Vierde boek

De heilige eucharistie

Hoofdstuk 10

De heilige communie moet men niet gemakkelijk achterwege
laten

  1. De Heer: Dikwijls behoort gij uw toevlucht te nemen tot de bron van genade en goddelijke barmhartigheid, tot de bron van goedheid en alle zuiverheid. Dan zult gij van uw hartstochten en gebreken worden genezen en verdienen krachtiger en waakzamer te kunnen optreden tegen alle bekoringen en bedriegerijen van de duivel.

  2. De vijand weet dat zeer veel vrucht en een middel tot heil in de communie gelegen zijn; op allerlei wijzen en bij iedere gelegenheid probeert hij gelovigen en vromen zoveel hij kan daarvan af te houden of hen daarin te belemmeren.

  3. Want als sommigen zich, op de heilige communie voorbereiden, ondergaan zij zeer erge ingevingen van de satan.

  4. De boze geest zelf, zoals in het boek Job geschreven staat, komt onder de zonen Gods om hen met zijn gebruikelijke slechtheid in verwarring te brengen, ze bevreesd te maken of radeloos; om zo hun liefde te verminderen of hun geloof door zijn aanvechting weg te nemen, zodat zij óf de communie helemaal weglaten óf met lauwheid ertoe naderen.

  5. Maar men moet zich niet het allerminst storen aan zijn sluwheden en verbeeldingen, hoe schandelijk en verschrikkelijk die ook zijn, maar alle fantasieën moet men naar zijn hoofd terugwerpen.

  6. Hij is ellendig, verachtelijk en bespottelijk; en om zijn beledigingen en de onrust die hij veroorzaakt, moet men de heilige communie niet overslaan.

  7. Dikwijls immers is een te grote bezorgdheid een belemmering voor de godsvrucht en ook de angst voor het spreken van de biecht.

  8. Handel volgens de raad van wijze mensen en leg angst en scrupules af, want dit verhindert Gods genade en vernietigt de innerlijke godsvrucht.

  9. Laat om een of ander klein bezwaar of verwarring de heilige communie niet varen; maar ga spoedig biechten en vergeef anderen graag al hun beledigingen.

  10. Maar hebt gij zelf iemand beledigd, vraag dan nederig om vergeving, dan zal God u van harte genadig zijn.

  11. Wat baat het u zo lang te wachten met biechten of de heilige communie uit te stellen?

  12. Zuiver u zo snel mogelijk, spuw het venijn onmiddellijk uit, haast u het geneesmiddel in te nemen en gij zult u beter bevinden dan wanneer gij lang wacht.

  13. Als gij om deze reden nalatig zijt, is er morgen wellicht een nog belangrijker reden en zo zoudt gij lang van de communie weerhouden kunnen worden en er steeds minder toe in staat zijn.

  14. Zo spoedig mogelijk moet gij dit bezwaar en deze lusteloosheid van u afschudden.

  15. Het dient nergens toe lang gekweld te worden, lang met onrust rond te lopen en vanwege dagelijkse belemmeringen zich van het goddelijke te verwijderen.

  16. Het is zelfs in hoge mate schadelijk de heilige communie lang uit te stellen, want dat leidt gewoonlijk tot grote lauwheid.

  17. Helaas, sommigen die lauw zijn en nalatig nemen de kans hun biecht wat later te doen graag aan en stellen de heilige communie daarom graag uit om niet verplicht te zijn tot grotere waakzaamheid over zichzelf.

  18. Helaas, wat hebben zij weinig liefde en een zwakke godsvrucht die de heilige communie zo gemakkelijk uitstellen.

  19. Hoe gelukkig is hij en hoezeer God welgevallig die zo leeft en zijn geweten dermate rein houdt, dat hij gereed is zelfs dagelijks te communiceren en het zou verlangen te doen, als het hem geoorloofd was en het kon geschieden zonder op te vallen.

  20. Als iemand er zich somtijds van onthoudt uit nederigheid of omdat een goede reden het bezwaarlijk maakt, is hij te prijzen om zijn eerbied.

  21. Maar sluipt de lauwheid binnen, dan moet hij zichzelf aansporen en doen wat in zijn vermogen is; dan zal de Heer aan zijn verlangen voldoen om die goede wil, waarmee de Heer zeer bijzonder rekening houdt.

  22. Maar als iemand wettig verhinderd is, zal hij altijd de goede wil en de vrome bedoeling hebben te communiceren en zo zal hem de vrucht van het Sacrament niet ontgaan.

  23. Want iedere vrome gelovige kan op ieder uur van de dag in een geestelijke communie tot Christus naderen en dat zonder enige weerhouding.

  24. Maar op bepaalde dagen en tijden zal hij niet mogen nalaten het Lichaam van zijn Verlosser met liefdevolle eerbied in het Sacrament te ontvangen, en dat meer op grond van Gods eer en glorie dan om het zoeken van eigen troost.

  25. Want zo dikwijls hij geestelijk communiceert, wordt hij onzichtbaar verkwikt als hij het mysterie van Christus' menswording en lijden vroom herdenkt en in liefde voor Hem ontvlamt.

  26. Wie zich anders niet voorbereidt dan bij het ophanden zijn van een feest of omdat de gewoonte ertoe aanzet, zal dikwijls geheel onvoorbereid zijn.

  27. Gelukkig degene die zich de Heer onvoorwaardelijk als offer opdraagt, zo dikwijls hij, celebreert of communiceert.

  28. Wees bij het opdragen van de mis niet te langzaam of haastig, maar houd u aan het goede gemeenschappelijk gebruik van degenen met wie gij leeft.

  29. Gij moet voor de anderen geen oorzaak van last of verveling zijn, maar de gewone weg bewandelen volgens de instelling van wie ons zijn voorgegaan, en liever het nut van anderen in het oog houden dan eigen devotie of verlangen.