich uit draagt hij het kruis om eigen zonden te betreuren, achter zich aan om ook wat anderen misdeden uit medelijden te bewenen en om goed te weten dat hij tussen God en de zondaar is gesteld.

  18. Hij mag niet verflauwen in het gebed of het heilig offer, totdat hij verdient genade en barmhartigheid te verkrijgen.

  19. Als de priester de heilige Eucharistie viert, eert hij God, verblijdt hij de engelen, geeft hij stichting aan de Kerk; hij helpt de levenden, verkrijgt rust voor de overledenen ,en heeft zelf aan alle geestelijke goederen deel.