Vierde boek

De heilige eucharistie

Hoofdstuk 12

Wie gaat communiceren behoort zich met grote ijver op Christus' komst voor te bereiden

  1. De Heer: Ik ben de Minnaar van zuiverheid en de Gever van alle heiligheid.

  2. Ik zoek een zuiver hart en daar is de plaats van mijn rust.

  3. Maak voor Mij de grote, open zaal gereed (Mc. 14 : 15); dan zal Ik met mijn leerlingen paasfeest bij u vieren.

  4. Als gij wilt dat Ik tot u kom en bij u blijf, doe dan de oude zuurdesem weg en zuiver de woonplaats van uw hart.

  5. Sluit heel de wereld buiten en heel het tumult van gebreken; zit als een eenzame mus op het dak (Ps. 102 : 8) en denk aan uw overtredingen in de bitterheid van uw gemoed.

  6. Iedere geliefde immers brengt voor haar minnaar de beste en mooiste plaats in gereedheid, want daaraan wordt de genegenheid erkend van wie de beminde ontvangt.

  7. Weet echter wel dat gij met de verdienste van uw eigen daden voor deze voorbereiding niet kunt volstaan, al zoudt gij u zelfs gedurende een heel jaar voorbereiden en niets anders in de geest hebben.

  8. Maar uit louter liefde, op grond van mijn genade wordt u toegestaan tot mijn tafel te naderen, alsof een bedelaar aan de maaltijd van een rijke werd genodigd en deze niets anders zou hebben om op die weldaad te antwoorden dan zich te vernederen en hem dank te zeggen.

  9. Doe wat in uw vermogen is en doe het met ijver; niet uit gewoonte, niet omdat het moet, maar neem het Lichaam van de geliefde Heer uw God tot u met eerbiedige vrees en met liefde, nu Hij zich gewaardigt tot u te komen.

  10. Ik ben het die heb geroepen; Ik heb bevolen dat dit zou gebeuren; Ik zal aanvullen wat u ontbreekt, kom en ontvang Mij.

  11. Als Ik de genade van godsvrucht geef, zeg dan uw God daarvoor dank, niet omdat gij waardig zijt, maar omdat Ik mij over u ontfermd heb.

  12. Als gij niets hebt, maar u eerder dor voelt, blijf dan met aandrang bidden, zucht en klop; houd niet op totdat gij verkrijgt een kruimel of druppel van heilzame genade op te vangen.

  13. Gij hebt Mij nodig; Ik heb u niet nodig.

  14. En gij komt niet Mij heiligen, maar Ik kom u heiligen en beter maken.

  15. Gij komt om door Mij geheiligd en met Mij verenigd te worden, om nieuwe genaden te ontvangen en opnieuw tot levensverbetering te worden aangevuurd.

  16. Wil deze genade niet verwaarlozen, maar bereid met alle ijver uw hart voor en voer uw Beminde bij u binnen.

  17. Gij behoort u echter niet alleen tot godsvrucht voor te bereiden voor de Communie, maar u ook zorgvuldig in die godsvrucht te bewaren na het ontvangen van het Sacrament.

  18. Niet minder behoedzaamheid daarna wordt vereist dan godvruchtige voorbereiding tevoren.

  19. Want een goede zorg daarna is weer de beste voorbereiding om groter genade te ontvangen.

  20. Zeer slecht voorbereid is iemand hierdoor dat hij terstond, al te onbeteugeld uitwendige voldoening zoekt.

  21. Wacht u voor het veel spreken, blijf in de eenzaamheid en geniet van de goddelijke aanwezigheid.

  22. Want nu heb gij Hem die heel de wereld u niet ontnemen kan.

  23. Ik ben het aan wie gij u geheel moet wegschenken, zodat gij voortaan niet meer in uzelf, maar in Mij zonder enige bezorgdheid blijft leven.